Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De ellendigen in behoudenis gezet

“Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen zal Ik nu opstaan; zegt de Heere. Ik zal in behoudenis zetten dien hij aanblaast“, Psalm 12:5

(Engelse bijbelvertaling: Ik zal hem in behoudenis zetten voor hem die tegen hem aanblaast)

De leden van het levend gemaakte huisgezin des Heeren lijken in alle tijden en in alle plaatsen veel op elkaar. De gelaatstrekken en het uiterlijk voorkomen kunnen weliswaar wat van elkaar verschillen, maar dezelfde familietrek is op hen allen ingedrukt. Door dezelfde bezoekingen en beproevingen waar de heiligen nu moeten gaan moesten ze in vroeger tijd ook doorgaan. En dezelfde verlossingen die zij nu ontvangen ontvingen zij of zij verlangden die ook te ontvangen in de eeuwen die gepasseerd zijn. Het is deze overeenkomst in de bevinding die in de Schrift geschetst wordt en die het woord van God tot zulke rijke borsten van vertroosting maakt voor het arme en nooddruftige huisgezin des Heeren.

“Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen zal Ik nu opstaan, zegt de Heere. Ik zal in Behoudenis zetten dien hij aanblaast.”

In Gods woord wordt gesproken over en het richt zich tot zekere kenmerken van genade. De namen van de uitverkorenen zijn in het boek des levens des Lams daarboven, maar de kentekenen van de uitverkorenen zijn in de Schrift der waarheid hier beneden. Niemand kan weten dat ‘zijn naam geschreven is in de hemelen’, Lukas 10:20, als zijn kenteken niet omschreven is in het boek dat wij op aarde hebben. Over kentekenen dus, en niet over namen, behoren de dienaren van het woord te preken. En hun werk is om de karakters van de geestelijk onderwezen familie zo te omschrijven dat ze zichzelf aangenaam maken bij al de gewetens van de mensen, in de tegenwoordigheid Gods, 2 Kor. 4:2

In de tekst worden twee van deze karakters genoemd.

1 De een wordt genoemd: ‘ellendigen’ waarvan gezegd wordt dat zij verdrukt worden’. (Engels: armen die verdrukt worden)

2 De ander wordt genoemd: ‘Nooddruftigen’ waarvan gezegd wordt ‘dat zij kermen’.

3 Vanwege de verdrukking van de een vanwege het kermen van de ander verklaart de Heere: ‘dat Hij zal opstaan’,

4 om dat werk voor hen en in hen te doen wat hen alleen maar kan verlossen en in een veilige en beschutte plaats brengen.

1 Het eerste kenteken waarvan in de tekst gesproken wordt is ‘de ellendigen’. Wij zijn niet van gedachte dat deze uitdrukking alleen maar enkele personen aantoont in het huisgezin des Heeren die arm en verachtelijk zijn en gekenmerkt worden door geestelijke tegenspoed, terwijl anderen vrij uitgaan. Neen, dit is het merkteken wat op al de levende kinderen gedrukt is, zonder een enkele uitzondering. De heiligen Gods zijn niet allen lichamelijk ellendig, maar ze zijn wel allen geestelijk arm. De Heere verklaart dit als Hij zegt: “Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der hemelen”, Matth. 5:3, waarbij Hij duidelijk te kennen geeft dat het koninkrijk der hemelen hun toebehoort en van hen alleen.

Maar wat is het dat een vat der barmhartigheid zo geestelijk arm maakt, en in haar ziel een gevoel heeft van haar diepe ellende, uiterste behoefte, volkomen berooidheid en totale verarming? Het is de Heere Die de ogen van ons geestelijk verstand opent om te zien wat ware rijkdommen zijn. Als iemand ogen niet in een zekere mate verlicht worden, -wat alleen Gods werk is, en wat men persoonlijk moet ondervinden voordat hij hier Christus kent en hiernamaals Hem aanschouwt gelijk Hij is-, indien het niet met gewicht en kracht op zijn consciëntie wordt gelegd wat hij moet proeven, smaken en geestelijk beseffen van het koninkrijk Gods in zijn ziel, voordat hij kenbaar een erfgenaam van de zaligheid is, zal hij nooit vernederd worden tot de diepte van zielsarmoe.

Zodat de ziel tot deze geestelijke armoe gebracht wordt door een dubbele behandeling, ten eerste door het wegnemen van al haar ingebeelde rijkdom en daarna door de krachtdadige openbaring aan haar wat ware rijkdam is. Iemand is nooit geestelijk arm totdat hij uitgestroopt is van al zijn kracht, al zijn wijsheid, al zijn rechtvaardigheid, al zijn hopen, vermakingen en ijdel vertrouwen; en als alles weggenomen is waarop hij met voldoening kan zien en met troost erop kan rusten. Maar zonder dat de Heere Zelf Zijn hand uitstrekt en ons uitstroopt zullen we nooit gebracht worden in de diepte van zielsarmoe. Wij mogen onszelf inbeelden dat we er al heel wat van kennen, maar voordat de Heere ons neerwerpt van onze verheven standplaats, onze zandgrond wegneemt en ons in de puinhopen neerlegt voor Hem, weten wij niets van wat het is volslagen arm te zijn. Echter de Heere heeft geen bijzondere weg uitgeschetst waardoor Hij Zijn volk alleen door leidt tot deze staat. Weliswaar dat ze er allen gebracht worden. Iedere uitverkorene zal geestelijk arm gemaakt worden. Zij zullen allen neerliggen zonder een vodje om zich te bedekken. Ze zullen allen zichzelf geheel en al ombekwaam vinden tot enig goed. Ze zullen allen afgetobd neervallen in de diepte van zielsontbloting opdat ze voelen dat er van nature geen greintje in hen ligt wat zuiver, heilig en aangenaam voor God is. Maar de Heere heeft geen bepaald pad uitgestippeld waarin al de uitverkorenen wandelen zonder een haarbreedte daarvan te verschillen. Hij heeft voor Zichzelf geen bijzondere manier voorgeschreven waardoor Hij Zijn voornemen uitvoert. Maar op de een of andere manier zal Hij ervoor zorgen dat heel Zijn verloste huisgezin gebracht wordt in de diepte van zielsarmoe.

