Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De blijvende Trooster

Leerrede over Joh. 14: 16, 17: En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.

Welk een avond moet het geweest zijn, die vooraf ging die gedenkwaardige nacht, in welke de Heere van leven en heerlijkheid grote droppelen bloed zweette, in de hof van Gethsémané – dien ijselijke nacht, welke vervangen werd door de nog meer schrikwekkende dag, op welke de Zoon van God aan het vervloekte kruishout genageld wordt! Konden we de tijd van meer dan achttien eeuwen terug gaan, en ons in de geest verplaatsen in Jeruzalems straten, o, wat tonelen zou ons verbaasd oog aanschouwen!

Wij zouden de stad vervuld zien met menigten, zo van eigen inwoners als vele vreemdelingen, die van heinde en ver gekomen waren om het Pascha te houden; en wij zouden deze hopen volks beroerd en vol beweging zien, gelijk aan ene onstuimige zee, in verwachting dat er iets belangrijks stond plaats te grijpen. Uit het gemurmel van deze zouden wij ontdekken, dat ze halverwege overtuigd zijn, dat Jezus van Nazareth de beloofde Messias is; maar het merendeel is vol vijandschap en vooroordeel tegen Hem, omdat Hij niet kwam gelijk zij verwacht hadden, in al de kracht en koninklijke Majesteit, welke de macht der afschuwelijke Romeinse adelaars vermocht te fnuiken.

Wij vonden wellicht Pontius Pilatus, de Romeinse landvoogd, aan zijn avondmaal, temidden van de vervrolijkende wijn, niet denkende aan het gewichtig aandeel, hetwelk hij staat te hebben in de grote gebeurtenis, welke op morgen zal plaats grijpen. Overpriesters, Farizeeën en Schriftgeleerden zouden we vergaderd vinden in de geheime raadszaal, aanslagen leggende tegen het onschuldige Lam Gods, om het te doden; en tegelijk zouden we ontdekken ene duistere gedaante al heen en weer gaande, – een door het rechtvaardig vonnis Gods tot het eeuwige verderf gedoemde, – de verrader Judas, zijn onheilige handen uitstrekkende naar de aangeboden prijs des bloeds.

Doch wendden we onze ogen af van deze, dan troffen wij in ene afgezonderde opperzaal de gezegende Heere aan, zittende in het midden van Zijn elf getrouwe discipelen, hen toesprekende om hun bedroefde harten te vertroosten, in deze genadige woorden, welke door de Heilige Geest bewaard zijn geworden in het Evangelie van Johannes, waaraan wij een gedeelte ter van onze lering en vertroosting voor ons hebben.

Het is zo, wij kunnen ons daar niet in Zijn gezelschap verplaatsen; wij kunnen Zijn persoonlijk aangezicht niet zien noch Zijn natuurlijke stem horen, maar wij kunnen, met Gods hulp, wel met heiligen eerbied en plechtige aandacht luisteren naar de woorden, welke in dien gedenkwaardige avond van Zijn lippen vloeiden. En als het de Heilige Geest behaagt mijn lippen met Zijn genadevuur aan te raken, en uw oren en harten te zalven met dezelfde Goddelijke kracht, dan zal ik heden spreken en gij horen tot voordeel, onderwijzing, stichting en vertroosting van onze zielen.

De Heere Jezus Christus, voor Wiens alwetendheid niets verzegeld was, zag de droefheid van het hart van Zijn Discipelen. Hij had gezegd hen te zullen verlaten, en de gedachte aan Zijn vertrek brak hun harten. Zijn tegenwoordigheid was zo gezegend; Hij had hen getroost in hun verschillende benauwdheden tot een schild verstrekt tegen al hun vijanden – hun Zijn genade en waarheid ontdekt en Zijn heerlijkheid geopenbaard, zodat Zijn heengaan hun harten aandeed, als een verlies van alles bij alles.

Weinig dachten ze aan de wijze van Zijn heengaan, en onmogelijk konden zij zich het toneel van de volgende dag voorstellen: want de diepe verborgenheid des kruises was toen nog voor hen verborgen, en zij zagen daarin voor hun Meester niets dan angst en schaamte, en voor hen zelf ene gehele vernietiging van alle hoop.

Om nu hun bedroefde harten te vertroosten, lag Jezus deze grote waarheid voor hen neer, dat het nut was, dat Hij wegging, want anderszins zouden zij de beloofden Trooster niet ontvangen, Die eeuwig bij hen zou blijven. En ziedaar het voorname punt, waarbij wij naar onze tekstwoorden met Gods zegen wensen stil te staan. Daartoe bepaal ik achtereenvolgens uw aandacht bij:

I. De gezegende Geest der belofte; waarbij ik hoop aan te wijzen, waarom Hij genoemd wordt: Trooster, en Geest der waarheid.

II. Dat de wereld dien Geest niet kan ontvangen;” want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet.”

III. Dat Gods gunstgenoten Hem kennen, en wel door een persoonlijk werk aan hun harten en gewetens.

IV. De zoete belofte, dat Hij bij henlieden blijft, en in hen zal zijn.

I. De Heere Jezus spreekt hier van de gave des Heiligen Geestes als eerste vrucht Zijner verhoging aan ‘s Vaders rechterhand. “En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u enen anderen Trooster geven.” Merk op het woord, “geven”, en ene schier evengelijke uitdrukking: “zenden”: Maar de Trooster, de Heilige Geest, welke de Vader zenden zal in Mijn naam.” Ik lees daarin niet, dat de Heilige Geest of enige van Zijn gaven en genaden verworven werd door het verzoenend bloed des Lams, hetwelk dikwijls zo gezegd wordt – maar dat zij de vruchtenwaren Zijner Middelaars verhoging.

