Gepredikt in de Gower Street Chapel, Londen, op zondagavond 19 juli 1868.
“Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.” — Psalm 42:12
Wat een bewijs is het voor de waarheid en de inspiratie van het Woord van God, dat de Bijbel onze metgezel, raadgever en vriend wordt, zodra de Heere onze zielen levend wil maken tot geestelijk leven. Het is waar: ook vóór die tijd hebben we de Schrift misschien gelezen, uit plichtsgevoel of uit gewoonte, en dat ijverig. We kunnen haar van kindsbeen af geleerd hebben en grote gedeelten uit het hoofd kennen. We kunnen haar zelfs zover begrijpen dat we vlot kunnen spreken over de waarheden die erin staan, en dat we de leer van de genade kunnen verdedigen tegenover tegenstanders. Maar al hadden we dit alles gedaan, en nog veel meer (want wie kan zeggen hoever de natuur kan gaan?), toch lazen we het Woord van God meestal zo lusteloos en loom. Hoe weinig begrepen we van de geestelijke betekenis ervan! En hoeveel minder geloofden we de plechtige werkelijkheden die erin worden geopenbaard, of leefden we ernaar!
Misschien twijfelden we niet aan de inspiratie van de Bijbel en zagen we haar met enige eerbied aan als het Woord van God. Maar bij al die uiterlijke achting was er geen echt geloof in ons hart, waardoor we de bedreigingen vreesden of de beloften aannamen. Nooit kregen we er een gegronde hoop op Gods barmhartigheid uit. Nooit voelden we er een geestelijke liefde door voor Zijn naam, of voor enige waarheid die samenhangt met de Persoon en het werk van Christus. Evenmin wekte de Bijbel in ons nederigheid van gemoed, een gebroken hart, een verslagen geest of gehoorzaamheid aan Gods wil. Ze wekte geen ernstig verlangen om Hem te behagen en geen plechtige vrees om Hem te mishagen. Wat het Woord van God voor ons betekende, in zaligmakende of heiligende werking op ons hart en ons leven, was dus volkomen niets: het was voor ons een leeg blad, en wij waren dat voor het Woord.
Maar o, wat een verandering komt er in de gevoelens van de ziel tegenover het Woord van God, wanneer God haar levend wil maken tot goddelijk leven! We hoeven ons ook niet te verwonderen dat die omwenteling zo groot is. Want het is door de kracht van Gods Woord op het hart dat deze wonderlijke verandering gewerkt wordt. “Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen.” (Jak. 1:18) “Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.” (1 Petr. 1:23) “Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.” (Ps. 119:50) Door datzelfde Woord zijn we van onze zonden overtuigd: “Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten.” (Hebr. 4:12) Door de kracht van dat Woord op ons geweten konden we ook, op Gods tijd, geloven in de Zoon van God.
Want juist door Zijn Woord, met goddelijke kracht op het hart toegepast, wordt het geloof opgewekt om in Zijn naam te geloven. Dan is het zoals de Heere tot Zijn discipelen zei: “De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.” (Joh. 6:63) Die geest en dat leven zijn de geest en het leven van het geloof, en vooral van het geloof dat Hem aanneemt als de Zoon van God. Want wanneer Hij Zijn kostbare Woord op het hart wil toepassen en Zichzelf in de kracht van dat Woord wil openbaren, wordt het geloof opgewekt om Zijn getuigenis te ontvangen.
Zo wordt Zijn Woord geest en leven voor de ziel. Dit deed Jeremia zeggen: “Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten.” (Jer. 15:16) Zo wordt dat Woord ook onze steun wanneer de ziel terneergeslagen is door de vele moeilijkheden van de weg: “Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.” (Ps. 119:81) Zijn we in moeilijkheden of verlegenheid, dan wordt dat Woord onze raadgever, zoals David ondervond: “Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.” (Ps. 119:24) En opnieuw: “Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.” (Ps. 119:105) De raad die het ons geeft, is goede raad.
Want het wijst ons hoe we moeten handelen en wat we moeten doen. Het gebiedt ons onze zorg op de Heere te werpen, omdat Hij ons zal onderhouden. Het gebiedt ons stil te zijn en te weten dat Hij God is. Het waarschuwt ons niet onze eigen strijd te strijden of de vijand in eigen kracht tegemoet te trekken, maar te waken, te bidden en te wachten tot de Heere verschijnt.
Als we door onze vijanden worden vervolgd, zoals David door Saul, toen hij als een veldhoen op de bergen werd opgejaagd, dan geeft de kracht en de steun van dat Woord ons sterkte om hun wrede beschuldigingen te dragen en pal te staan tegen hun aanvallen. Daarom zei David: “Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.” (Ps. 119:87) Komt de satan als een vloed, dan richt de Geest van de Heere door de kracht van Zijn Woord een banier tegen hem op.
Glijden we uit en wijken we af van de enge en smalle weg, dan komt het Woord ons herstellen: “Hij verkwikt mijn ziel.” (Ps. 23:3) Want door te geloven in Gods belofte dat Hij alle ongerechtigheid, overtreding en zonde om niet vergeeft, worden onze afvallen genezen en onze zielen teruggebracht uit slavernij, vleselijkheid en dood. In feite wordt het hele genadewerk in de ziel van begin tot einde voortgezet door de kracht van Zijn Woord op ons hart. Door de beloften ervan worden we getrokken, door de geboden geleid, door de waarschuwingen vermaand en door de bestraffingen berispt. Door de roede worden we getuchtigd, door de steun ervan ondersteund.
In het licht ervan wandelen we, door de lering ervan worden we wijs gemaakt, door de opwekkingen ervan vernieuwd en door de waarheid ervan geheiligd. Niet dat het Woord van God dit alles of iets daarvan uit zichzelf in ons en voor ons kan doen. Maar in de hand van de Geest, Die erin en erdoor werkt als Zijn krachtig werktuig, worden al deze genadige werkingen in de ziel voortgebracht.
Kunnen we dit of iets dergelijks van enig ander boek zeggen? Andere boeken kunnen onderwijzen of vermaken. Ze kunnen het verstand voeden, de verbeelding bekoren en de geest vormen. Maar wat kunnen ze meer? Ik bedoel hiermee niet dat we alle andere boeken behalve de Bijbel moeten verachten of opzijschuiven. Want zonder boeken zou de samenleving, zoals ze nu is ingericht, niet kunnen bestaan, en elk boek verbranden zou ons terugwerpen in de barbaarsheid van de Middeleeuwen. Laat de boeken dus hun plaats hebben voor dit leven. Maar wat kunnen ze voor ons doen voor het leven dat komt? Wat kunnen onze beroemde schrijvers, onze uitgelezen klassieken, onze geleerde geschiedschrijvers, onze grote toneelschrijvers of onze welsprekende dichters voor de ziel doen in tijden van ellende en benauwdheid?