Zo maakt Hij sommigen arm door alle valse hoop af te scheuren; anderen door een ontzagwekkend vonnis in hun consciëntie af te kondigen dat hun eigengerechtigheid afsnijdt; anderen door hen bekend te maken aan de vreselijke hoogmoed, bedrog en verleiding waaraan ze zich schuldig gemaakt hebben; anderen door hen voor ogen te

stellen hun langdurige belijdenis van de waarheid zonder de ondervinding van de ware godzaligheid; anderen door hen toe te laten dat ze langs de rand van de zonde gaan opdat ze leren welk een hopeloos, goddeloos hart ze omdragen; anderen dor hen toe te laten dat ze een tijdlang wandelen in de lage begeerten van hun gevallen natuur, opdat ze mochten weten ‘dat het kwaad en bitter is tegen God te zondigen; en anderen door hen te laten worstelen met krachtige verzoekingen opdat ze, lerende hun zwakheid en hulpeloosheid daartegen, daadwerkelijk uitgestroopt worden van al hun ingebeelde sterkte, wijsheid en rechtvaardigheid.

Geestelijke armoe dus is een rampzalig gevoel van ellende, van zielsleegheid voor God, een inwendige gewaarwording dat er geen geestelijk goed in ons hart is, niets wat ons kan verlossen van de rechtvaardige en verdiende toorn van God, noch ons kan behouden van de diepten der hel.

Deze smartelijke gewaarwording van schuld en veroordeling gaat samen met een verborgen geestelijk besef dat de uitverkorenen zich mogen verheugen in de Geest van aanneming tot kinderen, dat ze zoete ondervinding hebben van Goddelijke openbaringen dat het bloed van Jezus is gpsprengd op de consciëntie van de verlosten om hen te reinigen van schuld en onreinheid. En zo, door zijn eigen gemis te vergelijken met zijn zegeningen en inwendig verlicht zijnde om de waarheid van Gods woord te zien en inwendig leven te bezitten om haar te ervaren, waadt een ziel door de diepte van geestelijk armoe en wordt ze gebracht om te beleven dat alleen de openbaring van het licht van Gods aangezicht haar kan verlossen; dat het getuigenis gesproken met Gods eigen lippen tot het hart haar allen kan behouden en dat het gemis hiervan inhoudt dat men alles mist, maar de ondervinding hiervan bewijst dat men een ‘vat der barmhartigheid’ is, en hier wordt voorbereid om in de eeuwige heerlijkheid en zaligheid hierna gebracht te worden. Dus, arm te zijn is die diepe ongelukkige toestand van onze geest en deze naaktheid en behoefte van ziel voor God te gevoelen.

Misschien wordt dit nooit beter gevoeld dan in de eenzame nachtwaken wanneer geen oog ons kan zien en geen oor ons kan horen, dan het oog en oor van Jehowah. In deze indrukwekkende ogenblikken van diepe overdenking, als de stilte en de duisternis ons omgeven, als een beeld van de stilte en donkerheid van de ziel, voelt hij die geestelijk arm is dikwijls hoe leeg hij van alles is wat hemels en Goddelijk is, ja als een zinkend rampzalige zonder een greintje godzaligheid. Zonder al te streng een lijn van uitsluiting te trekken mogen we zonder aarzeling zeggen dat hij die niet weet wat het is om zo te zuchten voor de Heere met een uitroep in het hart als een nooddruftige, naakte, goddeloze, dat hij die nooit zijn diepe ellendestaat en onwaarde in de ogen van een hart doorzoekend God gevoelde, nog geen ondervinding heeft van een arme van geest.

2. Maar er wordt iets meer gekend dan arm te zijn. We lezen van de verwoesting der ellendigen’. (Engelse vertaling: ‘de onderdrukking van de armen’.)

Nu, het is armoe die de gelegenheid geeft voor onderdrukking. Het is letterlijk en lichamelijk zo. Rijken worden niet onderdrukt. Die huizen en landerijen hebben of enige andere bezittingen zijn beveiligd tegen de ijzeren roede van onderdrukking. Hun geld stelt hen boven het bereik daarvan. Maar het zijn de armen die onderdrukt worden. En hoe erger de natuurlijke armoe van de mens is des te meer ligt hij open om uitgemergeld te worden en des te meer is hij er hulpeloos en onbeschermd tegen. Onderdrukken is het misbruiken van macht en met kracht de hulpelozen te overheersen. Zodat armoe letterlijk de deur opent voor verdrukking.

