Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De gehele wapenrusting Gods

Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt weerstaan in de boze dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. Efeze 6:13.

Wat een levendig tafereel stelt de apostel ons voor ogen, in het onmiddellijk onze tekst voorafgaande vers, van de vijanden, waarmee de Christen in het strijden van de goede strijd van het geloof te kampen heeft. “Wij hebben de strijd niet,” zegt hij, “tegen vlees en bloed,” dit is, niet tegen vlees en bloed alleen, want waarlijk hij, die zulk een beschrijving in Rom. 7 gegeven heeft van de strijd tussen vlees en geest, kon niet bedoelen, dat er geen tegenstand tussen de ene en de andere is, de naam van een worstelstrijd waardig.

Hebben wij niet dagelijks tegen de zich verzettende of verlokkende wereld buiten ons, tegen al de macht des verderfs binnen in ons te strijden? Valt de verzoeking ons nimmer aan? Streven de lusten des vleses nimmer naar heerschappij? Is de zonde in ons een dode zaak, die zich noch beweegt, noch ons aanprikkelt en aanzet? Ieder Christen moet gevoelen, dat “het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees,” en dat deze tegen elkaar staan (Gal. 5: 17). En zo de een strijdig is met de anderen, wat moet hun onverzoenbare tegenstand anders dan een strijd veroorzaken? Die dagelijkse, onophoudelijke strijd zou dan genoeg zijn om al onze krachten uit te dagen?

Waren er geen andere vijanden dan die, welke wij in een wederstrevende wereld buiten ons of in een bedorven natuur in ons ontmoeten, dan zouden wij moeten bezwijken en vallen, tenzij wij overwinnaars over beiden gemaakt worden door Hem, die ons heeft lief gehad. Maar de apostel ziet voor het ogenblik, om zo te zeggen, de strijd voorbij, die er in de nieuwe mens der genade is tegen vlees en bloed, om onze gedachten te leiden tot een heviger strijd, een feller en aanhoudender kamp, welke niet is tegen vlees en bloed, maar “tegen de geweldhebbers van deze wereld, der duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht”. Merkt zijn taal hier op, en beschouwt haar onder twee verschillende gezichtspunten.

Ziet eerst op het aantal en de aard van onze vijanden; ten tweede, op de plaats, die zij innemen. Door “de overheden en machten, de geweldhebbers der wereld, der duisternis van deze eeuw,” moeten wij verstaan, gelijk in de kanttekening wordt uitgedrukt, boze geesten, en “door de lucht, de dampkring boven ons, gelijk de satan in deze brief de overste van de macht der lucht genoemd wordt” (Ef. 2: 2).

Het is dan, alsof de apostel het uitgestrekte en hoge gebied der lucht, waardoor wij omringd worden en die wij zelfs inademen, als bevolkt, of liever, onveilig gemaakt door een grote macht van helse geesten, wilde voorstellen; alsof een talloos heir van duivels in de lucht elke van onze bewegingen gadesloeg; soms dooi openbaar geweld ons dodelijke stoten toebrengende, en dan weer zoekende onze voeten te verstrikken in hun gevloekte netten; maar altijd, hetzij door geweld of bedrog, met elkaar samenspannende tot ons eeuwig verderf. Kunt u dit niet geloven of voor waarheid aannemen, ziet dan slechts op de wijze, waarop hij hen beschrijft. Gaat slechts de taal na welke hij bezigt, en herinnert u wel, dat het door de Geest ingegeven woorden zijn, welke als zodanig met een onbetwist geloof moeten aangenomen worden, met een geloof dat, zonder bedillen of redeneren, eenvoudig erkent.

Hij beschrijft hen, als “de overheden, de machten, de geweldhebbers der wereld, der duisternis van deze eeuw, als geestelijke boosheden in de lucht”. Laat ons, met ‘s Heeren hulp, in de zin van deze woorden zoeken te dringen. Wij hebben reden om te geloven, dat er bestaat, wat soms genoemd wordt, “een hemelse regering”; met andere Woorden: de gezegende engelen zelf zijn niet allen van een rang of stand; dit schijnt duidelijk uit onderscheiden schriftuurplaatsen. In deze zelfden brief, b.v., lezen wij dat onze gezegende Heere “uitermate verhoogd is boven alle overheid en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende” (Ef. 1: 21); en wederom: “Opdat nu, door de gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid Gods” (Ef. 3: 10). Deze uitdrukkingen overheid, macht, kracht, en heerschappij, schijnen ons aan te duiden, dat er verschillende rangen in het heir der engelen zijn.

Wederom spreekt Gabriël van zichzelf als staande voor God (Lukas 1: 19), hetwelk enig bijzonder voorrecht schijnt aan te duiden, en zo wordt Michaël bij Daniël 10: 13 “een der eerste vorsten”, en bij judas “de aartsengel” genoemd. Het is inderdaad geen besliste geloofszaak; toch mogen wij geloven, dat er een verschil in rang tussen engelen als Gabriël of Michaël en andere hemelse wezens bestaat, die gedienstige geesten zijn, uitgezonden ten dienste van hen, die de zaligheid beërven zullen. Ik zou echter dit punt niet aangeroerd hebben, ware het niet om enig licht over onze tekst te verspreiden. Daaruit zou dan schijnen te blijken, dat de satan, die eens een reine en schitterende hemelgeest was, deze hemelmacht door een helse macht van zijn eigen, van welke hij het hoofd is, heeft nagebootst; want wij lezen van de draak (satanas, duivel) en zijn engelen, die tegen Michaël en zijn engelen krijgden (Openb. 12: 7).

Dus in navolging van de rangen en orden der engelen, zijn er, wij hebben reden om dit te geloven, rangen en orden van helse geesten; en daar deze al hun vorige engelenmacht bezitten, ofschoon nu in kwaadaardigheid en boosheid verkeerd, en daar zij deze invloed over deze wereld uitoefenen, worden zij door de apostel “de overheden en machten, de geweldhebbers der wereld, der duisternis van deze eeuw, en geestelijke boosheden (of boze geesten) in de lucht” genoemd. Maar gij zegt: “wie ziet hen? Wie voelt hen? Welk bewijs hebben wij dat wij door deze helse geesten omringd worden, die het alleen op onze val gemunt hebben? Gij zegt het ons, en gij tracht wat gij zegt te bewijzen; maar welke bewijzen hebben wij, dat wij door zulke helse vijanden omringd zijn, en dat wij een levenslangen strijd met hen te strijden hebben?”

Wel, de tijd kan komen, dat gij deze ongelovige twijfelingen opgelost kunt hebben op een wijze, die u een dag van liet grootst verdriet kan zijn, dien gij ooit beleefd hebt; of gij kunt het leren door het verstrikt raken in een der netten door hen uitgespreid, en wel zodat u bijna ieder been in het lichaam verbroken wordt. Maar als zij al onzichtbaar zijn, zijn zij daarom minder wezenlijk? Omdat gij nu hun macht niet voelt, is die macht daarom minder sterk? Neen, juist het tegendeel. juist omdat zij onzichtbaar zijn, zijn zij, hoewel zo weinig gevreesd, des te vreselijker; wijl zij schijnbaar zo weinig macht over u uitoefenen, houden zij u waarlijk gebonden in enen ijzeren band, schoon zij u als enen zijden mag voorkomen.

Want het is niet zozeer het openbaar geweld, als wel de geheime listen van de satan, welke wij te vrezen hebben, de verborgen strikken, welke hij voor onze voeten uitzet, de listige invloed, dien hij over ons vleesgezind gemoed uitoefent, de sluwe inblazingen, de ongelovige gedachten, de zinnelijke inbeeldingen, het oproerig gemor, de verholen vijandschap, welke alle hij, als het ware, met zijn helse adem inblaast. Jakobus spreekt van de tong als “ontstoken van de hel” (Jak. 3: 6). Dit geeft ons een sleutel tot de wijze waarop de satan handelt. Wanneer de tong “ijdelheid spreekt, of grote dingen roemt; wanneer zij het gehele lichaam besmet en vol dodelijk venijn is,” wie ziet dan dat de satan haar ontsteekt?