Kunnen ze een gewond geweten genezen? Kunnen ze het besef van Gods toorn wegnemen? Kunnen ze de vreugde van het heil teruggeven, als die door schuld en vrees bijna verdwenen lijkt? Kunnen ze een stervende op zijn ziekbed ondersteunen? Kunnen ze de angel van de dood wegnemen en de overwinning aan het graf ontrukken? Wat zijn alle menselijke geschriften machteloos in zulke omstandigheden. Is het niet zoals meneer Hart zo goed zegt?
“Welke balsem konden ellendigen ooit vinden
in vernuft, om leed te helen?
Of wie kan een verontrust gemoed genezen
met al de praal van taal?”
Dit is nu de zegen van het Woord van God: als al het andere tekortschiet, komt het ons in alle omstandigheden te hulp. We kunnen nooit zo diep zinken dat we buiten het bereik raken van enige belofte in het Woord van de waarheid. Het kan gebeuren, en waarschijnlijk zal het gebeuren, dat we op een plek komen waar al het andere faalt en bezwijkt, behalve het Woord van God, dat voor eeuwig in de hemel vaststaat. Dan zal het woord van genade en waarheid, dat reikt tot in de diepste nood, het woord van belofte waarop de Heere de ziel laat hopen, ons nog steeds vriendelijk toelachen.
Het zal ons in alle omstandigheden blijven aanmoedigen om de naam van de Heere aan te roepen en ons vast te klampen aan de trouw van Hem Die gezegd heeft: “De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” (Mark. 13:31) Zo komt het Woord van God, in omstandigheden die voor vlees en bloed het zwaarst zijn, waar de natuur ontzet staat en de rede het begeeft, als raadgever binnen om vriendelijke raad te geven. Het komt als metgezel om met zijn tedere medeleven de geest te sterken en te steunen, en als vriend om met een liefdevolle, hartelijke stem tot het hart te spreken.
We hoeven ons dus niet te verwonderen dat de familie van God het Woord van God in alle eeuwen zo hoog heeft gewaardeerd. Het is immers met zo’n oneindige wijsheid geschreven dat het elk geval raakt, bij elke omstandigheid past, elke pijnlijke leegte vult en aansluit bij elke levenstoestand en elke toestand van lichaam en ziel.
Deze gedachten komen bij me op in verband met mijn tekst. Wat dat verband is, wordt misschien duidelijker naarmate ik de tekst uitleg. Maar is het niet iets wonderlijks dat je in het Woord van God een metgezel hebt als je ziel in je terneergeslagen is en je gemoed onrustig, en je toch op God hoopt en verwacht dat Hij verschijnt? En dat onze tekst je verzekert dat er al iemand vóór jou op hetzelfde pad liep, in wiens hart de Geest van God gevoelens en verlangens wekte die op de jouwe lijken? Laten we dus zien of je, als je wat je doormaakt naast het Woord van de waarheid legt, niet een weerspiegeling van je eigen ervaring en een echo van je eigen stem zult vinden in de woorden van de psalmist die nu voor ons liggen.
We zien daarin een aangrijpend gesprek dat David met zijn ziel voert, en uit dat gesprek put hij hoop en bemoediging voor zichzelf. Ik zal daarom eenvoudig de volgorde volgen waarin de woorden zich aan ons voordoen:
I. Ten eerste zal ik ingaan op Davids aangrijpende vraag aan zijn ziel: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel? en wat zijt gij onrustig in mij?”
II. Ten tweede zal ik de bemoedigende vermaning bekijken die hij tot zijn terneergeslagen en onrustige ziel richt: “Hoop op God.”
III. Ten derde de zekere verwachting die hij uit dit gesprek put: dat de donkere wolk zal voorbijgaan en de tijd zal komen dat hij Hem zal loven Die “de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God” is.
I. Merk op hoe teder en vertrouwelijk David met zijn eigen ziel spreekt, als met een tedere en meelevende boezemvriend.
(i) Maar hoe weinigen, naar verhouding, weten dat ze een ziel hebben waartegen ze zo kunnen spreken. Het is werkelijk een zeer grote ontdekking wanneer een mens voor het eerst ontdekt dat hij een ziel in zijn borst heeft. De grote massa van de mensen, ja, mogen we niet zeggen: allen die geen goddelijk leven hebben, weten niet werkelijk en waarachtig dat ze een ziel hebben. Dit lijkt misschien een harde leer, maar ze handelen in elk geval alsof ze er geen hebben. Een mens ontdekt immers nooit werkelijk en waarachtig dat hij een ziel heeft voordat hij ontdekt dat er een God is.
En hij ontdekt nooit dat er een God is voordat een straal van goddelijk licht uit de volheid van God in zijn hart schijnt. Ik wil daarmee niet zeggen dat mensen met zoveel woorden het bestaan van de ziel of van God ontkennen. Maar we moeten mensen beoordelen naar hun daden. Handelen ze alsof ze geen ziel hebben die behouden of verloren kan worden, en alsof er geen God is die hen voor het gericht zal brengen, dan moeten we besluiten dat ze geen van beide in hun hart geloven, ook al ontkennen ze het niet openlijk en stellig met hun lippen.
Maar een mens weet nooit werkelijk en waarachtig dat hij een ziel heeft totdat er leven in haar is gebracht. Want een dode ziel beweegt niet in zijn borst en wordt daarom niet als aanwezig herkend. Het is als een doodgeboren kind, dat geen teken of beweging van leven geeft en daarom voor zijn moeder is alsof het er niet is. We hoeven ons niet te verwonderen dat het kind niet huilt als het dood is, en ons niet te verbazen dat het geen lidmaat beweegt als het doodgeboren is. Hoe maakt een kind zijn bestaan bekend, anders dan door het geschrei en de bewegingen van het leven?
Zo is het ook in de genade: we weten nooit werkelijk dat we een ziel hebben totdat ze levend gemaakt is voor God en tot Hem roept. Dan beginnen we door de roep van het leven voor het eerst te ontdekken dat we een ziel hebben. Dan wordt onze ziel een zaak van het diepste belang voor ons. Want we merken dat ze volgens het Woord van God eeuwig behouden of eeuwig verloren moet worden. En omdat we blijvend geluk of ellende niet kunnen scheiden van de ziel, de zetel van beide, wordt ze voor ons het belangrijkste waarmee we ooit te maken hebben gehad. Dit brengt ons in een vertrouwelijke omgang en een innig medeleven met haar.
