Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De opgang uit de hoogte

Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de opgang uit de hoogte; Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduwe des doods, om onze voeten te richten op den weg des vredes.” Luk. 1:78, 79.

Ongeloof is een verdoemende zonde, waar het heerst; maar heeft daarom nog geen verdoemende kracht, waar het bestaat, en tegengestaan wordt. Met andere woorden: de heerschappij en niet het bestaan van het ongeloof in het hart, sluit buiten het Koningrijk der Hemelen. De verworpelingen worden tot een voorbeeld van het eerste gesteld, want zij leven en sterven onder de kracht des ongeloofs; gelijk de Heere zegt: „Indien gij niet gelooft, dat Ik (die) ben, gij zult in uwe zonden sterven.” (Joh. 1:24) „Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet gelooft zal hebben, zal verdoemd worden.” (Mark. 16:16.) De levendgemaakte daarentegen is een toonbeeld van het laatste. Wij vinden schier geen treffender voorbeeld van het bestaan des ongeloofs in de harten van Gods volk opgetekend, dan van Thomas en Zacharia. In het hart van Thomas werkte en woelde de geest des ongeloofs zo krachtig, dat hij niet geloven wilde, dat de Heere Jezus van den doden was opgestaan, tenzij hij „in Zijne handen zag het teken der nagelen, en zijne vinger stak in het teken der nagelen, en Zijne hand stak in Zijne zijde:” ofschoon dat ongeloof niet alleen overheerst werd ten goede van Gods kerk door alle tijden, maar ook tot heil van den ongelovigen Discipel, toen zijne ongelovigheid krachtig overwonnen werd door de sterkte des geloofs, in hetwelk zijne ziel zich openbaarde, toen Jezus tot Hem zeide: „Zijt niet ongelovig maar gelovig.” Zijn geloof kwam tot zijne gehele sterkte, hoe krachtig het ook overrompeld ware. En ongetwijfeld was het evenzo met Zacharia, die tqt straf voor zijn ongeloof, negen maanden met gesloten mond moest zitten: Want toen de Heere zijn tong losmaakte, „werd hij vervuld,” lezen wij, „met den Heiligen Geest, en profeteerde” in dien gezegende lofzang, die ons op het einde van Lukas eerste hoofdstuk staat opgetekend.

De vraag is dus niet, of wij ongeloof in onze harten hebben; maar of dat ongeloof ook weerstand geboden wordt? Wee ons, indien wij van niets anders weten, dan van ongeloof! Maar wanneer gij dit inwonende ongeloof door een grondbeginsel van genade wordt tegen gestaan, weerstand geboden en bestreden, dan zal de strijd ook eindelijk in zegepraal en overwinning uitkomen. Drie zaken worden ons in den tekst ter overweging aangeboden:

  1. Een verklaring van een aller gezegendst feit: „met welke ons bezocht heeft de opgang uit de hoogte.” De bron en oorsprong van dat gezegend feit: „door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods.”
  2. Dezelve Goddelijke vruchten en gevolgen: „om te verschijnen degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduwen des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.”
  3. In de beschouwing dezer drie punten, verenigd met en vloeiende uit den tekst, zal ik liever dezelve orde omkeren, en eerst overwegen de bron en oorsprong der zegeningen in den tekst vermeld. Wij vinden die uitgedrukt in de woorden: „door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods.” Barmhartigheid is de bron en fontein van al onze geestelijke zegeningen. O, hoe lieflijk, gepast en dierbaar is die Goddelijke deugd, barmhartigheid) voor hen, die zich kennen en gevoelen zondaars te zijn! Er is geen deugd, geen volmaaktheid in God, die zo voegzaam, zo aannemelijk is voor hem, die den angel der schuld in zich gevoelt, als dat de Heere barmhartig en genadig’ is; (Ex. 34:6) en dat „er vergeving bij Hem is, opdat Hij gevreesd wordt.” Maar wij moeten het niet vergeten, dat wij alleen geestelijkere bevindelijke wijs in deze Goddelijke deugd ingaan, naar mate wij daar aan behoefte hebben.

“Barmhartigheid is heerlijk nieuws.
Voor hen die schuldig zijn;”

Maar ook voor geen anderen. Zullen wij daarom zien de diepte, gevoelen de zoetheid, en proeven de dierbaarheid van Gods barmhartigheid, dan moeten wij een bevindelijke kennis des harten hebben, dat wij zondaars zijn voor een heilig en rechtvaardig God. En hoe dieper wij zijn ingeleid in een kennis van onze zondaarstaat voor God, des te beter zijn wij in staat, die gezegende deugd van Gods barmhartigheid te prijzen en te waarderen. Maar wat is barmhartigheid? — O! het behelst onderscheidene bijzonderheden.

  1. Het behelst in zich een gevoel van medelijden en ontferming. Maar medelijden en ontferming geeft ons nog geen volkomen denkbeeld van barmhartigheid; want wij lezen, dat Gods barmhartigheden over al Zijne werken zijn. (Ps. 145:9.) Zo ook lezen wij, dat God, bij de verschoning van Ninevé, zelfs het vee gedacht. (Jona 4:11). En als God de wateren des vloeds deed ophouden, dan was het, „omdat Hij gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan het vee, dat met hem in de ark was.” (Gen. 8:1). Zelfs over het woeste schepsel is er barmhartigheid en medelijden in het hart van zijnen Schepper. Zo vol van barmhartigheid „houdt Hij den wees en de weduwe staande;” (Ps. 146:8) en heeft „den vreemdeling lief, dat Hij hem brood en kleding geve.” (Deut. 10:18).
  1. Willen wij ons daarom voorstellen wat barmhartigheid is, zoals zij zich uitstrekt tot het volk van God, dan moeten wij bij het denkbeeld van medelijden en ontferming, ook dat van vergeving paren. Want het volk des Heeren zijn zondaars en overtreders van Gods heilige wet, en als zodanig hebben zij vergeving nodig. En de Heere heeft Zich Zelven in Zijn Woord geopenbaard en verklaard, als de „Heere, Heere God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid; Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft.” (Exod. 34:6, 7.)
  2. Doch om de beschrijving van barmhartigheid te volmaken, moeten wij nimmer vergeten, dat zij vloeit door het bloed en de gehoorzaamheid van Immanuel. Barmhartigheid is niet, gelijk de schepping, een blote ontdekking van een deugd en volmaaktheid van Jehova. Als ik het zo eens zeggen mag, — het kostte God een prijs: “Gij zijt duur gekocht.” (1 Kor. 6:20). Het was in den Vader geen blote oefening van medelijden en ontferming; het kostte Hem de overgifte van Zijn eniggeboren Zoon. Het kostte den Zoon Zijne folteringen, lijden en dood. Het kostte den Heiligen Geest dezen prijs: dat Hij zoude nederdalen en Zijn verblijf nemen in het harte van zondaars, en hunne zeden dragen in de wildernis. Dus is barmhartigheid niet slechts medelijden en ontferming, noch de blote vergeving van zonde; maar als vloeiende door het kanaal van Immanuels dierbare gehoorzaamheid — het kostte de Drieenige God een oneindige, onuitsprekelijke prijs.

