Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Hemels onderwijs

En al uwe kinderen zullen van den HEERE geleerd zijnJesaja 54:13a

De volle omvang der ’’geestelijke zegening”, waarmee God de Kerk gezegend heeft ”in de hemel in Christus”, kan in deze bedeling nooit helemaal worden gekend. Pas wanneer de vrijgekochten des HEEREN het hemelse Kanaän zullen binnengaan, zullen zij op een volkomen wijze kennen, beide de verschrikkelijke afgrond van ellende, waaruit zij zijn verlost, en de hoogte van zaligheid en heerlijkheid, tot welke zij in Christus verhoogd zijn. Maar er wordt genoeg geopenbaard in het Woord van God om aan te tonen, dat zij waarlijk gezegend zijn met bijzondere voorrechten en genaden: en dat zijzich voornamelijk tot ”een bijzonder volk” onderscheiden, door aldus gezegend te zijn. Daar vandaan heeft Mozes bij een zekere gelegenheid aldus met God gepleit: ’’Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uwe ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op de aardbodem is. (Ex. 33:16).

Maar van deze bijzondere zegeningen, waarmee God Zijn Kerk in Christus gezegend heeft, schijnen er vier op een bijzondere wijze uit te steken boven de rest: hun verkiezing van eeuwigheid – hun bijzondere en persoonlijke verlossing – hun wedergeboorte – en hun hemels onderwijs, welke laatstgenoemde zegening de belofte is, vervat in de tekst: ”en al uwe kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn.” Maar waarom zou deze laatstgenoemde zegening een voorname plaats innemen in de reeks van Verbondszegeningen? Omdat zonder deze zegening de andere tot op zekere hoogte zonder uitwerking zouden zijn. Want de blindheid van ’s mensen hart is van nature zodanig, er ligt zulk een zwaar deksel van onkunde over zijn verstand, en hij is zo volkomen ’’vervreemd van het leven Gods,” dat hij nooit enige geestelijke kennis bezitten kan van de ’’enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft” (in de kennis waarvan het eeuwige leven bestaat), totdat wij dit Goddelijke onderwijs deelachtig zijn geworden. Wij willen dus, met Gods zegen, trachten wat van de aard en de uitwerkingen van dit Goddelijk onderwijs in de ziel na te gaan. En daar dit overwegend uit twee voorname stukken bestaat:

In de eerste plaats: het onderwijs, waardoor wij God kennen, en in de tweede plaats: het onderwijs, waardoor wij onszelf kennen, zullen wij deze beide stukken, elk op zijn plaats overdenken.

a. Maar in de eerste plaats zal het wenselijk zijn, te overdenken wat de aard van dit hemels onderwijs is. En aangezien de Heilige Geest de natuur ervan gewis het beste kent en beschreven heeft, bestaat er hiertoe geen beter middel dan enkele schriftuurlijke voorbeelden en verklaringen, welke ervan gegeven worden, te onderzoeken.

b. Welnu, dit Goddelijk onderwijs wordt op een zekere plaats vergeleken bij dauw en regen: ’’Mijne leer druipe als een regen, mijne rede vloeie als een dauw.” (Deut. 32:2). Doch wat is de natuur en de uitwerking van de regen en meer in het bijzonder van de dauw? Deze valt zachtkens: en toch, alhoewel deze op zulk een kalme en stille wijze neerdaalt, is de uitwerking ervan doordringend en weekmakend. Zodanig is het ook gesteld met het onderwijs Gods in de ziel. Zoals de dauw daalt het op een stille en kalme wijze uit de hemel in het hart neer en evenwel doordringt het de ziel met een verborgen en onoverwinnelijke kracht, welke het hart toegankelijk maakt, terwijl het dit vertedert. Het scheurt het hart niet open: zoals hagel of bliksem kan openscheuren, doch het zinkt op een grondige en nochtans kalme wijze weg in het hart en doordringt dit met zulk een bijzondere vertederende kracht, dat het er op een algehele en volkomen wijze bezit van neemt.

Een tweede zaak, waarmee het in de Schrift vergeleken wordt, is olie, of zalving, zoals de apostel Johannes zegt: ’’Doch gij hebt de zalving van de Heilige.” En voorts: ”En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u: en gij hebt niet van node, dat iemand u lere: maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen: en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.” (1 Joh. 2:20, 27). Dit voorbeeld is niet heel erg onderscheiden van het beeld, dat ik zojuist heb genoemd, maar het bergt drie voorname begrippen in zich: het doordringt, het vertedert, en het verbreidt zich. Aldus doordringt en vertedert de zalving van het onderwijs Gods in de ziel niet alleen het hart, waarin dit komt, maar geleidelijk verbreidt het zich, en zinkt het steeds dieper weg: het maakt de consciëntie week en teder, en het dringt door tot de diepste wortels en vezels van het hart des mensen.

Dit onderwijs is het bijzondere werk van God de Heilige Geest in de ziel: en is even onderscheiden van onze eigen wijsheid, of van enige kennis, welke wij kunnen verkrijgen door de oefening van het natuurlijke verstand, als de eeuwigheid van de tijd, de hemel van de hel, en als Christus is van Belial.

