Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Vrede, verdrukking, overwinning

Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt* In de wereld zult gij verdrukking hebben: maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen. Johannes 16:33

In de gesprekken van de Heere met Zijn bedroefde discipelen (zoals verhaald in Johannes 14-16) ligt één kenmerk, dat me getroffen heeft: en dat ik misschien het beste kan omschrijven met één korte zin: de volkomen afwezigheid van het eigen ik.Laten wij enkele ogenblikken de omstandigheden overwegen, waaronder deze verhandelingen uit de mond des Heeren kwamen. Het was op die donkere avond, toen Hij Zelf in de handen van zondige mensen zou worden verraden, op dezelfde avond, dat Hij die zware zielestrijd moest doorstaan in de hof van Gethsémané, en onmiddellijk voorafgaande aan die folteringen naar het lichaam en de hieraan verbonden zielsangsten, welke Hij aan het kruis verdragen moest. Zouden we niet hebben verwacht, dat Zijn ziel zo in beslag genomen zou zijn geweest door hetgeen vóór Hem lag, dat Hij geen gedachte kon hebben gehad voor enig ander onderwerp? Maar wij stellen vast, dat de gezegende Heere in deze gesprekken met Zijn treurende volgelingen, als het ware, alle belang bij Zichzelf, en bij hetgeen Hij gereed stond te verdragen, terzijde stelt, en dat Hij al Zijn gedachten en woorden – en ik mag eraan toevoegen Zijn gehele hart, eraan wijdt om hen te vertroosten en te bemoedigen, zoals Hij spreekt ”Ik zal niet meer veel met u spreken.” (Joh. 14:30). Alsof Hij zeggen wilde: ”Nu wijd Ik Me geheel aan u: thans verlies Ik alle gedachten omtrent Mezelf uit het oog, opdat Ik met Mijn ganse hart tot u moge spreken! Doch wanneer dit is geschied, dan ligt er een ander werk voor Mij.”

Welnu, nadat de Heere Zijn discipelen had verklaard, wat Hij in Zijn oneindige en alwijze gedachten gepast achtte tot hun bemoediging en vertroosting: en niet alleen tot die van hen, maar tot die van de gehele Kerke Gods van alle toekomende tijden, vat Hij, om zo te spreken, het geheel samen in de woorden van onze tekst, alsof dat de hoofdinhoud was van al hetgeen Hij had gezegd: ’’Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben: maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.”

Er komen drie onderverdelingen van onze tekst bij me op, die klaarblijkelijk overeenstemmen met de drie zinsdelen ervan: en deze kunnen wij kortheidshalve aanduiden als: vrede, verdrukking en overwinning. Vrede in Jezus, verdrukking in de wereld en overwinning door Jezus over de wereld.

I. ’’Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.” Wat zijn ’’deze dingen”? Zijn deze niet hetgeen Hij hen zojuist verklaard had? Ieder woord dus, vervat in het voorgaande hoofdstuk, mag ik wel zeggen begrepen te zijn in de uitdrukking ’’deze dingen”. Weliswaar kunnen wij niet alles in het kort herhalen, wat de Heere in deze drie hoofdstukken tot hen sprak. Het zou niet één predikatie, maar een lange reeks van predikaties vergen, om ook maar een weinig door te dringen tot die heilige onderwerpen der Goddelijke vertroosting. En toch moeten wij op enkele ervan een blik werpen: of wij kunnen niet doordringen tot de betekenis en tot de volledigheid van onze tekst. Daarom zullen wij, met Gods zegen, trachten een haastige blik te werpen op sommige van die zaken, welke de Heere voor hun oren sprak, opdat zij, deze met het hart gelovende, en de zoete vertroostingen, welke eruit tot hun ziel zouden doordringen, genietende, ”in Hem vrede mochten hebben”. Aldus te werk gaande, zal ik niet precies de volgorde kiezen, waarin de Heere deze gesproken heeft: maar deze verhandelen, zoals ze bij me opkomen, daarbij evenwel enige samenhang bewarend, zo de Heere me ertoe in staat stelt.

a. Eén zaak, welke de Heere hen verklaarde, ’’opdat zij in Hem vrede hebben”, was het leerstuk of liever de waarheid (ik geef de voorkeur aan het laatste woord) van hun gemeenschap met Hem – hun eeuwige, onverbrekelijke gemeenschap met Zijn Goddelijke Persoon, zoals verklaard in die gelijkenis: ”Ik ben de Wijnstok, en gij zijt de ranken.” (Joh. 15:5). Welnu, uit deze eeuwige gemeenschap met Christus vloeit iedere zegening voort. Alleen voor zover wij een eeuwige gemeenschap met Jezus hebben, bezitten wij enige levende vereniging, of geestelijke gemeenschap met Hem. Alleen voor zover wij in Christus begrepen zijn, van voor de grondlegging der wereld, hebben wij enig aandeel in, of enige aanspraak op Zijn verzoenend bloed, rechtvaardigende gerechtigheid, algenoegzame genade, geopenbaarde tegenwoordigheid, uitgestorte liefde, en op Zijn medegedeelde zegen. Wij ontvangen niets, kunnen niets ontvangen, dat een geestelijk karakter draagt, dan krachtens een eeuwige gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid. Want, zoals de wijnranken hun sap slechts ontvangen uit de stam, krachtens hun vereniging met de stam, zo kunnen wij slechts zegeningen uit Christus ontvangen, krachtens de vereniging met Christus. Welnu, is deze Goddelijke waarheid niet op een gezegende wijze gepast, om vrede en troost in de ziel te brengen? Wanneer wij, in enigerlei opzicht, gemeenschap kunnen oefenen met Christus: wanneer ons het geloof geschonken wordt, in Zijn Naam te geloven, en door het geloof ”uit Zijne volheid te ontvangen, genade voor genade,” en ervaren, dat Hij van tijd tot tijd onze noden vervult, en Zijn tegenwoordigheid, goedertierenheid en liefde aan onze ziel mededeelt – is dit, moet dit de grondslag zijn van alle ware geestelijke vrede en troost.

