Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Wonderen aan de doden

Predikatie over Psalm 88:11-13 Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf? Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?

Deze psalm, zoals uit het opschrift blijkt, is gemaakt door “Heman, de Ezrahiet.” Wij ontvangen in het Woord van God weinig inlichting, wie deze Heman was. Maar er zijn twee personen van die naam, waarvan wij in de Heilige Schrift melding gemaakt vinden. Van de ene lezen wij in het eerste boek van de Kronieken (hfdst. 2:6). Hij was een kleinzoon van Juda. “En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.”

En in hetzelfde boek (hfdst. 15:17) vinden wij een andere Heman, die in de tijd van David leefde. “Zo stelden dan de Levieten Heman, den zoon van Joël.” Het lijdt geen twijfel, dat Heman, van wie hier gesproken wordt, degene is die in de tijd van David leefde; een medezanger met Asaf en Ethan, welke ook beide psalmen vervaardigd hebben. En hoewel wij weinig, dat hem betreft, vermeld vinden, behalve dat hij uitmuntte in wijsheid en een van de zangers was die in de tempel zong (l Kron. 15:19), heeft het God de Heilige Geest goed gedacht, de klacht die hij onder de terneer slaande bedelingen van de Heere aan zijn ziel uitstortte, ons tot gedachtenis mee te delen.

Het is opmerkelijk dat in de andere psalmen, en ik geloof in de meeste andere gedeelten van de Schrift waar de heiligen hun klachten voor God uitstorten, aangename flikkeringen en stralen van hoop zijn, die de duisternis verlichten, waaronder hun zielen gebukt gaan. U zult nauwelijks een van Davids psalmen vinden, op welke treurige sleutel die ook gesteld mag wezen, waar niet enige noten van hoop in zijn—enige tonen zelfs van geloof en vertrouwen.

Bijvoorbeeld, wanneer hij geroepen heeft: “wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij?” vervolgt hij en zegt: “hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts, en mijn God.” (Psalm. 42:12). Eveneens in het bitterste van de laagten, vervat in het derde hoofdstuk van de Klaagliederen, horen wij Jeremia, die zijn bedroefde ziel in de schoot van God uitstortte, echter zeggen, (vers 57): “Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: vrees niet!”

Maar als wij deze psalm van Heman beschouwen, daar komt slechts een kleine flikkering, als een zonnestraal, die voor een ogenblik door de wolken dringt; en die kleine flikkering is vervat in het eerste vers, waar hij zegt: “O Heere! God mijns heils.” Dat kleine woord “mijn” opent voor een ogenblik een ruimte tussen de wolken, waardoor de Zon der gerechtigheid een enkele straal schiet. In het algemeen zult u bevinden dat, wanneer de psalm met klagen begint, hij met lof eindigt; zoals de zon, die in wolken en nevel oprijst, helder ondergaat, en haar verdeelde stralen uitschiet, juist vóór zij verdwijnt.

Maar hier wordt de eerste schittering aan de hemel gezien, juist als de zon opgaat, en niet zodra is die lichtstraal verschenen, of dikke wolken en duisternis vergaderen zich er overheen. De zon vervolgt haar loop de gehele dag door in wolken gehuld, en gaat ten laatste onder in een zwaarder bank van wolken, dan zij de gehele dag om zich heeft gehad. “Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.” (vers 19). In wat een donkere wolk gaat de zon van Heman onder!

Wij besluiten dan uit de Schrift dat de heiligen van God, hoe diep zij ook in zielsnoden gezonken zijn – en weinigen van Gods volk waren ooit dieper in nood dan de maker van deze psalm— dat zij toch zeldzaam zonder iets zijn, dat hun staande houdt. Ze zijn zelden zonder de verborgen ondersteuning van “eeuwige armen.” En het zou moeilijk zijn enige aanhoudende klacht van de bijbelheiligen tevoorschijn te brengen, die geheel en al ontbloot is van een oefening van geloof in God, en enige zwakke flikkeringen van hoop, waardoor hun ziel ondersteund werd. En wij besluiten daarom uit de Schrift dat niettegenstaande deze stralen van hoop, en deze geloofswerkzaamheden in de ziel, zij komen kan in de grootste diepte van geestelijke ellenden—in die diepte waarvan Heman sprak, toen hij zei: “Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.” (vs. 7.)

Er zijn weinigen onder ons, geloof ik, die deze psalm volkomen kunnen verstaan. Die zee is te diep voor onze kleine gestalte. Wij mogen misschien sommige doorwaadbare plaatsen daarin vinden, waarin wij kunnen gaan, maar ik geloof dat weinigen van ons ooit in deze diepte van zielssmart geweest zijn, waarvan Heman hier zo gevoelig spreekt, en waaronder hij kermt met zo’n zware klacht. In de verzen die ik u voorlas, schijnt het water iets meer doorwaadbaar, dan in het algemeen van de psalm. En ik durf te zeggen van sommigen van ons, die hier tegenwoordig zijn, wij weten enigszins wat het is, in duisterheid van de ziel en in beproevingen en oefeningen van het gemoed te zijn, en hebben enige kennis van het beenderenhuis van bederf, dat wij met ons omdragen. En als wij niet geheel en al met deze diep geoefende heilige kunnen meegaan, echter zijn wij bekwaam om misschien een kleine weg met hem te reizen.

“Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf? Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?” In deze verzen vinden wij melding gemaakt van vier dingen aan de zijde van God: wonderen, goedertierenheid, getrouwheid en gerechtigheid. Dit waren vier eigenschappen van de gezegende Jehova. Om deze te kunnen zien, waren de ogen van Heman ontsloten. En om deze te gevoelen, was het hart van Heman bewerkt. Maar hij komt, door Goddelijke onderwijzing, in een plaats waar het schijnt, dat deze eigenschappen geheel en al voor hem verloren zijn.

