Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De Wijnstok en Zijn ranken

Predikatie over Johannes 15:1, 2

Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.

Wat een plechtig tijdstip was de avond voor die nacht, waarin de Heere van leven en heerlijkheid in de handen van de goddelozen werd overgeleverd! Toen Hij, voordat Judas Hem met een kus kwam verraden, Zijn gehele hart als het ware voor Zijn discipelen ontsloot en hun de geheimen van Zijn liefhebbend gemoed meedeelde; toen Hij tot hen zei; “Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd. Want alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt,” Joh. 15:15.

Hij was er in deze plechtige ogenblikken op uit, om alles onder hun aandacht te brengen, wat hun treurig gemoed kon vertroosten. “Uw hart,” zei Hij, “worde niet ontroerd. Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.” En als er, gedurende het verblijf van de Heere op aarde, ooit een bijzonder tijdstip was, waarin de Heere geestelijke vertroostingen schonk aan degenen die eeuwig van Hem waren, dan was het voorzeker in dat uur, toen Hij hun verslagen zielen zo bemoedigde.

Maar wij bemerken, dat de Heere in dit uur van de beproeving, toen Hij weldra van hen genomen en aan het kruis genageld zou worden, toen Hij op het punt was om hen te verlaten, en Zijn lichamelijke tegenwoordigheid aan hen te onttrekken, niet enkel hen vertroostte. Hij vertroostte ze niet slechts, maar Hij voegde er een ernstige onderwijzing en een diepe waarschuwing bij. Welnu, hieruit zien wij dat, met wat voor Goddelijke vertroosting, uit de mond van de driemaal Heilige, een kind van God ook begunstigd mag worden, de Heere toch zorg draagt, onderwijzing, berisping en waarschuwing daarbij te voegen. De bediening van het evangelie is dus niet alleen een onvermengde toediening van vertroosting, maar komt volkomen overeen met het karakter, dat de Heilige Geest van de Schrift opgegeven heeft, – dat zij “nuttig is tot lering” (dat is, onderrichting), “tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is, opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust,” 2 Tim. 3:16. En dit stemt overeen met de beschrijving die de apostel Paulus van zijn eigen prediking geeft, wanneer hij zegt: “onszelf aangenaam makende bij alle gewetens van de mensen, in de tegenwoordigheid Gods,” 2 Kor. 4:2.

Het is dan een volkomen misverstand aangaande de bediening van het evangelie, wanneer men denkt dat het hoofdonderwerp ervan slechts is om de kinderen van God te vertroosten. Dat is een kortzichtige, verkeerde beschouwing van wat de bediening van de Geest is. Wij vinden dat de Heere op hetzelfde ogenblik toen Hij troost in de harten van Zijn bedroefde volgelingen uitstortte, hun een ontzagwekkende waarschuwing toevoegde: “alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg, en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage,” Joh. 15:2. En als de Heere van leven en heerlijkheid aan Zijn volgelingen op dit plechtig tijdstip onderwijs en waarschuwing geeft, dan bewijst het duidelijk dat het een gedeelte van de bediening van de Geest is, zulke hoofdonderwerpen te gebruiken, en zo het Woord der waarheid recht te snijden,” 2 Tim. 2:15, “het kostelijke van het snode uit te trekken,” Jer. 15:19, “scheidende het reine en onreine,” Ezech. 44:23.

“Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg, en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.” Zonder een eigenlijke tekstverdeling te maken, zal ik onder Gods zegen pogen de onderwerpen aan te roeren, die hier tot onderwijzing van Gods volk zijn neergelegd, voor zover de Heilige Geest mij tot enige lafenis daaraan gebracht heeft, en voor zover Hij mij “de deur des Woords opent” (Kol. 4:5), om zijn betekenis u voor te dragen.

I. “Ik ben de ware Wijnstok.” Het blijkt uit andere gedeelten van de Schrift, dat er in het land van Judea planten waren, die op de wijnstok leken, maar van een vergiftige en dodelijke aard waren. Wij hebben een treffend voorbeeld daarvan in het tweede boek van de Koningen (hoofdstuk 4:39), toen “een van de zonen van de profeten uitging in het veld, om moeskruiden te lezen, en vond een wilde wijnstok en las daarvan en sneed ze in de moespot.” Hij deed dit, daar hij niet scheen te weten, dat zij vergiftig en schadelijk was. Maar zij die beter met deze plant bekend waren, riepen uit: “de dood is in de pot.’’ Hier was dus een plant, die een grote gelijkheid had met de echte wijnstok. Zo’n grote gelijkheid, dat deze zonen van de profeten er door bedrogen werden. Er is daarom veel verborgen in de woorden: “Ik ben de ware Wijnstok,” als tegenovergesteld aan de valse wijnstokken, de schadelijke en vergiftige wijnstokken.

Wij hebben een zinspeling hierop in het boek Deuteronomium, waar wij lezen: “hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven, zij hebben bittere beziën,” (Deut. 32:32); zonder twijfel zinspelend op deze vergiftige wijnstokken, welke in het land van Judea groeiden. Zo vinden wij ook bij Jesaja, dat de Heere een krachtige voorstelling aan Zijn volk doet, dat “Hij een wijngaard had beplant met edele wijnstokken, maar daar Hij verwachte, dat Hij goede druiven zou voortbrengen, had hij stinkende druiven voortgebracht.; (hoofdstuk 5:2.)

Dat wil zeggen, in plaats van trossen van ware vrucht voort te brengen, bracht hij trossen voort van zo’n vrucht, als ik beschreef van “de wijnstok van Sodom, en “vergiftige wijndruiven.” Hij is gelijk Jesaja zegt (hoofdstuk 2:21): “veranderd in verbasterde ranken van een vreemde wijnstok.” Er is dan meer betekenis in die woorden: “Ik ben de ware Wijnstok.” Zij willen te kennen geven dat, hoe ook de valse christussen in uiterlijk voorkomen op de ware Christus van God mogen lijken, Hij echter—en Hij alleen —”de ware Wijnstok is,” uit Welke al de levende takken groeiden, en dat Hij alleen de Wijnstok is, Welke de rechterhand van God Zelf heeft geplant.