Doch er, is een uitdrukking in de tekst, die deze barmhartigheid nog veel meer doet uitkomen, en daarover een aangenaam licht verspreidt. Zij wordt genoemd: „innerlijke bewegingen van barmhartigheid;” letterlijk, gelijk in de kanttekening staat: “ingewanden van barmhartigheid.” Niet slechts barmhartigheid; maar „innerlijke bewegingen der barmhartigheid.” Geen koude en naakte barmhartigheid; maar een barmhartigheid, die ontspringt en voortkomt uit de ingewanden van Goddelijke ontferming. Evenwel moeten het ook de innerlijke bewegingen der barmhartigheid zijn, die in ontferming op de kinderen der mensen konden neerzien, en zulke rampzalige ellendelingen uit de diepten van den val opheffen.

Hoe weinig kennis hebben wij aan onzen wezenlijke staat en toestand voor de ogen van een heilig God! Wij baden ons zo niet in het element der zonde; dat is zo onze natuurlijke dampkring, dat wij geen bevatting hebben van wat die moet zijn in de ogen van een reine Jehova, Die boven dezen dampkring zetelt. Ik zal mijn mening door een voorbeeld trachten duidelijk te maken. Stelt u voor, dat wij uit de reine heldere lucht geroepen werden in de ontleedkamer van een hospitaal, of de cel van een gevangenis te bezoeken, of, wat misschien nog veel erger was, om een plaats, waar de grootste armoede en ellendigheid dezer hoofdstad heerst, binnen te gaan. Welke gewaarwordingen van afkeer en tegenzin zouden wij gevoelen bij die getuigenis van vuilheid en walging! Maar de inwoners gevoelen dat niet: de verpestende lucht, die zij in hunne cellen en holen inademen hindert hen niet, omdat gewoonte daaraan hun verhard en ongevoelig gemaakt heeft voor dat verderfelijke. Het tegenovergestelde daarvan met de reine, zuivere lucht maakt ons zo vatbaar voor het gevoel dezer verandering. Alzo woont de heilige, Drieenige God in enen dampkring ener oneindige en eeuwige reinheid, boven alle bevatting van een eindig wezen: want de Heilige Schrift zegt: “Die een ontoegankelijk licht bewoont.” (1 Tim. 4:16.) Maar wij, diep gezonken ellendigen, het walgelijk zaad van gevallene ouders, zijn zo van onzen aanvang af opgevoed en gekweekt in een lucht van onreinheid; — de zonde is zo geworden ons element, de lucht die wij bij elke ademhaling inademen, en wij zijn daaraan zo gewend, dat wij van nature even ongevoelig zijn voor de verpestende lucht, waarin wij ons bewegen, als de koortsachtige lijder voor de reuk van zijn opgesloten vertrek.

Daarom kunnen wij niet ten volle ingaan in de breedte, de lengte, de diepte en de hoogte dier innerlijke bewegingen van Gods barmhartigheid, omdat wij zo weinig weten van de ontzaggelijke diepte van onzen val. De diepe afgrond, de ontzaggelijke klove, de grondeloze diepte van ’s mensen verdorvenheid kan nooit met het dieplood van het schepsel gevademd worden. Doch naarmate Gods Geest ons enige, hoewel duistere en zwakke beschouwing, geeft van de reinheid en zuiverheid Gods; en die Goddelijke reinheid tegenover de vuilheid en onreinheid onzer snode en bezoedelde natuur overstelt, naar die mate beginnen wij iets te leren van die barmhartigheid, die zich zo laag vernederde tot onder den bodem van de diepte der val, en de eeuwige armen van onder onze bezoedelde zielen uitstrekte, om die uit een eeuwig verderf te redden. Evenwel, willen wij de barmhartigheid in haar waar karakter leren kennen, dan moeten wij ons verplaatsen op Calvarie. Het is niet genoeg de reinheid Gods te vergelijken met de onreinheid des mensen. Het is zo, dit geeft ons enige beschouwing van den aard dier barmhartigheid, die de diepten van den val moet omvatten — de ene zijde van het gelaat dier dierbare volmaaktheid. Maar om haren vollen glans in het verlossen te aanschouwen, moeten wij door het geloof, onder de verborgene onderwijzing en leiding des Heiligen Geestes, den Immanuel, God met ons, zien kruipen in Gethsémané’s hof. Wij moeten Hem beschouwen gelijk Hij daar geheel naakt aan het kruis kermde; Zijn bloed stortte, gefolterd werd en stierf. Wij moeten een gezicht hebben van de Godheid en de mensheid tezamen verenigd in de Persoon van een lijdende Jezus; ook, hoe de kracht der Godheid de lijdende mensheid ondersteunde en droeg. Wij moeten beschouwen, dat wonderlijke toonbeeld van liefde en bloedstorting, en onze ogen voelen overstromen van een’ vloed van droefheid, ootmoedigheid, en verslagenheid des aangezichts — om enigszins in te gaan in de diepten der „innerlijke bewegingen der barmhartigheid Gods.” Dit alleen kan het zondaarshart verbreken.

„Waar wet en vloek het hart verstalen.
Daar zal ’t besef, — door God gewrocht 
Hoe ’t bloed-rantsoen vergeving kocht.
Aldra een stenen hart vermalen.

