5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade.
Romeinen 3:24
Omdat de genade vrij is, kan zij tot ons komen. Hoe vrij is de zon in het uitzenden harer verlichtende en verwarmende stralen; hoe vrij zijn de wolken in het ontlasten harer waterschatten; hoe vrij is de dauw in het nedervallen van het gelaat des hemels; hoe vrij is de wind om heen te blazen waar het hem lust. Dit nu zijn schriftuurlijke zinnebeelden en voorstellingen van de vrije genade Gods. Zij schijnt even vrij als de zon; daalt even vrij neder als de regen; valt even vrij als de dauw, en blaast even vrij als de wind.
Maar niet in de genade als in de natuur voor alle mensen. Dat bedoel ik niet; maar tot wie ze komt, komt zij vrij. En als zij zo komt, deelt zij heerlijke goederen mede. Evenals de zon licht en warmte schenkt, als de regen vruchtbaar maakt, als de dauw verzacht, als de wind kracht geeft, zo is het ook met de genade Gods, die voortkomt uit de volheid van Christus. Zij verlicht het verstand, verwarmt het hart, maakt de ziel vruchtbaar, verzacht de geest en versterkt de gehele nieuwe mens der genade.
En al die genade is vrij, zonder moeiten of kosten, zonder geld of prijs, niets behoevende, niets van ons vragende dan een heerlijke wedervergelding. De beste schuld aan een weldoener is de schuld der dankbaarheid; de beste vergelding van goedheid is de vergelding der liefde; de beste erkenning van een gunstbewijs is goede woorden en daden die ermede in overeenstemming zijn. De beste dank die de aarde kan bewijzen aan de zon, de regen, de dauw en de wind des hemels, is vruchten te dragen, om door een overvloedige oogst van de goedheid te getuigen van hetgeen van de hemel op haar viel. Zo is het ook in de genade: „Wie dankoffert, die zal Mij eren” (Psalm 50:23). Een gelovig, liefhebbend hart, biddende en dankende lippen, een Goddelijk leven zijn de beste dank voor ontvangen genade.
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;
Wij steken ’t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Psalm 89:8
Aan de lezer…
Vandaag meent u misschien nog dat u eerst iets moet meebrengen voordat de genade tot u kan komen. Hoor dan wat hier staat: „En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade.” Zo vrij als de zon haar stralen uitzendt, als de regen neerdaalt, als de dauw valt en de wind waait, zo vrij komt Gods genade tot wie zij komt. Zonder geld, zonder prijs, uit de volheid van Christus. Uw armoede staat haar niet in de weg; uw zelfgemaakte waardigheid wel.
En waar die genade komt, doet zij haar werk. Zij verlicht het verstand, verwarmt het hart, maakt de ziel vruchtbaar en versterkt de nieuwe mens. Zij vraagt niets dan de schuld der dankbaarheid. Zoals de aarde haar dank betoont door vrucht te dragen, zo is een gelovig, liefhebbend hart met biddende en dankende lippen de beste dank voor ontvangen genade. Breng dan uw lege handen, en laat uw leven getuigen van wat de hemel u schonk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade.
Romeinen 3:24
Omdat de genade vrij is, kan zij tot ons komen. Hoe vrij zendt de zon haar verlichtende en verwarmende stralen uit! Hoe vrij laten de wolken hun schatten aan water los! Hoe vrij valt de dauw neer uit de hemel! Hoe vrij blaast de wind waarheen hij wil! Dit zijn nu Schriftuurlijke beelden en voorstellingen van de vrije genade van God. Zij schijnt even vrij als de zon, daalt even vrij neer als de regen, valt even vrij als de dauw en blaast even vrij als de wind.
Maar in de genade komt zij niet, zoals in de natuur, tot alle mensen. Dat bedoel ik niet; maar tot wie zij komt, komt zij vrij. En wanneer zij zo komt, deelt zij heerlijke gaven mee. Zoals de zon licht en warmte schenkt, de regen vruchtbaar maakt, de dauw verzacht en de wind kracht geeft, zo is het ook met de genade van God, die voortkomt uit de volheid van Christus. Zij verlicht het verstand, verwarmt het hart, maakt de ziel vruchtbaar, verzacht de geest en versterkt de hele nieuwe mens van de genade.
En al die genade is vrij, zonder moeite of kosten, zonder geld of prijs. Zij heeft niets nodig en vraagt van ons niets anders dan een heerlijke wedervergelding. De beste schuld aan een weldoener is de schuld van de dankbaarheid. De beste vergelding van goedheid is de vergelding van de liefde. De beste erkenning van een gunstbewijs zijn goede woorden en daden die daarmee in overeenstemming zijn. De beste dank die de aarde kan bewijzen aan de zon, de regen, de dauw en de wind van de hemel, is vrucht dragen, om door een overvloedige oogst te getuigen van de goedheid die uit de hemel op haar viel. Zo is het ook in de genade: „Wie dankoffert, die zal Mij eren” (Psalm 50:23). Een gelovig, liefhebbend hart, biddende en dankende lippen en een godvruchtig leven zijn de beste dank voor ontvangen genade.