Van deze “ware Wijnstok” nu wordt gezegd, dat Hij “ranken” heeft. En er wordt van tweeërlei soort van ranken gewag gemaakt, waarvan gezegd wordt dat ze in Hem zijn. Het ene soort is in Hem door belijdenis; een ander gedeelte van ranken is in wezenlijkheid in Hem. Wij moeten geen ogenblik denken dat deze ranken, die de Landman “wegneemt”, levende ranken van de ware wijnstok waren, dat zij een eeuwige vereniging met Christus hadden, dat zij ooit door het bloed van Christus verlost, of uit Christus voortgekomen waren, als in Hem zijnde voordat de wereld was. Maar zij waren in naam en door belijdenis in Hem.

En de Heere schijnt deze brede grondslag van hun belijdenis te gebruiken, hun eigen taal aan te nemen, en van hen te spreken, niet zoals zij in Zijn hartdoorzoekende tegenwoordigheid wezenlijk waren, maar zoals zij beleden te zijn. En daarom richt Hij Zijn taal in, niet naar de werkelijkheid, maar naar het uiterlijk voorkomen van de zaken.

Er zijn dan in Christus ranken door belijdenis, die niet meer dan een vereniging in naam met Hem hebben. Zij maken er aanspraak op tot Hem te behoren, en dragen echter geen vrucht. En omdat zij geen vrucht dragen, neemt de Landman die weg, verwijdert ze van hun plaats, rukt ze uit de stand waarin zij zichzelf geplaatst hadden, en werpt ze weg, opdat ieder hun schande ziet.

Maar welke vruchten zijn het die sommige ranken dragen en andere niet dragen? Voordat wij de toestand van de ranken, die geen vrucht dragen, kunnen beschrijven, moeten we eerst een weinig van de vruchten weten; om het gemis waarvan de Landman Zijn hand uitstrekt en die ranken wegneemt.

Deze “vruchten” dan zijn voor het grootste deel inwendige vruchten; en we hebben een optelling van enige daarvan in de brief aan de Galaten (hoofdstuk 5:22). Daar lezen wij: “de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede” en zo verder. Het zijn dan in het bijzonder deze inwendige vruchten, die de Landman in deze naamdragende ranken mist. En het gemis van die vruchten noopt Hem om die ranken weg te nemen.

1. Van deze vruchten nu, is oprechtheid, eerlijkheid en onvervalstheid van hart voor God een inwendige vrucht, die de Heere zoekt in de ranken, die belijden te groeien uit deze geestelijke Wijnstok. Waar geen beginsel van geestelijke oprechtheid in de ziel geplant is, daar moeten wij zeggen, is alles verkeerd. Ik spreek hier niet van wereldse oprechtheid, natuurlijke eerlijkheid, zedelijke rechtschapenheid, of vleselijke zuiverheid. Maar ik spreek van een beginsel van geestelijke oprechtheid, waardoor het hart recht gemaakt is voor de Heere, waardoor er “iets goeds is”, zoals de Schrift spreekt, 1 Kon. 14:13, “voor de Heere de God van Israël.”

Waar nu dit beginsel van geestelijke oprechtheid, in de ogen van de hartdoorzoekende God, ontbreekt, bewijst het dat de rank dood is Maar waaraan kan men weten of men deze “vrucht” van geestelijke oprechtheid bezit? Als men die bezit, dan zal het openbaar worden in de omgang met God, en het zal openbaar worden in de omgang met de mensen.

Hij, die een beginsel van geestelijke oprechtheid en eerlijkheid van hart voor God heeft, zal voor God verschijnen als voor een God met Wie niet te spotten is, en zal zijn gehele ziel voor Hem openleggen als de Jehova, Die de nieren proeft en de harten doorzoekt, Die elke verborgen beweging en werking van zijn ziel kent, en voor het doordringend oog van Wie de schuilhoeken van zijn gemoed open liggen. Want hij die geestelijke oprechtheid heeft, zal die gevoelens hebben welke de Psalmist had in de 189e psalm, wanneer hij zegt: “doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten, en zie, of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg.”

Deze geestelijke oprechtheid en eerlijkheid voor God is veelal verbonden met Goddelijke vrees. En daarom geloof ik dat een beginsel van geestelijke oprechtheid, de wortel is van alle ware Godsdienst, zodat, waar dit ontbreekt, het leven ontbreekt. Wanneer de ziel hier dwaalt, is alles verkeerd. En, zoals het openbaar zal worden in onze toenadering tot God, zal het ook blijken in onze omgang met het volk van God, en in ons ongedwongen verkeer met de wereld.

Wij zullen niet proberen een hoge plaats in te nemen, als wij gevoelen dat de laagste plaats voor ons te goed is. Wij zullen niet beproeven onszelf in de ogen van Gods volk op te heffen, wanneer wij gevoelen dat ons hart een broeinest is van onreinheid. Er zal geen wandelen zijn op de stelten van de ondervinding van een ander, en ook niet een staan op een hoge leerstellige toren, bij hem van wie het hart oprecht gemaakt is voor God. Hij zal zich voor de kinderen van God in zijn ware kleur vertonen, door hen eenvoudig te vertellen hoe hij voelt dat hij zelf is. En hij zal niet alleen de huichelarij haten, meer ook de schijn van huichelarij. De werkingen daarvan vindt hij ongetwijfeld in zijn vleselijk gemoed. Maar hij wordt steeds tot de ondervinding van de apostel gebracht: “het kwaad dat ik niet wil, dat doe ik.”