2. Maar wij gaan voort met het overdenken van wat de bijzondere uitwerkingen en vruchten van deze Goddelijke zalving zijn. De aard van dit onderwijs is in de Schriften minder klaar geopenbaard, dan de uitwerkingen ervan. En daarom, ofschoon de voorbeelden, welke hierboven zijn aangehaald, op genoegzame wijze aantonen, dat er in de aard ervan iets zachts en vertederends ligt, dat het als de regen, op het vers gemaaide gras valt, of dat het als de olie het hart doordringt, waarin het komt, toch kunnen wij, uitgezonderd door de vruchten en uitwerkingen ervan, merendeels niet zeker ervan zijn, dat wij dit Goddelijk onderwijs deelachtig zijn. Doch als wij deze vruchten en uitwerkingen beschouwen (want het zal altijd vruchten en uitwerkingen voortbrengen), dan kunnen wij soms, wanneer het de Heere behaagt licht te geven in de ziel, tot de gezegende vaststelling komen, dat wij gezalfd zijn met deze zalving van de Heilige.

a. Welnu ik geloof, dat de eerste uitwerking van dit bijzondere onderwijs Gods in de ziel is, ons te overtuigen van de waarheid en van het gezag van Gods Woord. Wij mogen van kindsbeen af beleden hebben het Woord van God te geloven: wij mogen door onze ouders of op de zondagsschool onderwezen zijn in de waarheid der Schriften: wij mogen in de boeken de echtheid en de inspiratie ervan hebben bestudeerd, maar al die tijd werd ons hart niet door een Goddelijke kracht geraakt. Het hoofd moge verlicht zijn geweest, doch nimmer werd onder de kracht der Waarheid, op een gevoelige wijze, een verruiming van het hart ondervonden, noch werd er een krachtige overtuiging gewerkt in de ziel door de toepassing ervan, door ons op een stellige wijze ervan te overtuigen, dat God Zelf in de Schriften spreekt.

Maar wanneer de ’’zalving” van ”de Heilige” met kracht in de ziel nederdaalt, dan spreekt dit met zulk een gezag door de Schriften, dat deze meteen gekend en bevonden worden het Woord van de levende God te zijn. Werd men tevoren verzocht tot ongeloof, werd de geest verward door ogenschijnlijke tegenstrijdigheden, zodat men bijna op het punt stond de Schriften niet meer voor een Goddelijke openbaring te houden, wanneer dit bijzondere onderwijs en deze Goddelijke zalving evenwel het hart bereikt, dan gaat er een kracht en gezag gepaard aan het Woord van God, dat ieder ongelovig argument op de vlucht drijft, en dat ieder bezwaar verjaagt, zoals de zon de morgennevels doet verdwijnen: en de ziel is er op een overvloedige wijze van overtuigd, dat de Schrift, de openbaring is van de mening en wil van de gezegende God.

En welk ongelovig bezwaar er zich later ook moge voordoen, welke twijfelingen de geest ook mogen bestormen, wat voor tegenstrijdigheden het fundament van zijn hoop ook mogen doen wankelen, nimmer raakt hij volkomen de plechtige overtuiging kwijt, welke God Zelf hem gegeven heeft, dat de Schrift de Waarheid is van de levende God. b. De volgende zaak; die, naar ik geloof, deze “zalving van de Heilige” leert, is het Godsbestaan. Welnu, van het Godsbestaan zouden wij overtuigd geweest kunnen zijn door de godsdienst, volgens de overlevering, of zouden wij overtuigd geworden kunnen zijn door de natuurlijke consciëntie, maar dit alles kon ons nimmer een gevoelige overtuiging schenken van zulk een God, als waarvan de Schrift spreekt. De apostel Paulus verklaart, dat alle mensen van nature ’’geen hoop hebben, en zonder God in de wereld zijn.” (Efeze 2:12). Letterlijk ’’godloochenaars”.

En zij hebben niet  alleen geen kennis van het bestaan van God, maar zoals hij verder zegt, uit de psalmen aanhalende: ”Er is geen vreze Gods voor hun ogen.” (Rom. 3:18). Zij bezitten geen innerlijke overtuiging, dat er een van Zichzelf bestaande Jehovah is, Wiens ’’ogen zijn in alle plaatsen”. Dat Hij een alomtegenwoordig, alwetend, almachtig, eeuwig en rechtvaardig God is. Dat Zijn ogen de verborgen en binnenste schuilhoeken van de ziel doorlopen, en dat Hij ze eenmaal zal oordelen. Doch niet zodra overtuigt ”de zalving van de Heilige” ons van de kracht en het gezag van de geïnspireerde Schriften, of wij leren erdoor het bestaan van de grote en heerlijke Jehovah, Die rondom ons nachtleger is, en onze paden kent, en Die al onze wegen gadeslaat.

Maar met deze innerlijke geestelijke overtuiging van het bestaan van God, wordt door deze Goddelijke zalving het Wezen van Jehovah openbaar gemaakt. Niet alleen, dat Hij bestaat, maar dat Hij is, hetgeen Hij Zichzelf verklaart te zijn in de openbaarmaking van Zijn heilig Wezen en heilige eigenschappen. Zijn Woord wordt met Goddelijk gezag op de ziel en met een levendige kracht op de consciëntie thuisgebracht. En op deze wijze wordt haar geleerd Hem te beschouwen als een heilig en een rechtvaardig God, Die ”de schuldige geenszins onschuldig houdt”. Dat Hij de zonde haat met een volkomen haat, en Die op een onfeilbare wijze al degenen zal straffen, die onder de vloek en veroordeling van de Wet gevonden’zullen worden, wanneer zij voor Zijn geduchte Rechterstoel zullen staan. Zodat hier de heilige natuur van God met kracht aan de ziel wordt openbaar gemaakt, door het werk der Wet in iemands consciëntie.

Ik geloof, dat er velen van Gods volk zijn, die een werk der Wet in hun consciëntie hebben gekend, wier geest bij ogenblikken geoefend en beproefd wordt, of zij dit waarlijk hebben leren kennen, en wel vanwege deze reden, dat er geen vonnis van de Tien Geboden, of dat er geen bijzonder deel van het Oude Testament met kracht in hun hart is gekomen. Doch wanneer ooit de natuur van JEHOVAH als een rechtvaardig en een heilig God, op geestelijke wijze, is bekendgemaakt aan de ziel, daar heeft de Wet zijn werk in de consciëntie gedaan. God als de Wetgever wordt gekend, ofschoon de juiste letter van de Wet niet gevoeld moge worden.

