Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De zwijmelwijn en de banier der waarheid en der liefde

Gij hebt Uw volke een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn. Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Psalm 60:5, 6.

Toen de eeuwig levende, eeuwig heerlijke Zoon van God de schoot des Vaders verliet, waarin Hij van alle eeuwigheid gelegen had, teneinde deze vallei van zonde en droefheid te betreden, kwam Hij om de wil te doen van Hem, die Hem gezonden had. Zulks was Zijn eigen verklaring, zelfs voor dat Hij op aarde kwam. “Toen sprak Ik: zie, Ik kom, in het begin des boeks is van Mij geschreven, om Uw wil te doen, o God!” (Hebr. 10: 7). In evengelijke taal zei Hij uitdrukkelijk in de dagen Zijns vleses: “Ik ben uit de hemel neergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil desgenen, Die Mij gezonden heeft” (Joh. 6: 38). Om zulks meer duidelijk te verstaan, zal het wenselijk zijn te bezien wat deze wil Gods was, welke Zijn eniggeboren Zoon uit de hemel uitsluitend kwam doen.

Deze wil dan was, dat Hij zou gehoorzamen en lijden: de wet, welke wij verbroken hadden, gehoorzamen, en de straf, haar vloek en dood, haar gevolgen, waarin wij vervallen waren, te lijden. Maar deze gehoorzaamheid en dit lijden waren zeer nauw en innig verenigd, gelijk wij lezen: “Hij heeft gehoorzaamheid geleerd, uit hetgeen Hij heeft geleden” (Hebr. 5: 8). En wederom: “Gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood des kruises” (Filip. 11: 8). Opdat nu onze gezegende Heere bevoegd zou zijn, om te gehoorzamen en te lijden, was het noodzakelijk dat Hij een natuur zou aannemen, die beide tot gehoorzaamheid en lijden bekwaam was. Zijn goddelijke natuur was tot geen van beiden bekwaam.

De Godheid kan niet gehoorzamen, wijl de Godheid niet kan lijden. Hij moest daarom een natuur aannemen die tot gehoorzaamheid en lijden bekwaam was, en dat was een menselijke natuur; want tot de volkomen volvoering van het werk dat Hij ondernam, tot de volledige uitvoering van de wil van God, waren drie dingen noodzakelijk. Vooreerst dat Hij een natuur zou aannemen tot gehoorzaamheid en lijden bekwaam, zodanige als het vlees en bloed der kinderen; ten tweede een natuur volstrekt zonder smet of vlek, want anders zou de gehoorzaamheid onvolmaakt en het lijden vruchteloos zijn geweest; en ten derde, dat deze gehoorzaamheid onafgebroken zou zijn, zodat er van het begin tot het einde geen tussenpozing in zou zijn.

Deze noodzakelijkheid van voortdurende gehoorzaamheid en voortdurend lijden was de reden waarom onze gezegende Heere “een man van smart en met droefheid bekend” was; want Zijn smarten zowel als Zijn gehoorzaamheid vingen aan met Zijn geboorte. Zijn maagdelijke moeder droeg Hem als een heilige last van Nazareth naar Bethlehem, niet minder dan zeventig mijlen ver, op dezelfde avond van haar verlossing, en zo kan men zeggen dat Hij geleden heeft door haar vermoeienis. Toen zij in Bethlehem aankwam was er voor haar geen plaats in de herberg. In een stal onder de beesten, en wellicht door niet één vriendin bijgestaan, baarde de maagdelijke moeder haar eerstgeboren Zoon.

Er was geen wieg om Zijn gezegend lichaam in te leggen. De gemene krib, waaruit het vee at, was de plaats waar het heilig wichtje gelegd werd, toen zij, naar de gewoonte der tijden, Hem in windselen wikkelde, Zijn kinderleden als het ware toen zelfs met wettische banden bindende. Wij horen niet veel van het lijden van onze Heeren gedurende Zijn jeugdigen leeftijd, ofschoon Hij ongetwijfeld beide gehoorzaam was en leed als een kind, een jongeling, en een man, want Hij gehoorzaamde altijd de wet; en omringd als hij was door de zonde en ellende in elke gedaante en vorm, moet Zijn heilige, vlekkeloze natuur zeer geleden hebben in verhouding tot haar innige reinheid en Zijn ijver voor de eer en heerlijkheid Gods.

Maar onmiddellijk nadat Hij Zijn openlijke bediening aanving, brengt de heilige oorkonde gehoorzaamheid en lijden voor ons. Zo, toen Hij tot Johannes kwam om van hem gedoopt te worden, en Johannes Hem zeer weigerde, zeggende: “Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?” Wat was Zijn zachtmoedig en nederig antwoord? “Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen” (Matth. 3: 14, 15). Onmiddellijk na Zijn doop wordt Hij “door de Geest in de woestijn geleid”, of, om de sterkere uitdrukking van Markus te bezige, “gedreven” onder de wilde beesten, waar Hij, na veertig dagen en veertig nachten gevast te hebben, toen Zijn lichaam uitgeput was door honger en dorst, zwak en machteloos door gebrek aan voedsel en rust, als een doelwit voor de afschuwelijke verzoekingen van de satan gesteld was. Toen deze overwonnen waren, en Hij meer ten volle in de uitoefening Zijner bediening trad, rondgaande goeddoende, wordt Hij tot op die mate vervolgd, dat Hij bij twee gelegenheden Zijn leven redt door een bijzonder wonder.

Gedurende de gehele reeks Zijner bediening, had Hij geen plaats, waarop Hij Zijn hoofd legde: geen goederen van deze wereld bezittende, werd Hij onderhouden uit de goederen Zijner volgelingen (Luk. 8: 3). Niet een enkelen stap deed Hij, nauwelijks een wonderwerk verrichtte Hij, sprak een gelijkenis, of zei een woord zonder spotlust, vijandschap en tegenstand te verwekken. Een discipel verloochent Hem; een ander verraadt Hem; en allen verlaten Hem en vluchten, wanneer “Hij als een lam ter slachting wordt geleid”.

En als wij aan de laatste tonelen van Zijn heilig, gehoorzaam en lijdend leven komen, welke angsten verduurde onze genadige Heere dan in de sombere hof, waar Zijn zielsangst, onder een bewustheid van de last der zonde en de wraak Gods, zo onuitsprekelijk groot was, dat zij zelfs het bloed door de poriën Zijner huid persten en in grote druppelen op de grond deden vallen. Zo ondraaglijk was de angst van Zijn beladenen geest, dat zelfs Hij, die gezonden was om te lijden, en die tot dat bepaalde einde kwam, als genoodzaakt was om uit te roepen: “Vader, indien het mogelijk is, dat deze drinkbeker van Mij voorbij ga,” ofschoon onmiddellijke gehoorzaamheid de onderwerpende woorden er bijvoegt: “maar niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt”.

Ook wanneer wij Zijn lijdend, gehoorzaam pad naar het kruis volgen, en Hem door het oog van het geloof beschouwen als niet slechts ondragelijke lichaamsangst lijdende, maar wat veel zwaarder is te torsen, onuitsprekelijke zielsangst, als zijnde een vloek voor ons gemaakt, welk een schouwspel wordt ons dan voorgesteld tot de dood, toen Hij, het vlekkeloze Lam, de wraak Gods, zonder mate uitgestort, verdroeg, en de beker van Gods toorn tot de bodem toe ledigde. Ik kan het geheel besluiten met een zinsnede van Dr Goodwin, waarmee ik, die op zekere dag lezende, zeer getroffen werd als een korte inhoud van het lijden van onze Heeren op het kruis: “Het was de allervervloektste dood, op een allerplechtigste tijd, op een allerschandelijkste plaats, en met het allerellendigste gezelschap”.

Maar er is één trek in het lijden van onze Heeren, waarbij ik uw aandacht wens te bepalen, daar het enigszins met onze tekst in verband staat; en deze is, de heilige zachtmoedigheid en het gelaten geduld, waarmee Hij al het lijden verdroeg, dat Hij van God en mensen ondervond. Voorwaar, Hij werd als een lam ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Nu moet al het volk des Heeren gelijkvormig worden gemaakt aan het lijdende beeld van hun gekruisigd Hoofd; want gelijk zij gelijkvormig gemaakt moeten worden aan Zijn heerlijk beeld omhoog, zo moeten zij aan het beeld Zijns lijdens hier beneden worden gelijkvormig gemaakt; want “indien wij met Hem lijden, zo zullen wij ook met Hem heersen”. “Zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden” (2 Tim. 11: 12; Rom. 8: 17).

