Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Eeuwig leven, een genade en een gave

Leerrede naar Joh. 17: 2, 3: Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.

De hogepriester onder het Oude Testament was een schaduw en zinnebeeld van de Heere Jezus Christus, de groten hogepriester over het huis Gods, en als zodanig had hij voornamelijk ene tweeledige bediening te verrichten, n.l. offeren en voor het volk te bidden.

Deze twee werkzaamheden waren echter niet uitsluitend des Hogepriesters werk, want zij waren met de priesterlijke bediening verbonden, en derhalve vóór de wetgeving op Sinaï reeds bestaande. Dit zien wij duidelijk in de geschiedenis van Job, die voor de instelling van het Levietische priesterschap leefde, in die aartsvaderlijke tijd, toen ieder man priester in zijn eigen familie was. In het eerste hoofdstuk van zijn boek vinden wij hem brandofferen offeren voor zijn kinderen, naar het getal van hen allen, daar zij misschien tegen de Heere hadden gezondigd.

Hier zien wij de aartsvader zijn priesterlijke bediening van offeren verrichten. En op het einde van zijn boek verrichtte Job de tweede bediening, omdat hij naar een uitdrukkelijk bevel des Heeren voor zijn vrienden om schuldvergeving moest bidden. Alzo moest ook in de dienst des tabernakels, niet alleen ‘s morgens en ‘s avonds een lam geofferd worden door de geordende priester, maar ook moesten zij reukoffers brengen, gelijk wij duidelijk in het voorbeeld van Zacharia vinden. (Luk. 1: 8, 9).

Schoon nu deze beide bedieningen het werk des priesters was; op een bijzondere wijze behoorde het de hogepriester, die boven zijn broederen niet slechts in waardigheid en rang verheven, maar ook op de grote verzoendag eenmaal ‘s jaars boven hen verwaardigd werd, het heilige der heiligen in te gaan met bloed en reukwerk. En nu, het grote en heerlijke tegenbeeld Jezus, van God tot een eeuwige Priester gemaakt naar de ordening van Melchizedek, heeft beide deze bedieningen vervuld.

Het eerste gedeelte van Zijn priesterschap voerde Hij hier beneden uit, toen Hij aan Calvarië’s kruis Zijn vlekkeloze mensheid Gode opofferde; het heilig bloed Zijns lichaams en liet verdienstelijk lijden Zijner heilige ziel. Al de schaduwen in zich verenigende, was Hij tegelijk offeraar en offerande” Hogepriester en altaar en slachtoffer, gelijk wij lezen: “Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren en hoger dan de hemelen geworden; Dien liet niet allen dag nodig was, gelijk de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna voor de zonden van het volk: want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij zichzelf opgeofferd heeft.

Maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde teniet te doen, door Zijn Zelfofferande.” (Hebr. 7: 26, 27, 9: 26). Deze offerande van Hemzelf had in de ogen Gods ene oneindige kracht tot uitdelging der zonden, want het was het bloed van de Zoon van God, en daarom in zich bevattende al de waarde der Godheid. Deze offerande bracht Hij eens voor allen en voor altijd, toen Hij leed en stierf aan liet kruis, zonder dat ze nodig had herhaald te worden.

De andere bediening, voor het volk te bidden, volbrengt Hij als hogepriester in de Hemel, voor het aangezicht Gods gelijk de apostel zegt, dat Hij in der eeuwigheid blijft, en een onvergankelijk priesterschap heeft; dat is, Zijn priesterschap gaat niet, gelijk niet de Levitische hogepriester, van de een op de ander over, omdat zij niet blijven konden vanwege hun dood. Maar, daarom “kan Hij dan ook volkomen zalig maken, al degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.” Weer lezen wij in Zijn brief aan de Romeinen: “Wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook Opgewekt is, en gezeten is aan de rechterhand Gods; Die ook voor ons bidt!”

Deze beide bedieningen des hogepriesters nu waren zo nauw aan elkaar verbonden, dat zelfs het laatste ene voortduring van liet eerste kan genoemd worden; welk verband u uit de volgende voorbeelden duidelijk kan worden. Als de hogepriester op de groten verzoendag in de tabernakel inging, nam hij een wierookvat vol vurige kolen van het koperen brandaltaar, en ingaande binnen de voorhang met het bloed van de zondebok, sprengde hij dat op en voor het verzoendeksel, en de welriekende klein gestoten specerijen, liggende op de brandende kolen, vervulde als met ene wolk het heilige der heiligen.

Hierdoor werden twee daden vau de Heere Jezus als onze Hogepriester afgeschaduwd. De vurige kolen van het altaar betekenden Zijn offerande voor de zonde; en de specerijen, wierook van het reukofferaltaar, gebracht achter de binnensten voorhang, schaduwde af Zijn tussentrede bij God in de Hemel, als reukwerk Zijner eigen offerande. Het andere voorbeeld van Aäron, verzoening doende voor het volk, als hij vuur van het altaar in het wierookvat deed en reukwerk daarop legde. (Num. 16: 46, 47). Daar zien wij hetzelfde verband tussen de kolen van het altaar en de wierook ter verzoening van de toorn Gods. Treffende type van het tweede gedeelte van de priesterlijke bediening van onze Heere, aanvangende bij Zijn opvaren naar de hemel en ingaan voor Gods aangezicht, om de kracht van Zijn bloed daar te vertonen, en de Hemel met de reuk van Zijn allesoverheersende voorspraak te vervullen.

Maar dit gedeelte van Zijn. priesterlijk ambt werd, als het ware, door Jezus in dit gebed voor ons als bij voorbaat vervuld. Ja, uit ditzelfde hogepriesterlijk gebed is duidelijk, dat de Heere soms het toekomende einde van Zijn werk als volbracht beschouwt, gelijk vs. 4: Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen.” Het werk zelf was nog niet dadelijk voleindigd, want de offerande was nog niet geofferd, als wanneer Hij met stervende lippen uitriep. “Het is volbracht!” Evenwel was het alzo in Zijn eigen ogen, en het einde en oogmerk Zijner omwandeling op aarde naderde’ zeker.