De verschrikkingen der wet, dood en oordeel, oneindige reinheid, een eeuwige wraak zal eens zondaars hart niet vertederen of verbreken. Maar wanneer hij een gezicht bekomt van een lijdende Immanuel, en er in zijne consciëntie een zoete getuigenis opgewekt wordt, dat dit lijden en verdragen om zijnent wil geschiedde — dit, en dit alleen zal zijn harte verbreken en vermorzelen. Alleen door een liefelijk besef van liefde en bloedstorting, door den gezegende Geest in het hart gewerkt, bekomt de zondaar enige kennis aan de diepten der innerlijke bewegingen van Gods barmhartigheid.

1. Maar laat ons voortgaan tot het overwegen dier plechtige verklaring, dat gezegend feit, opgesloten in de woorden: „met welke ons bezocht heeft de opgang uit de hoogte.” Gij zult opgemerkt hebben, dat er een verband bestaat tussen de “innerlijke bewegingen van Gods barmhartigheid,” en het bezoeken van „den opgang uit de hoogte.” De tedere barmhartigheid Gods is de fontein, en het bezoeken van de opgang uit de hoogte is de stroom.” Laat ons, onder de bekwaam makende genade Gods, trachte te ontvouwen, den zin en mening des Geestes in deze worden. Zien wij eerst, wat wij door dien „opgang uit de hoogte” te verstaan hebben. Door den “opgang” wordt bedoeld de dageraad, de voorloper van de opgaande zon, de afwisseling van duisternis tot licht, de eerste nadering van den morgen; in één woord: het aanbreken van den dag. Maar wat is deze “opgang” in het geestelijke? — Het is de aanduiding van het opgaan van de Zon der gerechtigheid. Het is niet hetzelfde als de Zon der gerechtigheid; maar de voorloper de boodschapper van hare komst: de stralen, die de opgaande Zon op de met nachtelijk duister beklede aarde schiet, aankondigende de komst van Jezus — „den Koning in Zijne schoonheid.” Deze uitdrukking was bijzonderlijk van toepassing in den mond van Zacharias, De Heere van leven en heerlijkheid was toen nog niet verschenen: Hij was nog in het lichaam van de maagd Maria. Maar Zijn voorloperJohannes was als de voorbode al- reede verschenen, als het bewijs van Zijne nadering, en was gezonden om aan te kondigen, dat de Zon der gerechtigheid aan het opgaan was.

“Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was gezonden, opdat Hij van het licht getuigen zou.’’ (Joh. 1:6—8). Alle volkeren lagen te dier tijde in duisternis. — „De duisterheid zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken.” (Jes. 60:2). Maar toen de Heere van leven en heerlijkheid stond te verschijnen op aarde; toen Hij alreeds op Zich genomen had, het lichaam Hem toebereid, (Hebr. 10:5) zelfs het vlees en bloed der kinderen, (Hebr. 2:14) hetwelk Hij zou opofferen tot een verzoening voor de zonden — toen was „de opgang uit de hoogte” begonnen te breken. Gods barmhartigheid, in het aangezicht van Zijnen geliefden Zoon, was juist deze duistere aarde komen bezoeken. Maar ook kunnen wij een bevindelijke toepassing van deze woorden maken. De opgang uit de hoogte behoeven wij niet alleen te bepalen bij de nadering van den Zoon van God in het vlees; maar wij nemen de vrijheid om dat te verwijden, tot de verschijning van den Zoon van God in het hart. Waarlijk de verschijning van Jezus Christus in het vlees, nu meer dan achttienhonderd jaren geleden, is mij niet die grote weldaad, tenzij Hij komt wonen in mijne ziel. “De opgang uit de hoogte,” wordt de verduisterde Joodse kerk bezocht, zal ons geen wezenlijk nut aanbrengen, tenzij diezelfde opgang onze, door het nachtelijk donker bevangene harten bezoekt.

Deze „opgang uit de hoogte” is de ontdekking van Gods barmhartigheid, in het aangezicht van den Zaligmaker. En wanneer deze „opgang uit de hoogte de ziel bezoekt, is het de eerste aankondiging, de morgenstralen van de Zon der gerechtigheid in het harte. Deze “opgang uit de hoogte” bezoekt de ziel met de eerste Goddelijke aankondiging in de consciëntie gedropen, betrekkelijk den Persoon, het werk, de liefde en het bloed van den Zoon van God. Tot dat deze dageraad in de ziel straalt, is zij merendeels onkundig van de weg, door welken een zondaar moet zalig worden. Zij heeft misschien beproefd hare eigene gerechtigheid uit te werken; en heeft gearbeid en gestreefd om een heiligheid voort te brengen, die Gode aangenaam is. Maar wat was het gevolg van dit trachten en pogen? Hebben zij vrede in de ziel gewrocht? Hebben zij haar niet veeleer in groter diepte van schuld en schaamte gedompeld? Heeft de uitkomst niet geleerd, dat zij een spinnenweb, een hoop des huichelaars, een te kort deksel, en een te eng bedde waren? — En evenwel heeft dit streven en arbeiden, om zelf een gerechtigheid aan te brengen, een voordelige vrucht in de ziel gewerkt; want door pijnlijke ondervinding ten volle overtuigd zijnde, dat zij niets van zich zelve heeft, is de ziel bereid, om door geloof de gerechtigheid van den Zone Gods aan te nemen. Maar de eerste “opgang uit de hoogte,” die gewoonlijk de ziel bezoekt, is uit ene beschouwing des dierbaren geloofs van den heerlijken Persoon van Immanuel. Aleer wij niet met de ogen des geloofs den heerlijken Persoon, Immanuel, God met ons, aanschouwen, is er geen dageraad in het hart! O! wij kunnen de leer van Christus Persoon in ons oordeel zien, verre vóór wij die beschouwen in onze ziel. Er is een bijzondere onderwijzing des Heiligen Geestes in de bekendmaking van Christus Persoon. Er is eene opklaring van Zijne schoonheid en beminnelijkheid aan het oog des geestelijken verstands; een wegnemen van het deksel van blindheid en ongeloof, hetwelk van natuur over het hart ligt; een opwekken van een levend geloof om uit zich zelven te gaan tot Hem; eene inblazing van Hemelse genegenheden in de ziel, waardoor zij Jezus omhelst in de armen van heilige liefde, en zegt: „Wien heb ik nevens U in den Hemel? nevens U lust mij ook niets op aarde!” Dit zal ook altijd vergezeld gaan met vertedering der ziel in een plechtig uitzien, met bewondering van Zijne schoonheid, met aanbidding van Zijnen heerlijke Persoon; met een toevertrouwen van lichaam, ziel en geest in Zijne bewaring; met een plechtig overgeven van alles, wat wij zijn en hebben in Zijne genadige handen, als Die bekwame, om ons pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag — den dag Zijner verschijning. Wanneer zo het hart is geopend, de genegenheden uitgehaald, de geest vertederd, en de gehele ziel gesmolten in een gelovig gezicht van den heerlijke persoon des Zoons van God — dan heeft de “opgang uit de hoogte” de zondaar bezocht.