En zoals het letterlijk en natuurlijk is, zo gaat het ook geestelijk en bovennatuurlijk. Niemand weet wat het is om geestelijk onderdrukt te worden, totdat hij gebracht wordt tot geestelijke armoe. Zolang iemand zich nog inbeeldt enige kracht te bezitten kan hij onderdrukking nog weerstaan. Zolang lij een voorraad van gewaande rijkdom bezit, kan hij het nog op een afstand houden. Dan is hij als een rijk man in ‘ t burgerlijke leven, hij lacht om onderdrukking, zijn grote beurs weert die van hem af, haar machtige hand komt niet in zijn nabijheid. Maar laat deze man in de diepte van natuurlijke armoe zinken, onmiddellijk geeft dit de gelegenheid tot onderdrukking. De buigende handelaar die hem in waarde hield in zijn voorspoedige dagen, zal de eerste zijn om hem te onderdrukken in de dagen van tegenslag.

Zo is het ook geestelijk. Armoe geeft de gelegenheid tot onderdrukking. Zo was het met Hiskia. Toen Hiskia op zijn ziekbed lag en de dood hem in het aangezicht staarde en hij verwachte om afgesneden en in het graf gelegd te worden, opende dit de gelegenheid voor onderdrukking en zei hij: “Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.” Het koude doodszweet stond op zijn voorhoofd en hopeloosheid drukte op zijn ziel. Al zijn vleselijke godsdienst verdween in een ogenblik en hij had maar net genoeg geloof en kracht om onder de wurgende greep van onderdrukking uit te roepen: ‘Wees Gij mijn Borg”, Jesaja 38:14.

Dus, iemand weet niet wat het is om beladen, onderdrukt en neergeworpen te worden, totdat hij gebracht wordt in geestelijke armoe. De wet, bijvoorbeeld, gelegd op de consciëntie van de mens doet hem niet neerzinken voordat ze hem eerst arm gemaakt heeft. Maar als hij gebracht wordt in de diepte van zielsarmoe en geen greintje waarheid meer bezit, wanneer Gods toorn in zijn geweten geopenbaard wordt, dan staat de wet op en srij slaat de stervenden dood’, zoals Josef Hart zegt. Zij werpt een last op hem die reeds aan het zinken is. Zij voegt onderdrukking bij armoe.

Dus, als iemand voelt dat hij niets meer in zijn hart heeft dat het stempel draagt van ware godsvrucht, dan legt de wet al zijn vroegere afwijkingen als een toegevoegde last op zijn geweten. Zo ook al de misstappen en dwaasheden waaraan hij in- en uitwendig schuldig staat en brengt die allen in herinnering en legt ze als het gewicht van een ton op zijn zinkende ziel. De wet is als een harde schuldeiser die met een grote rekening aankomt en vraagt om onmiddellijke betaling van iemand die juist zijn zakken omgekeerd heeft en er geen penning meer in vond. Armoe en gebrek is erg genoeg zonder dat de oude rekening nog voor de dag komt, maar verdrukking wordt aan armoe toegevoegd als in het licht gebracht wordt hetgeen men jaren geleden gezegd en gedaan heeft, zoals de zonden van de kinderjaren, van de jeugd en de mannelijke jaren, de overtredingen die al lang in de vergetelheid begraven waren, de dwaze dingen, de schijnheilige dingen, de voorbarige dingen, het vermetel bedrog, de lage wellusten waaraan hij zich schuldig gemaakt heeft; deze allen worden als een zware last gelegd op hem die reeds begon te zinken.

Onderdrukking is dus een gewicht en een last toegevoegd boven armoe. Het is niet hetzelfde als armoe maar het is een toegevoegd lijden bij armoe. Iemand kan arm zijn zonder verdrukking, maar als hij arm en ook verdrukt wordt, dat maakt zijn armoe tienmaal groter dan tevoren. Zo handelt de Heere met Zijn volk om hen te vernederen. Eerst stroopt Hij hen uit en maakt hen arm en als Hij hen arm heeft gemaakt en hen gebracht heeft in hun diepe zielsgebrek, dan legt Hij lasten op hen als een zwaar gewicht wat hen in een nimmer eindigende rampzaligheid zou doen verzinken. Maar hier is een teken van leven: het kreunen, snakken, zuchten en het roepen van de ziel onder de lasten. Die dood zijn in de zonden gevoelen niets, de huichelaars in Sion gevoelen niets, en degenen die gerust zijn in vleselijke godsdienst voelen niets. Ze kunnen sterke verzoekingen hebben, ze mogen ontstellende vrezen hebben dat ze naar de hel gaan maar wat betreft het uitstorten van het hart voor God, of verkwikking in de zielesmarten in het zuchten en roepen tot de Heere om Zijn barmhartigheid, om van vrede te spreken en om een zoete openbaring van vergevende liefde, – en daar dag en nacht in bezig te zijn totdat de Heere verschijnt- dit zijn ondervindingen die onbekend zijn aan de doden. Zij zijn eigen aan het levende huisgezin.