b. Maar de Heere vertelde Zijn geliefde discipelen ook, dat Hij hen in Zichzelf had uitverkoren.Hij zegt: ”gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren.” (Joh. 15:16). In deze woorden verzekert Hij hen van hun eeuwige verkiezing in Hem: dat Hij hen had liefgehad vóór alle werelden, en dat Hij hen had uitverkoren, opdat zij deelhebbers mochten zijn aan Zijn genade hier, en opdat zij hierna Zijn heerlijkheid mochten zien van aangezicht tot aangezicht. Welnu, wanneer wij kunnen geloven (God moet dit geloof schenken), dat wij in Christus vóór alle werelden werden uitverkoren, wat kan de ziel dan een zoetere vertroosting brengen? Wat kan een duurzamer vreugde en vrede in het hart brengen?

c. Voorts verzekerde Hij hen ervan, dat Hij Zijn leven voor hen zou afleggen. Hij zegt: ’’Niemand heeft meer liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden. Gij zijt Mijne vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede.” (Joh. 15:13, 14). In deze woorden verzekert Hij hen ervan, dat Hij gereed stond Zijn dierbaar leven voor hen af te leggen, dat Zijn liefde tot hun ziel zo groot was, dat Hij niet geweigerd heeft zelfs Zijn bloed te storten, opdat zij in die heilige Fontein gewassen en vrijgemaakt mochten worden van alle schuld, vuil en schande der zonde en der ongerechtigheid.

d. Verder verzekerde Hij hen ervan, dat zij niet meer “dienstknechten”, maar ”vrienden” waren (15:15): dat de band tussen hen niet langer was, zoals deze was geweest, van Meester en dienstknecht: maar dat er nu een betrekking was, die verreweg nader, dierbaarder, nauwer en inniger was – die van een vriend: dat daarom, zoals een vriend zijn hartsgeheimen openbaart aan zijn boezemvriend en zij aldus aan elkaar verbonden zijn door de nauwste band en door de tederste betrekking: Hij zo aan hen, als Zijn vrienden, diezelfde verborgenheden van Zijn hart verklaren zou. Daarom was Hij voor hen niet een harde meester, die gehoorzaamheid vordert als van dienstknechten, en die op iedere overtreding let om deze te bestraffen: maar een vriendelijke en teergevoelige Vriend, Die geduld kon hebben met hun zwakheden: ja, een Vriend, Die nauwer zou aankleven, dan welke aardse broeder ook.

e. Voorts vertelt Hij hen, dat Hij was “de Weg”, door welke toegang verkregen werd tot God. “De Waarheid”, zodat zij door Hem te volgen zouden zijn gevrijwaard van alle dwaling. En “het Leven”, zodat door in Zijn Naam te geloven het leven in hun ziel mocht vloeien, en dit hen mocht opwekken in alle uren van moedeloosheid en gebondenheid. Ook verzekerde Hij hen ervan, dat er geen andere wijze van toegang tot God was, want dat er ’’niemand tot de Vader komt, dan door Hem.” (14:6).

f. Hij vertelde hen eveneens, dat Hij hen geen wezen zou laten (14:18): maar dat Hij de Trooster zou zenden, Die door Zijn heilige werking en zalving hun bedroefd en treurend hart zou vertroosten. Dat deze Trooster hen in al de waarheid leiden zou. Die het uit het Zijne nemen zou, en het aan hun ziel verkondigen zou: Die hen ook zou leiden, en tot het einde toe met hen zou zijn (16:13, 14).

g. Bovendien vertelt Hij hen, dat, omdat Hij leefde, zij ook zullen leven (14:19): dat zij nooit in zulk een moedeloze zieletoestand zouden verkeren, als waaruit Hij hen niet zou kunnen of willen opwekken door dat leven, hetwelk zij leefden in Hem.

h. Verder verzekerde Hij hen ervan, dat Hij hen zou voorgaan om hen plaats te bereiden, en dat Hij zou wederkomen en hen tot Zich zou nemen, opdat zij ook zijn mochten, waar Hij was. (14:2, 3). Dit zijn voorwaar maar enkele zaken, nagelezen van de ruime oogst van troost, welke er is opgelegd in deze gezegende hoofdstukken. Maar de Heere, deze zoete en bemoedigende onderwerpen aan hen verklaard hebbende, vertelt hen tot welk doeleinde Hij deze dingen tot hen gesproken had – ’’deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.”

Maar zal het loutere spreken van deze dingen vrede brengen? Hoe menigmaal hebben wij deze hoofdstukken gelezen, en evenwel niet ervaren, dat er vrede uit voortvloeide! Maar wanneer het de Heere Zelf, al Wiens woorden geest en leven zijn (Joh. 6:63) – wanneer het de Heere Zelf behaagt één van deze genade-beloften met kracht tot het hart te spreken, dan brengen Zijn woorden vrede met zich. En welk een gezegender erfenis en welk een zoetere of meer gepaste erve kon de Heere voor Zijn bedroefde huisgezin nalaten dan vrede? Vrede met God door de grote verzoenende Offerande: vrede in het hof der consciëntie door de toepassing van het bloed des Lams, heilige bedaardheid, Goddelijke rust, teweeggebracht door de gezegende Duive, Die met Zijn hemelse vleugelen op de ziel broedt. Wat gaat de vrede in de waarneming der ziel iedere andere zegen ver te boven! Het kind van God verwacht geen geestvervoeringen, visioenen, dromen, of wonderbaarlijke openbaringen aan het lichamelijk oog of oor.