En echter—zo verborgen zijn de wegen van God—de plaats waarin hij was, was juist die, waar deze eigenschappen het krachtigst waren ten toon gespreid, en dieper en bij ondervinding aan zijn ziel bekend gemaakt werden. De Heere leidt de blinden door een weg die hij niet kent in deze plaatsen van beproeving, opdat daarin voor hem die eigenschappen meer volkomen mogen ontdekt worden, waarvan hij reeds een flikkering gezien had. Door hem in deze paden te leiden, brengt de Heere hem in zo’n verborgen weg, dat al zijn vorige kennis ervan vernietigd wordt. Hij draagt daarom deze vraag aan de Heere voor, hoe het mogelijk was dat in deze plaatsen, waar hij nu was, die eigenschappen konden ten toon gespreid of bekend gemaakt worden.

Welnu, het zal onder Gods zegen mijn werk zijn, enige van die plaatsen, waarin de psalmist was, toen hij deze bekommerde vraag deed, af te tekenen, en om te doen zien hoe diezelfde eigenschappen, waarin hij geoefend werd, passen, en alleen passen bij die bijzondere plaatsen waarin hij juist op die tijd was, dat hij deze treurige klacht uitstortte.

I. Hij begint: “zult Gij wonder doen aan de doden?” Hij spreekt hier van zijn eigen ondervinding. Hij is die “dode”’ aan wie dit “wonder” te doen is. En terwijl hij in die gesteldheid is, achtte hij dat elke genadedaad aan hem gedaan waar hij toen was, een “wonder” moest zijn.

Allen van Gods volk worden, door de werking van de Geest in hun zielen, vroeger of later, in die plaats gebracht, waar Heman was. Paulus was daar, toen hij zei: “onder de wet, zo leefde ik eertijds, maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.” Want, inderdaad, hij was “gestorven;” dat is, hij was gedood, verslagen in zijn ziel, doordat de geestelijkheid van Gods wet bekend gemaakt werd in zijn geweten – gedood aan alle hoop van schepselsgerechtigheid—gedood aan alle verwachting van vleselijke heiligheid – en gedood ten aanzien van de enige weg tot zaligheid, die het schepsel kon uitdenken.

Maar het woord “gedood” draagt nog een uitgestrekter betekenis dan deze. Het drukt uit een gevoel van uiterste hulpeloosheid; niet slechts een gevoel van schuld en veroordeling, zodat men verslagen is aan alle hoop van zaligheid in zichzelf, maar ook om zich geheel machteloos te gevoelen, zijn kleine vinger op te lichten, om zich van de onderste hel te verlossen. Als iemand hier nooit gebracht is, hij zal nooit begeren, dat er een wonder verricht wordt. En Gods volk heeft behoefte dat er wonderen in hun zielen gedaan worden, even zozeer als de lamme en de blinde en de dode en de stomme behoefte hadden, dat er wonderen aan hun lichamen geschiedden, terwijl Christus in het vlees op aarde woonde. Wanneer dan de Heere enig teken van genade doet aan iemand welke in zijn gevoel dood voor Hem ligt, het is een wonder dat in zijn ziel ten toon gespreid wordt. En hij beschouwt het als het meest verwonderlijkste wonder, dat de Heere ooit tot hem een woord van genade spreken zou, dat Hij ooit aan hem “een teken ten goede” geven zou, dat Hij ooit voorbij hem zou gaan, als hij ligt “in zijn bloed,” een balling en vreemdeling, en hem het leven aankondigen. Dat Hij ooit “Zijn vleugel over hem zou uitbreiden, in een verbond met hem zou komen, en hem de Zijne noemen.” (Ezechiël 16:6—8).

Maar indien wij zien op de uitdrukking, zoals het er eenvoudig staat, schijnt het uitgesproken te zijn door iemand die onder het vonnis van de dood ligt, voordat het wonder betoond is. Het komt niet voor in de verleden tijd: “hebt Gij wonder gedaan aan doden?” Het is niet de taal van dankzegging voor het verleden, of van verwondering over het tegenwoordige, maar die van bekommerd onderzoek voor het toekomende: “zult Gij wonder doen aan de doden?” Is het mogelijk? Ben ik niet een te groot zondaar? Is niet mijn toestand te hopeloos? Heb ik niet te zwaar gezondigd? Heb ik niet de rechtvaardige toorn onvergeeflijk mij op de hals gehaald? Ben ik niet een zondaar zo erg en zwaar en van zo’n zwarte gedaante, dat genade mijn ziel nooit bereiken kan. “Zult Gij wonder doen aan de doden?” O, het zou een “wonder zijn, als Gij ooit een blik van genade op zo’n dode ellendeling zou werpen.

Maar daar is een andere betekenis die de woorden opleveren, welke die is van een ziel, nadat zij enige blijken van genade van de Heere ontvangen heeft, en bevoorrecht is geweest met enige tekens van Zijn liefde en gunst, en zij door de listen van een bedrieglijk hart, de afgodische vervreemding van bedorven hartstochten, en de verborgen lokazen en strikken van de satan, gevallen is in een staat van vleselijkheid, dorheid, dodigheid en hulpeloosheid voor God. Wanneer iemand hier is, dan schijnt het hem toe dat het een zeer groot wonder zou zijn, dat hij ooit een herleving van geest zou hebben, en dat even zo groot een wonder ten tweede male in zijn ziel enig leven en vrijheid en gevoel en verbrijzeling voor God bewerken moet, als het ooit een wonder en een deed van wondervolle genade was, toen hij voor de eerste maal tot een geestelijk leven werd wedergeboren. God wil aan Zijn geliefde kinderen leren dat de dag van de wonderen niet over is. De dag van de wonderen is niet meer voorbij dan de dag van de krachtdadige werking van de Heilige Geest voorbij is.

