Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Het gebod en de belofte

Maar wees te allen dage in de vreze des HEEREN: Want zekerlijk, er is een beloning: en uwe verwachting zal niet afgesneden worden. Spreuken 23:17b, 18.

De beproevingen en twijfelmoedigheden, welke een christen op zijn weg ten hemel ondervinden zal, worden hem niet bij de aanvang openbaar gemaakt. De Heere handelt met hem, zoals Hij handelde met de kinderen Israels, toen Hij hen uit Egypte uitleidde. Geen enkel woord sprak Hij tot hen over de woestijn. Dit was de boodschap, welke Mozes hen brengen moest: ”En de HEERE zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers: want Ik heb hun smarten bekend. Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig. (Exodus 3:7, 8a). In deze onbeperkte, onvoorwaardelijke belofte van verlossing, horen wij niet één woord omtrent de woestijn, welke zich nog zou voordoen tussen Egypte en Kanaan: geen woord over het veertig jaar vertoeven daar, alvorens zij het beloofde land in bezit kregen.

Aldus handelt de Heere met Zijn volk, wanneer Hij hen uit het diensthuis verlost. Hij stelt hen het beloofde land voor als hun zekere erfenis, en ontsteekt hun begeerten, en hun genegenheden ernaar: maar verbergt voor hen de moeilijkheden, welke zij het hoofd zullen moeten bieden, en de woestijn, die ze zullen moeten doortrekken om daar te komen. Een soortgelijke geestelijke leiding met de ziel, vinden wij aangeduid in Hoséa 2:13 ’’Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken.” De Heere lokt haar, leidt haar onmerkbaar voort, totdat ze ten laatste ervaart, dat ze is, waar ze nauwelijks verwachtte te zijn. Wij vinden de apostel een soortgelijke zaak te kennen geven in des Heeren leidingen met Abraham. ’’Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou: en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.” (Hebr. 11:8). Toen de Heere riep, is hij die roeping gehoorzaam geweest, niet wetende, waar hij heenging: maar hij volgde eenvoudigweg, zoals de Heere leidde, in de gehoorzaamheid des geloofs. Dat de Heere in het algemeen op deze wijze Zijn volk leidt, lezen we in Jesaja 42:16a ”En Ik zal de blinden leiden door de weg dien zij niet geweten hebben: Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben.”

Welnu, het is grote wijsheid, als ook grote genade, dat de Heere deze dingen voor ons verbergt. Zouden al de beproevingen en moeilijkheden van de weg ons bij de aanvang verklaard en voor ogen gesteld worden, dan zouden wij dit niet kunnen dragen. Gelijk de kinderen van Efraïm, ofschoon gewapende boogschutters, zouden wij omkeren ten dage des strijds (Ps. 78 : 9). Dit vinden wij aangeduid betreffende de kinderen Israels, toen zij uit Egypte werden uitgeleid. ”En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op de weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was, want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte.” ((Ex. 13:17). De Heere wist hoe zwak zij waren: en daarom zorgde Hij er, om zo te zeggen, voor, hen geen vrees aan te jagen, maar leidde hen op zachte wijze de woestijn in. En aldus verbergt Hij voor Zijn volk de beproevingen en moeilijkheden van de weg, de vijanden, welke zij het hoofd zullen moeten bieden en de krijgen, die zij zullen moeten voeren: totdat zij in zekere mate zijn toebereid, de hardheid te verduren, als goede soldaten van Jezus Christus. Wij stellen vast, dat er in de tekst een vermaning wordt gegeven: en deze vermaning gaat gepaard aan een belofte.  Welnu, de vermaningen, die wij aantreffen in Gods Woord, doen gewoonlijk geen pijn, tenminste mij niet. Ze komen niet zo scherp over, noch verwekken ze de vijandschap en opstand van het hart.

Maar vermaningen uit de mond van predikanten doen vaak pijn. Waarom is dit zo? Vanwaar komt dit verschil in ons gevoelen? Eén reden is, omdat wanneer de geboden in het Woord van God tot ons komen, deze met zoetigheid en zalving komen: en aldus overwinnen zij de opstand, welke er tegen in ons hart is, en slaan ze deze neer. Een andere reden is, omdat de mensen heel zelden in een toestand verkeren, om de geboden kracht bij te zetten. Iemand moet zelf al heel onschuldig staan, aleer hij een ander kan vermanen. Het zal niet gaan, dat een hovaardig man tot ootmoed vermaant, noch dat iemand, die zichzelf bedoelt tot zelfverloochening vermaant. Iemand moet welhaast onbesmet staan, alvorens hij op consequente wijze over de geboden kan handelen: en daar er maar heel weinig deze plaats kunnen innemen, doet de vermaning pijn en verwekt deze eerder vijandschap en opstand, dan dat deze enige profijtelijke uitwerking teweegbrengt. Maar zo is het niet met de geboden in het Woord van God: ik kan ze met aangenaamheid lezen en doe dat ook: en bij ogenblikken voel ik een kracht medegedeeld door het gebod en door de vermaning, dat het een verlangen teweegbrengt hieraan gelijkvormig te zijn. In de tekst vinden wij dus een gebod: en dit gebod is, zoals dit gewoonlijk het geval is, verbonden met een bijzondere toestand of verzoeking der ziel.