In zodanige zaken roemen dromers, geestdrijvers en ongegronde dwepers. Maar, dat de vrede in de ziel wordt gebracht door de mond des Heeren: dat de vrede verkondigd wordt in de consciëntie door dat bloed, dat betere dingen spreekt, dan Abel: die bedaardheid in de ziel te gevoelen, waardoor hij kan rusten aan de boezem van Jezus en ervaart, dat angstige zorgen en kwellende gedachten van binnen geheel gesust zijn – kan hij een meer hemelse erfenis, een rijker deel dan dit verlangen en genieten? Doch de Heere zegt: ’’Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.” Hierin ligt de kracht van het geheel. Vrede in het eigen ik! Dat kan nimmer worden gevonden. Vrede in de wereld! Dat kan nimmer worden verkregen. Vrede in de zonde! God verhoede, dat één van Zijn kinderen daar ook maar een ogenblik zou dromen van vrede.

Vrede in de tijdelijke en zinnelijke dingen! Is dit niet alles verontreinigd, zijn het niet alle prullen, speelgoed, schaduwen, die voorbijgaan, rook uit de schoorsteen, kaf van de zomerdors- vloer? Kan een geoefende ziel – een ziel, die beproefd, verzocht, moedeloos, terneergebogen is vanwege de moeilijkheden op de weg – kan zij enige vrede in deze dingen vinden? Zijn vleselijk gemoed moge, tot zijn schande, voor een tijd erdoor worden afgetrokken: zijn goddeloze begeerlijkheden en hartstochten mogen erin verstrikt worden: zijn gevallen natuur moge temidden van deze arme vergankelijke dagdromen kruipen. Maar vrede! Er is in deze zaken geen vrede: want God heeft gezegd: ”De goddelozen hebben geen vrede.” En zo lang ons goddeloze hart uitgaat naar goddeloze dingen, zal er, wanneer de consciëntie waarlijk teder en gevoelig is in de vreze Gods, in het binnenste geen ware, duurzame vrede zijn. Maar hoe vaak is de ziel van het volk des Heeren als een voortgedrevene zee, die slijk en modder opwerpt! Wat zijn ze vaak verre van de vrede!

Hoevele bekommerde gedachten, pijnlijke verdachtmakingen, beproevende twijfel en vrees bestormen en kwellen hun ziel! Vinden zij vrede in deze verzoekingen? Is het des Heeren oogmerk, dat zij hierin vrede zouden vinden? Zijn deze dingen niet bedoeld om voor hen te zijn, wat de drijvende dode lichamen voor de duif van Noach waren – om ze terug te drijven naar de ark? De raaf, die onreine roofvogel, kon rusten op en zich tegoed doen aan de drijvende dode lichamen, en keerde nimmer weder tot de ark: maar de reine duif, die zindelijke vogel, kon geen rust vinden voor het hol harer voet, dan in of op de ark. Zo is er datgene in het hart van een kind van God, dat, gelijk de duif, geen duurzame rust kan vinden, dan in de Ark, de Heere Jezus Christus, zoals Hij zegt: ”In Mij zult gij vrede hebben,” terwijl vleselijke belijders vrede kunnen vinden in het eigen ik, in de tijdelijke en zinnelijke dingen, in ijdele begrippen, in een genadeloze belijdenis, in dorre leerstellingen, in een naam van te leven, dood zijnde. Doch wat is de betekenis van de woorden ”in Mij”?

Duiden deze in de eerste plaats niet op de waarheid der eeuwige gemeenschap met Christus? Want uit deze eeuwige gemeenschap vloeit iedere zegening in de tijd. Wijzen de woorden ook niet op het geloof in Christus? Want het is alleen door het geloof in Christus, dat wij vrede kunnen hebben in Hem: zoals de Schrift spreekt: ’’Blijdschap en vrede in het geloven.” Maar is het niet de gemeenschap met Christus, dat de kroon zet op het ” in Mij”, en van waaruit de duurzame vrede voortvloeit? Niet slechts de eeuwige gemeenschap, niet alleen maar de levende vereniging, maar de Goddelijke gemeenschap onder de heilige werkingen en werkzaamheden van de gezegende Trooster.

Welnu, de Heere heeft vóór, dat geheel Zijn dierbare huisgezin vrede zou hebben in Hem: daarom drijft Hij ze uit iedere toevlucht der leugen, opdat zij geen vrede mogen vinden in het eigen ik. Hij voert ze uit de wereld, opdat zij daar geen vrede kunnen vinden. Hij drijft ze uit de zonde, opdat zij daar geen vrede mogen vinden. Hij acht het ook gepast hun geest te oefenen, en ze keer op keer te beproeven, opdat zij, geen vrede vindende in iets anders, als zondaren, die verbroken van hart zijn, mogen komen tot de troon der genade, mogen uitzien naar Jezus, mogen vertrouwen op Zijn Naam, en vrede mogen vinden door te geloven.

II. En het is daarom, dat vrede en verdrukking zo nauw aan elkaar verbonden zijn. “In de wereld zult gij verdrukking hebben.” De Heere weet wat ons hart is. Hij weet welk een nauwe verwantschap er is tussen een verzoekende, verlokkende wereld en onze natuur. En Hij weet, dat een ieder een wereld in het klein in zijn eigen boezem omdraagt. Daarom verklaart Hij, dat ”we in de wereld verdrukking hebben zullen”. Een belofte, even zeker als dat we ”in Hem vrede zullen hebben”. Wat zouden wij deze beide zaken gaarne vanéénscheiden! Wat zou het ons aangenaam zijn geen verdrukking in de wereld te hebben, en evenwel vrede te hebben in Christus! Wat deinst ons lafhartige vlees terug voor de verdrukking! Zelfs de gedachte eraan doet ons bij ogenblikken beven. Evenwel heeft de Heere deze beide zaken zo tesamengevoegd – de vrede in Hemzelf, en de verdrukking in de wereld, dat deze nooit kunnen worden vanééngescheiden: en verre van de mogelijkheid te worden vanééngescheiden, kunnen wij eraan toevoegen, dat zij in de nauwste en innigste betrekking tot elkander staan. De Heere heeft dus beloofd, dat ”we in de wereld verdrukking zullen hebben.”

