Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De rechtvaardigen en hun zegen

Leerrede over Ps. 37:39-40 Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid. En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.

Beschouwd met het natuurlijk oog, is de menselijke maatschappij samengesteld uit vele en schier talloos verscheidene rangen en staten. Van de vorst op zijn troon tot de bedelaar in het stof ons oog vestigende, zouden we de maatschappij kunnen vergelijken bij ene keten, die aan beide haar einden aan twee uiterste gehecht is, en van welke ieder schalm noodzakelijk is tot haar geheel. Sommige dier schalmen mogen groot, andere klein, deze sterk, geen zwak zijn – van goud of ijzer, glad of roestig wezen; maar elke schalm heeft zijn bepaalde plaats in de keten, en wanneer ook maar de zwakste en onaanzienlijkste schalm breekt, zo zal deze zowel als de sterkste de oorzaak zijn van de vernietiging der gehele samenbinding.

Of men zou ook de maatschappij kunnen vergelijken bij een gewelf of boog, in welke ieder steen ene zekere plaats beslaat, en door de sluitsteen op zijn stand blijft en alzo gezamenlijk een vast geheel maken. De kleinste schalm in de keten of de geringste steen in de boog, mogen zwak en nietig schijnen, evenwel zijn zij op hun plaats even onmisbaar als de sterke en grotere bestanddelen, ja dragen vaak meer gewicht en drukking dan anderen. In de maatschappij zullen en moeten altijd rijken en armen zijn; en de rijke is zowel de arme als de arme de rijke nodig. Trouwens, wat kwam er buiten de arme van de arbeid? – en waar zou dan ook voedsel en deksel, kleding en huis, brandstof en de algemene nooddruftigheden des levens blijven?

Waarlijk, zonder de arbeid des dagloners in veld en mijn, in winkel en weefgetouw enz., Zouden wij allen sterven van koude en honger. Eu integendeel, waar zou de arme buiten de rijke bezoldiging voor zijn arbeid erlangen, en hoe in zijn behoeften voorzien? zodat de kapitalist en de dagloner – de rijke en de arme onafscheidelijk verbonden zijn tot elkaars welzijn; waarom het ook onkel dwaasheid zowel als zondig is, wanneer de arme afkerig is van de rijke, en de rijke de armen veracht, omdat de een zonder de ander niet kan bestaan.

Doch wanneer wij het toneel met een geestelijk oog beschouwen, en afzien van dien wonderbare stand der maatschappij, welke God met zo veel wijsheid geformeerd heeft, als de heerlijke zon boven of de schone schepping, met al haar wond. ren rondom en onder ons, dan zien wij dat de mensen in waarheid in twee klassen verdeeld zijn: rechtvaardigen en Goddelozen, zij, die God vrezen en die Hem niet vrezen, – zij, die het enge pad tot het eeuwige leven en die de brede weg ten eeuwige verderve bewandelen.

Indien gij niet een geheel achteloze Schriftlezer bent, dan zult gij opgemerkt hebben, dat de Bijbel menigvuldig van rechtvaardigen spreekt. Inderdaad, schier elke bladzijde meldt hun naam, beschrijft hun karakter, verklaart hun gelukzaligheid, verkondigt de aan hen gedane beloften. Van deze rechtvaardigen nu spreekt de tekst; en hun bijzonder recht en deel wordt hier beschreven te zijn zaligheid, sterkte, hulp en bevrijding. In de opening van deze woorden zal ik met Gods zegen trachten aan te wijzen:

I. Wie de rechtvaardigen zijn, en hoe hun heil van de Heere is.

II. Dat deze rechtvaardigen eens hun tijd van benauwdheid zullen en moeten hebben; maar dat de Heere zich alsdan zal bewijzen te zijn hun sterkte, en dat Hij hen zal helpen, bevrijden en behouden.

III. Waarom de Heere hun deze dingen zal doen: omdat zij betrouwen op Hem.

I. Uit Gods eigen getuigenis is het duidelijk, dat sinds des mensen val niemand van nature rechtvaardig is, in de zin als de Heilige Schrift de gelovigen noemt. Immers om recht te oordelen over geestelijke dingen, zo dient men te weten, dat daartoe geen natuurlijke maar een geestelijke maatstaf nodig is; en waar vinden wij deze dan in de ingegeven Schrift? Stelt u twee landmeters voor, die beiden geroepen zijn tot een zelfde gebouw te meten; en wanneer dan, door welke oorzaak ook, hun beider meetroede niet gelijk is, hoe zullen zij bij het slot een zelfde hoofdsom verkrijgen? Of indien bij de verkoop van enig artikel de koper met andere schalen en gewichten weegt dan de verkoper, de ene dus recht de andere vals, hoe zullen ze in het wezenlijke gewicht overeen stemmen, of naar waarheid en recht beslissen? Moet het niet zijn door een rechte maatstaf, weegschalen en weegstenen?

Evenzo indien de mensen de rechtvaardigen anders meten dan God hen meet, anders dan met de weegschalen des Heiligdoms, hoe kan het oordeel Gods en der mensen gelijk zijn over de rechtvaardigen? Omdat nu des mensen weegstenen en schalen vals zijn, zo is het oordeel des mensen wie de rechtvaardigen zijn zeer verschillende van Gods oordeel over hen. En behoef ik u wel te vragen wiens oordeel recht en wiens vals is; wiens woord bestaan zal, Gods of der mensen? (Jer. 44 28.) Zodra dus als de mens door onkunde of door vooroordeel het oordeel Gods verlaat en zijn eigen volgt, dan begaat hij een misslag, die, zo ver het hun zelf betreft en door Gods genade niet hersteld wordt, noodlottig zijn zal.