Welk een kennis heeft God toch van het hart des mensen! Zoals wij lezen van Jezus: ’’Want Hijzelf wist, wat in de mens was.” (Joh. 2:25b). Hier legt Hij dus, om zo te zeggen. Zijn vinger op een gevoelige plaats in eens mensen hart: en wat is dat? De nijd van het vleselijke gemoed in Gods volk tegen de voorspoed der goddelozen. Hij zegt: ”Uw hart zij niet nijdig over de zondaren.” Hij wist, dat deze nijd er lag in het hart des mensen. Asaf voelde het (Psalm 73) en zijn voeten waren bijna uitgeweken door de verzoeking. Job ondervond het (21:6-15) ”en zijn vlees heeft een gruwen gevat.” En nagenoeg geheel psalm 37 is Gods volk tot raadgeving hiertegen: en is hen eronder tot ondersteuning. Daar vandaan bestrijdt de Heere, wetende wat er in het hart van Zijn volk lag, dit aldus: ”Uw hart zij niet nijdig over de zondaren: maar wees te allen dage in de vreze des Heeren,” alsof het aldus luidde: hoeveel beter is het in de vreze des HEEREN te zijn, dan nijdig te zijn over zondaren: ’’Want zekerlijk er is een beloning.” Al hun trots en ijdelheid zal op een vreselijk einde uitlopen: ’’Maar uw verwachting van rust en vrede zal niet afgesneden worden.” Met Gods zegen zullen wij, bij het overdenken van deze woorden, vanmorgen in de eerste plaats het gebod beschouwen: ’’Maar wees te allen dage in de vreze des Heeren.” En naderhand de belofte, of liever de beide beloften, die ermee verbonden zijn: ’’Want zekerlijk, er is een beloning, en uwe verwachting zal niet afgesneden worden.”

1. De vreze des HEEREN is het voorname onderscheidmakende kenmerk ener levende ziel van iemand, die dood is in de zonde, evenals het een bijzondere zegen is van een nieuw Verbond. Wat zegt de Heere? ”En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe: en Ik zal Mijne vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.” (Jer. 32:40). De vreze des HEEREN is dus een bijzondere zegen van een nieuw Verbond: en het is, doordat deze in iemands ziel wordt ingeplant, dat hij niet van God afwijkt. Velen willen aldus redeneren: ’’Wanneer iemand een uitverkoren vat der genade is, dan is hij er zeker van te worden behouden, wat hij dan ook doen moge. Daarom doet het er niet toe, hoe iemand leeft, wanneer hij één der uitverkorenen is.” Welnu, hoe waakt God tegen zulk een ontzaglijke verdraaiing van Zijn Waarheid? Op deze wijze: ”Ik zal Mijne vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.” Zijn vreze in het hart is de zekere vrucht der uitverkiezing, en staat ermee op dezelfde grondslag. Het ene maakt deel uit van Gods verborgen, en het andere van Zijn geopenbaarde wil. Verordineert Hij een ziel ten eeuwigen leven? Hij verordineert, dat die ziel in Zijn vreze zal wandelen.