Alzo ook ten aanzien van het andere gedeelte Zijner bediening, n.l. als tussen tredende Hogepriester omvat Hij bij voorbaat Zijn discipelen, maar ook alle toekomende gelovigen in dat gebed, waaraan wij onze tekst ontleenden. Niet dat de Heere Jezus aan de rechterhand des Vaders hoorbare gebeden uitspreekt, gelijk toen Hij op aarde was. Maar gelijk del wierook het huis vervulde, wanneer de hogepriester op de groten verzoendag in het heiligdom inging; alzo verrijst van Jezus offerande aan Calvarië’s kruis de wierook van Zijn middelaarswerk en vervult de Hemel, en alzo leeft Hij altijd om voor ons te bidden:

Deze opmerkingen vooraf gemaakt hebbende, zoeken wij onze tekst te openen; en willen onder de zegen des Heeren daarin voornamelijk stil staan bij:

I. De macht over alle vlees, aan Jezus gegeven;

II. Het oogmerk daarvan: opdat Hij Zijn gegevenen het eeuwig leven geeft;

III. De natuur van dat eeuwige leven: hetwelk is de enige Waarachtige te kennen en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft.

I. Toen Jezus van de dood opstond, naar de hemel voer en plaats nam aan de rechterhand des vaders, werd Hem alle macht gegeven in Hemel en op aarde, als loon op Zijn gehoorzaamheid en als de erfenis Hem voor de grondlegging der wereld beloofd: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en het einden der aarde tot Uw bezitting.” (Ps. 2: 8). Daarom zei Hij tot Zijn discipelen bij Zijn hemelvaart: “Mij is gegeven alle macht in Hemel en op aarde.” God gaf Hem de teugels van het bewind in handen, maakte Hem tot Heere van alle dingen, en gaf Hem macht over alle personen, omstandigheden en gebeurtenissen in Hemel en op aarde, zodat niets geschieden kan buiten zijn oppermachtig bevel, of de regering van Zijn soevereine wil.

Wanneer wij dit door het geloof aanschouwen, dan wordt ons gemoed ten Hemel getrokken, en wij zien onze natuur met de persoon des Zoons Gods verenigd; en zo is de mensheid verheerlijkt en door de inwoning van Gods Zoon in het vlees en bloed geëerd; daar Hij altijd in de schoot Zijns Vaders ligt als de eeuwige Zoon. Maar Hem beschouwd als Immanuel, God met ons, de Zoon van God onze natuur, vlees en bloed aangenomen hebbende, hoe ook verheerlijkt, boven zonnenluister verheven en met onuitsprekelijke heerlijkheid de Hemel vervullende, nochtans zien wij de menselijke natuur, in vereniging met de Godheid, door de Vader met waardigheid en ere bestempeld.

Niet alleen dus als de Zoon van God, gelijk voor Zijn menswording, zien wij Zijn schoonheid en hoogwaardige heerlijkheid, maar als dezelfde Jezus, Wiens voet dit tranendal betrad, Wiens mond zalige woorden sprak gelijk in onze tekst; die zuchtte en bloed zweette in de donkere hof Gethsémané; die voor het oog Zijner jongeren in ene wolk opvoer, en als de medelijdende, barmhartige en getrouwe Hogepriester leeft en heerst en regeert aan Gods rechterhand, als Godmens macht ontving over “alle vlees.”

1. De woorden “alle vlees”, kunnen wij vooreerst beschouwen als alle mensen in het gemeen bevattende, het gehele menselijk geslacht, onverschillig als zondaars of gelovigen voor God. Hem is over alle vlees Macht gegeven, zowel over goeden als kwaden, aanzienlijken en geringen, koningen en onderdanen, mensen van allerlei soort, rang en stand. Schier elke dag brengt ons de tijding van vreselijke gebeurtenissen in de vreemde voorvallende, en hoe de velden met mensenbloed geverfd worden.

Doch als Jezus de macht heeft over alle vlees, dan kou geen krijgsman het geweer aanleggen, geen zwaard trekken of barricade opwerpen, zonder toelating of besturing van de Zoon van God. Wij mogen ons dus wel in Zijn hand stellen en in gehele onderwerping voor Hem neerbuigen, gelovende, dat elke gebeurtenis onder Zijn bestier geschiedt, en de volvoering is van Zijn raad ten goede Zijner gemeente en ter verheerlijking van Zijn Naam.

2. Maar dat Jezus de macht gegeven is over alle vlees, mogen wij uitstrekken tot al de overleggingen, hoe talloos, tot al de raad, hoe diep of listig, tot al de werkingen des vleses, hoe menigvuldig en verscheiden ook. Geen gedachte, geen woord, verborgen raad of daad van de mens is buitengesloten van Jezus oppermachtige heerschappij. Ware dit zo niet, de wereld zou niet te bewonen zijn. Weerstond Hij niet door Zijn voorzienigheid de dwazen wil des mensen, stelde Hij niet een haak in hun neus, zij zouden elkaar als wilde beesten verscheuren.

De aarde zou een Akeldama, een akker des bloeds zijn, en gelijk voor de zondvloed, vol van geweld. Maar de Heere regeert, en schoon de rivieren haar bruisen verheffen, evenwel is de Heere in de hoogte machtiger dan de stem veler wateren, dan de geweldige baren der zee. (Ps. 93: 3, 4). Zagen wij door het geloof, hoe alle gevallen en omstandigheden onder liet bestuur van oneindige wijsheid en almachtige kracht staan, en dat de Zoon van God de teugels van het bewind in handen houdt, wij zouden de gebeurtenissen der mensenkinderen meer beschouwen gelijk men vanaf ene verheven plaats de landschappen bespiedt, en. evenmin angstige twijfel en vrees koesteren omtrent het eindelijke uitkomst der tegenwoordige gebeurtenissen, als wij hebben op het gezicht van de dieren in het veld.