O, wat is de ziel een tedere plek in een mens, als God er leven en gevoel in heeft gelegd! Wat is ze kostbaar. Ze is in feite het enige kostbare deel, want zij alleen kan nooit vergaan, zij alleen is het onsterfelijke deel van de mens. Ze is zo teder en zo kostbaar, ze ligt zo diep verborgen in de borst en is toch altijd aanwezig, altijd bereid om te spreken en aangesproken te worden. Daarom ontstaat er tussen een mens en zijn ziel een innige vriendschap en een tedere genegenheid. Innig is de vriendschap tussen broer en broer, tussen zuster en zuster, tussen vriend en vriend, en nog inniger tussen man en vrouw.
Maar wat is zelfs de innigheid tussen man en vrouw, de nauwste en tederste van alle banden, vergeleken met de innigheid die een mens met zijn eigen ziel heeft? Hoe kan een mens met zijn ziel spreken, met haar redeneren, haar troosten, haar berispen, haar aanmoedigen en haar ernstig vermanen! En hoe kan de ziel op haar beurt met hem spreken, naar zijn woorden luisteren, ze herhalen en erop antwoorden! Soms luistert ze naar zijn raad, soms weigert ze halsstarrig zelfs rechtmatige troost, zoals David zegt: “mijn ziel weigerde getroost te worden.” (Ps. 77:3)
We hoeven ons dus niet te verwonderen dat David en zijn ziel met elkaar spraken, zowel in onze tekst als elders, en dat hij haar wilde opbeuren. Want als zijn ziel terneergeslagen was, was hij zelf terneergeslagen. De smarten van zijn ziel waren zijn smarten, zoals de vreugden van zijn ziel zijn vreugden waren. De pijn van zijn ziel was zijn pijn en haar nood was zijn nood. Hij voelde dat nog sterker omdat het zo’n tedere en kostbare plek raakte: de dierbare vriend die in zijn borst woonde. Ik bedoel niet dat ik een mens van zijn ziel wil scheiden, alsof de ziel het ene was en het besef een ziel te hebben iets anders.
Ik zal me ook niet storten in de diepten van de wijsbegeerte of speculatieve ideeën en fantasierijke opvattingen naar voren brengen. Ik wil al zulke ijdele gedachten en dwaze bespiegelingen vermijden. Ik neem alleen het brede standpunt in dat God hier zelf inneemt door ons de taal van David voor te leggen. Want in het Woord van de waarheid wordt hij ons duidelijk voorgesteld terwijl hij met zijn ziel spreekt en haar vraagt waarom ze terneergeslagen is.
Maar als we de vergelijking doortrekken en het beeld volgen, kunnen we ons voorstellen dat de ziel zijn vraag beantwoordt. Want als David zei: “Wat buigt gij u neder, o mijn ziel?”, dan kunnen we ons goed voorstellen dat de ziel hem antwoord geeft. Anders zou er geen wederzijds gesprek zijn, geen hartelijke en meelevende samenspraak. Als we nu mogen luisteren naar wat de ziel zegt, of als ik als tolk haar taal voor jullie mag vertolken, dan kunnen we ons voorstellen dat ze zo spreekt: “Ik zal je zeggen, David, waarom ik terneergeslagen ben. Want ik weet dat ik in jou een meelevende vriend zal hebben. Ik zal dus niet achterhouden waarom ik terneergeslagen en onrustig ben, want het zal mij verlichten en het kan helpen om jou te troosten.”
(ii) Ik zal daarom, als het ware sprekend namens de ziel, proberen verschillende oorzaken aan te wijzen waardoor ze vaak terneergeslagen en onrustig is. Zo kan ik enig antwoord geven op Davids bezorgde vraag, waarvan ik aanneem dat het vaak ook jouw eigen vraag is.
“Eén ding,” zegt de ziel, “dat mij terneerslaat, is schuld op het geweten.”
Het woord ‘terneergeslagen’ zelf wijst op iemand die van een hoge naar een lage plaats wordt neergeworpen. Zo had de ziel in hoogmoed en eigengerechtigheid gestaan. Ze had geen kennis van Gods majesteit en heiligheid, noch van de eisen van Zijn rechtvaardige wet. Maar zodra de ingang van Gods Woord licht geeft en de kracht van Zijn genade leven schenkt, wordt Gods heiligheid gezien en worden de eisen van de wet gevoeld. Het gevolg is dat de ziel wordt neergeslagen uit haar ijdele, zelfverzekerde, huichelachtige, aanmatigende gerustheid. En niets slaat haar zo neer als een last van schuld die zo op het geweten wordt gelegd. Misschien spreek ik zelfs nu iemand aan die op dit moment onder benauwdheid van geweten gebukt gaat. Hij kent de last van de schuld en is terneergeslagen door de herinnering aan een zonde of zonden die hij heeft begaan. De schuld daarvan heeft hem in grote nood en angst van gemoed gebracht.
Mag ik dan niet tegen zo iemand zeggen: “Waarom ben je terneergeslagen, o ziel? Is er voor jou in deze terneergeslagen toestand geen geneesmiddel? Heeft de Heere Jezus Christus niet Zijn kostbare bloed vergoten om de zonde weg te doen door het offer van Zichzelf? Is er in Hem niet een genoegzaamheid, en bij Hem, zoals de Schrift spreekt,
‘veel verlossing’?
Is er in Zijn bloed niet een kracht die reinigt van alle zonde, en in Zijn gerechtigheid een vervulling van de wet, die volkomen rechtvaardigt?” “Ach,” zegt de ziel, “die is er, ik weet dat die er is. Op dat punt ben ik gerust. Ik twijfel niet aan de kracht van het bloed en de gerechtigheid van Christus. Maar wat ik wil voelen, is de toepassing van dat kostbare bloed: de stem van de Heere Zelf die vergeving toespreekt, de innerlijke fluistering, het zoete getuigenis, de genadige verzekering, het woord uit de eigen mond van de Heere, dat mijn schuldige geweten zal genezen en olie en wijn zal gieten in mijn verontruste geest.”
Maar laten we de ziel nog eens horen, want er is meer wat haar neerslaat: “Wat mij terneerslaat, is dat ik zoveel zonde in mijn vleselijke gemoed aan het werk vind, die zich openbaart in mijn vleselijke leden om vrucht voort te brengen tot de dood. O, kon ik maar heilig zijn! Kon ik maar teder wandelen in de vreze Gods, de overhand krijgen op de zonden die mij steeds omringen en nooit verstrikt of overmand worden door de kracht van de verzoeking! Dan zou ik meer leven zoals een christen betaamt, meer van het leven en de vreze Gods in mijn ziel hebben en minder inwendige strijd, minder tegenstand en minder kwaad vinden, met een overvloediger mate van de liefde Gods, uitgestort in mijn hart!”
“Welnu, terneergeslagen ziel, je bent maar terneergeslagen zoals de meeste, zo niet alle, mensen van God in alle eeuwen zijn geweest en nu nog zijn. Het is het lichaam van zonde en dood dat we met ons meedragen, de verdorvenheid van onze gevallen natuur, de lusten en gruwelen die in onze verdorven verbeelding schuilen en werken, ook als ze niet verder gaan. Die geven ons al deze moeite. Hoevelen zuchten en klagen voortdurend omdat ze zo weinig van het beeld van Christus op zich gedrukt hebben, zo weinig van Gods heiligheid in zich zichtbaar, zo weinig van die gezegende heiliging van lichaam, ziel en geest, die we in het Woord zien en nastreven en toch zo weinig in onszelf voortgezet en verwezenlijkt vinden.”
Maar de ziel spreekt weer en zegt: “Wat mij terneerslaat, zijn de verzoekingen van de satan, het werpen van zijn vurige pijlen en het opwekken van elke vuile gruwel in de diepten van mijn goddeloze natuur. Soms lijk ik zelfs erger dan de duivel zelf. Waar kan de vreze Gods in mijn hart zijn, het leven van Christus in mijn geweten of het onderwijs en getuigenis van de Heilige Geest in mij, als ik zo onderhevig ben aan deze verzoekingen en ze de verdorvenheden van mijn vuile natuur zo opwekken?”
Maar de ziel heeft nog meer te zeggen: “O, hoe lang bid ik al om een openbaring van Christus! Hoe heb ik de een na de ander uit slavernij, twijfel en vrees zien verlost worden. En toch sta ik hier, na lange jaren van belijdenis, ongeveer op dezelfde plek. O, ik lijk geen stap vooruit te komen in de dingen van God, en niet verder te komen zoals ik anderen zie doen! O, wat verlangt mijn ziel naar een woord van de Heere, al was het maar één woord; naar één glimlach, al was het maar één flauwe glimlach; naar één keer dat het aangezicht van de Heere zich naar mij keert; naar één keer dat het licht van Zijn aangezicht doorbreekt; naar één openbaring van Zijn barmhartigheid en liefde aan mijn hart; naar één druppel van Zijn bloed op mijn geweten; naar één ontdekking van Hem, zodat ik weet dat Hij de mijne is!”
Maar omdat de ziel nog vrij is om te spreken en bijna met Elihu kan zeggen: “Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge,” (Job 32:20) horen we haar stem nog eens: “Ik heb grote moeilijkheden in de voorzienigheid, zware beproevingen in mijn gezin, ik word veel beproefd in mijn zaken, want alles lijkt tegen mij te zijn. Dat slaat mij neer, want ik denk dat God boos op mij is en Zijn hand daarom tegen mij is uitgegaan.”
Maar laten we haar stem nog één keer horen, en laat haar misschien ook voor jou spreken, opdat je niet denkt dat je buitengesloten wordt: “Wat ik ook doe, ik kan niet zijn wat ik zou willen. Ik probeer het Woord te lezen, maar ik lijk het niet te begrijpen en niet te geloven. Ik buig mijn knie voor de troon, maar heb weinig toegang tot de troon van de genade. Ik kom om te horen en ga vaak weg zoals ik kwam, zonder kracht, leven of gevoel onder het Woord in mijn hart. Ik spreek met het volk van God en hoor hen vertellen hoe de Heere hier en daar voor hen verschijnt, maar mijn mond zwijgt, want ik heb hun niets terug te vertellen.”
(iii) Maar wat is het gevolg als de ziel op deze verschillende manieren terneergeslagen is? Onrust. Want David zegt, terwijl hij nog steeds zijn ziel aanspreekt: “en wat zijt gij onrustig in mij?” “O,” zegt de ziel, “er is geen rust in mijn borst! Ik kan de vaste vrede niet krijgen waarnaar ik zoek en die Christus Zijn discipelen heeft beloofd te geven als Zijn eigen vrede, Zijn blijvende nalatenschap. Ik voel geen zoete vrede, geen heilige kalmte van gemoed die onderwerping aan Gods wil voortbrengt, mij verzoent met de weg van de beproeving, mijn rug buigt onder elke tuchtigende slag, mij zelfs in de verdrukking blij laat zijn en mij gelijkvormig maakt aan het lijdende beeld van Christus. In plaats daarvan vind ik opstandigheid, rusteloosheid en onrust, zodat ik zelden een ogenblik van vaste rust of vrede ken.”
Zo ongeveer kunnen we ons, als antwoord op de vraag: “en wat zijt gij onrustig in mij?”, de ziel laten zeggen: “Ik heb je verteld wat mij terneerslaat. Geven die dingen niet genoeg reden om te verklaren waarom ik onrustig ben in mij?”
Maar laat me dit nu meer in het bijzonder op jouw geval toepassen. Leert al deze onrust je niet dat er geen vaste rust of vrede is dan in de Heere? Buiten Hem is alles onrust, verwarring, rusteloosheid en onbehagen. Het is nu het leven in ons dat ons dit alles laat voelen. Als jij of iemand van jullie dus zo terneergeslagen is en de ziel zo onrustig in je is, denk dan niet dat je een weg gaat die de familie van God niet kent, of dat jouw geval alleen staat. Reken maar dat je op deze weg vele metgezellen hebt, behalve het gezelschap van je eigen ziel.
En zie je niet dat David vóór jou hetzelfde pad is gegaan, en dat God de worstelingen van zijn ziel heeft laten optekenen om anderen te bemoedigen die op dezelfde wijze worden behandeld? Waarom zou David eeuwen geleden de zaak met zijn ziel hebben besproken, en waarom zou de Heilige Geest zijn gesprek met zijn boezemvriend voor altijd hebben laten vastleggen? Waarom zou Hij de sluier hebben weggenomen die toen over Davids innerlijkste gedachten en gevoelens hing, en zijn heimelijke samenspraak met zijn boezemvriend aan het licht hebben gebracht? Alleen om hen op te beuren, te troosten en te bemoedigen die later langs hetzelfde pad zouden gaan.
II. Maar dit brengt ons bij het volgende punt, waarin ik wilde laten zien hoe David zijn terneergeslagen en onrustige ziel vermaande en bemoedigde: “Hoop op God.”
Het is alsof hij zei: “Welnu, ziel, je hebt mij je treurige verhaal verteld. Je hebt je smartelijke klachten in mijn oor gezucht. Ik weet alles wat jou aangaat, want er is geen heimelijke pijn die ik niet zie en ook zelf voel. Ben jij terneergeslagen, dan ben ik het ook, en ben jij onrustig, dan ben ik onrustig met jou, want we zijn één in leven, dood, tijd en eeuwigheid. En toch, o ziel, het is allemaal tot je eigen bestwil. Luister met mij naar het Woord van God en zie of we daaruit geen kracht en steun kunnen putten.
“Laat me je dan een woord van vermaning geven: je moet niet zo terneergeslagen of onrustig worden dat je je hoop opgeeft. De satan zou je graag, als hij kon, tot aan de rand van de wanhoop drijven. Hij zou je al snel van elk greintje hoop beroven en je vervullen met zijn eigen ellende. Maar o mijn ziel, je moet niet luisteren naar de listige verzoekingen van de vijand, en ook niet naar je eigen benauwende angsten. Want daardoor kies je eerder de kant van de satan dan dat je hem weerstaat.”
Als je terneergeslagen bent, bedenk dan dat terneergeslagen zijn niet hetzelfde is als verworpen zijn. God laat Zijn volk om Zijn eigen wijze doeleinden vaak terneergeslagen zijn, maar Hij werpt hen nooit weg. Heeft Hij niet beloofd: “Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten”? (Hebr. 13:5) Heeft Hij niet gezegd: “Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij”? (Jes. 49:16) Er staat uitdrukkelijk: “Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.” (Ps. 94:14) We kunnen twijfelen en vrezen, en zelfs met David in de psalm die voor ons ligt zeggen: “waarom verstoot Gij mij dan?” Of we kunnen Hem smeken: “O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid?” Toch antwoordt de Heere nog steeds: “…zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God!” (Lev. 26:44)
Je mag onrustig zijn en vele redenen hebben waarom verdriet je hart vervult, maar juist je onrust toont tekenen van leven. Waar komt je verlangen naar God vandaan, je hijgen naar Hem, zoals het hert naar de waterstromen? Zijn dat niet de bewegingen van het goddelijk leven in je borst? Zo laat ook je rusteloosheid zien, net als de onrust van een kind naar zijn moeder als ze weg is, dat je geen rust kunt vinden dan aan de boezem van de Heere. Daarom geldt: “Hoop op God.” Geef niet toe aan dit terneergeslagen zijn, alsof je zo diep gezonken bent dat je nooit meer opstaat.
En wees niet zo onrustig dat je je hoop opgeeft. Want die is je gegeven als je anker, zeker en vast, om deze storm te doorstaan. Moedeloosheid levert niets op dan opstandigheid of zelfmedelijden, en dat zal de Heere nooit goedkeuren of met een glimlach aanzien. Zegt Hij niet: “De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN”? (Klaagl. 3:25,26) En als het goed is te hopen, dan moet het slecht zijn om moedeloos te worden.
Maar zoals de ziel volgens onze uitleg David vertelde waarom ze terneergeslagen was, zo kunnen we ook aannemen dat David de ziel redenen geeft waarom ze zou hopen. Zo mogen we hun heimelijke samenspraak beluisteren. Het lijkt ook niet meer dan billijk dat we, nu we de ene kant van de zaak hebben gehoord, ook de andere horen. Laten we dus luisteren alsof we David nu horen spreken: “Welnu, mijn ziel, ik heb je droevige verhaal gehoord. Ik weet dat het allemaal waar is, want ik voel elk woord ervan. Maar luister nu naar mij, zoals ik naar jou geluisterd heb.
“En zoals jij je droevige klachten in mijn oor hebt uitgegoten, kijk of ik een troostend woord in het jouwe kan gieten. Je hebt me gezegd dat je zo terneergeslagen bent dat je niet kunt opstaan, en zo onrustig dat je geen rust kunt vinden. Laat mij je nu zeggen hoe je met Gods hulp en zegen op je voeten kunt staan en rust en vrede kunt vinden. Ik zal je geen zware taak opleggen om in je eigen kracht te volbrengen, en ook geen lange preek houden over het vermogen van het schepsel en de plicht tot geloven. Het kan allemaal in vier woorden worden samengevat: ‘Hoop op God.’
“‘Welnu,’ zou de ziel kunnen antwoorden, ‘dat is een goede raad. Want uit ervaring ken ik iets van de opwekkende gewaarwordingen van de hoop. Maar moet er niet enige grond zijn voor mijn hoop? Want op dit moment zijn mijn ogen zo dof dat ik er nauwelijks een kan zien.’ Maar David antwoordt: ‘Laat mij dan voor je zien, o ziel, en laat mij, zoals Jethro in de woestijn voor de kinderen Israëls, voor je zijn
als ogen.
Ik denk dat ik je een goede grond kan geven om te hopen. En dit zal de eerste zijn:’
(i) Dat je levend bent. Bedenk nu, o ziel die zo terneergeslagen bent, wie jou levend heeft gemaakt, en wanneer je voor het eerst werd neergeworpen van je vroegere standplaats. Was je in vroegere dagen ook zo terneergeslagen? Was de zonde in voorbije tijden je last? Was je gemoed onrustig omdat je het bloed van de besprenging miste, een openbaring van Christus, een uitstorting van Gods liefde, een openbaring van barmhartigheid? Wat heeft je dan onrustig gemaakt? Je was niet altijd zo, maar vond vreugde en geluk in de wereld. Moet het dan niet zijn omdat je leven in je hebt? En als God je het leven gaf als Zijn vrije gave, als Hij medelijden met je had toen je dood was in zonden en ver van Hem door boze werken, zal Hij je dan nu verlaten, nu Hij je geleerd heeft Zijn grote naam te vrezen en Hem in geest en waarheid te aanbidden?
Hij vindt het goed dat je terneergeslagen bent. Je werd erg trots, o ziel. De wereld had je hart in haar greep gekregen. Je zocht grote dingen voor jezelf. Je dwaalde heimelijk weg van de Heere. De Heere heeft je deze beproevingen en oefeningen gezonden en toegestaan dat deze verzoekingen op je vielen, om je neer te halen uit je valse gerustheid. Je was te veel verheven in jezelf. De hoge boom moest omlaag, opdat de lage boom verhoogd werd. De groene boom moest verdorren, opdat de dorre boom zou bloeien. Daarom hoef je je niet te verwonderen, o ziel, dat deze beschikkingen over je zijn gekomen, in de voorzienigheid of in de genade, om je terneer te slaan.
Zegen liever Zijn naam dat je terneergeslagen bent. Want waar neerslaan is, zal ook oprichten zijn. Het is goed om het juk te dragen in je jeugd. Want als je nooit terneergeslagen wordt, zul je nooit verhoogd worden. Schrijf daarom geen bittere dingen tegen jezelf, o ziel, omdat je terneergeslagen en onrustig bent. Dit zijn de lessen van God in je geweten. Daarom: “Hoop op God.”
(ii) Bovendien, o ziel, laat me je nog een grond tot hoop geven. Is de Heere in vroegere dagen niet voor je verschenen? Kun je je die opmerkelijke opening in de voorzienigheid niet herinneren, toen je zo beproefd werd en nauwelijks wist hoe het met je zou gaan, maar in je nood tot de Heere bad en Hij op een zeer opvallende wijze voor je verscheen? Ben je dat alles vergeten, o ziel? En kun je je niet herinneren dat de Heere een belofte op je toepaste toen je wegzonk, bezweek en bijna wanhoopte? Hij gaf je kracht om te zien en te leven, kracht om te geloven en steun te vinden, zodat je uit Zijn volheid genade voor genade ontving. Is Hij dan nu niet dezelfde God als toen? En heeft Hij je daarmee niet een zeker onderpand gegeven dat Hij nu opnieuw evenveel en meer voor je kan doen? Zou dit je niet moeten bemoedigen om te hopen?
(iii) Maar laat me je nog een grond geven waarop je kunt hopen. Vergeet je, o ziel, dat de weg naar de hemel een zeer enge en smalle weg is, te smal om je zonden mee te dragen? Weet je niet dat er een vuur is om ieders godsdienst te beproeven, van welke soort die is? En kun je verwachten nooit in de smeltoven te komen waarin God Zijn Sion heeft uitgekozen? Als je op de enge en smalle weg moet wandelen, mag je daar dan geen beproevingen en verzoekingen ontmoeten? Als je uit de wereld bent gekomen en godzalig leeft in Christus Jezus, zal de wereld je dan niet vervolgen en haten? Moet je een andere weg hebben dan die waarop de Heere Jezus Zelf vóór je is gegaan? Hoop dan op God. Werp je vrijmoedigheid niet weg, die een groot loon als vergelding heeft, maar werp je anker met vertrouwen binnen het voorhangsel en hoop op God.
Als je dwaas steeds naar je ellendige zelf blijft kijken en daaruit troost probeert te halen, zul je steeds teleurgesteld worden. Kijk daarom niet naar jezelf en al je slechtheid, verdorvenheid, zonde, schuld en ellende, maar kijk omhoog en hoop op God. Heeft Hij ons niet duizend aanmoedigingen daartoe gegeven? Zie Zijn tedere ontferming en medelijden met de arme en nooddruftige. Zie welke rivieren van barmhartigheid, genade en liefde in Hem zijn. Zie Zijn alziend oog, dat altijd over je waakt en het ergste van je toestand en al je twijfels kent. Zie Zijn almachtige hand, altijd bereid om voor je uitgestrekt te worden. En nu, mijn ziel, als je God zo door het geloof hebt gezien, Zich openbarend in Zijn dierbare Zoon, hoop dan op Hem.”
Maar laat me nu, even afziend van deze veronderstelde toespraak van David tot zijn ziel, in mijn eigen woorden spreken tot jullie die kunnen meevoelen met wat ik zojuist heb voorgelegd, uit gevoelde ervaring. Mag ik jullie op dit punt niet vragen of jullie het nut van deze raad van David voelen? Hebben jullie niet telkens weer ondervonden dat jullie een heimelijke en heilige steun ontvangen als jullie door je wegzinken en verdriet, je terneergeslagenheid en onrust heen kunnen opzien en je anker binnen het voorhangsel kunnen werpen? Wat doet de zeeman wanneer hij bij een lagerwal komt, met een harde, sterke wind erop, zodat zijn schip al snel op de rotsen zou kunnen lopen? Zegt hij: “O, ik zal nooit over deze storm heenkomen; ik zal zeker schipbreuk lijden”? Wat doet hij? Hij wringt zijn handen niet in wanhopige ellende, maar laat het anker vallen, en dat pakt meteen de grond en houdt het schip vast in de storm.
Als jullie ooit iets hebben gekend van het hopen op God, dan hebben jullie een anker aan boord. Het is Gods eigen gave aan jullie, niet bedoeld als sieraad maar voor gebruik. Want juist door het bezit van dit anker onderscheidt het goede schip, dat God gebouwd heeft, bezit en gecharterd heeft, zich van het door mensen gebouwde schip dat, wat het geloof betreft, schipbreuk lijdt. Als jullie nu door de kracht van Gods genade in staat gesteld worden je anker zo binnen het voorhangsel te werpen, dan zullen jullie een verborgen kracht ervaren die jullie in staat stelt elke storm te doorstaan.
Ik spreek niet in de taal van de vrije wil, zoals sommigen zouden kunnen denken die geluiden niet kunnen onderscheiden, maar van de vrije genade: de taal van degelijke, geestelijke ervaring, die elk kind van God min of meer kent door het onderwijs en getuigenis van de Heilige Geest. Zulke mensen weten wat een gezegende verlichting een goede hoop uit genade geeft wanneer ze als anker van de ziel binnen het voorhangsel wordt geworpen.
Maar ik keer terug naar ons gesprek tussen David en zijn ziel, want de ziel begint nu het woord van zijn lippen te ontvangen. Ze had David haar klacht verteld, en David had haar, als een wijs raadsman, geboden op God te hopen. En nu begint de ziel, opgebeurd en getroost door zijn bemoedigend woord, hem te antwoorden: “Welnu, David, ik voel grote troost door je woorden, want ze druppelen met zoete kracht in mijn binnenste geest. En ik geloof dat je een ware profeet bent, want ik heb een getuige in mij dat ze overeenstemmen met het woord van de waarheid, en ook met mijn eigen ervaring.”
Als de ziel zo haar hoop aanmoedigt (want er is een aanmoedigen van geloof en hoop, evenals een dempen ervan), dan komt daarmee een mate van vertrouwen, zodat ze zegt: “Welnu, ik geloof toch dat ik Hem zal loven. Ik begin bijna te voelen alsof ik Hem nu al kan zegenen en loven. Ik voel me zo opgetild. Ik voel het anker zo vast en mijn hart zo versterkt en getroost dat ik werkelijk, David, het gevoel heb dat ik al moet beginnen de Heere te zegenen en te loven. Daar was ik zo terneergeslagen en onrustig, alsof niets mij kon oprichten. Maar jouw woorden zijn met zoveel zoetheid en smaak in mijn borst gekomen dat ik geloof dat ik Hem nog zal loven. En ik ben zeker dat niemand in hemel of op aarde, zoals ik Hem vaak zeg, zoveel reden zal hebben als ik.”
Zeg me nu of jullie niet soms op deze plek zijn geweest. Jullie zijn terneergeslagen, beproefd en benauwd van gemoed op jullie knieën gegaan, bijna alsof er geen greintje hoop in jullie ziel was. Maar jullie hebben jullie klachten voor de Heere uitgestort en Hem al jullie moeilijkheden getoond. En tot jullie verrassing en verbazing kwam er toen bijna plotseling een zoete beweging van leven en genade over jullie ziel. Als jullie terugkijken op de dagen die voorbij zijn: een gezegende belofte die jullie ooit werd gegeven, kwam over de verborgen diepten van jullie hart en wekte zo’n zoete hoop op dat het leek alsof jullie wel moesten uitbarsten in het zegenen en loven van de Heere.
Zo houden al deze dingen, in hun verschillende wisselingen, dit op en neer, dit in en uit, dit zinken en rijzen, deze kille angsten en bemoedigende hopen, het leven van God warm en teder, levend en bewegend, in de borst van een mens. Door deze afwisseling van zon en schaduw, deze wisselingen van zomer en winter, want de Heere heeft beide gevormd, (Ps. 74:17) deze stormen en stiltes, deze nachten en dagen groeit en bloeit de plant van het goddelijk leven in de ziel.
Wat zou een rivier zijn als ze niet voortdurend stroomde? Wat zou de zee zelf zijn als ze niet voortdurend werd bewogen door het rusteloze getij en de altijd bewegende golven? Een massa bederf, die niet de gezonde dampen afgeeft die, tot wolken verdicht, de aarde bevochtigen, maar schadelijke dampen die ziekte en dood ademen. Zo zou ook de ziel worden als er geen beweging van goddelijk leven was, geen terneerslaan of oprichten, geen rouwen of verblijden, geen hopen of vrezen. Wat zou ze dan zijn? Een stilstaande poel, waarin niets dan een massa onkruid en woekerend groen zou zijn, als een dorpsvijver bedekt met eendenkroos. Maar dit terneerslaan, deze onrust, deze bewegingen van God op de geest, deze verschillende oefeningen, beproevingen en verzoekingen houden de ziel fris, behoeden haar ervoor stilstaand en stinkend te worden en houden het leven van God in zijn kracht en reinheid in stand.
Er is dus reden om God zelfs te prijzen omdat je terneergeslagen en onrustig bent. Hoe opent het stukken van Gods Woord die je nooit eerder met enig gevoel las! Hoe geeft het je medeleven en gemeenschap met de beproefde, geoefende kinderen van God. Hoe maakt het je los en scheidt het je af van dode belijders. Hoe brengt het je met hart en genegenheid uit de wereld die in het boze ligt. En hoe houdt het je gedachten, keer op keer, bezig met de plechtige zaken van de eeuwigheid, in plaats van een prooi te zijn van elke ijdele gedachte en inbeelding, heen en weer geslingerd op een zee van ijdelheid en dwaasheid. Maar vooral, wanneer er een zoet antwoord van de Heere komt en de kracht van de goddelijke dingen innerlijk wordt gevoeld, zodat we op God kunnen hopen en uitzien naar het loven van Zijn gezegende naam, dan zien we het nut van terneergeslagen te zijn en zo herhaaldelijk en voortdurend onrustig.
III. Maar ik ga nu over naar Davids zekere verwachting: “want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.”
Zulke plotselinge omslagen, zoals we ze kunnen noemen, van de diepste moedeloosheid naar het hoogste vertrouwen, van de diepten van onrust naar de volste verzekerdheid, komen in de Psalmen heel vaak voor. En misschien kan juist de geschiedenis van Davids leven, met zulke plotselinge en duidelijke afwisselingen van tegenspoed en voorspoed in de voorzienigheid, helpen om een soortgelijke ervaring in de genade te verklaren. Maar of dat zo is of niet, het feit is duidelijk: een kenmerkend deel van Davids ervaring waren de plotselinge veranderingen die over zijn ziel kwamen.
Maar jullie zullen opmerken dat hij in zijn vertrouwen meer naar de toekomst uitziet dan dat hij haar nu geniet. En is dat niet juist de aard van de hoop? “De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop,” zegt de apostel, “want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?” (Rom. 8:24) Hoewel hij nog niet ten volle gezegend of verlost was, zag hij daarom in geloof en hoop uit naar de tijd waarop hij dat wel zou zijn en God zou kunnen loven. Hij kon het toen nog niet, maar hij geloofde vast dat de tijd kwam waarin hij het zowel kon als zou doen.
Maar let ook op de uitdrukking: “Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts.” Daaronder kunnen we verstaan dat zijn ziel hersteld wordt in het genot van Gods geopenbaarde gunst en tegenwoordigheid. Die schenkt altijd zoveel geluk en vrede dat het zich in het gelaat zelf verkondigt. Ziekte is altijd aan het gelaat van een mens te zien. Niemand kan een organische ziekte hebben, of zelfs een gewone ziekte, zonder dat zijn gezicht het verraadt voor het geoefende oog, en vaak laat het zelfs de aard van de kwaal zien. “Wat zie je er goed uit!” “Wat zie je er slecht uit!” Zulke gewone uitroepen laten zien hoe gezondheid en ziekte zich in het gelaat van een mens openbaren, zelfs voor de gewone waarneming.
Wanneer God dus Zijn Woord met kracht in iemands hart laat vallen en zijn ziel herstelt, zodat hij Zijn heilige naam kan zegenen en loven, wordt God de gezondheid van zijn gelaat. De vroegere ziekelijkheid van zijn ziel was tot in zijn gezicht te zien. Hij kon niet glimlachen en kon soms nauwelijks zijn hoofd opheffen. Omdat hij zich zo’n schuldige ellendeling voelde, leek het hem alsof iedereen zijn zonden op zijn gezicht kon lezen. Vol twijfel en vrees kon hij vaak nauwelijks opzien voor God en mensen, en zijn zware oog en hangende ooglid verrieden de gevoelens van zijn ziel. We zien hoe zelfs natuurlijke vreugde zich in het gezicht verraadt. Ze geeft frisheid en levendigheid aan de wang en glans aan het oog. Maar hoeveel meer geldt dat voor geestelijke vreugde! Want omdat die inwendige gezondheid van de ziel geeft, openbaart ze zich in het natuurlijke gelaat van een mens, en zijn geluk stroomt als het ware over in zijn ogen, zijn trekken en zijn gezicht.
Maar we kunnen de woorden ook toepassen op het geestelijke gelaat van een mens. Want je ziel heeft, net als je lichaam, haar ziekten die een ziekelijke kleur over haar gezicht werpen. Soms is je ziel erg ziek, loom en zwak, niet in staat enige oefening te doen, bijna walgend van voedsel en grotendeels van rust beroofd. Dit gaat weldra aan het gelaat van je ziel te zien zijn. Geestelijke ogen kunnen het aan je voorkomen aflezen, geestelijke oren horen het in je gebeden en klachten, geestelijke harten kunnen het voelen en met je meeleven, omdat ze zelf weten wat het is om zo getroffen te zijn. En jullie zelf weten zo goed wat er met jullie eigen ziel aan de hand is, dat jullie niemand nodig hebben om jullie te vertellen dat ze ziek is, dat jullie niet meer zijn zoals vroeger, vol leven en kracht in de dingen van God, maar in een kwijnende, ongezonde toestand zijn geraakt. Dit slaat je neer en maakt je onrustig.
Maar na verloop van tijd, wanneer een helend woord komt, neemt het deze ziekte uit je ziel weg. Het brengt, zoals de Heere belooft, “de gezondheid en de genezing”, en de ziel begint opnieuw met leven en kracht te wandelen op de wegen van God. Zo vernieuwd en opgewekt leest en verstaat ze het Woord van God met meer leven en gevoel, hoort ze het met meer smaak, zalving en kracht, kent ze meer van de zoete toegang tot de troon van de genade en geniet ze de dingen van God met meer bevinding en geloof. Zo is God de gezondheid van ons gelaat, want Zijn genade en Zijn zegen geven gezondheid aan de zieke ziel.
Daarom zei Hij van Zichzelf: “Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!” (Ex. 15:26) En David wist dat goed toen hij zei: “Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden; Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest.” (Ps. 103:2,3) Een gezonde ziel is een grotere zegen dan een gezond lichaam. De grootste van alle tijdelijke moeilijkheden is misschien een ongezond lichaam, en de ergste van alle geestelijke moeilijkheden is een ongezonde ziel. En omgekeerd: de grootste van de tijdelijke barmhartigheden is een gezond lichaam, en de grootste van de geestelijke barmhartigheden is een gezonde ziel.
En dan komen die weinige en eenvoudige woorden die alles bekronen: “en mijn God.” Wat, nu je zo terneergeslagen bent geweest, zo onrustig, zo bereid om alle hoop op te geven, wat, zul je ooit kunnen zeggen: “Mijn God”? Ja, want Hij is jouw God als je terneergeslagen en onrustig bent. Jouw God toen je nauwelijks enige overtuiging kon voelen dat je deel had aan Zijn liefde. Jouw God in alle wisselende tonelen waar je doorheen bent gegaan. En jouw God zo dat Hij je nooit zal verlaten of begeven, om Zijn naams wil. Alles zit erin samengevat: “Mijn God”! Want als Hij jouw God is, is alles wat Hij heeft en alles wat Hij is van jou.
Wat zijn dit voor barmhartigheden om te omhelzen, en wat voor zegeningen om te genieten! Mag ik dan niet zeggen: “O, wat is alles wat de aarde goed en groot noemt, vergeleken met te kunnen geloven dat God jouw God is: jouw God in het leven, jouw God in de dood; jouw God in de tijd en jouw God in de eeuwigheid! O, dit is een godsdienst om bij te leven en te sterven. Want als je alleen God hebt voor de gezondheid van je gelaat, en de Heilige Geest dat met kracht op je hart verzegelt, heb je dan niet alle reden om God nu al te prijzen voor elke beschikking van Zijn voorzienigheid en genade, en alle grond tot de zekere verwachting dat je Hem voor altijd zult zegenen wanneer de tijd zelf niet meer zal zijn?”
Gesprek tussen een gelovige en zijn ziel. — Ps. 42:12
“Gelovige: KOM, mijn ziel, laten we proberen,
voor een korte tijd,
elke last neer te leggen;
kom, laten we samen redeneren.
Wat is het dat je terneerslaat?
Wie zijn het die je bedroeven?
Spreek, en laat het ergste bekend worden;
spreken kan je verlichten.
Ziel: O, ik zink weg onder de last
van het kwaad van mijn natuur!
Vol vijandschap tegen God;
gevangen door de duivel;
rusteloos als de bewogen zeeën;
zwak, mat en vreesachtig;
geplaagd door elke zware ziekte;
hoe kan ik vrolijk zijn?”
“Gelovige: Denk aan wat je Zaligmaker droeg
in de sombere hof.
Bloed zwetend uit elke porie,
om je vergeving te verwerven!
Zie Hem uitgestrekt op het hout,
bloedend, treurend, roepend,
lijdend onder al de toorn van God,
zuchtend, naar adem snakkend, stervend!
Ziel: Dit zie ik soms door het geloof,
en die gezichten verlichten mij;
maar mijn zonden keren opnieuw terug;
dit zijn zij die mij bedroeven.
O, ik”
“ben melaats, stinkend, vuil,
door en door besmet;
heb ik niet, als enige ziel,
reden om neerslachtig te zijn?”
“Gelovige: Denk hoe luid je stervende Heere
uitriep: ‘Het is volbracht!’
Bewaar dat heilige woord als een schat,
geheel en onverminderd;
twijfel niet dat Hij zal voortzetten,
tot de volle volmaaktheid,
dat goede werk dat Hij begonnen is;
waarom dan deze neerslachtigheid?
Ziel: Het geloof, wanneer het zonder werken is, is dood;
dit getuigen de Schriften;
en welke werken heb ik aan te voeren,
die louter ongeschiktheid ben?
Al mijn krachten zijn verdorven,
blind, verkeerd en vuil;
als ik van de dood”
“volkomen behouden ben,
waarom ben ik niet gezond?”
“Gelovige: Staar niet te lang op jezelf,
opdat het je niet lager doet zinken;
zie op Jezus, vriendelijk als sterk,
barmhartigheid verenigd met macht;
elk werk dat je moet doen,
zal je genadige Zaligmaker
voor jou werken, en ook in jou,
uit Zijn bijzondere gunst.
Ziel: Jezus’”
“kostbaar bloed, eens vergoten,
daarop vertrouw ik alleen,
om mij van mijn schuld te ontslaan en vrij te spreken;
maar ik zou heilig willen zijn.”
“Gelovige: Hij Die je aan het kruis kocht,
zuivert je volkomen van je slakken;
maakt je tot een nieuw schepsel.
Ziel: Dat Hij het kan, daaraan twijfel ik niet,
als het maar Zijn welbehagen is.”
“Gelovige: Al is het niet geheel gedaan,
kan het niet in zekere mate?
Ziel: Wanneer die mate, verre van groot,
nog steeds afnemend zal schijnen?”
“Gelovige: Verslap dan niet, maar bid en wacht,
nooit, nooit ophoudend.
Ziel: Wat als het gebed geen acht vindt?”
“Gelovige: Herhaal het nog vaak.
Ziel: Maar ik voel mijzelf zo hard.”
“Gelovige: Jezus zal je zacht maken.
Ziel: Maar mijn vijanden winnen veld.”
“Gelovige: Laat hen je dichter drijven.
Ziel: Maar ik”
“ben koud, ik”
“ben duister, ik”
“ben dood.”
“Gelovige: Jezus zal je doen herleven.”
Joseph Hart (lied 780 uit de bundel van Gadsby)