Daar waar geen vreze is ingeplant, daar wordt geen verkiezing openbaar gemaakt. Hier zien wij de onverbreekbare vereniging tussen een vat der genade en zijn God. Het eeuwige Verbond verbindt God aan hem: en Goddelijke vreze, in zijn hart ingeplant, verbindt hem aan God. Welk een onuitsprekelijke genade is het dan toch de vreze des HEEREN door Zijn hand in de ziel te hebben ingeplant! Welnu, de HEERE, sprekende in de tekst, geeft een gebod, Zich aldus afzonderlijk wendende tot Zijn gelovigen. ’’Maar (Mijn zoon, Mijn kind) wees te allen dage in de vreze des HEEREN.” (Eng. vert. ’’wees gij…”). Sommigen mogen zeggen: ”Hoe mag dat zijn? Zijn er niet vele dagen, zijn er tenminste niet vele uren daags, waarop er geheel geen gevoelige vreze des HEEREN is, en waarop er nauwelijks één genade-vonk in oefening is in de ziel?” Ik beken met schaamte, dat het met mij vaak zo is. Hoe, zo kan men zich afvragen, kan zulk een toestand dan bestaanbaar zijn met het gebod in de tekst? Ik zal proberen u dit aan te tonen. De vreze des HEEREN, eenmaal in iemands hart ingeplant, gaat hieruit nimmer verloren. Deze moge niet in gevoelige oefening zijn, doch eenmaal ingeplant zijnde, kan ze nimmer worden uitgeroeid. Ik mag deze, bij wijze van toelichting, wel vergelijken bij de liefde, welke een moeder tot haar kinderen heeft: zij toont niet altijd haar liefde. Wat haalt deze dan uit? Omstandigheden. Een valpartij, ziekte, iets dat smart, letsel toebrengt, of dat het kind pijn doet, brengt de moederliefde in oefening, welke passief in de boezem ligt, totdat deze wordt uitgehaald. De liefde, welke een moeder tot haar kind heeft, is altijd in haar boezem. Zij houdt nooit op haar kinderen lief te hebben: en nochtans zijn er uren of dagen misschien, dat deze liefde niet op een gevoelige wijze uitvloeit. Omstandigheden halen deze evenwel in een ogenblik uit.

Aldus is het met de vreze des HEEREN in ons hart. Er zijn tijden, dat kilheid, dodigheid, gemelijkheid, en opstand dermate schijnen de overhand te hebben, dat het schijnt, alsof er in het geheel geen vreze des HEEREN in het hart is. En nochtans zullen omstandigheden deze in een ogenblik uithalen. Laat er, bijvoorbeeld, een zekere zonde voor uw oog opdagen, welke uw vleselijk gemoed aangenaam is, en welke hierbij aansluiting vindt, of laat er een zekere strik van satan aan u ontdekt worden, dan zal de vreze des HEEREN zich in een ogenblik verheffen. Was het niet aldus met Jozef? Wat waren zijn woorden, toen de verzoeking zich aan hem voordeed? ”Hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God?” (Gen. 39:9). Was het zo niet met David, toen hij tegenover zijn doodsvijand, Saul stond, als hij slapende lag in de wagenburg. En Abisaï zei: ’’Laat mij toch hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan.” De vreze des HEEREN sprong op in Davids hart, en hij sprak: ’’Verderf hem niet, want wie heeft zijne hand aan de gezalfde des HEEREN gelegd, en is onschuldig gebleven?” (1 Sam. 26:8b, 9). Aldus toen hij besloten was zich te wreken op Nabal, vanwege zijn lompe bejegening: en Abigail ontmoette hem onderweg, hoe verhief zich toen op haar woorden de vreze des HEEREN in zijn ziel!

’’Toen zei David tot Abigail: Gezegend zij de HEERE, de God Israels, Die u te dezen dage mij tegemoet gezonden heeft! En gezegend zij uw raad, en gezegend zijt gij, dat gij mij te dezen dage geweerd hebt, van te komen met bloedstorting, dat mijne hand mij verlost zou hebben!” (1 Sam. 25:32, 33). Aldus, terwijl het vleselijke hart het lokaas, dat door satan is gelegd, aangrijpt, zal de vreze des HEEREN, welke passief in de ziel lag, vaak in oefening opspringen. Deze ’’springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods,” stroomt voort in levende wateren, om de ziel ervan te weerhouden daarheen te vliegen, waar het vleselijke hart haar zou heenvoeren. Bevindt u dit niet zo? Er zijn tijden in uw bevinding, waarop u niet meer vreze Gods in levende beoefening lijkt te hebben, dan wanneer de dingen der eeuwigheid nimmer met kracht op uw ziel hadden gerust: en evenwel is er een verborgen beteugeling, welke u bewaart voor het kwaad. Temidden van al uw wereldsgezindheid en vleselijkheid, is er die innerlijke eerbied voor God, dat innerlijke verlangen om Zijn wil te doen, dat innerlijke aankleven van hetgeen Hij gebiedt, en het vlieden van hetgeen Hij verbiedt, dat u niet altijd op een gevoelige en nochtans op een verborgen wijze bewaart voor het kwaad. Ik heb het aldus bevonden en bevindt het in meerdere of in mindere mate dagelijks zo.

