Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Des Heeren gedachten

Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij. Psalm 40:18a

Er is één Schriftplaats, welke veelvuldig gelezen, en welke even veelvuldig wordt aangehaald, en nochtans, naar moet worden gevreesd, weinig verstaan en nog minder ter harte genomen wordt. De plaats, waarop ik zinspeel, is die treffende plaats Jesaja 55:8 en 9: ’’Want Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen zijn niet Mijne wegen, spreekt de Heere. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijne gedachten dan ulieder gedachten.”

Er worden hier twee duidelijke en opmerkelijke dingen gezegd van ”de gedachten Gods”. In de eerste plaats dat het niet ’’onze gedachten” zijn. Met andere woorden, dat ze lijnrecht tegenover elkaar staan. En in de tweede plaats dat ’’gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde”, de gedachten en de wegen Gods hoger zijn dan de gedachten en de wegen van de mens.

Deze plechtige verklaring van de Allerhoogste is niet alleen maar waarachtig in een paar gevallen. Deze omvat het ganse Goddelijke bestel; het is de beschrijving van hetgeen al Gods gedachten zijn, als onderscheiden van de gedachten van de mens. En daarom, van dit tegenover elkaar staan der Goddelijke wegen en der menselijke wegen, en deze oneindige verhevenheid der gedachten Gods hoven de gedachten der mensen, zal niet alleen maar sprake zijn in één of twee bijzondere gevallen, maar het zal in lijnrechte tegenstelling zijn met iedere natuurlijke gedachte van het menselijk hart, en met iedere natuurlijke weg van het menselijk gemoed. Dit kunnen wij opmerken, wanneer wij een blik slaan op de wereld rondom ons, alwaar, gelijk de Heere zegt ”dat hoog is onder de mensen, een gruwel is voor God.” De trots, de eerzucht, de genoegens en de vermakelijkheden, waarin wij duizenden en tienduizenden verwikkeld zien, en met de stroom zien meegaan tot in de ontzaglijke afgrond der eeuwigheid, dit alles is een gruwel voor God.

Terwijl de zaken welke de mensen verachten, zoals geloof, hoop, liefde, ootmoed, verbrokenheid van hart, tederheid van consciëntie, verslagenheid van geest, zonde-smart, zelfverfoeiing en zelfvernedering, een zien op Jezus, een opnemen van het kruis, verloochening van het eigen ik, een wandelen op de rechte en smalle weg, die tot het eeuwige leven leidt – kortom de kracht der godzaligheid – door allen veracht wordt en door niemand zozeer als door louter vermetele belijders, die een naam hebben, dat ze leven en die dood zijn. Uit de tekstwoorden (welke in eerste instantie in het bijzonder van de Heere Jezus Christus waarachtig zijn, want Hij is het, Die de ganse tijd door spreekt, ofschoon deze ook waarachtig zijn in betrekking tot iedere getrouwe volgeling van het Lam) schijnt het, dat de psalmist een blik om zich heen werpt, en toen hij zag, dat de mensen in het algemeen ieder oogmerk en iedere inbeelding huns harten najaagden en aanschouwde, hoe de wereld haar toelachingen, eerbewijzen en goedkeuring verkwistte aan de groten en de rijken, hij een blik sloeg op zijn eigen staat van nature en op zijn eigen geestelijke staat; en de gevoelens van zijn ziel samenvatte in deze gewijde overdenking, alsof hij zich tegenover de dwaze menigte wilde stellen: ”Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij.” ”De mensen mogen mij verachten en vertrappen en me uitwerpen, evenwel de Heere denkt aan mij. Wat heb ik meer nodig? Laat ik dan nog maar ellendig en nooddruftig zijn; wanneer de Heere aan mij denkt, dan heb ik al hetgeen mijn hart begeren kan.”

Onze tekst bestaat uit twee zinsdelen. Mogen wij deze, als de twee hoofdzaken van ons onderwerp, met Gods zegen, nader uitwerken.