En zo dit het geval met de zonden der tong is, waarom zou het niet met elke andere zonde ook zo zijn? Zodat, al hebben wij geen zichtbaar bewijs van deze helse geesten, die boven ons als zo vele onreine vogels in de lucht zweven; al horen wij hun stem of zien hun gedaante niet, toch is dit juist de reden, waarom wij hen nu des temeer te vrezen hebben, omdat hoe minder zij gezien worden, hoe meer macht zij uitoefenen. Ons wordt daarom door de apostel bevolen de gehele wapenrusting Gods aan te doen, opdat wij in staat mogen zijn de listen des duivels te kunnen weerstaan. Het is, zoals gij ziet, niet zozeer zijn openbaar geweld als wel zijn geheime listen, die wij te vrezen hebben. Deze zijn zo groot, dat, zonder drie bijzondere omstandigheden, alle mensen zonder onderscheid een prooi zijner listen zouden worden.

1. De eerste is, dat het geestelijke en eeuwige leven van al de heiligen Gods veilig is in de Persoon van Zijn geliefde zoon, volgens Zijn eigen woorden: “Mijn schapen zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken”. ja, Hij geeft, zo mogelijk, nog een sterkere drangrede: “Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders” (Joh. 10: 28, 29). Al de schapen van Christus zijn daarom besloten in het bundeltje der levenden met de Heere, het Lam; zij zijn allen verzekerd door de eed en de belofte Gods, dien Hij de Zoon Zijner liefde deed in het eeuwigdurend verbond, dat in alles vast en wel geordineerd is, toen Hij verklaarde, dat Hij Zijn zaad in eeuwigheid zal zetten, en Zijn troon als de dagen der hemelen (Ps. 89: 30).

De satan mag daarom het volk Gods bestrijden en met de vuist slaan, bijten en kneuzen, teisteren en afmatten, grieven en wonden, plagen en kwellen, betoveren en verstrikken; maar hij kan nimmer uit Christus’ hand het minste lid van Zijn geestelijk lichaam rukken. Drukte de Heere zelf niet opzettelijk Zijn hemelse wil aan Zijn Vader uit: “Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt?” (Joh. 17: 24).

2. Maar daar is een tweede reden, waarom de satan in het einde niet over het minste lid van de Heere Jezus kan heersen. Onze gezegende Verlosser heeft hem van zijn heerschappij over hen beloofd. Daarom lezen wij dat: “omdat dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelven deelachtig geworden, opdat Hij door de dood teniet doen zou degenen, die het geweld des doods had, dat is, de duivel” (Hebr. 40: 14), en wederom: “En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar ten toon gesteld, en heeft door hetzelve over hen daarin getriomfeerd, dat is: door Zijn kruis. Dus, als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen,” en deze helse geesten aan de wielen van zijn wagen weggesleept, hen van al hun macht berovende om Zijn volk te vernietigen (Kol. 2: 15; Efeze 4: 8).

3. Maar daar is een derde reden, waarom Gods heiligen niet in deze strijd te overwinnen zijn; en wel, omdat God hun een wapenrusting heeft verschaft, in welke gekleed, zij in staat zijn al de listen des duivels te weerstaan.

Dit brengt ons tot onze tekst; deze ontwikkelende, zal ik u tonen, onder ‘s Heeren hulp:

I. Welke die wapenrusting is, hier de gehele wapenrusting Gods genoemd; en wat het is die te nemen, of, aan te doen.

II. Hoe wij, door de gehele wapenrusting Gods te nemen, in staat zullen zijn de bozen dag te weerstaan.

III. De waarborg dat, als wij alles verricht en, zoals de kanttekening zegt, overwonnen hebben, wij, dan in het uur van ons grootste gevaar zullen staande blijven.

I. In het opnoemen en beschrijven van de gehele wapenrusting Gods, zal het, met Gods hulp en zegen, nodig zijn op de verschillende delen het oog te slaan, zoals de Heilige Geest dezelve hier voor onze ogen gebracht heeft door de pen van Paulus.

1. Ik zal daarom met de gordel beginnen. Staat dan, uw lendenen omgord hebbende, met de waarheid. Natuurlijk zult gij wel weten, dat Oosterse naties niet als wij gekleed zijn; dat zij geen enge, nauwsluitende klederen, volgens de nijvere, werkzame gewoonten van Noorse klimaten en Europese naties, maar los fladderende gewaden dragen, die, hoe ongemakkelijk zij voor ons mogen zijn, wel voor hun klimaat en gewoonten geschikt zijn.

Maar daar zij zelfs soms zich met de landbouw, de oorlog of de jacht moeten bezig houden, zijn zij verplicht die op te schorten en hen vast om hun lendenen te binden, wanneer zij er toe overgaan om zich met iets, dat krachtsinspanning vereist, onledig te houden.

Als zij in hun huizen op hun canapés, zitten, latenzij deze klederen los om hun lichaam hangen. Maar dat zou niet goed zijn, als zij naar liet veld of ten oorlog gaan. Daarom hadden de joden en andere Oosterse naties altijd een brede en sterken gordel bij de hand, door welke zij hun klederen stevig rondom zich konden vastmaken, en echter de armen in volle vrijheid laten, om een houweel vast te houden of een zwaard te hanteren.

Dit zal de reden verklaren, waarom wij in de Schrift zo dikwijls de spreekwijze van “de lendenen te omgorden,” ontmoeten; dat is, de eerste stap tot werkzame krachtsinspanning te doen. Dat denkbeeld dan aannemende, beveelt ons de apostel als de eerste stap “te staan”, dat is, van een zittende houding op te staan, ons ter been te begeven, en ons voor de toekomstige strijd voor te bereiden, door onze lendenen met de waarheid omgord te hebben. Dit is dan het eerste en onderste deel der wapenrusting, zonder welke aan te doen, het overige der stukken niet behoorlijk aangedaan kon worden, en zo gemaakt dat al het overige op zijn plaats paste. Van deze gordel wordt gesproken als van “de gordel der waarheid”.

Door het woord “waarheid” versta ik hier twee dingen: Vooreerst oprechtheid, want dat is de grondslag van alle christelijke belijdenis; dat is het eerste stuk der wapenrusting, dat wij aandoen om gereed en geschikt te maken, onze losse klederen op te houden, en onze lendenen te omgorden voor de toekomstige strijd. Gelijk Elia zijn lendenen omgordde toen hij Achab tegemoet ging; zoals Gehazi geboden werd zijn lendenen te omgorden en de staf van de profeet op het aangezicht des kinds te leggen; gelijk onze Heere zelf Zijn wachtende discipelen gebiedt: Laat uw lendenen omgord, en uw kaars brandende zijn, zo moeten wij onze lendenen omgorden, om de goede strijd des geloofs te strijden, met geduld het ons voorgestelde perk te lopen, en iedere dag en ieder uur gereed te zijn voor ‘s Heeren komst als een dief in de nacht.

Maar wat is onze belijdenis waard zonder de gordel der oprechtheid, eerlijkheid, ongeveinsdheid en waarheidsliefde? Al is het geen volstrekte wapenrusting, toch moet de gordel der waarheid aangedaan worden, of er is geen mogelijkheid om de andere stukken aan te doen. Let dan wel op, dat het eerste vereiste eens christens is: oprechtheid. Maar vat mijn bedoeling niet verkeerd op. Daar is veel oprechtheid, die niet “de gordel der waarheid is”. Als ik dan van oprechtheid spreek, versta ik daardoor wat de apostel “oprechtheid Gods” noemt (2 Kor. 1: 12).

Er is zelfs in de godsdienst een oprechtheid, welke op zijn best slechts een verrotte gordel is. Is niet de pausgezinde oprecht? Ik heb hen in verleden dagen in hun godsdienstige verrichtingen aanschouwd, en oprechtheid, ofschoon een blinde en bijgelovige oprechtheid, op al hun gebaren en handelingen afgedrukt gezien. Maar deze gordel was met menselijke vingeren en een aards weefgetouw geweven. De gordel der waarheid is van hemels fabrikaat, en in een zekere zin gelijkt hij naar het kleed van onze Heeren, dat zonder naad, “uit één stuk geheel van boven af geweven is”. In dien gordel vindt men daarom geen linnen en wollen stof door elkaar geweven, geen verteerde draden, geen deel zwak, terwijl het overige sterk is.