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;
Wij steken ’t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Psalm 89:8
Aan de lezer…
Vandaag meent u misschien nog dat u eerst iets moet meebrengen voordat de genade tot u kan komen. Hoor dan wat hier staat: „En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade.” Zo vrij als de zon haar stralen uitzendt, als de regen neerdaalt, als de dauw valt en de wind waait, zo vrij komt Gods genade tot wie zij komt: zonder geld, zonder prijs, uit de volheid van Christus. Uw armoede staat haar niet in de weg; uw zelfgemaakte waardigheid wel.
En waar die genade komt, doet zij haar werk. Zij verlicht het verstand, verwarmt het hart, maakt de ziel vruchtbaar en versterkt de nieuwe mens. Zij vraagt niets dan de schuld van de dankbaarheid. Zoals de aarde haar dank betoont door vrucht te dragen, zo is een gelovig, liefhebbend hart met biddende en dankende lippen de beste dank voor ontvangen genade. Breng dan uw lege handen, en laat uw leven getuigen van wat de hemel u schonk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Being justified freely by His grace.
Romans 3:24
It is because grace is free that it can reach us. How free is the sun in sending forth its enlightening, warming beams; how free the clouds in discharging their watery treasures; how free the dew in falling from the face of heaven; how free the wind in blowing where it wills. Now these are scriptural types and representatives of the free grace of God. It shines as freely as the sun; drops as freely as the rain; falls as freely as the dew; and blows as freely as the wind. But not in grace, as in nature—to all men. I mean not that; but all to whom it comes it comes freely. And whenever it so comes it communicates precious things with it.
As the sun lights and warms, as the rain fertilizes, as the dew softens, as the wind invigorates, so it is with the grace of God which comes out of the fullness of Christ. It enlightens the understanding, warms the heart, fertilizes the soul, softens the spirit, and invigorates the whole new man of grace. And all this grace does freely, without charge or cost, without money or price, needing nothing, asking nothing from us but a kindly return.
The best debt to a benefactor is the debt of gratitude; the best return of kindness is the return of love; the best acknowledgment of a favor is good words and suitable deeds. The best thanks which the earth can give to the sun, rain, dew, and wind of heaven is to be fruitful—to manifest by the goodness of the crops, the goodness of what falls from heaven upon it. So it is in grace—“Whoever offers praise glorifies Me” (Psalm 50:23). A believing, loving heart; a prayerful, thankful lip; and a holy, godly life are the best returns for grace.
To the reader…
Today you may still think that you must first bring something before grace can come to you. Then hear what is written here: “Being justified freely by His grace.” As freely as the sun sends out its rays, as the rain comes down, as the dew falls and the wind blows, so freely does God’s grace come to those to whom it comes: without money, without price, out of the fullness of Christ. Your poverty does not stand in its way; your self-made worthiness does.
And where that grace comes, it does its work. It enlightens the understanding, warms the heart, makes the soul fruitful and strengthens the new man. It asks nothing but the debt of gratitude. Just as the earth shows its thanks by bearing fruit, so a believing, loving heart with praying and thankful lips is the best thanks for grace received. Bring, then, your empty hands, and let your life bear witness to what heaven has given you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Siendo justificados gratuitamente por Su gracia.
Romanos 3:24
Es porque la gracia es gratuita que puede alcanzarnos. ¡Cuán libremente envía el sol sus rayos que alumbran y calientan; cuán libremente descargan las nubes sus tesoros de agua; cuán libremente cae el rocío de la faz del cielo; cuán libremente sopla el viento de donde quiere! Pues bien, estos son tipos y figuras bíblicas de la gracia gratuita de Dios. Brilla tan libremente como el sol; destila tan libremente como la lluvia; cae tan libremente como el rocío; y sopla tan libremente como el viento. Pero no, en la gracia como en la naturaleza, para todos los hombres; no quiero decir eso; sino que a todos aquellos a quienes llega, llega gratuitamente. Y siempre que llega así, comunica consigo cosas preciosas.
Como el sol alumbra y calienta, como la lluvia fertiliza, como el rocío ablanda, como el viento vigoriza, así sucede con la gracia de Dios que procede de la plenitud de Cristo. Ilumina el entendimiento, calienta el corazón, fertiliza el alma, ablanda el espíritu y vigoriza todo el hombre nuevo de la gracia. Y todo esto lo hace la gracia gratuitamente, sin cargo ni costo, sin dinero y sin precio, sin necesitar nada, sin pedirnos nada sino una respuesta agradecida.