Maar er is een bijzonderheid in ons geval dat wij nooit in dat van onze aanbiddelijke Heere vinden, dat wij zelden lijden zonder klagen. Wij zijn niet stom gelijk een schaap voor het aangezicht zijner scheerders; of gelijk een lam ter slachting geleid, dat zijn mond niet opendoet. Wij zijn altijd aan het klagen, morren en zijn misnoegd. Ziet, als een voorbeeld hiervan, op de taal der gemeente, want het is de gemeente welke in de woorden van de tekst spreekt, en de klachten die Gods volk zo menigmaal in gemeenschap met haar gevoelt en uitspreekt: Gij hebt Uw volke een harde zaak doen zien. Gij vindt nooit dat onze Heere zulk een taal bezigt met betrekking tot Zijn eigen lijden.

“Gij hebt, ons gedrenkt met zwijmelwijn.” Zijn de woorden niet zo uitgedrukt, alsof de gemeente in dezelve God bijna wil berispen, omdat Hij hard met haar handelt, en deze beker op haar hand zet? En evenwel, om haar recht te doen wedervaren is haar taal niet geheel en al klacht, want zij schijnt, om zo te zeggen, zich zelf te bedenken, om haar sluimerende genaden bijeen te brengen, en door de geest van het geloof bezield, en het nut van deze harde zaak ontdekkende, de goedertierenheid des Heeren te erkennen, zelfs in het midden van haar smart. “Gij hebt dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid.”

Laat ons met Gods hulp en zegen zien, of wij niet iets in deze woorden kunnen vinden dat onze harten kan onderwijzen, en als het de wil des Heeren is, ook iets dat onze harten kan vervrolijken en aanmoedigen. In de hoop van zulks te doen zal ik, nadat de Heere mij bekwaam maakt, uw aandacht bepalen bij:

I. De treurige klacht der gemeente: “Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn”.

II. De dankbare erkentenis der gemeente voor een bijzondere zegen: “Gij hebt dengenen die U vrezen een banier gegeven”.

III. Haar bewustheid van het bijzonder voorrecht van een banierdrager van de Heere en Zijn waarheid te zijn: “om die op te werpen vanwege de waarheid”.

I. Wanneer wij in een natuurlijke toestand verkeren, in de ketens der onkunde gekluisterd, met de sluier des ongeloofs in brede plooien over ons hart uitgestrekt, zien wij niets in God. Wat ons ook overkomt, hetzij tegenspoed of voorspoed, wij zien noch merken de hand Gods in geen van beiden op. Als voorspoed ons vergezelt, schrijven wij het toe aan geluk, toeval, fortuin, gelijk iemand dat genoemd heeft “des duivels drie-eenheid”; of aan onze eigen bekwaamheid, vlijt, ijver en werkzaamheid, dus naar welgevallen aan eigen garen rokende en wierokende op eigen hout. Indien, aan de andere zijde, de zaken ons tegen zijn en onze ijverzuchtige plannen en ontwerpen omver geworpen worden, dan is ons onmiddellijk geroep: hoe “ongelukkig” zijn wij, hoe is alles tegen ons; en in plaats van de slag van de tegenspoed of de vlijmende teleurstelling toe te schrijven aan de hand Gods, die de teugels van het albestuur in handen heeft, zien wij op tweede oorzaken, en denken dat als wij zodanig gehandeld hadden, of zodanig niet hadden gehandeld, als wij de raad van deze belangstellende vriend hadden opgevolgd, of door die dwaze raadgever niet ter zijde waren afgeleid, deze teleurstelling, dit ongeluk, deze ellendige omstandigheid niet zou hebben plaats gehad.

Zo blind en zo onkundig zijn wij, dat wij, hetzij God ons vriendelijk toeknikt, hetzij God toornt, (ik spreek van Zijn voorzienig bestuur) in geen van beiden de hand Gods opmerken. Maar genade opent onze ogen, neemt de sluier der onkunde en des ongeloofs van het hart af, openbaart aan ons de kracht en tegenwoordigheid van die grote en heerlijke God in wie wij leven, ons bewegen, en zijn; en zo, gelijk de goddeloze mens God nergens in opmerkt, ziet de godvrezende mens God in elke zaak. De een leeft zonder God in de wereld, en de ander leeft met God in de wereld. De een ziet, gelijk een dier dat op een heuvel graast, niets, en bekommert zich over niets dan over het gras onder zijn voeten; de ander, als met een nieuw licht begiftigd, ziet het heerlijk vergezicht voor zijn ogen uitgespreid, en de hand eens Almachtigen Gods over elke berg en elk dal, in de stromende rivier, de kabbelende beek, de lucht boven en de aarde beneden. Als de zaken in de voorzienigheid bij hem tegenspoed zijn, ziet hij de hand Gods in het wegnemen; als de dingen voorspoedig zijn, merkt hij in het geven de hand Gods.

Hetzij de Heere hem zegene in de voorzienigheid, of hem teleurstelt in Zijn voorzienigheid, het is genade die zijn ogen als met hemelse ogenzalf balsemt en goddelijk licht schenkt en hem bekwaamt om de hand Gods in beiden te erkennen. Is dit niet de juiste uitdrukking van onze tekst? Spreekt de gemeente hier niet tot de Heere als een aan welke Hij het licht en het gezicht heeft geschonken? “Gij hebt Uw volke een harde zaak doen zien.” De gemeente zegt niet: “welke harde zaak is ons ten dele gevallen, welke ongelukken zijn ons toegewezen deel, hoe rampspoedig zijn wij. O hoe ongelukkig! Waarom zijn wij zo gedachteloos geweest? Wat kon ons bezeten hebben, dat wij zulke misslagen begingen, en ons zelf in zulke moeilijkheden wikkelden?” Maar ofschoon neergebogen door beproeving en verdrukking, ziet zij voorbij tweede oorzaken en de plaats hebbende gebeurtenissen van de dag, en zegt, haar ogen opwaarts richtende tot de grote Bestuurder van alle omstandigheden, in de taal van het geloof, ofschoon, als tevoren aangemerkt, in de taal der klachten: “Gij hebt Uw volke een harde zaak doen zien”.

1. Aldus getracht hebbende om u de ontboezeming van het geloof en de ootmoedige erkentenis in dezelve van de hand Gods in de woorden van onze tekst aan te tonen, vestigen wij nu het oog op enige van die “harde zaken”, die God aan Zijn volk doet zien; en wees er verzekerd van, dat als God ze doet zien, Hij bedoelt dat zij ze ook zien zullen, en wel zo duidelijk, dat zij zich niet vergissen betreffende de zaak zelf, of haar doel in die voor hen te brengen.

a. De eerste zaak welke de Heere voor het merendeel Zijn volk doet zien, is Zijn onkreukbare rechtvaardigheid, vlekkeloze heiligheid en onuitsprekelijke reinheid. Zulks doet Hij, opdat Hij hen overtuigt van hun zonden door de toepassing van Zijn heilige wet op hun geweten, en hen dus aan Zijn voeten brengt door hen van alle schepselen, hulp en hoop af te snijden. Ik stel dit als de eerste “harde zaak” welke de Heere Zijn volk doet zien, omdat het zulk een wondervolle omwenteling teweeg brengt in hun gevoelens en hun zulke verschillende beschouwingen geeft van de godsdienst, en zulke verschillende inzichten van zijn wezenlijke aard van die, welke zij vroeger bezaten, eer dat dit goddelijk licht en leven de duisternis en de dood verbrak, waarin zij vroeger besloten lagen, gelijk een monnik in een cel, of een mijnwerker in zijn kolenmijn. Onze mening in onze natuurstaat aangaande de godsdienst is, dat het iets zeer gemakkelijks en zeer aangenaams is; dat al wat wij te verrichten hebben is, ons de een of andere tijd eer wij sterven te bekeren, indien wij niet zo goed geweest zijn als wij moesten; met alle voegzame regelmatigheid ter kerk te gaan; onze plicht te betrachten in dien stand des levens, waartoe wij zijn geroepen; eerlijk te zijn en oprecht, vriendelijk en beminnelijk, zedelijk en deugdzaam, waarheidlievend en oprecht, en dan zal alles tenslotte wel zijn.

Het is waar, wij erkennen dat wij zwak en zondig zijn, maar God is barmhartig; en als wij trachten ons best te doen, zal Hij de wil voor de daad aannemen, ons om Christus’ wil vergeven, en ons in de hemel opnemen. Dit is de godsdienst, die in ons voor het grootste deel ingeprent is van onze wieg af aan, die wij van onze godsdienstonderwijzers, leermeesters en onderwijzeressen inzwelgen, en die zo gelijkvormig is met ons natuurlijk gevoel en zo grondig gepast voor ons redenerend gemoed, dat het opwast met onze opwassing, en ten laatste zo diep wortelt in ons hart, dat wij bijna eerder ons leven zouden willen geven, dan dit als vals of bedrieglijk opgeven.