 

De geestelijkheid van de Wet, in de handen van een rechtvaardig en een heilig God, wordt bekendgemaakt in hart en consciëntie, hetgeen overtuiging, veroordeling, schuld en een gevoel van ellende teweegbrengt, waar de juiste letter van de Wet niet gebruikt wordt door de Wetgever om het werk te doen. Maar de geestelijkheid der Wet, in de hand van de Wetgever, heeft veroordeling, vreze, schuld en een gevoel van ellende en verlorenheid teweeggebracht, zodat dit alle wettische hoop afsnijdt, de eigengerechtigheid neerhaalt en de ziel in haar ellende neerlegt aan de voetbank der voeten Gods. En waar dit dan ook ondervonden wordt, daar is een werk der Wet in de consciëntie.

d. Doch dit onderwijs des Geestes, wanneer de ziel de heiligheid Gods heeft leren kennen en zichzelf veroordeeld heeft gevoeld door Zijn rechtvaardige Wet, en wanneer zij zich afgesneden heeft gevoeld van alle hoop of hulp in het eigen ik – deze zelfde ’’zalving van de Heilige”, welke ’’waarachtig is en geen leugen”, openbaart aan het hart en brengt ook op bevindelijke wijze in de consciëntie een kennis van de Heere Jezus Christus. De volgende woorden zijn treffende woorden en deze hebben vaak met gewicht en met kracht op mijn gemoed gelegen: en wellicht meer dan enig ander deel van de Schrift dit ooit gedaan heeft: ”En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.” (Joh. 17:3). Wat heeft de Heere van leven en heerlijkheid hier in een paar woorden samengevat, waarin het eeuwige leven bestaat! Wat zijn er velen verlangend de weg der zaligheid te kennen, hoe het eeuwige leven te verkrijgen, en hoe te ’’vlieden van de toekomende toorn!”

Maar de Heere Jezus heeft met één korte uitspraak verklaard, waarin het eeuwige leven bestaat, namelijk in de kennis van de ’’enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.” Bijgevolg heeft hij, die de Vader en de Zoon kent, het eeuwige leven in zijn ziel. In het hoofdstuk, dat ik hedenmorgen las, haalde de Heere Jezus onder de andere teksten uit het Oude Testament, deze tekst aan, zeggende: ”Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.” (Joh. 6:45). Hij stelt dit dus vast, als een bijzondere vrucht van het Goddelijk onderwijs, dat het een komen tot Hem teweegbrengt.

De Geest, Die u leert wat nut is, houdt het zielsoog de Persoon, het werk, het bloed, de liefde, de genade en de gerechtigheid voor van de Heere Jezus Christus. Hij openbaart de ziel, dat Hij juist zulk een Zaligmaker is, als deze nodig heeft. Hij verklaart de waardij van Zijn Persoon en openbaart, dat Hij de Godmens is. Hij maakt in de consciëntie bekend, dat Hij Zichzelf tot een offerande heeft gesteld voor de zonde, dat Hij Zijn verzoenend bloed gestort heeft, zodat de zonde van de Kerk voor eeuwig van voor het oog van een rechtvaardig God is weggedaan. Hij openbaart voor het geestesoog Zijn heerlijke gerechtigheid, als datgene, waarin de Vader een welgevallen heeft, en waarin, zo de ziel deze ook maar deelachtig is, zij er zeker van is, aan de toorn te ontkomen. Hij verklaart aan het hart de gewilligheid van Christus, om iedere zondaar, die tot Hem komt te ontvangen: Hij toont de schatten van genade en barmhartigheid, welke in Hem zijn opgelegd: en Hij doet in het hart de troostvolle woorden nederdalen, welke Hij in de dagen Zijns vieses gesproken heeft, te weten: ’’Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” (Matth. 11:28). ”En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” (Joh. 6:37). ”Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke!” (Joh. 7:37).

En soms openbaart Hij aan het verstand en brengt Hij in het hart een zoete vertederende indruk door te verstaan hoe, toen Christus op aarde vertoefde, Hij de kranken genas, de blinden deed zien, en de doven deed horen: doden opwekte, rondom ging goeddoende: en hoe Hij in al hetgeen Hij zei of deed, de weldadigheid en goedertierenheid van Zijn liefhebbend hart deed gelden. Op deze wijze trekt Hij op zoete wijze de ziel, waardoor deze tot Christus komt, zich aan Zijn gezegende voetbank nederwerpt, en op Hem ziet door het oog des geloofs. En wanneer Hij de ziel er dan ook aldus toe brengt, tot Christus te komen met een waarachtig gevoel van verlorenheid en ellende, met een waarachtig gevoel van schuld en veroordeling, met een oprechte onderwerping aan de rechtvaardigheid Gods (zoals de apostel spreekt: ’’niet zoekende onze eigengerechtigheid op te richten”, maar ”een ons onderwerpen aan de rechtvaardigheid Gods.” (Rom. 10:3) en een zichzelf overgeven in Zijn handen, daar is een blijk van het hemelse onderwijs. En wanneer dan ook die gezegende samenhang van ootmoed en liefde wordt gevoeld, waardoor de ziel aan de voeten des Heeren ligt, zoals Ruth aan de voeten van Boaz lag, hem smekende haar te bedekken met de zoom van zijn mantel, dan heeft de Heilige Geest met kracht in die ziel gewerkt: is ze geleerd van God. En is zij dat bijzondere onderwijs deelachtig, waarvan de Heere verklaard heeft, dat de uitwerking is: ”Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij(Joh. 6:45).