Maar welk een gezegende zaak is het, wanneer dit gebod dagelijks op een gevoelige wijze wordt beoefend! O, welk een zegening zou het zijn voor de Kerke Gods, wanneer de geboden op een volkomen wijze zouden worden volbracht met het hart, de mond, en met het leven van Gods volk! Aan welke boosheden zou dit een einde maken! Wat zou het iemands tong, blikken en iemands daden beteugelen! Er is geen leven, zo begeerlijk, als te allen dage in de vreze des HEEREN te zijn, en te wandelen als het oog Gods aldoor op ons gevestigd voelende. Hoe vele pijnlijke, scherpe aanmerkingen zou het ons besparen! Hoezeer zou de Kerke Gods die twist en strijd, die toorn en bitterheid bespaard worden, waardoor ze nagenoeg aan stukken wordt gescheurd! Dit was de gezegende toestand van de eerste gemeenten. ”De gemeenten dan, door geheel Judéa, en Galiléa, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht: en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden zij vermenigvuldigd.” (Hand. 9:31). Welke toestand is gelukkiger en begeerlijker dan om te gevoelen dat, terwijl iedere opstandige gedachte in het binnenste oprijst, de vreze des HEEREN zich onmiddellijk verheft om deze te beteugelen of te overwinnen: dat terwijl trots, nijd, afgunst, een boos humeur, hebzucht, en begeerten naar verboden zaken in het gemoed oprijzen, er een schildwacht op de uitkijk staat om het alarm te blazen, en om de vesting van het hart ervoor te bewaren, verrast en ingenomen te worden door de vijand?

Maar deze kinderlijke vreze des HEEREN zal gepaard gaan met iedere genade en vrucht des Geestes. Het is niet een op zichzelf staande genade: geen genade is op zichzelf staand, geen genade bloeit ten koste van de rest. Zoals de ledematen van een menselijk lichaam in zijn opwas van de kinderjaren tot de mannelijke leeftijd, wassen al de genaden des Geestes tesamen op in een gezegende verhouding en harmonie. Het is niet als de uitloper van een boom, welke het sap aan de stam onttrekt, zodat u de uitloper moet uittrekken, opdat deze geen schade toebrengt aan de boom: maar ze gelijkt eerder op de tak van een boom, alwaar wortel, stam en takken zo tieren en groeien in onderlinge evenredigheid, dat het bloeien van het één bijdraagt tot het bloeien van het overige. Wanneer dus iemand zo gezegend is, dat hij te allen dage in de gevoelige vreze des HEEREN is, dan tiert en bloeit iedere genade en iedere vrucht des Geestes tezelfder tijd in zijn ziel.

1. Het geloof, bijvoorbeeld, die verkiezingsvrucht des Geestes zal overvloedig zijn, juist naarmate de vreze des HEEREN overvloedig is. Wij vrezen de HEERE alleen maar in zoverre wij in Hem geloven: zodat, wanneer wij te allen dage in de vreze des HEEREN zijn, wij te allen dage in het geloof des HEEREN zullen zijn.

2. Wij zouden tezelfdertijd ook heilige eerbied in gezegende beoefening hebben. De apostel voegt eerbied en vreze Gods tesamen en verklaart, dat beide de vrucht en uitwerking van genade zijn. ’’Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.” (Hebr. 12 : 28). Deze eerbied omvat een ernstige overpeinzing van de tegenwoordigheid Gods, en een heilige tederheid jegens Zijn Naam, Zijn Woord, Zijn wil. Zijn eer en Zijn heerlijkheid.

3. Ook hemelsgezindheid en geestelijke toegenegenheid zouden deze vreze Gods vergezellen. Zouden wij te allen dage in de vreze des HEEREN zijn, wat zou er dan een vermaak liggen in het lezen van de Schriften: wat zou de ene waarheid na de andere, en tekst op tekst in ons hart komen te vloeien: welk een zoete overdenking zou er zijn over de Persoon, het werk, de liefde en het bloed van Jezus: wat een feestmaal zouden wij hebben aan Gods Woord!

4. Wanneer wij te allen dage in de vreze des HEEREN zouden zijn, hoevele zonden zouden er dan ook in de kiem worden gesmoord! Onze toorn tegen een broeder zou nimmer uitlopen op scherpe woorden en bittere verwijten. Zulke pijnlijke woorden en bittere verwijten, zulke pijnlijke ontstemmingen zouden in onze boezem opgesloten blijven, en zouden geen zuurdesem zijn om de gemoederen van anderen te doen gisten. Ook die ganse boze gang, welke de vrede van honderden gezinnen heeft verwoest, voortvloeiend uit de boze lusten van onze natuur, beginnend met tomeloze begeerten, voortgaande met blikken en woorden en volbracht door afschuwelijke daden, zou niet verder komen dan de natuur, welke deze opwekte.