Ons her en derwaarts bewogen worden dooide uitwendige dingen, ontstaat uit gebrek aan doorgaand geloof, dat Christus macht heeft over alle vlees. Bij de gedachte, dat de Heere niet op onze of op de zaken van degenen, bij wie wij belang hebben, het oog houdt, wordt ons gemoed met duizend zorgen en angstvallige vrezen tegen de naderende morgen bezet. Maar Jezus heeft macht over alle vlees, en dus over goddelozen zowel als Zijn volk; over de werkingen van ons rebellerend – over de begeerten van ons hebzuchtig – over de schijn van ons hovaardig over de lusten van ons zondig vlees.

Hoe goed zou het dus zijn, dat de gelovige de Zoon van God, als macht hebbende over alle vlees, omhelsde en voor Hei beleed alles wat hij in en van het vlees heeft te lijden; al zijn, beproevingen, als nog in het vlees zijnde, Hem openbarende; al de beschuldigingen van wet en consciëntie; al de benauwdheden door een lichaam der zonde en des doods veroorzaakt, en al zijn klachten voor Hem brengende, met de begeerte, dat Hij al zijn zaken richtte, en het uitvoert en bestuurt naar de raad van Zijn wil. Wanneer wij bijvoorbeeld enige van onze wereldse zaken in handen geven van iemand, die oprecht en volkomen bekwaam is om die te behandelen, is ze nodig, dat wij dan gedurig ons daar tussen mengen?

In uw moeilijke zaken of rechtsgedingen bent gij teneinde raad, daarom raadpleegt gij met een getrouwen en verstandigen vriend, of geeft de gehele zaak in handen van de beste advocaat; welnu, kunt gij ze daar niet laten, zonder verderen twijfel of vrees? Door het in zijn handen te geven, mag gij u in zekere zin troosten; gij hebt ze hem toevertrouwd omdat hij de zaak te behandelen weet beter dan gij, of iemand anders. Ga nu gerust naar huis, en laat uw vriend of advocaat handelen: hij heeft de zaak voor zich genomen, laat hem die uitvoeren, indien gij gelooft, dat bij kundig en machtig is dit te doen, en gij volkomen kunt vertrouwen zijn oprechtheid en getrouwheid. Alzo met een gelovige en zijn Heer.

Wanneer hij eenmaal zijn ziel en lichaam, familie, bezittingen en alle zaken, tijdelijk en geestelijk, in leven en in sterven, voor de tijd en de eeuwigheid in handen gegeven heeft van Hem, die machtig is ze alle met de grootste wijsheid, kracht en getrouwheid te behandelen, dan heeft hij vertrouwend de Heere het werk over te laten. Trouwens, Hij zegt zelf: “Wentel uw weg op de Heere, en vertrouwt op Hem, Hij zal het maken.” (Ps. 37: 5). Dit was het gezegende vertrouwen van Paulus (1 Tim. 1: 12): “Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijd, maar word niet beschaamd: want ik weet, Wie ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem, weggelegd, te bewaren tot dien dag.”

Nadat gij dan door het geloof u en al uw belangen eenmaal ongeveinsd en onbepaald in handen gegeven hebt van uw Hemelse Vriend, hoe onterende moet het zijn voor de wijsheid, de liefde en de macht van Hem, dien God aan Zijn rechterhand gezet heeft als de allerhoogste Regeerder van alle mensen, en de vrijmachtig bestuurder van alle omstandigheden, – wanneer gij op ene zee van onzekerheid her en derwaarts bewogen wordt in twijfel zijnde hoe de zaak zal aflopen.

II. Doch in de tweede plaats onderzoeken wij waarom Hem macht gegeven werd over alle vlees, gelijk hier uitdrukkelijk gezegd wordt: “Opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve;” niet om alle vlees te heiligen en te behouden, of van die tijd en volgende eeuwen tot de genieting der Hemelse gelukzaligheid te brengen. Zulke woorden sprak de Heere nooit, noch gaf aanleiding tot die gedachte. En zullen wij dan gedachten en plannen, leringen en beschouwingen in de Schrift brengen, die de Heilige Geest nooit openbaarde, noch welke plaats noch deel hadden in het hart van Jehovah?

Elk mens die zijn gezond verstand heeft, moet mijns inziens ook zonder de bijzondere onderwijzingen Gods aan de ziel toestemmen, dat Jezus Christus een volk gegeven werd, en dat Hij hun het eeuwige leven geeft. Neen, wij hebben hier geen geheimzinnige taal, welk ene wetenschappelijke uitlegging vordert, om haar betekenis te verstaan; geen duistere gelijkenis of verdichte voorstelling, tot welker ontvouwing de schoolleraren en doktoren nodig zijn. Alles is hier duidelijk. De taal zelf kon wel niet eenvoudiger, de woorden niet duidelijker gesteld worden, omdat plechtige feit aan te wijzen, dat er een volk is, hetwelk God aan Jezus gaf, en dat Jezus hun het eeuwige leven geeft.

2. En hoeveel ligt er opgesloten in deze twee eenvoudige verklaringen! Vooreerst deze: Er is een volk dat God aan Christus gegeven heeft. En voorzeker, God handelt als Soeverein in het geven van dat volk aan Zijn lieven Zoon. De gift heeft geen dwang over de wil van de gever. Hetzij zij veel of weinig, groot of klein van waarde zij, het geschenk gaat van de gever tot die het ontvangt, zonder dat het zelf daarin iets te zeggen heeft. Past dit toe op de, gift van een bijzonder volk aan Christus, voor de grondlegging der wereld door de Vader Hem geschonken. Was gij of enig mens tegenwoordig bij die verborgen beraadslagingen? Stelden de engelen zich in tegenwoordigheid des Drie-enige, om voor zekere vrienden plaats te begeren in die eeuwige besluiten, en dat hun namen zouden geschreven worden in het boek des levens?

Voorzeker wist de eeuwige Drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest in die eeuwige raad Zijn eigen zin en wil, en handelde alzo in volmaakte overeenstemming daarmee, omdat geen verdeeldheid van gevoelen, geen onenigheid van wil in God denkbaar is. De drie Personen zijn zowel één in zin, wil en raad, als in wezen, kracht en heerlijkheid. Van eeuwigheid nu werd een volk gegeven in de handen van God de Zoon, een volk, menigvuldig als de sterren aan de hemel en het zand aan de oever der zee; een volk uit alle tongen, landen, naties, ouderdom en luchtstreek.