En zij die geestelijke wonderen in de ziel loochenen, mogen evengoed loochenen, dat de Heilige Geest Zijn almachtige werking uitoefent in de kerk van God op aarde. God wil Zijn volk leren dat Hij bij voortduring wonderen werkt. Hij wil hun brengen tot die enge plaats van zielsondervinding, dat niets dan een wonderbare verlossing hen kan bevrijden, om niet neer te dalen in de verblijven van de dood. En Hij wil hun krachtdadig overtuigen, dat Hij in een geestelijke zin Zijn hand over hun ziel moet uitstrekken, evenals toen Hij, terwijl Hij op aarde was, Zijn hand uitstrekte en de melaatsen, de lammen en de blinden van hun lichamelijke ziekten verloste.

En dat de psalmist dit bedoelt, schijnt klaarblijkelijk uit het andere gedeelte van hetzelfde vers: “zullen de overledenen opstaan, zullen zij U prijzen?” Dit is niet de taal van een ziel, dood in zonden en misdaden, maar het is de stille ontboezeming van een levende ziel, kampend en worstelend met de dood. Wat een onderscheid is er, daar, waar leven werkt in en onder de dood, en waar de dood volkomen heerst tussen de levendgemaakte ziel, en die, waarin niets dan de dood is, dood zonder enige sprank van geestelijk leven, dood zonder enige straal van hemelse onderwijzing. Daar is geen gekerm, geen gezucht, geen klacht, geen treurig vragen, geen uitstorten van het hart voor God, waar de ziel geheel en al dood is, niet meer dan er leven en ademhaling is in een lichaam dat in het graf ligt. Maar waar ook leven in de ziel is ingeplant door de Fontein van het leven, dat leven zucht onder de dood.

Het zucht vanuit het graf; het hijgt naar adem onder het lichaam van de dood, dat met haar verenigd is; en zoekt zichzelf op te beuren van onder die last van de dood, van die bovenop haar liggende zwaarte van vleselijkheid, die haar insluit in haar koude en strenge omarming. Het poogt zichzelf op te lichten en uit te helpen uit dat lichaam van de zonde en dood dat zijn koude en verstijfde zwaarte zo rondom haar uitbreidt dat zij onbekwaam is om op te komen. Kent u de werkingen van het leven op deze wijze? Het hijgen, het snikken, het oprijzen van het leven van God in uw ziel, gedrongen, overstelpt, terneer geslagen, en al maar verstikt door die vleselijke, dode, onvruchtbare, aardsgezinde, duivelse natuur, die als een last op u ligt? Maak er staat op, mijn vrienden! Als u nooit gekend hebt wat het is te hijgen en te verlangen en te zuchten, en te kermen onder de last van een lichaam van de zonde en van de dood, dan weet u niets van de levenwekkende werkingen van de Heilige Geest in uw geweten.

Hoe dan, “zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven?” Hoe! de dwaze, onwetende, koude, onvruchtbare, hulpeloze ziel, die geen kleine vinger kan opheffen, die niet één geestelijk woord kan voortbrengen, die geen verlangen naar genade kan uiten, die zichzelf geen haarbreedte kan opheffen van onder de last die haar neerdrukt—”zal zij opstaan?” En nog meer, “zal zij U loven?” Hoe! kan een jammerklacht dan ooit in lofzegging veranderen? Kan geklag ooit veranderd worden in dankzegging? Kan de rouwdrager ooit juichen en zingen? O! het is een wonder van wonderen, als “de overledenen opstaan; indien de overledenen U loven; indien de doden staan op hun voeten, en overwinning zoeken door Uw bloed.”

Hoe verschillend is de godsdienst van de Bijbel van die oppervlakkige, krachteloze spinnenwebachtige godsdienst, die in iedere richting van de bedrijvige wereld verspreid is, als de herfstdraden over het veld. De schering en inslag van de onderwijzing van de Heilige Geest, wat een sterk, zwaar, stevig, dicht geweven weefsel is het, vergeleken met die draden die glinsteren in de dauw, en die de tred van een kind bij duizenden kan breken! Hoe! de mensen denken dat zij slechts even wat betreffende Christus behoeven gelezen te hebben, en dan kunnen zij in Christus geloven, en zich in Christus verheugen, en vaststaan in Christus, en nemen van de dingen van Christus, even zo gemakkelijk als iemand tot zijn ontbijttafel komt, en neemt het brood en snijdt er voor zichzelf af zoveel hij begeert.

Maar zie op de godsdienst van de Bijbel, zie op de ondervinding van de heiligen daar opgetekend; let op de hulpeloosheid die hun gevoelens kenmerken, zie het machtig werk dat zij uitwerkt in hun zielen; hoor het kermen van hun beproefde harten; luister naar de zuchten die voortkomen van hun klagende lippen. Is hun hoop een huis van spinnenkoppen? (Job 8:14). En is het niet naar het Goddelijk voorbeeld, dat onze godsdienst moet ingericht zijn, zal ze stand houden in de dag van de beproeving? O! de Geest van de Heere, als Die spreekt in de Schriften, blaast het dunne weefsel van de tegenwoordige tijd weg, als het kaf van de zomer dorsvloer. En laat iemand spreken zo lang als hij wil over Christus en Zijn zaligheid, Zijn bloed en Zijn gerechtigheid, hij weet niets, volstrekt niets van Hem, totdat hij gebracht wordt tot enige van deze engten en verzoekingen, waarin God Heman bracht.

En wanneer hij daar gebracht is, dan zal hij beginnen te kennen hoe passend ze zijn voor hem, en hoe passend hij is voor die. Hij zal beginnen te gevoelen, wat een wonder, wat een machtig wonder van liefde en genade in zijn ziel gewerkt moet worden om hem tot een proefondervindelijke deelgenoot te maken van “de waarheid zoals zij in Jezus Christus is.” Maar onze predikers hebben zo’n spoorweg gelegd, hebben de wagens zo gevuld, en bewegen zich met zo’n locomotiefspoed aan het hoofd van de trein, dat de wezenlijk “treurigen van Sion” niet met ze kunnen reizen. Maar er is geen nieuwe weg naar de hemel gemaakt; er is geen effen maken en bespoedigen van de weg die de Heilige Geest heeft opgeworpen. Hij loopt over heuvels, door valleien en tussen ruwe stenen; het is een weg van verdrukking, een weg die de vermoeide voet van de reiziger kwetst.