5. Ook zou dit één van de aangenaamste en gelukkigste levens zijn, dat wij op aarde zouden kunnen leven. Zou de vreze des HEEREN dus onze schat zijn, welke haar rijkdommen in ons hart deed stromen (Jes. 33:6), dan zou er een sterk vertrouwen zijn (Spr. 14 : 26). Ons hart zou ons dan niet zo gedurig veroordelen, en dit zou ons meer vertrouwen schenken, zoals Johannes spreekt: ’’Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God.” (1 Joh. 3:21). ”De verborgenheid des HEEREN zou meer voor ons zijn.” (Ps. 25:14). ”Wij zouden grote lust hebben onder Zijn banier te verkeren.” (Ps. 60 : 6 – Hoogl. 2:4) en ”wij zouden geen gebrek hebben.” (Ps. 34:10). Wat bereidt een levende consciëntie zoveel smart? Is het niet de hardigheid, kilheid en dodigheid, welke als een ijskorst op de ziel ligt? Onze walgelijke gedachten, onze vleselijke gesprekken, onze dwaze en tegenstrijdige handelingen bereiden ons overvloedige smart. Het is de levende ziel tot smart, dat ze niet te allen dage kan leven in de vreze des HEEREN: maar dat, wanneer ze het goede wil doen, het kwade haar bijligt. En wat pleit ze bij ogenblikken bij de Heere, opdat ze, bij de voortduur, in Zijn vreze leven mocht! Voorwaar, het is een aangenaam leven. Ik kan dit niet leven, ofschoon ik verlang dit te doen. Maar nu en dan ben ik op deze plaats geweest: en ik ben ervan overtuigd, dat het een gezegende plaats is om te vertoeven.

II. Maar aan dit gebod is de belofte verbonden, of liever de beide beloften. ’’Want zekerlijk, er is een beloning: en uwe verwachting zal niet afgesneden worden.” Ik zal proberen u het verband aan te tonen.

1. De Heere richt Zich hier tot een ziel, die zwoegt onder verzoeking, en die bijzondere oefeningen doorleeft: en dit is de vermaning, welke Hij geeft: ’’Maar wees te allen dage in de vreze des HEEREN.” Acht gevende op Zijn hand, zich onderwerpende aan Zijn wil, alles aan Zijn zorg en bewaring toevertrouwend: uw hart niet tegen Hem verhardende, maar tot Hem opziende, en Hem dienende met Goddelijke vreze: want zekerlijk, er is een beloning. U mag verzocht, geoefend en omringd worden door moeilijkheden en geen uitweg zien, maar zekerlijk, er is een beloning: en wanneer de beloning komt, zal dit alles klaar en duidelijk maken. Tot deze stille onderwerping, tot dit waken en wachten kan iemand nimmer worden gebracht, tenzij hij een einde heeft gezien in alle volmaaktheid: een einde in zijn eigen sterkte, wijsheid en gerechtigheid.

Stil zitten is het moeilijkste, dat iemand doen kan. Lijdelijk aan de voetbank Gods te liggen, wanneer alles ons schijnt tegen te zijn: een pad te moeten bewandelen, dat oneffen is, omringd te zijn met moeilijkheden: en nochtans te allen dage in de vreze des HEEREN te zijn, acht gevende op Zijn hand, verlangende zich aan Zijn wil te onderwerpen, alleen die wijsheid te zoeken, die van boven komt en te vertrouwen, dat Hij de weg zal recht maken: onze hand niet aan het werk te slaan, maar het alles aan de Heere over te laten – welk een vreemd, welk een verborgen pad! En nochtans is dit het enige pad, dat een christen duurzame vrede brengt: ’’Want zekerlijk, er is een beloning.” Welke droefenissen en moeiten iemand dan ook moge te doorworstelen hebben, er zal zekerlijk een beloning voor zijn. Wanneer wij zelf proberen uit onze twijfelmoedigheden te raken, dan zijn we als iemand, die probeert een streng zijde, die in de war zit te ontwarren, door er met kracht aan te trekken: hoe meer eraan getrokken wordt, des te meer raakt het in de war: en des te vaster geraken de knopen. Aldus, wanneer wij in een beproeving worden geworpen, een beproeving in de voorzienigheid of een geestelijke beproeving, en wij trachten ons met geweld hieruit te bevrijden, door te klagen en in opstand te komen, dan geraken wij alleen maar nog meer verstrikt.