De maatstaf, waarmee de mensen zichzelf en anderen wegen, is en moet noodzakelijk bedrieglijk zijn, want hij kan slechts zekere daden als bewijzen van rechtvaardigheid beschouwen; hij kan niet in het hart lezen; hij kan de oorsprong ervan niet weten noch doordringen tot die verborgen beweegredenen, welke haar wezenlijk karakter bepalen; veel minder ziet hij de reinheid en heiligheid van Degene, die een verterend vuur is, noch kent hij de geestelijkheid, uitgebreidheid en gestrengheid van Gods rechtvaardige wet, die een toornig woord voor moord en een onreinen blik voor overspel rekent. Hij weegt dus met een valse weegschaal, en meet leven en woorden met een bedrieglijk meetsnoer; en- wanneer hij dus zegt: deze mensen zijn rechtvaardig, want zij spreken en handelen als rechtvaardigen, – dan, bij gebrek aan de rechte middelen ter beslissing, kan hij noch van zichzelf noch van anderen recht oordelen.

De Bijbel voorbij te gaan of zijn rechte mening te loochenen, is gelijk een rechter, die ene zaak beslist, niet overeenkomstig des lands wetten of de uitspraken van recht, maar naar zijn eigen belang of vooroordeel. Maar God, de opperste, de rechtvaardige, de onfeilbare Rechter der gehele aarde, neerziende van de Hemel op de harten en daden der mensen, heeft reeds het vonnis met onfeilbare lippen uitgesproken. En dit is Zijn verklaring: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één; er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet, er is ook niet tot één toe.” (Rom. 3: 10-12.

Indien wij dan door genade Gods oordeel en niet des mensen aannemen; indien wij als gehoorzame kinderen ons houden aan de verklaring Van degene, die niet liegen kan, en verachten de ijdele inbeeldingen en bedriegerijen van een hart, dat te diep in de duisternis zonk om te zien, te diep in de zonde ligt om te gevoelen eigen onkunde en vervreemding van God, zo zullen wij het bekennen waarheid te zijn van allen, on bij bevinding ook van onszelf, dat “er niemand is, die goed doet ook niet tot één toe.”

En evenwel spreekt Gods Woord al weer en weer van recht vaardigen. Maar hoe kan dit waarheid zijn, daar niemand rechtvaardig is? Hoe dit raadsel op te lossen? Door redeneer kundige ontleding, of wijsgerige bewijsredenen? Neen, niet Mijn eigen inzichten maar de getuigenis des Geestes in het Woord der waarheid en in de harten van allen, die Zijn grote naam vrezen, zullen hier beslissen.

A. Als God verklaart, dat er niemand rechtvaardig is, dan moet dat bij ons ene uitgemaakte zaak zijn; maar wanneer 1E[ij evenzo van rechtvaardigen spreekt, dan moeten wij tot dit besluit komen, dat óf Gods Woord met zichzelf in strijd is, – afschuwelijke gevolgtrekking voorwaar! – of dat er mensen zijn, die in de enen zin rechtvaardig zijn en in een ander opzicht niet rechtvaardig. Inderdaad, de juiste oplossing van het raadsel is, dat de rechtvaardigen alzo zijn in Christus, maar onrechtvaardig in hun zelf. Doch deze enkele stelling zal wel niet genoegzaam zijn; ene vollediger verklaring is noodzakelijk. Wanneer, waar en hoe worden zij rechtvaardig P

1. Tot een duidelijk verstand hiervan moeten wij terug gaan tot de stilte der eeuwigheid; want wij moeten God niet met onszelf vergelijken, een wezen van één dag, altijd veranderen, voornemens makende en af brekende, zonder bepaald besluit of eeuwige wil, de mens en het heden beschouwen met kortzichtige ogen en wachtende op gebeurlijke dingen. Neen, Hij is de Onveranderlijke, en alzo moet Hij ons zijn. “Ik, de HEERE, word niet veranderd,” (Mal. 3: 6.) Bij Wie geen verandering is, noch schaduw van omkering.” (Jak. 1: 17.)

In de eeuwige zin Gods en Zijn onveranderlijk voornemen waren de rechtvaardigen altijd rechtvaardig, niet uit een voorgeziene goedheid, maar tengevolge hunner vereniging en staan in de Heere Jezus Christus als hun verbondshoofd. Beschouwd dus, in hun eeuwige vereniging met de Zoon Gods, zijn zij rechtvaardig door deelgenootschap Zijner rechtvaardigheid; want gelijk het Hoofd alzo zijn de leden – en nooit mag men Christus kerk afscheiden van haren Heere en Hoofd. Trouwens, gij mag de rank niet van de wijnstok, noch de vrouw van de man scheiden, of de hoeksteen van het gebouw wegnemen, daarmee zoudt gij immers aller karakter beroven, ja wegnemen. In de gemoede Gods dus, die eeuwig onveranderlijk is, is Zijn volk beschouwd in Christus, rechtvaardig in Zijn gerechtigheid, heilig in Zijn heiligheid, vlekkeloos in Zijn reinheid; zodat Hij van en tot Zijn bruid kon zeggen, in hun eeuwige ondertrouw: “Gij bent geheel schoon” Mijn liefste; er is geen gebrek aan u.” (Hoogl. 4: 7.)

2. Nu dalen wij af tot de schepping der mensen, welke de eerste openbaring was van dit verborgen voornemen; toen God onze eerste ouders schiep naar Zijn beeld en gelijkenis. Maar de zonde brak in; en Adam bleef niet in zijn oorspronkelijke schepping staan. Er ontstond ene ontzaggelijke ontwikkeling – ene geschiedenis onder de toelating, maar niet onder de meewerking Gods. Schoon God er de hand niet in had, voorzag Hij dien zonde evenwel; en naar Zijn oneindige wijsheid en ter ontdekking Zijner genade en heerlijkheid, liet Hij Adam in de natuurlijke kracht, in welke hij uit Gods hand voortkwam, toe te staan of te vallen. Wij, mijn vrienden! en het gehele menselijk geslacht waren in de lendenen Adams in zijn staan en vallen; even gelijk Levi in de lendenen Abrahams, toen hem Melchizedek te gemoed ging, welke hij de tienden gaf, (Hebr. 7: 9) – en wij vielen met hem. Adam was ons natuurlijk verbondshoofd, en zijn daden waren dus onze daden; want het hoofd en de leden staan in zulk ene nauwe betrekking, dat weldaad en leed de leden zowel als het hoofd aangaan.