Nu moet deze Babelse godsdienst, want met al zijn vertoning en luister is het ten beste slechts een Babel, neergeworpen worden, want het is in lijnrechte tegenspraak tegen de waarheid Gods, heeft noch staat noch standplaats, naam noch plaats, waarheid noch werkelijkheid in het woord des Heeren, dat tot in eeuwigheid zal bestaan. Hij moet daarom terneder geworpen worden, opdat de tempel der barmhartigheid en genade op zijn puinhopen mag worden opgericht. En dit doet de Heere gewoonlijk door de ontdekking van Zijn heiligheid, reinheid, majesteit, Zijn strenge rechtvaardigheid en almachtige kracht, teneinde ons niet slechts te ontdekken aan onze zonden, onze dadelijke en werkelijke overtredingen die Hij op het geweten legt, maar ook aan onze diepe en wanhopige zondigheid van het hart.

Het is een harde zaak – een moeilijke les te leren, vooral in sommige gevallen, waar de Heere handelt – ik zou zeggen op een zeer harde wijze met een weerspannig voorwerp, want het schijnt alsof sommige van Gods volk meer harde behandeling dan anderen behoeven. God geeft inderdaad geen verantwoording van Zijn daden, zodat wij niet altijd, of althans niet dikwijls, de reden kunnen bepalen, waarom de Heere met het geweten van sommigen meer gestreng handelt dan met dat van anderen. Maar het blijkt uit de ondervinding, en uit hetgeen wij horen en lezen uit de onderscheiden ervaringen van Gods volk, dat sommigen dieper onder de wet zinken dan anderen, en langer onder de slagen van Zijn hand blijven. Maar in elk geval is het “een harde zaak”, om door ondervinding de rechtvaardigheid Gods, de reinheid van Zijn natuur, de alwetendheid van Zijn oog, de vloek van Zijn heilige wet, en de veroordeling van een schuldig geweten daaronder te leren kennen.

b. Maar wij hebben een andere “harde zaak” te leren, en deze is onze onbekwaamheid en hulpeloosheid om te gehoorzamen, wat de wet van ons eist. Het geweten, dat vertederd is in de vrees Gods, wenst elke eis van Gods rechtvaardige wet te gehoorzamen, en streeft ijverig naar gehoorzaamheid, maar wordt op allerlei wijzen overheerst. De ogen van het geestelijk verstand zijn geopend om te zien dat gehoorzaamheid moet voortspruiten uit het hart, in de geest en niet in de letter; en dat alle onvolmaakte gehoorzaamheid noodwendig onaannemelijk is in de ogen van Hem met wie wij te doen hebben. Er is een goddelijk licht in de ziel uitgestort, dat de wet een volkomen gehoorzaamheid eist, want geen andere kan aangenomen worden als gelijkmatig met haar volledige eisen. Maar het overtuigde geweten ziet zich onbekwaam, om die gehoorzaamheid te vervullen.

De zonde is zo vermengd met alles wat wij verrichten, dat zij elk woord en elke daad besmet en verderft, en ze dus ongeschikt maakt voor de goddelijke aanneming. Maar het is een harde zaak voor een ontdekt zondaar, te bevinden dat bij niets kan verrichten, dat al zijn tranen en al zijn streven en pogen ten enenmale vruchteloos is, en hem slechts slechter maakt dan tevoren. Evenwel is het een les die nodig is te worden geleerd, opdat bij daarna de heiligheid mag kennen van Gods genade, en dat de zaligheid niet is door de werken der wet, maar door het bloed en de gerechtigheid van Gods evengelijke, even eeuwige Zoon.

c. De volgende harde zaak welke de Heere dikwijls Zijn volk doet zien, is hun onbekwaamheid niet alleen om te gehoorzamen, maar om zich te bekeren. De wet spreekt van geen bekering. Haar inhoud is zeer eenvoudig – ontzettend en majestueus gestreng – “Doet en leeft,” “zondigt en sterft”. Zij zegt nimmer: “Als gij u bekeert zal het u vergeven worden”. Dit is de taal van het evangelie. Wij kennen gewoonlijk de letter van het evangelie voor dat wij haar kracht gevoelen. Nu zegt het evangelie dat de weg ten leven is “bekering tot God en geloof in de Heere Jezus Christus”; maar wij bevinden weldra, in het licht der goddelijke onderwijzing, dat wij even onbekwaam zijn ons te bekeren als te gehoorzamen, even machteloos zijn het evangelie te geloven als de wet te vervullen. Is dit niet een harde zaak? Schijnt dit niet onze ellende te bespotten? Is het niet iets dat gelijkt op een gevangene in een kerker, die door een heraut de verlossing uit een gevangenis hoort verkondigen, terwijl hij nog gevangen zit achter grendels en sloten?

Maar, behalve dit, hebben velen van het volk van de Heere in hun vroege dagen veel in het donker te arbeiden, uit de bijzondere omstandigheden waarin zij geplaatst zijn. Zeer weinigen hebben het voorrecht van een evangeliebediening. De vrijheid der evangelische genade, de volkomenheid der zaligheid, de voorrechten en zegeningen van het lijden en sterven des Zoons van God, de gepastheid der beloften en uitnodigingen aan verloren en verdorven zondaars, worden hen zelden voorgesteld; evenmin horen zij het evangelie bevindelijk prediken, het woord der genade afgetekend, de ondervindingen en oefeningen van een ontdekte ziel omschrijven; en dus uit gebrek aan een gids hebben zij “als een blinde rond te tasten aan de wand, en rond te tasten alsof zij geen ogen hadden”.

d. Maar terwijl deze pelgrims naar de hemel steeds voortgaan – want er is geen terugkeren op de hemelse weg – ontmoeten zij een andere zaak op hun pad welke zij bevinden “hard”, zeer hard te zijn – Gods vrijmacht. Deze bijzondere gelaatstrek van het goddelijk beeld straalt niet dikwijls voor hun ogen, wanneer zij in het eerst hun aangezichten naar Sion richten; maar terwijl zij steeds voorwaarts naderen, en als het ware, gelijk iemand die bij het aanbreken van de dag een heuvel beklimt, meer ten volle in de glans der goddelijke volmaaktheden geraakt, schijnt de vrijmacht Gods hen op een zeer plechtige wijze te ontmoeten, en verschijnt door haar lichtende stralen op hun pad, alsof zij alle verdere voortgang in het aangezicht van Hem, die een verterend vuur is, zoekt te beletten. Iemand kan iets van de heiligheid en rechtvaardigheid Gods geleerd hebben in een verbroken wet, en evenzo iets van zijn eigen hulpeloosheid en onmacht om te gehoorzamen, zich te bekeren, of te geloven, en echter de vrijmacht Gods niet aan zijn geweten geopenbaard hebben gekregen.

Maar vroeger of later wordt het aan zijn hart bekend gemaakt door een goddelijke kracht, en dan schijnt zij bijna in onze weg te staan, gelijk de engel in de weg van Bileam stond met een uitgetogen zwaard om hem te doden. De profeet zag de engel niet voordat de Heere zijn ogen opende; maar zodra hij dat vreselijk gezicht aanschouwde, “boog hij het hoofd en viel op het aangezicht ter aarde”. Op eens zag hij dat het de Heere was om te behouden of te verderven. Het volk van God zou niet in de vrijmacht Gods geloven als zij het konden verhinderen; want het is een leerstuk dat somwijlen zelfs hun bloed van afgrijzen doet verkoelen, want daaraan zien zij hun eigen eeuwige staat afhangen. Maar in deze zaak hebben zij geen verwisseling, want de Schrift spreekt zo duidelijk, en de Heilige Geest de Schrift bestralende drukt het met zulk een kracht op hun geweten, dat zij, in weerwil van hun onwil om te geloven, in weerwil van de tegenstand die daartegen door de rede, eigenliefde, zelfmedelijden, en eigengerechtigheid daartegen aangebracht, gedwongen worden om neer te vallen voor de vrijmacht Gods, als een waarheid die door de gehele heilige Schrift doorstraalt; en zij zien daarin de grote sleutel van dat raadsel hetwelk ingedrukt staat op de werken en woorden Gods, “de tekenen der leugendichters te schande maakt, en de raadgevers verdwaast, de wijzen achterwaarts stoot, en hun wijsheid dwaasheid maakt” (Jes. 44: 25).

Met ogenzalf gezalfd zijnde, zien zij orde, waar anderen slechts verwarring opmerken, en merken de hand Gods op, waar anderen niets behalve de hand der mensen kunnen zien. Dus als zij rondzien over de wereld waarmee zij omringd worden – ik bedoel de mensenwereld – zien zij de vrijmacht Gods in enige tot de kennis der waarheid te roepen, en anderen toe te laten dat zij in hun zonden omkomen, want zij weten wel dat “er geen onderscheid is, want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods”. Tevens grondig onderwezen zijnde in een kennis van de onmacht des mensen, om zijn eigen ziel levend te maken, zien zij dat indien iemand gebracht wordt tot het geloof in de Zoon van God, zulks door vrijmachtige genade moet zijn. Ook wanneer zij zien op de handelingen Gods met hen in de voorzienigheid, of vooral in genade, kunnen zij niet anders dan vrijmacht op die beiden gedrukt zien; dat wat zij ook hebben, zij dit bezitten door goddelijke gift, en wat zij ook zijn, zij dit zijn door goddelijke bearbeiding.

Nochtans is de vrijmacht Gods, als in alle zaken, klein of groot uitgevoerd, een harde zaak, vooral wanneer het hen in het bijzonder treft; wanneer zij afgoden uit de boezem rukt, hun plannen in duigen slaat, hun vooruitzichten doet verwelken, hun hoop teleurstelt, en voor hen staat als een berg van koper en een poort van ijzer, welke zij evenmin kunnen overklimmen als doorgaan. Nochtans kunnen zij niet wegkomen van de aanklacht van hun eigen geweten, en het getuigenis van God in Zijn Woord dat Hij een Albestuurder is, die “doet met het heir van de hemel en met de inwoners der aarde naar Zijn welbehagen; en niemand kan Zijn hand weerstaan, of tot Hem zeggen: wat doet Gij?” (Dan. 4: 35).

e. De leer der uitverkiezing is een andere “harde zaak”, welke de Heere Zijn volk toont. Sommigen schijnen die gemakkelijk genoeg te leren; maar het is te vrezen dat zij die dezelve zo gemakkelijk kunnen leren en zo gemakkelijk kunnen geloven, daar nooit door goddelijke onderwijzing werden ingeleid. De uitverkiezing heeft twee aangezichten, een dat toornt en een ander dat glimlacht. In haar hand worden twee sleutels gezien – de een om open te doen, de andere om te sluiten.

Voordat wij nu gebracht worden tot de kennis van barmhartigheid aan de ziel geopenbaard en de zaligheid van evangelische genade smaken, draagt de leer der uitverkiezing een toornig gelaat; want zij schijnt ons op de weg te ontmoeten met een uitgetogen zwaard en dwars op het pad stand te houden; en elke toornige blik welke het geeft, drukt de overtuiging diep in des zondaars hart, dat als hij niet uitverkoren is, hij geen aandeel heeft aan het bloed van Christus, geen toegang tot het koninkrijk Gods. De zonde, de satan en het redenerende verstand, doen hun voordeel met dit besluit, de vijandschap van het vleselijke hart in beweging brengende, totdat elke vuile lust begint te koken en te woeden tegen een leer die hen schijnt buiten de poort van de hemel te stoten, en hen onder een ellendig vonnis te besluiten.

Welk een “harde zaak” schijnt het te zijn, behouden te willen worden, en toch te bevinden dat de leer der uitverkiezing in de weg staat als een ondoordringbare slagboom. Het is waar dat zij verkeerde gevolgtrekkingen tegen zichzelf maken, want zelfs hun begeerten naar verlossing, bewijzen hun aandeel in dezelve; maar zolang zij niet verzekerd zijn van hun eigen uitverkiezing, is het hen een harde leer. Eveneens zal hun natuurlijk vergtand tegen die leer opstaan, wanneer zij van zich zelf afziende, rondblikken en zien hoe weinigen, in betrekkelijke zin sprekende, op de weg naar de hemel schijnen te zijn, en hun ingewanden van ontferming versmelten over de leden van hun eigen familie, in wie zij de merktekenen van goddelijk leven niet kunnen zien; hoe duidelijk zij ook in het woord der waarheid geopenbaard is, of met welke kracht zij op hun geweten verzegeld mogen zijn.

1. Maar wederom heeft het volk des Heeren, behalve deze harde lessen, welke zij in de school van Christus hebben te leren, een dagelijks kruis te dragen; en terwijl zij beladen en terneder gedrukt worden onder zijn gewicht, worden zij gedrongen om te zeggen in de inhoud, zo niet in woorden: “Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien”. Dit dagelijks kruis kan en zal in verschillende personen verschillen, maar elkeen die gelijkvormig moet worden gemaakt aan het beeld des lijdens van Christus, heeft zijn eigen kruis, hetwelk door een onweerstaanbare hand op zijn schouders gelegd, dat hij meestentijds tot zelfs aan het graf heeft voort te torsen.

Zo worden sommigen van Gods volk in het lichaam verdrukt van het tijdstip af, dat de Heere het werk der genade aanvangt aan hun hart; of zij worden in de zenuwen verbrijzeld, terneder gedrukt in de geest, en neergebogen door vermoeidheid en zwakheid, welke dikwijls harder is om te dragen dan de ziekte zelf. Sommigen herstellen bijna nooit van de eerste indrukken, die op hun geweten werden teweeggebracht door een bewustzijn van Gods toorn; want omdat lichaam en ziel nauw verbonden zijn, gevoelt het een met de andere. Sommigen zijn aan goddeloze deelgenoten verbonden, ontmoeten tegenstand en vervolging bij elke voetstap; anderen hebben niets dan verdrukking in hun gezin, hetzij doordat de dood in hun kring binnendringt, of, hetgeen soms erger is dan de dood, verachting, schande en goddeloosheid.

Anderen hebben weinig anders dan een reeks van verliezen en kruisen in hun omstandigheden, golf na golf stort over hun hoofden, totdat zij denken dat zij hun verstand kwijt raken, in een krankzinnigengesticht zullen worden opgesloten, of in een of andere inrichting zullen sterven. Anderen zijn vol van twijfelingen en vrezen, dienstbaarheid en donkerheid gedurende al hun dagen, kunnen bijna nimmer boven een flauwe hoop geraken, of als zij net enige vertroosting begunstigd zijn, tot het leven zelfs beproefd worden of het wel echt is.

O beschouwt het huisgezin Gods huiswaarts zwoegende gelijk het overschot van een verslagen leger, waarvan sommige een ellendig lichaam, andere een verwonde ziel voortslepen; andere stervende kinderen op hun schouders dragende, of treurende over de in de strijd verslagenen; anderen met nauwelijks enige lompen aan hun lichaam of een korst brood in de hand, met zere voeten, vreesachtige harten, bevende voor een ritselend blad, met een diepe stroom om te doorwaden en een verwoeden vijand in het gezicht; en ziet, hoe zij allen met opgeheven handen uitroepen: “Gij hebt Uw volke een harde zaak doen zien. Heere, wat bent Gij voornemens nu te doen? Moet dit ons aardse deel zijn?”

Zijn dit de lasten van Uw volk,
Zo lang zij zijn in ‘s werelds kolk?

2. Maar wij zijn nog niet aan het einde van hun klacht gekomen: Gij hebt ons gedrenkt niet zwijmelwijn. Laat ons zoeken in de betekenis van deze klacht in te dringen. De wijn wordt in de Schrift dikwijls als zinnebeeld gebruikt, en als zinnebeeld van onderscheiden zaken, die licht op onze tekst kunnen werpen. In Palestina groeit de wijnstok overvloedig, en gelijk in andere warme luchtstreken, waar de druif rijpt onder de hete stralen der zon, was de wijn, gedurende het tijdvak van de voorspoed van Israël, niet gelijk bij ons een kostbare lekkernij, maar de gewone drank des lands.

Van Juda wordt daarom gezegd: “hij wast zijn kleed in de wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed,” alsof de wijn bij hem zo vrij en algemeen zou zijn als het water (Gen. 49: 11). Zo zegt de bruid: “Ik heb mijn honigraten met mijn honig gegeten; ik heb mijn wijn mitsgaders mijn melk gedronken” (Hoogl. 5: l); alsof honig, wijn en melk even algemeen waren. Daar de wijn dus zo gemeenzaam bekend is, wordt zij door de Schrift hier gebezigd als een zinnebeeld van onderscheiden zaken. Aldus een algemene beschouwing er van nemende in haar zinnebeeldige voorstelling, kunnen wij zeggen dat zij in de Schrift onderscheiden zaken voorstelt.