II. Maar wij gaan over tot een andere eigenschap van God, die uitgedrukt wordt in een andere plaats van de ondervinding van de heiligen. “Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden?” Wij komen nu een trede lager. Wij hadden gemeenschap gehad met de doden.” Wij hadden bij het lijk gezeten; maar nu moeten wij nog een stap lager. Wij moeten het lichaam naar het graf vergezellen. Want hij zegt: “zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden?”

Welnu, wat moet dit geestelijk betekenen? Wat is “het graf” anders, dan de plaats waar het bederf heerst, waar verrotting en bedorvenheid regeert? Maar het graf waarvan Heman spreekt, was geen letterlijk graf. Daar wordt Gods goedertierenheid niet vermeld. Niet dat Hij de as van Zijn heiligen niet gadeslaat; niet dat er niet een dag zal komen, wanneer hun lichamen zullen verrijzen en met hun zielen verenigd worden, opdat, zoals zij het beeld van de aardsen gedragen hebben, zij ook het beeld van de hemelsen dragen zullen. Maar het “graf” waarvan Heman hier spreekt, is het inwendige graf, het innerlijke graf van erkend en gevoeld bederf.

Heman dan, kon van bederf spreken. Hij was zoals het schijnt, een van de “predikers van het bederf.” Hij hield er niet van, om een kennis van inwendige bedorvenheid terzijde te stellen. Hij hield er niet van om op de hoge bergen van verwaandheid te staan, zijn verdorvenheden terzijde werpend, zoals de slang haar huid afwerpt, beneden in de vallei, en zich te verheffen boven alle gevoel en overtuiging van zijn vleselijke aard. Als hij niet in het “graf” was, waarom had hij dan nodig de Heere te vragen, Zijn getrouwheid daar te openbaren? Maar hij is opgesloten in dat duistere verblijf, een levende bewoner van het “graf” van inwendig bederf en gevoelde onreinheid. Zijn vroegere deugden, die eens aangenaam en welriekend waren, zijn nu een stank geworden. Die handen die eens de natuurlijke godsdienst konden vasthouden, waren nu niet slechts dood en onbekwaam zich te bewegen, maar reeds onbeweeglijk in verrotting en bederf gezonken. Die mond die eens zijn natuurlijke gebeden kon voortbrengen, en dat hart dat eens natuurlijke gedachten kon bedenken, was niet slechts door de dood belemmerd, maar ook in walgelijkheid van het graf veranderd.

Hier is dan een treffend beeld van wat een levende ziel voelt onder de bekendwording van het diep bederf van zijn hart. Al zijn goede woorden, eens zo geacht—en al zijn goede werken, eens zo geprezen—en al zijn gebeden, en al zijn geloof en hoop en liefde, en al de genoegens van zijn hart, niet slechts verlamd en dood, niet slechts gebracht tot een staat van uiterste hulpeloosheid, maar zo naar het gevoel van de ziel veranderd in bederf en verrotting. Welnu! was u ooit daar? Waren uw gebeden ooit een stank in uw neusgaten? Was uw gerechtigheid ooit een stank? En zijn al uw goede woorden, en al uw goede werken, en al uw goede gedachten, eens zo geacht, nu niets in uw oog dan vuil, bevlekt en zondig? Het is iets, daar te zijn in beschouwing. Het is een andere zaak, daar te zijn in ondervinding. Wanneer wij daar zijn in zielsbevinding, dan worden wij gebracht waar Heman was, toen hij zei: “zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden?” Hoe! zult Gij Uw liefde bewijzen aan een stinkend lijk? Hoe! kan Uw liefde uitgestort worden in een hart vol bevlekking en verrotting?

Moet Uw toegenegen vriendelijkheid komen uit Uw doorluchtige tempel, waar U op de troon zit in majesteit en heiligheid, en zuiverheid—moet zij dat eeuwig verblijf van onuitsprekelijk licht en heerlijkheid verlaten, en treden in het duistere, bedorven en walgelijke “graf?” Hoe! moet Uw goedertierenheid uit het heiligdom in het beenderenhuis komen? Zal zij daar verteld—daar ontdekt—daar vermeld—daar geopenbaard—daar bekendgemaakt worden? Want niets dan de verklaring daarvan zal daar gelden. Hij zegt niet: “zal Uw goedertierenheid verteld worden in de Schriften? Zal Uw goedertierenheid verteld worden in Christus? Zal Uw goedertierenheid vertelsel worden door de mond van de dienaren? Zal Uw goedertierenheid verteld worden in heilige en zuivere harten?” Maar hij zegt: “zal Uw goedertierenheid verteld”—bekendgemaakt, gezegd, ontdekt, betoond – “worden in het graf?” waar alles het tegenovergestelde is, waar alles het meest onwaardig is – de laatste van alle plaatsen, die geschikt is voor de goedertierenheid van een enkel zuivere God om er te komen.

Welnu, totdat iemand hier komt, weet hij niet wat goedertierenheid is. Hij kan het niet weten. Hoe kunnen we de kracht van iemands genegenheid afmeten? Onze huisvrouw, onze betrekkingen, onze vrienden zeggen ons, dat zij ons beminnen. Maar hoe kunnen wij hun liefde kennen? Wel, wanneer een beproeving komt, dan ontdekken wij de kracht van hun genegenheid. Wanneer een vrouw met haar echtgenoot in de gevangenis kan gaan, hem nog in de dood vergezellen, hem bijstaan wanneer hij bedekt wordt met schande en schaamte, dan zeggen wij: “daar is huwelijksliefde—daar is diepe en onwrikbare liefde.” En zo ook met de goedertierenheid van God; de plaats, om dat te doen blijken, is “het graf” Dat bewijst de sterkte van de genegenheid; dat toont de diepte en de wonderbare natuur van de liefde. Zeg nooit dat u weet wat het is, de goedertierenheid van God bij ondervinding in uw ziel te genieten, als u nooit in die plaats geweest bent, waar de goedertierenheid van God, zoals als hier gezegd wordt, “verteld” wordt. Als de stank van het beenderenhuis nooit uw neusgaten besmet heeft, en u nooit bij zielsondervinding in deze verblijven geweest bent, denk dan nooit dat u de lengte en breedte en diepte en hoogte kent van de goedertierenheid van God.