2. Daarenboven is ootmoed, geestelijke ootmoedigheid, een vrucht die slechts groeit in de hof van de hemel – de hof van de Heere—de planting van Zijn rechterhand. En waar toch geestelijke ootmoed in de mensen ontbreekt, het gemis van die vrucht kenmerkt hem als een rank in naam. Hoogmoed was de ondergang van de mens. En hoogmoed, vervloekte hoogmoed, heeft zijn wortels zo dooreen geweven met de vezels van het menselijke hart, dat niets ze kan uitrukken, of de hoorn geheel en al uitroeien, en ook nooit dat vervloekt beginsel geheel ontwortelen. Maar er is een groot onderscheid tussen het aanwezig zijn van de hoogmoed en het heersen van de hoogmoed.

De zonde zal altijd in ons wonen; maar de zonde zal niet regeren in een kind van God. “De zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” Rom. 6:14. Waar nu de geestelijke ootmoed ontbreekt, daar ontbreekt het geestelijke leven. Want wat maakt de mens ootmoedig? Het bestaat niet in het bijeenbrengen van de ootmoedige taal uit het Woord van God, of uit de mond van de heiligen.

Maar het komt voort uit een vernederend gezicht van zichzelf, door in “Gods licht het licht te zien,” door de reinheid en volmaaktheid te aanschouwen “van Hem, met Wie we te doen hebben;” door een geestelijke ontdekking te hebben van wat de zonde is, en de last en het gewicht van schuld op ons geweten te gevoelen, door geleid te worden door de Heilige Geest, in de gebeelde binnenkamers, om de aftekening daarvan op de wand te zien, Ezech. 8; en zo “zichzelf te verfoeien in stof en as voor God.”

3. Het beginsel van levend geloof is een andere “vrucht,” een inwendige vrucht. Het gemis daarvan kenmerkt de mensen als een rank in naam. Hij, die geen geloof heeft, is klaarblijkelijk dood in de zonde. Want de mededeling van leven aan zijn ziel, is gelijktijdig, is op hetzelfde ogenblik met de inplanting van het geloof, en het geloof wordt verwekt in de ziel door de openbaring van God. Want het geloof is het oog van de ziel, dat God ziet, het oor van de ziel, dat de stem van God hoort, en de hand van de ziel, die de openbaring aanneemt, die God van Zichzelf geeft. Daarom, als het geloof, Goddelijk geloof, levend geloof, geestelijk en bovennatuurlijk geloof in de mens ontbreekt, dan ontbreekt de Goddelijke vrucht.

En bij gebrek van deze vrucht is hij gekenmerkt als niet meer dan een dode rank, een die slechts in naam aan de levende Wijnstok verbonden is. “Maar,” zal men zeggen, “zijn er geen kinderen van God, die vol zijn van ongeloof, die geoefend worden door vele twijfelingen en vrezen, die hun aandeel niet duidelijk kunnen lezen, en die niet kunnen zeggen,—”mijn Heere en mijn God?”

Er zijn ongetwijfeld vele levende zielen die geen aangenaam getuigenis van hun aandeel in de Geliefde hebben; maar echter hebben zij geloof. Geen geloof in Jezus om hun aandeel in Hem voor zeker te houden; maar zij hebben geloof in de volmaaktheden van God; zij geloven de geestelijkheid van Gods wet; zij geloven de bedreigingen die God tegen de goddelozen heeft uitgesproken; zij geloven het gezag en de zekerheid van Gods Woord; en zij geloven dat er geen Zaligmaker buiten de Heere Jezus is, en dat die Zaligmaker met kracht aan hun ziel moet ontdekt worden.

En hoewel zij niet de blijdschap van het geloof, en niet de verzekering van het geloof, en ook niet de overwinning van het geloof hebben, echter hebben zij de aanwezigheid en de wezenlijkheid van het geloof, dat werkt op eeuwige wezenlijkheden. Maar niet van zo’n natuur om in hun harten vrede en troost voort te brengen. Het geloof houdt zich bezig met wezenlijkheden, “het is een bewijs der zaken die men niet ziet”. En daarom, omdat het met wezenlijkheden omgaat, zal het in overeenstemming zijn met de wezenlijkheden waar het mee omgaat. Het is hetzelfde als wanneer iemand door een glas ziet.

De dingen die hij ziet, zullen gekleurd zijn met de kleur van het glas. Elke zaak zal zich zo aan het oog vertonen, zoals hij ze door een tussenkomende zaak waarneemt. En daarom, het geloof geoefend in de volmaaktheden, de verschrikkelijke eigenschappen, de heiligheid, de rechtvaardigheid, de majesteit, de heerlijkheid, de hartdoorzoekende tegenwoordigheid van Jehova—het geloof dat God beschouwt door die tussenkomende dingen, ontvangt geen troost, en niet enig aangenaam getuigenis, en geen bevrijding van de ziel uit de gevangenschap. Nog eens, het ziet eeuwige wezenlijkheden, bevat eeuwige wezenlijkheden en is geestelijk aangedaan door deze wezenlijkheden, die door de Heilige Geest toegepast worden op zijn eigen geweten.

4. Ook is de hoop een vrucht van de Geest. En het gemis van hoop, het doorgaande, gehele gemis van hoop, drukt de dood op die zogenaamde rank, waarin het gemis van alle hoop gevonden wordt. “Maar,” zal misschien iemand zeggen, “zijn niet Gods kinderen dikwijls in wanhoop gedompeld?” Nee, niet in wanhoop. Zij zijn dikwijls er zeer nabij; zij zijn aan de grenzen; zij gaan op van de rand daarvan; de lucht van dat verpeste land mag zo op hen aanwaaien, dat zij in hun gevoel in warhoop geraken; echter zette nooit geen levende ziel haar voet buiten de rand; en geen kind van God stapte ooit buiten de grens, zodat hij in het gebied van de wanhoop kwam.

Als hij daar ging, hij zou dan niet langer in het land van de levenden zijn; of als hij ooit zijn voet over de grenzen zette, die het land van de hoop van het gebied van de wanhoop scheidt, hij zou dan niet langer tot de Heere roepen om zijn ziel uit de onderste hel te redden, maar hij zou door deze stromen, die hem met zich voeren, in een eindeloos verderf opeens neergeslagen worden. De hel is de plaats van de wanhoop, en het geweten van de verdoemden, voor zij geworpen worden in die vernielende vlammen. En daarom, tenzij u weet wat de gevoelens van de verdoemden in de hel zijn,—dat u nooit zeker kunt weten, hoezeer u mag denken, dat u het wel weet,—of tenzij u gevoeld hebt de wanhoop in het geweten van de goddeloze, voor de hel haar kaken opent om hem voor altijd te ontvangen, hoe nabij ook aan de grenzen van dat vreselijk land, kunt u toch nooit zeggen dat uw voet de drempel betreden heeft.

Nee, daar is een—wie weet het?—een verborgen ondersteuning van eeuwige armen. Daar is een band rondom de ziel geslagen, door de God van alle genade. Daar is een gouden keten door God Zelf neergelaten van de eeuwige Troon van genade en waarheid, die de ziel voor altijd bewaart om neergestoten te worden in die draaikolk, aflopend langs deze vreselijke watervallen en verzwolgen wordend in de kokende afgrond beneden.

Er is een onzichtbare arm, die de ziel bewaart om weggevoerd te worden door de watervloeden. En deze verborgen hulp wordt geopenbaard door een gedurige opheffing van het hart in de gebed, en door de verlichting soms ondervonden in de uitstorting van de ziel in vurige verzuchtingen, terughoudend iedereen die het gevoelt van te worden overstelpt door de vloed van wanhoop, wanneer de sluizen van Gods wraak schijnen opgebroken, om hem in eeuwige ellende te storten.

En daarom, er is geen kind van God, die door de Geest is wedergeboren, of het heeft enige hoop, dat hem bewaart om ten enenmale schipbreuk te lijden. Zodat wij niet te ver gaan, wanneer wij zeggen dat het gemis van alle hoop een dodelijk kenteken bij de mens is.

5. Geestelijkheid en hemelsgezindheid zijn vruchten, die de Heere vindt, of liever, die de Heere werkt; en in wie Hij ze gewerkt heeft, vindt, aan levende ranken. Dat is, er is soms een trekken en voortgaan van de ziel tot Hem, van Wie alle genade komt. De dingen van de tijd en van de zinnen zijn niet het rechte element van een wedergeboren mens.

En hoewel hij een natuur heeft die daar wel toe gezind is, ja, een lage natuur, die, als het vergund werd, in de modder wilde wentelen, zoals het vuile zwijn doet in het slijk—echter is er een nieuwe natuur in hem medegedeeld door de Heilige Geest, die slechts thuis is in hemelse dingen, en slechts een overeenstemming vindt in geestelijke dingen, wanneer de Heere ze in beoefening brengt, en die twee samenvoegt. Dus, het gehele gemis van geestelijkheid—het volkomen ontbreken van een natuur die de dingen van God zou kunnen ontvangen, verwezenlijken, tasten, voelen en behandelen, bewijst, dat de mens “dood is in zonden en misdaden.”

Ik weet, ik trek hier een zeer smalle lijn; daar u zeggen zult—en het wordt soms in me ook gezegd: “denk aan de arme kinderen van God, die in hun eerste overtuiging zijn; denk aan hen die onder de tuchtroede van Gods wet verkeren; en vergeet hen niet die geoefend worden in vrezen en beven, en van wie de zielen doorsneden worden met grote benauwdheden van schuld.” O nee mijn vrienden! Ik wilde niet door de last van mijn kleine vinger hen bezwaren; nee, niet door het gewicht van een haar van mijn hoofd, maar liever, als de Heere het behaagt, wilde ik als een werktuig gebruikt worden om ze op te beuren, en hun tere gewetens niet te kwetsen of een belemmering van benauwdheid in hun bedroefde gemoederen te veroorzaken.

Maar ik vraag aan u, die beroerd van gemoed bent, hebt u nooit enige vereniging en overeenstemming met geestelijke dingen gehad? Is er geen gevoel in uw ziel, geen genegenheid in uw hart, die, kon u er het genot van hebben, kon u slechts een heerlijk blijk daarvan hebben, u vrede zou aanbrengen? Als de openbaring van Gods genade vrede aan uw ziel zal geven, moet u een nieuwe natuur hebben om deze blijken te ontvangen, omdat zij geen vrede kunnen geven, dan aan hem die een natuur heeft om ze te bevatten; een natuur om ze te omhelzen; en een natuur om zich daarin te verblijden.

Daarom, zeg niet, hoe leeg u ook in ellende zinkt, zeg niet er is nooit, op enige tijd, bij enige gelegenheid, op enig ogenblik, enige de minste vonk van dat verborgen leven. U moet al uw ondervindingen niet loochenen. Laat de duivel u niet blinddoeken voor alles wat er in uw hart is omgegaan. Schrijf geen bittere dingen tegen uzelf, alsof er nooit een enkel ogenblik geweest is, sinds de Heere het eerst u in het leven riep—niet één ogenblik, dat er een uitgaan van uw ziel was tot de Heere van leven en heerlijkheid, en ook niet enig hijgen van het hart naar Zijn gezegende tegenwoordigheid, of enig hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, en ook niet enige begeerte naar de blijken van Zijn genade en heerlijkheid.

Als u zegt: “nee, ik heb nooit een begeerte gehad naar de openbaring van Christus; ik heb nooit een vurig gebed uitgestort, of kermend geroepen dat Hij zich aan mij wilde ontdekken; ik heb nooit één enkele stille ontboezeming van het hart gekend, of een hijgende begeerte dat Hij dierbaar voor mijn ziel mocht zijn – zegt u dat, dan zeg ik dat u dood bent in zonden, of geheel ingewikkeld in de grafklederen van een naamchristendom. Zegt u dat, dan zeg ik: uw geweten is als met een brandijzer toegeschroeid.

