March 15
De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem weg doen.
Spreuken 22:15
Wij belijden te geloven in een almachtig, alomtegenwoordig, alziend God, en wij zouden ons wel ten hoogste beledigd achten indien iemand ons zeide: „Gij gelooft niet dat God alles ziet, dat Hij overal tegenwoordig is, dat Hij een almachtige Jehova is.” Wij zouden er bijna toe komen om te denken dat hij ons voor een atheïst aanzag. En toch, in de praktijk bewijzen wij dagelijks zodanig te zijn.
Bijvoorbeeld, wij belijden te geloven dat God alles ziet, en toch maken en ontwerpen wij plannen alsof Hij niets ziet. Wij belijden te weten dat God alles doen kan, en toch zoeken wij dingen uit te denken alsof Hij der heidenen góden gelijk was, die van geen ding nota nemen. Wij belijden te geloven dat God alomtegenwoordig is, Die uit alle moeiten kan uithelpen en Die Zijn volk door elke proeving heen doet komen; en als wij dan in moeiten en beproevingen komen, dan spreken, denken en handelen wij alsof er geen alomtegenwoordig God is, Die de omstandigheden kent en Die Zijn hand kan uitstrekken en ons eruit kan leiden.
Zo is de Heere dus verplicht (het zij met alle eerbied gezegd) ons in beproevingen en verdrukkingen te brengen, omdat wij zulke blinde dwazen zijn dat wij niet kunnen leren met welk een God wij te doen hebben, tenzij wij bevindelijk in die plaatsen van moeite en beproeving komen waaruit niemand dan alleen zulk een God ons verlossen kan. Dit is dan een reden waarom de Heere zo dikwijls Zijn volk zo smartelijk de zonde doet inleven, om hen te doen verstaan welk een wonderbare verlossing van de schuld, onreinheid en kracht der zonde is in de Persoon, het bloed en de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Om dezelfde reden ook wandelen zij in zulke voorkomende verzoekingen, opdat zij zouden leren verstaan wat een God van wonderen Hij is, om hen uit te helpen.
Dit is ook de reden waarom zo velen van hen gekweld en geplaagd worden; het is opdat zij niet zouden leven en handelen alsof er geen God ware om tot Hem te gaan, geen almachtige Vriend om mede te raadplegen, geen vriendelijke Jezus om hun moede hoofd in Zijn schoot neder te leggen. Het is om hen bevindelijk en inwendig van deze lessen van genade en waarheid kennis te doen nemen, die zij nooit zouden leren kennen totdat de Heere hen noodzaakt ze te leren en hen daadwerkelijk dwingt te geloven wat zij belijden te geloven.
Zulke moeite is Hij genoodzaakt ons op te leggen, want zulke botte leerlingen, zulke dwaze schepselen zijn wij. Teneinde dan ons te onderwijzen welk een God Hij is, welk een genadig en medelijdend Hogepriester, en om de hoogte en diepte en lengte en breedte van Zijn liefde te doen kennen, is Hij genoodzaakt Zijn volk bij tijden scherp en hard te behandelen; is Hij genoodzaakt de roede over de rug te halen, omdat Hij ziet dat de dwaasheid in de harten Zijner kinderen gebonden is en dat niets dan een herhaling van de roede der tucht ze verre van hen weg doen zal.
Aan de lezer…
Herkent u dit? U belijdt dat God alles ziet, alles kan en overal tegenwoordig is, en toch betrapt u uzelf erop dat u in de moeite denkt en handelt alsof Hij er niet ware. Wees dan eerlijk: zulke botte leerlingen, zulke dwaze schepselen zijn wij allen. De dwaasheid is in het hart gebonden, en zij laat zich niet wegredeneren.