Maar hier wordt de rede vernietigd. De natuur duizelt en al de wijsheid van de mens geeft de geest. God maakt graag de hoogheid van de mens tot schande, en vernietigt al de wijsheid van het schepsel. En daarom brengt Hij Zijn volk in zulke plaatsen, als de grootheid van Zijn goedertierenheid aantonen. En zo, terwijl Hij hen behoudt met een eeuwige behoudenis, maakt Hij die behoudenis dierbaar, door die te ontdekken in zulke plaatsen en toestanden, dat niets anders in hun omstandigheden kan passen, of hun zielen kan verlossen. Maar zie de wonderlijke stelling. Hoe! de metgezel van de wormen, hij die zelf gevoelt dat hij een graf is, hij die zichzelf kent als besmet met al het bederf van het graf, voor zich te begeren de goedertierenheid van een Drie-enig God—dat hij zou wensen dat de heilige Drie-eenheid komt, niet slechts tot de buitenzijde, meer tot de binnenzijde van het graf – niet slecht komt tot de marmeren deuren van Lazarus’ graf, maar geestelijk door de deuren in de plaats, waar Lazarus ligt, om de welriekende geur en reuk van eeuwige liefde uit te storten tussen de verrotting van het graf. Wat een verborgenheid is hier! Maar niets anders kan een levende ziel voldoen.

Hij begeert getuigenissen, zoekt ontdekkingen en gezegende openbaringen. Nog eens, zie op het wonder. Niet slechts een schepsel, maar een verdorven schepsel—niet slechts een arme dode zondaar in zijn gevoel, maar een walgelijk zondaar in zijn gevoel—begeert voor zich liefdekussen van de lippen van vlekkeloze zuiverheid, dat de getrouwheid en de majesteit en de luister van de Godheid geopenbaard zou worden in hem! Was het niet de diepste ootmoed, het zou de hoogste verwaandheid zijn. Ontstak niet de Heilige Geest het gebed, dan zou het schijnen gelijk aan het raaskallen van de waanzinnigen.

III. Maar wij komen tot een andere eigenschap van God, waarvan in onze tekst gemeld wordt. “Uw getrouwheid in het verderf?” Heman werd in zijn ziel geoefend, met betrekking tot andere eigenschappen van de Heere, behalve Zijn doen van wonderen, en vertellen van goedertierenheid. Is dit dan getrouwheid waarvan Heman spreekt? Het is het, geloof ik, in twee onderscheiden opzichten: getrouwheid aan de beloften, welke God gedaan heeft in Zijn woord van waarheid—en getrouwheid aan Zijn Eigen getuigenis en aan Zijn Eigen werk in de ziel van Zijn kinderen. Op deze wijze heeft God in Zijn ingegeven Woord, waar Hij Zich uitwendig ontdekt, menige bepaalde belofte gegeven aan Zijn volk in Christus. Maar daar zijn andere beloften, die enkel gericht zijn aan hen die in zekere toestanden zijn—als onderwezen in zekere lessen, en als staande in een zekere ondervinding. Bijvoorbeeld, Hij heeft zegeningen beloofd aan de “armen en nooddruftigen,” en aan degenen die “hongeren en dorsten naar de gerechtigheid;” dat “Hij zal acht slaan op het gebed des verdrukten”, en dat Hij “uit de hoogte Zijns heiligdoms zal neerzien om het zuchten van de gevangenen te horen, en los te maken de kinderen des doods.” Ps. 102:20,21.

Hij heeft Zijn Woord vervuld met beloften aan degenen, die zuchten en weenden, aan de treurende boetvaardigen, de verbrokenen van hart, die ziek zijn aan hun zonden, aan de begerende, zoekende en kloppende vragers. En Hij is gebonden door Zijn Eigen eeuwige eigenschappen om getrouw te zijn aan Zijn Eigen Woord. Heman zegt daarom tot Hem: “Zult Gij Uw getrouwheid in het verderf tonen?” Hier is het punt. “Verderf” schijnt tegenovergesteld aan getrouwheid, en echter is het het verderf dat ze meer openbaart. God heeft de onderwerpen zo wondervol geschikt en vermengd, dat juist de dingen die het meest Zijn Goddelijke eigenschappen schijnen tegen te werken, juist de dingen zijn, daar Hij gebruik van maakt om ze bekend te maken. Heman schijnt met God te willen twisten: “hebt Gij niet mijn hoop vernietigd?” Hebt Gij niet mijn gegronde verwachtingen bedorven? Hebt Gij niet elke stut weggenomen waarop ik kon leunen tot ondersteuning? Hebt U niet alles vernietigd waarop ik tot troost kon zien? Is dit Uw getrouwheid aan Uw beloften? Is het zo dat Gij hecht aan Uw eigen geopenbaard Woord? In plaats van op mijn gebed te antwoorden, houdt Gij U meer op een afstand. In plaats aan mijn wens tegemoet te komen, schijnt Gij mij slechts verder van U te stoten. In plaats van te verschijnen, wanneer ik roep, verbergt Gij U slechts achter een dikke wolk. In plaats van mij te geleiden naar de plaats waar ik wens te zijn, schijnt Gij mij slechts verder van U koninkrijk te verwijderen. Zijn wij ooit daar geweest? Hebben wij ooit bevonden dat, hoe meer wij trachten nader bij de Heere zijn, hoe meer Hij ons schijnt weg te stoten?