La mejor deuda para con un bienhechor es la deuda de gratitud; la mejor respuesta a la bondad es la respuesta del amor; el mejor reconocimiento de un favor son buenas palabras y obras adecuadas. El mejor agradecimiento que la tierra puede dar al sol, a la lluvia, al rocío y al viento del cielo es ser fructífera: mostrar, por la bondad de las cosechas, la bondad de lo que cae del cielo sobre ella. Así es en la gracia: “El que sacrifica alabanza me honrará” (Salmo 50:23). Un corazón creyente y amante, unos labios que oran y dan gracias, y una vida santa y piadosa son la mejor respuesta a la gracia.
Al lector…
Puede que hoy todavía piense usted que primero tiene que traer algo antes de que la gracia pueda venir a usted. Oiga entonces lo que aquí está escrito: “Siendo justificados gratuitamente por Su gracia”. Tan libremente como el sol envía sus rayos, como desciende la lluvia, como cae el rocío y sopla el viento, así de libremente viene la gracia de Dios a aquellos a quienes llega: sin dinero, sin precio, de la plenitud de Cristo. Su pobreza no le estorba; lo que le estorba es la dignidad que usted mismo se fabrica.
Y donde llega esa gracia, hace su obra. Ilumina el entendimiento, calienta el corazón, hace fructífera el alma y fortalece al hombre nuevo. No pide nada sino la deuda de gratitud. Así como la tierra muestra su agradecimiento dando fruto, así un corazón creyente y amante, con labios que oran y dan gracias, es el mejor agradecimiento por la gracia recibida. Traiga, pues, sus manos vacías, y deje que su vida dé testimonio de lo que el cielo le ha dado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gebed van Salomo
En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land hunner gevangenis (…), hoor dan uit de hemel.
2 Kronieken 6:37-39
Er zijn gradaties van gevangenschap. De zonde verwijdert iedereen die haar bedrijft van God; maar sommige zonden verwijderen de ziel verder van Hem dan andere. Wanneer ze zo gevankelijk worden weggevoerd, verliezen de arme gevangenen hun zoete vertrouwen; ze hebben niet dezelfde toegang tot God als voorheen, en in hun gevoel bevinden ze zich op grote, vaak heel grote afstand van God. Maar worden ze daar gelaten? Heeft de Heere helemaal geen aandacht meer voor hen? Vergeet Hij hun gevangenschap?
„En daar,” zegt Salomo, „als zij het weer aan hun hart brengen” (2 Kron. 6:37). God brengt de gedachte in hun hart; het is bij hen net zo als bij de verloren zoon: „komen ze tot zichzelf”. De zonde is op hen afgekomen als een vloedgolf, zij heeft hen weggevoerd, hen in gevangenschap gedreven. Maar „zij denken na”; genadige gedachten komen in hun ziel op; de Heere raakt hun hart aan met Zijn vinger, en „ze denken na” over waar ze zijn en waar ze zijn geweest, wat ze hebben gedaan en de situatie waarin ze verzeild zijn geraakt; en „zij bekeren zich, en smeken in het land hunner gevangenis”, zeggende: „Wij hebben gezondigd, verkeerdelijk gedaan, en goddelooslijk gehandeld.”
Belijdenis, eerlijke, diepe belijdenis van hun afvalligheid en zonde! En dan, daaruit voortkomend: „als zij zich tot U bekeren, met hun ganse hart en met hun ganse ziel”. Het moet zijn met het ganse hart en de ganse ziel: geen halve maatregelen volstaan als ze in het land van hun gevangenis zijn waarheen ze gevankelijk zijn weggevoerd; en „zullen bidden naar de weg huns lands, dat Gij hun vaderen gegeven hebt, en naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; Hoor dan uit de hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, hun gebed en hun smekingen, en voer hun recht uit, en vergeef Uw volk, wat zij tegen U gezondigd zullen hebben” — vergeef hun al hun zonden als zij zich bekeren tot de Heere.
Lezen: Zacharia 9
Aan de lezer…
Bent u, lezer, ver weggevoerd? Voelt u dat u uw zoete vertrouwen kwijt bent, dat u niet meer dezelfde toegang tot God hebt als vroeger, en dat er een grote afstand is tussen Hem en u? Vraagt u zich af of de Heere uw gevangenschap vergeten is? Hij is het niet. Dezelfde Heere Die u zag wegvoeren, kan met Zijn vinger uw hart aanraken, zodat u het weer aan uw hart brengt, zoals de verloren zoon tot zichzelf kwam.
Wat dan? Belijd het eerlijk en diep: „Wij hebben gezondigd, verkeerdelijk gedaan, en goddelooslijk gehandeld.” Geen halve maatregelen, maar met het ganse hart en de ganse ziel. Richt uw gebed naar de plaats die de Heere verkoren heeft, naar het huis waar Zijn Naam woont, en wacht op Zijn antwoord. Want Salomo bad niet tevergeefs: „Hoor dan uit de hemel, en vergeef Uw volk.” Ook in het land van uw gevangenis is de weg naar huis niet afgesneden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land hunner gevangenis (…), hoor dan uit de hemel.
2 Kronieken 6:37-39
Er zijn graden van gevangenschap. De zonde verwijdert iedereen die haar bedrijft van God, maar sommige zonden verwijderen de ziel verder van Hem dan andere. Wanneer de arme gevangenen zo weggevoerd worden, verliezen ze hun zoete vertrouwen. Ze hebben niet meer dezelfde toegang tot God als vroeger, en naar hun gevoel zijn ze ver, vaak heel ver van God verwijderd. Maar worden ze daar gelaten? Heeft de Heere helemaal geen oog meer voor hen? Vergeet Hij hun gevangenschap?
„En daar,” zegt Salomo, „als zij het weer aan hun hart brengen” (2 Kron. 6:37). God brengt die gedachte in hun hart; het gaat hun net als de verloren zoon: „ze komen tot zichzelf”. De zonde is als een vloedgolf over hen gekomen, heeft hen meegesleurd en in gevangenschap gedreven. Maar „zij denken na”: genadige gedachten komen in hun ziel op. De Heere raakt met Zijn vinger hun hart aan, en „ze denken na” over waar ze zijn en waar ze geweest zijn, over wat ze gedaan hebben en over de toestand waarin ze terechtgekomen zijn. En „zij bekeren zich, en smeken in het land hunner gevangenis”, en zeggen: „Wij hebben gezondigd, verkeerdelijk gedaan, en goddelooslijk gehandeld.”
Belijdenis, eerlijke en diepe belijdenis van hun afval en zonde! En dan, als vrucht daarvan: „als zij zich tot U bekeren, met hun ganse hart en met hun ganse ziel”. Het moet met het hele hart en de hele ziel zijn; halve maatregelen zijn niet genoeg wanneer ze in het land zijn waarheen ze gevankelijk zijn weggevoerd. En „zullen bidden naar de weg huns lands, dat Gij hun vaderen gegeven hebt, en naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; Hoor dan uit de hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, hun gebed en hun smekingen, en voer hun recht uit, en vergeef Uw volk, wat zij tegen U gezondigd zullen hebben”: vergeef hun al hun zonden wanneer zij zich tot de Heere bekeren.
Lezen: Zacharia 9
Aan de lezer…
Bent u, lezer, ver weggevoerd? Voelt u dat u uw zoete vertrouwen kwijt bent, dat u niet meer dezelfde toegang tot God hebt als vroeger, en dat er een grote afstand is tussen Hem en u? Vraagt u zich af of de Heere uw gevangenschap vergeten is? Dat is Hij niet. Dezelfde Heere Die u zag wegvoeren, kan met Zijn vinger uw hart aanraken, zodat u het weer aan uw hart brengt, zoals de verloren zoon tot zichzelf kwam.
Wat dan? Belijd het eerlijk en diep: „Wij hebben gezondigd, verkeerdelijk gedaan, en goddelooslijk gehandeld.” Geen halve maatregelen, maar met heel uw hart en heel uw ziel. Richt uw gebed naar de plaats die de Heere verkoren heeft, naar het huis waar Zijn Naam woont, en wacht op Zijn antwoord. Want Salomo bad niet tevergeefs: „Hoor dan uit de hemel, en vergeef Uw volk.” Ook in het land van uw gevangenschap is de weg naar huis niet afgesneden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Yet if they bethink themselves in the land whither they are carried captive, and turn and pray unto Thee in the land of their captivity (…), then hear Thou from the heavens.
2 Chronicles 6:37-39
There are degrees of captivity. Sin removes everyone who commits it from God, but some sins remove the soul further from Him than others. When the poor captives are thus carried away, they lose their sweet confidence. They no longer have the same access to God as before, and to their feeling they are far, often very far, removed from God. But are they left there? Has the Lord no eye for them any more? Does He forget their captivity?
“Yet,” says Solomon, “if they bethink themselves” (2 Chron. 6:37). God brings that thought into their hearts; it is with them as with the prodigal son: “they come to themselves.” Sin has come over them like a flood, swept them away and driven them into captivity. But “they bethink themselves”: gracious thoughts arise in their souls. The Lord touches their hearts with His finger, and “they bethink themselves” of where they are and where they have been, of what they have done and of the state into which they have come. And “they turn and pray unto Thee in the land of their captivity,” saying, “We have sinned, we have done amiss, and have dealt wickedly.”
Confession, honest and deep confession of their backsliding and sin! And then, as the fruit of it: “If they return to Thee with all their heart and with all their soul.” It must be with the whole heart and the whole soul; half measures are not enough when they are in the land whither they have been carried captive. And they “pray toward their land, which Thou gavest unto their fathers, and toward the city which Thou hast chosen, and toward the house which I have built for Thy Name: then hear Thou from the heavens, even from Thy dwelling place, their prayer and their supplications, and maintain their cause, and forgive Thy people which have sinned against Thee”: forgive them all their sins when they return to the Lord.