Om ons te bemoedigen lijdzaam op Hem te wachten, totdat Hij zal verschijnen, zegt de Heere dan ook: ’’Want zekerlijk er is een beloning.” Er komt een dag voor het volk van God, dat de tranen van hun aangezicht zullen worden afgewist, hoe rijkelijk en bitter de tranen nu ook mogen vloeien. Wanneer er dus een krachtige verzoeking is, waarmee de ziel te worstelen heeft, welke op het punt staat haar te overweldigen, dan ”is er zekerlijk een beloning”. Er is een verlossing uit de verzoeking bepaald. Ook wanneer er een last is van schuld en schande vanwege afkeringen, en het niet getrouw zijn aan haar beginsel, ”is er zekerlijk een beloning”. De Heere zal de last wegnemen, en de ziel ondersteunen door een zoete openbaring van het verzoenende bloed en de vergevende genade. Doch wij kunnen een zoet verband opmerken tussen het gebod en de belofte in de tekst. Het is alsof de Heere zei: ’’Wees gij, Mijn zoon, in de vreze des HEEREN te allen dage.” U hebt uw oefeningen, die te allen dage duren: uw verzoekingen, die te allen dage voortduren: uw smarten en ellenden, die te allen dage doorgaan. Wat moet u doen? Kunt u deze opzij zetten? Helaas, dit te proberen is als iemand, die door een zware doornheg probeert te stormen: hij moge trachten er doorheen te dringen, doch hij zal zich moeten terugtrekken, doorstoken en verwond door de doornen. Maar wees gij in de vreze des HEEREN, te allen dage, tot Hem opziende, verlangende Zijn wil te kennen en te doen: niet proberende uzelf een weg van ontkomen te bereiden, maar eenvoudigweg uw weg aan Hem toevertrouwende, Hem smekende, of Hij datgene in u zou willen werken, hetgeen Hem welbehagelijk is. ’’Want zekerlijk, er is een beloning,” en deze beloning zal niet verhaast worden door iets, dat wij kunnen doen.

Hebt u in het verleden niet bevonden dat, toen u als een woeste stier in een net trapte, dit geen verlossing bracht? Maar dat, toen u lijdelijk lag, wachtende op de Heere, Hij een beloning tot stand bracht? Een beloning zo onverwacht, zo heerlijk en zoet, dat u des HEEREN hand slechts kon loven, dat Hij dit op zo’n wonderbaarlijke wijze gedaan had. Dit is het algemene getuigenis van de Schrift, dat de Heere verschijnt en verlost, wanneer de beslo- tene en verlatene niets is: en de bevinding der gelovigen stemt overeen met het getuigenis van het geschreven Woord. ’’Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.” (Jer. 29:11). Maar er is nog een belofte verbonden aan het gebod: ”En uwe verwachting zal niet afgesneden worden.” Welnu, wanneer de Heere dan ook een ziel in staat stelt het gebod te volbrengen: ”te allen dage in Zijn vreze te zijn,” geeft Hij gewoonlijk een teken, dat Hij genadiglijk te harer behoeve zal verschijnen: en het is dit teken, dat de ’’verwachting” wekt. Ik wil u dit op een volkomener wijze aantonen.

Wanneer u in twijfelmoedigheden, verzoekingen, oefeningen, of ellenden verkeert: en u tracht een weg te banen voor uzelf, dan zal de Heere geen enkel teken geven, dat Hij voor uw zaak zal instaan. Maar wanneer de Heere u in staat stelt, te allen dage in Zijn vreze te zijn, niet proberende iets te doen, dat in strijd is met Zijn wil en Woord, dan zal Hij u een teken geven, dat Hij, vroeg of laat, zal verschijnen. Dit wordt op verschillende wijze gedaan. Soms door het hart tot Hem uit te halen in een vurig pleiten bij Hem. Dit is ”een aangrijpen van Zijn sterkte”. En diezelfde kracht, om dit te doen, verwekt een verwachting, dat Hij dat gebed zal verhoren. Soms is er een verborgen overtuiging, dat, ofschoon wij niet kunnen zeggen hoe, of vanwaar het komt, de Heere eens onze gevangenis zal wenden. Soms past de Heere een belofte toe aan de ziel, dat Hij op Zijn tijd en wijze de moeilijkheden zal opklaren en Zijn licht in en door de duisternis zal doen schijnen. Het is deze aanduiding, die de ’’verwachting” wekt, waarvan gesproken wordt in de tekst.