Maar als wij den heerlijke Persoon van Jezus Christus beschouwen, dan bekomen wij ook een gelovige beschouwing van Zijn verzoenend bloed, en zien tevens de oneindige waardigheid van hetzelve. Wij zien des zelfs onuitsprekelijke dierbaarheid — dat het is het bloed van Gods Zoon; dat het is een heilig bloed, een dierbaar, zonde-vergevend, consciëntie-reinigend bloed, dat het de enigste offerande is, die Gode geofferd werd en den Vader welbehaaglijk is; dat daarin is de enigste verzoening voor de zonde; daar er geen andere weg is tot zaligheid, geen vergeving van zonden, geen ware vrees des gemoeds, dan die vloeit uit de dadelijke toepassing van dat bloed. Dit leidt de ziel tot een beschouwing van dat bloed, tot een steunen op dat bloed, tot een betrouwen in dat bloed, en tot een steeds meerder zoeken naar een geestelijke ontdekking en de bevindelijke genieting van dat bloed. Dus werpen wij onze eigene gerechtigheid weg, vertreden onze daden, gaan uit van onszelf, werpen een verlangend en kwijnend oog naar dat bloed, hetwelk “reinigt van alle zonden.” Alzo ook met betrekking tot de heerlijke gerechtigheid van Immanuel. Wanneer ons geloofsoog ziet, dat het „de gerechtigheid Gods” is omdat het de gerechtigheid is van Immanuel, God met ons, — wanneer wij in al dezelve kracht gevoelen, hoe volmaakt en volkomen Jezus de wet vervuld heeft; welk een onbevlekte gehoorzaamheid haar van Hem geworden is, dat Hij ze heerlijk en eerwaardig maakte, al derzelve heilige eisen en geestelijke geboden vervullende, — wanneer wij mogen opvangen een’ straal Zijner gerechtigheid, als „tot allen, en over allen, die geloven,” en derzelve aangrijpen als al onze gerechtigheid in de ogen van een heilig God — wanneer dit wordt gezien en gevoeld, dan heeft ons bezocht “de opgang uit de hoogte.”

Elke openbaring van barmhartigheid, elke getuigenis Gods, ieder kenmerk en teken ten onzen goede, ieder bewijs dat onze plaats is onder de kinderen Gods, elke met kracht toegepaste belofte, alle heilige liefdes uitgangen, elke tedere gewaarwording, alle kinderlijk afhangen en steunen op Gods getrouwheid, elke verzuchting des harten aan den troon der genade, — is zelve, of is verbonden met de bezoeking van dezen „opgang uit de hoogte.” Trouwens elke straal van geestelijk licht, elke gewaarwording van Goddelijk leven, ieder gevoel van ootmoedigheid, elke aandoening van Goddelijke droefheid, — wat er ook Hemels, heiligs en Goddelijks in de ziel moge wezen, vloeien allen uit den „opgang uit de hoogte,” die ons bezocht heeft. En welk ene zoetheid ligt er in de uitdrukking: „ons bezocht heeft!” Immers wij denken hier vooreerst, dat dit ene daad van een vriend is. Als ik enen vriend heb, en die een bezoek geef, dan is dat een teken van mijne vriendschap en toegenegenheid. In dien zin dus, geeft dat woord te kennen, dat er een tederheid en toegenegenheid is in den „opgang uit de hoogte;” dat hij tot ons komt op een vriendelijke wijze — dat het niet is de wrake Gods tot verderving, maar de barmhartigheid Gods tot behouding.

Een ander denkbeeld daaraan verbonden is onverwachtheid. o is het in het natuurlijke. Wij ontvangen een onverwacht bezoek. Wij hebben misschien al voor lang naar onzen vriend uitgezien; maar de bestemde tijd is verstreken, en geen welbekend geklop werd er aan de deur gehoord. Het verwondert ons, dat onze vriend zolang zijn komst heeft uitgesteld. Maar als wij het misschien het minst verwachten, zien wij onzen vriend voor onze ogen. Zo ook in het geestelijke. Wij mogen verlangen en reikhalzen, hopen en wachten naar het bezoek van “den opgang uit de hoogte,” maar hij verschijnt niet, de Heere vertoeft in Zijne komst; er is geen aankondiging van Zijne nadering, geen stellen van Zijne hand aan het gat van de deur, geen zien door de traliën, geen straal noch glans van Zijn beminnelijk aangezicht. Maar ziet, wanneer wij het misschien minst verwachten en menen te mogen verwachten, — wanneer het gemoed zo diep begint te zinken, dat er schier geen hoop meer overblijft, en het ongeloof zich zo heeft uitgebreid, dat er schier geen zucht meer gehoord wordt, zal de „opgang uit de hoogte” de ziel bezoeken, en des te dierbaarder zijn, nu hij zo onverwacht en schielijk ons verrast.