Dit gezegende onderwijs brengt de ziel ook tot de kennis van de Heilige Geest. Al Gods volk wordt tot de kennis gebracht van de Drieëenheid: weliswaar niet door een bovennatuurlijk redeneren, of met doordringende argumenten, gericht tot het verstand. De Geest leert hen, niet door redenering, gericht tot het hoofd, doch door de kracht en de dauw der Goddelijke Waarheid, welke op het hart rust. Al Gods volk leert het leerstuk der Drieëenheid in hun ziel kennen. Zij leren, onder het Goddelijk onderwijs, de macht, de rechtvaardigheid, majesteit en heiligheid Gods kennen, en op Zijn tijd gevoelen zij de liefde Gods des Vaders. Zij leren de Godheid van Christus in hun ziel kennen, door de kracht van Zijn bloed op te merken en te gevoelen, als het bloed van God. (Hand. 20:28). En zijn rechtvaardigheid als de ’’rechtvaardig- heid Gods”. En zij leren de Godheid en de Persoon des Heiligen Geestes kennen, door de Goddelijke kracht Zijner werkingen in hun hart te gevoelen.

Zij leren ook, dat Hij God is, door op te merken, hoe Hij al hun werken onderzoekt, iedere verborgen gedachte aan het licht brengt en hoe Hij teksten uit de Schrift aan hun ziel toepast, welke teksten niemand anders dan God kan bijbrengen, of op zulk een voegzame wijze kan toepassen. En wanneer zij aldus door Goddelijk onderwijs gebracht worden tot de kennis van de drie Personen der Godheid, dan worden zij ertoe gebracht in de diepten der consciëntie te weten en te gevoelen, dat er drie Personen zijn, gelijk in kracht, wil. Wezen en in heerlijkheid, en maar één Jehovah. Welnu, deze waarheden kan niemand op een zaligmakende wijze leren, dan door dit bijzondere onderwijs. Hij moge in zijn verstand en oordeel dit alles, en nog meer dan dit kennen: maar een gevoelig besef van de kracht dezer zaken in de consciëntie, een Goddelijke vertedering van het hart eronder, met een verruiming der ziel en een bevindelijke genieting ervan, is alleen de vrucht van het onderwijs Gods, dat op hem rust, om hem tot ”een nieuw schepsel” in Christus te maken.

3. Maar, zoals ik tevoren liet blijken, bestaat een voornaam deel van dit hemels onderwijs uit het in ons voortbrengen van zelfkennis: want een geestelijke kennis van ons eigen ik, loopt altijd evenwijdig aan een geestelijke kennis van God.

a. Wij kennen, bijvoorbeeld, niet het kwaad der zonde, totdat God dit daadwerkelijk bekend maakt in de consciëntie. Wij mogen weliswaar door de werkingen van de natuurlijke overtuiging weten, dat deze of die uitwendige overtreding zonde is. Ook mogen wij, bij tijden, enige scherpe consciëntie-overtuigingen hebben gehad, vanwege het begaan van openlijke zonden tegen licht en kennis in. Maar het kwaad der zonde, het verschrikkelijke en vreselijke karakter ervan, kunnen wij niet kennen, dan door dit bijzondere onderwijs.

Welnu, er zijn twee manieren, waardoor God ons het kwaad der zonde doet kennen en gevoelen: ten eerste door de Wet en ten tweede door het Evangelie. In de Wet aanschouwen wij, in het licht van de gerechtigheid Gods, de verdoemende kracht der zonde. Wij bevinden, dat de gerechtigheid Gods hiertegen is opgesteld, dat de zonde volkomen tegengesteld is aan Zijn heiligheid: en dat Hij niet rechtvaardig zou kunnen zijn, tenzij Hij hierover bezoeking zou doen met Zijn eeuwige toorn en ongenoegen. Maar ofschoon de Wet ons het kwaad der zonde doet zien, zoals deze is begaan tegen de gerechtigheid en heiligheid, deze overtuigt ons niet van de boosheid ervan, begaan tegen de liefde en de genade. Bijgevolg leert de Wet ons niet de zonde te haten en te verafschuwen: noch brengt deze zekere gevoelens van droefheid naar God teweeg, vanwege de zonde: maar de Wet verwekt opstand en baart dienstbaarheid. Deze doet de vijandschap tegen God oprijzen, omdat Hij de zonde veroordeeld heeft, en ons deze niet wil laten begaan.

Om de ziel dan ook het kwaad van de zonde te leren kennen als buitengewoon zondig, moeten wij dit beschouwen in het licht van een lijdende Jezus. Wij moeten door het geloof de Zone Gods, even gelijk met de Vader in Wezen, heerlijkheid en kracht, op de aarde zien komen. Wij moeten Hem door het oog des geloofs zien, als ”een Man van smarten, en verzocht in krankheid”. Wij moeten Zijn ganse leven van vernedering volgen van krib tot kruis.