Iemand kan ‘schreeuwen van weedom des harten en huilen van verbreking des geestes’, Jes. 65:14, maar het is zoals de profeet spreekt: “Zij roepen niet tot God met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers”, Hos. 7:14. Maar het heigen en snakken naar de Heere, het kermen en zuchten vanwege de onderdrukking, te worstelen met de Zaligmaker en Hem geen rust te geven voordat hij in de ziel verschijnt, dit inwendig werk is alleen eigen aan de uitverkorenen en is buiten het bereik van hen die de naam hebben dat ze leven maar dood zijn. Dit is de vrucht van de uitstorting van de Geest der genade en der gebeden in hun ziel. Het is het werk van de Heilige Geest in hun hart, hun zwakheden te hulp komende en bidt in hen met onuitsprekelijke zuchtingen.

II. “Om het kermen der nooddruftigen.” Er schijnt een onderscheid te zijn tussen de armen en de nooddruftigen, want we mogen er zeker van zijn dat de Heilige Geest geen gebruik maakt van ijdele herhalingen. De uitdrukking ‘armen’ houdt een negatieve aanduiding in. Het betekent een gemis van geld, een toestand van gebrek. Maar de uitdrukking ‘nooddruftigen’ heeft een positieve bedoeling. Het wil zeggen een dat men verkeert in een gevoelig gebrek aan levensbehoeften. Iemand kan in zekere zin arm zijn, zonder nooddruftig te zijn. Maar hij kan nooit nooddruftig zijn, zonder ook arm te wezen. Bijvoorbeeld, zij zien soms in onze stad arme idioten in lompen gehuld, maar hij weet het niet, hij heeft geen begrip van zijn toestand. Hij heeft ook geen kennis aan een toestand die beter is dan hetgeen hij bezit. Maar hij is tevreden met zijn armoe. Hier is een persoon die arm is maar niet nooddruftig, want hij mist niets omdat hij geen begrip en geen verstand heeft van de vele behoeften en verlangens die zijn ouders voelen naar beter voedsel, of kleding of loon.

Zo kan iemand ook in godsdienstig opzicht arm zijn en toch niet nooddruftig. Dat wil zeggen, zijn ogen kunnen geopend zijn om te zien wat de ware godsdienst is. Hij kan overtuigd zijn dat deze of gene een kind van God is en dat hij toch in zijn ziel zich ervan bewust is dat hij zelf geen wezenlijke godsdienst bezit. Ik geloof dat er zulke mensen in deze kerk zijn, die ten volle overreed zijn dat ze geen ware godsdienst bezitten en toch hebben ze niets van het roepen en zuchten, niets van het verlangen noch van het kermen, noch de vurige smekingen om barmhartigheid die in een levende ziel gevonden worden. Ja, zijn de levende ‘vaten der barmhartigheid’ niet dikwijls in een toestand dat ze arm zijn maar niet nooddruftig, als ze hun onvruchtbaarheid en gebrek aan alle goed beseffen en toch de wil en de kracht missen om één begeerte op te wekken en om één zegen te roepen?

1. De nooddruftigen dus zijn degenen die niet alleen arm, leeg en naakt voor God zijn, maar die een levendig verlangen hebben naar geestelijke zegeningen toegepast aan hun ziel. Sommige mensen kunnen rusten op verzoekingen en beschouwen verzoekingen als hun kenmerken. Anderen bouwen op hun twijfelingen en vrezen en rusten daarop als kenmerken, anderen nemen sterke overtuigingen van vroeger of van heden en leunen daarop als bewijzen. Anderen zien op hun geloofsbelijdenis en nemen dat als een bewijs. Maar een levendige ziel heeft hemelse zegeningen nodig, die onmiddellijk meegedeeld worden aan zijn hart en geweten door de mond des Heeren. Hij heeft verlossing nodig, geopenbaard aan zijn ziel als een wezenlijkheid. Hij heeft het bloed van Jezus nodig, gesprengd op zijn geweten met Goddelijke kracht om hem te reinigen van zondige en dode werken. Hij heeft nodig dat zijn ogen gezalfd worden met ogenzalf om Jezus te zien. Ja, zijn ziel hijgt om in de zoete gemeenschap met Jezus gebracht te worden.

Hij voelt de noodzaak om in een geestelijke gemeenschap met Christus te komen, opdat hij Hem mag zien met de ogen van zijn ziel, opdat hij mag zien op Hem Die hij doorstoken heeft; en over en voor en met Hem moge wenen en een vaste, zoete, geestelijke en bovennatuurlijke openbaring van Zijn stervende liefde aan zijn ziel mag ontvangen. Een Christus in naam kan nooit een nooddruftige zondaar voldoen, maar het moet de Christus Gods zijn, geestelijk bekend gemaakt door de werking van de Heilige Geest, lieflijk geopenbaard en intrek nemend in zijn hart met al Zijn gezegende vruchten en schijnende in zijn ziel, gelijk de zon in haar kracht; voortbrengend gezegende vruchten van genade en barmhartigheid. Niets dan dit zal ooit een levende ziel kunnen verzadigen.