Ligt de roede nu op uw rug, verwonder u daar dan niet over en meen niet dat de Heere u vergeten heeft. Hij brengt Zijn kinderen in plaatsen waaruit niemand dan Hij hen verlossen kan, opdat zij bevindelijk zouden leren welk een God van wonderen Hij is. Hij wil niet dat u leeft alsof er geen almachtige Vriend ware om mee te raadplegen, geen vriendelijke Jezus om uw moede hoofd in Zijn schoot neer te leggen. Zo leert Hij u de hoogte en diepte en lengte en breedte van Zijn liefde kennen, en doet Hij u waarlijk geloven wat u belijdt te geloven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem weg doen.
Spreuken 22:15
Wij belijden te geloven in een almachtig, alomtegenwoordig en alziend God, en wij zouden ons zwaar beledigd voelen als iemand tegen ons zei: „Gij gelooft niet dat God alles ziet, dat Hij overal tegenwoordig is, dat Hij een almachtige Jehova is.” Wij zouden bijna gaan denken dat hij ons voor een atheïst hield. En toch bewijzen wij in de praktijk dagelijks dat wij dat zijn.
Wij belijden bijvoorbeeld te geloven dat God alles ziet, en toch maken en bedenken wij plannen alsof Hij niets ziet. Wij belijden te weten dat God alles kan doen, en toch proberen wij dingen uit te denken alsof Hij gelijk was aan de goden van de heidenen, die van niets kennisnemen. Wij belijden te geloven dat God alomtegenwoordig is, dat Hij uit alle moeiten kan helpen en Zijn volk door elke beproeving heen brengt. Maar wanneer wij dan in moeiten en beproevingen komen, spreken, denken en handelen wij alsof er geen alomtegenwoordig God is, Die de omstandigheden kent en Die Zijn hand kan uitstrekken en ons eruit kan leiden.
Zo ziet de Heere Zich dus genoodzaakt (dat zij met alle eerbied gezegd) ons in beproevingen en verdrukkingen te brengen. Want wij zijn zulke blinde dwazen dat wij niet kunnen leren met wat voor God wij te doen hebben, tenzij wij bevindelijk op die plaatsen van moeite en beproeving komen waaruit niemand dan alleen zo’n God ons kan verlossen. Dit is dan een reden waarom de Heere Zijn volk zo vaak zo smartelijk de zonde doet ervaren: om hen te laten verstaan wat een wonderbare verlossing van de schuld, de onreinheid en de macht van de zonde er is in de Persoon, het bloed en de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Om dezelfde reden gaan zij ook door zulke verzoekingen als zich voordoen, opdat zij zouden leren verstaan wat een God van wonderen Hij is om hen uit te helpen.
Dit is ook de reden waarom zovelen van hen gekweld en geplaagd worden: opdat zij niet zouden leven en handelen alsof er geen God was om naartoe te gaan, geen almachtige Vriend om mee te raadplegen, geen vriendelijke Jezus om hun moede hoofd in Zijn schoot neer te leggen. Het is om hen bevindelijk en inwendig deze lessen van genade en waarheid te laten leren. Die zouden zij nooit leren kennen, totdat de Heere hen noodzaakt ze te leren en hen daadwerkelijk dwingt te geloven wat zij belijden te geloven.
Zulke moeite moet Hij ons wel opleggen, want zulke botte leerlingen, zulke dwaze schepselen zijn wij. Om ons dan te onderwijzen wat voor God Hij is, wat een genadig en medelijdend Hogepriester, en om ons de hoogte en diepte en lengte en breedte van Zijn liefde te laten kennen, moet Hij Zijn volk soms scherp en hard behandelen. Hij moet de roede over de rug halen, omdat Hij ziet dat de dwaasheid in het hart van Zijn kinderen gebonden is en dat niets dan een herhaling van de roede der tucht haar ver van hen weg zal doen.
Aan de lezer…
Herkent u dit? U belijdt dat God alles ziet, alles kan en overal tegenwoordig is, en toch betrapt u uzelf erop dat u in de moeite denkt en handelt alsof Hij er niet was. Wees dan eerlijk: zulke botte leerlingen, zulke dwaze schepselen zijn wij allemaal. De dwaasheid is in het hart gebonden, en zij laat zich niet wegredeneren.