Dat, hoe meer wij de zaligheid pogen vast te houden, wij er verder van verwijderd worden? Dat, hoe meer wij wensen onze belangstelling in Christus, de zoetheid van Zijn beloften, en de onderwijzingen van de Heilige Geest, te verwezenlijken, hoe meer verlaten wij ons van Hem gevoelen? Wij worden in verzoeking gebracht om op zulke tijden te zeggen: “toont Gij Uw getrouwheid in het verderf—is dat de weg dat Gij Uw getrouwheid openbaart?” Wel! Uw getrouwheid zou verbinden, maar Gij verwondt; Uw getrouwheid zou naderbij brengen, meer Gij drijft verder af; Uw getrouwheid zou de ziel doen herleven met enige droppelen van hemelse zoetheid, maar U hebt een beker van gal en alsem in onze handen gegeven. De weg, waarin de rede zou zeggen dat Gods getrouwheid zou blijken, is juist tegenovergesteld aan deze bedoeling. Natuur en rede redeneren: “ik ben arm en ellendig, ik roep tot de Heere, ik zoek Zijn aangezicht, ik ben een zodanige als Hij heeft beloofd te zegenen. Maar wel ver van Zijn Woord te vervullen, wel ver van Zijn belofte te bevestigen en daarnaar te handelen, schijnt Hij mij verder van Zich te stoten.” Wel, hier is dan de beproeving van het geloof, dat Gods getrouwheid getoond wordt in dit verderf. Omdat het daarin is dat Zijn getrouwheid wordt geopenbaard, door nooit te dulden dat de ziel meer verzocht en beproefd wordt dan zij dragen kan, maar door een weg tot ontkoming te maken opdat zij in staat is het te dragen.

Maar daarenboven bestaat de getrouwheid van de Heere in nauwkeurige aankleving aan zulke getuigenissen als niet slechts in Zijn Woord geschreven, maar als Hij in het hart van Zijn volk gegraveerd heeft. De Heere zegt tot Jakob, “dat Hij met hem wilde zijn, en hem behoeden zou overal waar heen hij trekken zou”. Dat was de plechtige belofte te Bethel aan hem gedaan. Gen. 28:15. Hield Hij hem de belofte? Veranderde niet Laban zijn loon tien malen? Werd hij niet bedrogen in die zaak die hem het nauwste aan het hart lag? Hij kon zeggen: “Heere, hebt Gij niet beloofd mij overal te behoeden? Bent U dan getrouw? Toont Gij Uw getrouwheid in dit verderf?” Maar toen hij ten laatste op zijn doodbed kwam, zag hij ongetwijfeld dat de Heere Zijn getrouwheid in dat ogenschijnlijk verderf had geopenbaard; dat deze zelfde smarten en mishandelingen in Gods handen de middelen waren om hem uit de plaats van de ballingshap te drijven en hem te brengen naar zijn eigen land.

Daarom, de vervolgingen die hij van Labans hand ontving, waarin het scheen dat God het ene gedeelte van Zijn oorspronkelijke belofte niet vervulde, dat Hij “hem behoeden zou overal waarheen hij trekken zou,” werd het middel, dat het tweede gedeelte van de belofte vervuld werd, “dat Hij hem zou terugbrengen in zijn eigen land.” Misschien heeft de Heere een belofte in uw ziel gegeven, dat Hij uw God wilde zijn, en dat Hij u wilde zegenen, en u bewaren, en u onderwijzen, en u ondersteunen, dat Hij u niet zal laten verzocht worden, boven wat u dragen kunt. En soms, wanneer de Heere Zijn belofte niet schijnt te vervullen, bent u gezind de hartstochtelijke en onrechtvaardige taal van Jeremia te gebruiken: “zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren die niet bestendig zijn?” (hfdst. 15:18.) Maar het is in dit verderf, dat de Heere Zijn getrouwheid openbaart. Want wat is het oogmerk van de Heere? Het is niet voor ons natuurlijk welzijn, dat Hij Zich bemoeit, maar met ons geestelijk welzijn. De Heere heeft uw afgoden verstrooid; maar heeft Hij niet, toen Hij uw afgoden verstrooide, Zichzelf verheven in uw harten, als het enig Voorwerp van aanbidding? Hij heeft mogelijk iets van uw eigendommen vernietigd, u arm gemaakt in het goed van deze wereld, maar Hij heeft het vernietigd, opdat Hij u meer standvastig doet leunen op de arm van Zijn voorzienigheid.

Hij heeft u in deze omstandigheden gebracht, waarbij u uw vroeger hoog geprezen karakter onder de mensen – ik bedoel niet uw karakter in het oog van Gods kinderen – hebt verloren, maar u hebt de achting en goede dunk van de wereld en de belijdende kerk verloren, en u bent nu gebrandmerkt met het zwarte merk van “Antinomiaan.” Maar door u tot een balling te maken, heeft Hij u afgescheiden van de vijanden van de waarheid, heeft Hij u nader gebracht tot Zijn lieve volk, en misschien dichter aan Zijn eigen hart gesloten, alsook Zijn Eigen beeld meer zichtbaar op u gedrukt. De Heere heeft uw valse godsdienst vernietigd, uw natuurlijke hoop, uw vleselijke gebeden, uw ingebeelde waarheid, uw nagemaakte heiligheid, en die dingen in u, die niet van Hem waren, maar uit de aarde aards, en u terzijde van Hem afgetrokken, en heeft u gemaakt tot een arm, naakt, leeg, ontbloot ellendeling voor Zijn ogen. Maar het is juist in deze daden van verderf, dat Hij Zijn getrouwheid getoond heeft; Zijn getrouwheid aan Zijn verbond, Zijn getrouwheid aan Zijn geschreven Woord, Zijn getrouwheid aan de beloften die Hij met kracht op uw ziel heeft laten vallen.