I.  “Ik ben wel ellendig en nooddruftig.” Welk een oprechte belijdenis! Hoe gepast voor de bevinding van iedere van God geleerde ziel! Laten wij deze ootmoedige belijdenis eens stellen tegenover de roem, welke uit de mond kwam van de gemeente van Laodicéa: ”Ik ben rijk en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek.” Let op de tegenstelling! De dode, vleselijke, levenloze belijder, roemende: ”Ik ben rijk!” En het geoefende, beproefde, verzochte kind van God, dat belijdt: ”Ik ben ellendig!” De één vol trots en roemende in het eigen ik, de ander verbroken, ootmoedig, verslagen en vernederd aan de troon der genade! ’’Maar ik ben wel ellendig en nooddruftig.” Er moet een zeker onderscheid zijn tussen deze twee woorden. Wij kunnen niet geloven, dat de Heilige Geest, Die Gods heilig Woord inspireerde, gebruik zou maken van nodeloze herhaling. Weliswaar mogen wij niet altijd in staat zijn het geringe verschil der geïnspireerde woorden op te merken. Wij mogen er evenwel van overtuigd zijn, dat God de Heilige Geest op geen andere wijze kon schrijven, dan in de krachtigste taal en op een wijze, die het allermeest geestelijk gepast was om de mening en de wille Gods te verklaren. Wij mogen derhalve, naar ik geloof, op veilige wijze een zeker onderscheid vaststellen tussen deze beide woorden, zoals deze de gevoelde ledigheid en nietigheid van de levende ziel beschrijven. In de eerste plaats dan in betrekking tot de uitdrukking: ”Ik ben ellendig.”
Wat geeft dit te kennen? Veronderstelt dit op z’n allerminst niet het ontbreken van rijkdom? Maar wij moeten het woord natuurlijk verstaan in een geestelijke zin. Wij moeten niet de mening zijn toegedaan, dat de psalmist deze woorden gebruikende, over het geheel, sprekende was van de natuurlijke armoede. Het is waar, dat de Heere Jezus Christus, het grote Voorbeeld van Zijn volk, en uit Wiens mond deze woorden in profetische zin kwamen, een arm Mens was; want Hij had niets, waarop Hij Zijn hoofd zou neerleggen; en Hij werd onderhouden door de bijdragen van Zijn volgelingen. En er waren tijden in het leven van David, waarop ook hij arm was, toen hij gejaagd werd als een veldhoen op de bergen en moest uitzien naar de mens, zoals in het geval van Nabal, om hem te onderhouden met het brood, dat vergaat. Doch wij zouden de zin en mening van de gezegende Geest op een droevige wijze begrenzen, wanneer wij het woord ’’ellende” hier beperkten tot de natuurlijke ellende; want er zijn er velen, die ten diepste in de natuurlijke ellende verkeren, en die nooit uit een gevoelig hart kunnen spreken: ’’Maar de Heere denkt aan mij.”
Het is dus geestelijke ellende, waarvan de Geest op een bijzondere wijze spreekt, wanneer Hij deze taal ”ik ben ellendig” in de mond legt van de Heere Jezus Christus, en van Zijn geestelijke volgelingen, want hoewel de meerderheid van het volk des Heeren in letterlijke zin ellendig is, zijn evenwel allen ellendig in geestelijke zaken, wanneer zij dit gemaakt zijn door een werk van God de Heilige Geest in hun hart. Maar teneinde de mening van de gezegende Geest hier op een volkomener wijze te verklaren, willen wij als de Heere ertoe in staat moge stellen, in enkele bijzonderheden treden, waarin het kind van God ertoe gebracht wordt zich ellendig te gevoelen.

A. In de eerste plaats dan in betrekking tot zijn eigengerechtigheid. Niemand die ook nog maar een enkele snipper schepsels- gerechtigheid bezit, en die niet volslagen ontbloot is van alle vertrouwen op zijn eigen werken of verrichtingen, kan waarlijk voor een hart-doorzoekend God spreken: ”Ik ben wel ellendig.” Wanneer iemand, door de krachtige hand Gods in zijn consciëntie, niet ontbloot is van ieder vod of van iedere vezel der schepsels- gerechtigheid, dan kan en durft hij niet voor God te spreken: ”Ik ben wel ellendig,” indien hij al een oprecht man is. Welnu, het is het bijzondere werk en onderwijs des Geestes in de ziel, ons te ontbloten van al onze eigengerechtigheid. Van nature kleven wij deze op innige wijze aan: wij weven ons spinneweb en gelijk Adam oudtijds, plukken wij gaarne bladeren van de vijgeboom, opdat wij hiermede bedekt mogen staan voor God. Maar de gezegende Geest zal ons, door Zijn Goddelijk werk in de consciëntie, nooit toelaten voor God te staan in één vod of vezel van onze eigengerechtigheid, maar Hij zal ons geheel ontbloten. En dit doet Hij, door van tijd tot tijd, in ons zulk een gezicht en gevoel te werken van hetgeen wij voor God zijn: door ons zulke bevattingen en ernstvolle ontdekkingen te schenken van de reinheid, majesteit en de heiligheid Gods: en door een zodanige bekendmaking van de uitgebreidheid en geestelijkheid der Wet in onze consciëntie, dat wij genoodzaakt worden voor Hem neder te vallen en uit te roepen: ’’onrein, onrein.”

B. Maar wij hebben van nature niet alleen deze vodden van wettische gerechtigheid, waarvan wij volkomen moeten worden ontbloot: doch wij bezitten ook een grote voorraad schepsels-kracht. In de bevinding van Gods volk duurt het vaak lang, alvorens zij ertoe gebracht worden ’’krachteloos”, volslagen zwak te zijn, zoals de apostel spreekt. Velen van het volk des Heeren hebben vaak een verborgen hoop, dat zij iets kunnen doen – dat zij gewis iets kunnen verkrijgen in antwoord op het gebed – dat zij Gods Woord kunnen lezen en verstaan – dat zij zich kunnen nederwerpen aan de troon der genade – dat zij gewis een zekere belofte, die gepast is voor hun toestand, kunnen aangrijpen – dat zij hun handen kunnen uitstrekken en een zekere kleine bemoediging uit Gods eigen nodigingen in hun ziel kunnen brengen. In menig hart, zelfs wanneer het gereinigd is om Gods Naam te vrezen, is er die schepsels-kracht, welke schuilgaat, waarvan en waaruit dit op een volkomen wijze moet worden ontbloot en weggedaan.

Doch wanneer wij door pijnlijk onderwijs op die plaats gebracht zijn, waar wij niet één geestelijke gedachte kunnen verwekken, waar wij niet één geestelijke zucht kunnen voortbrengen, al zouden wij door dit te doen, onze ziel uit de bodemloze put kunnen verlossen: en wanneer wij ons even afhankelijk voelen, even volkomen afhankelijk van de almachtige kracht Gods, als het leem afhankelijk is van de hand des pottebakkers, om dit tot een vat te maken, dat geschikt is tot gebruik door de meester: dan mag van ons worden gezegd, dat we ’’ellendig” zijn, niet alleen maar in betrekking tot onze eigengerechtigheid, maar ook ’’ellendig” wat betreft al onze eigen kracht. Er bestaat een algemeen denkbeeld, dat, nadat de Heere de ziel heeft levendgemaakt, de mens kracht heeft iets te doen. Maar ik geloof, dat de kinderen Gods, door een lange reeks van pijnlijke oefeningen, er ten diepste van overtuigd zijn, dat zij niet meer kracht hebben het levende geloof tot daadwerkelijke oefening, de levende hoop tot daadwerkelijke werkzaamheid, of de levende liefde tot daadwerkelijke genieting uit te halen, dan zij in eerste aanleg kracht hadden om het geloof, of de hoop, of de liefde in hun ziel te verwekken.