Waarom God deze verkoos met voorbijgaan van genen, is voor ons ene ondoordringbare zaak oneindig overtreffende alle kennis; onze wijsheid is bij zulke oneindige verborgenheden te nietig, want de verborgen dingen zijn voor de Heere onze God. Als ene openbaring Gods geloven wij ze als elke andere openbaring. Dit volk nu waarvan hier gesproken wordt, werd aan Christus gegeven tot leden van Zijn verborgen lichaam, om te zijn de bruid, de vrouw des Lams, de erfenis des Zoon van God, in welke Hij zich eeuwig zou verlustigen.

Hij ontving ze uit ‘s Vaders hand met dezelfde liefde als ze Hem gegeven werden, want Hij en de Vader zijn één, zodat Hij in al de teerheid van kinderlijke liefde tot Hem kon zeggen: “Zij waren Uw, en Gij hebt ze Mij gegeven; – en al het Mijn is uw en het Uw is Mijn, en Ik ben in hen verheerlijkt” (vs. 6, 10). Ook had Hij hen niet meer noch minder lief dan de Vader; maar Hij had ene bijzondere blijdschap en hoogst vermaak, in hen als de bijzondere parels aan Zijn Middelaarskroon, en het beloofde loon van de arbeid Zijner ziel.

En nu is uw en mijn vraag, of wij tot dat gelukkig getal behoren? Er werd een volk aan Jezus gegeven, de mond der waarheid heeft het zelf gesproken; en welk bewijs hebt gij van uw deelgenootschap daarin? Hoe weet ik hiervan de waarheid? Bij de eeuwige raad was ik niet tegenwoordig; ik ben niet naar de hemel opgeklommen om mijn naam daar te lezen, en geen Engel heeft die heilige rollen met verbaasde en blijde ogen kunnen inblikken; hoe zal ik dan weten, dat ik een gegevene des Vaders ben?

Uitwendige openbaring is hier niet mogelijk, alleen ene innerlijke getuigenis en bewijs van Gods eigen, mededeling, in leven en sterven geldende, kan hierbij voldoening geven. Het duidelijkste bewijs, dat tegelijk ook andere, bewijzen baart, is het dadelijk bezit van het geestelijk leven, hetgeen de Heere in onze tekst noemt: het eeuwige leven, want schoon in de tijd geboren, leeft het eeuwig. “Gelijk Gij Hem macht gegeven, hebt over alle vlees opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve.” Laat ons bij deze woorden wat stilstaan, want zij zijn vol waarheid en zegen.

Eeuwig leven is een gift van Jezus aan degenen, die Hem gegeven zijn van de vader. Als gift moet het ontvangen worden, of het is geen gift; en beide gegeven en ontvangen als ene geestelijke genade. Dit juist wilde ik u aanwijzen, dat het eeuwige leven ene gift en ene genade is, en wat het voorname kenmerk is van een gegevene aan Christus te zijn. Indien onze tekst dit ook niet bedoelt, dan versta ik het niet, en nog minder kan ik hem dan verklaren.

Als getrouwe uitlegger der Woorden Gods, kan ik niet minder en wens ik niet meer te doen. Houdt dan deze drie dingen in het oog: het eeuwige leven is het onderscheiden voorrecht en bijzonder kenmerk van Christus volk; – het is Christus bijzondere gift aan hen; – en het is in deze bedeling ene geestelijke genade. Thans zullen wij te beter de straks geopperde vraag kunnen beantwoorden: Ben ik een der aan Christus gegevenen? En het antwoord is: Heeft Hij mij het geestelijk leven gegeven? dan is dat het bewijs van eeuwig aan Jezus te behoren. En dat geestelijke leven werd gegeven, toen het God de Heilige Geest behaagde de ziel Goddelijk leven mee te delen, en uit de dood der zonde of van een naamchristendom op te wekken en voor God levend te maken. En dat is geen verdienste, maar genade, want ook sluit gift alle verdienste uit, gelijk genade, naar Paulus’ woorden, de werken uitsluit, zo laat gift niet de minste gedachte van kopen of verdienen toe.

Was er geen ander bewijs dan de algemene bevinding van Gods kinderen, zij zouden allen willen betuigen, dat zij in geen dele de genade Gods hebben verdiend. Zij bekennen van de eerste tot de laatste, dat hoe zedig en Godsdienstig zij ook in de ogen van anderen schenen, zij in Gods ogen de vijanden van God en de godzaligheid waren; schoon geen openbaar zondaar of uitwendig vuil, zij belijden innerlijk onrein, vol hoogmoed en wereldsgezindheid te zijn, ijdel en dwaas van lippen; schoon geen onverlaat voor de mensen, weten ze hun hart een kooi van allerlei onrein gevogelte te zijn, zonder vrees Gods voor de ogen, geen liefde tot – geen hoop op Hem en Zijn genade.

Zij waren veellicht Godsdienstig, maar helaas, die Godsdienst was schier van de lelijkste gedaante, een Farizeeër, ijverig in het bouwen van enen Babels toren van goede werken, of met de ladder van plichten de Hemel zoeken te beklimmen, de Heere schuldenaar wanende, om enkele arme daden van een louter wettische, uitwendige en van achteren beschouwd huichelachtige dienst.

Ik noemde nu met opzet de beste dingen, die naar ‘s mensen oordeel kunnen genoemd worden; want niemand zal toch een leven in openbare zonden liet eeuwige leven ten loon toezeggen, schoon een gunstiger uitspraak de zedelijke toegekend wordt. Ieder gelovige dus, wat hij ook voor zijn krachtdadige roeping was hetzij zedig of onzedig, godsdienstig of goddeloos, hij draagt met zich de onfeilbare getuigenis omdat hij door geen eigen verdienste zulk ene onuitsprekelijke gift, als het eeuwige leven is, verwierf, maar dat ze hem vrij gegeven werd, alleen omdat hij Christus toebehoorde.