Dit wist ook Adam, want voor de zonde was tot hem gezegd: wees vruchtbaar en vermenigvuldig;” hij wist derhalve, dat talloze nazaten in zijn lendenen waren, die in en met hem stonden en vielen, en hij zich dus niet alleen, maar miljoenen met hem aan dood en verderf overgegeven werden. Niet Adam, maar de vrouw werd eerst verleid, (1 Tim. 2: 14); maar dit juist maakte zijn zonde des te afschuwelijker, dat hij vrij en moedwillig, en met kennis der gevolgen, overtrad. Hij was ons aller vader, en wij hebben dus deel aan zijn zondeschuld, en zijn bezoedeld door zijn verderf. Wij zijn dus dubbel zondaars – zondaars door deelgenootschap aan zijn zondebedrijf in het paradijs, en zondaars door overerving zijner verdorven natuur, in welke hij al zijn nakomelingen baarde. Allen zijn dus van nature kinderen des toorns, omdat ze allen in Adam stierven” (1 Kor. 15: 22); en door één mens kwam de zonde in de wereld, en door de zonde de dood, en alzo is de dood doorgegaan tot alle mensen, in welke allen gezondigd hebben.” (Rom. 5: 12.) In deze zin is er geen onderscheid, want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods.” (Rom. 3: 23.)

Gemeten dus naar Gods wet, is noch kan er geen mens rechtvaardig zijn; en de beschrijving welke de Profeet in zijn dagen van Zion geeft, is ook waar van ons:, Het gehele hoofd is krank, en het gehele hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen en etterbuilen.” Velen menen, dat wij er genoegen in hebben de zonde des mensen te vergroten, op zijn verdorvenheid te staren, en in plaats van haar betamelijk te bedekken, haar vuil te ontdekken. Doch waar vinden wij sterker taal dan Paulus’ beschrijving van de zonden der heidenwereld in Rom. 1, en van de gruwelen der Joodse wereld in Rom. 2? En het besluit van beiden heet: alle mond is gestopt, en de gehele wereld is voor God verdoemelijk.” (Rom. 3: 19.)

Nu, al Gods volk wordt door de Heilige Geest bekend gemaakt, met de uitgebreidheid, geestelijkheid en vloek der wet, waardoor zij zich bij bevinding schuldig bekennen en hun mond daadwerkelijk gesloten vinden, om iets ter zelfrechtvaardiging te spreken. Wie, die God vreest, kan zich beroepen tegen de uitspraak zijner eigen consciëntie? Immers de wet veroordeelt zowel woorden en gedachten, als daden. Zij eist ene zuivere gehoorzaamheid; weet van geen toegeeflijkheid aan ‘s mensen zwakheid, maar neemt, als het ware, de zondaar bij de keel, en zegt: Betaal mij, wat gij schuldig bent.” En deze schuld, die geheel moet voldoen worden, is volmaakte, onafgebroken liefde tot God, gelijk Hij beval Hem lief te hebben met geheel uw hart, ziel, gemoed en krachten; en insgelijks liefde tot de mensen naar Zijn gebod.

En indien gij God en uw naasten niet volkomen lief hebt, en te eniger tijd of wijze in daad of gedachte feilt indien gij te eniger tijd of op enigerlei wijze feilt in beginsel of daad – in ene nijdige gedachte of onreine begeerte, in een ogenblik van zwakheid of verzoeking, zo bent gij overtreder, en dan ook schuldig voor de gehele wet. (Jak. 2: 10). Voor u heeft de wet geen genade; uw zonden zullen op u zijn in de hel1e En wie kan voor zulk ene wet bestaan? Toen de wet op Sinaï’s berg gegeven werd, begeerden de kinderen Israëls, dat die vreselijke woorden niet meer tot hen geschiedden; want deze waren bij al de donkerheid en duisternis en onweders, en het geluid der bazuin door engelen geblazen, hun oren en harten doorpriemende en de stoutste consciënties met vrees vervullende.

Wanneer nu deze wet met Goddelijke kracht in van de zondaar geweten ingaat, brengt ze hem in het stof schuldig voor God; zij snijdt wortel en tak af; want niet alleen uitwendige daden, maar als een tweesnijdend zwaard is het Woord een oordeler der gedachten en der overlegging van het hart (Hebr. 4: 12); en zo wordt zijn bevalligheid verderving, en in zich vindt hij van de hoofdschedel af tot de voetzool toe niets dan zonde en verderf. Dit ontledigt hem van alle eigen gerechtigheid als hope, zodat hij voor God in het stof valt, zeggende: Ik ben onrein!”

Maar hoe kan dit nu een rechtvaardige zijn? Hij belijdt zelf zeer graag, dat hij dit niet in zichzelf is noch zijn kan; maar kan het toch voor God en, door ‘t geloof, bewust voor zichzelf zijn. In deze staat nu, – al is het ook met ene schrede voor de dood, zonder hoop, hulp, sterkte, wijsheid en gerechtigheid in zichzelf, – kan ene gezegende ontdekking van de Persoon, het bloed en de gerechtigheid van Gods even gelijken en even eeuwige Zoon, onder bekwaam makende genade om aan te grijpen de mantel der gerechtigheid, om niet van God geschonken en om niet aangenomen, en daarin vergeving, vrede en zaligheid door Zijn Geliefden ik zeg, dit kan hem in eens een rechtvaardige maken in zijn geweten; rechtvaardig voor God door verkrijging der verzoening (Rom. 5: 11); en bekleed zijnde met de klederen des heils, wordt hij rechtvaardig in zijn gewaarwordingen, in de genieting en bevinding van zijn volle en vrije rechtvaardiging van de vloek der wet en de toorn Gods zijner overtredingen en ongerechtigheid waardig.