  1. Maar deze „opgang uit de hoogte” bezoekt de ziel om zekere vruchten en gevolgen voortbrengen. Twee derzelve worden afzonderlijk in den tekst vermeld. De ene is: “om te verschijnen degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduwe des doods;” en de andere is: „om onze voeten te richten op den weg des vredes.”
  2. “Om te verschijnen degenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduwe des doods” Is dit de vrucht van het bezoeken der „opgang uit de hoogte?” Moeten wij dan niet iets kennen van de bevinding hier beschreven, om gezegend te worden met het bezoek? Moeten wij geen gevoelige kennis hebben aan, wat het is “in de duisternis en schaduwe des doods gezeten te zijn,” opdat wij deze Hemelse bezoeken, die onzen geest bewaren, mogen ontvangen? Laat ons zien, of wij niet iets van de zaak weten. Spreek nooit van Gods bezoeken aan uwe ziel, of van de dierbare ontdekkingen van den Zoon van God, indien gij nimmer kennis hadt aan het zitten „in de duisternis en schaduwe des doods,” want zulke bezoeken zijn alleen voor dezulken bestemd. Ze zijn de enigste personen, die de dierbare Heere in barmhartigheid bezoekt. En indien wij daar nooit geweest zijn, dan is al onze hoop bedrog, en al onze belijdenis slechts bij name.

Maar laat ons de woorden enigszins van nabij beschouwen. „Degenen, die gezeten zijn in duisternis.” Wat hebben wij hier door duisternis te verstaan? Is het alleen, wat ik moge noemen: zedelijke duisternis, natuurlijke duisternis? Neen, niet de duisternis der onwedergeboorte; niet de duisternis van zonde en Goddeloosheid; niet de duisternis ener blote, ledige belijdenis. Deze dingen zijn inderdaad duisternis, grote duisternis: maar zij, die zo verblind zijn door de God dezer eeuw, zijn nooit bevindelijkerwijs in de duisternis gezeten. Zij zijn gelijk de Joden, die tot Jezus zeiden: „Wij zien; en daarom bleef hunne zonde.” “Wij duister? Wij onwetende? foei! welk een denkbeeld” — zodanig is de taal van geestledige belijders. Maar des Heeren wedergeboren, teerhartig volk, wordt dikwijls pijnlijk gewaar, wat het is in duisternis te zitten.

Maar waaruit ontstaat deze duisternis? Vreemd gezegde; — zij ontstaat uit licht. Duisternis als duisternis wordt nooit gezien, noch gevoeld. Licht is noodzakelijk, om de duisternis te bemerken; leven wordt er geëist, om de duisternis te gevoelen. Er zijn kinderen in Hongarije, die in het binnenste van een mijn geboren en opgevoed zijn. Hebben deze kinderen kennis aan de duisternis, gelijk iemand, die uit het heldere licht des daags die mijn binnen^ treedt? Integendeel, waar hun niet gezegd wordt dat daar buiten een zon is en geen tijding van het licht hunne oren bereikt, zouden zij misschien leven en sterven in ene volslagen onkunde van de zon, die aan den-Hemel licht. Alzo in het geestelijke. De mens, geboren en opgevoed in de diepten van de mijn der natuur, weet van gene duisternis; maar wanneer er Goddelijk licht in de ziel opgaat, ontdekt dat hem zijne duisternis; want alle dingen worden door het licht kennelijk, gelijk de Apostel zegt: „Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar: want al wat openbaar maakt, is licht.” (Efez. 5:13). Alleen dus het licht van de onderwijzing Gods in de consciëntie des mensen, maakt hem bekend met zijne duisternis; en Goddelijk leven in zijne ziel geeft hem die te gevoelen.

Doch wat hebben wij door die duisternis te verstaan? — Het afwezen van alles, wat licht en vrede in het hart brengt. Onze bewijzen met wolken bedekt, onze tekenen niet te kunnen zien, onzen weg, dien de Heere ons leidde, niet te kunnen nasporen: de genade Gods in onze harten niet te kunnen verwezenlijken; de handelingen des levenden geloofs met den Zoon van God niet gewaar te worden; het anker der hoop niet te kunnen werpen achter het voorhangsel; de indalingen Zijner genadige tegenwoordigheid, in de openbaringen Zijner goedertierenheid en liefde, niet dadelijk te genieten — dit alles is duisternis. En o! Hoe velen ja, hoe verre de meerderheid van Gods volk wandelt in duisternis, zonder licht te hebben! Ja, ik verstout mij te zeggen, dat er onder Gods kinderen van de honderd wel negentig gevonden worden, die meer of minder in duisternis wandelen; en dat de gevoelige gewaarwordingen van leven, licht en vrede vergeleken met de doodigheid en duisternis, schier niet bij elkander te noemen zijn.

Maar er is een woord in den tekst, hetwelk voor mijn gemoed van groten omvang is, d.i. „gezeten te zijn in duisternis.” Zij komen niet voor als staande: want dit zou slechts te kennen geven een ogenblikkelijke overgang uit het licht in de duisternis. Zij komen niet voor als lopende: want dat kon ons doen denken, dat aldra de duisternis achter den rug zou zijn. Zij worden niet voorgesteld, als neder liggende: want dat kon ons tot de veronderstelling leiden, dat zij met hunne duisternis voldaan waren. Maar zij worden gezegd: gezeten te zijn in duisternis. Dan zijn zij voorzeker niet dood. Ook zitten zij daar niet op hun gemak en in rust; maar zijn in die houding, omdat zij zich noch voor- noch achterwaarts kunnen bewegen, noch ter rechter- noch ter linkerhand wenden.

De aloude gedenkpenningen wijzen ons aan, hoe Jeruzalem door de Romeinen gevankelijk weggevoerd, voorgesteld werd, als op den grond te zitten. Daar vinden wij aangekondigd in Psalm 137:1,2: — „Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden’ wij, als wij gedachten aan Sion. Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.” Zitten was bij ouds de plaats der treuring. Job „zat neder in het midden der asch;” en zijne vrienden „zaten met hem op de aarde.” „Hare poorten,” zegt Jesaja (3:26) zullen treuren en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.” Zitting geeft alzo een volharding in enen staat te kennen: een wachten, een uitzien, een begeren, een verbeiden, een verlangen naar de intrede van licht. Daarenboven. Er wordt een ander woord bijgevoegd, hetwelk over den persoon, die van tijd tot tijd bezocht wordt met de opgang uit de „hoogte”, enig licht verspreidt. Zij zitten niet slechts in duisternis maar ook in de schaduwe des doods. Hoe nadrukkelijk — „schaduwe des doods!” Mijns inziens zijn daarmede onderscheidene denkbeelden verbonden.