Reading: Zechariah 9
To the reader…
Reader, have you been carried far away? Do you feel that you have lost your sweet confidence, that you no longer have the same access to God as before, and that there is a great distance between Him and you? Do you wonder whether the Lord has forgotten your captivity? He has not. The same Lord Who saw you carried away can touch your heart with His finger, so that you bethink yourself, as the prodigal son came to himself.
What then? Confess it honestly and deeply: “We have sinned, we have done amiss, and have dealt wickedly.” No half measures, but with all your heart and all your soul. Direct your prayer toward the place the Lord has chosen, toward the house where His Name dwells, and wait for His answer. For Solomon did not pray in vain: “Then hear Thou from the heavens, and forgive Thy people.” Even in the land of your captivity the way home is not cut off.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y si ellos volvieren en sí en la tierra donde fueren llevados cautivos, y se convirtieren, y oraren a Ti en la tierra de su cautividad (…), Tú oirás desde los cielos.
2 Crónicas 6:37-39
Hay grados de cautividad. El pecado aleja de Dios a todo el que lo comete, pero algunos pecados alejan el alma de Él más que otros. Cuando los pobres cautivos son así llevados lejos, pierden su dulce confianza. Ya no tienen el mismo acceso a Dios que antes, y a su sentir están lejos, a menudo muy lejos, de Dios. Pero ¿son dejados allí? ¿Ya no tiene el Señor ojos para ellos? ¿Se olvida Él de su cautividad?
“Y si ellos”, dice Salomón, “volvieren en sí” (2 Crón. 6:37). Dios pone ese pensamiento en su corazón; les sucede como al hijo pródigo: “volviendo en sí”. El pecado vino sobre ellos como una inundación, los arrastró y los llevó a la cautividad. Pero “vuelven en sí”: brotan pensamientos de gracia en sus almas. El Señor toca su corazón con Su dedo, y “vuelven en sí” y consideran dónde están y dónde han estado, lo que han hecho y el estado al que han llegado. Y “se convierten, y oran a Ti en la tierra de su cautividad”, diciendo: “Pecamos, hicimos inicuamente, impíamente hemos obrado”.
¡Confesión, confesión sincera y profunda de su apartamiento y de su pecado! Y luego, como fruto de ello: “Si se convirtieren a Ti de todo su corazón y de toda su alma”. Ha de ser con todo el corazón y con toda el alma; las medias tintas no bastan cuando están en la tierra adonde fueron llevados cautivos. Y “oraren hacia su tierra que Tú diste a sus padres, hacia esta ciudad que Tú elegiste, y hacia esta casa que he edificado a Tu Nombre; Tú oirás desde los cielos, desde el lugar de Tu morada, su oración y su ruego, y ampararás su causa, y perdonarás a Tu pueblo que pecó contra Ti”: les perdonarás todos sus pecados cuando se vuelvan al Señor.
Lectura: Zacarías 9
Al lector…
Lector, ¿ha sido usted llevado muy lejos? ¿Siente que ha perdido su dulce confianza, que ya no tiene el mismo acceso a Dios que antes y que hay una gran distancia entre Él y usted? ¿Se pregunta si el Señor se ha olvidado de su cautividad? No se ha olvidado. El mismo Señor que le vio ser llevado lejos puede tocar su corazón con Su dedo, para que usted vuelva en sí, como el hijo pródigo volvió en sí.
¿Y entonces? Confiéselo con sinceridad y profundidad: “Pecamos, hicimos inicuamente, impíamente hemos obrado”. Sin medias tintas, sino con todo su corazón y con toda su alma. Dirija su oración hacia el lugar que el Señor ha elegido, hacia la casa donde mora Su Nombre, y espere Su respuesta. Porque Salomón no oró en vano: “Tú oirás desde los cielos, y perdonarás a Tu pueblo”. Aun en la tierra de su cautividad, el camino de regreso a casa no está cortado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem weg doen.
Spreuken 22:15
Wij belijden te geloven in een almachtig, alomtegenwoordig, alziend God, en wij zouden ons wel ten hoogste beledigd achten indien iemand ons zeide: „Gij gelooft niet dat God alles ziet, dat Hij overal tegenwoordig is, dat Hij een almachtige Jehova is.” Wij zouden er bijna toe komen om te denken dat hij ons voor een atheïst aanzag. En toch, in de praktijk bewijzen wij dagelijks zodanig te zijn.
Bijvoorbeeld, wij belijden te geloven dat God alles ziet, en toch maken en ontwerpen wij plannen alsof Hij niets ziet. Wij belijden te weten dat God alles doen kan, en toch zoeken wij dingen uit te denken alsof Hij der heidenen góden gelijk was, die van geen ding nota nemen. Wij belijden te geloven dat God alomtegenwoordig is, Die uit alle moeiten kan uithelpen en Die Zijn volk door elke proeving heen doet komen; en als wij dan in moeiten en beproevingen komen, dan spreken, denken en handelen wij alsof er geen alomtegenwoordig God is, Die de omstandigheden kent en Die Zijn hand kan uitstrekken en ons eruit kan leiden.