Gelijk in een ketting de kracht van het geheel bepaald wordt door de vasthoudendheid van de zwakste schalm, zo wordt de kracht des gehelen gordels door het zwakste gedeelte bepaald; elk deel, in het geheel, moet daarom even sterk zijn, of het zal op de verteerde plaats afbreken. Een gordel, die nooit zal breken, werd nimmer door menselijke vingers geweven. Niets anders dan goddelijke oprechtheid, van welke iedere draad van goddelijk maaksel is, kan de krachtsinspanning weerstand bieden, die zonde en satan zeker daarop zullen beproeven. Wie kon oprechter zijn dan Paulus, toen hij de gemeente Gods vervolgde?

Hij dacht werkelijk in zichzelf, dat hij vele dingen behoorde te doen, strijdig met de naam van Jezus van Nazareth; maar die gedachte alleen was niet genoegzaam om hem oprecht in Gods oog te maken, toen hij dreiging en moord blazende tegen Gods heiligen, hen zelfs tot vreemde steden vervolgde. Hij behoefde een oprechtheid van een anderen aard – oprechtheid hem door God zelf geschonken, zoals zij hem aan de poort van Damascus geschonken werd.

Geen mens is waarlijk oprecht, voordat God hem zo maakt; want er kan geen ware oprechtheid zonder goddelijk licht, geen wezenlijke ernst zonder goddelijk leven bestaan. Wij spelen met de godsdienst, totdat God dien voor ons tot ernst maakt; ten minste weet ik dat het zo met mij was. Ik had mijn luimen en vlagen omtrent de godsdienst en dacht dat ik wel op enige dag godsdienstig zou zijn, omdat ik voor haar en godsdienstige mensen een grote eerbied had. Maar de wereld verbrak immer mijn voornemens, en vernietigde die. Het was gelijk een kind aan het zeestrand, dat poogt het opkomend getij te stuiten door zijn kleine houten spade te nemen en een hoop nat zand er op te werpen. Nooit was ik oprecht dan toen God mij dit maakte door Zijn vrees in mijn hart te planten.

Maar “waarheid”, als de gordel van een christelijke krijgsman, bedoelt niet alleen oprechtheid, maar een bevindelijke kennis der waarheid zoals deze in Jezus is. Wij moeten onze lendenen omgorden met de “waarheid”, hetwelk betekent, dat wij de waarheid met een gelovige hand moeten opnemen en ons daarmee omstrengelen, om ons tot handelen te sterken. En daar ik u juist heb aangewezen, dat er geen verteerde draden in de gordel der oprechtheid moeten zijn, zo moet er ook geen mengsel van dwaling in de gordel der evangeliewaarheid zijn.

De gordel der waarheid moet geheel en al van zuivere waarheid geweven zijn. Zo er het minste mengsel van dwaling is, zal dit als een verteerd stuk in een wezenlijken gordel zijn: het zal afbreken waar het vergaan is. Hoe hebben wij dit onlangs in het geschil over het Zoonschap van Jezus gezien! Hoe menige gordel van mensen, die “moedig voor de waarheid” werden gehouden, is in dit gedeelte gebroken. Zij hielden hun dwaling geheim; maar toen hun gordel beproefd werd brak hij, daar waar hij verteerd was. Teneinde dan vast en sterk te zijn, moet hij geheel zuiver en volkomen zijn, zoals de waarheid Gods is geopenbaard in het woord.

Welk een dwaling een mens ook mag koesteren, dat is immer zijn zwakke zijde; en vroeg of laat zal hij, zoals de profeet verklaart, bevinden, dat er in plaats van een gordel lossigheid zal zijn (Jes. 111: 24); want gelijk de gordel, dien de profeet bij de Frath begroef, zal hij door middel van deze dwaling “verdorven worden en nergens toe deugen” (Jer. 13: 7). Dit maakt mij dan zo ijverig tegen de dwaling, want ik zie haar vreselijke gevolgen. Ik kan dan een man met een zwaarmoedige geest genoemd worden, omdat ik haar zo vurig tegensta. Maar waarom breng ik haar aan het licht? Alleen omdat ik zie in wat gevaarlijke toestand de zielen der mensen zijn, die in haar zijn verward? Er toe overgegeven te zijn om een leugen te geloven is een van de vreselijkste oordelen Gods. Neen, mijn vrienden, zo wij de goede strijd van het geloof moeten strijden, moeten wij de waarheid bevindelijk en tastbaar in haar zuiverheid en kracht houden; en zo ver ik in staat ben dit te doen, zijn mijn lendenen met de gordel der waarheid omgord.

Gelijk bij onze gezegende Heere, “waarheid de gordel zijner lendenen en getrouwheid de gordel zijner nieren was,” zo moeten de waarheid en getrouwheid, de waarheid zoals zij in Jezus is, en getrouwheid aangaande wat wij voor onszelf geloven en weten, onze gordel zijn. Maar gij kunt met Pilatus vragen: “Wat is waarheid?” Waarheid is die ingegeven openbaring van zichzelf van Zijn geest en wil, welke God in de Schrift heeft bekend gemaakt, en welke de Heilige Geest met kracht aan het hart Zijns volks openbaart; zoals de leer van een Drie-enig God; het ware en eigen Zoonschap, en de Godheid van onze gezegenden Verlossers; de Godheid, persoonlijkheid en goddelijke werkingen van de Heilige Geest; daarbij kan ik voegen wat gewoonlijk de genadeleer genoemd wordt, en, om uw tijd en aandacht niet onnodig bezig te houden, en om het geheel in één uitdrukking op te sommen: de waarheid, die de ziel vrij maakt.

Nu, naar mate wij de waarheid door de liefelijke bevinding daarvan kennen, en die door de kracht Gods in ons hart gebracht hebben, zijn onze lendenen met deze hemelse gordel omgord; want bedenkt het wel, zij moet gedragen, niet bezien worden; om ons vastgemaakt en gegespt, maar niet los in de hand gehouden worden.

2. Maar zien wij nu op het tweede stuk der wapenrusting, van hetwelk de apostel spreekt, en dat wij nu hebben aan te doen, “het borstwapen der gerechtigheid”. Het borstwapen was een van de gewichtigste stukken der wapenrusting, dat in aloude tijden, voor de uitvinding van het buskruit, de krijgsman tot schild diende; want het beschermde de levensdelen.

Het hart, de longen, de lever, al deze levensdelen werden door het borstwapen beschermd, dat soms van stukken ijzer of staal, over elkaar gelegd, of soms van een enkel stevig stuk metaal gemaakt was. Eveneens is het in de genade: het hart, dat de zetel van alle levensgevoel is, waaruit de gezonde bloedstroom door elke ader gestuwd wordt; de long, waardoor wij de levenslucht, de zuiveren hemelsadem inademen, en gebed en smeking tot God uitademen; en de lever, waardoor wij een gezonde eetlust verkrijgen om het brood des levens, het voedsel waarvan wij leven, te verteren: deze zogenaamde inwendige organen van, de nieuwe mens der genade moeten door een borstwapen beschermd worden.

Welk is dat? Het borstwapen der gerechtigheid. Onze eigen gerechtigheid? Welke bescherming zal zij ons verlenen? Ik herinner mij vele jaren geleden in Lord Macartney’s Gezantschap naar China gelezen te hebben, dat men op hun reis een Chinees fort zag, hetwelk hun voortreis scheen te beletten, omdat een aantal mannen in schitterende wapenrusting op de wallen rondliepen. Na enige schoten gewisseld te hebben, werd het fort genomen, en hoe bevond men nu hun wapenrusting? Dat zij gemaakt was van glanzig papier, van zilverblauwe kleur, om het staal te verbeelden.