Daarenboven, wanneer wij des mensen verdiensten zo hoog en schoon opnemen als denkbaar is; gesteld het kon zo wezen, dat gij enige jaren geleefd had als een Engel; dat uw natuur vrij was van aangeboren verderf, uw lippen, uw hart, uw daden waren vrij van dwaasheid, ongerechtigheid of het bedrijf van zonde, gesteld, dat gij vele jaren Gode zowelbehaaglijk geleefd had, als de Engelen in de Hemel, kon dan dit alles zulk een zegen als het eeuwige leven is verdienen?

Moet er niet altijd evenredigheid bestaan tussen liet gekochte en de koopprijs? Als het eeuwige leven kon gekocht worden, welke som zou toereikend, welke prijs zou aan dien zegen evenredig zijn? Maar wanneer wij in de weegschaal leggen wat een mens is als zondaar aangeboren en dadelijk; hoe vermetel ook te bogen op enkele armzalige daden, welke men goede werken durft te noemen; weinige harteloze gebeden en aalmoezen, geregelde waarneming van bijzondere en algemene bidstonden en Godsordonnantiën; een nauwgezet houden van feest en vastendagen, terwijl het hart verdiept is in zonde en dwaasheid – deze arme ellendige verrichtingen voor een heilig God te brengen als zovele verdienstelijke daden, en te zeggen: ik heb mijn plicht gedaan en nu wacht ik beloning; geef mij de Hemel, geef mij het eeuwige leven, onuitsprekelijke zaligheid die mijn hart eeuwig kon vergenoegen; in de grond bedrijft menig gevallen zondaar door zulk ene taal een handel met, de God van de hemel.

Ik beroep mij op u, of het geen honen van God, geen spotten met de Hemelse Majesteit is, Hem met het hart zo niet met de mond te zeggen, dat weinige goede werken het eeuwige leven kunnen verdienen. Ik heb krachtig zoeken te spreken, om u aan te wijzen wat menselijke verdienste en vermetelheid zijn in al haar naakte lelijkheid. De Hemel is niet te verdienen.

Het is u vergund of onthouden, vrije gift of in ‘t geheel niet verkregen. En toch is van predikstoelen steeds spraak van verdienste. Mag ik niet zeggen van allen, die niet luide de taal van de apostel verkondigen: De genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Heere.” (Rom. 6: 28). Bedenkt dan, er moet geen vergelijk zijn; geen vermenging van genade en werken; niet Christus en wij elk het zijn doen. Om gift te zijn moet ze soeverein zijn, of liet schepsel zou het kunnen verijdelen; vrij, of de mens zou ze kunnen verdienen; onherroepelijk, of God zou het kunnen herroepen; eeuwig, of dood en hel konden liet, vernietigen.

Het is voorzeker liefelijk, met het geloofsoog te beschouwen hoe Jezus macht gegeven is over alle vlees; en wel met dat bepaalde doel, dat Hij het eeuwige leven gaf aan allen, die God Hem gegeven heeft. Als zodanig zien wij Hem in heerlijkheid bevestigd aan de rechterhand des Vaders met de teugels des bewinds in Zijn heilige handen. opdat Hij Zijn Heilige Geest zou neerzenden tot, levendmaking der leden van Zijn verborgen lichaam, tot het geestelijk en eeuwige leven.

Hoe bemoedigend ook voor Zijn dienstknechten, Hein aan de rechterhand Gods te zien, zegenende hun arbeid; en voor de toehoorders, om van Hem te begeren de kennelijke mededeling van dat Goddelijk leven aan zichzelf en anderen; hoe bemoedigend voor de bezwijkenden, om verlevendiging te zoeken; voor de afkerigen tot wederbrenging; voor de treurenden Zions ter vertroosting, en voor allen, die in de Zoon van God geloven ter vernieuwde verheerlijking Zijner genade aan hun zielen, opdat zij meer Zijn tegenwoordigheid zouden genieten, in Zijn vrees wandelen en tot Zijn ere leven.

III. En dit leidt mij, om aan te wijzen de natuur van het eeuwige leren, waarvan in de tekst gesproken wordt: want de gezegende Heere onze onkunde en menigerlei zwakheden kennende, heeft ons niet in het duister gelaten, hoedanig en wat het is en waarin het bestaat. Doch uit Zijn genadige beschrijving daarvan, zouden wij ons zeer vreemde en dwalende denkbeelden kunnen vormen van Zijn natuur en einde. Vol dwaasheid zijnde en onbekend met het eeuwige leven, zouden wij ons een Mohammedaans paradijs kunnen voorstellen, of gelijk de blinde heidenen, die zich een hemel dromen, vol van datgene, hetwelk hun najagen was op aarde. Of wij zouden ons zeer schone velden kunnen voorschilderen, waar altijd fonteinen vloeien en eeuwige jonkheid zulke wellusten baart, als het onvernieuwde hart hier najaagt; en zulk een hemel zou een tweede aarde zijn, zonder aardse smarten, armoede, ouderdom, ziekte, ellende en dood.

Zelfs met de Bijbel in hun handen, koesteren duizenden zulke vreemde en rampzalige denkbeelden van het eeuwige leven, en de gelukzaligheid des ‘Hemels, als immer denkbaar is. Doch al zulke vleselijke voorstellingen en ijdele misleidingen worden tot de wortel afgesneden door des Heeren woorden, welke wij nu zullen overwegen.

“En dit is het eeuwige leven,” – het leven waarvan zo even als genadegift gesproken is “dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt”. Niet alleen werpen deze woorden alle ijdele inbeeldingen aangaande de natuur van het eeuwige leven ten enenmale omver, maar ook werpen ze een gezegend licht op de bevinding der gelovige zielen, en geven hun een verzekerd bewijs, dat liet eeuwige leven zelfs nu in hen is. Vaak worden de woorden verkeerd aangehaald. Trouwens als van de predikstoel en in boeken gezegd wordt: “Dit is het eeuwige leven U te kennen,” dan luiden de woorden anders als zij door het heilige Lam Gods gesproken worden: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen”.