C. Maar voorts vergt het een lange tijd, alvorens wij volkomen ontbloot zijn van alle schepsels wijsheid. Dit is één van de sterkten, waaruit wij worden verdreven, als uit een laatste schuilplaats. Wellicht hebben wij predikanten beluisterd en onder het gehoor gezeten van predikanten, die het Evangelie predikten op een aanmerkelijk klare wijze: en die de leerstukken met een opmerkelijke bekwaamheid, en misschien met een voortreffelijke welsprekendheid verklaarden. Deze leerstukken uit hun mond hebben wij ingezogen en totdat het de Heere behaagde onze ziel te oefenen, kunnen wij gedacht hebben, dat kennis van de leerstukken het grondbeginsel, al hetgeen waarop het aankomt, de alfa en de omega der levende godzaligheid was. Maar na een tijd behaagde het de Heere ons in de duisternis te voeren, en niet in het licht: wellicht overviel ons een zekere krachtige verzoeking, of de zonde begon te werken, zoals de zonde nimmer tevoren werkte: of de satan werd toegelaten ons te verzoeken, zoals de satan nimmer toegelaten werd ons te verzoeken. Of zoals de heer Hart spreekt ”de fonteinen der grote diepte van binnen waren nog niet opengebroken.”

En onder deze diep-ernstige bevatting, beginnen wij, als te gronde gerichte bankroetiers, als aller ellendigste zondaren te ontdekken, dat geheel onze ingebeelde wijsheid zich zelf vleugelen heeft gemaakt en is weggevlogen: dat wanneer wij in geestelijke beproevingen, in krachtige verzoekingen en in diepe wateren van bezoeking worden gebracht, al onze wijsheid, al onze kennis van de leerstukken der genade, en geheel die klare samenhang, welke wij eenmaal dachten zo goed te verstaan, ons in de steek laat, juist op het ogenblik, dat wij dit het meest nodig hebben. En wij worden ertoe gebracht op te merken en te gevoelen, dat niets dan de Goddelijke openbaringen, de krachtige getuigenissen Gods in onze consciëntie: en de verheffing van het licht en leven van Zijn gezegend aangezicht ons uit deze wateren, waarin wij gezonken zijn, kan doen oprijzen.

D. Doch verder geeft ellende niet slechts een volstrekt gemis te kennen van al hetgeen, waarop wij ons vertrouwen stellen, van al hetgeen, waarop wij kunnen steunen, en van al hetgeen waarover wij kunnen roemen. Doch het geeft ook geestelijke armoede te kennen, zoals de Heere spreekt: ’’Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.” (Matth. 5:3). Iemand kan in het diepst van zijn hart slechts arm zijn, als hij naar de ziel vernederd is, om gevoelig te zijn voor zijn volstrekte armoede in Goddelijke zaken. Noch kan hij waarlijk en wezenlijk ”arm van geest” zijn, totdat hij een einde heeft gezien aan alle volmaaktheid en hij er door de hand Gods toe gebracht is, zichzelf niets anders te voelen dan verdorvenheid, schuld en ellende. Dit brengt de geestelijke armoede teweeg. Niet louter het leerstuk der geestelijke armoede, dat wij evenals elk ander leerstuk kunnen aannemen, niet louter de bevinding naar de letter, waarin wij onszelf, evenals in de leerstukken der Waarheid, kunnen wijs maken, maar een waarlijk verbroken, ootmoedige, verslagen geest voor God. Zodat wanneer wij in de tegenwoordigheid komen van Zijn Goddelijke Majesteit, wij gevoelen hetgeen wij belijden te zijn, niets voor Hem, volstrekt niets: ’’ellendig en nooddruftig”. Niets in onszelf zijnde en niets in onszelf bezittende, dan een massa ellende en verdorvenheid.

2. Maar wij gaan voort met te overwegen, wat wel mag worden te kennen gegeven met het woord ’’nooddruftig”. Ik geloof dat wij, zonder de uitdrukking geweld aan te doen, mogen aannemen dat dit betekent – behoefte hebbend aan al hetgeen gepast is voor onze armoede: ’’ellendig” eerst, ’’nooddruftig” later: ’’ellendig”, als ontbloot zijde van alle ingebeelde goederen, en ’’nooddruftig”, als ertoe gebracht zijnde die genade en zegeningen nodig te hebben, welke geschikt en gepast zijn voor die toestand van ellende. Wij kunnen dit in natuurlijk opzicht beschouwen.