Nee, ik ben door zielservaring overtuigd dat, hoe diep iemand in overtuiging mag neerzinken, er nog op de bodem, oprijzend in het midden van die zee van beroering, een ademhalend, levend en onuitblusbaar beginsel is, dat niet zonder Christus voldaan kan zijn, dat voortgaat in sterk verlangende smekingen naar Christus, dat hongert naar Zijn gerechtigheid, en slechts voldaan kan zijn met Zijn genade. En het geheel gemis daarvan kenmerkt de mens als dood in de zonde.

II. Dan hier zijn ook ranken die geen vrucht dragen. U hebt zeker wel eens een wijnstok gezien die mogelijk een grote ruimte van de muur bedekte. En hebt u nooit opgemerkt — het is een werkelijke zaak, hetzij u het gezien hebt of niet— dat, hoe meer de wijnstok zich uitspreidt, hoe minder hij draagt?

De wijnstok die de meeste vruchten draagt, is die, welke het meest gesnoeid is, en die, welke de minste plaats beslaat. En daarom zullen deze dode ranken er groen uitgezien hebben, zullen een grote menigte bladeren gehad hebben, zullen veel aanzienlijker geschenen hebben dan de vruchtdragende ranken. Maar zij worden met dit teken gekenmerkt—dat zij geen vrucht dragen.

De beeldspraak kan niet geheel volgehouden worden, geen overdrachtelijke spreekwijze kan in elk deel behouden worden; het is een dwaling te denken, dat enig afbeeldsel in alle delen volmaakt is. De dorre ranken in een natuurlijke boom komen voort uit de stam, maar zo is het niet met de dorre takken in Christus’ zichtbare kerk. Het beeld kan hier niet volgehouden worden. Zij zijn enkel in Hem door belijdenis—aangebonden als het ware door de band, of vastgemaakt door de draad van belijdenis, zonder een inwendig aanzijn te hebben.

Nu, deze ranken die geen vrucht dragen, “neemt de Landman weg.” Dat is, Hij roeit ze van hun plaats uit die zij besloegen. En hoe verwijdert Hij ze? Wel, sommigen neemt Hij eensklaps door een dodelijke slag weg. Wanneer de tijd van de wraak gekomen is, wanneer zij de maat van hun ongerechtigheden vervuld hebben, neemt de Heere ze weg, door ze met één slag neer te vellen.

En dit is dikwijls het geval geweest met vervolgers en onderdrukkers van Gods waarheid. Sommigen hebben een eind aan hun leven gemaakt door de strop, het mes, of het water, anderen zijn neergeveld door woedende koortsen; anderen hebben hun dagen in een dolhuis geëindigd, en anderen zijn door de pijlen van God zo duidelijk aangewezen, die hen tekende als vijanden van Zijn waarheid, dat hun dood zelf verschrikkelijk is geweest voor degenen welke niet zoveel godsdienst hebben om te weten wat het doodsbed van een heilige is. Zo neemt de Heere hen weg, door Zijn wrekende hand soms tegen hen uit te strekken.

Met anderen houdt houdt de Heere een andere weg. Zoals ik onlangs zei: de Heere verdroogt de groene boom; de ranken worden verwelkt, nooit was er enig geestelijk sap in; maar zelfs de natuurlijke ijver droogde op, en alle ijver is vergaan. Zo verdort de rank en sterft, en valt af. Dat is, hij kan zijn plaats en naam in de Wijnstok niet langer behouden, het niet langer volhouden zelfs met een uitwendige belijdenis, maar hij valt af als een vermolmde tak.

U, die ondervinding van de kerken hebt, hebt u dit nooit in de uwe waargenomen? Kunt u zich op dit ogenblik niet dit en dat lid herinneren, dat eenmaal in ijver bloeide, met grote gave van het gebed, en vooraan was om bij elke gelegenheid gemoedelijk te spreken; en is het niet afgevallen? Als u hem gadegeslagen hebt, hij is misschien tot het Arminianisme, tot het Socinianisme, tot ongeloof aan de geopenbaarde waarheden vervallen, of gevallen in openbare zonden, en heeft òf zichzelf aan u onttrokken, òf u bent genoodzaakt geweest hem af te scheiden op grond van zijn slecht gedrag. Ziedaar dan, de rank die weggenomen wordt.

En de Landman, de Vader, neemt anderen weg, als hij ophoudt door het bestuur van Zijn voorzienigheid ze in toom te houden, en ze niet meer verhindert om aan de lusten van hun hart te voldoen, door ze over te geven aan de snode neigingen, zodat zij alle onreinheid gretig bedrijven. En dan in een vlaag van hartstochtelijk misnoegen, stoten zij alle godsdienst terzijde. Het diepe water van zonde in hun hart dringt door de sluisdeuren, die het tot hiertoe terughielden.

En zij snellen overhaast in de vermaken van de wereld en de lusten van het vlees. De satan vindt de kamers van het huis met bezemen gekeerd en versierd. En hij neemt met zich zeven duivelen, en ze gaan in, en zij wonen daar, en het laatste van de mens wordt erger dan het eerste. En zo “neemt de Vader hem weg,” naar Zijn rechtvaardig oordeel. Maar sommigen gaan voort zelfs tot een doodbed. En er wordt hoog van hen gedacht, en zij worden aangezien als genaderijke mannen en vrouwen, en zij vleien zichzelf dat zij kinderen van God zijn, door te bouwen op ijdele steunsels, en te rusten op nietswaardige gronden.