Tussen deze beide uitdrukkingen is een merkbaar verschil. De woorden door de Heere gesproken zijn niet zozeer een afgetrokken bepaling van de natuur van het eeuwige leven, afgescheiden van de deelgenoten ervan, als wel ene verklaring van het bijzonder voorrecht door Christus volk genoten. Nu zullen wij misschien meer de kracht van het lidwoordje zien, omdat wij in algemene zin zouden zeggen: En dit is het eeuwige leven, van hetwelk Hij gesproken heeft als Zijn gave, opdat zij die Hem gegeven zijn, U mogen kennen. Wij worden dus van de uitwendige leerbeschouwing van de aard van het eeuwige leven afgeleid, om onze ogen te vestigen op dat, bijzonder volk, wie het bevindelijk gegeven is.

Want wie zijn die “zij”, van wie de Heere hier spreekt? Deze, die de Vader Hem gaf als de voorwerpen Zijner eeuwige liefde; voor welken Hij Zijn dierbaar bloed vergoot en Gode kocht, door Zijn verzoenende offerande, lijden en sterven. Hij onderricht hen dus, dat het eeuwige leven niet was gelijk zij veellicht droomden, enige schaduwachtige grootheid en verhoging in de gewesten des lichts, of enig buitengewone zegen, afgescheiden van het bezit, van genade en heiligheid; maar dat het zelfs op aarde hun gegeven was in de nieuwe geboorte; en dat niet zijn natuur, maar veeleer zijn wezenlijke zaligheid hier in bestaat, dat zij geestelijk en bevindelijk de enige waarachtige God kennen, en Jezus Christus dien Hij gezonden heeft.

Doch dit eeuwige leven, als het bijzonder eigendom van al de heiligen, moet ook in allen hetzelfde zijn in oorsprong, natuur en einde; en wij komen tot het besluit, dat het in deze staat des tijd twee onderscheiden gedaanten bevat: de kennis van de enige waarachtige God; en de kennis van de Heere Jezus Christus. Deze beide willen wij afzonderlijk beschouwen.

1. Het eerste van het eeuwige leven is: “Dat zij u kennen, de enige waarachtige God.” De mens van nature kent God niet. Hij bewoont een ontoegankelijk licht. Geen mens heeft, noch kan Hem zien, want naar Zijn wezen is Hij onzichtbaar. Het is zo, in de dagen van ‘s mensen oorspronkelijke reinheid, maakte God Zich aan Adam bekend; maar alleen als de God der schepping; voor de val was Hij niet bekend als de God der verlossing. Doch in en door de val was deze kennis Gods schier geheel uitgeblust. Wel werd zij een korte tijd door overlevering in haar geringste delen bewaard, doch werd steeds flauwer en flauwer, totdat “de duisternis de aarde bedekte en grote donkerheid de volken.”

Zelfs de kennis die zij hadden door overlevering, verdierf en verdonkerde; en evenwel werd de wereld verlicht door weinige onuitdoofbare spranken. Steeds bleef er ene consciëntie in de mens; ja droevig gevallen, smartelijk besmet, maar toch enige flauwe sporen der kennis Gods, door Adam in het Paradijs bezeten achterlatende. Doch ene geestelijke kennis Gods heeft niemand die leeg is van Gods Geest. Inderdaad, de heiligen van het Oude Testament waren zowel het eeuwige leven deelachtig als die van het Nieuwe, want, Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten in hetzelfde Koninkrijk Gods als de discipelen, voor wie Christus hier bidt. Er kan maar één eeuwig leven zijn, hetzij dat woont in het hart van Abraham of Johannes.

Een voornaam gedeelte dan van liet eeuwige leven bestaat in de, kennis van de enige waarachtige God. Deze kennis moet ons meegedeeld zijn, of wij kunnen ze niet bezitten. Meestal geschiedt dat, doordat de Heilige Geest ons de Schrift opent, want in de Schrift heeft God Zich ontdekt en geopenbaard; en past hij enig levendmakend woord toe aan het, hart, en zo wordt de ziel wedergeboren tot het geestelijk leven. Alzo spreekt Jakobus: naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard, door het Woord der Waarheid;” en Petrus (1 Petr. 1: 23): “Wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.”

Wij krijgen geen kennis aan God door wonderlijke openbaringen; door een stem uit de Hemel; of bovennatuurlijke ontdekking van Hem in de wolken, doorbrekende met donderen en bliksemen. Niet zoals Paulus, Augustinus en Gardiner geschiedde, dat ene stem uit de Hemel gehoord werd, als met hoorbaar geluid sprekende, het onderscheiden en bijzonder werk des Geestes aan het hart vergezellende. Maar gelijk God Zijn grote Naam in de Schriftuur ontdekt heeft, zo is het door de toepassing van dit Woord aan de ziel, door de kracht van de Heilige Geest, dat Hij meestal Zichzelf aan de kinderen der mensen bekend maakt. Een heilig licht schijnt op het Woord, en wordt teruggekaatst in ons verstand, meedelend licht en leven aan de ziel. In dat licht zien wij God, want “in Zijn licht zien wij licht,” en Hem, gelijk Hij is “de fontein des levens;” in Zijn. leven gevoelen wij leven. (Ps. 47: 10).

Aldus Goddelijk licht en leven door Jezus meegedeeld, doet ons zien en gevoelen dat er een God is; want in het hart is geloof gewrocht om te geloof in, wat de Schrift zegt; en. door dit Goddelijk meegedeeld geloof zien wij God, de Onzichtbare. Gij kunt misschien niet nauwkeurig het wanneer, hoe en waar aanwijzen, dat God Zich eerst aan uw ziel ontdekte; maar gij bent u ene merkbare verandering bewust, die op een zeker gedenkwaardige tijd in uw gevoelens plaats greep, en een. machtig voornemen welde in uw boezem op, en gij was vernieuwd inwendig. Nu ziet gij het onderscheid van hetgeen gij bent en was. Er was een tijd, dat gij schier niet wist of er een God was: gij vreesde Zijn toorn noch begeerde Zijn vriendschap; en nam gij al Zijn naam op de lippen, gij kende Hem niet; gij had omtrent Hem geloof noch hoop, liefde noch vrees.