Hoeveel ongelukkige bedelaars zijn er op onze straten! Deze zijn ’’ellendig”, omdat zij niets bezitten, en ’’nooddruftig”, omdat zij alles nodig hebben. Aldus is het geestelijkerwijs. Het kind van God is ’’ellendig”, wanneer het in zichzelf niet iets geestelijk goeds heeft. Wanneer het tot de uiterste armoede is gebracht, wanneer het een blik naar binnen slaat, en gevoelt, dat het niets anders is dan een massa uiterste armoede, bankroet, onvermogen om te voldoen, en volkomen ellende voor God. En hij is ’’nooddruftig”, wanneer de gezegende Geest, Die hem in de diepten der ellende heeft gebracht, hem de zin doet zien van die dingen, en in zijn hart een verlangen hiernaar verwekt, welke op zulk een gezegende wijze gepast zijn voor de behoeften van een ziel, die haar geestelijke ellende heeft leren kennen. En inderdaad moet ellende altijd de noodzakelijke toebereiding zijn tot de nooddruft. De twee kunnen niet worden omgekeerd. De ellende gaat vooraf om ons te ontbloten van alle inbeelding. En dan. na de ellende, wordt de nooddruft op grondige wijze gevoeld. Wanneer het aldus de gezegende Geest heeft behaagd, ons ellendig te doen zijn, waarlijk ellendig, voor het oog van een hart-doorzoekend God, en in ons die armoede van geest, welke Christus op zulk een bijzondere wijze heeft zalig gesproken, heeft verwekt, dan behaagt het Hem ook, in soevereine genade, die geestelijke zegeningen in Christus Jezus te openbaren, welke zo gepast zijn voor de staat der ellende, waarin Hij de ziel heeft gebracht. Bijvoorbeeld:

A. Ik heb getracht aan te tonen, dat wanneer onze geestelijke armoede ons geleerd is, wij dan volkomen ontbloot zijn van alle schepsels gerechtigheid. Opent dit niet een weg tot de openbaring van een gerechtigheid, welke gepast is voor ons? Ontbloot zijnde van onze eigengerechtigheid, en in de schuld gebracht zijnde voor God, wat gepast, op welk een gezegende wijze is de gerechtigheid, de heerlijke gerechtigheid van de Zone Gods gepast, wanneer deze voor ons oog wordt uitgestald, en met een zekere Goddelijke kracht in onze consciëntie wordt gebracht! Maar het is de voorafgaande ellende, het geen gerechtigheid te bezitten van onszelf, die ons middellijkerwijs doet verlangen naar de gerechtigheid van Christus, welke ons wordt toegerekend en bekendgemaakt door de kracht des Geestes, en die ons deze gerechtigheid ten diepste doet waarderen. Aldus zoeken en verlangen de ’’nooddruftigen” naar de vlekkeloze gehoorzaamheid van Immanuël, en wanneer deze is geopenbaard, kleven zij deze aan als een alles-rechtvaardigende mantel, die hen beschermt en beschut voor de gerechtigheid van een beledigd God.

B. Maar wij hebben ook behoefte aan kracht, wanneer wij tot ware geestelijke armoede zijn gebracht, zodat wij op een gevoelvolle wijze de taal in de mond kunnen nemen, dat wij ’’ellendig en nooddruftig” zijn, wanneer wij ontbloot zijn van alle schepsels kracht. Evenwel is er een verlangen in onze ziel om te geloven. ”0, kon ik maar geloven,” zal de ziel soms uitroepen! En wordt er niet een begeerte in het hart verwekt, de Heere te kennen en op Hem te hopen, te gevoelen, dat Hij dierbaar is, de zoete openbaring Zijner genade en liefde te genieten en de gezegende toepassing te ondervinden van Zijn verzoenend bloed aan de consciëntie? Nochtans de ellende, diepe ellende heeft ons in die staat gebracht voor God, dat wij geen kracht hebben om de genade Gods te kennen, erin te geloven, deze lief te hebben, erop te hopen, zich in Zijn tegenwoordigheid te verheugen, lust te hebben aan Zijn openbaringen, en om een gevoel van Zijn eeuwige gunst aan onze ziel te eigenen.

Aldus voert de ellende door ons onze volslagen zwakheid te doen kennen, evenzo tot een gevoelde nooddruft aan de kracht van Christus, om in onze zwakheid te worden volbracht. En wanneer het de Heere behaagt het geloof in onze ziel te verwekken, waardoor wij wachten op Jezus om ons een goede hoop te geven door genade, ”een anker binnen de voorhang”, om de liefde van Christus uit te storten, die de kennis te boven gaat, en om een zeker getuigenis van ons aandeel in Zijn verzoenend bloed mede te delen, hoe gepast, op welk een gezegende wijze zijn al deze hemelse zegeningen gepast voor onze ellende en nooddruft!

C. Voorts merkte ik op, dat wij in de ware ellende geen wijsheid bezitten. Deze is gans verdord. Wij mogen eenmaal onze dorst hebben gelest aan menselijke bronnen, en hebben gedacht onszelf wijs te maken in de letter van het Woord. Hoevelen lopen er weg met menselijke kundigheden, alsof deze hen in de dingen Gods van nut zouden kunnen zijn! Maar vroeg of laat worden wij op deze plaats gebracht, dat niets, dat ten achterblijft bij het Goddelijk onderwijs ons wijs kan maken tot zaligheid: dat niets anders dan die wijsheid, welke van boven komt ons waarlijk nut kan doen, en dat al hetgeen ten achter blijft bij de Goddelijke verlichting. Goddelijke openbaring en de Goddelijke toepassing onze ziel ledig, onkundig, naakt en ontbloot laat. Aldus worden wij ’’nooddruftig” door geestelijke armoede, wat aangaat een gevoelig besef van onze onbekendheid met Goddelijke zaken. En deze nooddruft openbaart zich, door ons van tijd tot tijd te doen zuchten en roepen om dat bijzondere onderwijs, hetwelk de ziel wijs maakt tot zaligheid. Deze bevinding zal de bevinding zijn van ieder kind van God. Het is niet een bijzondere maatstaf van zoveel voet hoog, die is opgericht, en dat allen, die hieraan niet beantwoorden de kop moet worden afgehakt.