Het eerste denkbeeld, dat er door wordt voorgesteld, is dat van vrolijkheid, kracht, verheuging, daar wij weten dat zulks een kenmerkende eigenschap van het druivensap uitmaakt. Er wordt dus van haar gezegd “dat zij het hart des mensen verheugt” (Ps. 104: 15) en, in sterkere bewoordingen, “dat zij God en mensen vrolijk maakt” (Richt. 9: 13). Wij lezen er ook van dat “de wijn verheugt” (Pred. 10: 19). “Ammons hart was vrolijk van de wijn” (2 Sam. 23: 28); en koning Lemuels moeder onderwijst haar zoon “geeft sterken drank degene die verloren gaat, en wijn dengenen die bitterlijk bedroefd van ziel zijn,” (Spreuk. 31: 6).

Maar, ten tweede, stelt het zinnebeeld iets voor hetwelk aanvuurt en het hart in vlam zet, gelijk wij lezen van hen “die zich vroeg in de morgenstond opmakende, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit” (Jes. 5: 11).

Maar ten derde, daar het een gewoonte in die landen is dikwijls de wijn te kruiden met specerijen of mirre, om die meer vermogend en bedwelmend te maken, gelijk de bruid zegt: “Ik zou u van specerijwijn te drinken geven en van het sap van mijn granaatappelen;” en wij lezen van “sterke mannen om sterke drank te vermengen”, zo beeldt de wijn in de Schrift iets af dat verdooft en bedwelmt, het hart overweldigt en de leden doet beven.

a. In het ontsluieren van de woorden van de tekst, zal ik de laatste bedoeling het eerst nemen, want de gemeente, sprekende in de taal des geklags, zegt daarin: “Gij hebt ons gedrenkt met zwijmel wijn,” hetwelk ook zou kunnen worden overgezet door “de wijn der waggeling”, of “de wijn der beving”, daar het beeld ontleend is uit de uitwerking van de wijn, in het verdoven van het gemoed, en het doen beven van elk lichaamslid, als onbekwaam om zich zelf te schragen. In deze zin betekent de wijn in de Schrift dikwijls de toorn Gods, onder de kennis van welke de ziel waggelt en strompelt gelijk een beschonken mens. Zo gelastte God Jeremia: “Neem deze beker des wijns der grimmigheid van Mijn hand, en geeft die te drinken al de volken tot welke Ik u zende” (Jer. 25: 15).

Zo lezen wij: “want in des Heeren hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesem uitzuigende drinken” (Ps. 75: 9). Deze wijnbeker nu van Gods toorn zet Hij soms op de handen van Gods volk. Zo zegt Hij tot de gemeente: “Zie, Ik neem de beker der zwijmeling van uw hand, de droesem van de beker van Mijn grimmigheid, gij zult dien voortaan niet meer drinken,” hetwelk in zich sluit dat zij die gedronken had, gelijk Hij spreekt in hetzelfde hoofdstuk: “Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! gij die gedronken hebt van de hand des Heeren de beker Zijner grimmigheid; de droesem van de beker der zwijmeling hebt gij gedronken, ja uitgezogen” (Jes. 51: 17). Het is deze beker, hier “zwijmelwijn” genoemd, waarvan de gemeente in de woorden van onze tekst klaagt; want wanneer de Heere de beker des wijns Zijns toorns in de hand van Zijn volk zet, met andere woorden, wanneer Hij een bewustzijn van Zijn toorn en verontwaardiging tegen de zonde openbaart, doet Hij hen in deze zin drinken van de “zwijmelwijn”; want de ziel waggelt en strompelt gelijk een beschonken mens onder de kennis van Gods toorn.

Het ontzettendste gevoel waarmee een mens zeer kan geoefend worden in dit leven is, een bewustheid te hebben van de wraak Gods aan het geweten geopenbaard: het is zelfs de voorsmaak der hel. In deze zin bedwelmt de toorn Gods, gelijk wijndroesem, des mensen gemoed. Gelijk een beschonken weet hij ternauwernood wat hij verricht; al zijn heldere beschouwingen zijn verloren en vervlogen; zelfs zijn oordeel is verward in de dingen Gods; en evenals in de natuurlijke dronkenschap niets gevoeld wordt, behalve de uitwerkselen van de wijn, zo wordt in deze geestelijke dronkenschap niets gevoeld, behalve een bewustzijn van de wraak des Almachtigen. De Heere zegt daarom tot Zijn Sion: “Daarom hoort nu dit, gij bedrukten! en gij dronkenen, maar niet van wijn” (Jes. 51: 21); en zo roept Jeremia, de gemeente voorstellende: “Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt” (Klaagl. 3: 15).

In verband met deze betekenis, kunnen wij de woorden in een andere zin nemen. De wijn brengt, vooral wanneer hij gemengd wordt, vreemde gezichten en verschijningen voor de ogen. Gelijk iemand onder de invloed van opium, zijn er vreemde gedachten in het gemoed, vreemde klanken in het gehoor, vreemde gezichten in het oog. Deze vreemde gezichten en klanken maken het “zwijmelwijn”, zodat een mens, als het ware, zich zelf een wonder is.

Hebt gij niet soms verwonderd gestaan over de boosheden van uw hart? Gelijk Hart zegt:

Heere, als Uw Geest in ‘t hart daalt
Om ‘t boze te doen zien;
Bezwijmeld, door dat licht bestraald,
Zou hij van afschuw vliên.

En wederom:

Geschokt door ‘t gezicht, roept men sidderende uit:
Is daar binnen een woning voor God?

Hebt gij de boosheden van uw hart, de verdorvenheden van uw boze natuur, de onreine bewegingen, die van de bodem van die gistige diepte opborrelen, niet beschouwd, totdat gij nauwelijks geweten hebt wat te denken, te zeggen, of te doen? Zijn dat niet vreemde gezichten? En de murmurering en wispelturigheid van uw hart, zijn dat geen vreemde klanken? Had gij kunnen geloven dat uw hart vatbaar zou geweest zijn voor zulke onuitsprekelijke laagheid? Is dit niet “dronken zijn, maar niet van wijn, waggelen, maar niet van sterken drank?” Jes. 29: 9).

Maar beschouwt deze “zwijmelwijn” uit een ander oogpunt. Nadat de Heere zich wellicht in genade blijkbaar aan u geopenbaard en een kennis van Zijn goedertierenheid en liefde aan uw ziel meegedeeld had, dwaalde gij toen niet verachtelijk van de Oorsprong van alle barmhartigheden af? Verviel gij niet onwetend in een staat van koelheid, vleselijkheid en dodigheid; wellicht zou het kunnen zijn, in de strikken van de satan verward, zodat er zware schuld en benauwdheid op uw geweten werd gebracht? Wanneer gij toen uit uw afkerige toestand werd teruggebracht, deed de Heere u toen niet drinken van “de zwijmelwijn”, door u een geestelijk gezicht te geven van uw verachtelijkheid, van Hem, de Fontein des levenden waters, te verlaten, en u zelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water kunnen bevatten? En bent gij ook niet verbaasd geweest over Zijn lankmoedigheid in u te dragen, en Zijn wondervolle ontferming in uw ziel wederom op te richten?

b. Maar wij zullen op de woorden letten in een andere zin. Gelijk tevoren aangetoond is, verdooft de wijn niet slechts, maar zij verhit. Er zijn zulken, die door de wijn in vlam worden gezet, gelijk er zulken zijn die door de wijn worden verdoofd; want zij heeft deze twee tegenovergestelde uitwerkingen op de verschillende gestellen. Zo is het geestelijk. Wanneer de wet Gods de verdorvenheden van het menselijk hart ontmoet, onderwerpt het die niet, brengt hen tot gehoorzaamheid, verandert hun natuur, noch verandert hen tot genade; maar doet ze veeleer ontvlammen, gelijk de wijn de driften doet. “De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig” (Spr. 20: 1).

Zo zegt de apostel: “Toen wij in het vlees waren, werkten de bewegingen der zonde, die door de wet zijn, in onze leden om de dood vruchten te dragen;” en wederom: maar de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewerkt: want zonder de wet is de zonde dood” (Rom. 7: 5, 8). De wet dan, gelijk de wijn op de driften, vuurt de verdorvenheden van het hart aan; en gelijk de ogen des beschonkenen naar vreemde vrouwen zien, en zijn hart verkeerdheid spreekt” (Spr. 23: 33), zo wordt onder de invloed der wet elke lust en verdorvenheid in het hart in beweging gebracht, en verkeerdheid wordt daardoor bevrucht en uitgesproken. Dit is “gedrenkt te worden met zwijmelwijn”; want is het niet verwonderlijk, dat een heilige wet, door een heilige God gegeven, de verdorvenheden der natuur in beweging zet, dat datgene, hetwelk bedoelt de gehoorzaamheid teweeg te brengen, eer de ongehoorzaamheid verwekt: en dat het leven in het gebod gesteld, een vonnis des doods in de ziel werkt?