 

Wij moeten met Hem de hof van Gethsémané binnengaan: van Gethsémané naar Calvarië, en wij moeten daar Gods eniggeboren Zoon zien, hangende tussen hemel en aarde, ”der wereld, en den engelen, en den mensen een schouwspel geworden”, in Zijn ziel zeer ontroerd zijnde onder de last der zonde, welke op Hem was gelegd, en onder de verbergingen van Zijns Vaders aangezicht. En alleen voor zover de Geest de ziel inleidt in het lijden en in de zielsangsten van een bloedende Jezus, ziet en gevoelt ze inderdaad de zonde, en haat en verafschuwt ze deze waarlijk, als zijnde buitengewoon zondig.

b. Doch hemels onderwijs is ook noodzakelijk om ons te doen zien wat ons hart is. Wij kunnen, door de werkingen van het natuurlijke gemoed gade te slaan, tot een zekere gevolgtrekking komen, dat wij en dat alle mensen van nature erg egoïstisch, erg trots en erg werelds zijn, maar dit alles brengt niet een enkel gevoelen van droefheid naar God, of enige zelfverfoeiing teweeg, vanwege de inwonende zonde. Maar wanneer de gezegende Geest ons aanvat, het deksel van zelfmisleiding van ons hart afscheurt, en de diepten blootlegt van onze gevallen natuur, de verborgen schuilhoeken ontdekt, waar al hetgeen onrein en walgelijk is zich schuilhoudt, dan beginnen wij te zien en te gevoelen, dat wij waarlijk zondaars zijn, zowel in inwendige, als in uitwendige zin, in gedachten en in de overlegging, evenals in de gewoonte en praktijk. Het was dat bijzondere onderwijs in de consciëntie, dat Jesaja, toen hij het gezicht in de tempel zag, deed uitroepen: ”Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is: want mijne ogen hebben de Koning, den HEERE der heirscharen gezien.” (Jes. 6:5).

Het was dit gezicht van de reinheid Gods, dat Daniël deed zeggen, dat “zijn sierlijkheid werd veranderd in een verderving, zodat hij geen kracht behield.” (Dan. 10:8). Dit was hetgeen Job deed uitroepen: “Met het gehoor des oors heb ik U gehoord: maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.” (Job 42:5, 6). En wanneer iemand van ons ooit geleerd heeft zichzelf voor God te verfoeien, dan is dat door een zekere bijzondere ontdekking te ontvangen van de reinheid en heiligheid Gods, als tegengesteld aan onze eigen walgelijkheid en onreinheid, Een andere vrucht en uitwerking van dit Goddelijk onderwijs is, dat al onze vleselijke wijsheidkracht en gerechtigheid aan stukken wordt gehakt en uitgeroeid.

God is nooit voornemens een nieuw stuk op een oud kleed te zetten. Hij heeft nooit bedoeld onze wijsheid, onze kracht, onze gerechtigheid met die van Hem te doen samengaan. Dit alles moet aan stukken worden gescheurd, het moet alles met wortel en tak worden uitgeroeid, opdat een nieuwe wijsheid, nieuwe kracht, en een nieuwe gerechtigheid op de puinhopen ervan moge verrijzen. Maar totdat het de Heere behaagt ons te leren, kunnen wij nooit scheiden van onze eigen gerechtigheid, kunnen wij nooit onze eigen wijsheid opgeven en onze eigen kracht verzaken.

Deze zaken zijn een stuk en een deel van onszelf, zijn ons zo ingeworteld, zijn ons zo aangeboren, groeien zo met ons op, dat wij niet gewillig zijn, om van een greintje ervan afstand te doen, totdat de Heere Zelf deze afbreekt en ze wegneemt. Vervolgens brokkelt onze gerechtigheid af bij de Goddelijke aanraking, als Hij in onze ziel enige geestelijke kennis brengt van onze eigen vreselijke verdorvenheden en verschrikkelijke goddeloosheid: als Hij ons ertoe brengt onze onkunde, en dwaasheid in wel duizend gevallen op te merken en te voelen hoe onbekwaam wij zijn, om ook maar iets juist te verstaan, anders dan door Goddelijk onderwijs, dan verdwijnt onze wijsheid, en als Hij ons onze onbekwaamheid toont om de verzoeking te wederstaan en om de zonde te overwinnen, door enige inspanning van onszelf, dan wordt onze kracht geleidelijk minder, en dan worden wij gelijk Simson toen zijn haarlokken waren afgesneden.

Dus op de puinhopen van onze eigen wijsheid, gerechtigheid en kracht, bouwt God de wijsheid, de gerechtigheid en de kracht van Christus, zoals Jezus sprak tot Zijn dienstknecht Paulus: ’’Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” En dit bracht hem tot de wonderbaarlijke gevolgtrekking: ”Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.” (2 Korinthe 12:9).

Maar alleen voor zover wij begenadigd zijn met dit bijzondere onderwijs, worden wij ertoe gebracht, een plechtig vonnis der veroordeling uit te spreken over onze eigen wijsheid, kracht en gerechtigheid en zoeken wij op een gevoelvolle wijze de Heere.

e. Nog een vrucht en uitwerking van het Goddelijk onderwijs is het geloof, waardoor in Jezus wordt geloofd tot behoudenis der ziel. Van nature ligt er niet één korrel van het levende geloof in het hart. Wij mogen weliswaar een zeker soort geloof bezitten, wij mogen de werkzaamheden bezitten van een natuurlijk geloof: maar wat betreft enig waar geestelijk geloof, zoals hetgeen de apostel beschrijft, als ”een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet,” zulk een geloof, als de oudtestamentische geloofshelden, die worden aangehaald in het elfde hoofdstuk van de Hebreënbrief, hebben bezeten, zulk een geloof, dat de ziel verlost van de ’’toekomende toorn”, daarvan kennen wij absoluut niets, totdat het Gode behaagt dit door Zijn bijzonder onderwijs in ons hart te verwekken.