3. Doch ook in een andere zin zijn de kinderen Gods rechtvaardig, en dat is, door de inplanting van een nieuwe natuur in hun binnenste, welke, als uit God geboren, rein en heilig is als God. Hierom worden wij gezegd der Goddelijke natuur deelachtig te zijn”, (2 Petr. 1: 4) en aan te doen de nieuwe mens, die naar God – d. i. het beeld Gods – geschapen is, in ware gerechtigheid en heiligheid.” (EL 4: 24.) Deze reine en heilige natuur kan niet zondigen, omdat ze uit God geboren is, (1 Joh. 3: 9) en js de wet des Geestes des levens in Christus Jezus, welke de ziel vrijmaakt van de wet der zonde en des doods”, (Rom. 8: 2) zijnde dat Koninkrijk Gods in het hart, hetwelk is “rechtvaardigheid, en vrede en blijdschap in de Heilige Geest”. (Rom. 14: 17.) Dit is ene meegedeelde rechtvaardigheid, en haar wezen is die liefelijke geestelijke gezindheid, welke is leven en vrede, en die heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal. (Rom. 8: 6; Hebr. 12: 14.)

4. Maar nog in een andere zin zijn Gods volk rechtvaardig welke is door het voortbrengen van vruchten der rechtvaardigheid, – goede werken, tot welke zij geschapen zijn, en welke God voorbereid heeft opdat zij daarin zouden wandelen. (EL 2: 10.) Niemand achte dit ene geringe of nietige zaak, en dat het onverschillig is hoe men leeft als men maar gelooft. Niet een ieder, die zegt: Heere! Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der Hemelen, maar die de wil van God doet.” (Matth. 7: 21). Van elke boom, die geen goede vrucht voortbrengt, heet het “houw hem uit en werp hem in het vuur.” (Matth. 3: 10.) Maar de heiligen des Allerhoogsten zijn geen bomen in het afgaan van de herfst, tweemaal verstorven en ontworteld”, (Juda vs. 12), maar bomen der gerechtigheid, ene planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde.” Maar verricht niemand anders dan enige rechtvaardige daad? Neen, want daaraan ontbreekt het rechtvaardig beginsel en het rechte einde. Trouwens de beweegoorzaak wijst de aard der daden aan. Bij voorbeeld twee personen bezoeken dezelfde arme zieke weduwe, om m et haar te wenen en haar tijdelijke behoeften te vervullen

Het hart des enen is ontstoken met medelijden en ontferming, en wenende over en met haar, zoekt hij op alle mogelijke wijze haar smarten te verlichten en deelt daarom ook van het zijn aan haar tot ondersteuning. De andere bezoekt ‘haar uit loutere vertoning of plicht, meer als een gemeente opziener dan als een medelijdende vriend, en na enige droge, oude, harde woorden omtrent de roeping van onderworpenheid, geeft hij haar uit zijn overvloed eens zo veel als de andere gaf. Nu zoudt gij wellicht zeggen, dat deze twee mensen een evengelijk goed werk deden, of dat hij die dubbel gaf een tweemaal zo goed werk deed. Schoon zij uitwendig dezelfde goede daad verrichten, beslist gij nochtans op het betrekkelijk goede daarvan, door onderzoeking van de beweegoorzaak; en als gij dus uw oordeel weet te oefenen ten aanzien van wat al of wat niet zedelijk goed is, hoeveel temeer zal de alziende Hemelse Majesteit oordelen wat al of niet geestelijk goed is.

De goede werken van natuurlijke mensen zijn dus geen rechtvaardige daden, omdat zij niet zijn uit de Geest, ter verheerlijking Gods en met afzien van alle verdienstelijkheid. Wierp de weduwe niet meer in de schatkist dan alle anderen? Ene rechtvaardige daad eist een rechtvaardig persoon. Alleen een goede boom kan goede vruchten voortbrengen. De goede werken van Gods heiligen, gedaan onder de invloed van de Heilige Geest, zijn rechtvaardige daden, omdat ze voortvloeien uit een recht beginsel en geschieden tot een recht .einde – de eer en verheerlijking van een rechtvaardig God.

Wij maken dus deze slotsom, dat zij die God kennen, vrezen en lief hebben, in vierderlei opzicht rechtvaardig zijn. Zij zijn rechtvaardig door eeuwig in zijn in Jehovah het Lam, door bedekking met de toegerekende gerechtigheid des Zoons Gods – door bezitting van een ingewerkte gerechtigheid, de nieuwe mens der genade, – door in leven en omgang daden van rechtvaardigheid te verrichten.

B. Doch wij gaan voort om aan te wijzen, hoe het heil der rechtvaardigen van de Heere is, Schoon rechtvaardig zijnde, kunnen zij toch zichzelf geen heil beschikken, hetzij geheel noch ten dele. Inderdaad, zij hebben in hun eigen zaligheid geen hand; alles is genade. Zij mogen daartoe hindernissen zijn; maar zij kunnen geen hulp aanbrengen. Uit hun hart en leven komt niets dat hun eigen of anderer zaligheid bevorderlijk kan zijn. Niemand van hen zal zijn broeder immer meer kunnen verlossen; hij zal God zijn rantsoen niet kunnen geven: want de verlossing hunner ziel is te kostelijk:” – zo dierbaar, dat het bloed van Christus die alleen kan uit. werken, en, betrekkelijk alle menselijke oefeningen, zal zij in eeuwigheid zonder dat ophouden.” (Ps. 49: 8, 9.) Beschouwt Gods volk in hun vierderlei rechtvaardig zijn, en in geen ervan vinden we iets van het eigen.