En als zij komen te sterven neemt de Heere de sluier van hun beschaamd aangezicht en verwijst ze naar een eeuwig verderf. Of meer dan dit: de Heere neemt ze weg op hetzelfde ogenblik, dat de ziel het lichaam verlaat, dat zij in vrede schijnen te sterven En de Heere bewaart Zijn “neemt ze weg,” tot op dat ogenblik, wanneer de ziel haar aardse tabernakel verlaat, en geworpen wordt in de plaats, waar de hoop nooit komt.

Deze dan zijn de ranken, in naam in de Wijnstok, die de Landman wegneemt.

III. Wij komen nu tot de ranken die de Vader “reinigt, opdat zij meer vrucht dragen.” Deze levende ranken dan, die waarlijk vrucht dragen, zijn geneigd om zwak en ziekelijk te worden, en hebben dus de reinigende hand van de Landman nodig. Het woord reinigen betekent zuiveren. En er zijn verschillende wijzen om de wijnstok te zuiveren en te reinigen. Soms wordt de rank met mos, en met wat men draden noemt, omzet.

Het loopt over met deze vreemde overlast, die de sappen in hun vrije loop schijnt te verhinderen en de invloed van de dampkring af te sluiten en te maken dat de ranken ziekelijk en ongesteld worden. Begeerlijkheid en wereldliefde en de zorgvuldigheden van het leven en bezorgdheid over de arme vergankelijke dingen van de tijd en van de zinnen – hoe kruipt dit mos rondom het hart van de mens!

En terwijl het rondom zijn hart kruipt, hoe bindt het en trekt het samen! De apostel zegt terecht: “de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelf met vele smarten doorstoken,” 1 Tim. 6:10. Wij zouden veronderstellen, dat als de Heere de mensen met voorspoed zegent, het zijn hart zou ontsluiten.

Maar is het zo? Nee, meestal sluit het zijn hart. Wanneer dit mos hem omringt, schijnt het de boomschors te verharden, en als het de boomschors nijpt en samentrekt, wordt het sap in zijn omloop gestremd, zodat het niet vloeit om hem vruchtbaar te maken tot elk goed woord en werk. Nu, de Heere ziet dat sommigen van Zijn volk met dit mos bezet zijn. Zij dragen geen vrucht, de ranken worden ziekelijk, zij schijnen verwelkt en verbleekt. De Landman draagt hiervoor zorg, want Hij wenst te zien hoe het met zijn wijnstok gaat.

“De liefste komt tot Zijn hof om van Zijn edele vruchten te eten.” En Hij strekt Zijn band uit en neemt het mos weg. Er is geen ander middel. Het verstijfde de boomschors, en verdroogde de levengevende sappen. Hij neemt dan die eigendom weg, verwijdert de wereldse voorspoed, bederft de vooruitzichten van de mensen in het leven en verwijdert zo wat schadelijk was.

Soms, als wij een rank beschouwen, zullen wij zien dat een gedeelte daarvan begint te zwellen. Een knoest wordt er gevormd. En als het gezwollen en de knoest gevormd is, wordt de omloop van het vocht gestremd, het maakt de rank ziekelijk en doet de vrucht verwelken. Nu, zo is de hoogmoed in het hart van de mens, dat het doet zwellen van eerzucht en verwaandheid en zelfverheffing en een begeerte om iets te zijn. En wanneer deze hoogmoed begint te rijzen en te zwellen, zwelt het niet alleen uitwendig, maar het zwelt inwendig. En als het inwendig zwelt, dan is er natuurlijk minder doortocht voor het vocht om te vloeiden. Hoogmoed is niet enkel wat gezien wordt in iemands uitwendige houding en gedrag; het is inwendig.

En wanneer het in iemands hart is, trekt het tezamen en het schijnt, om zo te spreken, de omloop van het levend vocht in de ziel te stremmen. En wat is hiervoor het geneesmiddel? Wel, het mes moet komen om deze hoogte af te snijden—deze zwelling te verhinderen. Bent u begaafd in het gebed? Het mes moet komen en uw geliefde gave afsnijden. Hebt u een goed geheugen van de Schrift? U moet bevinden, dat de herinnering van teksten en aanhalingen feilen. Hebt u een goed oordeel over de leerstukken van de genade?

U moet komen tot de bespotting van Efraïm en in het oordeel te licht bevonden worden. Verheft u zich op enige wijze heimelijk onder het volk van God? U hebt hevig schokkende overtuigingen, het mes nodig, zowel om deze inwendige als uitwendige hoogmoed af te keren en te fnuiken, en u te brengen tot uw behoorlijke maat. En zo is er een reiniging van de rank, “opdat zij meer vrucht drage.”

Soms worden de ranken te weelderig. Al hun kracht gaat in de bladeren en uitlopers, en het sap wordt niet zo verdikt om vruchten voort te brengen. Dan moet de Landman het snoeimes uittrekken, en de ranken inkorten. O, mijn vrienden! Het zegt wat, wanneer onze godsdienst, of wat wij dachten godsdienst te zijn, afgesnoeid en tot een stomp gemaakt wordt, en alles dat wij dachten dat van God in ons was, door de hand van deze hemelse Landman zo geheel afgesneden wordt, dat zelfs het aanwezig zijn ervan schijnt vernietigd te zijn, en wat wij prezen, aan onze voet ligt, afgesneden van die rank, waarop we eens met genoegen zagen!

U die geoefend bent in uw zielen,—u die de band van God in en op u gevoeld hebt, is er bij u nooit afgesnoeid en afgesneden, wat u dacht dat ware godsdienst was? Hebt u nooit gerust op meningen en gedachten, en door smartelijke ondervindingen bevonden dat ze afgesnoeid worden, en u afgesneden wordt? Hebt u niet dikwijls gerust op enige vleselijke beweegreden, enige vleselijke inbeelding, enig ijdel gezicht, enige goede mening van anderen omtrent u, en in ernstige ogenblikken bevonden, wanneer pakken van droefheid en schuld op u lagen, dat deze dingen afgesneden waren, zodat u geen troost eruit kon nemen, en u erop ziet, en ziet ze weggeblazen, weggeworpen in het stof en eindelijk verwelkt, zodat u tot uzelf zegt: “zij zijn alleen bekwaam voor de mesthoop, om met de afgesnoeide ranken van de wijnstok weggeworpen te worden.”