Voorts hebben wij geen enkele hoop, die ook maar iets waard is, dan hetgeen voortvloeit uit het Goddelijk onderwijs. Wij mogen weliswaar ”de verwachting des huichelaars bezitten, welke vergaat”, maar ”een goede hoop door genade”, als ”een anker der ziel”. De hoop, waarin ”wij zalig worden” (Rom. 8:24) ’’welke niet beschaamt” (Rom. 5:5) een ’’goede hoop” als deze, moet alleen ontstaan door het onderwijs Gods, een bekendmaken van de Heere van leven en heerlijkheid, en een verwekken van die kracht in onze ziel, waardoor het anker wordt uitgeworpen in Zijn bloed en gerechtigheid.

f. En de liefde: deze is ook een vrucht en uitwerking van dit hemels onderwijs. Er is geen liefde tot God, tenzij het Hem behaagt deze in het hart uit te storten, de ziel lerende Hem te kennen, als de God van liefde. Wij mogen proberen Hem lief te hebben en Hem voor ons geestesoog te halen, maar de liefde kan op deze wijze niet worden gedwongen tot Hem uit te vloeien; ons hart blijft dood, koud en gevoelloos. En het is alleen als het Hem behaagt een druppel liefde in de ziel te doen neerdalen, dat dit terugvloeit naar de eeuwige Fontein, waaruit het kwam. En zo is het in betrekking tot de liefde tot de broederen. De apostel spreekt: ”Gij zijt van God geleerd om elkander lief te hebben.” Bijgevolg kan dit alleen voortvloeien uit het Goddelijk onderwijs, door de Geest Gods, Die Zijn gezegende zalving aan de ziel mededeelt, waardoor wij, wanneer wij de genade in hen opmerken, een zoete vertedering des harten, geestelijke vereniging en een liefdesbetrekking tot hen gevoelen. Wij mogen een zelfzuchtige, vleselijke liefde hebben gehad, maar er kan geen ware liefde zijn jegens het volk van God, dan wanneer het de Heere behaagt ons door Zijn Geest te leren elkander lief te hebben.

g. Noch is er enige ootmoed, tenzij het de Heere behaagt de ziel te leren ootmoedig te zijn. En op welke wijze brengt Hij ware zi- elsvernedering teweeg? Door ons te tonen wat wij zijn, de verborgenheden van het hart bloot te leggen, de hopeloze verdorvenheid van onze gevallen natuur ontdekkende en door ons te overtuigen, dat de zonde vermengd is met iedere gedachte, woord, blik en daad.

h. Ook is er in geen enkel opzicht geestelijke lijdzaamheid, behoudens hetgeen voortvloeit uit dit bijzondere inwendige onderwijs. Beproevingen brengen niet tot lijdzaamheid: deze verwekken alleen opstand. Wij mogen de zwaarste bezoekingen doormaken en verre van ons hieronder lijdzaam te gevoelen, bijna tot wanhoop worden gebracht. Maar lijdzaamheid en overgave aan de wille Gods, vloeien rechtstreeks voort uit de Heere Zelf. Hij alleen kan de ziel leren lijdzaam te zijn onder Zijn slagen en ons tonen, dat ”het verdriet niet uit het stof voortkomt, en de moeite niet uit de aarde spruit.” (Job 5 : 6). Hij alleen kan de ziel doen gevoelen, dat de kastijding komt uit de hand van de Vader, en het hart verklaren, dat dit geschiedt tot ons geestelijk nut: en het hart aldus de gezegende en vreedzame vruchten doen gevoelen, welke hieruit voortvloeien, wanneer ze ”een vreedzame vrucht der gerechtigheid van zich geeft, dengenen, die door dezelve geoefend zijn.” (Hebr. 12:11).

Noch is er in enig opzicht de Geest des gebeds, tenzij de Heere ons leert hoe te bidden. De discipelen voelden dit, toen zij zeiden: ’’Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.” (Lukas 11:1)

Wij kunnen niet op een geestelijke en aangename wijze bidden, behoudens als God ons leert. Ouders trachten soms hun kinderen bidden te leren, en leiders en leidsters van de zondagsschool trachten hetzelfde te doen met hun leerlingen. Maar wat zijn deze zaken het oor van een van God geleerde ziel onaangenaam! Er is nauwelijks iets, dat vroeger, toen ik de diensten van de Staatskerk leidde, mijn oren onaangenamer was, dan de kinderen van de zondagsschool luidkeels te horen roepen: ’’Neem Uwen Heiligen Geest niet van ons,” en andere soortgelijke smeekbeden, waaraan zij geen geestelijke kennis hadden. Er zijn, naar ik geloof, maar een paar zaken, die de oren van Godvrezende ouders meer kwetsen, dan hun vleselijke kinderen op een ijdele wijze tot de Heere uitdrukkingen te horen gebruiken, waarvan zij de betekenis noch kennen, noch gevoelen.

En in het algemeen mag ik wel opmerken, dat er voor een geestelijk oor niets walgelijker is, dan vleselijke personen gebruik te horen maken van smeekbeden, waarvan zij de kracht en de zoetigheid nooit hebben gevoeld. God moet de ziel leren bidden. Wij mogen de kinderen kerkgebeden en andere gebeden leren, en wij mogen ze een zegen leren vragen voor de maaltijd, maar deze door de mens gemaakte beden zijn Gode niet aangenaam, noch worden deze met goedkeuring aangehoord. Maar wanneer Hijzelf de Geest des gebeds mededeelt, dan leert Hij de ziel in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, Zijn aangezicht te zoeken en Zijn Naam aan te roepen. Hij leert ons onze verdorvenheid en Zijn genade, onze krankheid en Zijn geneesmiddel, onze verlorenheid en Zijn behoudenis. Geen menselijke onderwijzing kan ons deze zaken doen kennen, maar wanneer Hij leert, dan haalt Hij de verborgen begeerten en zuchtingen der ziel tot Hem uit.

j. Een gestorven zijn aan de wereld en een zowel inwendige als uitwendige afscheiding van het gezelschap en de ellendige geest ervan, is eveneens een uitwerking van het Goddelijk onderwijs. Totdat het Gode behaagt ons te leren, zien wij niet de boosheid van de wereld, maar wanneer de Geest de consciëntie teder maakt in Zijn vreze, dan ondervinden wij, dat wanneer wij ons in de wereld begeven, dit gelijk staat met de aanraking van pek. Onze handen worden bezoedeld en wij gevoelen meteen, dat ’’kwade samensprekingen goede zeden verderven.” Wanneer de Heere ons leert wat wij zijn, dan bevinden wij, dat wij zulke ontvlambare stoffen, zoveel kruit met ons omdragen, dat wanneer er een vonk in onze nabijheid komt, er een ontploffing kan plaatsvinden.