Maar laat mij nu een andere uitwerking van de evangelische wijn aanwijzen, welke is, gelijk ik reeds heb aangehaald, om te verblijden, te vervrolijken en te verheugen. In deze zin kunnen wij de tekst verklaren die ik tevoren reeds heb aangehaald uit de gelijkenis van Jothan, waar van de wijn gezegd wordt “die God en mensen verheugt”. Dit moet het evangelie zijn; want de gehoorzaamheid van Zijn dierbare Zoon, welke het evangelie openbaart, verheugde, om zo te spreken, zelfs het hart Gods; en ik ben verzekerd dat het het hart des mensen verheugt.

Ook in deze zin is het nog “zwijmelwijn”; want wanneer de Heere door Zijn Geest een wondervolle verandering teweeg brengt, en in plaats van door de verschrikkingen der wet te donderen, de zilveren klanken van het evangelie doet klinken; in plaats van toorn te openbaren, een kennis van barmhartigheid openbaart; in plaats van de zondaar tot zijn billijk verdiende vonnis te verwijzen, in zijn hart een bewustheid van Zijn schuldvergevende liefde en genade drupt, doet deze verheugende teug van de evangeliewijn hem de zwijmelwijn drinken. Want is het niet wonderbaar dat de Heere dus sterke drank geeft degene die verloren gaat, en wijn dengenen die bitterlijk bedroefd zijn,” hem gelastende “te drinken, en zijn armoede te vergeten, en zijn ellende niet meer te gedenken?” (Spr. 31: 6, 7). Is het niet verwonderlijk voor de ziel, hoe de Heere zulk een vuilaardig zondaar kan vergeven; hoe Zijn genade meer overvloedig kan zijn over de overvloed zijner zonden; en hoe het bloed des Lams, aan het geweten toegepast, het van alle schuld, smet en dode werken zuivert, om de levende God te dienen?,

Of wij dus de wijn beschouwen, als wijn voorstellende die bedwelmt, of wijn die verhit, of wijn die vervrolijkt en verheugt – neemt het beeld in een of in al deze betrekkingen – wel mogen wij zeggen, nadat wij er zelfs maar enige weinige druppelen van te drinken hebben gekregen: “Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn”. Laat dit dan immer op de tafelen van onze harten diep ingegrift zijn, dat al Gods handelingen en leidingen, handelingen en leidingen zijn om ons met heilige verwondering te vervullen, zodat wij wel mogen zeggen: “Wie is U gelijk, o Heere, onder de goden? Wie is aan U gelijk, heerlijk in heiligheid, verschrikkelijk in lofzangen, wonderen doende?” (Exod. 15: 11), en met de Psalmdichter: “Gij bent die God die wonderen doet” (Ps. 77: 14).

In de wet is Hij vol heiligheid, rechtvaardigheid en majesteit; in het evangelie is Hij vol genade, barmhartigheid en waarheid; maar hetzij in de wet of in het evangelie, wel mogen wij van en tot Hem zeggen: “Wondervol zijn Uw werken; en dat weet mijn ziel zeer wel” (Ps. 139: 14). Dus of gij de wijn drinkt van Zijn toorn of de wijn van Zijn liefde, de wijnkelk der wet of de wijnkelk van het evangelie op uw handen gezet is, gij kunt van elk ervan zeggen: “Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn”. Want beschouwt dit als mijn slotaanmerking op dit gedeelte van ons onderwerp, dat het de Heere is die ons doet drinken, en dat noch de wijn noch de teug onze eigen is.

II. Maar het is tijd dat wij overgaan tot de onderscheidenden zegen der gemeente, als aangewezen in het laatste lid van onze tekst; en ik veronderstel dat wij een verband zullen vinden tussen haar klachten en haar zegeningen: Gij hebt dengenen die U vrezen, een banier gegeven.

1. Gij zult opmerken dat de gemeente hier spreekt van een banier die aan hen gegeven is die God vrezen. Ontdekt gij nu niet een verband tussen de “harde zaak” die God Zijn volk doet zien, en de “zwijmelwijn” welke Hij hen doet drinken, en de vrees van Zijn groten naam? Want deze punten worden in nauwe vereniging met elkaar gesteld. Het verband dan is dit, dat de “harde zaak” welke het volk van de Heere getoond wordt, en de “zwijmelwijn” waarmee zij gedrenkt worden, drukken de vrees Gods zeer diep in hun geweten. De vrees Gods wordt als met de punt van een diamant op ‘s mensen hart gegrift, door de “harde zaak” welke Hij hen toont. Een stug hart, ver van gerechtigheid, heeft enige gestrenge behandelingen nodig, om het te vernederen. Een machtige indruk is op zulk een geweten nodig, zodat het daar blijvende merktekenen van de hand Gods achterlaat.

Zo laat deze “harde zaak” diepe indrukken achter van de majesteit en grootheid van Hem, met wie wij te doen hebben. En is dit niet een zegen? Gij mag geklaagd hebben, gelijk de gemeente van de oude dag in onze tekst: “gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien”. O Heere, welke moeilijke lessen hebt Gij mij doen leren. Hoe hobbelig en ruw was mijn pad in voorzienigheid; hoe scherp, hoe gestreng mijn pad in genade! In Uw heilige wet; in de ontdekking van mijn hulpeloosheid en de heersende verdorvenheden mijns harten; in het dagelijks kruis dat mijn schouder zo knelt; in de donkerheid, schuld en dienstbaarheid, waarin ik zo voortdurend geoefend word, welke harde zaken hebt Gij mij, o Heere, getoond, en blijft Gij mij tonen! Ja, Gij hebt mij ook gedrenkt met zwijmelwijn, als ik tot U opzag en een beschouwing van U had, of neerzag en een blik op mijzelf sloeg.

Maar heb ik niets geleerd uit die harde lessen, uit deze smaken en teugen van Uw wondere wijn? Hebben zij geen indruk op mijn geest gemaakt? Hebben zij geen goed voor mijn ziel uitgewerkt? Ja, ik vertrouw zulks, want hebben zij niet teweeg gebracht dat de vrees Gods dieper wortel in mijn hart heeft geschoten? Dus zijn des Heeren leidingen, ofschoon zij “harde zaken” zijn om te dragen, en de wijn welke Hij heeft, zwijmelmijn is, nochtans beiden vruchtbaar in de grootste zegen, welke God kan schenken, welke is Zijn vrees diep geplant in een teer geweten. Lichte zaken, gemakkelijke zaken, effen zaken, zachte zaken, zouden deze diepe indruk niet hebben veroorzaakt. Melk en water zou u soms niet bedwelmd, soms niet verhit, soms niet vervrolijkt hebben. Uw godsdienst zou een godsdienst van melk en water geweest zijn.

Waarom zijn er zo weinigen bedeeld met die hemelse schat, de vrees Gods? Omdat de godsdienst bij hen zo licht en gemakkelijk is, zij kunnen die af en aan doen, opnemen en neerleggen, bezitten of niet bezitten, nadat zij verkiezen, daarom is het bij hen een onverschilligheid, een nevenzaak, een zondagstaak, een extra kleed, een overjas, die soms wordt gedragen, soms ter zijde gelegd. Maar waar het God behaagt de ziel te onderwijzen met een verhoogde hand en een uitgestrekte arm, en Zijn volk een “harde zaak” doet zien, en hen met “zwijmelwijn” drenkt, totdat zij waggelen en huiveren onder Zijn machtige bestraffing, drijven deze handelingen de nagel op de rechte plaats, zij planten de vrees Gods zeer diep in ‘s mensen geweten. Maar wanneer de Heere zijn vrees diep in ‘s mensen geweten geplant heeft, stelt Hij de onderscheidenden zegen voor, en deelt dien mee, bestaande in een banier. “Gij hebt dengenen die U vrezen een banier gegeven.”

2. Maar welke is “de banier”, waarvan in de tekst wordt gesproken? Zij is, geloof ik, in korte woorden, de banier der waarheid en der liefde, of, om die onder een volzin te brengen, “de liefde der waarheid”.