U weet er weinig van wat het zegt, een vruchtdragende rank te zijn, als u het snoeimes niet dikwijls gehad hebt om u te besnijden. Het is niet slechts één snoeitijd en dat alle besnoeiing dan voor altijd gedaan is. De wijnstok moet van alle bomen het meeste gesnoeid worden. Hij zal nooit vrucht dragen, tenzij hij goed afgesneden en doorgaand gesnoeid wordt. En zo ook, verwerpt een levende ziel gedurig deze weelderige scheuten, die nodig hebben dat zij afgesneden en weggesnoeid worden door de hand van de hemelse Landman.

Welnu, wat is Gods bedoeling in deze scherpe oefening, deze krachtige verzoekingen, deze droevige overtuigingen? Het is om de ranken meer vruchtbaar te maken. “Elke rank die vrucht draagt, die reinigt Hij,” niet om hem te vernielen, maar “opdat zij meer vrucht drage.” Smarten, rampspoeden, overtuigingen en diepe en ernstige zielsoefeningen voor God, en het gewicht en de last van kwellende aanvechtingen zijn dan in Gods hand oorzaken dat de rank meer vrucht draagt. In de hand van de Heilige Geest veroorzaken zij grotere ootmoed. Want als iemand een dieper gezicht en gevoel van zichzelf heeft, dan zal hij ootmoedig, verbroken en klein worden.

De werking van de Geest zal in hem meer onvervalstheid en oprechtheid van hart voor God teweeg brengen. Daar hij gevoelt hoeveel van zijn godsdienst in de weegschalen gewogen en te licht bevonden is en hoeveel afgesneden is door het ogenschijnlijk meedogenloze, ongenadige mes van de Landman, wordt hij geoefend ten aanzien van het overschot. “Is kennis niets? Is het gevoelen van anderen niets? Is het lidmaatschap van de kerk niets? Is mijn zien van Christus in deze en die weg niets?” zegt hij tot zichzelf. “Wel, ik heb bevonden, het is niets om mijn ziel in uren van aanvechting op te beuren, en mij te vertroosten in bittere tijden van rampspoed. Wat, is het dan alles een hersenschim? Is het geheel van mijn godsdienst in de grond verkeerd? Is het geheel en al onvolkomen?

Is het niets anders dan de blijdschap van de geveinsde, die voor een ogenblik duurt?” Deze angstige onderzoekingen brengen zuchten en kermen en klagen en vurige gebeden en worstelingen voort, dat de Heere ons niet zo laat blijven, maar ons oprecht en eerlijk maakt voor Zijn hartdoorzoekende tegenwoordigheid. Vandaar brengt het verlies van al deze vleselijke godsdienst door het snoeimes van God, vrucht voort, niet alleen voor God, maar ook voor de mens. Want het werkt op deze wijze.

De mens begint meer oprecht te zijn voor de leden van de kerk, waarmee hij verbonden is—meer eerlijk voor allen met wie hij in geestelijke zaken te doen heeft. Hij zegt: “o! ik ben zo bedrogen; ik dacht, ik was zo’n Christen, ik achtte mijzelf zover gevorderd in het Goddelijke leven, maar o! hoe anders gevoel ik het nu. O! ik ondervind smarten, onder een gevoel van schuld en toorn! O! ik gevoel het hoe weinig geestelijk ik van God onderwezen ben!” En nadat hij dan in zijn eigen gewaarwordingen gewogen is, wil hij beginnen om andere lieden in dezelfde schaal te wegen.

“Gevoelt u zich ook zo?” begint hij te vragen. “Bent u ooit zo beproefd? Heeft de Heere u ooit zo in de laagte gebracht?” Hij kan nu niet meer onder een mantel van vriendschap alles verbergen en de zaken voor toegestemd houden, maar begint te onderzoeken en proef te nemen, of anderen onder dezelfde ernstige onderwijzing zijn. Deze afsnijding dan, maakt hem niet alleen oprecht voor God, maar getrouw voor zijn medezondaars en zijn medeleden.

Ook is het snoeimes in de hand van de Heere dikwijls tot het middel gemaakt, om in hem een geest van vurige ziel uitstorting voor God te ontsteken. Mijn vrienden, ik beroep mij op uw gewetens. Waar zijn uw gebeden in tijden van voorspoed? Waar zijn de zuchten en ontboezemingen van uw geest, wanneer alle dingen in het tijdelijke bloeien, en alle dingen in het geestelijke effen zijn? Laat uw geweten spreken. Zijn niet uw gebeden koud, levenloos, kort en vormelijk?

Maar wanneer kermt en zucht en schreeuwt u tot de Heere? Wanneer verlangt u zalige gemeenschap met Hem, en gevoelt u dat niets dan Zijn tegenwoordigheid u kan voldoen, niets dan Zijn bloed kan betalen, en niets dan Zijn liefde tot in de dood in uw harten uitgestort, uw ziel aangenaam kan doen herleven in de vrede van God, “die alle verstand te boven gaat?” Wanneer? waar? hoe? Wel, het is, wanneer u bent onder ernstige beproevingen, diepe zielsbestrijdingen, gebukt gaande onder de roede van Gods tuchtiging, wandelende door de beroerde golven. O! het is juist niet het neervallen op uw knieën, en de Heere met enige weinige woorden te begroeten, hoe vloeiend ook uitgestort.

Maar het is dat wat in de binnenkamers van het hart geschiedt—dat is de uitstorting van de oprechte ziel voor Hem. Dat is bidden, en het overige is alles misleiding. En zo zijn deze oefeningen in de hand van de Geest het middel om in ons te ontsteken een ernstige tussenkomst bij de troon der genade, om de geestelijke zegeningen, die wij wensten.