En zoals degenen, die bezorgd zijn voor hun leven, niet een kruitmagazijn zouden binnen gaan met iets, dat een ontploffing zou kunnen veroorzaken, zo zal het kind van God, wanneer hij onder de kracht der Goddelijke onderwijzing verkeert en op een merkbare wijze gevoelt, welk een walgelijke natuur hij bezit, ervoor bevreesd zijn, zijn hart in de wereld te brengen, uit vrees dat er een vonk naar binnen zou slaan van een onverwachte zijde, welke in een ogenblik al zijn verdorvenheden in vlam zou zetten.

k. Door Goddelijk onderwijs leren wij ook, wat een ellendig kwaad de gierigheid Het is waarlijk een zonde, waarvan moet worden gevreesd, dat velen van Gods volk hiermee grondig besmet zijn. Maar de strekking ervan is, dat deze juist het hart van de levende godzaligheid verteert en juist de geest en het wezen hiervan is de afgodendienst. Want de mens, die knielt voor goud en zilver, is evenzeer een afgodendienaar, als had hij de knie gebogen voor stokken en stenen. Maar wanneer God Zijn volk leert tot hun nut, dan zet Hij hun hart op betere dingen: Hij toont hen de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus, en maakt aldus hun geest los van die ellendige liefde tot het geld, hetwelk ”de wortel van alle kwaad is”.

l. Het is alleen door Goddelijk onderwijs, dat wij in staat worden gesteld medegevoel te hebben met de noden van Zijn kinderen,dat ons hart bewogen wordt met hun menigvuldig tijdelijk lijden, en dat ons de genegenheid geschonken wordt, bij te dragen tot hun behoeften. Maar wanneer u iemand ziet, die doorgaat voor één van Gods volk, die zoveel bezit van ”het goed dezer wereld”, en die evenwel zo ongevoelig blijkt te zijn, voor de noden van zijn armere broederen, dan vraagt u zich af, wat hij van deze Schrift- plaats denkt: ”En gij zijt allen broeders.” Doch God moet ons leren medegevoel te hebben met hun noden en moet ons milddadig doen zijn, jegens hen overeenkomstig onze middelen, door hen op ons hart te leggen en door onze genegenheden tot hen uit te halen.

m. Alle goed woord, dat wij spreken tot de ere en tot de verheerlijking Gods, moet voortvloeien uit dit bijzondere onderwijs. Hoe helder en bekwaam een predikant, bijvoorbeeld, ook de waarheid moge prediken, alle woord zal totaal niet besteed zijn aan zijn toehoorders, tenzij het Gode behaagt gedachten te inspireren en woorden in te geven en door hem tot de consciëntie te spreken. Ook iedere daad van ons leven zal gewis verkeerd zijn, tenzij deze wordt verricht onder de bijzondere leiding Gods: en iedere stap, die wij in de voorzienigheid zetten, zal niet juist zijn, tenzij deze op een bijzondere wijze bestuurd wordt door God Zelf.

4. Het onderwijs Gods beperkt zich niet tot het openbaren van een paar voorname waarheden aan iemand, en deze dan achter te laten, om een zekere uitwerking op de consciëntie te hebben. Maar Gods volk heeft Zijn onderwijs zonder ophouden nodig. En zowel in de voorzienigheid, als in de genade, hebben wij zonder ophouden onderwijs nodig. Ik geloof, dat menig kind van God niet weet, hoe hij in de voorzienigheid de eenvoudigste zaak moet doen, zelfs niet hoe hij zijn dagelijkse bezighield moet uitoefenen, of hoe hij zijn handwerk moet verrichten, tenzij het de Heere behaagt hem te onderwijzen. God moet zijn oog en hand leiden, in de geringste, zowel als in de grootste zaken.

Hij heeft behoefte aan Goddelijk onderwijs bij iedere handeling, wanneer deze tot de ere Gods moet worden verricht, en voor ieder woord, wanneer dit moet worden gesproken in Zijn vreze. Maar dit bijzondere onderwijs Gods kan alleen worden gekend en geëigend door degenen, die met alle volmaaktheid van het schepsel aan een eind zijn gekomen, en die op een algehele en bevindelijke wijze ontbloot zijn van alle vleselijke wijsheid.

Totdat een mens ertoe gebracht is op te merken, dat hij geen wijsheid van zichzelf heeft, zal hij nooit zoeken naar de wijsheid Gods. Maar wanneer hij ertoe gebracht wordt te wandelen in de duisternis, welke gevoeld moge worden, wanneer het zware deksel zich over zijn geest samentrekt en wanneer God Zich aan zijn oog onttrekt. Wanneer de dingen der eeuwigheid in duisternis zijn gehuld, en hij de Goddelijke zaken niet kan waarnemen, noch zijn aandeel eraan kan gevoelen.