De gift van de Heilige Geest en Zijn Goddelijke zending waren zowel een gedeelte van het genade verbond, als de gift en zending van Gods Zoon. Wedergeboorte en heiligmaking zijn tot de ingang in de Hemel der ziel even noodzakelijk als verlossing en rechtvaardigmaking; en waren de eerste uit het verbond der genade uitgelaten, dan zou verlossing nutteloos geweest zijn, want zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien.” (Hebr. 12: 14.)

Trouwens, de Heilige Geest, als een Persoon in de Drie-eenheid, is zowel een Partij van het eeuwige verbond als de Vader en de Zoon, en het zou wel niet met de waardigheid van Zijn Persoon bestaanbaar zijn, wanneer Hij, met Zijn gaven en genade, door het verzoenend bloed des Zoons Gods moest verworven worden. In het, eeuwige verbond, dat is alles welgeordineerd en bewaard is”, zijn de gaven en genaden des Geestes zowel besloten als de uitverkiezende liefde Gods des Vaders en het verlossende bloed des Zoons; en daarom heeft dat alles dezelfde grond.

Doch men versta mij wel. Het lijden en sterven van Christus was het bestemde kanaal, door hetwelk de gaven en genade des Geestes zouden komen. Maar voor Zijn dood konden zij niet gegeven worden, want in orde gaat verlossing voor heiligmaking, wegneming van zonde voor ontdekking van barmhartigheid, het offer gebracht voor het ontvangen van deszelfs verdiensten en weldaden; maar dit zegt in geen dele, dat de ene door de andere verworven is, of omdat het voor gaat dezelve gekocht heeft.

De bloedstorting van de Zoon van God baande de weg, langs welke God, behoudens al Zijn volmaaktheden, de gaven en genaden des Geestes kon geven aan Zijn volk. Ook spreekt onze tekst niet van kopen of verwerven, maar van geven, en dit ene sluit ten enenmale het andere uit. Mijns inziens dus is de gift van de Trooster en alles wat daarmee in verband staat, de eerste vrucht van Jezus Voorspraak: jk zal de Heere bidden.”

O, welk ene heerlijke beschouwing opent zich voor ons oog, indien wij ingeleid worden in de gewesten van de hemel, ziende een tussentredende Hogepriester aan de rechterhand Gods! Dit werd heerlijk afgeschaduwd in de groten verzoendag onder de Levietische wet. Op dien plechtige dag ging de hogepriester in het Heilige der heiligen met fijn gestoten wierook, welke hij strooide op vurige kolen, genomen van het koperen altaar, welke met zijn geur en rook als ene wolk het Heiligdom vervulde, terwijl hij met het bloed van stieren en bokken tot God naderde: de kolen verbeeldden Gods wraak en de fijn gestampte wierook de verbrijzelde mensheid van Christus.

De geur van Zijn werk, lijden, bloed en gehoorzaamheid op aarde vervulde de Hemel als met ene eeuwige, altijd durende wolk, gelijk de Profeet in een gezicht zag, dat het huis des Heeren vervuld was met rook. (Jes. 6: 4.) Wanneer dan de gezegende Heere zegt: Ik zal de Vader bidden”, dan behoeven wij juist niet te menen, dat dit met ene hoorbare stem geschiedt. Zijn tegenwoordigheid in de Hemel is bidden. Hij leeft altijd, om voor ons te bidden.” Zijn tussenkomst werd mee liefelijk afgeschaduwd in de handeling Aärons, toen bij het wierookvat nam en vuur daarin deed van het altaar en reukwerk daar op lag, en aldus stond tussen de doden en de levenden. (Num. 16: 46-48.) In deze zin bidt Jezus de Vader; en de eerste vrucht van Zijn voorspraak is de gift van de Trooster, gelijk op de Pinksterdag treffend aanschouwd werd, en telkens bevestigd wordt, wanneer een zondaar met de tegenwoordigheid en genade des Geestes gezegend wordt.

A. Doch laat ons, met Gods zegen, meer van nabij des Heeren woorden beschouwen, in welke wij meer onderscheiden zullen vernemen, wie en wat deze Trooster is. De Heere Zelf was bij Zijn omwandeling op aarde de Trooster van Zijn volk. Toen hadden ze dus geen anderen nodig, maar bij Zijn heengaan moesten ze iemand in Zijn plaatshebben, die datgene voor hen kon zijn, wat Jezus geweest was. Hoe duidelijk wijst ons dit de Godheid en persoonlijkheid van de Heilige Geest aan!

De Persoon van Jezus was eenmaal hun Trooster en Schild; en daarom moest Zijn plaats door een Persoon vervangen worden. Wat toch is hierbij een invloed, ene uitvloeiing, ene kracht, of enig andere mindere vertroosting? Ook moest de plaatsvervanger vau Jezus God zijn en Hem evengelijk, zou Hij voor hen wezen wat Jezus hun geweest was. Laat ons derhalve de Godheid en Persoonlijkheid des Geestes vasthouden; want zij die Hem als zodanig loochenen hebben deel noch lot in Zijn onderwijzing en vertroosting, wederbaring en heiligmaking.

1. Hetgeen Jezus discipelen behoefden, hebben al Gods volk nodig, een Trooster, die van vrede tot hun harten kan spreken die ben kan. ondersteunen in de vele en verschillende benauwdheden, welke zij hebben door te gaan en wel door ene inwendige vertroosting, als daartoe een krachtig middel. Hier ligt het grote verschil tussen de vertroosting, die de wereld geeft en welke de Heilige Geest meedeelt.

De wereld heeft ook haar vertroostingen, ja wij worden allerzijds omringd door aardse troosters; maar deze spreken niet van vrede en vergeving tot ene schuldige consciëntie – zij kunnen niet het geringste deeltje der schuld van een belaste ziel wegnemen zij kunnen geen lieflijk voorsmaak of eeuwige vreugde geven, wanneer het einde des levens komt; – zij kunnen de stervenssponde niet zacht maken, de dood zijn prikkel noch het graf zijn overwinning roven. Hier vooral zijn alle dingen ontoereikende buiten de vertroostingen van de Heilige Geest.

2. Daarenboven zijn de heiligen Gods merendeels geroepen vele verdrukkingen en beproevingen door te gaan in dit tranendal. God zelf beschrijft hen als een ellendig en arm volk, dat op de naam des Heeren vertrouwt. (Ze£ 3: 12.) Door vele verdrukkingen gaan zij in het Koninkrijk. (Hand. 14: 22.) En omdat deze beproevingen en druk meest inwendig zijn, zo behoeven zij een innerlijke Trooster, om hen te ondersteunen onder deszelfs druk en gewicht. Velen van ‘s Heeren volk zijn zeer gedrukt met schuld en gemoedsangst, ten opzichte van hun zondigen tegen een heilig God.

Kunnen aardse troosters u in deze benauwdheden ondersteunen? deze last van schuld wegnemen? olie en wijn in het gewonde geweten gieten? geenszins; zij hebben ene verlossing, een middel, ene vertroosting nodig voor hun zaak, en gelijk dit boven alle mensen hulp is, zo kan niemand dan de Trooster, de Heilige Geest, die in hun ziel brengen. Geestelijke krankheden liggen te diep voor enig ander geneesmiddel. De hand welke de pijl schoot kan ze ook alleen uittrekken. Er wordt een wee uitgesproken over hen, die de breuk van Gods volk op het lichtste helen (Jer. 6: 14) en alleen Hij dus, die gezondheid en genezing doet rijzen, kan der ziel overvloed van vrede en waarheid openbaren. (Jer. 33: 6.)

3. Maar boven deze beproevingen, die bovenal een Trooster noodzakelijk en Zijn komst gezegend maken voor Gods volk, hebben de meesten hunner vele en menigerlei bezwaren op hun weg. In de voorzienigheid doen zich omstandigheden voor verbonden met hun werk en bezigheid, die hun gemoed zeer beproeven. Ook met hun familie is het niet alles gelijk zij wel wensten. Zij kunnen met David reden van klagen hebben, dat hun huis zo niet is met God, dat is, zo gezegend en beweldadigd als hij zelf was.

Zij zouden zo graag hun kinderen zien wandelen op de nauwe weg, die ten leven leidt; doch zelden valt hun die gunst ten deel. Gelijk David had te treuren over de wellustigen Amnon en de rebellerende Absalom; alzo zijn er onder Gods volk, die wenen over lage, ongebonden, ongehoorzame kinderen, welke de roede niet kan bedwingen noch vriendelijkheid veranderen.

Onder deze beproevingen hebben zij bijzondere ondersteuning nodig, om hun gemoed in onderwerping aan Gods vrijmacht te brengen. Gelijk Aäron berustte bij het zien, dat zijn twee zonen door het vuur des Hemels verteerd waren (Lev. 10: 1, 2); en gelijk David ene gezegende overtuiging had, dat de Heere hem een eeuwig verbond gesteld had, schoon zijn huis zo niet met God was als hij wel begeerde; alzo hebben Velen van Gods meest beweldadigde kinderen hun mond voor Hem in het stof te steken in plechtig zwijgen en onderwerpen aan Zijn heiligen wil.

Maar kunnen zij dat doen buiten bijzondere genade? Hebben zij schier boven alle anderen niet de Trooster nodig, om hen te ondersteunen onder zulke hartverscheurende beproevingen? Wie anders kan de murmurering van hun rebellerend hart doen zwijgen, en het onderworpen doen zijn aan die treffende slagen?

4. Ook zijn er onder de uitverkorenen van God niet weinigen, die de bitteren kelk der armoede hebben te drinken, – hard arbeiden om het brood, dat vergaat. Maar dat brood is schaars, en hun gemoederen zijn vervuld met angst voor de toekomende morgen met zijn nieuwe behoeften. Deze hebben evenzeer enen inwendige Trooster nodig om hun gruwelijkheid en murmureringen te stillen, en hun voor ogen te houden, hoe hun Meester” niet had, waarop Hij het hoofd kon neerleggen,” hoe Hij een man van smarten was, en de wereld doorging als een arme, verachte timmermanszoon.

Armoede is ene der grootste aardse beproevingen, en is bijzonder geschikt het ongeloof te voeden, en met nijd en afgunst vervuld te worden tegen hen, die meer gunstig bedeeld zijn. Maar de gezegende Geest, de Trooster, kan elke murmurerende gedachte onderwerpen, en de ziel zo met inner. lijken troost zegenen, dat armoede en gebrek hun scherpte verliezen, en een droge bete met ‘s Heeren zegen wordt aangenamer spijs, dan al de lekkernijen onder welke de tafelen der rijken zuchten.

5. Anderen van het volk van de Heere lijden onder lichaamsongemakken. Pijn en andere ongemakken aan maag, long en dergelijke, zwakke zenuwen, ja menigvuldige kwalen treffen deze en genen. Dit veroorzaakt vaak inwendige opstand, gemelijkheid en ontevredenheid, de schier altijd meegaande gezellen van ene slechte gezondheid.

Daarom hebben zij een Trooster nodig, om hen te ondersteunen bij een verdrukten tabernakel; en bij de gedurige herinnering van de korte tijd, die hun wellicht overig is, de kracht der genade in hen alzo te openbaren, dat gelijk “de uitwendige mens verdorven wordt, de inwendige vernieuwd wordt van dag tot dag.”

6. Doch de tijd zou ons ontbreken de talloze beproevingen en verdrukkingen van het volk van de Heere op te tellen. Zij hebben verzoekingen, in sommige gevallen moeilijker te dragen en bijzondere hulp behoevende. Bun arglistig, onbestendig en Goddeloos hart spant gedurig strikken, waarin hun wankelende voet zo licht verward raakt; en helaas! maar al te dikwerf hebben zij, tot hun schaamte en smart, de waarheid van deze woorden toe te stemmen:

Slechts zelden ziet ons oog de strikken
Voor dat haar smart wordt gevoeld.”

Ook de satan verzoekt hen gedurig tot wanhoop, mistrouwen, zo niet tot zelfmoord, en benauwt vaak hun gemoed door influistering, die, schoon zonder grond, soms op een zekere grondslag schijnen te rusten. Onder deze verzoekingen hebben zij bijzonder de vertroosting en ondersteuning van Gods Geest nodig; want deze alleen kan onder de zware last der verzoeking opbeuren en tot hun benauwd gemoed van vrede spreken.

B. Maar de Heere noemt de gezegenden Trooster met enen anderen naam; Hij noemt hem; Geest der waarheid.” Wij zijn omringd van dwalingen; het vleselijk hart is er vol van; en waar waarheid is, daar is ook dwaling. Een deksel van onkunde ligt van nature over het gemoed, door hetwelk geen lichtstraal kan dringen. De mensen hebben misslagen – ik bedoel Godsdienstige misslagen – lief; want Gods eigen getuigenis luidt, dat zij de duisternis liever hebben dan het licht, omdat hun werken boos zijn.” (Joh. 3: 19.)

Zij willen misleid zijn, en haten de hand, die het bedrog wil ontdekken. En als zij omgeven zijn door nevelen van dwalingen, hoe zouden zij de weg der waarheid vinden? Jehovah de Geest kan deze wolken verbreken, deze nevelen doen optrekken, en dit deksel van ongeloof en onwetendheid wegnemen; en dit is Zijn heilige bediening volbrengen, want Hij is de “Geest der waarheid.”

1. Maar waarom heeft de Heere Hem genoemd: de Geest der waarheid? – Omdat het Zijn koninklijk recht is waarheid aan de ziel te ontdekken, in het hart te graveren, en Gods volk er levendig en bevindelijk mee bekend te maken. Ik zeg, levendig en bevindelijk, omdat wij de waarheid in de letter kunnen kennen zonder de onderwijzing des Geestes. Wij kunnen ene rechtzinnige belijdenis hebben – een vorm der woorden, met de uitwendige openbaring der Schrift volkomen bestaande; maar dit zal heiligen noch behouden. Verstandskennis brengt geen verlossing van ‘Schuld, vuilheid, liefde, kracht en oefening der zonde; brengt de ziel niet tot God; weert de duivel niet af; richt het Koninkrijk Gods niet met kracht op in het hart. Wij hebben ene betere onderwijzing nodig.

Wij hebben” de Geest der waarheid” nodig, wiens bijzondere bediening het is, de waarheid Gods te openen, te ontdekken, bekend te maken, toe te passen en te verzegelen met Zijn eigen genadige werking, Goddelijke invloeden en heiligende kracht aan het hart en de consciëntie. Gij, die de Heere vreest, vindt gij soms in uw zielen niet ene Egyptische duisternis, zodat er geen straaltje licht tot uw binnenste doordringt? Vanwaar dit naar gevoel, dit neerzinken der ziel onder die kracht der duisternis? – Omdat de Geest der waarheid u overtuigde van uw aangeboren duisternis van het hart, en u vertoonde, dat ze steeds zo diep als ooit over uw vleselijk gemoed verspreid lag.

Bedenkt dit, dat het bedenken des vleses altijd “vijandschap Gods is, en de duisternis het ganselijk bezit: want gelijk liefde licht is, alzo is vijandschap duisternis, en het licht des levens dringt niet meer door het vleselijk gemoed, dan de, liefde Gods. Licht in uw geestelijk gemoed doet de duisternis zien; onderwijzing Gods in de ziel doet zuchten en kermen onder de duisternis. En onder dat zuchten gevoelt gij de volstrekte noodzakelijkheid van de Geest der waarheid, om de waarheid Gods aan uw ziel te ontdekken, te openbaren en toe te passen, want gij kunt uzelf zo weinig licht geven als geloof of liefde. Doch door rijke en onuitsprekelijke genade zijn er tijden, dat geestelijk licht in de ziel schijnt.

Gij leest de Bijbel met verlichte ogen, kracht en zoetheid schijnt als met rijke zalving door het Woord der waarheid te stromen; en uw vertederd hart en bevochtigd oog leert de waarheid zo klaar voor uw verstand als de zon op de middag. Gij verwondert u, dat iemand aan de waarheid Gods kan twijfelen of haar loochenen, zij is u zo duidelijk, dat de voorbijganger zou haar kunnen lezen. En waarom? – Omdat de Geest der waarheid haar ontdekte aan uw verstand en toepaste aan uw hart.

Het is vreemd, hoe iemand de Bijbel kan lezen en loochenen Christus Godheid, Zijn eeuwig Zoonschap, het verzoenend bloed, toegerekende gerechtigheid, Stervende liefde van het Lam Gods: – loochenen het verbond der genade, Gods uitverkiezende liefde, de volkomen zaligheid door Gods Geliefden gewrocht, en het wederbarend werk van de Heilige Geest. Maar ziet, de zake is u duidelijk, omdat de Geest der waarheid uw ziel verlichtte, de Heilige Schrift in uw ziel waarheid maakte, en met Goddelijke kracht aan uw hart openbaarde. Als de Geest der waarheid maakt Hij Gods Woord geest en leven, aan de ziel.