Maar de tijd kwam, de voor uw ziel onvergetelijke tijd, dat er andere gedachten in uw gemoed kwamen, en andere gewaarwordingen ontstonden en volgden elkaar op gelijk de baren in uw consciëntie, en onder al deze die overtreffende golf, welke u als het ware in de hel zou voeren, want gij zaagt een heilig, rechtvaardig, hartdoorzoekende God, en hij had tegen Hem gezondigd. Trouwens, de bekendmaking der Schrift, door de toepassing van de Heilige Geest is niet slechts van dien aard, dat er een God is, die Zich in de schepping en voorzienigheid bewijst te zijn; maar het toont ons Zijn bestaan als heilig, rechtvaardig en rein ja in al Zijn oneindige volmaaktheden.

In datzelfde licht en onderwijzing zien wij en gevoelen wij onze zonden voor Hem; en wordt Zijn vrees in het hart geplant, die liet beginsel is van alle wijsheid; want het licht des hemels is een levend licht, niet, als het koude maanlicht, dat over een sneeuwveld schijnt maar een warme zonnestraal, die het hart verwarmt en verlevendigt: want het is het leven en de kracht Gods. Het licht dat verlicht geeft het leven die beweging, en door beider vereniging wordt geloof en gevoel gewrocht. Even gelijk bij het ontwaken, of bij Lazarus’ uitgaan uit het graf, zo verwondert gij u over de grote verandering, die, plaats greep; en ook anderen verwonderen zich over u, gelijk er staat: “Wij zijn een schouwspel geworden den wereld, en den Engelen, en den mensen.” (1 Kor. 4: 9).

Doch in u worden enigermate deze woorden bevestigt: “Zo iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; liet oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” En onder die oude, voorbijgegane dingen is ook de koude, vormelijke Godsdienst, waarin gij met God spotte; de oude, ceremoniële farizeese plichtpleging, waardoor gij Hem pleegt te aanbidden met uw lippen, terwijl uw hart ver van Hem bleef. Gij weet en gevoelt, dat God een Geest is, en die Hem aanbidden, Hem moeten aanbidden in Geest en Waarheid; want met de genade der levendmaking komt onmiddellijk de Geest der genade en der gebeden, en door dien Geest kunt gij uw hart uitstorten voor God.

Ja, in de eerste tijden bent gij zo ernstig in gebed en smeking, dat gij Hem schier dag en nacht zoekt. Maar ook aanschouwt gij Hein dan bij uitnemendheid vreselijk; gij ziet, om zo te spreken, weinig anders dan de donkere zijde van Gods bestaan. Gelijk liet was met de Egyptenaren en de Israëlieten, dat de wolkkol om voor geen duister en deze licht was; of liever gelijk het geschiedde op de berg Sinaï, alwaar zulk ene donkerheid., duisternis en onweder was, dat al het volk in het leger zeer vreesde; alzo ziet gij bij de eerste ontdekking van Gods rechtvaardigheid Zijn toorn tegen de zonde, Zijn onkreukbare gerechtigheid, oneindige reinheid, majesteit en heiligheid, en dat gij, door geboorte en bij de dag een zondaar zijnde, aan Zijn wet verantwoordelijk bent en zeer schuldig voor Hem; een ellendige, billijk ten dode gedoemd.

Doch met het eerste werk Gods aan de ziel zijn er zeer gemengde gewaarwordingen, want benevens schuld en veroordeling straks genoemd, zijn er zeer ernstige begeerten, om Hem voor onszelf te kennen, Zijn gunst te verwerven, tot Zijn eer te leven en die te zoeken. Schoon ik de ondervinding der gevoelens ken, is het nochtans onmogelijk te beschrijven alles, wat ligt opgesloten in de kennis van de enige waarachtige God, door de ontdekking van Hem zelf aan de ziel. Wij weten meer van de vruchten en gevolgen dan van de zaak zelf, omdat. er ene ondoordringbare verborgenheid in de wedergeboorte is, gelijk de Schrift zegt: Gelijk gij niet weet, welke de weg des winds zij, of hoedanig de beenderen zijn in de buik van een zwangere vrouw, alzo weet gij het werk Gods niet, die het alles maakt.” (Pred. 11:5).

Doch één kennelijk gevolg van deze Goddelijke kennis is, ons duidelijk te maken, dat God een volk op aarde heeft, en onze genegenheid tot hen uit te halen. Ook maakt zij ons werkzaam over onze gedachten, woorden en werken; zij maakt onze consciëntie teer, ons hart ootmoedig, onze geest nederig. De hemel wordt alles en de aarde vergelijkenderwijs niets; der zielen zaligheid wordt het enige doelwit, en wat met het lichaam geschiedt in leven of sterven is van weinig belang, wanneer de ziel maar zalig is bij God. Nooit is er meer wezenlijk oprechtheid van het hart of groter nauwgezetheid des levens, dan in de eerste tijden.

Dan wordt geen huichelarij gekoesterd, geen onoprechtheid geduld; oude en ingewortelde zonden worden afgebroken, kwade gewoonten verloochend, de wereld en alle wereldse gezelschap vermeden, alles wat der zielen zaligheid hindert, ter zijde gesteld; en dat alles gewillig en blijmoedig door de oppermachtige invloeden van Gods Geest in het hart. Bij ene nieuwgeborene ziel is de Godsdienst alles in allen. Zij moet God tot Zijn vriend hebben, of omkomen. Gode te behagen is zijn hoogst belang; de zaligheid zijner ziel zijn innerlijke begeerte; hetgeen God goedkeurt bemint hij, wat God verafschuwt haat hij.