Zo is de Heere dus verplicht (het zij met alle eerbied gezegd) ons in beproevingen en verdrukkingen te brengen, omdat wij zulke blinde dwazen zijn dat wij niet kunnen leren met welk een God wij te doen hebben, tenzij wij bevindelijk in die plaatsen van moeite en beproeving komen waaruit niemand dan alleen zulk een God ons verlossen kan. Dit is dan een reden waarom de Heere zo dikwijls Zijn volk zo smartelijk de zonde doet inleven, om hen te doen verstaan welk een wonderbare verlossing van de schuld, onreinheid en kracht der zonde is in de Persoon, het bloed en de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Om dezelfde reden ook wandelen zij in zulke voorkomende verzoekingen, opdat zij zouden leren verstaan wat een God van wonderen Hij is, om hen uit te helpen.
Dit is ook de reden waarom zo velen van hen gekweld en geplaagd worden; het is opdat zij niet zouden leven en handelen alsof er geen God ware om tot Hem te gaan, geen almachtige Vriend om mede te raadplegen, geen vriendelijke Jezus om hun moede hoofd in Zijn schoot neder te leggen. Het is om hen bevindelijk en inwendig van deze lessen van genade en waarheid kennis te doen nemen, die zij nooit zouden leren kennen totdat de Heere hen noodzaakt ze te leren en hen daadwerkelijk dwingt te geloven wat zij belijden te geloven.
Zulke moeite is Hij genoodzaakt ons op te leggen, want zulke botte leerlingen, zulke dwaze schepselen zijn wij. Teneinde dan ons te onderwijzen welk een God Hij is, welk een genadig en medelijdend Hogepriester, en om de hoogte en diepte en lengte en breedte van Zijn liefde te doen kennen, is Hij genoodzaakt Zijn volk bij tijden scherp en hard te behandelen; is Hij genoodzaakt de roede over de rug te halen, omdat Hij ziet dat de dwaasheid in de harten Zijner kinderen gebonden is en dat niets dan een herhaling van de roede der tucht ze verre van hen weg doen zal.
Aan de lezer…
Herkent u dit? U belijdt dat God alles ziet, alles kan en overal tegenwoordig is, en toch betrapt u uzelf erop dat u in de moeite denkt en handelt alsof Hij er niet ware. Wees dan eerlijk: zulke botte leerlingen, zulke dwaze schepselen zijn wij allen. De dwaasheid is in het hart gebonden, en zij laat zich niet wegredeneren.
Ligt de roede nu op uw rug, verwonder u daar dan niet over en meen niet dat de Heere u vergeten heeft. Hij brengt Zijn kinderen in plaatsen waaruit niemand dan Hij hen verlossen kan, opdat zij bevindelijk zouden leren welk een God van wonderen Hij is. Hij wil niet dat u leeft alsof er geen almachtige Vriend ware om mee te raadplegen, geen vriendelijke Jezus om uw moede hoofd in Zijn schoot neer te leggen. Zo leert Hij u de hoogte en diepte en lengte en breedte van Zijn liefde kennen, en doet Hij u waarlijk geloven wat u belijdt te geloven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem weg doen.
Spreuken 22:15
Wij belijden te geloven in een almachtig, alomtegenwoordig en alziend God, en wij zouden ons zwaar beledigd voelen als iemand tegen ons zei: „Gij gelooft niet dat God alles ziet, dat Hij overal tegenwoordig is, dat Hij een almachtige Jehova is.” Wij zouden bijna gaan denken dat hij ons voor een atheïst hield. En toch bewijzen wij in de praktijk dagelijks dat wij dat zijn.
Wij belijden bijvoorbeeld te geloven dat God alles ziet, en toch maken en bedenken wij plannen alsof Hij niets ziet. Wij belijden te weten dat God alles kan doen, en toch proberen wij dingen uit te denken alsof Hij gelijk was aan de goden van de heidenen, die van niets kennisnemen. Wij belijden te geloven dat God alomtegenwoordig is, dat Hij uit alle moeiten kan helpen en Zijn volk door elke beproeving heen brengt. Maar wanneer wij dan in moeiten en beproevingen komen, spreken, denken en handelen wij alsof er geen alomtegenwoordig God is, Die de omstandigheden kent en Die Zijn hand kan uitstrekken en ons eruit kan leiden.