Wij willen eerst ons bepalen bij de uitdrukking: „dood”. De dood heeft, met betrekking tot Gods volk, een tweeërlei aanzien. Er is een bevindelijke dood in hunne harten, dat is: doodigheid in hunne gestalten; en een tijdelijke dood. dat is: de afscheiding der ziel van het lichaam. Beide deze doden, werpen somtijds een zwaarmoedige schaduw over de zielen van Gods volk. Het woord is van groten nadruk. Zij zitten niet in den dood; immers dan zouden zij geheellijk dood en levenloos zijn; maar zij zitten in de schaduwe des doods. Merk wel op: de dood heeft zijn waar karakter voor hen verloren; hij kan nu slechts een schaduw, dikwerf eene zware schaduw, over hunne zielen werpen, maar zijn wezen heeft hij voor hen niet meer. De levend making van Gods Geest in hen, heeft het wezen van den geestelijken dood weggenomen; en de dood en de opstanding Christi heeft het wezen van den tijdelijken dood vernietigd. Des niettegenstaande, dat zwaarmoedige monster, doodsheid der ziel, en die vreselijke koning der verschrikking, de dood des lichaams, door „Immanuel God met ons”, werd ontwapend en vernietigd, zo werpen zij beiden somtijds een zware, duistere schaduw over de zielen over degenen, die God vrezen. Is niet uwe ziel, arm kind van God! somtijds met dezen inwendige dood geoefend? — doodigheid, in het gebed, in het lezen van Gods Woord, onder de prediking des Evangelie s, in het begeren naar den Heere — ja, doodigheid met betrekking tot alles wat heilig, Hemels en Goddelijk is? Gevoelt gij somtijds niet eene verstijving, eene verdoving, een vleselijkheid, een wereldsgezindheid alsof elke begeerte uit uw ziel gedoofd was? Het is mij, helaas! geen vreemde zaak.

O hoe schijnt dit koude, klamme monster, de dood, zijn kleverige armen om de ziel te slaan! Ik heb eens gelezen van een’ reiziger, die terwijl hij eene schuilplaats kwam zoeken in een woeste rots, schielijk omvangen werd door een monsterachtige zeemonster. De ziekelijke gewaarwordingen door dit koude monster veroorzaakt, en dat trekken aan zijne kaken om hem te verslinden, beschreef hij onuitsprekelijk te wezen, en alleen door de hulp van den kapitein met zijn mes, werd hij gered. Ik zou misschien niet geheel onevenredig, onze gedurige doodheid der ziel, die elke begeerte van ons harte omvangt, bij de omhelzing van dit zeemonster kunnen vergelijken. Hoe verstijft en verlamt het elke verzuchting onzer ziel tot God! Hoe bederft en verwelkt het alle gebeden, alle hijgende begeerten, alle smachtende genegenheden, alle geestelijk- en Hemelgezindheid, alle ware Godsdienst, alle kinderlijke vrijmoedigheid, alle vruchten en genaden des Geestes, die wij gestadiglijk gewaarworden! Nochtans is het slechts ene schaduw. O arm, verzocht en geoefend kind van God! omdat gij zulk ene doodighéid en koudheid somtijds in uw hart gevoelt, daarom hebt gij nog geen bittere dingen tegen u zelven te schrijven. Het zal u niet vernielen; neen, alleen het leven uwer ziel, maakt u dat te gevoelen: en hoe meer het leven Gods in uwe consciëntie openbaar wordt, des te pijnlijker zal de doodigheid van uw vleselijk gemoed bevonden worden. Of meent gij, dat uw vleselijk gemoed immer zal leven in de dingen Gods? Wat is er aan, dan een dode massa, een monster van Goddeloosheid, die gelijk een Behemoth,gedurig zijne brede flanken in het hart uitspreidt? Evenwel zijn Gods kinderen dikwerf zeer benauwd in hunne gemoederen, door de zwaarmoedige schaduw, die deze dood over hunne zielen werpt. Maar is dat geen kenteken van leven? Waren zij dood, zij zouden daarvoor gevoelloos zijn. Het ergste teken van enen dode in de zonden is, dat hij het zelf niet gevoelt. Maar, zolang wij daar gevoel van hebben, en deswege zuchten, dat haten, en ons zelve deswege verfoeien, zal het ons, hoe ook pijnigen en grieven, niet vernielen of verderven. De dood heeft zijn wezen verloren, hoewel hij zijne zwaarmoedige schaduw nog van zich geeft.

Maar er is een andere dood, die, ofschoon zijn wezen verloren hebbende, ene zwaarmoedige schaduw over een Godvrezend hart kan brengen, — dat is de natuurlijke dood, de scheiding van ziel en lichaam. Welk een donkere schaduw trekt de dood over de ziel in tijden van donkerheid, als onze hoop laag gezonken, ons geloof schijnt verstorven en de liefde het hoofd buigt; wanneer de Heere Zich verbergt, en wij niet gevoelen een zoete getuigenis van aandeel te hebben in Zijne liefde en bloed! Hij wordt gevreesd, hij maakt bevende; hij wordt een koning der verschrikking. En ofschoon ook een gelovige verzekert zij van zijn aandeel aan de liefde en bloedstorting des Zoons Gods, zo is het nochtans niet klaar en kennelijk, hoe het hem in dat plechtig uur wezen zal.

Maar hebben wij dan vóór het ogenblik van sterven ook geloof tot sterven nodig? Of is het des Heeren weg enig geloof in voorraad ons ter hand te stellen? Misschien zien wij op den dood; en onze zielen schrikken terug. Wij denken aan de angsten van ons eigen stervend lichaam, wij beschouwen het lijden van een ziekbed, wij herinneren ons een lieve vrouw en betrekkingen, hunne tijdelijke omstandigheden en duizend andere dingen, die het gemoed benauwen en plagen: en wij hebben voor dien tijd geen krediet in God, om te geloven dat Hij die dingen zo beheersen en schikken zal, als het meest Zijne barmhartigheden in deze ellenden kunnen geopenbaard worden. Van waar komt dit? Wel, wij menen stervenstroost nodig te hebben vóór wij geroepen worden te sterven, en wij denken, dat de Heere ons met een kapitaal (dat ik mij zo eens uitdrukte) moet beweldadigen, opdat wij ons daarmede zouden kunnen redden in de ure der beproeving. Maar dit kan immers niet. Dan zou er geen beproeving des geloofs meer mogelijk zijn. Wanneer Gods volk in die duistere vallei zal komen, zal Zijn stok en staf hen vertroosten: “en hunne sterkte — zo luidt de belofte, —- zal naar hunne dagen zijn.”