Maar wat brengt dit een kind van God aan het wankelen! Hij kan verstaan, of schijnen te verstaan, wat het zeggen wil vrede te hebben in Christus: maar dat het pad, dat hem is toebedeeld, verdrukking zou zijn in de wereld, wat schijnt dat diep, als het ware, tot in de vezels van zijn hart te snijden! En toch, hoe noodzakelijk, hoe onmisbaar noodzakelijk is het, verdrukking te hebben in de wereld, want wat gaat ons hart er toch geheel in op. Wat is ons vleselijke hart verkleefd en geketend aan de tijdelijke en zinnelijke dingen! Wat een geneigdheid is er iedere dag, ieder uur om de afgoden na te wandelen: om ons ijdel gemoed te vermaken met zaken, welke voorbijgaan: om belang te stellen in de geringste beuzelingen, welke ons omringen: en om aldus de Put der levende wateren te verlaten, en onszelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. Wat een betoverende sluier is er ook vaak voor onze ogen: en daarom, wat is er een reeks van moeiten – wat een dagen, weken, maanden en jaren van beproeving nodig om ons ervan te overtuigen, dat de wereld ons thuis, onze rust en onze blijvende woning niet is.

Wij leven in een gevallen wereld: en daarom moet in deze gevallen wereld, verdrukking van de één of andere aard ons deel zijn. Wij worden geboren in een zondige wereld, en dragen een zondige natuur in ons om, welke op innige en op nauwe wijze verbonden is aan de wereld: en daarom al de boosheden, welke het onvervreemdbaar erfgoed zijn der wereld, worden ons tot onvervreemdbaar erfgoed door rechtvaardige overerving. De toorn Gods rust op de wereld, omdat deze in het ’’boze” ligt. En daarom komen wij als gasten in dit tranendal, onder Zijn tuchtigende hand. Maar de Heere maakt op een barmhartige en genadige wijze gebruik van de verdrukking, in verschillende gedaanten en vormen, om ons uit de wereld te voeren, opdat wij er niet mede veroordeeld zullen worden, nóch er onze rust en ons thuis van zullen maken. Aldus trekt Hij ons aan Zijn gezegende voeten, opdat wij in Hem die vrede mogen vinden, welke wij nimmer ergens anders hebben gevonden, en die we nooit ergens anders kunnen vinden. Maar wat een verschillende bronnen van verdrukking zijn er! Wanneer u en ik het hart voor elkaar konden blootleggen, wanneer wij onze verschillende oorzaken van verdrukking zouden kunnen vergelijken, wat zouden deze onderscheiden zijn: een ieder heeft evenwel zijn eigen lijdensweg, en een ieder zou wellicht kunnen denken, dat zijn verdrukking het moeilijkst te dragen was. Bijvoorbeeld:

1. Juist onze band met de wereld zal zeker verdrukking met zich meebrengen. Wanneer iemand een bezigheid in de wereld heeft, dan zal ditzelfde beroep, waardoor hij in zijn levensonderhoud voorziet, verbonden zijn met verdrukking. Er zullen zulke zorgwekkende bekommernissen zijn, en vooruitzichten, die vernietigd zijn; hoop, die teleurgesteld is, oninbare vorderingen en wel duizend moeitevolle omstandigheden zo met dezelfde bezigheid, welke hij uitoefent, verbonden zijn – zo innig vermengd met het aardse beroep, waarmede hij zijn dagelijks brood verdient, dat hij niet kan ontkomen aan de verdrukking uit dezelfde bron van zijn natuurlijke middelen van bestaan.

2. Wat bewijzen ook de nauwste familie-banden bronnen van verdrukking te zijn! Wanneer wij geliefde kinderen hebben, dan kunnen deze worden weggenomen, of deze kunnen opgroeien tot onze smart. Wanneer wij een liefhebbende wederhelft hebben, dan kan deze van onze tedere boezem worden gerukt. Onze hevigste smart kan voortvloeien uit onze meest geliefde en naast verwante maatschappelijke betrekkingen. En aan deze zaken is geen ontkomen. Geen wijsheid of vinding van ons kan dit alles voorkomen. Deze zijn zo beschikt door de Heere, deze zijn zo op onze weg gelegd, deze zijn ons zo om de hals gebonden, ze maken zo deel uit van hetgeen ons is toebedeeld, dat wij er niet aan kunnen ontkomen.

3. Voorts worden we, terwijl we in de wereld vertoeven, voortdurend verstrikt in het één of andere kwaad. Welhaast iedere blik is een middel om zonde in het hart op te vatten. Wij kunnen nauwelijks onze oren openzetten, zonder iets te horen om de verbeelding te verontreinigen en te bezoedelen. Wij kunnen nauwelijks denken, zonder dat die gedachte een zondige gedachte is. Wij kunnen nauwelijks spreken, zonder onder het gesprek iets zondigs, werelds, of zelfzuchtigs te mengen. En uit deze zaken vloeit de verdrukking voort. De zonde met het oog, of met het oor, of de zonde met het hart, of de zonde met de tong, dit alles brengt verdrukking met zich, want bij een kind van God volgt de smart altijd de zonde na, zoals de schaduw de zon volgt.