En de tijd zal komen, dat u getrouwheid zult zien uitgedrukt op elke bedoeling van God over u in Zijn voorzienigheid en in genade. En ik zal u zeggen, waar u Zijn getrouwheid het eerst geopenbaard zult zien— in het verderf. U zult Gods getrouwheid aan Zijn verbond zien blijken in het vernietigen van uw valse godsdienst, teneinde Zijn eigen koninkrijk in uw ziel op te richten. In het vernietigen van alles wat vervreemd en uw genegenheden van Hen aftrekt, dat Hij alleen gegrift wordt in uw harten. En u zult zeggen, wanneer de Heere u brengt om te zien op de weg waarlangs Hij u jarenlang geleid heeft: “de grootste van al Gods genaden zijn geweest die, welke bij die tijd schenen de grootste ellenden te zijn. De rijkste zegeningen die Hij mij heeft gegeven, zijn die opkwamen aan de buitenkant bedekt met plagen. En Zijn getrouwheid wordt veel meer in het verderf dan in herstelling geopenbaard.

IV. Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land van de vergetelheid? Hier is een andere eigenschap van God waarin Heman geoefend wordt. Zijn “gerechtigheid,” Gods gerechtigheid, hier en elders, geloof ik, betekent niet slechts Christus’ gerechtigheid, maar ook de rechtvaardige daden van God in handelingen met de ziel in een weg die bestaanbaar is met Zijn Eigen billijk karakter. Gerechtigheid betekent niet slecht de heerlijke gerechtigheid van toerekening, maar ook dikwijls de gerechtigheid van Gods rechtvaardige handelingen. Het is inderdaad waar dat Christus’ gerechtigheid bekend wordt in het land van de vergetelheid, maar er is een andere soort van gerechtigheid, daar evenzeer geopenbaard, zo’n gerechtigheid als wij lezen in het lied van Debora en Barak: “spreekt tezamen van de gerechtigheid des Heeren, van de gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israël.” (Richt. 5:11) En ik moet zeggen dat de gerechtigheid van God in deze zin, hoewel de Heilige Schrift er vol van is, door predikers en schrijvers veel voorbij gezien wordt.

Dit land van de vergetelheid schijnt twee zaken te bevatten. Onze vergetelheid van God, en Gods schijnbare vergetelheid van ons. Wij gaan dikwijls in dit slaperige land van vergetelheid jegens God. Wij vergeten Zijn alomtegenwoordigheid, vergeten Zijn hartdoorzoekende ogen, vergeten Zijn vroegere weldaden, vergeten Zijn oude barmhartigheden, vergeten Zijn verleden getuigenissen, vergeten de eerbied die toekomt aan Zijn heilige Naam, vergeten alles dat Hem aangaat, dat wij boven alles hebben verlangd op het ijverigst te gedenken. Het is dan in dit land van de vergetelheid, in dit droevig en moeilijk oord, wanneer wij zoals de discipelen in de hof slapen, in plaats van te waken, dat het God echter behaagt Zijn gerechtigheid te betonen. Gods gerechtigheid loopt gelijk met Christus’ voldoening, want daarin is Zijn inwendige gerechtigheid geopenbaard, dat is, Zijn nauwkeurige toestemming met billijkheid en rechtvaardigheid, omdat billijkheid en rechtvaardigheid nauwkeurig zijn voldaan, door het zoenoffer van de Zoon van Gods.

“Daarom,” zegt de ziel, zult Gij Uw gerechtigheid tonen in dit land van de vergetelheid—waar ik U heb vergeten, waar ik mij van U heb afgewend, waar ik al Uw vroegere bedoelingen met mij uit mijn gedachten heb laten gaan—en zal Uw gerechtigheid juist daar geopenbaard worden? Dat is, Uw billijkheid in genade te bewijzen, omdat voor mij een offerande is opgeofferd, Uw gerechtigheid liep gelijk met de verzoenende stroom van Christus’ bloed, opdat deze gerechtigheid niet verbeurd zal worden door mijn vergetelheid. Hoe! gerechtigheid gaat terzijde van genade? En gerechtigheid echter bewaart al haar onbuigzame gestrengheid, omdat voor deze afvalligheid van hart, deze vergetelheid van de ziel, deze vervreemding van genegenheid, deze mijn afkering van U, voor die alle is verzoening gedaan; bloed is er voor vergoten; de prijs is daar voor betaald. En gerechtigheid kan steeds blijken in het land van de vergetelheid, omdat al mijn zonden, begaan in het land van de vergetelheid, verantwoord zijn door verzoenend bloed.

Maar het land van de vergetelheid betekent vaak vergetelheid aan Gods zijde—God schijnt Zijn volk te vergeten. Sion zegt: “De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten” (Jes. 49:13). Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten?” (Ps. 77:10). Schijnt het niet soms alsof de Heere ons geheel en al vergeten had, ons niet meer in aanmerking neemt, ons gering schat, ons verwerpt, en ons niet met één blik wilde verwaardigen, of een woord ons toevoegen? O hoe dikwijls ging u, en ging ik tot de troon van de genade, en beproefden wij het oor te verkrijgen van de Heere; beproefden de voeten van de Heere vast te houden, en Hem te vragen om enig blijk van Zijn genade, en een woord van troost voor onze zielen, om een toeknik, om een lach; en gingen even leeg heen als wij kwamen. Geen zoete verschijning, geen hemelse openbaring, geen Goddelijke influistering, geen aangename tekens, geen zachte wenken van Zijn genade en goedertierenheid.