Ik vertrouw dat wij zulks mogen bewijzen uit twee bijbelplaatsen: de een zal zijn de woorden welke voor ons liggen, “om die op te werpen vanwege de waarheid”. De waarheid dus, de hemelse waarheid is een bestanddeel van die banier. Maar wij lezen ook: “Hij brengt mij in het wijnhuis, de liefde is Zijn banier over mij” (Hoogl. 11: 4).

Alzo zullen wij die twee samen voegen, teneinde een opschrift te doen uitmaken, welke wij op onze banier zullen aftekenen in zulke grote en duidelijke letters, dat elkeen die er voorbij loopt het kan lezen: De liefde der waarheid.

Stemt dit opschrift van onze banier niet overeen met hetgeen wij lezen: “Zij hebben de liefde der waarheid niet ontvangen, opdat zij zouden zalig worden” (2 Thess. 11: 10), hetgeen duidelijk te kennen geeft dat zij, die de liefde der waarheid aannemen, zullen behouden worden? Mijn vrienden, het is niet de waarheid die ons behouden zal, de naakte dorre waarheid, de letterlijke waarheid zonder de kracht. Het is “de liefde der waarheid”, met andere woorden, de waarheid in liefde ontvangen, door de toepassing aan het hart door de gezegenden Geest, die dierbaar makende aan de ziel, waarin zaligheid woont. Wees nimmer verzadigd met de naakte letter der waarheid, rust nooit op minder dan op de waarheid aan uw hart toegepast in liefde en door de kracht Gods. Dit dus is onze banier, de banier welke God geeft, dengenen die Zijn naam vrezen.

Maar wat is een banier in haar letterlijke, natuurlijke beduiding, want die moeten wij duidelijk verstaan, om tot haar geestelijke bedoeling op te klimmen? Het is een standaard, of een vaandel, of om eenvoudiger woorden te bezigen, een vlag. Als zodanig is het een gemeenzaam schriftuurlijk zinnebeeld, en wij kunnen het beschouwen als het zinnebeeld van drie onderscheiden zaken, zijnde drie doeleinden, waartoe de banier gewoonlijk gebezigd wordt.

a. Vooreerst is het een onderscheidingsteken. De eerste zaak die bezorgd wordt als een leger wordt bijeengebracht is een onderscheidingsvlag te hebben. Toen de bondgenoten in Amerika bijvoorbeeld, zich van de Unie losrukten, was hun allereerste bedrijf de sterren en strepen, de oude nationale banier te verwerpen, en een onderscheiden, een onderscheidingsvlag te bezitten. Hoe kon men weten aan welke zijde de soldaten te strijden hadden, tenzij de vlaggen onderscheiden waren? In onze landsdienst heeft, geloof ik, elk regiment haar verschillend vaandel. Zo beduidt een banier, als een schriftuurlijk zinnebeeld, het onderscheidingsteken van het volk Gods, waardoor zij van de goddeloze wereld worden onderscheiden.

Wanneer de Heere dus Zijn waarheid dierbaar aan hun harten maakt, geeft Hij hun een banier om hen van al de anderen af te zonderen, om hen tot goede krijgsknechten van Jezus Christus te maken en te openbaren, en voort te trekken onder Zijn geleide tot de zekere overwinning. Het onderscheidend kenmerk van een waar discipel is de waarheid te kennen, en te bevinden dat de waarheid vrijmaakt. Niemand kent de kracht der waarheid, de dierbaarheid der waarheid, de vrijheid der waarheid en de liefde der waarheid, dan het huisgezin Gods. De Overste Leidsman hunner zaligheid geeft hun deze banier als Hij hen als de Zijn verzegelt in de liefde daarvan.

b. Maar een banier heeft een andere zinnebeeldige beduiding. Wanneer in het slagveld de bazuin de aanval blaast, moet de vlag vooruit komen. Zij wordt niet in de tent opgerold gelaten, noch in de bagagewagen geworpen, of ergens buiten het gezicht geborgen, maar moet wapperen boven de hoofden der vooruit marcherende troepen, opdat zij dapper mogen strijden onder haar heerlijke plooien. Hoe menige heldhaftige jongeling van Engelands edel bloed heeft de Britse vlag voorgedragen in het front van het leger. Zo is het in de genade. Zo wordt van de gemeente in het Hooglied gezegd dat zij “schrikkelijk is als de slagorde met banieren” (Hoogl. 6: 10).

Maar waarom zou een leger met banieren zo schrikkelijk zijn? Omdat het een naderende vijand is. Hun banieren glinsteren in de zon; zij zijn omhoog geheven; het dappere vaandel baant de weg; de soldaten volgen het snel achterna. Hoe schoon is hun kleding, hoe schrikkelijk hun naderen, hoe gesloten hun gelederen, hoe vreselijk hun aanval! Wanneer een stad overrompeld moet worden en de bres zal worden bestormd, is het eerste overwinningsteken om de vlag op de forten te plaatsen. De eerste Romeinse voetstap die de Britse wal betrad, toen Caesar dit eiland aanviel, was die van de vaandeldrager van het 10e Legioen. De dappere Britten bezetten de wal met een wreed uitzicht; de zee was diep en het strand hoog, zodat de troepen stand hielden; maar de vaandeldrager van het 10e Legioen liep snel in de zee met de Romeinse adelaar in zijn hand, de soldaten toeroepende hem te volgen, zo zij hun vaandel niet aan de vijanden wilden prijs geven. Door dit voorbeeld aangevuurd, stortten zij allen in zee, en dreven de vijand op de vlucht.

Zo heeft God dengenen die Hem vrezen een banier gegeven, niet om die voor het oog te verbergen, niet om die in de tent te versteken, gelijk Achan zijn Babylonisch kleed deed, maar die manmoedig omhoog te heffen, in het gezicht van al hun vijanden. En wat is zo vervrolijkend, wat zo bezielend, als de liefde der waarheid? Als dit onze hand niet bekrachtigt en onze voet schraagt, wat dan? Ik hoop, dat de Heere Zijn liefde der waarheid in mijn hart en de banier der waarheid in mijn hand geschonken heeft. Wanneer de Heere “onder Zijn vetten een magerheid zendt”, wanneer Hij onder Zijn heerlijkheid een brand doet branden, als de “brand des vuurs,” als Hij “verteert de heerlijkheid Zijns wouds en Zijns vruchtbaren velds, van de ziel af tot het vlees toe,” voegt Hij er bij, om de uitwerking der algemene ellende te tonen, “zij zullen zijn gelijk wanneer een vaandrager versmelt” (Jes. 10: 16, 18).

Wanneer dan de vaandeldrager bezwijkt, hoe ontmoedigt zulks het overige leger. Wanneer predikanten hun hoofden laten hangen, of zich achterwaarts keren, wat zullen wij dan anders kunnen verwachten, dan dat moedeloosheid zich onder de gelederen zal verspreiden? O gij vaandeldragers van de banier der waarheid en liefde; o gij officieren in het leger van de levende God, wees niet ontmoedigd; laat uw handen niet zakken, en nog veel minder uw rug naar de vijand gekeerd zijn; maar gaat dapper voort, strijdende tegen de zonde en de satan zelfs tot de dood toe, onder de heerlijke banier van Gods waarheid, die over uw hoofd wappert.

c. Maar indien het leger een tijdelijke nederlaag lijdt, of indien er deserteurs uit de gelederen zijn, dan is een banier van groot nut tot een verenigingspunt. De Heere zegt daarom: “Heft een banier op, op een hoge berg; verheft een stem tot hen: beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken tot de deuren der prinsen” (Jes. 13: 2). Wanneer de troepen verslagen worden, gelijk dit soms bij een vijandelijke aanval plaats heeft, zou er geen verzamelingpunt bestaan zo er geen banier, geen vlag aanwezig was. Maar waar zij een vaandel, een vlag omhoog geheven zien, vooral die van hun eigen regiment, daar is een verzamelplaats. In onze burgeroorlog was de vlag waar de koning zich bevond, eerst te Nottingham uitgestoken, en toen van tijd tot tijd boven zijn onderscheiden hoofdkwartieren. Deze dan diende tot verzamelplaats voor elke koningsgezinde, gelijk de vlag van het gemenebest voor de tegenovergestelde zijde.