4. Wanneer we verder getrouwe volgelingen van het Lam zijn, dan zijn we er zeker van vervolging te lijden. Deze moge niet in die gedaante en vorm komen, als oudtijds het geval was. De Wet heeft vuur en brandstapel doen ophouden: maar ”de gesel der tong”, laster, smaad en kwaadsprekerij zijn niet tot zwijgen gebracht: en wij kunnen het inwendige martelaarschap ondergaan door de gesel der tong, zoals de gezegende martelaren het uitwendige martelaarschap verdragen hebben, toen hun rug met de zweep werd gegeseld, of hun lichaam in het vuur werd verbrand.

5. Doch daarenboven: zelfs onze innige banden met de Kerk van Christus, wanneer wij uit de wereld komen, zoals wij genoodzaakt zijn te doen, en we komen in nauwe vereniging met het huisgezin Gods – dan kan juist dit ons verenigen met Gods volk een bron van verdrukking zijn. Wanneer wij tot een kerk behoren, dan kunnen er hierin partijschappen zijn, en die zijn vaak van zeer pijnlijke aard. Wanneer wij geestelijke vrienden hebben, dan kunnen door hen sommige van onze scherpste smarten ontstaan. Wanneer we in nauwe en innige vereniging hebben gewandeld, zelfs met het volk van God, dan kunnen er zich omstandigheden voordoen om ons van hen af te scheiden, en wij kunnen de dag betreuren, toen wij voor het eerst met hen kennismaakten.

Aldus zijn er aan iedere zijde, van buiten en van binnen, bronnen van verdrukking. Ja, zelfs de lichamen, waarin onze ziel is gehuisvest, welk een kleinigheid kan die aardse tabernakels tot een bron van de scherpste verdrukking maken! Wat een bron van verdrukking kan het zijn gehele leven voor iemand zijn, wanneer zijn verstand ook maar in het minst gekrenkt is! Wat heeft de Heere ook juist in de tabernakels van leem, welke wij met ons omdragen, de zaden van ziekte en dood geplant! Zodat van buitenaf en van binnenuit, van de kerk en van de wereld, van lichaam en van ziel, van vriend en van vijand, van zondaar en van gelovige – uit iedere bron en hoek, de ellenden en verdrukkingen alle op de loer liggen om de kinderen Gods aan te grijpen. Aldus heeft een ieder zijn bescheiden deel: merendeels zoveel als hij dragen kan: merendeels genoeg om hem een leven van smart en bekommernis te doen leven – merendeels genoeg om hem zwaar terneder te drukken, en om hem ervan te overtuigen, dat hij in de wereld nooit iets anders dan verdrukking en beproeving kan en zal hebben. Maar is dit alles niet uit wijze redenen?

Durven we zeggen, durven we ook maar te denken, dat de Heere niet wijs is of onvriendelijk is in het beschikken van deze verdrukkingen? Was het niet de wille Gods, dat Zijn geliefde Zoon het lijden voor ons zou verdragen? Dronk Hij niet de beker der smarten tot op de bodem? Werd Hij niet gedoopt met de doop van lijden? En was Hij niet de Voorloper, opdat Hij in alles de Meerdere zijn mocht? Wanneer we dan ook Zijn voetstappen moeten drukken en Zijn beeld gelijkvormig moeten zijn, moeten wij dan niet met Hem lijden? Het Woord van God verklaart, dat wij met Hem moeten lijden, opdat we ook met Hem verheerlijkt mogen worden. Het is daarom nodig, onmisbaar nodig, dat ook wij door de verdrukking zouden doorgaan: want wanneer wij buiten de weg der verdrukking zijn, dan zijn we zeer zeker in alle opzichten buiten de weg.

Maar wat is het gevolg, het genadige gevolg, van deze ellenden? Ligt hierin niet een stem? Wanneer het oor geopend is, dan spreekt de verdrukking. Zijn er geen vruchten en gevolgen van een zeer heilzame aard, welke voortvloeien uit de verdrukking? Bijvoorbeeld: is ons hart van nature niet verkleefd aan de wereld? Hebben wij deze van nature niet lief en zijn we er niet aan gehecht? Als wij de afwisselende bewegingen van ons hart gadeslaan, gaan deze niet aldoor iets na, dat afgoderij is – iets om ons vleselijk gemoed te voldoen en te vermaken, om dit belang in te boezemen, in beslag te nemen, en te behagen? Kunnen wij een straatlengte gaan, zonder dat het vleselijk gemoed op enig voedsel uit is? Het is dan ook om deze vereniging te verbreken, om ons uit de wereld te leiden, en om ons te doen voelen, dat wij hier geen blijvende stad hebben, en dat hierin geen geluk kan worden gevonden, dal de Heere Zich genoodzaakt ziet verdrukking over ons te brengen: en een verdrukking van die bijzondere aard, als ons in alle ernst van de wereld zal afscheiden.

Wanneer wij de verdrukking doormaken, wat een arme, ijdele zaak schijnt ons de wereld dan toe! Wij hebben behoefte aan innerlijke vertroosting: de wereld kan deze niet geven. Wij hebben behoefte aan balsem op onze consciëntie. In plaats van die balsem erin te gieten, scheurt de wereld de randen van de wond eerder uitéén. Wij hebben behoefte aan een verzekering van de liefde Gods aan onze ziel: de wereld, verre van die verzekering te bevorderen, komt tussenbeide om de geopenbaarde goedertierenheid Gods aan het gezicht te onttrekken. Wij hebben er behoefte aan, dat er van een heilige, innerlijke vrede tot onze ziel wordt gesproken door de stem van het bloed der besprenging: de wereld dringt zich in tussen dat bloed en ons. Zodat wij verdrukking op verdrukking, beproeving op beproeving, bezoeking op bezoeking, slag op slag, droefheid op droefheid, smart op smart nodig hebben, ja en soms gevoelen dat wij deze nodig hebben, om die nauwe vereniging, welke er is tussen ons en de wereld te verbreken, en ons tot in het diepst van ons hart en consciëntie ervan te overtuigen, dat er geen rust, vrede, geluk, en geen vertroosting gevonden kan worden in iets, dat de wereld biedt.