Nu voor hen, „die gezeten zijn in duisternis en in de schaduwe des doods,” is de “opgang uit de hoogte” gekomen. Zij zijn ook de enigste, die er behoefte aan hebben. Hoe vreemd, dat degenen, die ze zich niet nodig keuren, de eersten zijn om hen te eisen; en dat zij, die er behoefte aan hebben, niet geloven dat het voor hen is! Hoe vreemd geheimzinnig is de belijdende wereld! — dat zij, wien alle zegeningen bestemd zijn, wien God liefhad, met ene eeuwige liefde, en besloot tot heerlijkheid te leiden, gemeenlijk de laatsten zijn, die Gods barmhartigheid aangrijpen; en dat zij, die slechts leven bij naam, ene gedaante der Godzaligheid hebben, terwijl zij dezelve kracht verloochenen, de eersten zouden zijn, die stoutmoedig toelopen en met onheilige handen die zegeningen eisen, die alleen Gods arm, verzocht volk toebehoren! Wel mocht Johannes. (Openb. 17: 6) ziende de verborgenheid der scharlakenrode vrouw, zich grotelijks verwonderen, — wel mocht hij zich verwonderen, zeg ik, de ware kerk in de wildernis gedreven te zien, en de belijdende kerk bekleed met scharlaken en purper, als een koningin zittende, zeggende, dat zij geen droefheid zoude zien! Maar alleen dan, als wij „gezeten zijn in duisternis en schaduwe des doods”, bezoekt ons „de opgang uit de hoogte.” En o! Hoe liefelijk, dierbaar en gepast, is elke dageraad der hoop, elke morgenster der barmhartigheid, iedere verschijning van de Zon der gerechtigheid voor hen, „die gezeten zijn in duisternis en schaduwe des doods!” Niemand anders heeft er trek in; niemand anders zal dat waarderen. Zullen wij daarom iets van haren zoeten inhoud gewaarworden, dan moet dat duistere en onvruchtbare pad ons kennelijk zijn. Willen wij met onze ogen zien, met onze oren horen, met onze handen tasten, en in onze zielen proeven de dierbare vertroosting des Zoons Gods, dan moeten wij wandelen in het pad van duisternis, dorheid, en schaduwe des doods, waarin Zijne vertroostingen alleen gepast en voegzaam zijn.

  1. Maar er wordt een ander woord aan toegevoegd, een ander gevolg van het bezoek van „den opgang uit de hoogte,” „om onze voeten te richten op den weg des vredes.” De weg des vredes! Bevat dit niet alles? Hebben zij, die God vrezen, meer nodig, dan vrede? Wat ontbreekt ons? Een weg van strijd, van vijandschap, van opstand, van rusteloosheid? Neen; wij hebben den weg des vredes nodig.

Wat geeft deze uitdrukking te kennen? Vrede geeft twee dingen te kennen. Eerst leert het ons: verzoening van een staat van vijandschap; en ten tweeden: het dadelijk genot dezer verzoening in het hart. Van natuur zijn wij met God in oorlog. Onze genegenheden zijn geheel vervreemd van Hem. Vijandschap is het grondbeginsel, elke ademhaling van ons vleselijk bedenken. Wij dwalen steeds nog verder van Hem en den weg des vredes af. Wanneer de Heere nu ons eerst ontdekt, wie en wat wij zijn, en wat Hij is, en openbaart de duisternis onzer gemoederen, de vijandschap van onze harten, en de gehele vervreemding onzer genegenheden van Hem, dan ontsteekt Hij gemeenlijk in onze harten ook ene begeerte, om vrede met Hem te maken. Wij hebben vrede met God nodig; want dit weten wij, wanneer wij als Zijne vijanden leven en sterven, dan zal eeuwige verdoemenis ons deel zijn. En op grond mijner éigene gewaarwordingen geloof ik, dat een der scherpste gewaarwordingen van een kind van God is, bevreesd te zijn van een vijand Gods te wezen. O, waar zal hij zijn schuldig hoofd verbergen, indien hij een vijand van God ware? O., wat pijnlijke gewaarwording, te denken, dat de hand Gods tegen Hem gekeerd is! Is dit zo, dan schijnt het teken Kaïn’s op zijn aangezicht gezet te zijn. Maar wanneer de Heere hem tot Zijnen troon trekt, zijn hart opent, en hem kracht geeft om zijne ziel in ernstige verzuchtingen uit te storten, hoe verlangt hij, dat hem vrede verkondigd wordt, en hij vergeving en vrede liefelijk ondervinden! Deze verzoening en bevrediging tussen een beledigden God en overtredende mens, kon nimmer anders uitgewerkt worden, dan door de tussenkomst van den eniggeboren Zoon van God. De Zone Gods kwam uit den schoot des Vaders, waar Hij zijn eeuwige plaatse had, om de uitverkorenen met God te bevredigen, en legde Zijn leven voor hen af, opdat Hij hen, door de wegneming hunner zonden, tot God zou brengen.