2. Doch boven, dat gij soms de waarheid Gods duidelijk ziet, mocht gij haar ook zowel geloven. Er is Goddelijke beweging in de ziel, waardoor uw hart onder de heiligen indruk en invloed van Gods waarheid gebracht wordt. Uw hart vertederd zijnde, ontvang de waarheid Gods gelijk het gesmolten was het zegel en het leem de bereiding des pottenbakkers.

Is het niet, omdat de Geest der waarheid bij de verlichting van uw verstand ook uw consciëntie levendig maakt, uw hart vernieuwt en Zijn Goddelijke invloed in uw ziel geeft? De waarheid op zich zelf mag levend zijn, nochtans is bij haar, tot wederbaring en vernieuwing, de Geest der waarheid nodig, om met Zijn almachtige werking te doen, wat de profeet zag geschieden in de vallei vol doodsbeenderen. (Ez. 36.)

3. Onder deze heilige en geestelijke invloeden schijnt uw consciëntie soms wonderlijk bewrocht te worden. Het kwaad der zon. de ziet gij met nooit gekende klaarheid. Uw consciëntie bloedt onder haar gewicht en schuld. Gij ziet haar kwaad en vreselijkheid, hoe afschuwelijk, hoe verfoeilijk! Zij zou u nu schier bloed tranen doen wenen. Uw af keringen schijnen u bergen van ongerechtigheid. De Goddeloosheid uws harten is u ontdekt, en, neen, er kan op aarde zulk een ellendige niet zijn.

Uw verdorven natuur ziet gij in haar vuilheid en jammer; en het is u een wonder, dat de lankmoedigheid Gods u zo lang droeg in de woestijn. Ja, tranen zijn de tolken van uw hart; uw binnenste slaakt boetvaardige zuchten; en gij zoudt schier u dood wenen, vanwege uw zondigen tegen zulk ene liefde en bloed. Van waar dit alles? de Geest der waarheid werkt aan uw consciëntie en zondegevoel is Zijn werk.

4. Ook zijn er tijden, dat uw hart op ene bijzondere wijze tot de Hemelse dingen uitgaat. Het is als of ene levende kool van het altaar uw innerlijke genegenheden heeft aangeraakt. Door ‘t geloof ziet gij Jezus aan de rechterhand des Vaders, uw hart gaat tot Hem uit in liefde en toegenegenheid; gij hebt Hem lief met al de vermogens van uw ziel, en begeert te leven tot Zijn prijs en te sterven in de zoete genieting Zijner liefde, uitgestort in uw hart.

En evenwel gevoelt gij Hem hier op aarde nooit naar waarde te kunnen lief hebben. Trouwens daartoe is nodig ene onsterfelijke tong en ene verheerlijkte ziel om Hem te loven en Zijn liefdes uitlatingen te bevatten. Van waar dit alles? omdat de Geest der waarheid liefde in uw hartsgenegenheden werkt.

Alzo is door de Geest der waarheid de verlichting des verstands, het leven van het hart, het gevoel der consciëntie en de liefde der genegenheden; en door deze vier dingen wordt Hij de gelovigen levend en bevindelijk bekend als de Geest der waarheid, De letter der waarheid noch ene rechtzinnige belijdenis kan dit alles voortbrengen.

Neen, woorden op zichzelf reiken zo ver niet, zij dringen buiten de Geest der waarheid niet in de diepten van het hart, daarom moet Hij de zondaar wederbaren, vernieuwen en heiligen tot ene levende vereniging en gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid: want “die de Heere aanhangt is één geest met Hem”; en dit wordt hij door de doop van de Heilige Geest, makende hem een levend lid van Christus lichaam.

II. Maar ik ga voort om aan te tonen, hoe de wereld denkt, spreekt en handelt ten aanzien van deze beloofden “Trooster”, – deze “Geest der waarheid.” De Heere zegt: ” Welke de wereld niet kan ontvangen”. Even als toen, zo ook kan de wereld nu de Trooster, de Geest der waarheid niet ontvangen, want zij is te vol van zonde en eigen zelf, In een volle kruik met modderig water is geen ruimte voor rein water; noch kan goud, zilver of kostelijke stenen plaats vinden in een vat ten boorde met klei gevuld.

De wereld is vol – vol van hoogmoed, onkunde, vooroordeel, eigen gerechtigheid, ongeloof en zelfgenoegzaamheid. Wat ruimte zou er dus voor de Geest der waarheid zijn? “Mijn woord heeft in u geen plaats”, zegt de Heere tot de Farizeeën. Hun harten waren er voor gesloten, zij konden het dus niet ontvangen. Maar de Heere geeft er Zelf twee redenen van op, waarom de wereld de Geest niet kan ontvangen: 1e zij ziet Hem niet; en 2e zij kent Hem niet.”

1. De wereld, dat is, de wereld dood in de zonde, en dood in ene belijdenis – mensen, geheel verstoken van het leven en de kracht Gods, moeten iets hebben dat zij kunnen zien. Hetgeen zij niet zien, kunnen ze niet ontvangen. Natuur, rede, verstand gaan nooit buiten aardse dingen; zonder geloof dus zijn de mensen geheel onder de invloed van hun natuurlijk gemoed, en omdat Hemelse dingen alleen met Hemelse ogen gezien worden, zo zijn ze onvatbaar om onzichtbare dingen te beschouwen.

Dingen tegenwoordig voor hun natuurlijk oog, of met hun redelijk verstand te bevatten, kunnen ze ontvangen; daaruit verklaart het zich, dat ene Godsdienst, enigszins schoon en voldoende aan het natuurlijk oog, door de wereld altijd aangenomen wordt; terwijl ene geestelijke, innerlijk hartgevoelige en bevindelijke Godsdienst altijd geminacht wordt.

De wereld kan ontvangen ene Godsdienst bestaande in vormen, gebruiken en ceremoniën. Deze dingen zijn zichtbaar. Schone gebouwen, beschilderde vensters, sterke orgels, welluidende koren, de staatsie en pracht van aardse priesters en een hele toestel van plechtigheden, hebben iets wat het natuurlijk oog kan zien en bewonderen, en daarom ontvangt de wereld zulk ene eredienst, als gepast voor het natuurlijk gemoed en redelijk vermogen.

Maar ene inwendige, bevindelijke, geestelijke Godsdienst, niet met het natuurlijk oog te zien, maar door Goddelijke bewerking in het hart gewrocht – de wereld kan ze niet ontvangen, omdat zij niets heeft voor het natuurlijk oog om op te zien noch voldoet aan het algemene denkbeeld van wat Godsdienst is.

2. Zij ” kent Hem niet”. De wereld kent niets van Goddelijke vertroostingen, omdat zij niets weet van geestelijke smart en droefheid. Verhard in de zonde, zorgeloos in eigengerechtigheid, of vol van ene ledige belijdenis, ach! wat zouden de mensen zich bekommeren over een inwendige Trooster? Hun Godsdienst, zoals ze is, kostte hun nooit een uur ongemak, of vernederde hun hart niet in benauwdheid en angst.

Wanneer naar Paulus’ regel de vertroosting Van Christus naar het lijden Van Christus overvloedig is (2 Kor. 1: 5), dan kan er zonder lijden geen vertroosting zijn. En zelf onbekend met ene inwendige vertroosting des Geestes, kunnen zij niet geloven dat Gods gunstgenoten daaraan kennis hebben. inbeelding, dweperij, zotheid; stijfhoofdigheid, belachelijke onzin, schijnheiligheid, hoogmoed” – deze en dergelijke schimpnamen bewijzen de af keer van en toorn tegen dien Godsdienst, welke voornamelijk bestaat in de liefde en kracht van de Heilige Geest. En waarom?

Uit onkennis aan de vertroosting die Gods kinderen deelachtig zijn, en vervreemding van het werk en de getuigenis van de Geest der waarheid in eigen hart en consciëntie. Verwondert u dus niet, dat wereldse belijders ene Godsdienst, door Gods kracht in de ziel gewerkt, versmaden; dat uw betrekkingen zelfs u voor krankzinnig houden, wanneer gij spreekt van vertroostingen des Geestes of van de onderwijzingen Gods in uw ziel. Zij kunnen deze dingen niet aannemen, want zij ondervinden ze niet, en hun vleselijk gemoed ten enenmale er tegen gekant zijnde, verachten zij ze met vijandschap en hoon.

Het is vreemd, dat mensen, die de Bijbel lezen en horen zich zo dodelijk tegen de duidelijke inhoud ervan stellen. De eigen woorden van onze Heeren, zouden door duizenden voor inbeelding en dweperij gehouden worden, indien ze niet de Zijn waren, want bij hun toepassing op heden, wekken ze bij menigten een storm v n verontwaardiging op. Zo lang ze in de Bijbel staan draagt men ze; – het zwaard in de schede verwondt niet, maar het ontblote zwaard snijdt te diep in dan dat het geen vijandschap tegen zijn scherpe snede zou openbaren. Zo was het toen de Heere ontdekkend sprak, en heden ten dage is het even gelijk.

Maar indien de Heere u deze Goddelijke Trooster gaf te zien en aan te nemen, prijst, zegent en aanbidt uw God en Vader en genadigste Weldoener, voor Zijn onderscheidende genade u bewezen, dat gij door liefelijke onderwijzingen Hem kent als uw Trooster en door aanneming in uw consciëntie als de Geest der waarheid. Wat dan soevereine, rijke, vrije, overvloedige genade onderscheidt u van anderen?

Buiten die Goddelijke werkingen aan uw ziel zoudt ook gij nog van de wereld zijn, uw hart verhardende tegen al wat goed en Goddelijk is, wandelende in de hoogmoed en onwetendheid van ongeloof en eigengerechtigheid, totdat gij nederdaalde in de kamers des doods. 0! het is vrijmachtige genade, elke Hemelse vertroosting in uw ziel; elke ondersteuning in smart en benauwdheid door het werk en de getuigenis van de Heilige Geest; elke troost van een toegepaste belofte, van ene verzegelende getuigenis van een waarheid, van een ontdekking van de liefde en het bloed Van Christus, of van een gemeenschap van vrijheid, blijdschap of vrede, gelijk die de vrucht is van het werk en de invloed van Gods Geest.

Het kan weinig geweest zijn, of reeds geruime tijd geleden; toch was het u een proefje van derzelver zaligheid, en maakte u verlangende naar vernieuwde bezoeken. Doch onderzoek het wel en nauwkeurig of het in wezen is, en of gij, gewogen in de weegschalen des Heiligdoms, er genoegzame grond voor hebt, dat uw aangenomen troost van de Trooster en uw geloofde, gevoelde, beleden waarheid van de Geest der waarheid is. En zo kom ik tot ons derde punt.

III. Het onderscheid, dat de Heere tussen Zijn discipelen, en met hen al Gods volk, en de wereld stelt: – Maar — gij kent Hem.” De discipelen des Heeren waren zeer zwak en onkundig. Zij hadden geen oor voor des Heeren verklaringen aangaande Zijn kruisdood; en toen Hij voor hun ogen stierf, geloofden ze Zijn voorzegde opstanding niet.

Wij verwonderen ons over hun ongeloof, wanneer wij hun omgang met en het onderwijs van dein Heere Jezus aanmerken; en nochtans kenden zij iets levendigs en bevindelijks van des Geestes werk aan hun hart. Zo kan het met sommigen van uw zijn. Gij kunt zeer zwak, twijfelende, vrezende, ongelovig zijn. Het natuurlijk, diep gezeteld ongeloof van het hart kan grote kracht over u hebben; en nochtans kunt gij enige kennis hebben, gelijk de discipelen kennis hadden aan het werk van de Trooster en de onderwijzingen van de Geest der waarheid. De Heere verzekert Zijn discipelen het grote verschil tussen hen en de wereld:

“Maar gij kent Hem.” Mag ik ook tot u zeggen: Gij kent Hem? Zo ja; wat heeft die Trooster dan voor u als zodanig gedaan? Wat heeft die Geest der waarheid u als zodanig ontdekt en geopenbaard? Laat ons kort onderzoeken, hoe Hij Gods volk bekend wordt, en wat Hij door Zijn kracht en genade in hun hart en consciëntie doet.

1. Bij overtuigt hen van zonde; dat is Zijn bijzondere bediening. Hij opent de wet, ontdekt haren vloek, maakt de ziel gevoelig voor haar geestelijkheid, lengte en breedte, en haar verdoemende kracht. Kent gij dien Geest als een Geest van overtuiging van zonde?

Heeft Hij uw consciëntie geopend voor schuld aan de wet en u als haar overtreder veroordeeld, zodat gij uw mond in het stof stelde en u schuldig voor God beleed? Als de Heilige Geest u van zonde overtuigde, dan kent gij Hem, zo niet als Trooster, dan toch als Wegbereider daartoe. Gij kent Hem in Zijn doding, zo niet in Zijn verlevendiging; in Zijn vernedering, zo niet in Zijn opwekking; in Zijn zondeontdekking, zo niet zaligheidopenbaring.

2. Maar Hij is ook bekend als een Geest der genaden en der gebeden. Als de Heere ene ziel ontdekt door Zijn Geest en genade, dan geeft Hij haar een innerlijke voorbidder, die met onuitsprekelijke zuchtingen” voor haar bidt. Had gij daar immer deel aan, zodat gij op gebogen knieën de Heere smeekte, met dien ernst, die oprechtheid en uitgieting van het hart voor Hem, met die eenvoudigheid, verbrokenheid, met tranen en zuchten, welke het kenmerk zijn van Zijn inwendige voorbidding, en dat onderscheid maakt tussen enkel plichtgebeden? – Dan hebt gij Hem ontvangen als een Geest der genade en der gebeden; en gij “kent Hem.”

3. Maar heeft Hij ooit een bemoedigend woord in uw hart gegeven? Wanneer het werk der genade aan de ziel geopend, Jehovah het Lam in Zijn bloed en gerechtigheid verhoogd, en het heilig werk Gods aan het geweten uitgeschetst wordt, – hebt gij dan ooit ene innerlijke getuigenis gevoeld, dat gij deze dingen in de diepten van uw hart kent? Dan kent gij Hem; want Hij gaf u deze bemoedigende getuigenis, Hij zegende het woord met bevestigende kracht aan uw consciëntie.

4. Of had gij ene ontdekking van Christus aan uw ziel? Zaagt gij Hem ooit met het oog van het geloof aan de rechterhand Gods? Dit kan alleen zijn door de getuigenis des Geestes, omdat het Zijn verbondsbediening is het uit Christus te nemen en der ziel te verkondigen. Hij verheerlijkt Christus door Hem te openbaren. Indien gij Christus zaagt door het geloof, en ene ontdekking van de Zoon van God met kracht aan uw ziel, dan kent gij Hem, want Hij gaf u die gezegende openbaring, welke geen oog ooit zag, en geen oor hoorde, noch in ‘s mensen hart immer opkwam.

5. Werd Jezus ooit uw hart dierbaar? Omhelsde gij Hem in de armen van het geloof, gelijk ene moeder haren zuigeling omhelst, en had Hem vurig lief met een rein hart? Wie ontstak die liefde? Wie ontstak die heilige vlam in uw hart? – Het was de Trooster, de Geest der waarheid. Dan kent gij Hem; want de liefde Gods wordt in het hart uitgestort door de Heilige Geest.

6. Ondervond gij ooit iets van die geestelijke gezindheid, welke is leven en vrede, – enige trekking van uw genegenheden naar boven, waar Jezus ter rechterhand Gods zit zodat eii de aarde niet uw plaats gevoelde te zijn; de zin en zienlijke dingen u laag werden, en de eeuwige dingen u dierbaar als het element van uw ziel, – de enigste gelukzaligheid u hier bekend? Dan kent gij Hem, omdat Hij het alleen was, die uw hart en genegenheden tot deze Hemelse dingen trok.

7. Hebt gij liefde tot Gods volk? Zegt gij in al uw duisternis, twijfel en vrees, dat gij Christus beeld bemint in Zijn volk? – dat het u onloochenbaar duidelijk is en de satan u niet kan ontnemen, dat gij liefhebt degenen, die Jezus lief hebben? Vanwaar deze liefde? Van de Geest der waarheid, die ons alleen de heiligen doet liefhebben gelijk als de Zaligmaker liefhebben de leden gelijk het Hoofd. Dan kent gij Hem.

8. Kent gij ook uitreddingen van, de kracht der verzoeking? Had gij ooit enige openbaring van het lijden des Heeren, enige kostelijke, hartverbrekende beschouwingen van de hof Gethsémané, – enig staan bij Golgotha’s kruis, – enig Geloofsgezicht van het bloed, dat door angst Hem uit de zweetgaten perste of door de doornkroon uit Zijn hoofd vloeide; enig medegevoel, vereniging en erbarming met de Man van smarten? Vanwaar dit, zo niet van dein Geest der waarheid, de Trooster? Dan “kent gij Hem.”

9. Gevoelde uw hart ooit waarachtig berouw over de zonde – Goddelijke droefheid, verzaken van uw bloemlusten, verbreking van geliefde afgoden, verloochening van aardse banden – gewilligheid om het vlees te kruisigen met zijn bewegingen en begeerlijkheden? De Geest der waarheid kan dit alleen werken. Dan kent gij Hem.