Het kenmerkende karakter van een nooddruftige is dus vol zielennood te zijn. Dag aan dag gevoelt hij de noodzaak dat de Goddelijke waarheden aan zijn ziel geopenbaard worden, om de zoete stem van barmhartigheid te horen, als van de lippen des Heeren dat hij een aangenomen kind is, opdat hij zich als ‘ t ware mag baden in de zoete liefde en barmhartigheid Gods. Hij gelooft dat het merg van alle ware godsvrucht en godzaligheid bestaat in de vervulling van zijn nooddruft. Zodat hij niet geholpen is met zijn tegenwoordige toestand om alleen de nood te gevoelen. Als hij in twijfelingen en vrezen verkeert of door hevige verzoekingen gaat en ‘bittere dingen tegen zichzelf schrijft’ kan hij niet zeggen: ‘dit is ware godsdienst’, want wat hij begeerd is zo geheel anders dan wat hij gevoelt. Hij begeert de gezegende getuigenissen en openbaringen dat hij een lid is van des Heeren eigen dierbare huisgezin. Ik ben er zeer goed van overtuigd uit eigen zielservaring dat niets dan de toepassing van hemelse zegeningen aan de ziel iemand kan verzadigen in wiens hart het leven geplant is door de hand van God.

2. Daarom lezen we van deze nooddruftige persoon dat hij kermt (engels: zucht). “Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen.” Hij zucht naar God, kermt in de diepten waarin zijn ziel verkeert naar het opgaan van het licht van Gods aangezicht; hij zucht onder het gewicht van het ongeloof, de last van ongelovigheid, de kracht der verzoeking, de goddeloosheid van zijn hart, de vleselijkheid van zijn gemoed, de onvruchtbaarheid van zijn toestand; zijn onzinnigheid, zijn geesteloosheid, vuilheid en verdorvenheid. Hij zucht tot de Heere, belast onder deze dingen die als een last op zijn geweten rust en smeekt de Heere dat Hij slechts het licht van Zijn aangezicht over hem doe opgaan, dat hij slechts een lieflijk getuigenis belieft te geven, dat hij slechts een woord belieft te spreken tot zijn ziel, vergezeld met een lieflijke verlossing, hem uitvoerende tot het licht, leven, vrijheid en vrede van het heerlijk Evangelie van de zalige God.

III. Maar wat lezen we als antwoord op dit roepen? “Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de Heere.” Het veronderstelt dat de Heere al die tijd stil gezeten, slechts toeziende en er ogenschijnlijk geen aandacht aan schonk. Het is -als ik zo’n vergelijking met eerbied mag gebruiken- evenals een ouder die in zijn huis zit en door de ramen naar zijn kind kijkt, wat op straat valt. Hij bewaakt zijn kind met een bezorgd oog en neemt al zijn bewegingen waar, maar het schijnt als of hij er geen aandacht aan besteedt. Maar als de vader vermoedt dat het kind in gevaar komt als hij het ziet naderen tot de rand van een kanaal of een vijver, ja nog erger, als hij ziet dat het erin valt,… De vader springt van zijn stoel, rent het huis uit en vliegt naar de rand van het kanaal of van de vijver en trekt zijn kind uit het water. Maar hij had het reeds lang bewaakt, gadegeslagen door het raam, ofschoon hij er ogenschijnlijk geen aandacht aan schonk. “Zo zegt de Heere: nu zal Ik opstaan”, ofschoon Hij stil zat en er blijkbaar geen aandacht er aan gaf, de ziel aan zichzelf overgaf zodat haar vijanden haar vastgrepen en in het stof wierpen, schijnbaar onverschillig; evenwel is Hij ten allen tijde waakzaam en wacht alleen op de bestemde tijd om tussen te treden.

“Nu zal Ik opstaan, zegt de Heere.” Nu is de tijd gekomen, ‘de bestemde tijd om Sion genadig te zijn’, het ogenblik is aangebroken voor de Heere om tussen te treden; het tijdstip dat Hij naar voren komt om te helpen. Nu, de Heere wacht tot dit ogenblik. Hij zegt: “Om de verwoesting de ellendigen, om het kermen der nooddruftigen zal ik nu opstaan”, zegt de Heere, Ik zal in behoudenis zetten dien hij aanblaast. Het ogenblik is eindelijk gekomen, de gezegende tijd om Sion genadig te zijn; de voorbestemde, de van eeuwigheid vastgestelde tijd voor de Heer om op te staan van Zijn zetel en naar voren te komen om zijn arm en nooddruftig kind te helpen.

Het is dit stilzitten van de Heere wat Gods beminde huisgezin zo in raadselen brengt; verlegen, verward en benauwd maakt. Indien de Heere aanstonds zou verschijnen als zij arm en verdrukt worden, aanstonds als zij nooddruftig worden en kermen, het zou hen niet zo radeloos en verlegen maken. Maar dit is het wat de kinderen des Heeren zo ontstelt en verwart dat het schijnt alsof Hij geen aandacht aan hen besteedt en dat al hun roepen en zuchten, kermen en tranen niet meer nut schijnen te hebben dan of ze tegen een dode muur spraken, alsof de oren van de Heere Zebaoth hun geroep niet in Zich opneemt; alsof Hij doof voor hen is, zoals Hij dat is voor het huilen van de verworpenen of de Godslasteringen van de gevallen geesten in de hel. Het is dit verbergen van Hem achter een dikke wolk, dit stil zitten zonder aandacht te geven noch Zijn hand uit te strekken om tussen beide te komen, wat Gods arme en verdrukte kinderen zo oefent en ten einde raad maakt. Maar Hij zal niet altijd zo blijven: Nu zal Ik opstaan, zegt de Heere.” Er is een vastgestelde tijd dat Hij zal opstaan tot hun hulp als Hij zijn zetel zal verlaten en naar voren zal komen om Zijn hand uit te strekken om hen ‘uit de ruisende kuil en het modderig slijk op te trekken’. En zo brengt Hij hen in het licht van Zijn aangezicht en in de aangename blijdschap van een volle, vrije en heerlijke zaligheid.