Zo ziet de Heere Zich dus genoodzaakt (dat zij met alle eerbied gezegd) ons in beproevingen en verdrukkingen te brengen. Want wij zijn zulke blinde dwazen dat wij niet kunnen leren met wat voor God wij te doen hebben, tenzij wij bevindelijk op die plaatsen van moeite en beproeving komen waaruit niemand dan alleen zo’n God ons kan verlossen. Dit is dan een reden waarom de Heere Zijn volk zo vaak zo smartelijk de zonde doet ervaren: om hen te laten verstaan wat een wonderbare verlossing van de schuld, de onreinheid en de macht van de zonde er is in de Persoon, het bloed en de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Om dezelfde reden gaan zij ook door zulke verzoekingen als zich voordoen, opdat zij zouden leren verstaan wat een God van wonderen Hij is om hen uit te helpen.
Dit is ook de reden waarom zovelen van hen gekweld en geplaagd worden: opdat zij niet zouden leven en handelen alsof er geen God was om naartoe te gaan, geen almachtige Vriend om mee te raadplegen, geen vriendelijke Jezus om hun moede hoofd in Zijn schoot neer te leggen. Het is om hen bevindelijk en inwendig deze lessen van genade en waarheid te laten leren. Die zouden zij nooit leren kennen, totdat de Heere hen noodzaakt ze te leren en hen daadwerkelijk dwingt te geloven wat zij belijden te geloven.
Zulke moeite moet Hij ons wel opleggen, want zulke botte leerlingen, zulke dwaze schepselen zijn wij. Om ons dan te onderwijzen wat voor God Hij is, wat een genadig en medelijdend Hogepriester, en om ons de hoogte en diepte en lengte en breedte van Zijn liefde te laten kennen, moet Hij Zijn volk soms scherp en hard behandelen. Hij moet de roede over de rug halen, omdat Hij ziet dat de dwaasheid in het hart van Zijn kinderen gebonden is en dat niets dan een herhaling van de roede der tucht haar ver van hen weg zal doen.
Aan de lezer…
Herkent u dit? U belijdt dat God alles ziet, alles kan en overal tegenwoordig is, en toch betrapt u uzelf erop dat u in de moeite denkt en handelt alsof Hij er niet was. Wees dan eerlijk: zulke botte leerlingen, zulke dwaze schepselen zijn wij allemaal. De dwaasheid is in het hart gebonden, en zij laat zich niet wegredeneren.
Ligt de roede nu op uw rug, verwonder u daar dan niet over en denk niet dat de Heere u vergeten heeft. Hij brengt Zijn kinderen op plaatsen waaruit niemand dan Hij hen kan verlossen, opdat zij bevindelijk zouden leren wat een God van wonderen Hij is. Hij wil niet dat u leeft alsof er geen almachtige Vriend was om mee te raadplegen, geen vriendelijke Jezus om uw moede hoofd in Zijn schoot neer te leggen. Zo leert Hij u de hoogte en diepte en lengte en breedte van Zijn liefde kennen, en laat Hij u werkelijk geloven wat u belijdt te geloven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Foolishness is bound in the heart of a child; but the rod of correction shall drive it far from him.”
Proverbs 22:15
We profess to believe in an Almighty, All-present, All-seeing God; and we would be highly offended if a person said to us, “You do not believe that God sees everything, that He is everywhere present, that He is an Almighty Jehovah;” we would almost think that he was taking us for an atheist. And yet practical atheists we daily prove ourselves to be. For instance, we profess to believe that God sees everything, and yet we are plotting and planning as though He saw nothing. We profess to know that God can do everything, and yet we are always cutting out schemes, and carving out contrivances, as though He were like the gods of the heathen, looking on and taking no notice.
We profess to believe that God is everywhere present to relieve every difficulty and bring His people out of every trial, and yet when we get into the difficulty and into the trial, we speak, think, and act as though there were no such omnipresent God, Who knows the circumstances of the case, and can stretch forth His hand to bring us out of it.
Thus the Lord is obliged, (to speak with all reverence,) to thrust us into trials and afflictions, because we are such blind fools, that we cannot learn what a God we have to deal with, until we come experimentally into those spots of difficulty and trial, out of which none but such a God can deliver us.
This, then, is one reason why the Lord often plunges His people so deeply into a sense of sin; it is to show them what a wonderful salvation from the guilt, filth, and power of sin there is in the Person, blood, and righteousness of the Lord Jesus Christ. For the same reason, also, they walk in such scenes of temptation; it is in order to show them what a wonder-working God He is in bringing them out.
This, also, is the reason why many of them are so harassed and plagued; it is that they may not live and act as though there were no God to go to, no Almighty Friend to consult, no kind Jesus to rest their weary heads upon; it is in order to teach them experimentally and inwardly those lessons of grace and truth which they never would know until the Lord, as it were, thus compels them to learn, and actually forces them to believe what they profess to believe.