Die mannen waren daar voor de schijn geplaatst, om onze schepen af te schrikken. Hun wapenrusting kon nauwelijks de pijl van een kind afgeweerd hebben, veel minder zulke wapenen, als in onze zeedienst gebruikt worden. Zo zou een borstwapen van onze eigen gerechtigheid zijn; gelijk het Chinese papieren borstwapen, kon het schitterend voor het oog, maar zo zwak als een veer tegen een vijandelijke stoot van onze onverzoenlijke vijand zijn. 0 wij behoeven een beter borstwapen dan een papieren, of zelfs ijzeren, al ware het uit de mijn der natuur bewerkt en door mensenhanden aanéén gesmeed.

Wij hebben het borstwapen van Jezus’ eigen gerechtigheid nodig, waarin geen breuk noch scheur is. Wij lezen van Achab, dat een man in zijn eenvoudigheid de boog spande, maar de pijl trof zijn hart, want hij drong tussen de gesp en het pantser, of, gelijk het woord hier betekent, wapenrusting. Gij ziet dat er een gelid of plaats was, waar het staal niet over elkaar heen sloot; de pijl vond dat gelid; en al had hij een borstwapen aan, toch drong de pijl er door heen, omdat er een scheur of gebrekkige plaats in was, en hij zonk als een stervend man in zijn wagen.

Zo zal ons borstwapen, zo het van menselijk maaksel is, ook die gebrekkige plaatsen hebben; een stuk goedheid hier, en een lap rechtvaardigheid daar, gelijk een gestikte deken, een ding van reepjes en lapjes. Welke bescherming zal dat zijn, als de vijand, tegen wie wij strijden, zijn dodelijke stoot geeft? Maar daar is een borstwapen, hetwelk hij nooit doorboren kan, het borstwapen van Christus’ gerechtigheid. zoals de dichter Hart terecht zegt:

Gerechtigheid, in U geworteld,
Mag schijnen als uw hulp in smart,
Maar laat het recht u toegerekend,
De borstbeschutting zijn voor ‘t hart.

Maar daar andere gedeelten der wapenrusting nog te beschouwen zijn, moet ik van dit stuk met een plechtige vermaning afscheid nemen. Christus’ gerechtigheid, niet uw eigen, moet uw borst als uw borstwapen in de strijd bewaren, zowel als het uw borstkleed na de strijd moet zijn.

3. En uw voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het evangelie des vredes. De ouden droegen gewoonlijk sandalen – een soort van zool door banden los aan de voeten gebonden; maar als zij ten strijde gingen, droegen zij scheenstukken, een soort van sterk lederen laars, een goed eind over het been komende, welke, met kleine koperen platen overdekt zijnde, hun lagere lichaamsdelen voor houwen en stoten beschermde. De apostel zinspeelt op deze militaire scheenstukken, waar hij zegt dat onze voeten zich geschoeid hebben met bereidheid van het evangelie des vredes. Wij moeten vast en stevig op onze een staan, als wij met onze vijand strijden.

Een losse, naar de voet passend sandaal mag in vrede goed zijn, in de oorlog behoeven wij iets sterkers en beters. Deze sterke, vaste, met ijzer beslagen schoen is het evangelie des vredes, dat wel aan de voet past: het is een vast sluitende schoen, die niet in het slijk zal blijven steken, noch de satan veroorloven in onze voeten te houwen, zodat hij ons in onze vaart omver doet vallen. Maar het woord “de bereidheid van het evangelie des vredes genoemd,” betekent ook de vlugheid, die deze evangelieschoen ons geeft; want gelijk het scheenstuk de krijgsman vaardigheid gaf om zich voorwaarts te bewegen, hem een vast steunpunt verleende, dat hij niet met zijn blote voet of zijn verschuivende sandaal kon hebben gehad, zodat hij vast op de grond kon blijven staan, al was deze ook glibberig van bloed.

Als wij eens de evangelieschoen goed vastgemaakt, het evangelie des vredes goed aangedaan hebben door de Heilige Geest; als wij onze voeten en een goed ingewikkeld hebben, en in dit omhulsel vast kunnen staan door de hernieuwing en verlevendiging Zijner genade, dan zullen wij onze standplaats behouden, al ware het in de kaken der hel, in het aangezicht en in het heetste vuur van de satan. Maar zo wij op een verbroken wet staan, op de altijd wankelenden grond van menselijke verdiensten, op het welzand van onze eigen voornemens, of op onze tegenwoordige of toekomstige eigen krachtsinspanning, of op de glad geworden grond door het bedrijven van geheime of openbare zonden, en het bloed en de etter van een schuldig geweten daarop uitgestort, zullen wij zeker in de dag des strijds vallen.

Niets dan het evangelie, het dierbaar evangelie, hier het “evangelie des vredes” genoemd, omdat het aan het geweten vrede openbaart en brengt, de “vrede Gods, die alle verstand te boven gaat,” kan een vast steunpunt voor onze voeten verzekeren, indien wij tegen de satan en al zijn ten strijde uitgeruste legers moeten strijden. En gelijk er een geschiktheid was, en wat wij een geschiktheid mogen noemen, in de gewapende schoen voor des krijgsmans voet, omdat hij niet alleen het vlees beschermde, maar de spieren omgordde en versterkte, zo beschermt, wanneer het evangelie in lieflijkheid en kracht als een boodschap der genade, een openbaring des vredes aan het geweten komt, het niet alleen tegen vijandelijke verwonding, maar maakt haar schadeloos; bewaart niet alleen de voet des christelijke strijders, maar versterkt dien, en geeft hem een vast en stevig rustpunt op het slagveld.

Wel in de waarheid bevestigd te zijn is een onwaardeerbare genade; en inderdaad zonder haar is er geen kracht om de verzoeking te weerstaan, de wereld te overwinnen, tegen satan te strijden, en over dood en hel te zegevieren.

4. Maar nu komt er een zeer gewichtig stuk der wapenrusting. Wij hebben de gordel der waarheid, het borstwapen der gerechtigheid, en de scheenstukken van het evangelie des vredes beschouwd. Maar de krijgsman is nog niet volkomen: er zijn nog onbeschermde delen, waarin hij een gevaarlijke wond kan ontvangen. Hij moet dan een schild hebben, opdat hij elke slag kan afweren, van welke zijde die ook komt. En wat is het schild van de christelijke krijgsman? Hetgeen hier genoemd wordt het schild van het geloof. Dit schild dan zal een klein onderzoek vereisen. Merkt dan op, dat het niet het geloof zelfs is, dat het schild is, maar het Voorwerp van het geloof.

Dit blijkt duidelijk uit hetgeen God tot Abraham zei: “Ik ben uw schild, uw loon zeer groot” (Gen. 15: 1). Waarin bestaat het geluk van Israël anders dan dat de Heere zijn behoudenis, zijn schild en zijn zwaard is? “Welgelukzalig bent gij, o Israël? wie is u gelijk? gij bent een volk, verlost door de Heere, het schild van Uw hulp en die een zwaard is van Uw hoogheid” (Deut. 33:29). En is niet de “Heere een zon en een schild?” (Ps. 84:11). Het is dan niet ons geloof, veel minder enige natuurlijke of ingebeelde goedheid, kracht of wijsheid van onszelf, die ons in die vreselijke strijd zal helpen. Maar het is door Christus tussen ons en de satan te hebben, door Zijn Persoon en werk, Zijn bloed en Zijn gerechtigheid tussenbeide te plaatsen, en dus, door hel geloof, Hem te nemen en te maken tot ons schild en beukelaar, dat wij al de vurige pijlen van de bozen zullen kunnen uitblussen.

Het wordt het schild van het geloof genoemd, omdat wij door het geloof alleen Christus als onze beukelaar aannemen. De uitdrukking “vurige pijlen” is een zinspeling op een gewone wijze van oorlog voeren in oude tijden. Zij waren gewoon pijlen met werk of enige andere brandbare stof te omwikkelen, welke zij aanstaken, en dan op hen afschoten over de muren in de belegerde stad, welke, als zij op een houten gebouw of andere brandbare oppervlakte neerkwamen, die of in vlammen zetten of zulk een verwarring veroorzaakten, dat de strijders verstrooid geraakten, terwijl de vijand de stad bestormde. En vurige pijlen waren bij de ouden wat de bommen nu voor ons zijn.

Door deze “vurige pijlen”, of gelijk het woord letterlijk betekent, pijlen die in brand gestoken zijn, moeten wij satans helse ingevingen, zijn duivelse inblazingen, zijn ongelovige redeneringen, de snode gedachten verstaan, die hij in de zielen van Gods volk verwekt, de opstand, de drift, begeerlijkheid en wanhoop, die het hem vergund is tegen hen te werpen als zo vele vurige pijlen. Maar waarom zijn zij zozeer te vrezen? Omdat wij binnen in ons een geheel magazijn van brandbare stof omdragen.

Diep in ons vleselijk gezind gemoed verborgen liggende, bijna gelijk de vaten buskruit eertijds onder het Hoger- en Lagerhuis (bij het buskruitverraad) verborgen, is er een talloze voorraad van de ontvlambaarste stof, welke deze vurige pijlen, zo zij haar bereiken, in een ogenblik kunnen doen ontvlammen. Hadden wij geen zo bedorven natuur, geen zo ontvlambare stof in ons, dan zou de satan gerust zijn vurige pijlen op ons kunnen afschieten, zonder ons meer letsel te doen dan de letterlijke pijl op een stenen muur zou doen. Maar wij dragen zoveel ontvlambare stof in ons om, dat één vurige pijl reeds genoeg is om het geheel in brand te steken. Hebt gij niet dikwijls in uw ziel zulk een oproerige gezindheid tegen God, zulk een vijandschap, zoveel onreinheid, zovele gruwelijke gedachten gevoeld, dat het bijna scheen alsof gij van de duivel bezeten was?

En op andere tijden heeft zich zo’n leger van ongelovigheid van uw geest meester gemaakt, dat het was of u nauwelijks één greintje geloof was overgebleven. Men heeft reeds veel gesproken en nog spreekt men over de Proeven en Beschouwingen, (een Engels, het kruis van Christus vijandig, geschrift); maar ik heb reeds lang de korte inhoud van dat geschrift in mijn vleselijk gezind gemoed gehad. Ik behoef het niet te lezen om ongelovigheid op te wekken; reeds menig moeite verwekkend jaar heb ik van die werking genoeg in mijn eigen hart gehad, en zelfs nu gaat er nauwelijks een dag voorbij, zonder dat een of meer van die vurige pijlen op mijn ziet worden afgeschoten.

Ik heb bovengenoemd geschrift niet gelezen, ook wil ik het niet lezen; maar ik geloof dat er nauwelijks één tegenwerping is, die deze Beschouwingen bevatten, of ik heb die vooraf in de diepten van mijn denkende en redenerende geest gehad.

Ik bedoel niet dat zij zo uitgewerkt zijn, als deze vijanden van Christus’ kruis die met schijnbare kracht van rede en geleerdheid hebben voorgesteld; maar sommige tegenwerpingen hebben zich aan mijn geest voorgedaan, zoals die schrijvers die niet beschouwd hebben; want ik heb dikwijls de waarheid gevoeld van een opmerking door Halyburton gemaakt, dat de Heere voor zulke mensen de grootste zwarigheden, die tegen de godsdienst zijn in te brengen, verbergt; want omdat zij in de blindheid der natuur verkeren, hebben zij geen licht om haar te zien, terwijl Hij ook, uit liefde voor het geloof der zwakken, niet toelaat dat zij al hun spitsvondigheden ten toon stellen en uitgeven. Wij weten daarom wat deze mensen bedoelen, en het vreselijke uiteinde, dat hen verbeidt, en dat zij zelf niet kunnen zien, omdat zij in het ongeloof zijn opgesloten, terwijl wij het tegenovergestelde in onze eigen boezem hebben.

Maar de strikken waarin zij geraken tot hun eigen verderf zijn onze verzoekingen, daar hun glorie onze schande, en hun juichen onze ellende is. Maar hoe bedroevend is het voor de gelovige ziel, wanneer zij zulke ongelovige redeneringen in haar boos hart voelt opkomen en hoe schijnt zij bijna van haar ankerplaats afgedreven, als deze vreselijke storm opsteekt en woedt.

Maar wederom, wat moedeloze gedachten ontstaan dikwerf in de borst van menig arm kind van God, dat wellicht niet onderhevig aan, en nooit die ongelovige verzoeking ervaren heeft, waarop ik gedoeld heb. De satan kan werken overeenkomstig ons natuurlijk gestel, onze opvoeding, onze denkwijze, en vele andere omstandigheden, waarin wij hemelsbreed van elkaar verschillen kunnen. Heb ik een peinzende geest, dan kan hij zijn vurige pijlen bezige om ongelovige gedachten in mij op te wekken.

Ben ik van een droefgeestige aard, dan kan hij mij met de somberste gewaarwordingen vervullen, zodat bij mij bijna aan mijn behoudenis doet wanhopen. Ben ik van nature gemelijk en nors, dan kan hij daarop werken, en vreselijke opstand, medelijden met zichzelf, en harde gedachten omtrent God doen ontstaan. Hij kent juist ons gestel, en waar hij een zwakke plaats ziet, zal hij een vurige pijl afschieten.

Maar hoe zullen wij deze vurige pijlen van de satan afkeren? Daar is slechts één middel. Door het schild van het geloof op te nemen, door Jezus voor te houden, door als het ware tegen deze pijlen de Persoon, het werk, het bloed en de liefde van de Heere het Lam te stellen. Maar hoe kunnen wij dit doen? Door een geloofsdaad, door met geheel ons hart in de Zoon Gods te geloven, de satan mag zeggen wat hij wil. Hij mag zeggen, dat hij niet de ware en wezenlijke Zoon Gods is. “ja, maar ik zeg,” antwoordt de ziel, “dat Hij het is; God heeft Hem als zodanig aan mijn ziel geopenbaard; en behalve deze inwendige getuigenis zie ik haar schitteren met een straal van goddelijk licht in de Schrift.

Ten spijt van satan, van al uw ingevingen, redeneringen en bewijsgronden van onverlichte, niet met de Geest begaafde mensen, houd ik mij aan deze waarheid; want zij is bevestigd in het diepst van mijn ziel: Hij is de Zoon van God.” Zo neemt gij het schild van het geloof, want door het geloof stelt gij Jezus, als Gods Zoon, tegen de vurige pijl. Of alweer, zo de satan zegt dat de Schrift niet waar, of niet ingegeven is; dat zij gelijk andere boeken is, door de pen eens mensen beschreven, antwoordt gij: “ja ik weet dat zij waar en door de Heilige Geest ingegeven is, want ik heb haar kracht gevoeld; zij is door mijn ziel toegeëigend, ik ben door haar vertroost. Zij is waar; zij is door God ingegeven, laat de satan zeggen wat hij wil,”

Op die wijze neemt men het schild van het geloof op, ontvangt daarop de vurige pijl, en blust dus zijn vlam uit. De ouden waren gewoon houten gebouwen tegen vurige pijlen te beschutten, door hen met natte horden te bedekken, welke het vuur uitblusten. Hierop is een toespeling in de uitdrukking: “alle vurige pijlen van de bozen uit te blussen”. Of de satan mag in uw gemoed een oproerstorm tegen God doen ontstaan, en Hem als uw vertoornden rechter of wraakzuchtige vijand voorstellen. Maar gij zegt: “Kan ik tegen zulk een genadige God opstaan, die zo veel voor mij naar lichaam en ziel heeft gedaan? Zal ik tegen Hem twisten, die mij gezegend en zo vele jaren op de paden der waarheid en gerechtigheid heeft staande gehouden?”

Hier neemt gij weer het schild van het geloof op om de vurige pijl uit te blussen, die op zichzelf genoegzaam zou zijn, om geheel uw vleselijk gezind gemoed in vuur en vlam te zetten. Of zo de satan een brandende pijl van wanhoop in uw neerslachtig gemoed afschoot, welke enige tijd diep schijnt door te dringen, en het somberste gevoel in u ontsteekt; neemt gij nog eens in de kracht van het geloof dan het schild op, en zegt: “Verscheen de Heere mij niet eenmaal te mijn behoeve? Zegende of bezocht Hij mijn ziel niet bij deze of geen gelegenheid? ja, ik heb Zijn tegenwoordigheid gevoeld, Zijn heerlijkheid gezien, Zijn liefde gemaakt, en de overvloed Zijner genade genoten. Gaat achter mij, satan! Gij kunt mij dat niet wegredeneren, noch mij doen geloven, dat de Heere nooit mijn ziel gezegend heeft.”

Hier vertoont zich weer het schild van het geloof; en door dit zo opgeheven schild wordt de vurige pijl uitgeblust en valt, zonder letsel te doen op de grond. Maar ik zou niet graag zien, dat gij uit mijn gezegden besloot, dat wij dit altijd of inderdaad dikwerf kunnen doen. Mijn doel is alleen om aan te wijzen, wat het schild van het geloof is, en hoe de Christenstrijder het gebruikt; maar ik bedoel geenszins, dat hij enige kracht heeft dit te doen, tenzij hij door Gods kracht wordt in staat gesteld.

5. Maar laat ons overgaan tot een nader stuk der wapenrusting: de helm der zaligheid. Het hoofd is een levensorgaan; daarom behoort het wel beschermd te worden, want één wond daarin zou ogenblikkelijk noodlottig kunnen worden. Daarom heeft de Heere een beschermend stuk wapenrusting daarvoor verschaft, dat hier “de helm der zaligheid” genoemd wordt. Dit wordt vollediger door de apostel in een anderen brief verklaard: “En tot een helm, de hoop der zaligheid” (1 Thess. 5: 8).

Maar wat stelt het hoofd, geestelijk en bevindelijk beschouwd, voor? Wat is het in natuurlijke zin? Is het niet het besturend orgaan van het gehele lichaam? Al onze zintuigen zijn in ons hoofd – de ogen waardoor wij zien; de oren waardoor wij horen; de neus door welke wij ruiken; het verhemelte waardoor wij proeven. Kan dan niet het hoofd, geestelijk beschouwd, de werkzame zinnen der levende ziel voorstellen, waardoor zij Christus ziet door het oog van het geloof, Christus hoort door het oor van het geloof, Christus proeft door het verhemelte van het geloof, de liefelijke geur Zijns Naams ruikt als de zalving voortgebracht door de neus van het geloof, en mag ik er niet bijvoegen, Hem prijst en dankt door de tong en lippen van het geloof?

Het hoofd dan is de vertegenwoordiging, om zo te spreken, van die verenigde verzameling van levensorganen, waardoor Christus geëerbiedigd wordt als al onze zaligheid en begeerte. Maar zo het hoofd dit alles geestelijk is, behoeft het enige bescherming. Aanschouwt dan het beschermende wapen daartoe verleend, hier “de helm der zaligheid” genoemd, en ziet of gij dien niet reeds geschikt hebt bevonden om uw hoofd in de dag des strijds te dekken? Hebt gij niet reeds enige dodelijke stoot daartegen gehad?

De satan zou, zo hij maar kon, uw ogen hebben uitgestoken, zodat gij niet langer Christus door het oog van het geloof kon zien; uw oren gestopt, zodat gij nooit meer een woord van troost van Zijn lippen kon horen, uw neus met slijk opgevuld, zodat gij nooit weer kon geroken hebben deze Zijn kleding, welke naar mirre, aloë en kassie riekt; uw verhemelte door zijn venijnige kruiden bedorven, zodat gij nooit weer kon gesmaakt hebben dat Hij genadig is; uw tong gebonden en uw lippen gemuilband om te beletten, dat gij uw ziel uitstortte in gebed en smeking, of in lof en prijs van Zijn heiligen naam.

Een goede hoop door genade is genoemd “de helm der zaligheid”, als zijnde “de kennis der zaligheid, in vergeving der zonden”, (Luk. 1: 77). Schijnt de satan niet dikwerf uw hoop zelf op het eeuwige leven af te houwen, even alsof hij, met al de kracht en kwaadaardigheid eens Fransen kurassiers te Waterloo, u in eens wilde neervellen door uw hoofd in tweeën te kloven? Nu, hoe kon ons arm, onbeschermd hoofd zulk een dodelijke houw weerstaan? Maar er is een middel: men neemt de helm der zaligheid. Hoe zo? Door de zaligheid in het hart te ontvangen als de vrije gift Gods; zodat, als de zaligheid door genade tot uw hart is gekomen, de helm reeds op uw hoofd gezet is om het in de dag des strijds te beschermen.

Wij hebben tot dusverre op de verdedigingswapenen het oog geslagen, de christelijke krijgsknecht in de wapenrusting Gods verschaft, maar hij heeft ons iets meer dan verdedigingswapenen geschonken. Het zou niet genoeg geweest zijn voor de krijgsman der Ouden met een slechts verdedigende wapenrusting, hoe sterk of wel aangedaan, in het strijdperk te treden. Hij had zowel een zwaard als een schild nodig. De Heere heeft daarom dit wapen de geestelijken strijder niet onthouden.

Het is hier, Het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. Maar gij zult wellicht vragen, waarom heeft een christelijke krijgsknecht een zwaard nodig? Moet bij niet elke belediging verduren, en als hij op de een wang geslagen wordt niet minzaam de andere toekeren? ja, jegens zijn natuurgenoot, maar niet jegens zijn helse vijand. Moeten wij hem zijn vurige pijlen laten schieten en ons allerlei degenstoten geven, en wij niet vergelden zo goed als hij geeft?

Voorzeker niet; want het spreekt van zelf, het is een geestelijke, geen natuurlijke strijd; het is van slagen op de ziel, niet op het gelaat, dat wij nu spreken; want het zwaard des Geestes is niet het zwaard van Gideon of een Damaskeense kling, maar het Woord Gods. Zien wij, om te verstaan hoe dit wordt gehanteerd, hoe onze gezegende Heere met de satan in de woestijn handelde? De satan kwam tot Hem met al zijn helse sluwheid, werkelijk Hem tot twijfel verlokkende, of ten minste zichtbaar door een wonderwerk te doen bewijzen, dat Hij de Zoon Gods was. Maar hoe kalm, hoe gezegend weerde onze Heere zijn inblazing af.

Met welk wapen? “Er staat geschreven.” Dit was het zwaard des Geestes. Maar ziet zijn uitwerking. Opeens deinsde de satan terug, en zette die verzoeking niet meer aan. Hij kon dat: “daar staat geschreven” niet overwinnen. Die houw van ‘s Heeren hand doorboorde hem, want hij wist wel dat wat God geschreven had vervuld moest worden. Hij kende niet alleen de almacht van Jehovah, maar dat Hij een God was, die niet liegen kon, en dat God ophouden zou God te zijn, zo Hij Zijn Woord onvervuld kon laten. Hij beefde daarom voor Gods Woord in de handen Zijns geliefde zoons.

Zijn eigen wroegingen overtuigden hem, dat wat God gezegd heeft moet vervuld worden, want hij droeg in zijn eigen boezem de straf voor zijn oude ongehoorzaamheid aan de geopenbaarde wil van Jehovah, toen God zei: “Laten al de engelen Gods hem aanbidden,” en hij weigerde het uit hoogmoed te doen. Zo is het ook nu. Geen ander zwaard dan dat des Geestes, hetwelk het Woord Gods is, kan hem terugslaan. Menselijke redeneringen, logische bewijsgronden, goede werken en voornemens, geloften, tranen en beloften baten niets tegen de satan. Met één wapen alleen tegen de satan kunnen wij hem niet vrucht bestrijden: dat wapen is het Woord Gods. Maar merkt op, dat het niet enkel de letter van het Woord moet zijn.

Het moet zijn het zwaard des Geestes, en daarom een geestelijk zwaard, hetwelk alleen in de hand kan genomen worden, als Gods Woord met een goddelijke kracht aan uw hart wordt toegepast en gij er een levend geloof in hebt als “leven en geest” voor uw ziel gemaakt. Het is nutteloos dat ik een tekst te berde breng om satans verzoeking te weerstaan, tenzij ik dien tekst tot de mijn kan maken; met andere woorden, tenzij ik het zwaard hanteren kan als iemand die weet hoe het te gebruiken. Een tekst aan te voeren en er niet de zegen en de kracht van te kennen, zou gelijk zijn aan een kind, dat eens krijgsmans zwaard opnam, zonder ‘s krijgsmans hand te hebben.

Hij zou kunnen spelen met het zwaard, maar wat is het zwaard van een reus in de hand eens kinds? Het zwaard van ScanderBeg, een beroemd Albanees krijgsman tegen de Turken, placht te Wenen vertoond te worden. Een man, die het eens bezag en hanteerde, zei: “Is dit het zwaard, dat zo vele overwinningen behaalde? Ik zie er niets aan; het is slechts een gewoon zwaard.” Het antwoord was: “Gij behoorde de hand gezien te hebben, die het hanteerde”. Zo is het niet het enkel aanvoeren van een tekst, het aannemen van de taal der Schrift, en liet aanhalen van bijbelplaatsen, hetwelk de vurige aanvallen van de satan zal afweren. Dit is hetzelfde als ScanderBeg’s zwaard zonder ScanderBeg’s arm te hebben.

Maar het bestaat in het bezitten van het Woord der waarheid in ons hart door Gods kracht gebracht, een opgewekt vertrouwen om te geloven, dat God zelf tot ons hart spreekt; dus in staat gesteld zijnde om het in de kracht des Geestes en door de macht van het geloof in levende oefening te hanteren, zal men elke helse aanval afweren. In deze strijd moeten wij niet bezwijken. Vluchten is overwonnen worden, want, zoals Bunyan terecht zegt, daar is geen wapenrusting voor de rug.

Wij moeten strijden, zelfs als wij sterven, strijdende sterven; ten bloede toe tegenstaan, strijdende tegen de zonde. Ik herhaal u nogmaals, dat wij nooit moeten wijken; zelfs al vallen wij, moeten wij weer opstaan en voortstrijden; want “de rechtvaardige zal zevenmaal vallen en opstaan; maar de goddelozen (dat zijn diegenen die aan hun boosheid zijn overgelaten) zullen in het kwaad (dat is, het openbaar kwaad, onder welks macht en veroordeling zij eeuwig liggen) neerstruikelen” (Spr. 24: 16).

Lezen wij niet: “Verblijdt u niet over mij, mijn vijanden! wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan” (Micha 7: 8); en al weer: “Als hij valt, zo wordt hij riet weggeworpen” (Ps. 37: 24). Dus al mocht gij in deze tijd struikelen en vallen, ligt niet stil als een overwonnen gevangene, maar staat weer op en strijdt. “Weerstaat de duivel, en hij zal van u vlieden.” Hij is een overwonnen vijand; hij kan u niet verdelgen zo gij des Heeren bent. Het Woord der waarheid daarom is vol van de genadigste beloften en de strelendste aanmoedigingen “om moeilijkheden als goede krijgsknechten van Jezus Christus te verduren,” en nooit in hart of hand toe te geven, om door de zonde of de satan overwonnen te worden.

6. Maar nu komt er een ander wapen van niet minder belang dan het voorgaande, hetwelk is alle bidding. Tenzij wij dit laatste bijvoegsel bij al het overige van onze wapenrusting hebben, zou het zijn als een maliënkolder, welke een dienstknecht draagt bij de stoet van de Lord-Mayor te Londen, als deze zijn optocht doet. De dienstknecht van de Lord-Mayor mocht de wapenrusting dragen, welke de oude Ridders droegen als een herinnering aan de dagen der Ridderschap in de Tower; maar hoe zou hij zich van zijn plicht kwijten als hij, zoals de Ridders van vroeger, tegenover Richard leeuwenhart of Saladyn in het legerkamp moest staan? Hoe zou hij zich in de wezenlijken strijd gedragen, zonder door langdurige oefening het gebruik zijner wapenen te kennen? Dus, tenzij wij deze gezegende genade en gave van alle bidding hebben, om ons goed te oefenen in het gebruik van onze wapenen, hen allen gereed voor de werkelijke dienst te houden, zouden wij schijnen in ridderlijke wapenrusting gekleed te zijn; maar zouden wij de minsten stoot van een vijandelijke kling kunnen weerstaan?

Zegt de apostel niet: “Met alle bidding en smeking, biddende ten allen tijde in de geest?” Merkt op de woorden: “Biddende ten allen tijde met alle bidding en smeking”. Het is dan niet soms maar altijd “biddende”, dat is ten allen tijde, waarin de Heere ons bekwaamt; en wel met alle bidding, dat is allerlei gebed, in het openbaar of geheim, met het hart alleen of de stem; en alle sn7eeking, welke iets ernstiger, vuriger, dringender, iets meer smeekend, meer worstelend dan het gebed is, iets dat meer in zich van Jacobs geest en smeking heeft: “Ik laat u niet los, tenzij Gij mij zegent”.

En merkt ook op, het moet “in de Geest” zijn, niet in het enkel uiten van woorden; niet in de vorm en de gewoonte alleen, geen lippenwerk en tongendienst, maar zoals judas spreekt, “biddende in de Heilige Geest” (Judas: 20); en zoals de apostel spreekt van zichzelf: “Ik zal wel met de Geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden” (1 Kor. 14: 15); “want wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen” (Rom. 8: 26). Zonder deze Geest der genade en der gebeden over ons van boven uitgestort (Zach. 12: 10), kunnen wij zelfs de stukken wapenrusting niet zien, ons door God verschaft.

Wij kunnen de gordel, het borstwapen, de scheenstukken, het schild, het zwaard of de helm niet zien, veel minder die aandoen. Maar als het de Heere behaagt onsmet de Geest van het gebed te zegenen, zien wij de gordel der waarheid en doen dien om onze lendenen; het borstwapen der gerechtigheid en gespen het vast om ons lichaam, de schoenen en steken onze voeten in het Evangelie als het Evangelie des vredes, de helm der zaligheid en plaatsen dien op ons hoofd, dan trekken wij het zwaard des Geestes uit de schede en zwaaien het in satans aangezicht.

7. Maar nu komt er nog een eigenschap voor de Christelijke krijgsman, welke is te waken met alle gedurigheid. Des christenstrijders roeping is altijd op de uitkijk te staan, nooit de wacht te verlaten, zijn wapenrusting af te doen of zijn zwaard ter zijde te leggen. Wanneer zijn de heiligen gevallen? In onbewaakte ogenblikken. Hoe viel David? Door op het platte dak van zijn huis te wandelen in plaats van bij zijn leger te zijn, en door zijn ogen niet voor afzwerven te behoeden. Hij viel uit gebrek aan waakzaamheid. Gij ondervond wellicht hetzelfde. Gij bent in een strik van de satan verward geworden.

Wat gij toen deed werd niet vrijwillig, lichtzinnig gedaan; gij waakte niet, en de satan maakte van uw weerloze staat gebruik om u door zijn listen te overwinnen. Waakzaamheid behoeven wij dus, “om ieder en alles te wantrouwen, en niemand meer dan onszelf, en wel met alle gedurigheid,” om nimmer in slaap te vallen. Gij kent de straf van de schildwacht, die slapend op zijn post wordt gevonden. Zij is volgens de krijgsartikelen de dood. Wij zijn schildwachten; de vijand beloert ons, wij moeten hem gadeslaan. Ogen, oren, tong, handen, voeten, harten, alles moet waken, wij moeten in ene blijvende houding van heilige waakzaamheid leven, anders zal de satan ons zeker overrompelen.