Maar het is de bevinding van ieder kind van God, naar de mate van het werk des Geestes in het hart. Allen mogen wellicht niet in dezelfde diepten afdalen: allen worden niet op gelijke wijze geoefend: niet bij allen wordt het hart opengeploegd met dezelfde mate van overtuiging: allen worden niet vernederd tot hetzelfde gevoel van hun verdorvenheid en ellende: en evenwel zijn allen, voor zover zij verkeren onder het Goddelijk onderwijs ’’ellendig en nooddruftig”. Allen worden ontbloot van de schepsels-gerechtigheid, schepsels-kracht, en schepsels-wijsheid: en allen worden ertoe gebracht, dat zij het verzoenende bloed, de rechtvaardigende gerechtigheid, en de openbaringen der Goddelijke genade en liefde nodig hebben, ten diepste nodig hebben, zodat niets hen kan bevredigen dan de geopenbaarde gunste Gods aan hun ziel.
Vanavond kijk ik om me heen en zie, dat er hier velen zijn saamvergaderd: en ongetwijfeld velen, die belijden de waarheid in Jezus te kennen – laat ik u, in alle liefde en toegenegenheid vragen: kunt u vanuit het diepst van uw hart zeggen: ”Ik ben ellendig en nooddruftig”? ’’Heere, wanneer ik tot U opzie, dan voel ik mezelf niets in Uw oog: al mijn kracht, al mijn wijsheid, al mijn gerechtigheid, al mijn kundigheden, waarin ik eenmaal roemde, al mijn schepsels-godsdienst, al mijn vleselijke heiligheid, al hetgeen waarop ik eenmaal steunde en hetgeen ik hogelijk waardeerde, zie ik nu als ellende en verdorvenheid. Voor U, de God, Die de harten doorzoekt, sta ik, niets bezittende en niets zijnde: en nochtans bij ogenblikken uiting gevend aan de begeerten van mijn ziel, dat Gij me zoudt willen onderwijzen, besturen, leiden, zegenen en Uzelf aan mijn ziel zoudt willen openbaren!” II. Welnu, wanneer u me tot zover kunt volgen, dan zullen wij een stap verder gaan, welke ons leidt tot ons tweede stuk: ’’Maar de HEERE denkt aan mij.”

Grote woorden, heerlijke woorden! Hoe leer ik deze kennen? Welke blijk, welk getuigenis had David, dat de HEERE aan hem dacht ? Was hij opgenomen tot in de derde hemel en had hij ingeblikt in de gedachten Gods? Of had een engel het boek des Levens neergelaten en voor zijn lichamelijk oog getoond, dat zijn naam daarin stond en dat God hem daarom ten goede gedacht? O nee, het was een inwendig getuigenis in de hof der consciëntie: een blijk, die niet zichtbaar was voor het uitwendige oog, noch hoorbaar voor het uitwendige oor, maar in zijn ziel gebracht vanuit het hof des hemels zelf. Doch het zal wenselijk zijn dit nader toe te lichten. Er ligt een zekere diepgaande waarheid in opgesloten: God stelle ons in staat, dit bij het licht des Geestes te beschouwen. Van alle eeuwigheid waren de gedachten Gods altijd op Zijn Kerk: en Zijn gedachten waren op haar ten goede.

1. Het was ingevolge het denken van JEHOVAH aan haar, dat zij altijd een aanzijn En hoe openbaarde JEHOVAH, dat Hij aan Zijn Sion dacht? Door ten behoeve van haar een eeuwig Verbond te maken: door haar voor alle werelden in Christus te verkiezen, en door een wonderbaarlijke weg te ontwerpen en te beramen, waardoor zij voor eeuwig een aandeel zou hebben aan dit eeuwige Verbond, ”dat in alles wel geordineerd en bewaard is”. God dacht van eeuwigheid aan Zijn Sion: en al hetgeen in de tijd wordt teweeggebracht is de uitwerking van die eeuwige gedachten, die altijd in Zijn boezem waren. Toen Hij deze wereld in het aanzijn riep, waren Zijn gedachten steeds gezet op Zijn Sion. Het was voor haar, dat deze wereld geschapen werd. Deze aarde, waarop wij wonen is maar een steigerwerk, waardoor de tempel der genade wordt gebouwd. Alle bedelingen rondom ons, werden vooruitziende getroffen, tot nut van de Kerk van Christus.

2. Hij dacht aan haar, toen Hij Zijn geliefde Zoon zond tot haar nut en te harer behoeve: toen, op de bestemde tijd, de eniggeboren Zoon voortkwam uit de schoot des Vaders, en in de buik van de maagd Maria onze menselijke natuur aannam, in vereniging met Zijn Goddelijke Persoon.

3. God dacht aan Zijn Sion, terwijl de Heere Jezus Christus hier beneden in dit tranendal. Zijn omwandelingen maakte. Jezus dacht voortdurend aan Zijn Sion, want Hij was toen een heerlijke gerechtigheid aanbrengende, waardoor zij voor eeuwig zouden behouden worden. Toen Hij in de hof van Gethsémané kruipende was, persten Zijn gedachten aan Sion het zweet, het bloedige zweet uit Zijn gekweld gelaat. Toen Hij als een bloedende Offerande aan het kruis hing uitgestrekt, tussen hemel en aarde, door de mens in de steek gelaten en van God verlaten, toen dacht Hij aan Zijn Sion. Hij dacht aan haar, toen haar zonden in een ontzagwekkende reeks aan Zijn oog voorbijtrokken: en Hij de straf onderging, die elke zonde verdiende: en aldus, onderwijl aan Zijn Sion denkende, kocht Hij haar met Zijn eigen bloed. Toen Hij ten hemel opvoer en Zijn verheven plaats aan de rechterhand Gods innam, dacht Hij aan Zijn bruid. En nog altijd denkt Hij aan Zijn Sion. Haar naam is diep in Zijn hart gegraveerd en wordt op Zijn boezem gedragen. Zijn gedachten jegens haar zijn gedachten van liefde, gedachten des vredes en niet des kwaads. Zij is gedurig in Zijn gedachten, zonder ophouden in de genegenheden Zijns harten.

Maar laten wij dit wat nader toepasselijk maken op de persoonlijke bevinding, omdat de psalmist hier uit de persoonlijke bevinding spreekt: ”De HEERE denkt aan mij.” Toen de HEERE u in het aanzijn riep, dacht Hij aan u: de ouders uit wie u bent voortgekomen: de staat des levens, waarin u geboren werd, en al de omstandigheden, welke u begeleid hebben tot op het huidige ogenblik, waren alle het onderwerp van Zijn gedachten, waren niet anders dan de uitwerkingen van hetgeen er in Zijn oneindige en eeuwige gedachten was omgegaan. Hij dacht aan u, gedurende de zorgeloze uren van uw kindzijn, en de roekeloze jaren der mannelijke leeftijd. Hij dacht aan u, toen u speelde met uw ziel en beuzelde met de eeuwigheid. Hij dacht aan u in ziekte, toen Hij u oprichtte van de rand des grafs. Hij dacht aan u, toen u omringd was door gevaren ter rechter- en ter linkerhand en Hij bewaarde u ervoor, dat u hierdoor in de eeuwigheid gedreven werd. Zijn oog was op u ten goede, ieder uur en ieder ogenblik van uw onwedergeboren leven: en toen de tijd voor Hem aanbrak u met Zijn genade te bezoeken, en u tot een gevoel te brengen van uw staat van verlorenheid en ellende voor Hem, dacht Hij aan u.

En omdat Zijn gedachten op u gezet waren, vloog de pijl der overtuiging van Zijn boog en bleef daar steken in uw consciëntie. Hij dacht aan u gedurende al de tijd, dat u leed onder de schuld en ellende: en Hij gedacht u zo, dat die overtuiging uw ziel niet in de volstrekte wanhoop deed komen. Hij dacht aan u, toen er van tijd tot tijd een woord kwam om uw geest te verkwikken, toen er een straal van hoop uw ziel bescheen, toen er een zekere zoete nodiging uw hart bereikte met leven, gevoel en kracht. Hij dacht aan u toen Hij u onder het gepredikte Woord bracht. Hij dacht aan u, toen Hij een zeker getuigenis van Zijn barmhartigheid en liefde in uw ziel zond. En Hij denkt zo aan u, wanneer u een vat der genade bent, alsof er niemand anders ware om aan te denken, alsof u alle gedachten van de Godheid in beslag nam: want zodanig is de oneindige natuur der Godheid, dat Hij tezelfdertijd aan al Zijn uitverkorenen kan denken: en nochtans aan een ieder, alsof een ieder Zijn eeuwige gedachten ten volle bezig hield. ’’Maar,” zeggen u en ik, ”wij hebben er behoefte aan een zeker inwendig getuigenis te hebben, dat de Heere aan ons denkt. Wij hebben er behoefte aan, met een gevoelig hart te zeggen, zoals de psalmist sprak: de HEERE denkt aan mij; en te weten, dat Hij dit doet.” Laten wij dit nog eens nagaan.

1. Hebt u in de voorzienigheid nooit in engten verkeerd? Werd u nooit geoefend omtrent uw dagelijks brood, hoe deuren zouden worden geopend om u een eervol onderhoud te verschaffen? Dat werd u, dat werden wij allen, in een zekere mate. Welnu, toen het de Heere behaagde deze en die deur te openen, of deze en die vriend te verwekken, juist op het tijdstip, dat u daaraan behoefte had: u juist dat bedrag aan geld zond, om die rekening te betalen, waaromtrent u zo bezorgd was: of door de hand van een vijand, zoals Elia door de raven gevoed werd, uw arme vergankelijke lichaam voedde – was dit niet een zekere blijk, dat de HEERE aan u dacht? Wanneer Hij niet ten goede aan u had gedacht, zou die vriend dan gekomen zijn, of zou die brief dan zijn aangekomen, juist op het allerlaatste ogenblik? Zou die deur zijn geopend, of zou er sprake zijn geweest van die verkwikking, welke zo gepast was voor uw omstandigheden? Gewis, indien u één of twee, of meer van zulke opmerkelijke gevallen kunt nagaan, indien u aldus de vinger Gods kunt opmerken, dan kunt u zeggen: ”De HEERE denkt aan mij.”

2. Voorts: indien u beproefd bent door een bijzondere verzoeking, of er werd iets, op een zeer krachtige wijze, op uw consciëntie gelegd, zodat u gedrongen werd – volstrekt gedrongen werd, dit tot een zaak des gebeds te maken: dat u niet tot de Heere ging op een koude, vormelijke wijze, of sprak: ”Ik zal omtrent deze zaak bidden, zoals het mijn plicht is dit te doen.” Maar dat het gebed uit u werd geperst door de omstandigheden gedrongen – door een gewicht en last, welke u noodzaakte tot de Heere te roepen, omdat er geen andere zijde was, waarvan de verlichting komen kon: indien uw gebed toen werd gehoord en verhoord – indien het duidelijk geopenbaard werd, dat de Heere het roepen en zuchten van uw ziel hoorde – kunt u op die gebedsverhoring niet schrijven: ”De HEERE denkt aan mij”? Indien de HEERE niet aan u had gedacht, dan zou Hij dat gebed nooit hebben verhoord. Het is een getuigenis in uw ziel, dat de HEERE aan u denkt, indien Hij ooit enige smeekbede, welke opging uit uw zwoegende boezem, hoorde en verhoorde.