Welnu, wanneer wij aldus geoefend worden met verdrukking in verschillende gedaanten en vormen, dan behaagt het de Heere vaak ons tot Hem op te leiden en ons van tijd tot tijd tot Hem te voeren, vurig verlangende en zuchtende, dat Hij die vrede tot onze ziel zou willen spreken, welke de wereld nóch kan geven, nóch kan wegnemen.

Bijvoorbeeld: worden wij ertoe gebracht te gevoelen, dat wij in een stervende wereld leven. Wij zien, als het ware, voor onze ogen aan iedere zijde mensen neervallen. Wij zien de zeis des doods er duizenden en tienduizenden neermaaien: en wij zijn wellicht bang, vrezende, dat wij de zaden des doods in ons eigen lichaam omdragen. Welnu onder deze oefeningen zien wij om ons heen. Wij zien niets in de wereld, dat ons een ogenblik vrede kan schenken: alles, alles is bedorven, verontreinigd, bezoedeld.

Daar is niets, dat onze ogen zien, of dat onze oren horen, dat één ogenblik echte vrede in ons hart brengen kan. Doch wanneer wij aanschouwen wie Jezus is, en wat Jezus is, als het de Heere behaagt ons een gezicht te schenken door het geloof, en Zijn woorden beginnen met een mate van zoetigheid en kracht in de ziel neer te dalen. En wij kunnen geloven, dat hetgeen Hij zegt onveranderlijk waar is: en als wij aan Zijn voeten komen, en onszelf voor Hem nederwerpen, wanneer het Hem slechts behaagt Zijn dierbaar Woord aan ons hart toe te passen, dan is er vrede – vrede in Hem, ofschoon verdrukking in de wereld.

Maar deze beide zaken gaan altijd tesamen. Niet zodra zijn wij uit de verdrukking, niet zodra is de bezoeking ons van de hals genomen, niet zodra houden de beproeving en de verzoeking op – of wat wordt er van ons? Heen gaan we, de wereld in. Geen steen, die is losgeraakt rolde ooit sneller naar beneden langs de zijde van een berg, dan wij regelrecht de wereld, de boosheid, de vleselijkheid, de verzekerdheid en de vleselijke rust binnensnellen, wanneer de hand Gods, door de bezoeking, beproeving of verzoeking, ophoudt ons te weerhouden. Zodanig is de neiging van ons hart, de verdorvenheid van onze gevallen natuur – de zonde, de vreselijke zonde – de boosheid, de gruwelijke boosheid, welke juist het voedsel, juist de ademtocht, juist het leven ervan is. Ons vleselijk gemoed is in alle opzichten één massa zonde.

Daarom, op het moment, dat God ophoudt ons te beteugelen, spoedt zich ons vleselijk gemoed heen in de tijdelijke en zinnelijke dingen. Daar kruipt het, daar verbergt het zich, daar zoekt het neder te liggen, en zich te wentelen als de zeug in het slijk. Doch dit kan nimmer zo zijn. In het kind van God is er die teerheid van consciëntie, die Goddelijke vreze van Zijn heilige Naam, dat bekommerde verlangen om oprecht te zijn, die bevende vrees om verkeerd te zijn: er is die schrijnende leegte, dat roepen en zuchten tot de levende God: en met dit alles vermengd, die onvoldaanheid met het eigen ik, dat, hoewel het vleselijke gemoed zich voor een tijd vermaken kan en er lust aan hebben kan, er toch datgene in zijn boezem is, dat een andere taal spreekt, en een andere lezing geeft. Daarom doet het eerste zuchtje van de verdrukking – de eerste toornige slag, de eerste slag van de gesel (want “de roede is voor de rug der zotten”), hem gevoelen hoe schuldig hij is geweest, door Ie hunkeren naar de vleespotten van Egypte, door zijn liefde op de wereld te zetten, door zo verdiept en in beslag genomen te zijn geweest door de wereldse zaken en zorgen. Aldus wordt hij ertoe gebracht te voelen, wat een ellendige afwijker, wat een smerige afgodendienaar hij is geweest, door de wereld toe te staan zulk een greep te verkrijgen op zijn genegenheden. Daarom komt hij, vol van schuld en schaamte weer tot de troon der genade, de Heere smekende Zichzelf aan zijn ziel te openbaren, om van vrede tot zijn consciëntie te spreken. Zijn vergevende liefde en verzoenend bloed aan het hart te verzegelen, en hem zo die vrede te schenken, die alle verstand te boven gaat.

Op deze wijze ervaren wij, dat er zulk een nauwe, zulk een innige betrekking is tussen verdrukking en vrede, dat deze nimmer kunnen worden vanéén gescheiden of losgemaakt. Ik ben ervan overtuigd, dat we, ik weet niet waar zouden heengaan, ware er niet de verdrukking. Sommigen van ons zouden regelrecht de wereld ingaan en opgeslokt worden in de zorgen en zorgvuldigheden ervan: sommigen zouden regelrecht tot de begeerlijkheden en vermaken snellen, welke hen overal omringen: sommigen zouden tevreden zijn met een ijdele belijdenis: een belijdenis zonder genade, of met een vorm van gezonde leerstukken in het hoofd: sommigen zouden plaatsnemen in het gestoelte des spotters, en vol zijn van trots en eigengerechtigheid. Doch beproevingen, oefeningen, ellenden, droefheden, kortom ’’verdrukkingen” in verschillende gedaanten en van onderscheidene aard, drijven ons naar huis, en brengen ons, in de hand des Heeren, op die alleen veilige plaats – aan de voeten van Jezus, aan de voetbank der genade, aan de troon der genade, opdat wij daar die vrede mogen ervaren en gevoelen, welke Zijn bloed alleen kan meedelen.