Nu, schoon gij niet het ogenblik vermag aan te wijzen waarop God het eerst uw ziel levend maakte, heb ik toch wellicht u enig spoor geschetst, waarin gij uw bijzondere gewaarwordingen, begeerten, gevoel, oefening, twijfel, mismoedigheid, zuchten, kermen en smeken opmerkte, sinds die machtige verandering, nieuwe geboorte genoemd, in u plaats greep, en gij uitkwam uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. ik wens te staan bij het begin van liet genadewerk. Het is tot bevestiging van Gods heiligen; het werpt een liefelijk licht op hen, welker werk enigermate verdonkerd is, en verlevendigt de hoop en verwachting dergenen, die door de kracht der verzoeking in duisternis en zielsdoodheid gevallen zijn.

2. Maar dit is niet de enige tak van het eeuwige leven. Ook is er de kennis van Jezus Christus, die Hij gezonden heeft. Hoe stelt de Heere Jezus Christus Zich hier op één lijn met God. Trouwens, hoe kan het van de hoge, heilige, of Engel gezegd worden, dat de kennis van Hem noodzakelijk is tot het eeuwige leven? We zagen, dat een voornaam gedeelte daarvan is, de kennis van de enige, waarachtige God. Doch een ander, gelijk gedeelte, van hetzelfde belang, gewicht en waarde, door dezelfde goddelijke kracht gewerkt, is een persoonlijke, geestelijke en bevindelijke kennis van Jezus Christus. Maar wat moeten wij van Christus kennen? In de eerste plaats wel Zijn eeuwige Godheid.

Het kan zijn, dat uw gemoed soms geslingerd werd, ten opzichte van deze grote, fundamentele waarheid. U begrijpt niet, die als kind geboren en eindelijk op Calvarië gekruisigd werd, God kon wezen. Ongeloof heeft uw ziel in haar uiterste geraakt, gelijk het mijn ziel deed, en steeds voortgaat te doen. Toch kunt u deze grote waarheid niet overgeven, want daarbuiten kan uw schuldige ziel niet zalig worden; tenzij Hij God was, kon Zijn bloed misdaden reinigen als de uwe; Hij moet God zijn, zal Zijn gerechtigheid uw schuldige ziel rechtvaardigen, zal Hij uw gebeden horen en beantwoorden.

Wanneer wij zo de dingen van God leren beschouwen in het licht van de Geest, dan zien wij de Godheid van Jezus Christus zo ingewikkeld in en verbonden met elke Evangeliewaarheid, met alle levende bevinding en heilige beoefening, dat de verloochening ervan is het overgeven van de gehele Schrift, en wij staan voor Hem, die een verterend vuur is in al onze schuld, zonde en misdaden. Van wat ik zeg draag ik volkomen zekerheid om, want sinds vele jaren werd mijn gemoed met deze dingengeoefend, en ik preek alleen dat, wat God de Heilige Geest mij, zoals ik hoop, leerde.

Maar terwijl we de Godheid van de Zoon zien, aanschouwen we ook Zijn eeuwig Zoonschap. Want deze twee zijn onafscheidelijk. Tenzij Hij de eeuwige Zoon van God is, kan Hij god zijn, want het Zoonschap en de Godheid van de Heere Jezus Christus zijn onmiddellijk aan elkaar verbonden. Welke lieflijke beschouwing is vaak het eeuwige zoonschap van Christus voor een kind van God! Hoe ziet hij de liefde van God vloeien door Zijn eigen geliefde Zoon, en zaligheid, vergeving en vrede in die gezegende verborgenheid van de Zoon van God, zoals Hij onze natuur aannam in vereniging met Zijn Godheid.

Christus’ Godheid straalt in de Schrift geheel door, vaak met een straal van Hemels leven haar verlichtende. Ja, zij verlevendigt de gehele geest van de gelovigen, en maakt het tot dierbaarheid en leven Gods in de ziel, wat het ook in zijn kracht is. Neemt weg de eeuwige liefde van Gods Zoon tot Zijn gemeente, Zijn verzoenend bloed en vrijsprekende gerechtigheid, Zijn voortdurende voorspraak in de Hemel als de tussentredende Hogepriester, en waar blijft uw schuldige ziel? Zou de wet niet met al haar ontzaggelijke donderen op ons rusten, tenzij Goddelijk bloed haren vloek wegnam, Goddelijke rechtvaardigheid onze gehoorzaamheid werd, en Goddelijke liefde steeds Goddelijk loon vroeg aan de rechterhand des Vaders?

Verenigd niet Zijn heerlijke Persoon als de Zoon van God is de reine mensheid van het vlekkeloos Lam Gods; en de Godheid geeft oneindige waarde en verdienste aan al Zijn genadig werken en lijden, die wij even zalig en bevindelijk weten te zijn een gedeelte der waarachtige kennis van Jezus Christus. O dierbaar bloed, dat van Zijn heilig aangezicht vloeide in de hof van Gethsémané, en uit handen, voeten en zijde stroomde aan het wrede kruis! En o gezegende vrucht van hetzelve als reinigende ene schuldige consciëntie omdat elke druppel Goddelijk bloed was. Was het niet het bloed van de Godmens, het zou geen vergeving en vrede aanbrengen. Alzo is het met de gerechtigheid, de liefde, de genade, ja met alle dingen ten opzichte van Jezus Christus.

Laat ik het nog eens voor uw oren uitroepen: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt;” dat ik het van uw consciëntie toepasse. Kent gij de enige waarachtige God, door ene ontdekking Zijner kracht en tegenwoordigheid aan uw consciëntie? Kent gij Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft, door enige openbaring Zijner liefde en genade?

Heeft in uw binnenste die machtige verandering plaats gegrepen, van welke ik sprak als de openbaarmaking van een nieuwe geboorte in haar begin en voortgang? dan hebt gij het eeuwige leven; gij zult nooit sterven. De zonde mag vaak uw kenmerken verdonkeren, de satan uw ziel aanvechten, en Gods troon in wolken hullen en gij met duisternis omringd zijn; maar als gij door Goddelijke onderwijzing en getuigenissen de enig waarachtige God kent, en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft, dan hebt gij het eeuwige leven, en zo waarachtig als de Heere leeft, gij zult eeuwig met Hem heersen. Bedenkt deze dingen, zij zijn plechtige wezenlijkheden. Dat God ze door Zijn kracht op uw hart en consciëntie binde.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.