3. Doch verder kunt u in een zekere bijzondere geestesbeproeving zijn geweest, zoals waarin u nimmer tevoren verkeerde: en daarom had u behoefte aan bijzondere ondersteuning. Dit is de weg, welke de Heere, naar ik geloof, met Zijn volk houdt. Hij handelt met hen niet in algemeenheden. Hij leidt hen in bijzonderheden – op bijzondere plaatsen, waar niemand dan Hijzelf verschijnen, ondersteunen en zegenen kan. Welnu, wanneer u gebracht bent in een bijzondere zielsbeproeving, gekampt hebt met een bijzondere verzoeking, of verward bent in een bijzondere strik, en het behaagde de Heere toen een belofte aan uw hart toe te passen, of een woord in uw ziel te brengen, precies gepast voor uw staat en toestand, zo precies gepast, dat, indien u de Bijbel ontleed had en een tekst gekozen had, u er niet één kon hebben gevonden, welke zo gepast was – indien de Heere zulk een woord in uw ziel bracht, en het bracht een zoete verkwikking met zich – kunt u dan niet zeggen: “De HEERE denkt aan mij”? Indien Hij niet aan u dacht, indien uw belangen niet verwant waren aan Zijn gedachten van eeuwigheid, indien uw zaak Hem niet op het hart lag – zou Hij, kon Hij dan juist die belofte in uw ziel, juist dat woord in uw hart hebben gebracht, dat zo aangenaam en dierbaar was?

4. Of verder kunt u zijn afgeweken van de rechte weg. En wie is hier niet schuldig? Wie vervalt er op inwendige wijze niet tot de zonde, al wordt hij ook bewaard voor een openbaar vallen in de zonde? Maar de Heere aanschouwt onze afkeringen, en zendt ons hiervoor vermaningen. Indien wij gekastijd worden, is dit een blijk, dat wij kinderen Gods zijn, want allen, die zonen zijn, zijn de kastijding deelachtig. Welnu, wanneer de Heere ziet, dat u van de weg afgaat, trots en verheven wordt, tot vleselijke gerustheid vervallen zijt, voldaan zijt met een naam van te leven, in die ellendige toestand van zelfvoldaanheid en ellendige, dodige verzekerdheid, waarin er zovelen zijn verwikkeld, zijt geraakt – wanneer de Heere, dit opmerkende, in uw consciëntie begint te werken, te vermanen en zelfs Zijn kastijdende hand op te leggen, door bezoeking te brengen over uw lichaam, en ellende in uw ziel, dan kunt u zeggen: ”De HEERE denkt aan mij.” Want zo de HEERE niet aan u zou denken, dan zou Hij niet aldus Zijn kastijdende hand gebruiken, om u uit deze boze wegen te voeren.

5. Bovendien: wanneer uw ziel, van tijd tot tijd, is verlevendigd in de dingen Gods: wanneer u duister, koud, vleselijk, verhard en ongevoelig bent geweest, en onder de bediening bent gekomen van sommige van God gezonden dienstknechten, het woord gezegend wordt om u te verbreken, te vertederen, te verkwikken, te bemoedigen, u wederom aan de voeten van Jezus te brengen met een droefheid naar God, vanwege uw afwijken en met vurige begeerten tot Zijn eer te leven – daar is een getuigenis, dat God aan u denkt.

6. Verder: wanneer de Heere u ooit enig getuigenis van uw aandeel in de liefde en het bloed des Lams geschonken heeft: wanneer Hij ooit de vergeving van uw zonden aan uw ziel verzegeld heeft, Zijn liefde in uw hart heeft uitgestort, en die vrede in uw consciëntie gefluisterd heeft, welke alle verstand te boven gaat – ook daar is een blijk, nog wel een overtuigend bewijs, dat de HEERE aan u denkt. Want zo Hij niet aan u gedacht had, zou Hij nooit Zijn liefde in uw ziel hebben uitgestort, zou Hij nooit het dierbare bloed der besprenging aan uw consciëntie hebben toegepast. Maar ongetwijfeld zijn er dezulken onder ons, die nauwelijks kunnen opklimmen tot de taal van de tekst. Ik zou willen opmerken, dat wij hierin de krachtigste taal der verzekerdheid aantreffen: en nochtans merk op, hoe dit is vermengd met de diepste zelf- verfoeiing! In mijn consciëntie geloof ik, dat deze twee altijd samengaan.