Doch er is een vrede te genieten in de ziel — “de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat”; het stervenslegaat van enen stervenden Heere: “Vrede laat Ik u. Mijnen vrede geef Ik u: niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u.” (Joh. 14:27). Een besef van bevrediging, ene getuigenis van Gods welbehagen, een verwarmen in de vriendelijke toelachingen van een verbondsGod: ene heilige kalmte, ene gezegende gerustheid, ondervonden door de toepassing van verzoenend bloed en stervende liefde — is dat niet de weg des vredes? Echter, Jezus is de weg; want Hij heeft Zelf gezegd; “Ik ben de Weg, de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” Begeren wij in den Weg des Vredes te wandelen? — Wij moeten in Jezus wandelen; want er is geen andere weg. “Hij is onze vrede. Die deze beide één maakte.” “Deze zal vrede zijn, als Assur in ons land zal komen.” Hij is de vrede-Maker, en de vrede-Bespreker. Maar van natuur is de weg des vredes voor ons verborgen. Er wordt zo nadrukkelijk gezegd: “den weg des vredes hebben zij niet gekend.” (Rom. 3:17). Onkundig, vervreemd, duister, blind als wij zijn, kunnen wij, zonder de onderwijzing des Geestes, onze voeten niet op den weg des vredes richten. Maar “de opgang uit de hoogte heeft ons bezocht:” — het heilig, onschuldig Lam van God is gestorven, en heeft ene verzoening voor de zonde te weeg gebracht; heeft de Wet vervuld, ene eeuwige gerechtigheid aangebracht, der oneindige gerechtigheid genoeg gedaan, de schijnbare onenigheid der deugden Gods bevredigd, en ene weg gesteld, waar langs vrede en vergeving kan vloeien in de harten degenen, die Zijnen Naam vrezen.

Maar wij moeten gericht of geleid worden op den weg des vredes. En wanneer „de opgang uit de hoogte” ons bezoekt, dan worden onze voeten gericht op den weg des vredes. Hoe aangenaam is de uitdrukking: — er is geen sprake van drijven, noch van dwingen: maar ene opening der deur, en een bekwamen der ziel, om daarbinnen te gaan; een ontdekken van den weg en een geloof schenken aan de ziel, om daarop te wandelen. Zo worden de voeten van den armen, verlatenen, ongetrooste pelgrim, door Hemelse onderwijzing en Goddelijke leiding op den weg des vredes gericht. De opgang uit de hoogte leidt hem tot de kennis van Jezus, tot het geloof in Zijn bloed, en tot het beminnen van Zijnen naam.

En waar vrede is met God, daar zal vrede zijn onder elkander. Waar de liefde in de gemeenten heerst, zal de vrede niet ontbreken. Waar de liefde Gods de Christenen regeert, daar zal ook vrede zijn onder Christus leden. Ons boos hart, onze hoogmoedige geest, onze rebellerende natuur, de werkingen van ons vleselijk bedenken brengen jaloersheid, tweedracht, en twist te weeg. God de Heilige Geest is niet de Auteur van verwarring; Hij kan alleen onze voeten richten op den weg des vredes.

En dit alles vloeit uit de innerlijke bewegingen van de barmhartigheden eens Verbonds-Gods; Jehova den Vader, en Jehova den Zoon, en Jehova den Heiligen Geest, den Drieenige God van Israël. Zo worden al onze goede werken — ja, wat zeg ik, ook al onze misdrijven buitengesloten. Het opent een pad voor den ellendige en onwaardigen, voor den armen en nooddruftigen. Het opent een weg van zaligheid voor verlorenen, vergeving voor schuldigen, vrede voor den vermoeiden. Zullen wij dat in een anderen weg in onze zielen verwachten? Wat bewoog den eeuwigen Vader, om Zijnen Zoon in de wereld te zenden? Was het niet de vrije barmhartigheid Gods, die over Zijn volk in Zijn hart waren? En welke verdienste, wat eis kan er bij Zijn volk zijn? Zal er een zijn, het moet hunne ellende wezen. — Hunne onwaardigheid, hun gezonken staat, de diepte van hunnen val moge Gods medelijden wekken, althans inroepen. Neen, niet wat ik deed tot Gods heerlijkheid; niet wat ik doe, of poog te doen: niet mijne wijsheid, mijne sterkte, mijne voornemens, mijne Godsvrucht, mijne heiligheid. Geenszins: mijne ellende, mijne hulpeloosheid, mijne onwaardigheid, mijn diepgezonken toestand, mijn gevallen staat — die ik alleen gevoel, door mijn aandeel aan het bloed en de liefde des Lams — geeft mij behoefte aan Gods barmhartigheid en dit maakt mij geschikt, om tot God te gaan; en Zijne barmhartigheid door Jezus te omhelzen: want „Hij kan volkomenlijk zalig maken allen, die door Hem tot God gaan.” Zijt gij gezeten in duisternis en schaduwe des doods — verre van den weg des vredes, benauwd, verward, geoefend en radeloos? Zijt gij een zodanige, als voor wie Jezus gekomen is? Zijn er geen onuitsprekelijke barmhartigheden voor u opgesloten in Gods harte? Wat sluit u buiten? — Uwe zonden? — Geenszins; God heeft die vergeven. Uwe onwaardigheid?

Neen; want er is een mantel der gerechtigheid voor u toebereid. Uw ontbloot zijn van verdiensten dan? — Wel neen; want Jezus verdiensten staan op uwe rekening. Uwe onheiligheid misschien? — Geenszins; want Hij is u van God ook tot heiligmaking geworden. Uw onkunde? — Immers neen; want Hij is ook u van God tot wijsheid geschonken. Dat zijn geen sluitbomen. Ik zal u zeggen, wat uwe sluitbomen en beletselen zijn — eigengerechtigheid, zelfachting, zelfverhoging, hoogmoed, geveinsdheid, vermetelheid, een naam van te leven, een gedaante van Godzaligheid, te zitten op uwen eigen droesem, en gerust te wezen in Sion, en wat dies meer zij. Maar hulpeloosheid, hopeloosheid, onwaardigheid, ellendigheid — wel verre van sluitbomen te zijn, veeleer geschiktheden; een bewijs (wanneer zij door de genade des Geestes waarlijk worden gevoeld) dat uw naam geschreven is in het boek des levens; dat de Heere van leven en heerlijkheid voor u in deze wereld verschenen is; en vroeger of later zult gij daarvan de zoete genieting in uw hart ontvangen, en bekwaam gemaakt worden, om Hem voor Zijne genade te loven en te aanbidden, en Zijnen naam te prijzen voor de verheerlijking Zijner liefde en barmhartigheid in uwe vrijmachtige en volkomen zaligheid.

Amen

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.

10 Meest Bekeken Artikelen

Steun © jcphilpot.nl