10. Werd uw vrees des doods ooit opgeheven? Zaagt gij dien koning der verschrikking ooit vrijmoedig onder de ogen? Mocht gij wel eens een blik werpen van over de grenspaal, die u der eeuwigheid scheidt, en geloofde gij, dat de dood u een bode des Heeren zou wezen, om uw ziel tot Zich te nemen? Was de Heere u ooit zo nabij en dierbaar, dat gij vreugde gevoeldet het lichaam aan het stof te geven en met arendsvleugelen van de aarde naar de Hemel te varen? Dan kent gij Hem, want niemand dan Bij kon u bevrijden van de vrees des doods, en u, in plaats van met schrik en vrees, de laatste vijand welkom te heten als uw beste vriend! Dit te bezitten, is het niet de Geest te kennen als Trooster?

En o, welk een zegen dezelfde genadige en hemelse Onderwijzer als de Geest der waarheid te kennen! Als dit uw zalig deel is, dan kent gij de waarheid voor uzelf en zij is van uw ziel dierbaar; zij werd door ene Goddelijke getuigenis uw hart ingegrift en door Gods kracht van uw consciëntie ingeplant. De waarheid, gelijk die in Jezus is, is u dierbaar. Gij kunt ze niet missen; zij is uw leven; zoudt gij bij ogenblikken uw leven geven, dan haar en uw deel aan haar te derven. En van waar dit? Van waar dat vermaak in de waarheid, die omhelzing van haar, die aankleving aan haar, dat verheugd zijn met haar, dat hopen op haar, en door haar een getrokken zijn tot de Heere Jezus Christus? De Trooster, de Geest der waarheid, en elij alleen kan haar ene vaste en duurzame plaats bereiden in uw hart, consciëntie en genegenheden.

O, beleeft dan die waarheid gelijk gij ze liefhebt, en verkondigt haar kracht en vrucht in uw leven en omgang. Wanneer de Geest Zijn waarheid in uw hart schreef, dan zal Hij ze ook op uw lippen en in uw leven voortbrengen, en alzo openbaren, dat gij kinderen bent, “die niet liegen.” Gij vertoont dus de kracht der waarheid in uw spreken en verkeer met anderen, bij uw betrekkingen, in de gemeente, in uw werk, in uw doorgaand gedrag, ja in alles wat het wezen der Godsdienst en de kracht der levende Godzaligheid kenmerkt.

IV. Ik kom nu tot ons laatste punt, hetwelk de reden bevat, waarom Gods volk Hem kent, en de belofte des Heeren daaromtrent gegeven: ” Want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.”

Die heilige Trooster en genadige Geest neemt geen tijdelijk verblijf in de harten van des Heeren volk. Waar Hij eenmaal intrek neemt, daar woont en leeft Hij eeuwig. – Ik zal u enen andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid.” 0 gezegende waarheid .’. Hij bezoekt de ziel niet met Zijn genade, om ze daarna te laten omkomen onder de toorn Gods, of Zijn werk te laten verwelken en te sterven. Neen, waar Hij met kracht in de ziel inkwam, daar bepaalt Hij Zijn voortdurende woning, want Hij maakt der heiligen lichaam tot Zijn tempel. Hij wijdt hen der dienst van God. Hij neemt woning in hun hart; daar leeft en werkt Hij, en beweegt zich en heiligt ziel en lichaam tot de eer en verheerlijking van de Heere God, de Almachtigen.

Doch ik verbeeld mij u te horen zeggen: dit alles geloof ik waarheid te zijn; inaar hoe kan Hij in mijn hart zijn, daar ik mij dikwijls zo koud en dodig bevind, blootgesteld aan de werking der zonde, en der ijdelheid en verzoeking onderworpen? Hoe kan deze Trooster, de Geest der waarheid, in mij wonen, en ik zijn die ik ben? – Weet het, Hij kan in u zijn, terwijl gij nochtans niet altijd en onder alle omstandigheden Zijn tegenwoordigheid kunt herkennen. Hij kan in het hart wonen, zon.der dat Hij bemerkt wordt met het oog en in ‘t leven.

Vergeet niet, dat ook het bedenken van uw vlees vijandschap tegen God is; – dat vlees en geest en geest en vlees tegen elkaar strijden en elkaar tegenstaan. Gelooft des Heeren onfeilbaar Woord, dat niet liegt, en niet de redeneringen en werkingen van uw eigen ongelovig hart. En gelooft het als ene eeuwig zekere waarheid, dat Bij eeuwig blijft daar waar Hij de ziel heeft bezocht. Trouwens, wanneer Hij de ziel wederom verliet, zo zou de satan haar vervullen met vreselijke, helse Goddeloosheden, en het laatste van de mens zou erger zijn dan het eerste. Neen de inwoning des Geestes moet de satan het inkomen beletten, gelijk het leven de dood, heiligheid de zonde, het werk en de getuigenis van de Heilige Geest de zielverwoestende golven en de voor eeuwig wegvagende baren de ingang onmogelijk maken.

Gezegend zij derhalve het woord des Heeren: “Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.” Ja Hij zal in u zijn; Hij zal u niet begeven noch verlaten. Het werk door Hem aangevangen zal Hij voleindigen; en als Hij u eens zegende, Hij zal het weer en weer bij vernieuwing doen. De ziel, welke Hij de heerlijkheid Gods bekend maakte, zal Hij nimmer weer verlaten; maar u, die gelooft in de Heere Jezus Christus, zal Hij brengen in dat heerlijk en gezegend verblijf, waar alle tranen van de ogen zullen afgewist zijn, en waar gij de Zoon van God zult zien gelijk Hij is, om Zijn beeld gelijkvormig te zijn en Zijn verrukkelijke tegenwoordigheid eeuwig te genieten.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.