Trouwens, bepleiten ze zelf hun zake voor God voor de grondlegging der wereld? of hebben ze toen naam en plaats gevraagd in het Boek ‘des levens? Waar waren ze, toen de fondamenten der aarde gesticht werden, toen de morgensterren vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten? (Job 38: 7.) Evenmin als de leden van ons natuurlijk lichaam zichzelf plaats bereiden, hebben de leden van Christus verborgen lichaam zichzelf met Hem verenigd. Zij. konden derhalve in dien zin niet rechtvaardig zijn. Ook hadden zij geen rechtvaardigheid door het werken van een volmaakte rechtvaardigheid aan Gods heilige Wet, want door de zonde verloren ze alle macht om God met hart en ziel, gemoed en krachten lief te hebben. Ook vermochten zij geen inwendige vrucht van rechtvaardigheid voort te brengen, welke een hartdoorzoekende God kan behagen: want sinds de zondeval is het gedichtsel van des mensen hart ten allen dag alleen boos.

Gelijk een vuile gracht gans geen rein water heeft, alzo is elke gedachte, elke begeerte, elke uitgang van het hart, allen even bedorven; en waar het water in de fontein bezoedeld en vuil is, daar zal het in de vuile doortocht niet reiner, maar nog meer verdorven worden door aanklevende zondigheid. En welke rechtvaardige daden zou men bij hen vinden? En wanneer er buiten rechtvaardigheid geen zaligheid noch heil is, en zij die van hun zelf niet hebben, dan moet die noodzakelijk van God zijn. En zo is Zijn eigen verklaring: “Hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heere.” (Jes. 54: 17.)

Maar hoe is het heil der rechtvaardigen van de Heere?

1. In zijn eeuwig ontwerp. O welk een ontwerp was de weg der zaligheid 1 Hoe oneindig zou het al de bekwaamheid en wijsheid der Engelen overtroffen hebben, wanneer de Heere de meest heerlijken onder hen de beslissing had gegeven, hoe zondaren behouden konden worden en God nochtans rechtvaardig zou zijn. Al de heerschappers mochten tot in alle eeuwigheid beraadslaagd hebben; maar de verlossing zou onbeslist gebleven zijn. Waren ze door ontferming bewogen geworden tot de begeerte: Heere ontferm U over arme mensen; denk aan die ontzaggelijke hel, in welker kaken zij welhaast zullen vervallen! – zou een besef Zijner eeuwige gerechtigheid en oneindige heiligheid de gedachte niet als gesmoord hebben aleer ze over hun lippen kwam? Hoe zou het hoogste engelen verstand een weg kunnen uitdenken, waar genade en rechtvaardigheid elkaar ontmoetten? Hun overtredende medeengelen waren uit de Hemel in de hel geworpen; en waarom zou het schuldig mensdom niet dezelfde straf ondergaan? Voorzeker, de verborgenheid der verlossende liefde overtreft oneindig de bevatting der Engelen gelijk de Apostel zegt:

In welke dingen de Engelen begerig zijn in te zien” (1 Petr. 1: 12.); en nochtans leren zij immer nieuwe lessen van Gods wijsheid, gelijk de Apostel ons verhaalt: opdat nu, door de gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de Hemel, de veelvuldige wijsheid Gods.” (Ef 3: 10.) 01 de vereniging van gerechtigheid en barmhartigheid gaat ver te boven het reinste begrip; althans, de Schrift verklaart de Persoon en het werk van de Godmens als de meest diepe ontdekking van de wijsheid Gods, gelijk dezelfde Apostel in verwondering uitroept: “0! diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods!” (Rom. 11: 33.) Dat Gods evengelijke en even eeuwige Zoon, in vereniging met Zijn Goddelijk Persoon, een heilige, menselijke natuur zou aannemen, ontvangen door de kracht van de Heilige Geest in het lichaam der maagd Maria, en in die reine, heilige mensheid als de GodMens wilde lijden, bloed storten en sterven; om door die ene offerande de zonde weg te nemen, en door Zijn lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid ene gerechtigheid aan te brengen in welke miljoenen van verloren zondaren aannemelijk zouden bevonden worden in de Geliefden; en dat evenwel al Gods deugden daar door volkomen elkaar ontmoeten en eeuwig verheerlijkt zouden worden – voorzeker, dit ontwerp is waardig der oneindige wijsheid Gods! In deze zin nu, kunnen wij zeggen, dat het heil der rechtvaardigen van de Heere is.

2. Beschouwd hebbende het ontwerp, zien wij nu op zijn voltooiing. Trouwens het oog van het geloof volgt zowel de uitvoering als het plan. Het beschouwt de Zoon van God in Zijn vereniging met de menselijke natuur; het ziet Hem als kind in Bethlehems kribbe en volgt Hem in Zijn toenemen in wijsheid en grootte. Het speurt Hem na in geheel Zijn heilig, onschuldig leven, tot de hof van Gethsémané, waar het Hem beschouwt in Zijn bloed zweten en kermen onder de toorn Gods. Het vergezelt de gezegenden Verlosser aan Calvarië’s kruis, Hem daar ziende Zich baden in Zijn dierbaar bloed, onder de verberging van het licht der zon, beving der aarde en opening der graven, zodat de doden opstaan; terwijl Hij met de uitroep: Het is volbracht!” het hoofd buigt en de Geest geeft als het Offer Lam Gods. O waarlijk, waarlijk, wanneer wij de lijdenden Zoon van God zien, en met het oog van het geloof het dierbare bloed van de verlosser aanschouwen, hetwelk uit Zijn wonden vloeide, wel mogen wij dan zeggen: bier is vergeving, hier is rechtvaardigheid, hier is heil! Waar toch zullen wij een andere vinden? Is dit niet een volkomen heil? een volbracht werk?