Daarbij, zij zijn zo in de hand van de Geest nuttig, om ons geestelijk en hemelsgezind te maken. Hoe bent u—laat het oprecht geweten spreken – hoe bent u, wanneer het beroep bloeit, de klanten toenemen, wanneer de wereldsere zaken u toelachen, en alle dingen een genoeglijk vooruitzicht hebben? Bent u geestelijk? Bent u hemelsgezind? Roept u tot de Heere in verborgen hoeken? Nee, u doorbladert uw boeken, om de renten van uw geld te berekenen; uw ogen gaan hier en daar, om te zien naar enig nieuw maaksel, om klanten tot uw winkel te trekken, of u bepeinst met uw verbeelding, op deze of gene wijze, wat uw vleselijke lust kan vermaken. Is het niet zo? Laat het oprecht geweten in uw boezem spreken.

Nu, wanneer alle dingen tegen u zijn, wanneer de snijdende winden van tegenspoeden tegen uw hoofd waaien, wanneer alles zich tegen u fronst, en God voegt Zijn toornig gelaat daarbij, met u zuur aan te zien als het ware in de achteruitgang van tijdelijke dingen, en met Zijn straffend aangezicht te vertonen achter het verwijtend voorkomen van tijdelijk gebeurtenissen, is er dan niet een gaan naar boven van het hart om iets, dat niet doorgebracht wordt?

Is er niet een uitstrekken van uw hand, om het wezen vast te houden, wanneer de schaduwen snel verdwenen zijn? Is er niet een verzuchting van uw ziel naar geestelijke dingen, wanneer de tijdelijke dingen alle onder uw voet geworpen zijn, en het gezicht van vrede en geluk, dat u voor u maakte in uw vleselijk gemoed, weggevaagd is, zoals de bedrieglijke verbeelding van water in de woestijn, en niet één voetstap nalaat? Maar u wordt geestelijk en hemelsgezind!

Ook werkt de Heere door deze oefeningen—want zijzelf kunnen het niet—dikwijls versterkend, en mengt geloof in de oefening. Wij lezen: “de beproeving van ons geloof die veel kostelijker is dan des gouds, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt,” 1 Petr. 1:7. Want het geloof moet beproefd worden. Als het goud door de Heere gekocht is, moet het in het vuur beproefd zijn. Nu, deze oefeningen, verzoekingen, benauwdheden, het krachtig afsnijden door de hand van de hemelse Landman – beproeven het geloof, dat de Heere geeft.

En als het geloof beproefd en tot zijn uiterste kracht gebracht is, begint de mens eerst te ontdekken, wat het geloof inderdaad is. Wat een wondervolle genade is het geloof! Hoe zwaarder de opgelegde last is, hoe sterker de rug van het geloof is om het te dragen. Niemand weet de kracht van het geloof, totdat hij in moeilijke omstandigheden en beproevingen gebracht is, die dit levend beginsel neerdrukken en dringen. Maar dit levend beginsel verheft zich omhoog, zoals het zuurdesem in drie maten meelbloem verborgen.

“Het leeft”, zoals iemand zegt, “onder belemmering, ofschoon terneergeslagen, het sterft nooit. En zo wordt het door slagen uitgerekt en roept steeds onder krachtige verzoekingen, en wordt daardoor sterker, brengt in alles werkzaamheid en levende kracht, en draagt zo het merkteken als zijnde het bovennatuurlijke, levende geloof van de uitverkorenen van God.”

De “reiniging” dan, van deze vruchtdragende ranken, maakt dat zij meer vrucht dragen. Evenwel dikwijls niet in onze bevinding. Maar wij zijn op dit punt zeer ellendige beoordelaars. Hoe meer de rank met vrucht beladen is, hoe meer hij ter aarde neerhangt. Het is de boom die geen vrucht draagt – de onvruchtbare populier—die zich hoog in de lucht verheft. De wijnstok met vruchten beladen, kan zich niet in de wolken opheffen. Hij heeft ondersteuning nodig. Wij zijn inderdaad slechte beoordelaars, wat vrucht is.

Die het meeste draagt, denkt u dat het minste heeft. Die, welke het minste draagt, denkt u, draagt het meest. Waar zullen wij iemand vinden die zoveel snoeft van vrucht als een eigengerechtigde Farizeeër—een Arminiaan gewikkeld in de lompen van zijn eigen gerechtigheid? Maar hoe, hij spreekt altijd van vrucht en nooit draagt hij een enkel deel ervan tot eer van God. Maar de arme, belaste, beproefde, geplaagde ziel, die gebukt is, als het ware, onder het gewicht van de verzoekingen, hij is er door geoefend.

Deze kwijnende rank is geladen met vrucht, en hoe meer hij geladen is, hoe meer hij ter aarde buigt. Maar het zijn de ogen van anderen, en niet die van hemzelf – en u moet er ogen van onderscheid voor hebben—die kunnen onderscheiden dat deze de vruchten van de Geest zijn, tot eer van God, Welke in hem werkt “het willen en volbrengen, naar Zijn welbehagen”.

Welnu, wie bent U? U, die de leer van de genade belijdt, wie bent u? Hier is uw vonnis, niet van mijn arme, zwakke lippen, die vergaan zullen, maar van het Woord van de levende God. Lees uw vonnis, hoor uw beschoren lot. Indien u een rank bent, bij naam slechts in de levende Wijnstok, welke niet inwendig, en ook niet uitwendig vrucht draagt – hier is uw vonnis opgetekend. De Landman “zal u wegnemen,” zal u op de mesthoop werpen, en van de mesthoop in de vlammen van een eeuwig verderf. Maar als u een rank bent, die vrucht draagt tot Zijn eer en verheerlijking, Hij zal u reinigen, opdat u meer vrucht draagt. En u zult blinken in het koninkrijk, dat nooit eindigt!

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.