IV. “Nu zal Ik opstaan, zegt de Heere. Ik zal in behoudenis brengen dien hij aanblaast.” (Engelse vertaling: Ik zal hem behoudenis zetten voor hem die tegen hem blaast.)

Dit opent een ander deel van de ondervinding van Gods geliefde kinderen. Wij hebben tot nu toe gelezen van hun armoe en van hun verdrukking in hun armoe; wij hebben ondervonden dat zij ook nooddruftig zijn en wij hebben hun kermen onder hun gebrek gehoord; en dat de Heere beloofde om op te staan. Maar nu wordt er een ander venster geopend wat licht werpt in deze duistere kamer; een andere deur wordt geopend in deze verborgen kamer van inwendige ondervinding. Wij lezen van iemand die tegen hem blaast. Dus wij merken dat het kenteken in onze tekst niet alleen arm en onderdrukt is, maar ook om aangeblazen te worden. Hier wordt een vijand, een persoonlijke tegenstander aangetoond die tegen hem briest. Nu, deze beschrijving is van toepassing op verschillende vijanden die allen daadwerkelijk een arm kind van God aanblazen, hetzij dat het een zondaar of een heilige doet, of de duivel.

1. Satan is er een van die tegen een arm kind van God blaast, wanneer hij door verdrukking gaat en als hij zucht onder deze diepe armoe. En wat houdt dat blazen in? Het betekent het blazen van de wind, een krachtige windstoot veroorzaken.

Als de Heilige Geest een ‘vat der barmhartigheid’ onderwijst leert Hij hem door een gezegende invloeiing. Hij blaast licht, leven vrijheid en vrede in de ziel. Tegenovergesteld is het met deze tegenwind, dit werk wat de Heilige Geest tegenstaat. Als de duivel probeert te werken op het vleselijk gemoed van een levend kind van God, blaast hij in hem wat ik wel noemen mag: een zwarte geest. Er is een Goddelijke invloed van de Heilige Geest die in de ziel hemels licht, leven en liefde blaast en er is een zwarte invloed van de Satan die in het vleselijk gemoed blaast de duisternis, godslastering en de vijandschap van de hel.

Een arm en verdrukt kind van God, nooddruftig en kermende, is blootgesteld aan deze aanblazingen, deze rukwinden uit de hel die, als ze in het vleselijk gemoed aanstormen, zich er over verspreiden en het overdekken met duisternis en somberheid. Het is als een dichte mist die neervalt op de toppen van de krijtrotsen; of als een dikke rookwolk uit een oven die elk voorwerp aan het oog onttrekt. Als wij in het midden van die dicht mist of van die rookwolk verkeren kunnen we niets daarbuiten zien. Zo is het ook als de Satan zijn zwarte geest blaast in het vleselijk gemoed en deze dampen uit zijn hels gebied die gevuld zijn met die vijandschap, die boosaardigheid, die godslastering waarmee de Satan zelf vervuld is. Als hij die blaast tegen een arm kind van God om hem te vervullen met schandelijke dingen, Job 10:15, dan verduistert hij zijn kentekenen, bewolkt zijn verwachting en steekt de hele vijandschap van zijn gevallen natuur in brand opdat hij verbijsterd zal worden met een deel van die ongedurige kwelling waarmee Satans eigen duivelse natuur eeuwig door geslingerd wordt.

Nu, de Heere zegt: “Ik zal hem in behoudenis zetten tegen hem die hem aanblaast.” Hij zal niet altijd zo’n arm, gekweld, onderdrukt schepsel zijn die door de duivel aangeblazen wordt om zijn vleselijk gemoed te vullen met Satans eigen toorn en vijandschap. “Ik zal opstaan, zegt de Heere, en hem in behoudenis zetten.” En hoe zet hij hem anders in behoudenis dan door hem te brengen in Zijn eigen zalige tegenwoordigheid? Hier kan Satan niet komen, hij is daar uitgeworpen. Hij kan nooit komen buiten zijn bepaalde plaats. Waar de tegenwoordigheid des Heeren geopenbaard wordt, daar wordt de Satan terug gedreven naar de hel, waar hij vandaan komt. En zo zet de Heere Zijn arm kind in veiligheid voor hem die tegen hem aanblaast door hem te brengen in Zijn tegenwoordigheid, vervullende zijn ziel met leven licht en vrijheid.

2. Maar de woorden gaan verder dan dit. Zondaars, vooral belijdende zondaars die dood zijn in hun belijdenis, blazen ook tegen Gods kinderen. Zij die altijd gerust zijn te Sion en nooit benauwd worden door inwendige veroordeling of duivelse verzoekingen, als zij een arm kind van God in gemoedsvertwijfeling zien of behoefte gevoelen aan de verzekering en geloofsvertrouwen, -waarvan zij menen dat ze het zelf bezitten- zullen

ongetwijfeld tegen hem aanblazen. Het woord aanblazen houdt een verachting in. Het was onder de Joden een gewoonte om met hun lippen tegen iemand te blazen als een teken van verachting alsof hij geen adem waard was, of anders dat hij slecht lucht was en niets meer. Daarom lezen we in Psalm 10:5: “Al zijn vijanden blaast hij aan”, dat betekent uit verachting. Zo zullen zij die dood in hun belijdenis zijn soms blazen tegen Gods volk alsof ze willen zeggen: ‘al uw godsdienst is alleen maar lucht en wind’. En als ze een arm kind van God in zielsverwarring zien, omdat ze zelf nooit door deze ondervinding gegaan zijn, dan blazen ze tegen dit arme, geoefende schepsel alsof ze hem weg willen blazen. Maar de Heere zegt: “Ik zal hem in behoudenis zetten tegen hem die hem aanblaast.” Dat wil zeggen, Ik zal hem brengen in die zalige plaats waar al die verachtelijke uitdrukkingen op hem met minder nadeel zullen aanvallen dan een zuchtje wind dat doet in iemands gezicht. Ik zal hem in veiligheid zetten door hem zo’n zalige verzekering van zijn aandeel aan Christus te geven dat al het geblaas van zijn vijanden hem niet van zijn hoop kunnen wegdrijven.

2. Maar, nogmaals, heiligen kunnen ook tegen iemand blazen, zowel als zondaren. O. de ijdelheid, de hoogmoed, de aanmatiging, het voordeel, de huichelarij, de eigen eer, die gevonden worden in Gods kinderen! Zoveel zelfverheffing en zoveel aanblazen tegen de oprechte leden van het huisgezin des Heeren! Die in banden zijn blazen tegen hen die in vrijheid wandelen. De sterken blazen hun wantrouwen tegen de zwakken en de zwakken blazen hun twijfelingen tegen de sterken. De meer geoefenden blazen tegen de oppervlakkigheid van minder diep onderwezenen en de minder diep geoefenden blazen tegen de inconsequentie van de diep geoefenden. Hoogmoed en onkunde voorzien beide kanten van breedvoerige stof voor deze woordenstrijd. Niets kan deze winderige strijd beëindigen dan liefde en vernedering.

Nu, de Heere zegt: “Ik zal hem in behoudenis zetten tegen hem die hem aanblaast.” De Heere zegt niet: ‘Ik zal hem ervan verlossen’, maar ‘Ik zal hem in een veilige plaats zetten’. Nu, zelfs het blazen van de heiligen Gods tegen ons gebruikt de Heere om ons in deze veilige plaats te zetten. Wanneer achtenswaardige kinderen Gods blazen op anderen van de levende familie en het leidt hen tot zelfonderzoek, tot zielsworsteling en het doet hen roepen tot de Heere om hun hart oprecht te maken; wanneer het hen tot de Heere brengt in oprechte gemoedsvreze, in ware armoe van geest en hen opwekt om zijn barmhartigheid en genade af te smeken en dat Hij het licht van Zijn aangezicht over ons doet schijnen, dan zijn ze reeds in behoudenis gezet. Dat is een zeer veilige plaats om te verblijven, zuchtend en roepend tot de Heere opdat Hij in ontferming op hen mag neerzien. Wanneer de arm gemaakte kinderen des Heeren worden aangeblazen maakt de Heere juist deze aanblazingen nuttig voor hen opdat ze, gaande door deze scherpe zielsoefening, zouden roepen: “Doorzoek mij Heere en beproef mij en zie of er bij mij een schadelijke weg zij@

Maar het woord blazen heeft nog een andere betekenis. Er is een opblazen door vleierij. Een heilige kan soms, evenals die man in de fabel, hete- zowel als koude lucht blazen. Er zijn mensen in het levende huisgezin die sommige broeders opblazen met de warme adem van toejuiching, zowel als anderen die blazen met de lucht van bitterheid en veroordeling. Ja, zelfs gaat dit meestal samen. Dezelfde geest die iemand drijft om sommigen te veroordelen drijft hem om anderen ten onrechte te verheffen. Nu, als het ene kind van God zijn mond zet op het oor van een ander en zijn vleierijen in zijn ziel blaast, dan doet dat hem tienmaal meer schade dan als zijn vijand tegen hem blaast. Daarom staat er op de kanttekening aangetekend: “Ik zal hem in behoudenis zetten tegen hem die hem mocht verstrikken.” En welke strik is groter dan vleierij?

Ik ben in beide omstandigheden geweest en heb het opblazen door vleierij ondervonden en het aanblazen tot veroordeling. Ik kan uit persoonlijke ondervinding getuigen dat het ene veel gevaarlijker is dan het andere. De sterkste aanblazing van bitterheid en toorn Bbn ik heb een goed deel ervan gehad van de heiligen zowel als de zondaars- hebben mij veel minder kwaad gedaan dan de zachtste wind van vleierij en toejuiching. Maar welk geblaas het ook mag wezen, de Heere kan ons in een veilige plaats zetten. En de veilige plaats waar Hij hem inzet is dat hij de vleierij hatelijk voor die ziel maakt door hem zo’n gevoel te geven van zijn eigen vuilheid en dwaasheid dat hij deze vleierijen met afkeer verwerpt en tot de Heere roept om Zijn lieflijk en zalig getuigenis in zijn consciëntie. De Heere verklaart nadrukkelijk: “Ik zal hem in behoudenis zetten van hem die hem aanblaast”, welke lucht het ook mag zijn!