Maar de Heere heeft tot Zijn discipelen gezegd: ’’Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt.” Het is dus door ’’deze dingen” te geloven, door ’’deze dingen” met ons hart te geloven, en door de gezegende kracht van ’’deze dingen” in onze ziel te gevoelen, dat de vrede wordt medegedeeld. Wanneer ik kan geloven, dat ik een rank ben van de levende Wijnstok, dat ik een vriend van Jezus ben, dat Hij Zijn dierbaar bloed tot mijn verlossing heeft gestort: dat Hij aan mij Zijn gezegende Geest heeft geschonken om me in alle waarheid te leiden: dat, omdat Hij leeft, ook ik zal leven: dat Hij zal komen en Zichzelven aan mij zal openbaren: dat Hij is ”de Weg, de Waarheid en het Leven”, en dat ik door Hem toegang verkrijg tot de Vader: dat Hij is voorgegaan om mij een woning te bereiden, en dat Hij zal wederkomen en mij tot Zich zal nemen – wanneer ik ’’deze dingen” kan geloven, en er de zoete vruchten des geloofs uit kan voelen vloeien, moet ik dan, ja zal ik dan geen vrede vinden in Hem?

Maar hoe vaak verkeren wij in een toestand van middelmatigheid! Geen vrede in de wereld, en weinig vrede in Christus! De wereld, een plaats met weinig anders dan verdrukking en droefheid van buiten en van binnen: en evenwel, vanwege de werkingen van het ongeloof en de ontrouw, door de zwakheid van ons geloof, wegens de vleselijkheid van ons gemoed, door de verzoekingen van satan, verschillende inblazingen van binnen, dorheid en donkerheid van ziel, ofschoon wij tot Jezus komen. Zijn Naam aanroepen, proberen te geloven hetgeen Hij in Zijn Woord geopenbaard heeft, evenwel vinden wij niet die vrede, welke Hij heeft beloofd. Doch leert de Heere ons aldus niet, dat Hijzelf vrede in onze consciëntie moet scheppen, door Zelf van vrede tot onze ziel te spreken, en door op een barmhartige en genadige wijze Zijn liefde in ons hart uit te storten? Van één zaak ben ik heel zeker: wanneer ik ooit één ogenblik vrede heb gevonden, dan is dit ”in Hem” geweest.

Het moge van zeer tijdelijke aard zijn geweest, erg vergankelijk: maar onderwijl het duurde, was er vrede en die vrede was er ”in Hem”: niet in het eigen ik, niet in de zonde, niet in de wereld, maar ”in Hem” – door vereniging met Hem, door gemeenschap met Hem, door uit Zijn volheid te ontvangen genade voor genade en door een zekere openbaring Zijner barmhartigheid, goedertierenheid en liefde. Maar wanneer wij deze beide zaken met elkaar vergelijken, wat zijn de tijden van verdrukking dan lang! Wat zijn de tijden van vrede dan kort! Wat is de bezoeking dan duurzaam, wat is de blijdschap dan kortstondig! Hoevele rollende golven en baren van verdrukking! Wat een enkel ogenblik van ware, echte, duurzame vrede! Evenwel voldoende om ons aan te tonen, dat de vrede nergens elders wordt gevonden dan in Jezus, voldoende om ons iets te schenken van een voorsmaak der eeuwige vrede, en om ons te doen begeren deze in een aanzienlijker mate, op een volkomener, gevoeliger wijze te ontvangen, opdat ons hart er geheel mede bevochtigd moge worden, en onze vrede, naar Zijn gezegende belofte, moge vloeien als een rivier.

III. Doch de Heere voegt eraan toe: ’’Maar hebt goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen.” Toont dit niet aan, dat de wereld de Heere en het volk des Heeren tot een vijand is? En nimmer zozeer tot een vijand, nimmer zozeer te duchten, als wanneer deze komt in de gedaante van een vriend. Wanneer de wereld uw hart bekruipt, uw gedachten in beslag neemt, uw genegenheden wint, uw gedachten van God aftrekt – dan moet men er beducht voor zijn. Als wij de wereld in haar ware kleuren kunnen beschouwen: als wij door de wereld kunnen gaan, als zijnde in, maar niet van de wereld: wanneer wij ons hart op een zoete wijze kunnen verheffen tot de Heere, Zijn Woord kunnen overdenken, of tot Hem kunnen zuchten en roepen – dan is er weinig vreze, dat de wereld de overwinning behaalt. Maar wanneer onze ogen deze beginnen op te nemen: wanneer onze oren naar haar stem beginnen te luisteren: wanneer ons hart verstrikt wordt in haar bekoringen: wanneer onze gedachten vervuld geraken met haar zorgvuldigheden: wanneer onze liefde afwijkt van de Heere, en de tijdelijke en zinnelijke dingen aankleeft – dan moet men bevreesd zijn voor de wereld.

Wanneer de wereld ons als een vijand treft, dan behoeft men haar slagen niet te vrezen: het is als ze ons toelacht als een vriend, dat men er het meest beducht voor moet zijn. Maar de Heere heeft gezegd: ”Ik heb de wereld overwonnen.” U kunt in hoge mate verstrikt zijn in de zorgen van uw werk: juist het beroep, het noodzakelijke beroep, waardoor u uw dagelijks brood verdient, kan uw gedachten zeer in beslag nemen: maar de Heere heeft voor u gesproken: ”Ik heb de wereld overwonnen.” De bekommernissen van het werk, de zorgvuldigheden van dit leven zullen niet uw meester zijn, wanneer u iemand bent, die des Heeren is: Hij heeft de wereld voor u overwonnen. Doch u zult een zodanige verdrukking in uw bezigheid, zulke zorgen en bekommernissen hebben, in ditzelfde beroep, waardoor u in uw levensonderhoud voorziet, dat u er geen afgod van zult maken, nóch er uw genegenheden volkomen aan zult hechten.

U zult geen weg van voorspoed hebben: dit zou niet geschikt zijn voor u: u zoudt de wereld met beide armen omhelzen, en uw genegenheden zouden zich afkeren van de levende God. Daarom, hoewel de Heere u genoeg werk zal schenken om u op een genoegzame wijze te voorzien van het brood, dat vergaat, zullen er met dat werk zovele bekommernissen en zorgen, zovele twijfelmoedige gedachten, zovele ellenden van alle kanten vermengd zijn, dat u dit niet zult verafgoden, u zult het zien in zijn ware kleuren, als het middel om door dit leven te gaan – niets meer: u zult zien, dat u niet erop moet steunen en dat u het niet moet aanbidden: maar dat u er op een dankbare wijze gebruik van moet maken voor de korte tijd, dat u in dit tranendal bent. Aldus is het eveneens met al onze huiselijke betrekkingen.

Wij zijn zulke droevige afgodendienaars, en deze zelfde huiselijke betrekkingen bekruipen zo ons hart, dat de Heere kan toelaten, dat deze bronnen van leed en droefheid zijn, opdat onze liefde niet van Hem moge worden afgetrokken, en niet in alle opzichten gericht moge zijn op de dingen, die we van nature liefhebben. En zo ook met hetgeen men het vermaak der wereld noemt: ”De begeerlijkheden des vieses en de grootsheid des levens”, die zaken, welke ons voortdurend verleiden en terzijde aftrekken. Maar de Heere zegt: ”Ik heb de wereld overwonnen.” Deze zal u niet overwinnen. Wij mogen terzijde worden afgetrokken, wij mogen worden verstrikt, wij mogen de walgelijkste en afschuwelijkste zaken nawandelen: doch wij zullen zoveel pijnlijke gevoelens, zovele scherpe overtuigingen, zovele bedroevende gewaarwordingen hebben, dat wij met Efraïm zullen zeggen: ”Wat heb ik meer met de afgoden te doen?” (Hosea 14:9).

Er zal zijn een komen tot de Heere, een Hem weer aankleven met een volkomen voornemen des harten. Wij kunnen veel strijd en vervolging hebben te ondergaan, of onder de macht van meesters en meerderen zijn, en hun ongenade vrezen. Evenwel de Heere heeft gezegd: ’’Hebt goeden moed: Ik heb de wereld overwonnen.” Hij heeft deze door Zijn kruis onderworpen. Ze zal nooit de overwinnaar of meester van Zijn discipelen worden. Beschouw deze woorden. Zijn dit niet de woorden van de Waarheid Zelf? En stellen wij niet enigermate vast, dat er een Goddelijke wezenlijkheid in ligt? Wat is uw weg geweest? Is dit niet uw weg geweest, in meerdere of in mindere mate, sedert het de Heere voor het eerst behaagde, uw voet op de smalle weg te doen zetten? Verdrukking in de wereld: soms strijd en vervolging van goddeloze mensen: soms ellenden, verbonden aan onze verschillende plaatsen in het leven: soms de gesel der tong: en nog veel menigvuldiger het inwendige lijden, veroorzaakt door een hart, dat arglistig is, meer dan enig ding, ja dodelijk is het? De bronnen der verdrukking mogen erg onderscheiden, erg verschillend, erg menigvuldig zijn: evenwel niet één kind van God, dat hier aanwezig is, was vrij van verdrukking in de wereld, noch zal het er vrij van zijn, zolang het in de wereld leeft.

Doch laten wij voortgaan. Hebben wij vrede gevonden in Jezus, of vinden wij die ooit? Begeren wij daar vrede te vinden? Zoeken wij vrede, verwachten wij vrede te genieten van enige andere zijde? Durven wij, voor en enkel ogenblik te denken aan vrede in het eigen ik, in de wereld, of aan vrede in de zonde? Is ons hart zo op Jezus gezet, zijn onze ogen zo naar boven op Hem gericht, zijn onze zielsbegeerten zo gericht op de openbaringen Zijner genade en liefde, dat wij ervan overtuigd zijn, dat er geen vrede deze naam waard is, dan hetgeen in Hem gevonden wordt? Onze tijden van vrede mogen niet van langdurige aard zijn geweest – deze mogen van voorbijgaande, van zeer voorbijgaande aard zijn geweest: evenwel zoet, onderwijl deze duurden, en genoegzaam om aan te tonen, wat de ware vrede is: genoegzaam om ons te doen verlangen naar een klaarder openbaring ervan, en om ons te doen verlangen naar een volkomener genieting ervan. En nochtans besluit de Heere dit alles in de plechtige en gezegende verklaring, dat hoewel de weg, welke ons is aangewezen, welke ons is toebedeeld, er één is van verdrukking in de wereld. Hij deze evenwel heeft overwonnen. De zonde zal niet onze meester zijn, de wereld zal niet onze overwinnaar zijn, de tijdelijke en zinnelijke dingen zullen niet de overwinning over ons behalen. Moge Hij ons een zoete verzekering geven, dat Hij onze krijgen zal krijgen; en ons meer dan overwinnaars zal doen zijn. Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.