Zo ook wij arme afgedwaalden – ik zal ze geen deserteurs noemen – de Heere heeft geen deserteurs in zijn leger; maar wij, vaak teruggedreven afgedwaalden, schoon nooit werkelijk verslagenen, hebben, wanneer wij de heerlijke banier van Gods waarheid verheven zien wapperen, werkelijk een punt om ons nog eens terug te brengen onder des Heeren eigen banier; want gelijk Mozes, toen de kinderen Israëls streden tegen Amalek, “een altaar bouwde en noemde deszelfs naam Jehovah Nissi,” dat is “de Heere is mijn banier”, zo “zullen wij de vaandelen opsteken in de naam van onze Gods” (Ps. 20: 5). Bent gij niet soms droevig verstrooid geworden door de zonden en de satan? – gedachten, woorden, begeerten, bewijzen, kenmerken, tekenen, alles in alle richtingen verstrooid gehad, alsof het door een vijandige aanval geschied was? Nochtans weet gij iets van Gods waarheid, want gij hebt er de liefde en de waarheid van in uw hart gevoeld; zodat al bent gij verlegen, gij echter niet wanhopend bent; al bent gij vervolgd, nochtans niet verlaten; terneder geworpen, nochtans niet verdorven.

Liefde tot de waarheid vormt dan uw verzamelplaats voor al uw verstrooide ondervinding. Uw begeerten en genegenheden zijn tot de Heere en Zijn waarheid. Gij ziet op, gij ziet de banier omhoog wapperen; gij keert tot de legerplaats terug, en bevindt u zelf andermaal onder de plooien van die heerlijke evangelievlag. Ik heb in reisbeschrijvingen gelezen dat niets zo strelend is voor een Engelsman, die in het Oosten reist, dan het zien van de Engelse vlag boven een consulaat, of aan de mast van een oorlogsschip. Hij weet dat wie hem ook beledigt, hij daar veilig is, want onder de plooien van die, door de tijd geëerde banier, wordt Engelands bescherming over hem geworpen, ja Engeland zelf, ons heerlijk land is daar aanwezig, waar haar vaandel wappert, om al haar burgers te beschermen. Zo is het in genade: waar de waarheid in haar liefde en haar kracht aanwezig is, daar is Christus, daar is Zijn eer, daar Zijn evangelie, daar Zijn heerlijkheid. Deze beschouwing voert ons tot ons volgende punt:

III. Het bijzonder voorrecht der gemeente Gods: dat deze banier opgeworpen moet worden vanwege de waarheid.

1. Indien dan de Heere een banier heeft gegeven, dengenen die Hem vrezen en deze banier waarheid en liefde is, kan zij niet buiten het gezicht verborgen in de zak gedragen, rond het lijf gewonden, of in de bagagewagens onder de vrouwen en kinderen in de legerplaats geworpen worden. Zij moet opgeworpen worden, opdat de mensen het opschrift lezen mogen, hetzij vrienden of vijanden. Maar dit vereist beide kracht en moed. Een vaandel is niet gemakkelijk te dragen, vooral in het aangezicht van de vijand. Het vereist een stevige arm en een moedig hart. Maar wie kan haar onderscheidend kenmerk zien of haar opschrift lezen – waarheid in de liefde ervan, tenzij het omhoog gedragen wordt? Mag de Heere mij immer bekwamen die moedig en duidelijk op te werpen, en mag gij en allen die onder het Evangelie leeft, juichen in het getuigenis dat de banier over u “Liefde” mag zijn; en gelijk de Engelsman bescherming gevoelt onder Engelands heerlijke vlag, zij wappert waar zij wil, zo gevoelt gij u zelf, wanneer gij onder het geklank van het evangelie zit, veilig onder haar brede plooien.

Maar ik zal u meedelen wanneer zij het beste opgeworpen of ten toon gespreid wordt: wanneer de wind er in blaast. Op een stillen dag weet gij, dat de vlag langs de stok neerhangt en de plooien zakken, dan kan men het opschrift niet lezen. Maar laat de wind waaien: hoe worden de plooien dan uitgezet; de vlag waait moedig uit in haar breedte en lengte, en het opschrift kan door elk oog gelezen worden. Eveneens in geestelijke zin: wanneer de hemelse rukwind van de gezegende Geest op het hart en de mond van de vaandeldrager waait, hem bekwaam makende om de waarheid voor te stellen in de liefde ervan met zalving en kracht, dan verbreidt de heilige koelte van de eeuwige heuvelen het opschrift voor de soldaten van het kruis, en elke letter daarvan spreekt tot hen van bloed en liefde.

2. Maar er zijn drie zaken, welke ik hoop dat ons nooit zullen toegelaten worden te doen met betrekking tot deze heerlijke vlag. Gij weet dat het het hart van elk geboren Engelsman zou bedroeven, – ik geloof soms dat ik er een tot in mijn binnenste ben – om te zien dat de nationale vlag enige smaad trof, of enige hoon werd aangedaan. Ik ben geen staatsman; ik voer het dus slechts aan als een beeld. Maar gij zult u herinneren hoe wij onlangs bijna op het punt van oorlog geraakt waren, door een belediging die onze vlag was aangedaan: het gehele land stond als een enig man op, om er haar verontwaardiging over te kennen te geven. Indien wij dan vorstelijke onderdanen zijn van de Koning der Koningen en de Heere der Heeren, wiens naam wij dragen, moeten wij minstens zoveel koningsgezindheid gevoelen aan onze onderscheidingsvlag, waarheid in de liefde ervan, als wij ooit bezitten voor onze nationale vlag. Er zijn dan drie zaken, van welke ik hoop dat de Heere ons altijd bewaren zal.

a. Mogen wij die nooit verloochenen! Indien gij een Engelsman was, die buitenslands reisde, in Turkije of enig ander land, zoudt gij uw vaderland, het land van Uw geboorte, niet verloochenen en haar vlag versmaden. Gij zoudt ter wille van een luttel gewin of uit vrees voor een weinig verachting, het feit niet versmaden dat gij een Engelsman en geboren was onder de banier van uw vaderland. Zou het dan niet zeer verachtelijk in u zijn, dat gij, na een liefde tot de waarheid te hebben beleden, ter wille van een weinig stof, of om een weinig mensenvrees, de dierbare Waarheid zoudt verloochenen, onder welke gij hebt geluisterd, en waarin gij bij tijden zulk een plechtig genoegen smaakte? Verloochent dan nooit de waarheid, gelijk een recht geaard Engelsman nooit, al werd hij met de dood bedreigd, de vlag van zijn vaderland af zou zweren.

b. Deserteert er nooit van; keert er nimmer uw rug naar toe, noch gaat van de waarheid tot de dwaling, of van het liefhebben der waarheid tot het liefhebben van een leugen. Er hadden in de Krim enige gevallen plaats van desertie van onze soldaten van onder hun vaandel, die tot dat der Russen overliepen, en een van deze ellendige deserteurs, zo niet meer, ontving, geloof ik, zijn billijke verdienste, daar hij door zijn vroegere kameraden werd doodgeschoten, eer bij de grenslijn der vijanden bereikte. Mogen wij zo nooit onze heerlijke vlag verlaten – liefde der waarheid. Als wij het doen, verdienen wij doodgeschoten te worden, eer wij de legerplaats des vijands bereiken.

c. En, mogen wij die nimmer bezoedelen. Het is een heerlijke vlag, de vlag der waarheid. Zij is de reinheid zelf, want elk woord Gods is rein. Mogen wij haar dan nimmer door het vuil slepen. Dat niemand van ons, die belijden de waarheid lief te hebben, met woord of daad immer die zaak bezoedelt, welke ik vertrouw, dat wij dierbaar schatten, noch de heerlijke Evangelievlag in de modder dopen.

Houdt dit in gedachte. De vlag moet opgestoken worden, laat het dus geen morsige vlag zijn. Zij mag eervol doorschoten zijn; zij mag zelfs met bloed bevlekt zijn. Dit is geen bezoedeling; maar laat haar niet bevlekt worden met het vuil van de straat. Indien gij een vaandeldrager in het leger was, zoudt gij voor uw regiment geen vlag willen dragen, welke gij in de modder had laten vallen. Bezoedel gij dan nooit, met Gods hulp en zegen, de heerlijke banier van Gods waarheid, met die door uw wangedrag in het slijk te laten vallen. De Heere alleen kan ons genade schenken om ze in ere te houden. Zij het onze begeerte, niet slechts die niet te verloochenen, niet te verlaten, en niet te bezoedelen, maar als kloeke soldaten volvaardig de vlag van uw vaderland te verheerlijken; en elk regiment in de dienst zal met blijmoedigheid haar bloed storten om haar met eer en heerlijkheid te bedekken. Mogen wij zo, als goede krijgsknechten van Jezus Christus, begeren die heerlijke vlag te verhogen, onder welke wij ingeschreven zijn, en die de Heere zelf in onze handen gesteld heeft, om die op te werpen, vanwege de waarheid.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.