Ligt de roede nu op uw rug, verwonder u daar dan niet over en denk niet dat de Heere u vergeten heeft. Hij brengt Zijn kinderen op plaatsen waaruit niemand dan Hij hen kan verlossen, opdat zij bevindelijk zouden leren wat een God van wonderen Hij is. Hij wil niet dat u leeft alsof er geen almachtige Vriend was om mee te raadplegen, geen vriendelijke Jezus om uw moede hoofd in Zijn schoot neer te leggen. Zo leert Hij u de hoogte en diepte en lengte en breedte van Zijn liefde kennen, en laat Hij u werkelijk geloven wat u belijdt te geloven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Foolishness is bound in the heart of a child; but the rod of correction shall drive it far from him.”
Proverbs 22:15
We profess to believe in an Almighty, All-present, All-seeing God; and we would be highly offended if a person said to us, “You do not believe that God sees everything, that He is everywhere present, that He is an Almighty Jehovah;” we would almost think that he was taking us for an atheist. And yet practical atheists we daily prove ourselves to be. For instance, we profess to believe that God sees everything, and yet we are plotting and planning as though He saw nothing. We profess to know that God can do everything, and yet we are always cutting out schemes, and carving out contrivances, as though He were like the gods of the heathen, looking on and taking no notice.
We profess to believe that God is everywhere present to relieve every difficulty and bring His people out of every trial, and yet when we get into the difficulty and into the trial, we speak, think, and act as though there were no such omnipresent God, Who knows the circumstances of the case, and can stretch forth His hand to bring us out of it.
Thus the Lord is obliged, (to speak with all reverence,) to thrust us into trials and afflictions, because we are such blind fools, that we cannot learn what a God we have to deal with, until we come experimentally into those spots of difficulty and trial, out of which none but such a God can deliver us.
This, then, is one reason why the Lord often plunges His people so deeply into a sense of sin; it is to show them what a wonderful salvation from the guilt, filth, and power of sin there is in the Person, blood, and righteousness of the Lord Jesus Christ. For the same reason, also, they walk in such scenes of temptation; it is in order to show them what a wonder-working God He is in bringing them out.
This, also, is the reason why many of them are so harassed and plagued; it is that they may not live and act as though there were no God to go to, no Almighty Friend to consult, no kind Jesus to rest their weary heads upon; it is in order to teach them experimentally and inwardly those lessons of grace and truth which they never would know until the Lord, as it were, thus compels them to learn, and actually forces them to believe what they profess to believe.
Such pains is He obliged to take with us; such poor scholars, such dull creatures we are. In order, then, to teach us what a God He is, what a merciful and compassionate High Priest; in order to open up the heights, and depths, and lengths, and breadths of His love, He is compelled to treat, at times, His people very roughly, and handle them very sharply; He is obliged to make very great use of His rod, because He sees that “foolishness is so bound up in the hearts” of His children that nothing but the repeated “rod of correction will ever drive it far from them.”
To the reader…
Do you recognize this? You confess that God sees everything, can do everything and is present everywhere, and yet you catch yourself thinking and acting in your trouble as if He were not there. Be honest, then: such dull scholars, such foolish creatures, we all are. Foolishness is bound in the heart, and it will not be reasoned away.
If the rod is now upon your back, do not be surprised at it, and do not think the Lord has forgotten you. He brings His children into places from which no one but He can deliver them, so that they may learn by experience what a wonder-working God He is. He does not want you to live as though there were no Almighty Friend to consult, no kind Jesus on Whose bosom to lay your weary head. In this way He teaches you the height and depth and length and breadth of His love, and makes you truly believe what you profess to believe.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“La necedad está ligada en el corazón del muchacho; mas la vara de la corrección la hará alejar de él.”