3. Doch er is meer. Er is ook heil, zaligheid in haar toepassing, in haar verwezenlijking en genieting. Het heil, dat naar Gods des Vaders eeuwig ontwerp en naar Gods des Zoons volkomen voltooiing is, heeft de Goddelijke toepassing van de Heilige Geest nodig; want zij dient in het hart genoten door persoonlijke toepassing aan het geweten. Hoe zeer ook een bevende zondaar zijn schaamte en naaktheid gevoelt, hij vermag niet zijn hand uit te strekken en dien mantel zich toe te eigen; bij kan zelf geen geloofsdaad wrochten, noch op het verzoenend bloed zien of zijn consciëntie daarmee besprengen. Gelijk Mozes het bloed op het volk sprengde, en niet het volk op zichzelf; gelijk de vader de verloren zoon en niet hij zelf zich het beste kleed verschafte; alzo is het de Heilige Geest, die het bloed, van Jezus op het geweten sprengt en de ziel met Zijn heil bekleedt. Alzo juicht de kerk: Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als ene bruid zich versiert met haar gereedschap.” (Jes. 61: 10.) In deze weg wordt het heil bekend van de Heere te zijn door Goddelijke openbaring en in persoonlijke bevinding.

En o, welk een heil, dat geheel Zijn is! Welke schoonheid en heerlijkheid zien wij in de werken Gods in de schepping! Ja, het gelaat des aardrijks is bedekt met de heerlijkheid Zijner vingeren. De bloemen door het zomerkoeltje wiegelende, de vogelen in de lucht, de vissen in de wateren, ja alles draagt ene kroon der sierlijkheid als het paleis van de koning, en in het aanwezen geroepen door de Koning in Zijn schoonheid. Want gelijk de Hemel Zijn troon en de aarde de voetbank Zijner voeten 189 zo moet zij ook daarom schoon zijn. Maar wat is dit alles bij de schoonheid, genade en heerlijkheid Gods in zijn heil? Hoe vervalt de gehele schepping in schoonheid bij de lijdende Middelaar, bij de genade van het bloedstortende Lam, bij de heerlijkheid van dat heil, gelijk het genade ontdekt zonder te krenken de onkreukbare eisen der gerechtigheid? Waar toch vinden we een heil, dat God verheerlijkt en zondaren zaligt; hetwelk al Gods deugden verenigt en de Heere Jezus boven alles kroont? Waarlijk, wij mogen zeggen: Het heil der rechtvaardigen is van de Heere.”

Ook geloof ik niet, dat gij een rechtvaardige bent, tenzij gij geleerd hebt te zeggen: “Amen, het zij zo! hetheil is van de Heere! – ik geloof, weet en gevoel het.” Maar misschien hebt gij het geleerd waar Jona het leerde: in de buik des grafs, want daar gevoelde Jona, dat het heil des Heeren is. Of hebt gij het op meer zachte en liefelijke wijze leren kennen, toch hebt gij genoeg geleerd van rampzaligheid en barmhartigheid, ziekte en geneesmiddel, Wet en Evangelie, om te weten, dat het heil van de Heere is. Dit heil mag uw hart niet met die zoete kracht en volle verzekerdheid aangedaan hebben als gij wel begeerde; gij mag steeds in twijfel en vrees zijn omtrent uw aandeel in hetzelve; maar uit het druk kent besef van behoefte en het proeven en smaken, dat de Heere genadig is, neemt gij met hartelijke goedkeuring de waarheid aan, dat het heil van de Heere is.

Gij bent er dus zeker van, dat het heil niet van uzelf is, en waar kunt gij het dan wachten tenzij van de Heere? Ziet dan ook twijfelende, bevende heilige Gods, dat het heil van de Heere is! – Beschouw de gezegenden Jezus aan de rechterhand des Vaders, die uw ziel verloste door Zijn eigen dierbaar bloed, en u een onderpand en voorsmaak daarvan gaf, om ook, onder de bekwaam makende genade Gods te geloven, dat uw heil van Hem is. Dit, waarvan gij reeds de eerstelingen hebt in hoop, zal bij voller ontdekking uw hart verblijden, uw schuldige vrees wegnemen, u in alle beproevingen ondersteunen, u ondersteunen op het leger der smarten, u door de duistere vallei dragen en uw gelukzalige ziel in ene zalige eeuwigheid doen aanlanden.

II. Maar dit brengt mij tot de beschouwingen, dat de rechtvaardigen hun tijden van benauwdheid hebben: want in het pad der beproeving moeten ze ondervinden wat de Heere voor hen is. Trouwens wij gaan niet in ene koets naar de Hemel. Wij worden zo maar niet als in de slaap in eens in de tegenwoordigheid Gods gedragen, zonder enige angst of verdrukking, beproeving of droefheid. Voor alle heiligen Gods is een tijd van benauwdheid bestemd, en in dezelve leren zij, dat het, heil van de Heere is en dat de Heere hun heil voor hun zielen is.

1. De eerste tijd van geestelijke benauwdheid in de bevinding van het volk van de Heere is, wanneer God hun consciëntie tref t door een overtuigend woord – wanneer Hij de scherpe snede van Zijn tweesnijdend zwaard aan hun harten toepast, en het vonnis der wet in hun consciëntie zendt. Dit is de dag van Jacobs benauwdheid, van welke wij lezen, dat zijns gelijke er niet is.” (Jer. 30: 7). Ik wil niet zeggen, dat al Gods volk met gelijke diepe en scherpe overtuiging doorstoken worden; maar de wond moet diep en krachtig genoeg ter doding zijn. Sterven en opstaan moet zowel in de ziel als in het lichaam plaats hebben; hetzij die dood door een schielijke slag of de vracht van een uitterend ongemak zij, gelijk dat bij de natuurlijke dood als aanleiding zeer verschillend is. Maar toch, allen moeten sterven onder de wet en aan hun eigen gerechtigheid, hetzij onver. wacht of langzaam, aan ene dadelijk diepe of ene lichte wond het is de tijd der benauwdheid voor al Gods gunstgenoten.

1. Doch wij lezen in de tekst, dat de Heere hun sterkte zal zijn ter tijd van benauwdheid.” Toen gij eerst door genade geroepen werd zoudt gij in wanhoop verzonken zijn, indien de Heere in het verborgen uw ziel niet had ondersteund. Zijn ondersteuning is onzichtbaar. Immers ook in uw eerste tijd gaf de Heere u sterkte ter tijd van benauwdheid? Eertijds kende gij de sterkte Godes niet; maar Hij bekrachtigde u om tot Hem te roepen en te bidden om genade; te geloven, dat Hij te Zijner tijd zou verschijnen; te wachten op dien tijd, en niet vooruit te lopen noch achter te blijven. Doch buiten de verheerlijking Zijner verborgen sterkte waar zou thans uw schuldige ziel geweest zijn.

2. Daarenboven, naar onze tekst hielp Hij u; Hij gaf u enige ondersteuning. Hij zond u hulp, om op Zijn barmhartigheid te hopen – aan Zijn troon te liggen totdat er verlossing kwam haar te zoeken in de verordineerden weg – het Woord te lezen met enige geestelijke kennis – de waarheid te horen met enige vertedering en verbrokenheid van gevoel – zijn naam aan te roepen met ernst en kracht uw hart te ontlasten met enige vrijheid in het toegaan. Hij hielp u zien op de Zoon Zijner liefde, als van Wie en van Wie alleen al uw heil kon komen, met wegwerping van elke andere troost en hulp. zodat gij nu, terugziende op de tijd der benauwdheid, schoon het toen niet merkende, moest bekennen, dat de Heere uw verborgen sterkte en hulp was, en in u werkte op ene wijze, die toen wel voor u verborgen was, maar die gij nu meer duidelijk en klaar onderscheidt.

2. Maar er is een andere tijd van benauwdheid, toen de Heere n.l. meer duidelijk en geheel aan u ontdekte de fonteinen der grote diepte, en u bloot lag de verborgenheden van Adams zonde. Dit weten we gewoonlijk niet in de eerste onderwijzingen Gods aan de ziel. Wij zien het kwaad der zonde, maar zijn merendeels onbekend met het kwaad van het hart. Wij zien de stroom, maar niet de fontein; wij proeven de vruchten, maar kennen niet de wortel, die de stam draagt en voedt, welke zulke vruchten voortbrengt. Maar na enige tijd, als wij beweldadigd zijn geworden met enige verlossing, leidt de Heere ons in de kamers der verbeelding en toont ons, wie wij zijn in Adams venite. Deze is inderdaad de tijd van benauwdheid. Wanneer gij niets in uw hart ziet en gevoelt dan zonde en Goddeloosheid; wanneer gij heilig wilt zijn en bevindt, dat niet te kunnen zijn; wanneer schier niets dan vuilheid, hoogmoed, onreinheid en rebellie in uw vleselijk gemoed werkt – dit alles veroorzaakt de tijd der benauwdheid, want bij de ontdekking van dien diepe en vuile afgrond, welke God in uw binnenste ontdekte door het licht Zijns Geestes, bevangt u vrees en beving.

3. Ook is het een tijd van benauwdheid, wanneer de Heere Zijn aangezicht begint te verbergen, nadat Hij Zich aan uw ziel openbaarde – wanneer gij twijfelt en vreest of niet alles bedrog is, dat uw geloof geen recht beginsel heeft, dat uw werk aan de ziel niet des Heeren is, dat gij uzelf, en Gods volk, en de leraar, aan wie gij uw bevinding vertelde, bedrogen hebt. Gij vreest, dat gij misleidt bent, dat alles bedrog is, en dat gij bij het tal van uw ongerechtigheden gevoegd hebt de stoute misdaad der geveinsdheid en huichelarij.

4. Een andere tijd van benauwdheid is wanneer verzoekingen u zeer bezetten – wanneer de satan u zift en schudt, gelijk hij Petrus ziftte (Luk. 22: 31), er schijnt zoveel weg gewand te worden, dat niets schier overblijft. Wanneer gij in de smeltkroes gesteld wordt, om die vurige beproeving te verduren, welke eens iegelijks werk zal beproeven hoedanig het zij, of bent in de diepe modder waar gij niet kunt staan, of worstelt tegen de baren en golven, welke over uw hoofd schijnen te gaan, totdat gij in vrees bent dingen te zullen zeggen of te doen, die u duidelijk zullen ontdekken als een vijand Gods en derhalve door Hem ten verderve overgegeven met ziel en lichaam – dit is waarlijk een tijd van benauwdheid.

5. Echter, vele zijn de verdrukkingen des rechtvaardigen, en wij kunnen geen zeker pad, van lijden voor allen voorstellen, want gij kunt geroepen worden zware beproevingen in de Voorzienigheid door te gaan – beroving van vrouw of kinderen, pijnlijke en bijzondere familie beproevingen, welke insnijdingen en wonden veroorzaken in uw warmste genegenheden en gewaarwordingen. Al Gods volk heeft zijn juist getal en mate van smarten en droefheden, die, in hun komst als tijden van benauwdheid, met alle andere tijden in ‘s Heeren hand zijn, Ps. 31: 15), en worden uitgedeeld met onfeilbare wijsheid en Goddelijk getrouwe liefde.

Deze tijden van benauwdheid nu beproeven Gods volk, en zij hebben ook dit oogmerk, want daartoe worden zij gezonden, immers “de Heere beproeft de rechtvaardigen.” En nochtans geldt de belofte: Hij is hun sterkte ter tijd van benauwdheid.” Wanneer Hij de fonteinen der grote diepte van zonde en ongerechtigheid opbreekt, versterkt Hij Zijn volk, opdat zij niet met de stroom weggevaagd worden. Wanneer Hij Zijn aangezicht verbergt versterkt Hij hen te betuigen: “Al dode Hij mij, nochtans zal ik op Hem vertrouwen.” Wanneer hen verzoekingen bezetten, wanneer zij in de oven gesteld worden, de Heere is ook daar met hen gelijk Hij was met de drie Hebreeuwse jongelingen; – de Zoon van God is met hen in het vuur, zodat geen haar van hun hoofd gezengd wordt, noch de reuk des vuurs door hun klederen gaat. (Dan. 3: 27.)

In al hun benauwdheid is Hij benauwd; en door zo met hen te delen ondersteunt Hij hen onder haar. Hij versterkt hun met kracht in de ziel, en is zelf hun sterkte, Hij geeft hen genade om het zwaarwichtig kruis te dragen – ondersteunt hen bij zware last van beproeving en verdrukking – om hun mond in het stof te steken als waardig en noodzakelijk Zijn kastijdende slagen, en met onderwerping Zijn rechtvaardige handelingen te dragen, welke duidelijk als van ene genadige en liefhebbende hand worden gezonden. En telkens geeft Hij een ondersteunend woord, een bemoedigenden blik, en zachte en genezende aanraking, en helpt hen alzo om op Hem te wachten in geloof en hoop, totdat Hij te Zijner tijd volkomen verlossing zendt. Zo helpt en verlost Hij en zal dit te elker tijd van benauwdheid doen tot hun sterfbed toe, wan. neer Hij hun geven zal ene volle en eindelijke verlossing van het lichaam der zonde en des doods, en van ene wereld vol van ongerechtigheid en droefheden.

O, gezegende erve der heiligen! Niet alleen is hun heil van het eerst tot het laatst van de Heere, maar ook helpt en bevrijdt Hij hen voortdurend; ja “Hij zal ze bevrijden van de Goddelozen, van hun Goddeloze vervolgers, hun kwaadaardige vijanden, en allen die hen haten, omdat zij Jezus liefhebben en volgen. 0, zegen der rechtvaardigen! Gij mag zeer arm zijn aan aardse goederen, beproeving op beproeving, verdrukking op verdrukking, en smart op smart hebben; maar als gij een van deze rechtvaardigen bent, een wiens hart door Gods Geest en genade werd aangeraakt, en wien Hij dus opvoedt als een erfgenaam der eeuwige heerlijkheid – zalig, driewerf zalig is uw staat en toestand. Uw heil is van de Heere. Kan dat teleurstellen of bedriegen? – Neen, geenszins; niet zolang de Heere Jehovah blijft. Als zodanig zal Hij steeds uw sterkte zijn, u helpen en bevrijden, en u eindelijk brengen in de gelukzaligheid Zijner tegenwoordigheid, in de volheid Zijner vreugde en de heerlijkheid Zijner erfenis.

III. Wij komen nu tot ons laatste punt: waarom de Heere dit alles de rechtvaardigen doet,. – . Want zij betrouwen op Hem.” Dit is niet de eerste, maar de tweede oorzaak. Maar waarom betrouwen zij op Hem? – Wel, omdat zij nergens anders op kunnen betrouwen. De tijden der benauwdheid hebben al hun aardse betrouwen weg gewand. Zij kunnen niet meer betrouwen op hun eigen goedheid, wijsheid, sterkte en rechtvaardigheid. Verdreven van huis en hof, kleven zij de Rots aan uit gebrek aan andere schuiling. Jezus moet hun alles in allen zijn, want op niemand anders in Hemel of op aarde kunnen zij zien. Dus vertouwen zij op de Heere als hun enige hulp en hoop.

O, hoe gezegend in eigen boezem zulk betrouwen op Jezus te ontwaren – te steunen op en af te hangen van de Heere van leven en heerlijkheid, terwijl zo menigeen ziet op iets in zichzelf of in een anderen, hun eeuwige zaligheid bouwen op werken, die zo onbestendig zijn als de gangen van een kindje, en nietig als een wegwerpsel. Op de Heere is de hoop des rechtvaardigen, op Hem stelt hij zijn betrouwen. En deze zal de Heere eren; Hij zal nooit hun hoop teleurstellen of hun vertrouwen beschamen. Wie toch heeft op de Heere vertrouwd en is beschaamd geworden? Wanneer gij op Hem mocht betrouwen, de getrouwheid Zijns Woords geloven, alle schepselen vertrouwen verzakende en het gewicht van uw ziel aan Hem hangende – dat zwaar gewicht! – op een getrouwen, verbondhoudende God, Hij zal u nimmer begeven noch verlaten, noch in Zijn trouwe feilen.

Het mag u moeilijk zijn zelfs te eniger tijd op Hem te betrouwen; gij mag iets voelbaars menen nodig te hebben – iets te zien of te horen, afgescheiden van geloof; maar, niet alzo, mijn vrienden! Wij wandelen door geloof, en niet door aanschouwen. Het moet een naakt betrouwen zijn op een onzichtbare God. “Dezen vermelden van paarden, en die van wagenen; maar wij zullen vermelden de naam des Heeren, van onze Gods.” (Ps. 20: 7.) En indien gij zo mag betrouwen, Hij zal te Zijner tijd van uw consciëntie openbaren, dat gij een der rechtvaardigen bent; het licht zal over uw pad opgaan; heerlijkheid zal over uw hart dagen, en gij zult verkrijgen het einde uws geloofs, de zaligheid van uw ziel. Mogen wij er niet bijvoegen: “Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, diens God de Heere is?”

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.