Wanneer “hij naar de wand tast, gelijk de blinden en gelijk die geen ogen hebben”. Wanneer hij ”in de duisternis wordt gevoerd, en niet in het licht”, dan wordt hij ertoe gebracht te verstaan, dat de Heere alleen zijn ziel tot nut kan leren. Goddelijk onderwijs laat iemand niet waar het hem vond: dood, stom, wereldsgezind, gevoelloos en vleselijk. Wanneer hij in benauwdheid verkeert, dan doet het hem niet in benauwdheid blijven: wanneer hij zich schuldig voelt, dan doet dit hem niet schuldig blijven. Wanneer hij in de duisternis verkeert, dan doet dit hem niet in de duisternis blijven, doch het heft hem op uit deze kwaden.

Aldus wordt Gods volk gedurig geleid tot Hem te komen voor Zijn onderwijs, omdat zij voelen, dat zonder dit bijzondere onderwijs, zij niets kunnen weten, zoals zij dit behoorden te weten. Ja, zelfs hoe meer zij bezitten, des te meer willen zij bezitten. Want niet zodra is het licht onttrokken, of de duisternis wordt op een nog merkbaarder wijze gevoeld.

Wanneer zij in een tekst van de Schrift hebben mogen inblikken, dan doet dit hen verlangen, dat andere teksten op een soortgelijke wijze worden bekend gemaakt. Wanneer zij enige vertroosting hebben ontvangen en deze wordt weggenomen, dan doet dit hen er wederom naar verlangen. Zodat hoe wijzer en geestelijker Gods volk wordt, des te dwazer en vieselijker zij schijnen te worden in eigen oog: hoe sterker zij zijn in den Heere, en in de sterkte van Zijn vermogen, des te merkbaarder gevoelen zij de zwakheid van hun vlees, en hoe meer zij in staat worden gesteld in een nauwe omgang met de Heere te wandelen, des te meer worden zij ontdekt aan de ellendige afzwervingen van hun gemene en zondige hart.

Hier zien wij dus, hoe Gods volk zich onderscheidt van alle roekeloze, opgeblazen, uiterlijke belijders. Zij wassen, maar Gods volk wordt minder. Bijzondere en Goddelijke onderwijzingen voeren de ziel niet tot hoogmoed, aanmatiging en vermetelheid, maar deze leiden tot ootmoed, eenvoud, oprechtheid, verslagenheid van geest, verbrokenheid van hart, geringe gedachten van zichzelf en bewonderende gedachten van de Heere. De natuurlijke wijsheid verhardt het hart van de mens slechts, deze schroeit zijn consciëntie toe, en doet hem meer wereldsgezind zijn. Geestelijke onderwijzingen vertederen het hart, doen de ere Gods zijn voorname oogmerk zijn, en doen hem vurig verlangende zijn naar geestelijke gemeenschap met de Heere.

Hoe zullen wij dus weten of wij tot Gods volk behoren? Omdat wij geloven in de verkiezing, de persoonlijke verlossing, de daadwerkelijke roeping en de volharding tot het einde toe van de gelovigen? Omdat wij naar een bepaalde predikant gaan luisteren, of tot een zekere kerk behoren? Iemand moge al deze zaken bezitten en wel tienduizend zaken meer, en uiteindelijk als een misleide huichelaar in de hel wegzinken. Doch kunnen wij in onze ziel iets van dit Goddelijk onderwijs naspeuren? De Heere heeft ons twee blijken of toetsen geschonken, waardoor dit kan worden aangetoond. Laten wij dan nog een paar ogenblikken onze aandacht hierbij bepalen, en onderzoeken of wij kunnen vaststellen, of ze in ons openbaar komen.

Eén blijk is: ”Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.” Komt u van tijd tot tijd tot Christus, en geeft u uiting aan uw verlangens en uw hijgen naar Hem, of Hij Zichzelf in uw ziel zou willen openbaren? Bent u, in meerdere of in mindere mate, dagelijks zoekende om ”Hem te kennen, en de kracht Zijner opstanding”, en om de zoete openbaringen Zijner liefde te mogen genieten? Dan bezit u een schriftuurlijke blijk, dat u van God geleerd zijt.

Doch laten wij de andere toetssteen nemen: ’’Want gij zelven zijt van God geleerd om elkander lief te hebben.” (1 Thess. 4:9). Kent u bevindelijk iets van de liefde tot Gods volk? Ik bedoel een ware, geestelijke liefde tot het arme, geoefende, verzochte, met zonden belaste en door de satan gekwelde huisgezin Gods? Dan wil ik zeggen, dat u van God geleerd zijt! De Heere stelle ons in staat te geloven, dat wij ”de zalving van de Heilige” hebben verkregen, die ’’zalving, die waarachtig is, en geen leugen”. Het zekere onderpand en de voorsmaak van het eeuwige leven. Maar bedenk, dat de belofte luidt:

”Al  uwe kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn.” Er is hier geen uitzondering. ’’Want zij zullen Mij allen kennen, van den kleine onder hen, tot den grote onder hen.” Het is dus erg duidelijk, dat degenen, die niets kennen van dit Goddelijke onderwijs, op klaarblijkelijke wijze, niet de kinderen Gods zijn. Wat zij mogen zijn in het voornemen Gods, dat weten wij niet: maar in hun tegenwoordige staat en toestand zijn ze duidelijk niet Zijn kinderen. De Heere stelle sommigen onder u in staat dit ter harte te nemen. En zo het Zijn welbehagen mocht zijn, moge Hij de consciëntie treffen van sommigen, die nog nooit Zijn aangezicht hebben gezocht, en hen ertoe brengen zich als verdorven zondaren aan de voetbank Zijner genade en barmhartigheid neder te werpen. Want Hij, Die gezegd heeft: ”A1 wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen” heeft er ook aan toegevoegd: ”En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Amen.
Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.