Such pains is He obliged to take with us; such poor scholars, such dull creatures we are. In order, then, to teach us what a God He is, what a merciful and compassionate High Priest; in order to open up the heights, and depths, and lengths, and breadths of His love, He is compelled to treat, at times, His people very roughly, and handle them very sharply; He is obliged to make very great use of His rod, because He sees that “foolishness is so bound up in the hearts” of His children that nothing but the repeated “rod of correction will ever drive it far from them.”
To the reader…
Do you recognize this? You confess that God sees everything, can do everything and is present everywhere, and yet you catch yourself thinking and acting in your trouble as if He were not there. Be honest, then: such dull scholars, such foolish creatures, we all are. Foolishness is bound in the heart, and it will not be reasoned away.
If the rod is now upon your back, do not be surprised at it, and do not think the Lord has forgotten you. He brings His children into places from which no one but He can deliver them, so that they may learn by experience what a wonder-working God He is. He does not want you to live as though there were no Almighty Friend to consult, no kind Jesus on Whose bosom to lay your weary head. In this way He teaches you the height and depth and length and breadth of His love, and makes you truly believe what you profess to believe.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“La necedad está ligada en el corazón del muchacho; mas la vara de la corrección la hará alejar de él.”
Proverbios 22:15
Profesamos creer en un Dios Todopoderoso, omnipresente y que todo lo ve; y nos ofenderíamos mucho si alguien nos dijera: “Usted no cree que Dios lo ve todo, que está presente en todas partes, que es un Jehová Todopoderoso”; casi pensaríamos que nos tenía por ateos. Y, sin embargo, a diario demostramos ser ateos prácticos. Por ejemplo, profesamos creer que Dios lo ve todo, y sin embargo tramamos y planeamos como si Él no viera nada. Profesamos saber que Dios puede hacerlo todo, y sin embargo estamos siempre urdiendo proyectos y labrando artificios, como si Él fuera como los dioses de los paganos, que miran sin hacer caso.
Profesamos creer que Dios está presente en todas partes para remediar toda dificultad y sacar a Su pueblo de toda prueba, y sin embargo, cuando caemos en la dificultad y en la prueba, hablamos, pensamos y obramos como si no hubiera tal Dios omnipresente, que conoce las circunstancias del caso y puede extender Su mano para sacarnos de ello.
Así el Señor se ve obligado (hablando con toda reverencia) a arrojarnos a pruebas y aflicciones, porque somos tan ciegos y necios que no podemos aprender con qué Dios tenemos que ver hasta que llegamos por experiencia a esos lugares de dificultad y prueba de los que nadie sino un Dios así puede librarnos.
Esta es, pues, una razón por la que el Señor a menudo sumerge a Su pueblo tan hondamente en un sentir del pecado: para mostrarles qué maravillosa salvación de la culpa, la inmundicia y el poder del pecado hay en la Persona, la sangre y la justicia del Señor Jesucristo. Por la misma razón andan también en tales escenas de tentación: para mostrarles qué Dios obrador de maravillas es Él al sacarlos de ellas.
Esta es también la razón por la que muchos de ellos son tan acosados y atormentados: para que no vivan ni obren como si no hubiera Dios a quien acudir, ni Amigo Todopoderoso a quien consultar, ni bondadoso Jesús sobre Quien reclinar su cabeza cansada; para enseñarles por experiencia y en lo íntimo esas lecciones de gracia y verdad que nunca conocerían hasta que el Señor, por así decirlo, los obliga así a aprenderlas y de hecho los fuerza a creer lo que profesan creer.
Tantos trabajos se ve obligado a tomarse con nosotros; tan pobres alumnos, tan torpes criaturas somos. Para enseñarnos, pues, qué Dios es Él, qué misericordioso y compasivo Sumo Sacerdote; para descubrir la altura, la profundidad, la longitud y la anchura de Su amor, se ve obligado a tratar a veces a Su pueblo con mucha dureza y a manejarlo con mucha severidad; se ve obligado a hacer gran uso de Su vara, porque ve que “la necedad está tan ligada en el corazón” de Sus hijos que nada sino la repetida “vara de la corrección la hará alejar de ellos”.
Al lector…
¿Se reconoce en esto? Usted confiesa que Dios lo ve todo, lo puede todo y está presente en todas partes, y sin embargo se sorprende pensando y obrando en su angustia como si Él no estuviera allí. Sea sincero, entonces: tan torpes alumnos, tan necias criaturas somos todos. La necedad está ligada en el corazón, y no se la quita con razonamientos.
Si la vara está ahora sobre su espalda, no se extrañe de ello ni piense que el Señor le ha olvidado. Él lleva a Sus hijos a lugares de los que nadie sino Él puede librarlos, para que aprendan por experiencia qué Dios obrador de maravillas es Él. No quiere que usted viva como si no hubiera Amigo Todopoderoso a quien consultar, ni bondadoso Jesús en Cuyo pecho reclinar su cabeza cansada. Así le enseña la altura y la profundidad, la longitud y la anchura de Su amor, y le hace creer de veras lo que usted profesa creer.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl