
Gepredikt in de Eden Street Chapel, Hampstead Road, Londen, op dinsdagavond 2 augustus 1853.
“Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan. En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israel;” — Jesaja 45:2-3
Tot wie werden deze woorden gesproken? Tot Cyrus. En wie was Cyrus? De koning van Perzië. Maar hoe komt Cyrus in het Woord van God terecht? En hoe kon het gebeuren dat de Heere zulke beloften gaf aan een heidense vorst? Cyrus was wel een heidense vorst, maar hij was een door God uitverkoren werktuig voor een vastgesteld werk. Hij moest het grote Chaldeeuwse rijk omverwerpen, de stad Babel innemen en de kinderen Israëls terugbrengen naar hun eigen land. Daarom werd hij al honderdzeventig jaar voordat hij die opdracht uitvoerde, uitdrukkelijk aangewezen en persoonlijk bij zijn naam genoemd in de geïnspireerde profetie. Wat een bewijs is dit voor de inspiratie van Gods Woord, en ervoor dat alle gebeurtenissen onder Zijn beschikking en bestuur staan!Maar niet alleen werd hij zo bij zijn naam genoemd. Ook het werk dat hij moest doen, werd lang van tevoren uitdrukkelijk aangekondigd, ruim voordat het nodig was dat het volbracht werd. Hij was opgewekt en door God aangewezen om de twee stammen Juda en Benjamin uit de gevangenschap te verlossen. Als straf voor hun zonden zouden zij naar Babel worden weggevoerd en daar een vastgestelde tijd blijven, namelijk zeventig jaar. Hen verlossen uit die Babylonische gevangenschap toen de zeventig jaar om waren, en hun de terugkeer mogelijk maken: dat was het werk dat Cyrus naar Gods beschikking moest doen.
Het was een zeer groot werk, zo groot dat hij het nooit had kunnen doen zonder bijzondere hulp van God. Hij moest namelijk een stad innemen met muren van vijftig el dik en tweehonderd voet hoog, omgeven door een brede gracht vol water en verdedigd door honderd koperen poorten. De stad was bovendien goed bemand en goed bevoorraad, en al met al zo sterk en machtig dat zij elke aanvalswijze trotseerde die men toen kende. Als de Heere, zoals de tekst zegt, dus niet voor hem uit was gegaan, als Hij de koperen deuren niet had verbroken en de ijzeren grendels niet in stukken had geslagen, dan had Cyrus die machtige stad nooit kunnen innemen. Hij zou bij de poging volkomen verslagen zijn.
Dit is dus de letterlijke betekenis van de tekst. Maar laat zij niet een ruimere toepassing toe? De belofte werd wel aan Cyrus gegeven en is, dat weten we, letterlijk vervuld. Maar gelden de woorden alleen voor Cyrus? Hebben wij geen vesting in te nemen, geen stad van het heil te winnen? Hebben wij de Heere niet nodig om voor ons uit te gaan en onze kromme wegen recht te maken? Hebben wij geen koperen deuren en ijzeren grendels die ons de toegang versperren, en moet de Heere die niet voor ons verbreken en in stukken slaan? Loopt de weg naar de hemel soms over een gladde grasweide?
Kunnen we daar rustig wandelen in de koelte van een zomeravond, en ons op ons gemak vermaken met bloemen plukken en luisteren naar het gezang van de vogels? Nooit heeft een kind van God de weg naar de hemel een bloemenpad gevonden. Het is de wijde poort en de brede weg die tot het verderf leiden. De enge poort en de smalle weg leiden naar de hemel en lopen uit op het eeuwige leven. Dat is de weg bergopwaarts, vol moeilijkheden, beproevingen, verzoekingen en vijanden. Als wij dus pelgrims van Sion zijn, op weg naar de hemel en naar huis, dan hebben wij zulke beloften nodig, in hun geestelijke vervulling, zoals God ze hier aan Cyrus gaf.
Deze gedachte kan ons een aanwijzing geven voor de geestelijke betekenis van onze tekst. Daarom wil ik vanavond, met Gods zegen, proberen haar van deze bevindelijke kant te bekijken. Ik leg haar uit als een tekst voor Gods gezin en laat Cyrus verder rusten, behalve waar hij helpt om de geestelijke betekenis toe te lichten. Als we de tekst in dit licht bezien, zie ik er drie bijzondere kenmerken in:
I. Wat ik misschien Gods voorbereidend werk zou willen noemen: Hij gaat voor Zijn volk uit, maakt voor hen de kromme wegen recht, verbreekt de koperen deuren en slaat de ijzeren grendels in stukken.
II. De gaven die de Heere hun schenkt wanneer Hij de koperen deuren heeft verbroken en de ijzeren grendels in stukken heeft geslagen. Hier worden ze genoemd “de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen”.
III. De zalige gevolgen van wat de Heere zo doet en zo geeft: een geestelijke en bevindelijke kennis dat Hij Die hen bij hun naam roept, de God van Israël is.
I. Voordat ik op Gods voorbereidend werk inga en laat zien hoe dit alles rust op de vaste grond van de belofte, moet ik eerst een paar opmerkingen maken over de mensen aan wie deze beloften gedaan worden. Om het duidelijker en persoonlijker te maken, bekijken we het in het enkelvoud, zoals God het heeft gezegd: “Ik zal voor uw aangezicht gaan.” Uit de woorden van de tekst zelf is duidelijk dat de beloften gegeven worden aan het worstelende kind van God, en aan hem alleen. Voor niemand anders hebben ze dus betekenis of geestelijk belang. Denk hier even voor jezelf over na voordat ik verder ga.
Houd dit goed in gedachten: heb je geen geestelijke oefeningen, beproevingen of verzoekingen, dan heb je op dit moment geen geopenbaard aandeel in de beloften van de tekst. Dan kun je ook niet geestelijk binnengaan in hun geschiktheid en schoonheid, en niet zelf de goddelijke en hemelse zaligheid kennen die erin ligt. Maar ben je daarentegen een beproefd en worstelend kind van God? Ken je de plaag van je eigen hart en de vele moeilijkheden en verlegenheden die de weg naar de hemel omringen? Dan heb je tot zover reden om te geloven dat je een van degenen bent tot wie deze beloften gericht zijn.
i. De eerste belofte is de zoetste, en zij legt de grondslag voor alle andere: “Ik zal voor uw aangezicht gaan.” Maar let goed op de woorden. Heb je ooit nagedacht over wat ze inhouden? Hoe groot moeten de moeilijkheden zijn waarvoor de God van hemel en aarde Zelf voor ons uit moet gaan om ze te overwinnen! Ze zijn zeker niet met menselijke kracht te overwinnen als ze niets minder vragen dan de onmiddellijke tegenwoordigheid en kracht van de Almachtige Zelf. Ga op een mooie avond naar buiten en kijk naar de hemel, bezaaid met duizenden sterren.
Zeg dan tegen jezelf: “Heb ik dezelfde almachtige hand nodig die al deze glinsterende bollen heeft geschapen, om voor mij uit te gaan?” Stel nu dat je tot nu toe, in godsdienstige zaken, nog nooit één beproeving, verzoeking of moeilijkheid hebt ontmoet. Stel dat je alles gemakkelijk, vlak en vanzelfsprekend hebt gevonden en nooit een hindernis bent tegengekomen die je niet met enige eigen inspanning kon wegnemen. Als het zo met je gesteld is, hoe kun je dan in vredesnaam willen dat de Heere voor je uit gaat? Je zou, denk ik, alleen uit beleefdheid durven vragen om zo’n gunst.
Maar strijd je daarentegen met grote innerlijke verlegenheid van gemoed? Voel je veel zielsgevaar en droefheid? Ben je omringd door moeilijkheden die je met geen eigen kracht of wijsheid te boven kunt komen, en die toch overwonnen móéten worden? Dan zul je voelen dat je de Heere nodig hebt om voor je uit te gaan. Er is niets waar we zo’n afkeer van hebben als van beproevingen en verdrukkingen, in de voorzienigheid of in de genade. En toch, als de waarheid gesproken wordt, leren we zonder hen nooit iets recht kennen en ontvangen we zonder hen nooit een echte zegen.
Gewoonlijk verschijnt de Heere niet in de voorzienigheid of in de genade, en maakt Hij Zich niet in liefde en barmhartigheid aan de ziel bekend, behalve op de weg van de beproeving. We moeten dus door beproevingen en verdrukkingen heen om niet alleen het einde, maar het allereerste begin van de godsdienst te leren. Ik mag er zelfs aan toevoegen: om te weten dat er een God is, zodat we de kracht van Zijn arm ervaren, de grootte van Zijn Heil en het licht van Zijn aangezicht.
Als we dus recht onderwezen zijn, voelen we dat de Heere voor ons uit moet gaan, niet nu en dan, maar bij elke stap van de weg. Want zonder Zijn leiding en geleide gaan we zeker dwalen. Hoe duidelijk was dit bij de kinderen Israëls! De Heere ging voor hen uit, elke stap van Egypte tot het beloofde land, en wees hun de weg bij nacht en bij dag in de wolkkolom. Hij ging ook voor hen uit nadat zij Kanaän hadden bereikt. Hij maakte de harten en handen van hun vijanden zwak als water, zodat die hun zegevierende wapens geen weerstand konden bieden. De muren van Jericho vielen als het ware vanzelf, en het beloofde land was bijna veroverd voordat de kinderen Israëls er een voet op hadden gezet! Zo moet de Heere ook voor ons uit gaan, stap voor stap.
1. Maar je kunt deze belofte op velerlei dingen toepassen. Ze geldt niet alleen voor geestelijke, maar ook voor tijdelijke beproevingen en verlegenheden. De Heere gaat voor ons uit, zowel in de voorzienigheid als in de genade. Als Hij voorafgaat, de weg bereidt en ons een pad opent om op te wandelen, dan is alles goed. Elke moeilijkheid verdwijnt dan meteen, elke berg zakt weg tot een vlakte. Maar als we Hem niet voor ons uit kunnen zien of voelen gaan, dan valt er geen straal licht op het pad en neemt geen vriendelijke hand de hindernissen weg. Van achteren en van voren belaagd weten we niet wat we moeten doen. Het lijkt alsof we op onszelf zijn teruggeworpen, een ellendige toevlucht, en we weten niet welke stap we moeten zetten.
2. Maar de woorden gelden niet alleen voor het voor ons uit gaan van de Heere in verdrukkingen en beproevingen, door ze uit de weg te ruimen of ons kracht te geven om ze te dragen. Ze gelden ook voor de openbaring van Zijn heilige en gewijde wil. Weinig dingen zijn voor een kind van God zo moeilijk en verwarrend als dit: willen doen wat juist is, maar in bepaalde omstandigheden niet weten wat juist is, of niet weten hoe je het moet doen als je het wel weet. Je verlangt Gods wil te leren in een belangrijke zaak, en toch kun je niet duidelijk en helder ontdekken wat die wil is.
Wanneer iemand dan in uiterste nood is gebracht, gaat de Heere soms voor hem uit in Zijn goedertieren voorzienigheid. Dan opent Hij onverwacht een deur in één bepaalde richting en sluit Hij alle andere, om daarmee te laten merken dat dit de weg is waarop Hij ons wil laten wandelen. En soms gaat Hij voor hem uit in Zijn genade, door de ziel een zacht woord van onderricht toe te fluisteren dat de zaak meteen beslist.
3. Maar vooral door de hindernissen weg te ruimen vervult de Heere dit deel van de belofte. Dit was vooral zo bij Cyrus, op wiens pad zulke geduchte hindernissen lagen. Wat die zijn, zien we duidelijker als we overgaan naar het volgende deel van de belofte.
ii. “Ik zal de kromme wegen recht maken.” Deze belofte komt voort uit de vorige en hangt er nauw mee samen. Want alleen doordat de Heere voorafgaat, kan wat werkelijk krom is recht worden. Maar wat als er in ons pad geen kromme wegen zijn? Wat als de weg die we bewandelen zo recht is als een pijl en zo glad als een grasveld? Dan hebben we zeker nu geen aandeel in de belofte. Ze heeft voor ons geen vriendelijk gezicht en reikt ons geen vriendelijke hand. Maar vinden we daarentegen zulke kromme wegen in ons pad dat we ze onmogelijk recht kunnen maken, en zulke ruwe en ruige plekken dat we ze niet kunnen effenen? Dan geeft dat tot zover grond voor de hoop dat we aandeel hebben in de belofte dat de Heere voor ons uit zal gaan en ze voor ons recht zal maken.
Maar wat wordt er met kromme wegen bedoeld, en waar komen ze vandaan? Over het geheel genomen kunnen we zeggen dat ze op twee manieren krom zijn.
1. Sommige zijn van nature krom. Dat wil zeggen: het ligt in hun aard om krom te zijn. En:
2. andere zijn het niet doordat het zo moet, maar doordat de Heere het zo heeft beschikt.
1. De dingen die in zichzelf krom zijn, dat wil zeggen van nature en noodzakelijk gebogen en gekromd, zijn dat door de zonde. Want de zonde heeft krom gebogen wat oorspronkelijk recht was. Zo zijn kromme karakters, kromme neigingen, kromme begeerten, kromme willen en kromme lusten van nature krom. Ze zijn door de zonde uit hun oorspronkelijke staat gebogen en liggen nu niet meer gelijk met Gods heilige wil en Woord. Een levende ziel voelt dat ze krom zijn, doordat zij een heilig beginsel in zich heeft gekregen en bezit. Dat beginsel spoort hun kromheid en tegenstrijdigheid op en zucht eronder.
2. Maar er zijn ook kromme wegen in het pad van Gods gezin die niet van nature krom zijn omdat ze in zichzelf zondig zijn. Ze zijn krom doordat de hand van God ze voor ons zo gemaakt heeft. Daartoe behoren verdrukkingen van lichaam en gemoed, armoede in de omstandigheden, beproevingen in het gezin, vervolging door meerderen of goddeloze familieleden, zware verliezen in de zaak, het verlies van kinderen. Kortom, een grote verscheidenheid aan omstandigheden die door de hand van God in hun vorm zijn gebogen en zo voor ons kromme dingen zijn geworden.
Nu heeft de Heere beloofd: “Ik zal de kromme wegen recht maken.” In haar volle omvang zegt de belofte stellig dat de Heere ze zeker recht zal maken, van welke bron ze ook komen en van welke aard ze ook zijn. Daardoor betoont Hij Zijn macht, wijsheid en getrouwheid.
Maar hoe maakt Hij ze recht? Op twee manieren, naar hun aard. Soms maakt Hij ze recht door ze uit de weg te ruimen. En soms niet door ze weg te nemen, maar door ons gemoed met ze te verzoenen. Misschien hebben we een kromme weg in de voorzienigheid. Het kan armoede zijn, vervolging of onderdrukking. Het kunnen beproevingen in het gezin zijn of tijdelijke moeilijkheden. Ze komen voort uit omstandigheden waarover we geen macht hebben, of hangen ermee samen. Vaak hebben we geprobeerd deze kromme dingen weg te nemen of recht te maken, maar al onze pogingen laten ze even erg of zelfs erger dan tevoren.
Opstandigheid, gemelijkheid of zelfmedelijden hebben bovendien in ons gemoed gewerkt, en dat alles kan ze krommer hebben gemaakt dan ooit. Zo komt het dat we uiteindelijk onze toevlucht tot de Heere moeten nemen. Nu is het tijd voor Hem om te verschijnen en Zijn eigen belofte te vervullen. Soms doet Hij dat door ze helemaal weg te nemen: Hij haalt ons uit de omstandigheden die ze voor ons krom maken, of Hij maakt een einde aan de omstandigheden zelf. Zo maakt de Heere soms kromme wegen recht. Dit deed Hij voor Jakob, toen Hij hem verloste van Labans tirannie en van het dreigende geweld van Ezau.
Dit deed Hij voor David, toen Hij Saul uit de weg nam. Zo zijn gezondheid in plaats van ziekte, een uitredding in de voorzienigheid, het uit de weg ruimen van een vijand en het bevrijd worden uit de macht van de onderdrukker allemaal middelen waardoor deze kromme dingen recht worden gemaakt.
Maar er is nog een andere manier. Die bestaat niet in het wegnemen van de beproeving, maar in het buigen van onze wil om zich eraan te onderwerpen. We moeten niet denken dat de Heere op ons gebed al onze tijdelijke verdrukkingen zal wegnemen. Verre van dat: we kunnen er tot onze sterfdag steeds meer van hebben. Hoe kan Hij dan, zo kan men vragen, Zijn belofte vervullen dat Hij kromme wegen recht zal maken, als Hij sommige van onze ergste krommingen even krom laat als tevoren? Hij doet het door onze wil te buigen, zodat die zich eraan onderwerpt.
Dat bewerkt Hij soms door de ziel te begunstigen met een zoet gevoel van Zijn zalige tegenwoordigheid. En soms werpt Hij een verborgen en heilig licht op het pad dat we bewandelen. Zo overtuigt Hij ons ervan dat het de rechte weg is, al is het een ruwe weg, naar een stad om in te wonen. Wanneer de Heere zo verschijnt, brengt dat onderwerping. En zodra we ons aan Gods wil kunnen onderwerpen, en de opstand, gemelijkheid en het ongeloof van ons vleselijk gemoed bedwongen zijn, voelt de ziel een zoete en zalige kalmte. De kromme weg verdwijnt nu meteen, omdat hij is opgegaan in Gods wil.
Op deze manier worden voor het grootste deel de dingen recht gemaakt die van nature krom zijn. De dingen zelf veranderen niet, maar onze kijk erop en onze gevoelens ertegenover wel. Het vleselijk gemoed dat krom was, is nog krom. Onze kromme karakters en neigingen, onze kromme lusten en begeerten, zijn in zichzelf nog even krom als ooit. Maar ze zijn zover recht gemaakt dat ze ons niet meer ergeren en kwellen als tevoren. Zo is het ook met de beproeving in de voorzienigheid die krom was en nog krom is. De mensen met wie we te maken hebben, de omstandigheden die we moeten doorstaan, het kruis dat we moeten dragen, de lasten die we moeten torsen: alles blijft onveranderd en ongewijzigd.
Maar de Heere geeft kracht om de pijn en moeite die ze veroorzaken te dragen. Terwijl ze in onderwerping aan Zijn heilige wil gedragen worden, wordt hun gewicht van de schouders genomen en voelen we hun kromheid niet zo scherp. Zie hoe dit zo was bij die drie uitnemende heiligen, Job, David en Paulus. Jobs beproevingen, Davids verlies en Paulus’ doorn waren alle nog als tevoren. Maar toen de Heere verscheen, deed Job boete in stof en as, stond David op van de aarde en zalfde zichzelf, en roemde Paulus in zijn zwakheden.
iii. Maar de Heere beloofde Cyrus in de tekst ook dat Hij door voor hem uit te gaan zou doen wat er staat: “de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.” Cyrus verlangde ernaar de stad Babel binnen te gaan en in bezit te nemen. Maar toen hij bekeek hoe hij binnen kon komen, zag hij dat de enige mogelijke toegang stevig voor hem was gesloten met koperen deuren en ijzeren grendels. Ze versperden elke voortgang, en zo kon hij het doel van zijn verlangen niet bereiken. Ze stonden voortdurend voor zijn ogen, te sterk voor al zijn krijgswapens. Als ze niet werden neergeslagen of in stukken gebroken, kon hij de stad niet innemen.
Kunnen we nu in onze eigen bevinding niets vinden dat overeenkomt met dit gevoel van Cyrus? In de ziel is een verlangen naar het bereiken van een bepaald doel. Dat kan bijvoorbeeld het verkrijgen van de eeuwige zaligheid zijn, of het winnen van Christus en een zalige bevinding van geopenbaarde vergeving en vrede, of een innerlijk, persoonlijk genieten van de zoete openbaringen van Gods gunst en liefde. Laten we zeggen dat dit het doel is waarop de ziel zich gezet heeft, omdat de Heere Zelf deze verlangens in de borst heeft aangestoken. Maar wat vinden we op de weg wanneer we, op weg naar dit doel, naar voren dringen om het te verkrijgen?
Koperen deuren en ijzeren grendels. Deze onoverkomelijke hindernissen staan zo in het pad dat ze de weg helemaal versperren en alle toegang tot de gewenste zegen beletten. Het is dan door het wegnemen van deze hindernissen dat de Heere Zijn belofte vervult: “de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.” Kijk bijvoorbeeld naar onze gebeden. Is de hemel boven onze hoofden soms niet van koper, zodat, zoals Jeremia klaagt, “er geen gebed doorkwam”? Ja, is je eigen hart soms niet een koperen deur, zo hard, zo halsstarrig en zo onbuigzaam? Zo staan ook Gods gerechtigheid, majesteit en heiligheid voor de ziel als zoveel koperen deuren.
Dat gebeurt wanneer we deze ontzagwekkende eigenschappen van de levende Jehova met een bevend oog bezien onder de schuld van de zonde. Er zijn ook de vele vijanden die de ziel belagen, de hindernissen en belemmeringen van buiten en van binnen die in het pad staan, en het verzet van zonde, satan, eigen ik en wereld tegen alles wat goed en godvruchtig is. Kunnen die allemaal niet gezien worden als koperen deuren die de gewenste toegang tot de stad afsluiten?
Maar daarnaast zijn er ook ijzeren grendels. Die versterken de koperen deuren en beletten dat ze worden neergehaald of opengebroken, omdat het sterkere en hardere metaal stevigheid en hechtheid geeft aan het zachtere en zwakkere. Een ongelovig hart, het verborgen ongeloof van het vleselijk gemoed, een schuldig geweten door het besef van ons lage en talloze afdwalen en afvallen van de Heere, twijfels en vrees die vaak voortkomen uit onze gebrekkige standvastigheid en toewijding, de angst helemaal bedrogen te zijn omdat we zo weinig kenmerken van genade vinden en zoveel verwaarlozing van waakzaamheid en gebed: dit alles kunnen we noemen als ijzeren grendels die de koperen deuren versterken.
Kun je nu deze koperen deuren in stukken breken of de ijzeren grendels doorslaan? Dat is de vraag. Kon Cyrus het letterlijk? Hij had ongetwijfeld een groot en dapper leger, soldaten van de beproefdste moed die ook alle denkbare vaardigheid hadden in het gebruik van hun wapens. Maar daar stonden de koperen deuren en de ijzeren grendels voor hen. Hij kon ernaar kijken, in al hun diepte en breedte, maar kijken zou ze niet wegnemen. Hij kon wensen dat ze uiteengebroken en in stukken gehouwen waren, maar wensen zou maar weinig helpen om ze te laten vallen. Daar stonden ze nog steeds voor zijn ogen, onoverkomelijk en ondoordringbaar.
Zo is het met de gevoelens en de bevinding van het kind van God. Daar, daar staan de onoverkomelijke hindernissen, midden in zijn pad. Hij kan zijn hardheid van hart, zijn duisternis van gemoed, zijn ongeloof of ongelovigheid evenmin neerhalen als Cyrus de koperen deuren van het oude Babel in stukken kon breken. Hij kan de werkingen van een bedrieglijk en dodelijk verdorven hart evenmin bedwingen als de koning van Perzië, door zijn zwaard te trekken, met één slag de ijzeren grendels kon doorhouwen die de koperen deuren versterkten.
Hier komt dan, juist wanneer het zo diep nodig is, de geschiktheid en zaligheid van de belofte binnen: “de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.” Geestelijk genomen betekenen de woorden natuurlijk dat alle hindernissen worden weggenomen die de weg versperren. Laten we dus zien hoe die worden weggenomen. Met andere woorden: hoe de hand van God ze zo behandelt dat ze geen hindernissen meer zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de heiligheid en rechtvaardigheid van God. Als zuivere eigenschappen staan zij opgesteld tegen de ingang van de ziel in hemel en heerlijkheid. Hoe, zo kan men vragen, moeten die worden weggenomen?
Kan God afstand doen van één van Zijn eeuwige en heerlijke eigenschappen? Kunnen ze als het ware worden tenietgedaan en ophouden te bestaan? Nee, dat is duidelijk onmogelijk. Maar voor de erfgenamen van de zaligheid kunnen ze zo behandeld worden dat ze geen koperen deuren en ijzeren grendels meer zijn die hen uit de hemel weren. Toen Jezus door Zijn lijden en dood, door Zijn verdienstelijke gehoorzaamheid en goddelijk offer Gods gerechtigheid voldeed, de wet groot en heerlijk maakte, opende Hij voor Zijn volk een toegang tot de stad van God. Zo spreekt de apostel over Hem als “uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende”.
In deze zin kan van de wet, die de weerspiegeling is van Gods gerechtigheid en heiligheid, gezegd worden dat zij als een koperen deur in stukken is gebroken en als een ijzeren grendel is doorgeslagen. Met andere woorden: zij staat niet langer in de weg als een onoverkomelijke grendel voor de zaligheid van de ziel.
Maar als we de koperen deuren en ijzeren grendels zien als een afschaduwing van andere hindernissen, dan zien we ze niet op die figuurlijke manier, maar werkelijk neergehaald en doorgeslagen. Onwetendheid, ongeloof, ongelovigheid, hardheid van hart, duisternis van gemoed, schuld van het geweten en elke andere deur en grendel breken meteen uiteen wanneer de Heere het hart doet smelten door de zoete toepassing van liefde en bloed. Zo verdwijnen ook alle verzoekingen en aanvallen van buiten en van binnen, die tegen de ziel opgesteld lijken, meteen wanneer de vinger van God ze aanraakt. En er is er niet één, hoe sterk, diep of hoog ook, die niet in stukken valt voor het woord van Zijn mond.
II. Maar toen Cyrus door het neerhalen van de koperen deuren en het doorslaan van de ijzeren grendels in de stad Babel kwam, wat vond hij daar? Ontelbare schatten. Hij nam er meteen volledig bezit van, als de vrije gave van de Heere Zelf. Want de belofte luidde: “En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen.” Cyrus kreeg die schatten in de duisternis niet in handen, en hij legde zijn hand niet op de verborgen rijkdommen die in de kelders van het koninklijk paleis lagen opgeslagen, voordat hij door de verbroken deuren in de stad Babel was gekomen.
Kijk hier nu geestelijk naar. In de wazige verte ligt voor je ogen de stad van het heil, de stad die de Heere met alle geestelijke zegen heeft gezegend. Zie hoe haar torens oprijzen aan de horizon en hoe de zon haar koepels en paleizen vergulden. Maar zie ook hoe dezelfde zon glinstert op de koperen deuren, dicht beslagen met ijzeren grendels, en kijk hoe die elke toegang afsluiten. Dan gaat de Heere voorop. Hij slaat de ene door en verbreekt de andere, en geeft de ziel een zalige ingang in de stad.
i. Wat openbaart Hij dan en daar, en waarvan geeft Hij de gelovige dan het bezit? Eerst: schatten in de duisternis! Maar is dit geen vreemde uitdrukking? Schatten in de duisternis! Hoe kan er duisternis zijn in de stad van het heil, waarvan de Heere, het Lam, het eeuwige licht is? De uitdrukking betekent niet dat de schatten zelf duisternis zijn. Ze betekent dat ze in duisternis verborgen lagen totdat ze aan het licht werden gebracht. De schatten van Belsazar lagen, zoals goudstaven in een bank, in duisternis begraven totdat ze werden opengebroken en aan Cyrus gegeven. Zo is het ook in geestelijke zin.
Zijn er geen schatten in de Heere Jezus? O, wat een schatten van genade in Zijn heerlijke Persoon! Wat een schatten van vergeving in Zijn dierbare bloed! Wat een schatten van gerechtigheid in Zijn volmaakte gehoorzaamheid! Wat een schatten van zaligheid in alles wat Hij is en heeft als de grote Hogepriester over het huis van God! Toch zijn al deze schatten schatten in de duisternis, zolang ze voor onze ogen en harten verborgen zijn. Zo blijft het totdat Hij ons door Zijn bijzondere kracht in de stad van het heil brengt. Dan worden die schatten niet alleen aan het licht gebracht, geopenbaard en bekendgemaakt, maar de ziel krijgt ze meteen in bezit.
Ze worden niet alleen gezien, zoals een kassier van de Bank of England bankbiljetten en souvereinen ziet. Ze worden door een bijzondere akte van schenking van het hof van de hemel overgedragen aan wie de Heere Jezus door het geloof in zijn hart ontvangt. Niemand heeft het minste begrip van de schatten van genade die in de Heere Jezus zijn, totdat hij uit de duisternis wordt gebracht tot Gods wonderbaar licht. Pas dan kent hij Hem en de kracht van Zijn opstanding, door de zoete openbaringen van Zijn tegenwoordigheid en liefde.
Maar het woord schatten wijst niet alleen op iets wat is opgeslagen en aan de algemene aanblik onttrokken. Doordat het in het meervoud staat, drukt het ook een oneindige, onberekenbare hoeveelheid uit. Die hoeveelheid kan nooit worden uitgeput, maar is genoeg, en nog eens genoeg, en weer genoeg voor alle behoeften en voor allen die gelovig komen. Wanneer we door het geloof een blik krijgen op de Persoon en het werk van de Heere Jezus, en zien hoe Zijn genade altijd vloeit en overvloeit en hoe ze alle overvloed van de zonde te boven gaat, dan kan dat ons gemoed wel vervullen met heilige verwondering en bewondering.
We vangen een glimp op van de kracht en werking van Zijn verzoenend bloed. Daarvan staat: “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde”. We zien ook die goddelijke gerechtigheid, die is “tot allen, en over allen, die geloven”. Wat een schatten van barmhartigheid, vergeving en vrede zien we dan in Hem opgeslagen! Dit met het oog van het geloof te zien en in de schoonheid en zaligheid ervan binnen te gaan, is werkelijk met alle heiligen te begrijpen wat de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte is, en iets te kennen van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.
De zon zal ophouden haar licht te geven en de aarde haar opbrengst, maar deze schatten zullen nog onuitgeput zijn, want ze zijn in zichzelf oneindig en onuitputtelijk.
ii. Maar de Heere beloofde Cyrus ook de verborgen rijkdommen op geheime plaatsen. Dat zijn letterlijk de rijkdommen van de stad die in haar geheime plaatsen waren opgeslagen. Heeft ook dit niet een geestelijke en bevindelijke betekenis, net als de rest van de tekst waarmee het samenhangt? Ja. Er zijn vele verborgen rijkdommen op geheime plaatsen waarmee de God van alle genade Zijn gelovige gezin verrijkt. Kijk bijvoorbeeld naar het Woord van God. Wat een verborgen rijkdommen liggen er opgeslagen in zijn geheime diepten! Hoe is elke belofte duizend werelden waard! En konden we het zien, dan zagen we hoe elk deel van de geïnspireerde waarheid tot overlopens toe gevuld is met de rijkste ontdekkingen van Gods wijsheid en goedheid.
Maar deze rijkdommen zijn voor het oog verborgen. Ze liggen verscholen, zelfs voor het oog van de gier, op de geheime plaatsen van de geopenbaarde waarheid. Maar wanneer het de Heere behaagt ze naar voren te brengen voor de ogen en het hart van een van Zijn gelovige kinderen, dan laat dat hem zeggen: “O, ik had niet kunnen geloven dat er zo’n volheid en diepte was in het Woord van God, of zo’n zoetheid en dierbaarheid in de beloften. En voordat het zo aan het licht werd gebracht en voor mijn ogen werd gesteld, had ik me niet kunnen voorstellen dat er zoveel schoonheid was in Jezus, zoveel liefde in Zijn hart, zoveel kracht en werking in Zijn verzoenend bloed, en zoveel vreugde en vrede te voelen in het geloven. Ik had niet kunnen geloven dat het Woord van God zoveel kracht had om te verwonden en te genezen, neer te werpen en op te richten.” O, hoe overtreft het Woord van de waarheid in de hand van de Geest niet alleen elke voorstelling, maar elke verwachting van het hart.
O, hoe overtreffen deze rijkdommen op geheime plaatsen alle aardse rijkdom, en gaan ze in waarde boven duizenden en miljoenen goud en zilver. Maar alleen als deze verborgen rijkdommen zo voor de ziel worden ontsloten, zien, voelen en weten we wat de Heere Jezus Christus is voor hen die in Zijn heilige naam geloven en Hem liefhebben. Juist dit naar voren brengen van de verborgen rijkdommen op geheime plaatsen drukt een goddelijke werkelijkheid op Gods Woord en maakt het voor de ziel tot geest en leven. De kracht en zaligheid van deze dingen te voelen is een deel van wat de Schrift zegt: “De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen”.
Door in deze zalige verborgenheden door te dringen, deze schatten in handen te nemen en deze rijkdommen in bezit te krijgen, komen we bevindelijk te beseffen welke zalige kracht er in een goddelijke, innige godsdienst ligt. We kunnen de leerstukken duidelijk genoeg zien in het Woord van
God. Maar als dat alles is wat we ervan weten, is het alsof we geld zien dat niet van ons is en de rekeningen opmaken van andermans bezit. Het gaat er vooral om dat we de rijkdommen niet alleen zien, maar ze ook in bezit krijgen. Een godsdienst zonder kracht, zonder smaak, zonder een gevoelde zaligheid in de waarheid van God, door de toepassing van de Geest, is waardeloos voor tijd en eeuwigheid. Het is als de som van een schooljongen: alles staat op papier, een enorm bedrag in cijfers, zonder dat hij een cent bezit.
Maar let erop hoe de beloften verbonden zijn met kromme wegen, koperen deuren en ijzeren grendels, en met het voor ons uit gaan van de Heere om die uit de weg te ruimen. Zonder dit voorafgaande werk zouden we tot onze sterfdag onwetend blijven van de schatten in de duisternis. We zouden de verborgen rijkdommen op geheime plaatsen nooit met onze ogen zien en nooit met onze handen aanraken. Er zijn er, naar verhouding, maar weinig die iets weten van de zoetheid en werkelijkheid van een door God geleerde godsdienst, van de kracht van de genade op de ziel, of van de rijkdommen die zijn opgeslagen in de volheid van de Zoon van God.
De meesten, zelfs van hen die de waarheid belijden, zijn tevreden met de naam dat ze leven, een gezonde geloofsleer, een consequente belijdenis en toelating tot het kerklidmaatschap. Ze weten niets van de zalige werkelijkheid van gemeenschap met God, van een openbaring van de Heere Jezus, van de openbaring van Zijn liefde en barmhartigheid aan de ziel en van de verzegelingen van de zalige Geest op het hart, en ze willen er ook niets van weten.
III. Wat komt er nu voort uit het aan het licht komen van deze schatten in de duisternis? Een geestelijke bevinding en een kennis van God, en dat Hij de God van Zijn volk is: “opdat gij moogt weten, dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israel”. Let op de uitdrukking: “Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept.” Wat is dit bijzonder! Wat een persoonlijk karakter geeft het aan wie zo wordt aangesproken! Hoe maakt het de godsdienst tot een persoonlijke zaak! Als God een mens bij zijn naam noemt, betekent het dat die mens bijzondere omgang met Hem heeft en Hem persoonlijk en individueel kent.
Dit geldt ook in het natuurlijke leven. Hoeveel mensen zitten er vanavond voor me van wie ik de naam niet ken! Als ik jullie op straat zou tegenkomen, zou ik jullie niet bij je naam kunnen noemen. Maar van sommigen ken ik de naam. Jou kan ik bij je naam noemen als ik je ontmoet, omdat ik je meer of minder persoonlijk ken. Is dat in de genade niet zo? Van de Heere kan gezegd worden dat Hij Zijn volk bij naam roept wanneer Hij hen door een bijzonder genadewerk in hun hart uit de wereld roept tot de kennis van Zichzelf.