Wij kunnen nooit verzekerdheid hebben, behoudens in zoverre dit gegrond is op een verbroken hart en een verslagen geest: want God werpt Zijn gunsten niet weg. Hij schenkt niet de zoete verzekering van Zijn liefde, om het hart te verharden, om ons vleselijk en wereldsgezind te maken, om ons lichtvaardig over de zonde en over de ellendige boosheden, welke de zonde vergezellen, te laten denken. Maar daar, waar de Heere een ziel verbreekt tot verslagenheid en berouw, tot zelfverfoeiing en droefheid naar God, door haar een oog en gevoel te schenken, dat de zonden vergeven zijn – alleen in die grond groeit de boom der verzekerdheid. Er kan geen ware verzekerdheid zijn, voortvloeiend uit het getuigenis Gods, tenzij dit gegrond is op een verbroken hart en een verslagen geest. Wanneer u dan ook predikanten altijd hoort prediken over de verzekerdheid: en u ziet deze trots, hebzuchtig, wereldsgezind, en hun omgang is één weefsel van lichtzinnigheid, scherts en beuzelachtigheid, dan kunt u er wel van overtuigd zijn, dat hun verzekerdheid niet uit de mond Gods tot hun ziel komt. Aan de andere zijde, wanneer u een ellendig, nooddruftig kind van God, dat verbroken van hart is, ootmoedig aan de troon der genade ziet liggen, en het behaagt de Heere in zijn hart een zeker zoet getuigenis van zijn aandeel in de liefde en in het bloed des Lams te verwekken, hem in staat stellende zich te verblijden in de Heere: en te voelen hoe dierbaar Jezus aan zijn ziel is – die verzekerdheid vloeit voort uit het getuigenis Gods, want dit is gegrond op een verbroken hart en een verslagen geest.
Doch ik herhaal, dat er hier kinderen Gods kunnen zijn, die niet kunnen opklimmen tot deze taal. Zij kunnen hopen, dat de HEERE aan hen denkt, maar zij kunnen dit niet spreken met dat gevoel van vertrouwen, dat de psalmist doet. Zij kunnen zeggen: ”Ik ben ellendig en nooddruftig,” maar om dit met volle verzekerdheid te voleindigen: ’’maar de HEERE denkt aan mij,” dat kunnen zij niet, dat durven zij niet. En evenwel hebben zij getuigenissen, konden zij deze slechts beschouwen bij het licht des Geestes, dat de HEERE aan hen denkt. Waarom deed de Heere u in de eerste plaats ontwaken tot een gevoelen van uw staat van verlorenheid en verdorvenheid? Waarom schoot Hij Zijn pijlen der overtuiging in uw consciëntie? Waarom bracht Hij u met smeking en geween aan de troon der genade? Waarom deed Hij Jezus dierbaar zijn aan uw ziel? Waarom gaf Hij u ooit een hart om Zijn aangezicht te zoeken, Hem aan te kleven voor genade en verlossing, en om lust te hebben aan Zijn Naam? Waarom bezocht Hij ooit uw ziel met beloften en zoete nodigingen, en verwekte Hij in uw hart die geestesgesteldheid, welke het leven en de vrede is? Waarom toonde Hij u de heerlijkheid van Christus, en verlichtte Hij de ogen van uw verstand om Zijn gepastheid op te merken voor iedere behoefte uwer ziel?
Waarom is de Heere u verschenen in de voorzienigheid, hoorde Hij uw gebeden, verloste Hij uw ziel, en voerde Hij u uit de verzoeking? Waarom heeft Hij van tijd tot tijd Zijn bezoekende hand, Zijn kastijdende roede op u gelegd? Omdat Hij aan u denkt. Ja wat meer is, ik mag er nog één woord aan toevoegen – denkt u aan Hem? Indien u aan Hem denkt, dan is dit een blijk, dat Hij aan u denkt. Er is een belofte voor degenen, die aan Zijn Naam denken, ”er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den HEERE vrezen, en voor degenen, die aan Zijnen Naam gedenken.” (Mal. 3:16). En aldus belijdt de Kerk ”tot Uwen Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel.” (Jes. 26:8). Zijn er geen plechtige stonden in uw ziel, wanneer u aan de HEERE denkt? Wanneer u wakker ligt, wellicht te middernacht, denkende aan God, aan Zijn Waarheid, liefde, Woord, Zijn leidingen met uw ziel en uw begeerten, gebeden en ademtochten vloeien alle uit naar Zijn heilige Majesteit. Is dit niet een zekere blijk, dat u aan Zijn Naam denkt? En wees ervan verzekerd, dat wanneer u aan Hem denkt, Hij aan u gedacht heeft.
Beschouw de onbezonnen menigte, denken zij aan God? Is Hij het onderwerp van al hun gedachten? Zijn hun gedachten altijd gericht op de ernstvolle zaken der eeuwigheid? Wordt Jezus ooit dierbaar bevonden aan hun ziel? Hijgen zij naar Hem, zoals het hert hijgt naar de waterstromen? Nee, hun taal is: ”Er is geen God.” Het is niet de taal, welke ze spreken, maar dit is de taal in hun binnenste. Maar uit genade kunt u zeggen, dat u aan God denkt. En aldus is er een zekere blijk, ofschoon u zich niet kunt verheffen tot de verzekerdheid ervan, dat Hij aan u denkt. En zo Hij aan u denkt, dan zijn Zijn gedachten, gedachten ten goede, gedachten van vrede, en niet des kwaads. Leest Hij niet uw hart? Kent Hij uw beproevingen niet? Onderzoekt Zijn heilig oog zelfs niet de schuilhoeken uwer ziel? En indien Hij aan u denkt, zal Hij u dan verlaten, zal Hij u dan begeven, u overgeven in het uur, dat u Hem het meest nodig hebt? Nee, Hij, Die in de eeuwigheid aan u dacht, zal aan u denken in de tijd, in ieder uur van beproeving, op iedere plaats van verzoeking, in iedere tijd van ziekte, en in de plechtige ure, wanneer ziel en lichaam scheiden. Gedurende het leven en bij de dood, zal Hij nog altijd aan u denken: en ten laatste zal Hij u tot die hemelse woning voeren, waar deze beide zaken op een gezegende wijze zullen zijn verbonden: het altijd denken aan Zijn Sion van den HEERE, en het altijd aan Hem denken van Zijn Sion. Amen.
Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.