Maar de behoudenis is niet altijd die plaats waar wij menen veilig te zijn. Bijvoorbeeld, een moeder ziet haar kind op het dak van een huis klauteren. O, als haar moederhart kon spreken! Als de kracht ervoor had zou ze naar het topje van het huis vliegen en haar kind naar de grond brengen. De grond en niet het dak van het huis is in dit geval de veilige plaats; en om dat te bereiken moet het ondeugend rakkertje omlaag gebracht worden.

Maar aan de andere kant, als het kind in een put is gevallen, dezelfde innige bezorgdheid en moederlijke liefde die haar vaardig maakte om was het mogelijk naar de punt van het dak te vliegen zou haar ook behendig maken om in een put te dalen en haar kind op haar armen eruit te halen. De grond is ook in dit geval de veilige plaats waar het kind naar toe gebracht moet worden. Past dit in het geestelijke toe. Als een kind van God een ander opblaast met vleierij, dat is hem naar het dak van een huis doen klimmen. Dat is een gevaarlijke plaats! Maar zijn hemelse Vader brengt hem naar beneden in een veilige plaats. Nogmaals, als een kind van God wordt aangeblazen dat hij een huichelaar is, en de adem van verdenking vermengd wordt met zijn eigen twijfelingen en vrezen, hem doet zinken in mistroostigheid, Dezelfde goedertieren hemelse Vader haalt hem op uit het wantrouwen door het toelachen van Zijn aangezicht.

Mijn vrienden, u kunt verwachten aangeblazen te worden, aangeblazen door heiligen en aangeblazen door zondaars en aangeblazen door de duivel. Verwacht niet door het leven te gaan, zelfs geen week, zonder aangeblazen te worden met vijandschap, het geblaas van veroordeling of het geblaas van vleierij. Maar de Heere zegt: “Ik zal in behoudenis zetten dien hij aanblaast.” En als het de Heere behaagt om ons te vergunnen met een getuigenis dat ons hart oprecht is voor Hem en ons begunstigt met enige ontdekking van Zijn goedheid en barmhartigheid, dan zet Hij ons op doeltreffende wijze in veiligheid voor hem die ons aanblaast.

Wij zien dus het pad wat de Heere heeft afgebakend voor een levende ziel om daarin te wandelen. Maar wat een beproevend en verborgen pad is dit! Wat is het bijvoorbeeld, een pijnlijk werk om te middernacht te waken en gewaar te worden dat ge niet een greintje godzaligheid hebt in uw hart, bovendien verdrukt te worden en dat al uw zonden u te binnen komen en als een zware last op uw geweten wordt gelegd! Wie wil er graag in dit pad wandelen? Ik weet dat ik het niet begeer. Wat ik zou willen is stil in ‘ t gebed in mijn leunstoel te zitten en dat de Heere Zijn waarheid in mijn ziel uitgiet, evenals ik een beker water in mijn keel giet. Maar de Heere zegt: ‘Neen, Ik zal komen, maar in Mijn eigen weg, niet in de uwe. Door veel verdrukkingen zult gij het koninkrijk ingaan’.

En wie begeert er nooddruftig te zijn? Wie wilt dag aan dag zuchtend door het veld of rond het huis wandelen de Heere vragend om de toepassing van het bloed van verzoening in zijn ziel? Wie wil graag in dit pad wandelen? Zou het niet aangenamer en meer naar onze zin zijn om tot de Bijbel te gaan en het zo in een keer uit de Bijbel te krijgen? Maar het te ontvangen van de Heere door ziele worstelingen, met veel kermen en zuchten, en dan nog na al ons bedelen nauwelijks een drupje te krijgen, wel, wat een vreemde, verborgen weg is dit om daarop te wandelen! En dan nog aangeblazen te worden, een duivel te hebben die zijn godslasteringen in ons vleselijk gemoed blaast; te maken krijgen met hen die dood in de belijdenis zijn -waarvan we weten dat ze op de brede weg naar de hel wandelen- en die hun verdenking op ons blazen; en zelfs enkelen van Gods kinderen die ons aanblazen; wie kiest er zo’n pad uit om op te wandelen? Niemand uit zichzelf. Maar God brengt Zijn volk uit zichzelf voordat ze daarop kunnen wandelen. Ik bedoel met ‘uit zichzelf niet letterlijk, maar in zover het geestelijke zaken betreft. En dan staat Hij op tot hun hulp en brengt hen in die zalige plaats waar ze alleen in waarheid veilig zijn. Dat is het pad van diep berouw en vernedering; het pad van levende gemeenschap met Christus, ‘verborgen onder de schaduw van Zijn hand tegen de hoogmoed en verachting, voor de pestilentie die in de donkerheid wandelt en voor het verderf dat op de middag verwoest’, Psalm 91.

“Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen zal ik nu opstaan, zegt de Heere. Ik zal in behoudenis zetten dien hij aanblaast.” “Heere, vervul Uw woord. Gij hebt gezegd: Nu zal Ik opstaan. O, dat dit de zalige tijd moge zijn dat Gij zult opstaan en ons in behoudenis zult zetten tegen allen die ons aanblazen.”

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.