Hij spreekt weliswaar niet met een hoorbare stem, maar het gevolg is zo duidelijk alsof Hij zei: “Jan,” of “Maria, Ik wil je hebben.” We moeten natuurlijk niet verwachten hetzelfde licht te zien of dezelfde hoorbare stem te horen die over Saulus van Tarsen scheen en hem riep. Maar we moeten wel een mate van dezelfde kracht ervaren en iets voelen van dezelfde goddelijke invloed. Wanneer God een mens zo roept, zal hij komen, hij moet komen. Want Hij oefent een kracht uit die hij niet kan en niet wil weerstaan, althans niet met enig gevolg. Het is zeker onoverwinnelijke genade, zo niet onweerstaanbare genade.
Kijk nu naar het verloop. God roept de zondaar bij zijn naam. Hij roept ons niet met een hoorbare stem zoals de Heere Jezus Christus Zijn discipelen riep toen Hij zei: “Volgt Mij na”, maar het gevolg is toch hetzelfde.
Maar wat brengt deze bijzondere, individuele en persoonlijke roeping voort? Kennis. Maar welke kennis? Geestelijke, hartelijke en bevindelijke kennis. Waarvan? Dat de Heere, Die hen bij hun naam geroepen heeft, de God van Israël is. Zo leren zij twee dingen. Ten eerste dat de Heere hen bij hun naam geroepen heeft, met andere woorden dat het een echt genadewerk is in hun ziel. Ze hebben hun twijfels en vrees erover gehad. Ze zijn beproefd over het begin, het midden en het einde. Ze hebben geworsteld met ongeloof, ongelovigheid en veel angstige bezorgdheid. Maar door de verborgen kracht van God, in hun ziel uitgeoefend, hebben ze hun harde hart zien week worden, hun ongeloof zien wegvallen en hun ongelovigheid in stukken geslagen.
Er zijn schatten in de duisternis aan het licht gebracht, die hen voelbaar verrijken en hen in het bezit stellen van de liefde van God. Nu kunnen ze zien dat God hen werkelijk bij hun naam geroepen heeft en dat het werk echt is. Als ze terugkijken op heel de weg waarlangs ze geleid zijn, zien ze dat de Heere in alles voor hen uit is gegaan en alles wat krom was recht heeft gemaakt. Zo hebben ze het getuigenis dat Hij Die hen bij hun naam geroepen heeft, dat deed omdat Hij hun namen eerst in het boek van het leven had geschreven.
Dit op het hart verzegeld te hebben is een druppel hemel in de ziel te hebben. Maar het voornaamste, en het tweede dat Hij hun zo te kennen geeft, is dat Hij “de God van Israel” is. In deze uitdrukking ligt veel besloten. Maar het hoofdpunt is dat Hij Zich daarmee verklaart tot hun verbondsGod, en dat elke belofte die Hij aan Israël heeft gedaan in feite de hunne is. Als “de God van Israel” bewijst Hij barmhartigheid en genade. Als “de God van Israel” verlaat en begeeft Hij de voorwerpen van Zijn keuze nooit.
Als “de God van Israel” vervult Hij elke belofte, verslaat Hij elke vijand, verschijnt Hij in elke moeilijkheid, vergeeft Hij rijkelijk elke zonde, heelt Hij genadig elke afval en laat Hij hen uiteindelijk landen in de eeuwige zaligheid.
Wat een licht werpt de hele tekst op Gods weg om zondaren te zaligen en op het werk van Zijn genade in de ziel! Hier wordt ons een godsdienst voor ogen gesteld die zal standhouden, omdat ze gegrond is op de beloften en de zekere getuigenissen van God. In deze godsdienst is een goddelijke werkelijkheid, als iets wat uit de hemel in de ziel neerdaalt. Het is niet louter een verandering van inzichten in de leer of een wijziging in levenswandel. Het is niet het aannemen van een bepaalde reeks stellingen, het horen van een bepaalde predikant, het komen naar een bepaalde kapel of het bijwonen van bepaalde verordeningen. Het is iets heel anders dan dit, en overtreft het zoals de hemel de hel overtreft en de eeuwigheid de tijd.
Maar misschien zeg je: “Moeten alle mensen die zalig zullen worden deze bevinding doormaken?” Laat me om die vraag te beantwoorden jou een andere vraag stellen. Denk je dat Cyrus op een andere manier de stad had kunnen binnenkomen? Over de muren kon hij niet komen, er niet doorheen en er niet onderdoor. De enige doorgang was door de koperen deuren en ijzeren grendels, en al zijn eigen pogingen om ze in stukken te breken of door te slaan, lieten ze staan zoals ze waren. God moest het werk voor hem doen, anders kon het nooit gedaan worden. Zo moet Hij ook krachtig voor ons en in ons werken. En net als bij Cyrus zijn het ook bij ons juist deze moeilijkheden die ons Zijn genade en kracht doen nodig hebben en op prijs doen stellen.
Als we dus geen beproevingen, moeilijkheden of verlegenheden hebben, hebben we God zeker niet nodig. Dan kunnen we heel goed zonder Hem. Als ik mijn eigen hart kan zachtmaken, heb ik God zeker niet nodig om het zacht te maken. Als ik in de Heere Jezus Christus kan geloven wanneer ik maar wil, heb ik God zeker niet nodig om mij geloof te geven. Als een rijk man geld nodig heeft, gaat hij naar de bank en schrijft een cheque uit voor zoveel als hij nodig heeft. Hij hoeft niemand te vragen hem geld te geven en ook niet als arme te procederen, in forma pauperis, met armoede als excuus.
Zo hoef ik dus ook zeker niet als een arme of bedelaar tot God te gaan om Hem te smeken mij geloof te schenken, als ik geloof in mijn eigen ziel kan opwekken. Als ik er honderden van op mijn bank heb, kan ik erheen gaan en er zoveel van opnemen als ik wil. Zo zou ik de vergelijking kunnen doortrekken door elke tak van een godsdienst van de vrije wil. Is mijn pad in de voorzienigheid slechts een kromme weg, en kan ik die met een kleine inspanning van mijn eigen kracht voldoende recht maken, wat heb ik er dan aan dat de Heere het doet?
Of als ik door mijn eigen inspanning naar de hemel kon klimmen, waarom zou ik dan de Heere nodig hebben om mij te helpen?