Hij schijnt op zulke tijden, het wordt met eerbied gezegd, in het land van de vergetelheid te zijn, waar Hij niet op ons let. Kan Hij daar dan Zijne gerechtigheid tonen? Hoe kan gerechtigheid aan mijn zijde zijn wanneer Hij mij schijnt vergeten te hebben? Kan het bestaan met Zijn gerechtigheid, Zichzelf te verbergen? Want een kind van God weet dat hij niet kan vrijgesproken worden zonder dat de rechtvaardigheid voldaan is. Nooit begeert hij dat de zuiverheid en oprechtheid en heerlijkheid van God verlaagd worden. Hij durft niet te wensen dat er enige uitwissing of verdonkering komt over Gods wezenlijke rechtvaardigheid. En daarom zegt hij: “kan het met Uw gerechtigheid en uw rechtvaardigheid bestaan, mij een liefdeblik te geven, en mij te begunstigen met een teken ten goede? Met andere woorden, is mijn naam in het boek des levens? Is er bloed voor mijn zonden gestort? Zijn mijn ongerechtigheden waarlijk vergeven? Dan is gerechtigheid zowel op mijn zijde als genade.” Als gerechtigheid en rechtvaardigheid niet aan uw zijde zijn, evengoed als genade, dan bent u voor altijd verloren.

Tenzij rechtvaardigheid volkomen voor uw zonden voldaan heeft, zullen zij in hun geheel getal op uw schuldig hoofd gerekend worden. God zal nooit de rechtvaardigheid omkeren terzake van de genade, en ook niet dulden dat zij verwrongen wordt. Nee, een kind van God zal wensen deze twee eigenschappen van de grote Jehovah in zijn boezem in haar oorspronkelijke zuiverheid te bewaren, in al haar eeuwige oprechtheid, en niet te worden bezoedeld of verwrongen, de een door de andere. Heeft de Heere uw zielen ooit tot deze plechtige plaats gebracht? En hebben wij ooit gekend wat het is, ik zeg niet in al haar diepten, maar enigermate in deze plaats van ondervinding geleid te worden, die de Heilige Geest hier heeft afgeschetst?

Mijn vrienden! Waarom heeft God deze ondervinding van Heman nagelaten en aangetekend? Is het om de Bijbel groter te maken, of om ons voor een zondag wat meer te lezen te geven? Of om ons wat afwisseling te verschaffen, opdat er enige belangstelling of verlustiging in de Schriften is? O nee. Maar wel “wat tevoren geschreven is, dat is tot onze lering tevoren geschreven; opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schrift, hoop zouden hebben.” (Rom. 15:4.) Daar is dan geen nut, te spreken van onze kennis, en van onze godsdienst en van ons lidmaatschap; hoe hoog men ook van ons denkt, hoe vlijtig wij ook de Schriften lezen en onze huiselijke gebeden met stiptheid volbrengen, als wij ontbloot zijn van hartenwerk. Ik ben wel overtuigd dat wij slechts kunnen komen tot de geheimen van de levende godvrucht, door te wandelen in de wegen door God aangewezen. Zij zijn niet te verzamelen, en te trekken uit het Woord van God, evenals iemand in een hof hier een roos en daar een tulp wil plukken. Wij kunnen niet wandelen in de hof van de Schrift, en een aangename tekst plukken, en die in het knoopsgat van ons kleed steken, hem onder onze neus houden, en de lucht daarvan inademen. Maar wij moeten wandelen in die paden die God gelegd heeft in Zijn Woord.

En dat is, door de hand van God gebracht te worden in zekere oefeningen, zekere beproevingen, zekere plaatsen, en als we daar gebracht zijn, uit te roepen uit de diepten van een gebroken hart, om de openbaring van die zegeningen die wij in de Schriften zien en er onze diepe behoefte aan gevoelen, maar waarvan wij de kracht, zalving, zoetheid en Goddelijke toepassing in onze harten wensten te gevoelen. Bezie uw godsdienst; zie goed toe of die van God is. Als het Zijn werk is, dan zal het de toets doorstaan. U behoeft niet te vrezen voor dat wat een worm van het stof, zoals ik ben, kan zeggen. U hebt niet nodig om te beven voor uw godsdienst. Want als die enige waarde heeft, als die goed is, het zal in de weegschalen gewogen worden. U behoeft niet te vrezen, een goed goudstuk neer te leggen. Het zal goed klinken op de toonbank. De secretaris van de bank van Engeland zal het merk niet uitdoen en “vervalst” stempelen op een goed bankbiljet. U behoeft niet bevreesd te zijn voor enige onderzoekende vragen, als uw godsdienst van de rechte soort is. Wel, hebt u het verstaan? Komt u als Heman komt? Hebt u enige van zijn diepe zielsbevindingen in uw ziel voor God? Zo ja, dan weet u een weinig van de kracht van de levende godzaligheid.

Uw ogen zijn een weinig geopend om te zien wat ware godsdienst is. En als de Heere leidt in wezenlijke zielsoefeningen, dan begint u te voelen en te zeggen: “wat een krachteloze, ledige, uiterlijke, misleidende zaak is het dorre Calvinisme van de tegenwoordige tijd.” En u roept uit de diepte van uw ziel tot de God van alle genade om u kracht te geven, en liefelijke openbaringen te schenken, en Jezus in uw harten te brengen in al Zijn liefde en heerlijkheid; u te verschaffen een zeker bewijs van uw aandeel in Hem, en u te leiden in de lengte, en breedte, en hoogte, en diepte van Zijn liefde, die de kennis te boven gaat. Zo wordt u inwendig en uitwendig afgescheiden van alle dode, dorre belijdenis, en wordt u geleid door de Heilige Geest in het ware merg en de vettigheid van het Evangelie. En daar u voelt hoe onderscheiden het is te leven onder de zalving van de Heilige Geest, hoedt u zich daarom dat u uw godsdienst niet enkel leert uit de mond van de mensen, of enkel uit de letter van Gods Woord, zonder de verzegelde toepassing van de waarheid in het hart. Moge de Heere, als het Hem behaagt, dit getuigenis zegenen tot heil van uw zielen, en Zijn eeuwige heerlijkheid.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.