Maar gij zegt wellicht: “Welk een zwaar werk is dit!” ja, het is een zwaar werk, zeer zwaar, geen werk voor luiaards of bloodaards; maar bedenkt dit dat de zaligheid u aan het einde wacht, en, ik mag er bijvoegen, dat er zonder dat geen zaligheid is, want alleen hij, die volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. Het zou moeilijk voor u zijn in een strijd te land of ter zee, wellicht met uw enkels in het bloed staande, te strijden; maar was gij daarin de dienst van de koning, dan moet gij vechten, gij moet niet van het slagveld lopen, noch u verbergen. Valt het zwaar altijd tegen zonde en satan te strijden en de wapenrusting steeds aan te hebben en die schoon te houden? Het kan zijn; maar wat is het gevolg als wij ‘t niet doen? Nederlaag. En wat is nederlaag in deze strijd? Dood en eeuwig wee.

De satan is nooit blijer dan wanneer wij zorgeloos, onbedachtzaam en traag en zonder wapenrusting aan zijn. Zo komt het dan tot deze keus: ik moet of Gods wapenrusting door het geloof aandoen, of omkomen in de strikken van de satan. Het is voor ons geen zaak van onverschilligheid, het is niet alsof ik een maal ‘eet of niet, een kleed aantrek of niet, een zekere tijd slaap of niet. De zaligheid is niet, gelijk die lichamelijke verrichtingen, ene zaak van onverschilligheid. Het komt er op aan, of mijn ziel het genot der zaligheid smaakt, dan of zij eeuwig onder Gods wraak is. Daarom zegt de apostel: Doet aan de gehele wapenrusting Gods, (en zo komen wij tot ons volgend punt), opdat gij in de bozen dag kunt staande blijven.

De “boze dag” komt eens voor ieder en voor allen. Welke is de boze dag? De dag van satans macht, de dag der verzoeking, welke inderdaad een boze dag is en altijd zijn zal, tenzij de wapenrusting ons in staat stelle te blijven staan. Elke dag, welke ook, die voor u een dag der verzoeking is, is voor u een boze dag. Al schijnt de zon voor u en al lacht de natuur u toe, al schijnt alles vreugd om en in u, het is voor u een boze dag, zodra de satan u een strik spant en gij er in valt. Het zal dus wijs en gepast voor ons zijn de nadering van dien bozen dag gade te slaan – en er zijn altijd tekenen dat de boze dag komt.

De regen valt niet zonder wolken; de nacht daalt niet voor dat de zon zichtbaar is ondergegaan; zo ook komt de boze dag niet voor de Christen zonder waarschuwing van boven. Kijkt uit en ziet; zelfs nu is er wellicht een trapsgewijze afneming des lichts; de wolken beginnen samen te pakken; zware. regendruppels vallen op de stenen; de storm steekt op, de boze dag nadert. Wat roofvogel spreidt, gelijk de gier in de fabel, zijn donkere vlerken uit en wet zijn bek en klauwen? Ik zie, ik hoor het klepperen zijner vleugels. De satan komt; ik moet mijn wapenrusting aandoen. Waar is mijn gordel, borstwapen, scheenstuk, schild en helm? De vijand is voor de poorten; de krijgsklaroen klinkt. Doe ik mijn wapenrusting niet aan, dan word ik overwonnen. Waar is mijn zwaard, mijn Jeruzalemse kling, opdat ik de satan bestrijd en hem houw over houw en steek over steek teruggeef?

Dit is dan de boze dag voor de ziel; zij bidde dan en wake, zij neme het schild van het geloof op en doe de wapenrusting aan. Zo – maar ook zo alleen, zal zij staande blijven in de boze dag. Maar hoe zal het ons zijn, als wij geen wapenrusting aan hebben, de gordel der waarheid niet rondom onze lendenen, geen oprechtheid voor God en mensen, geen borstwapen van Christus’ gerechtigheid hebben om ons hart te beschermen, geen hoop der zaligheid om ons hoofd te dekken, geen evangelie des vredes waarin onze voeten kunnen staan, geen schild van het geloof om de vurige pijlen van de bozen af te weren, geen zwaard des Geestes, waarmee wij slag voor slag kunnen teruggeven?

Wel, wij zullen overwonnen worden. Gelijk een naakt man temidden van gewapende krijgslieden, zullen wij ons moeten overgeven voordat het opgeheven zwaard onze schedel doorklieft. Gij ziet dan hoe nodig het is, dat de christen niet alleen moet weten dat er een hemelse wapenrusting is, maar dat hij die moet aandoen, zoals God hem geboden heeft. En hij doet die aan als het de Heere behaagt die voor hem aan te doen, want Hij alleen “richt onze handen ten oorlog en onze vingers ten strijde” af. Hij rust zichzelf toe als de Geest hem te wapen roept en hem kracht en sterkte geeft om de verschillende stukken aan te doen. Slechts zo kan hij weerstand bieden. Maar is hij dan veilig? Sommige der grootste overwinningen zijn op de volkomenste nederlagen gevolgd; zo was het te Marengo, waar Bonaparte de Oostenrijkers versloeg, juist nadat deze de vorige veldslag gewonnen hadden; en ook enige der noodlottigste nederlagen zijn gevolgd op de zegenpraal zelf, zoals Benhadad tot zijn smart ondervond (1 Kon. 20: 29).

Wanneer een leger een slag heeft gewonnen, rust het op zijn wapenen, afgemat door de strijd, zo dan een nieuwe aanval wordt gedaan, hoe spoedig kan de overwinning in een nederlaag veranderd worden! Maar wellicht verstaan sommigen van u mij niet en anderen hebben iets tegen mijn natuurlijke schilderingen en geschiedkundige toespelingen; ik zal u daarom voorbeelden uit de Schrift geven. Ziet op Lot, Gideon en Jeftha. Hiskia viel door trotsheid, nadat de Heere al zijn zonden had weggedaan; Petrus verloochende Jezus na een heerlijke openbaring van Hem als de Zoon van God. Hoe gepast is dus de vermaning:

III. Alles te verrichten om staande te blijven. Veronderstelt nu dat gij al uw vijanden en vrees overwonnen hebt. Gij hebt de gordel der waarheid en het borstwapen der gerechtigheid aangedaan, uw voeten geschoeid, uw hoofd wel beschermd; uw schild is in staat geweest de vurige pijlen uit te blussen, uw zwaard is scherp en snijdend geweest. Zodra dit bij u het geval is geweest, wat volgt ei dan!’ Hoogmoed begint te werken, ijdele glorie en zelfvertrouwen. Gij wenst u geluk met uw behaalde zege, gij verlaat uw wachtpost, rust op uw genlak, en denkt dat gij nu geen strijd meer zult zien, voorwaar, gij mag nu wat rust nemen, gij behoeft nu niet zo biddend, zo waakzaam en volhardend als vroeger te zijn.

Dit is juist de tijd voor de satan om een nieuwe aanval te doen. David Verviel niet tot zonde, toen hij tegen Saul streed; hij was toen op zijn hoe de, en wij zien hoe edel hij tweernaal handelde toen zijn vijand in zijn macht was. Maar toen hij zijn vijanden verslagen had, bleef hij werkeloos thuis, en toen, door de verzoeking overwonnen, struikelde hij en viel vreselijk, en liet een naam na, die in enige opzichten met schande is bedekt, en een hoogst gewichtige waarschuwing voor Gods heiligen om toch op hun schreden te letten. Mogen wij wijsheid uit zulke voorbeelden leren! Al mogen wij gestreden en overwonnen hebben, toch kunnen wij, bij het juichen in de zege, voor de volgende verzoeking bezwijken.

Nooit zijn wij waarlijk veilig dan nadat wij de tijd met de eeuwigheid verwisseld zullen hebben. Maar tot zo lang is er geen veiligheid voor iemand, oud of jong, tenzij in de genade Gods, en die almachtige kracht, door welke Hij hen bewaart, die de Zijne zijn, door het geloof tot de zaligheid. De Heere stelle ons in staat die wapenrusting aan te doen; Hij heeft haar ons verschaft; Hij kan ons daarmee uitrusten, en door de kracht Zijner genade kan Hij ons meer dan overwinnaars doen worden door Hem, die ons heeft liefgehad.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.