Maar heb ik daarentegen een zeer kromme weg, en kan ik nauwelijks leven tenzij die recht wordt gemaakt, wat helemaal buiten mijn macht ligt, dan heb ik een boodschap aan de troon van de genade. Dan heb ik iets wat God werkelijk en waarachtig voor mij moet doen. En wanneer Hij het doet op mijn gebed, kan ik Zijn heilige naam danken en prijzen. Dit levert een opbrengst van lof en heerlijkheid aan God op, verheft Hem en vernedert mij. Zo is het met elke moeilijkheid, beproeving en verlegenheid. Heb ik ze niet, of kan ik ze uit mezelf overwinnen, dan kan ik God met mijn lippen uit beleefdheid vragen om te verschijnen, maar in werkelijkheid kan ik uitstekend zonder Hem.
Nu kunnen we misschien zien waarom Gods volk zoveel koperen deuren en ijzeren grendels heeft, zoveel beproevingen en zware verzoekingen. Het is om hen in persoonlijke kennismaking te brengen met God, de grote God van hemel en aarde, de verbondsGod van Israël, en om van de godsdienst een werkelijkheid te maken. Ik ben er goed van overtuigd dat een godsdienst zonder beproevingen of oefeningen, zonder verzoekingen of verlegenheden, niet meer is dan een bespotting en een schijn. Denk je daar anders over? Zeg me dan wat zo’n godsdienst waard is. Verheerlijkt hij God? Helemaal niet. Troost hij de mens? Hoe kan hij dat, als de mens er geen behoefte aan heeft?
Brengt hij een mens uit de wereld? Geen zier. Een mens met een godsdienst van de eerste Adam is twee handen op één buik met de wereld. Bedwingt hij de zonde? Hij heeft nooit de kleinste zonde bedwongen en kan dat ook nooit werkelijk doen. Zo’n mens voelt er ook nooit behoefte aan, want zijn zonden bezorgen hem geen onrust. Hij en zijn zonden zijn boezemvrienden, en waarom zouden ze ooit scheiden? Brengt hij vergeving? Waarom zou hij dat, als er geen last is om weg te nemen en geen schuldig geweten om te reinigen? Brengt hij de hemel in zijn ziel?
Hij is te tevreden met de aarde om dat te willen. Neem dus de beproevingen, oefeningen en verlegenheden weg waarmee de godsdienst zo vermengd is en waar ze zich zo veel mee bezighoudt, en je neemt in één klap alles weg waarin de kracht van de ware godsdienst bestaat.
Heb je niet wel eens klimop gezien die uit en over een muur groeit? De klimop is niet de muur, en de muur is niet de klimop. Maar neem de muur weg, en de klimop valt. Zo zijn beproevingen en verzoekingen, zonden en verdriet niet de godsdienst, evenmin als de muur de klimop is. En toch groeit de godsdienst op, uit en over deze dingen, en slingert ze zich tot in hun kleinste spleten, zoals de klimop doordringt in de reten van de muur. Neem de beproevingen en verzoekingen weg die met de godsdienst verstrengeld zijn, en beide vallen samen.
Laat me een beroep doen op de bevinding van ieder hier aanwezig die enig leven of gevoel in zijn ziel heeft. Het is dinsdagavond. Laat me je nu vragen: wat voor dag is dit voor je geweest? “Nou,” zeg je, “ik ben veel bezig geweest met zaken, ik heb veel te doen gehad in mijn beroep, en mijn gemoed is de hele dag vol geweest van wereldse dingen.” Welke godsdienst had je dan al die tijd aan het werk in je ziel, toen je zo in beslag werd genomen door de dingen van de wereld?
Je antwoordt: “Om de waarheid te bekennen: helemaal geen. Niemand had dat gekund als hij al mijn zaken te behartigen had.” Maar een ander zou kunnen antwoorden: “Om je de waarheid te zeggen, ik heb een zeer beproevende dag gehad en heb bijna de hele dag zitten zuchten en kreunen.” Welke van deze twee mensen heeft het nodig dat de prediking vanavond tot zegen is voor zijn ziel? Wie heeft de zoete toepassing van een belofte of een openbaring van Gods liefde nodig? Moet ik zeggen wie van deze twee de beste hoorder is? Ik zou jullie gezond verstand beledigen als ik het antwoord gaf.
Als we enig inzicht in onszelf hebben en voelen waarvan ons hart gemaakt is, dan weten we, we kunnen niet anders dan weten, dat de belofte onze ziel niet ontmoet tenzij we in ons gemoed op de een of andere manier beproefd worden. Want dan past de belofte niet bij ons en wij niet bij de belofte. Er is dan, om zo te zeggen, geen deur waardoor de Heere Jezus kan binnenkomen en Zich aan ons kan openbaren. Maar laat mij een zware beproeving of een pijnlijke verdrukking hebben. Laat mij vele kromme dingen in mijn pad hebben en alles ogenschijnlijk tegen mij. Als de Heere erdoor werkt, laat het mij naar een zegen van Hemzelf verlangen en naar Zijn kracht, tegenwoordigheid en genade die Hij mij zou openbaren. De zaak is zo duidelijk dat ik mij verwonder dat mensen het niet zien. Bijna elke bladzijde van de Bijbel getuigt ervan.
Als dit zo is, zal een levende ziel dan niet roepen: “Geef mij mijn beproevingen, en Gods barmhartigheid daarin! Geef mij mijn lasten, en Gods ondersteuning daaronder! Geef mij mijn verdrukkingen, en Gods troost daarin! Geef mij mijn verzoekingen, en Gods genade om mij eruit te verlossen! Want ik weet dat ik, als ik aan mezelf word overgelaten, zonder beproeving of zegen, een arme vleselijke, wereldse stakker ben. En op zulke tijden heb ik, hoewel ik belijdenis doe, slechts een naam!” Gezegend zij God dus voor al onze beproevingen en verzoekingen. Zoals Jakobus zegt: “Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt”. Gezegend zij God voor elke last en elke oefening, en boven alle dingen gezegend zij God voor Zijn genade, die de ziel in al haar beproevingen ondersteunt, haar eronder vertroost en haar er uiteindelijk uit brengt. Hij laat haar landen aan de gelukzalige oever waar de tranen van alle aangezichten worden afgewist.