Doch wij kunnen opmerken, dat, waar dan ook deze verwachting is, er vele zaken zullen zijn, welke deze zullen beproeven. Dit lijkt in de tekst ”en uw verwachting zal niet afgesneden worden” te worden aangeduid. Er schijnt te worden gezinspeeld op een beeld, waarvan Hizkia gebruik maakt (Jes. 38:12), ”ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn weg: Hij zal mij afsnijden, als van het getouw.” Het ’’getouw” of de touwen, zijn de draden, welke het weefsel verbinden met het weefgetouw: en u weet, het laatste, dat een wever doet, wanneer hij zijn lap stof heeft geweven, is dit van de touwen te snijden. Hizkia, die had gehangen aan de genade Gods, zoals de lap stof aan het weefgetouw had gehangen, roept bevreesd uit, dat God hem wilde afsnijden, gelijk de wever zijn weefsel afsnijdt. Hierop schijnt dus in de tekst te worden gezinspeeld: ”Uwe verwachting zal niet afgesneden worden.” De verwachting moge flink gespannen worden, zoals de stof op het weefgetouw: deze moge het zeer hard te verduren krijgen: maar ze zal niet worden afgesneden. ”Ik, de Heere, zal niet handelen met de verwachtende ziel, zoals de wever met de stof op het weefgetouw. Deze zal niet worden beschaamd: Ik zal een zoete en kostelijke verhoring schenken.”

Tevoren merkte ik reeds op, dat deze verwachting niet een vermetele aanspraak is op de Heere, maar een genadige overtuiging in de ziel, teweeggebracht door een kennisgeving van het goede, dat aanstaande is van de Heere Zelf. En ik zal u vertellen, hoe u in een zekere mate weten kunt, of u zulk een genadige verwachting bezit, of alleen maar zulk een verwachting, als voortkomt uit vermetelheid. Men kan het weten door de gevolgen, welke het teweegbrengt. Een teken van God doet altijd het geloof in de belofte, die geschonken is, oprijzen en de uitwerking is, dat het hart wordt vertederd en zachtmoedig gemaakt, dat de mond geopend wordt tot het gebed, en dat het een stil wachten teweegbrengt of de Heere verschijnen wil. Wij vinden dit op klare wijze vermeld in Klaagliederen 3:55, 57: ’’HEERE, ik heb Uwen Naam aangeroepen uit de onderste kuil. Gij zijt genaderd ten dage, als ik U aanriep: Gij hebt gezegd: Vrees niet!”

Zo ook met Hanna. In haar geval was er eerst de ellende, dan de belofte des Heeren door Eli, en vervolgens de uitwerking: een stille verwachting, een drogen van haar tranen. ’’Alzo ging die vrouw haars weegs: en zij at, en haar aangezicht was haar zodanig niet meer.” (1 Sam. 1:18). Alvorens het teken komt, zijn wij vaak verdoofd door de beproeving: maar hopende, dat deze mag overdrijven, doen wij als de mensen bij een onweersbui, we zien uit of er ergens een stukje blauwe hemel is: en al zien we maar een flauwe streep aan de horizon, ofschoon het zwaar dondert, bliksemt en regent, nochtans weten wij, dat de storm spoedig zal overgaan. Aldus is het met de ziel: de storm moge nog altijd woeden: het donderen, bliksemen en regenen moge nog aanhouden: wanneer er evenwel maar een teken is van de Heere, dat Hij zal verschijnen, dan doet dit de ziel de blauwe hemel in het oog houden, totdat de Zonne der gerechtigheid door de donkere wolken heenbreekt. ”Uwe verwachting,” zegt de HEERE, ”zal niet afgesneden worden,” maar het kan beproefd worden, en wel heel erg.

U zult opmerken, dat dit de wijze was, waarop de Heere met Zijn dienstknechten van ouds handelde. Abram had een beproeving, toen hij tot de Heere klaagde: ’’Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga? En de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer. Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn! (Gen. 15:2, 3). De Heere gaf hem een belofte onder deze beproeving: ”En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt: en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!” (Gen. 15:4, 5). Deze belofte nam Abram in het geloof aan, zoals wij lezen: ”En hij geloofde in den HEERE: en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.” (Gen. 15:6). Hier was de verwachting. Maar werd deze niet beproefd? Een langdurige periode van vijfentwintig jaar tussen de belofte en de vervulling ervan beproefde deze zeer. Doch werd de verwachting afgesneden? Laat Sara antwoorden: ”En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt: al die het hoort, zal met mij lachen.

Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd! Want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.” (Gen. 21:6, 7). En was het niet aldus met David? Werd zijn verwachting van te zitten op de troon van Israël niet zeer beproefd? Maar ze werd niet afgesneden. Aldus beproeft de Heere altijd Zijn eigen werk in de ziel. Hij zendt Zijn volk scherpe beproevingen en legt hen zware lasten op om hun geloof te beproeven: zodat, ofschoon hun verwachting nimmer zal worden afgesneden, deze nochtans zeer zal worden beproefd. Hier zien wij het grote onderscheid tussen vermetelheid en geloof. Vermetelheid wacht nimmer op de Heere. Vermetelheid nadert nooit met betraande ogen tot de troon der genade: vermetelheid wordt nimmer beproefd door de duivel, noch door het ongeloof van een boos hart: maar deze verheft zich stoutmoedig en onbeschaamd, onbelemmerd en onbevreesd. Maar het geloof (ik zeg geloof, omdat het geloof en de verwachting nauw aan elkaar verbonden zijn) steunt op de beloften Gods, in weerwil van alle moeilijkheden en bestrijdingen, waaraan dit het hoofd moet bieden.

Vermetelheid raast en tiert: haar wordt toegestaan zich enige tijd stoutmoedig voort te spoeden: maar één vlaag werpt haar neer in de wanhoop. Het geloof wacht stil en lijdzaam, en laat het aan de Heere over te werken, en dan, wanneer de beloning komt (en zekerlijk zal er een beloning zijn) hoe aangenaam is het dan, van ons zelf uit, geen hand aan het werk te hebben geslagen, doch op te merken, dat de hand des HEEREN krachtige daden doet, terwijl wij, zoals gezegd werd tot deze ouden, vast staan en het heil des HEEREN zien. Welnu, dit pad is een pad, dat de roofvogel niet heeft gekend, en dat het oog der kraai niet heeft gezien – een pad, dat uitsluitend voor de uitverkorenen is, en waarop niemand anders dan vrijgekochte en levendgemaakte zielen kunnen wandelen.

Alle anderen zijn er voor zelf iets te doen, hun eigen zaak te wreken en hun eigen krijgen te voeren: maar ”wie gelooft, die zal niet haasten.” Te wachten is inderdaad beproevend voor vlees en bloed. Zelfs Abraham bleef hier ten dele in gebreke: en welhaast de vervulling van de belofte betwijfelende, wilde hij gaarne een kind uit de dienstmaagd, uit de vruchtbare Hagar, liever dan te wachten op de beloofde zoon uit de bejaarde Sara. Welnu, dit is een godsdienst, welke geen ophef maakt in de wereld. Deze schittert niet genoeg voor het oog van sommige mensen. Deze heeft niet genoeg klatergoud over zich om te schitteren en om ver en wijd te schijnen. Deze stille, tedere, bescheiden, standvastige godsdienst heeft voor de meesten niet voldoende vertoning of drukte.

Aan iets, dat meer schittert en dat zichtbaarder is, wordt de voorkeur gegeven. Aldus was het met de farizeeën van ouds. Zij vroegen Christus, ’’wanneer het Koninkrijk Gods komen zou,” een zeker uiterlijk vertoon verwachtende, iets, dat de algemene aandacht en bewondering zou trekken. ’’Neen,” zegt de Heere, ”het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat,” (zoals in de – Engelse – kanttekening is vermeld: ”met uiterlijk vertoon”). ”En men zal niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar” – ziende iets wonderlijks in deze of in die richting op te merken. Het is gans geen uiterlijke zaak. ’’Want ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden.” (Luk. 17:20, 21). De godsdienst, die omgedragen wordt in de consciëntie, wordt door de meesten veracht, bij gebrek aan uiterlijk vertoon. De vleselijke natuur kan een godsdienst, welke zo stil, onopgemerkt en bescheiden is, niet verstaan, nóch goedkeuren.

Dit inwendige werk is niet gepast voor de vleselijke smaak van degenen, die iets willen schijnen te zijn en nochtans, waar dit verborgen wachten en uitzien in het hart van Gods volk wordt beoefend, wanneer de beloning komt, dan weten wij hoe gezegend het is, niet achteloos te hebben voortgesneld, maar lijdzaam te hebben gewacht. Voorzeker zal Zijn hand dan op een zeer opzienbarende wijze verschijnen. Dit is de godsdienst, waaraan ik behoefte heb. Ik verlang geen andere, dan ”die verborgenheid, die met de oprechte is,” om te allen dage in de vreze des HEEREN te zijn: alles van Hem verwachtende, eenvoudigweg gelovende, dat er ’’zekerlijk een beloning is, en een verwachting, welke niet zal worden afgesneden.” Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.