Proverbios 22:15
Profesamos creer en un Dios Todopoderoso, omnipresente y que todo lo ve; y nos ofenderíamos mucho si alguien nos dijera: “Usted no cree que Dios lo ve todo, que está presente en todas partes, que es un Jehová Todopoderoso”; casi pensaríamos que nos tenía por ateos. Y, sin embargo, a diario demostramos ser ateos prácticos. Por ejemplo, profesamos creer que Dios lo ve todo, y sin embargo tramamos y planeamos como si Él no viera nada. Profesamos saber que Dios puede hacerlo todo, y sin embargo estamos siempre urdiendo proyectos y labrando artificios, como si Él fuera como los dioses de los paganos, que miran sin hacer caso.
Profesamos creer que Dios está presente en todas partes para remediar toda dificultad y sacar a Su pueblo de toda prueba, y sin embargo, cuando caemos en la dificultad y en la prueba, hablamos, pensamos y obramos como si no hubiera tal Dios omnipresente, que conoce las circunstancias del caso y puede extender Su mano para sacarnos de ello.
Así el Señor se ve obligado (hablando con toda reverencia) a arrojarnos a pruebas y aflicciones, porque somos tan ciegos y necios que no podemos aprender con qué Dios tenemos que ver hasta que llegamos por experiencia a esos lugares de dificultad y prueba de los que nadie sino un Dios así puede librarnos.
Esta es, pues, una razón por la que el Señor a menudo sumerge a Su pueblo tan hondamente en un sentir del pecado: para mostrarles qué maravillosa salvación de la culpa, la inmundicia y el poder del pecado hay en la Persona, la sangre y la justicia del Señor Jesucristo. Por la misma razón andan también en tales escenas de tentación: para mostrarles qué Dios obrador de maravillas es Él al sacarlos de ellas.
Esta es también la razón por la que muchos de ellos son tan acosados y atormentados: para que no vivan ni obren como si no hubiera Dios a quien acudir, ni Amigo Todopoderoso a quien consultar, ni bondadoso Jesús sobre Quien reclinar su cabeza cansada; para enseñarles por experiencia y en lo íntimo esas lecciones de gracia y verdad que nunca conocerían hasta que el Señor, por así decirlo, los obliga así a aprenderlas y de hecho los fuerza a creer lo que profesan creer.
Tantos trabajos se ve obligado a tomarse con nosotros; tan pobres alumnos, tan torpes criaturas somos. Para enseñarnos, pues, qué Dios es Él, qué misericordioso y compasivo Sumo Sacerdote; para descubrir la altura, la profundidad, la longitud y la anchura de Su amor, se ve obligado a tratar a veces a Su pueblo con mucha dureza y a manejarlo con mucha severidad; se ve obligado a hacer gran uso de Su vara, porque ve que “la necedad está tan ligada en el corazón” de Sus hijos que nada sino la repetida “vara de la corrección la hará alejar de ellos”.
Al lector…
¿Se reconoce en esto? Usted confiesa que Dios lo ve todo, lo puede todo y está presente en todas partes, y sin embargo se sorprende pensando y obrando en su angustia como si Él no estuviera allí. Sea sincero, entonces: tan torpes alumnos, tan necias criaturas somos todos. La necedad está ligada en el corazón, y no se la quita con razonamientos.
Si la vara está ahora sobre su espalda, no se extrañe de ello ni piense que el Señor le ha olvidado. Él lleva a Sus hijos a lugares de los que nadie sino Él puede librarlos, para que aprendan por experiencia qué Dios obrador de maravillas es Él. No quiere que usted viva como si no hubiera Amigo Todopoderoso a quien consultar, ni bondadoso Jesús en Cuyo pecho reclinar su cabeza cansada. Así le enseña la altura y la profundidad, la longitud y la anchura de Su amor, y le hace creer de veras lo que usted profesa creer.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl