Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Het vastkleven aan Gods getuigenissen

“Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.” Psalm 119: 3

Er zal wel niemand onder de levendgemaakte kinderen van God wezen, of hij zal op de een of andere tijd, zijn gewaarwordingen in de 119e Psalm beschreven vinden. Letten wij op de toestand, waarin de Psalmist zich bevond, toen God de Heilige Geest “het willen en het werken” in hem wrocht, en hem onderwees hoe en wat hij in deze Psalm moest spreken, dan ontdekken wij spoedig dat hij op die tijd niet in de verrukkelijkste genietingen nóch in de diepst zinkende mismoedigheid was. Maar dat hij door de bewerking Gods tot een kalme bevinding geleid werd. Zodat hij liggend aan de voeten van zijn Heere, op Hem zijn ogen gericht had, wachtend, wat uit Zijn mond zou gaan, en naar de openbaring van Zijn barmhartigheid en ontferming, wat alleen zijn spijs en zielverzadigend deel was.

In onze tekst brengt hij het de Heere daarom in gedachten, wat Hij aan hem gedaan en waartoe hij zelf genadig bekwaam gemaakt was, en neemt dat ten grondslag, om meer te vragen: “‘Ik kleef vast aan Uwe getuigenissen; o HEERE, beschaam mij niet.”

Laat ons onderzoeken wat Gods getuigenissen zijn en hoe de ziel daaraan vasthoudt. Welke uitwerking het heeft.

Laat ons onderzoeken wat Gods getuigenissen zijn en hoe de ziel daaraan vasthoudt.

Wat zou de Psalmist hier met Gods getuigenissen bedoelen? Zou hij niets anders dan de letter van de waarheid op het oog hebben; niets meer dan wat op die tijd van de Heilige Schrift geopenbaard was? Ik geloof dat het iets meer zegt. Hoe groot toch de eerbied mag zijn, die Gods kinderen de heilige Schrift toedragen en hoe ontwijfelbaar zij het als een Goddelijke openbaring omhelzen, evenwel zijn het die getuigenissen, die van de lippen des Heeren in hun zielen dalen waaraan zij zich in het bijzonder hechten. Zij kleven zo zeer niet aan de letter des Woords de uitwendige letters en woorden maar aan zodanige getuigenissen, die door de genade van God in hun ziel dalen door middel van de heilige Schrift.

Zullen wij de Bijbel als een Goddelijke openbaring aannemen, dan moet de Heilige Geest het ons zelf eerst aantonen, dat hij door Jehovah is ingegeven. En – ik ben er bij mijzelf van bewust – dat niemand hem als Gods Woord zal aannemen, tenzij hij enigermate dezelfde ingeving in zijn ziel ontvangen heeft. Hij mag door uitwendige bewijzen, of door de overlevering van de vaderen overreed zijn van de Goddelijkheid van het Woord, maar niemand zal de Heilige Schrift uit zielsovertuiging, uit de gewaarwordingen van zijn geweten, of door de onderhandeling met God, als een heilige openbaring van God aannemen, als hij geheel onbekend is met de openbaringen van de Heilige Geest, die dit Goddelijk boek ingegeven en ter schrijving bevolen heeft. Zullen wij daarom aan de geschreven getuigenissen als een geheel vastkleven – wat onderscheiden is van een bijzondere daad des geloofs, betrekkelijk een gedeelte van Gods Woord – dan moet er levend geloof in onze ziel zijn; geloof door God geschonken en door Hem genadiglijk gewrocht.

Om het Woord van God aan te nemen gelijk het van Hem komt, dat schijnt mij toe een van de eerste lessen te zijn, die de Heilige Geest de ziel inprent. Hiervan spreekt de apostel Paulus, als hij tot de Thessaloniërs zegt: “Gij hebt het woord der prediking van God, hetwelk gij van ons gehoord hebt, aangenomen, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods woord.” En waarom? “Dewijl het werkt in u, die gelooft.” Maar deze eerste aanneming is daarom nog geen gehele aanneming van het Woord van God, maar alleen van dat gedeelte dat de Heere aan de ziel geopenbaard heeft. En wanneer Hij een lichtstraal uit de Heilige Schrift in het geweten heeft doen indalen, dan zien wij licht in dat licht, en het ontdekt ons de waarheid en wezenlijkheid van alle andere openbaringen. Zo is het, als er een lichtstraal van de zon door de wolken schiet, dan geeft hij ons ontegensprekelijk bewijs van het heerlijk aanwezen van de zon.

Ontvangen wij dus een waarheid van God in onze ziel, dan nemen wij ook de hele Bijbel als een openbaring van God aan. En daarom is het aan de andere kant even waar, dat hij, die nooit een waarheid, als een lichtstraal uit de grote bron van waarheid, uit Hem, Die “de Weg, de Waarheid, en het Leven” is, in zijn ziel ontvangen heeft, de Goddelijkheid des Bijbels betwijfelt, en zich niet verenigt met hen, die hem als een openbaring van God erkennen en liefhebben.

Dit is dus de eerste straal van het Hemels licht, dat uit de Bron der Waarheid in de ziel daalt. Jehovah de Heilige Geest rijdt als het ware op deze lichtstraal in de ziel, en brengt met haar zulke bijzondere waarheden, als Hij weet dat goed zijn. De levendmaking geschiedt in zeker opzicht niet met alle kinderen Gods op dezelfde wijze. Niet aan ieders consciëntie wordt dezelfde ondeelbare waarheid met kracht ontdekt. Evenwel is er waarheid – dat is een gedeelte van de waarheid, het wezen en de mening van Gods woord aan ieders hart, met kracht door de Heiligen Geest toegepast; anderszins zouden zij niet “gebaard zijn het Woord der waarheid,” Jac. 1; 13. Zij zouden anders niet gezegd worden “wedergeboren te zijn, uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvend Woord van God,” 1 Petr. 1: 23. Hoe zou zich de Geest der waarheid dan van de waarheid kunnen bedienen om hun geestelijk leven te onderhouden?

Maar wij komen tot de bijzondere getuigenissen, die God aan Zijn uitverkorenen openbaart.

Een eerste getuigenis, die God op het hart en geweten van Zijne kinderen bindt, geloof ik te zijn: een bekendmaken met Zijn aanwezen, – ik bedoel Zijn geestelijk bestaan – een ontdekking van Hem, zoals Hij wezenlijk is, en zoals Hij Zich in de Heilige Schrift geopenbaard heeft. Uit de schepping mogen wij een flauw denkbeeld hebben van een God der natuur; uit de opmerkelijke tussenkomst van de Goddelijke Voorzienigheid mogen wij een regerende God kunnen ontdekken; maar Jehovah de Drieëenige te kennen, zoals Hij wezenlijk is; geestelijk met Hem om te gaan, zoals Hij Zich in Zijn woord ontdekt heeft; Hem te kennen, als het beginsel van het eeuwige leven, waar vindt men dit, dan bij hen aan wie Hij Zichzelf genadig zo openbaarde? Het is waar, wij kunnen heldere, stelselmatige denkbeelden van God hebben, zij kunnen met de letter der waarheid overeenkomen; maar alle uitwendige denkbeelden, bespiegelingen of inbeeldingen, die wij ons van Gods wezen vormen, leren ons Hem niet geestelijk kennen; dit ontvangen wij alleen, door de onmiddellijke ontdekking van Hem aan de ziel. Alle andere kennis bestaat, in het vlees, is de enkele vrucht van het schepsel, en schiet daarom volkomen te kort bij die kennis, die geestelijke wijsheid en het eeuwige leven is. En leren wij op een geestelijke wijze, dat er een God is, dan ontdekken wij niet alleen Zijn aanwezen, maar ook Zijn wezen. Door een inwendige getuigenis van Zijn mond, en door de toepassing van Zijn uitspraken aan onze harten,

leren wij Hem kennen, als de Rechtvaardige en Heilige; dat Hij de overtreder niet onschuldig zal houden, en dat Zijn diepdoordringend oog de verborgenste schuilhoeken van de ziel doorzoekt.

Dit alles kan een mens ook uit de letter van de Bijbel weten, maar dan brengen deze waarheden geen geestelijk onthaal, verkeer of gewaarwordingen mee. Maar past God de Heilige Geest, de waarheid Gods met kracht aan de ziel toe, dan verwekt Hij daardoor ook zodanige geestelijke gewaarwordingen, verzuchtingen en oefening, als Hij naar Zijn welbehagen goed vindt.

Zeg mij: waaraan toetst u uw waarheidkennis? Aan de hoeveelheid teksten, die u door lezen of horen geleerd hebt? Aan uw bekwaamheid om wat u in de Schrift ziet, uit te leggen? Of door het verstand dat u hebt, Schrift met Schrift te vergelijken? Armzalige kennis als u anders niet hebt! Want zij bestaat in het vlees en bij deze schemerende letterspiegeling, blijft de ziel dor en koud voor God. Toets uw kennis aan deze toets: welk gevoel bracht zij teweeg, welke oefening voor God, welke verzuchtingen in de tegenwoordigheid van Hem, met Wie u te doen hebt? Welke uitgangen des harten; welke smeekgebeden deed zij toen tot Hem, in Wiens tegenwoordigheid u nu en dan alleen bent? Deze toets past op elke graad, hoogte en staat van het geestelijk leven, voor zover dit leven in beoefening is.

Maar, zetten wij ons tot een meer bijzondere beschrijving van deze getuigenissen, dan kunnen wij ze in twee grote klassen verdelen, te weten: getuigenissen tegen ons en getuigenissen voor ons, in de weg der bevinding. Het is waar, al de getuigenissen Gods, hetzij van de wet of van het Evangelie, hetzij tot overtuiging of vertroosting, hetzij tot neerwerping of opbouwing, als de getuigenissen Gods zijn wezenlijk voor, dat is ten goede van de ziel. Maar als een zaak van eigen bevinding beschouwd, haar bij het licht van onze gevoelens gezien, en aan de balans van onze oefening gewogen, dan hebben wij de getuigenissen Gods in twee klassen te verdelen: getuigenissen tegen en getuigenissen voor ons.

Ik heb met Gods hulp voorgenomen, u aan te wijzen, hoe de levendgemaakte ziel aan beide deze getuigenissen kleeft en vasthoudt; en dat het een kenteken en bewijs is voor heb geestelijk leven in de ziel, wanneer zij aan die getuigenissen kleeft, die zij van Jehovah’s lippen in zich ontvangt.

Wij zullen beginnen met een blik te slaan op de ziel in haar eerste toenadering tot God – in de eerste uitgieting van haar verzuchtingen, begeerten en behoeften naar Hem – in de eerste belijdenis voor Hem, wegens haar rampzaligheid en ellendigheid- in haar eerste overtuiging van het gewicht en de last van de zonden – en de eerste diepgevestigde en hevige pijnen van een schuldig geweten. Dit toch is de toestand van de ziel, waar God een getuigenis in de consciëntie deed dalen; dat is: aan wiens hart Hij Zijn Woord met kracht toegepast heeft, hetzij naar de eigenlijke letter, of in Zijn wezen en inhoud.

Deze ontwaakte ziel heeft nu een gezicht gekregen van Zijn heiligheid, een geestelijke kennis van Hem, als een God, waar niet mee te spotten is. En zodra is deze getuigenis niet in het hart gedaald, of het omhelst haar – dat is: het kleeft er aan vast; in het eerst wel niet met liefde, maar toch met geloof; want vast te houden, wat God openbaart, is de bezigheid van het geloof – “het werk des geloofs met kracht.” Veronderstelt niet, dat het geloof een reiziger is, die het Woord van God doorkruist, om haar schone voortbrengsels waar te nemen. Het geloof – vooral in zijne kindsheid – schept geen genoegen in de Heilige Schrift te doorzoeken, opdat zij elke kust en oever zou kennen en gewaar worden; maar het is een stil in huis blijvende genade, wiens ‘werk in niets

anders bestaat, dan te kleven aan Gods openbaringen; in beoefening te brengen, wat God ontdekt; in te handelen met hetgeen de Heilige Geest toepast. Daarom heeft hij, wiens geloof niet blijft bij hetgeen dat God heeft geopenbaard, wiens geloof met iets anders werkt, dan met hetgeen krachtig aan de consciëntie gebracht is, en toomloos ronddwaalt – ik zeg, hij heeft daarin een duidelijk bewijs, dat hij leeg is van het geloof der uitverkorenen Gods.

Het kan niet anders, of het geloof kleeft aan hetgeen God hetzelve ontdekt heeft. Maakt Hij Zijn hartdoorzoekende tegenwoordigheid aan de ziel bekend; ontdekt Hij haar Zijn heiligheid; openbaart Hij zich als een God, met Wie niet te spotten is. Die door geen valse dienstbewijzen en ijdele opofferingen van het vlees gehoond wil worden; ontdekt hij aan haar dat elke beweging, elke gedachte en alle woorden en werken naakt en geopend voor Hem zijn, de ziel kleeft aan die getuigenissen vast, omhelst ze, handelt met haar en wordt daar door geoefend.

Maar zodra begint een mens niet te kleven aan de getuigenis, dat in zijn ziel gedaald is, en zich te houden aan hetgeen God met kracht aan haar openbaarde, of van verschillende zijden steken de vijanden de hoofden op; om haar ter zijde af te leiden. Hier openbaart zich de grote strijd in de ziel, en wel tussen het geloof, dat aan de Goddelijke getuigenissen vastkleeft, en de vijanden van het geloofs, die haar van haar ligging tegenover die getuigenissen zoeken weg te drijven. De Heere geeft een zekere getuigenis in de ziel, en het geloof handelt daarmee en kleeft er aan vast; maar nu ook spannen alle vijanden samen, om het geloof in haar verrichtingen te belemmeren het van haar arbeid te verdrijven en van de grond te jagen, die het geestelijker wijze betreden heeft. Kom, laat ons dit meer in het bijzonder beschouwen, a. Als het geloof aan de Heilige Schrift vast begint te houden, als een ingegeven waarheid van de Geest, dan ontspringt uit de diepte van het vleselijk gemoed het ongeloof, om tegen de plechtige getuigenis, door God aan de ziele gegeven, te strijden.

Ik heb het zelf bevonden, dat het ongeloof niet gekend wordt, tenzij het geloof gekend wordt. Ik wist eertijds niet, dat het zulk een reus, een zoon Enaks was als het is. Ik was met zijn krachten niet bekend, maar ondervindt het nog dagelijks, dat hij mij, ondanks alle tegenspartelingen en weerstand, op zijn armen kan wegdragen! Behaagt het de Heere ons de plechtige getuigenis te schenken, dat de Bijbel Zijn Woord is, dat Hij haar Auteur is, en het geloof neemt die getuigenis aan, dan ontwaakt weldra die reus uit zijn sluimering, verlaat de spelonk, die hij in het verborgen van het bedenken des vieses bewoonde, om dit kinds geloof, dit tedere wicht de strijd aan te doen, en het van die plaats te leiden, zoniet te jagen, waar God het gesteld had. En ziet daar dan de strijd.

Het geloof zegt: Gods Woord is de waarheid.” “Neen,” zegt het ongeloof “daarin bedriegt u zich.” – Het geloof zegt: “Ik gevoel, dat het zo is, en hoe zou ik het dan niet geloven?” Het ongeloof zegt: “Uw gevoelens zijn geen bewijzen.” – Het geloof zegt: “Ik weet het zeker, omdat God het aan mijn geweten en aan mijn hart bekend gemaakt heeft, en wie zal Hem tegenspreken?” Het ongeloof zegt: “dat was inbeelding; u weet er niets van.” Zo is hier de strijd tussen het geloof, dat aan Gods getuigenissen vastkleeft, en daardoor geoefend wordt, en het ongeloof dat daar tegen redeneert, het geloof zoekt weg te vagen en te overstromen met de vloeden, – die uit de mond van de draak geworpen worden.

Maar het geloof laat daarom niet los, omdat hiermee Goddelijke vrees gemengd is. Er gaan met het geloof in zijn eerste uitgaande daden, schuld en veroordeling gepaard; geweldige oefeningen, kwellende gewaarwordingen, pijnlijke beroeringen en benauwdheden vergezellen het; en hierdoor wordt het geloof op de rechte plaats gehouden. Het geloof dus, door de Goddelijke vrees ondersteund, zoekt dit ongeloof, monster als het is, terug te stoten, opdat het niet door hem vervoerd zou worden. Het geloof gemengd met en zwoegend onder veroordeling en zelfverfoeiing, kan de God-onterende leugen niet aannemen dat de Heilige Schrift geen eigen woorden van God zijn. De ziel die haar angsten, smarten en jammeren op een geestelijke wijze kent, kan haar gevoelens nooit lange tijd wantrouwen noch haar eigen gewaarwordingen leugen heten, b. Maar de eigengerechtigheid is een vijand, die zich van een andere zijde opdoet,- om, ware het mogelijk, het geloof van zijn standplaats te verdrijven. Wat gelooft eigenlijk het geloof in zijn eerste oefeningen?

Dat de wet een zuivere en volkomen gerechtigheid vordert; dat God een volkomen heiligheid eist; dat al onze eigen deugden niets waard, ja een wegwerpelijk kleed zijn. Zo spreekt het geloof, in overeenstemming met Gods woord. Maar dat staat de eigengerechtigheid tegen; zij wil niet, dat het geloof de waarheid van God geestelijk zal verstaan, zoals God die geopenbaard heeft; zij zoekt zich te versieren met een kleed, dat door Gods Geest niet geweven is, en hetgeen Gods Woord en Zijn getuigenissen in het hart te planten, wil zij bekladden en vuil maken. Zij zoekt dat te overpleisteren en schuil te houden, opdat het licht van Gods aangezicht het niet zou bestralea Zie hier de hete strijd: het geloof, te midden van schuld, veroordeling en verfoeiing van zichzelf, Goddelijke vrees en eerbied in al zijn oefeningen jegens God en de eigengerechtigheid.

Aan de ene kant overreed te zijn, dat wij verloren, diepbedorven en walgelijke schepselen zijn, en aan de andere kant een eigengerechtigheid te bezitten, die deze overtuigingen zoekt te besussen, dat werk te verdonkeren en het in haar onpeilbare kolk te verzwelgen. Welk een tegenstelling! Maar vroeger of later breekt het levend geloof door alle vermommingen heen, en heft zich zodanig omhoog, dat haar ongetemperde kolk kraakt en in een valt, waardoor de ziel naakt voor God komt te staan, opdat zij bevindelijkerwijze bekleed zou worden met de mantel van een toegerekende gerechtigheid. Zie daar iets van de getuigenis tegen ons, en het vastkleven van het geloof aan dezelve.

Laat ons nu de getuigenissen voor de ziel beschouwen. Na enige tijd dan zal de Heere aan de ziel een getuigenis geven, dat Hij genadig is; dat er barmhartigheden bij Hem zijn, opdat Hij gevreesd zou worden; dat er vergeving is door het Bloed des Lams; dat er een heerlijke gerechtigheid gewrocht is door de gehoorzaamheid van de Zone Gods. Zo ontsteekt Hij, door een getuigenis aangaande Jezus, het geloof, om “Christus Jezus de Heere aan te nemen,” als onze volkomen zaligheid en onze ganse begeerte.

Hier is het ook “het werk des geloof, met kracht” aan die getuigenis vast te kleven. Het geloof wil noch kan zich niet van de plek, waar God het op geplaatst heeft, af geven. Openbaart de Heere Zijn gramschap en toorn, het geloof neemt dat aan en kleeft er aan vast. Ontdekt Hij Zijn barmhartigheden, het geloof gelooft dat en kleeft er aan vast. Welke waarheden Gods Geest ook uit de Bijbel aan de ziel toepast, het is de werkzaamheid van het geloof het geopenbaarde aan te nemen en te omhelzen. “Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.”

Maar wanneer de Heere een getuigenis aan het hart en de consciëntie geeft – als Hij een woord van vertroosting aan de ziel toevoegt, als Hij haar vrede met Hem geeft te genieten, als Hij enige dauwdruppels van het bloed der verzoening op haar sprengt, als Hij Zijn eeuwig welbehagen haar duidelijk en helder vertoond heeft, en de ziel kleeft aan die getuigenissen vast, dan welt er iets van de bodem van het vleselijke gemoed

op, dat ongeloof heet, dat niet dan strijd voert tegen het geloof, en niets minder beoogt, dan het geloof uit zijn staat te rukken en zijn arbeid te stuiten.

O welk een werk is het – “het werk des geloofs met kracht!” Men spreekt zo veel van het geloof, alsof het niets te verrichten had. Maar waarlijk ik kan mij niets arbeidzamer voorstellen, dan het levend geloof. Het levend geloof werkt altijd, ik bedoel als de Geest des Heeren het werkende maakt – door altijd, bedoel ik al die tijden, als de Heilige Geest het in beoefening brengt. En alleen voor zo ver als het geloof in de ziel werkt – ja, ook krachtig werkt, bewijst het ons, het “geloof van Gods uitverkorenen”; of het “geloof van Gods gave” te zijn. Zodra de Heere dan de ziel door het geloof op een aangename wijze overreedt, dat wij eeuwig de Zijnen zijn – zodra er enige uitvloeisels van het genadig welbehagen in onze zielen ondervonden worden, dan zijn er ook menigerlei vijanden, die hun hoofden opheffen om, ware het mogelijk, dat geloof te verdringen.

Soms openbaart zich een gehate verwaandheid en trotsheid uit het vleselijk gemoed, om de ziel van de plaats te drijven, waar God haar vestigde. Al Gods volk wordt niet op een even krachtige wijze verlost, er zijn onderscheidene graden hieromtrent. Sommigen worden krachtdadig verlost, door een gezegende ontdekking van Christus aan hun zielen, waardoor zij zich in eens in de volle blijdschap en vertróósting van het Evangelie mogen verheugen; bij dezulken houden over het algemeen deze aangename tijden het langste stand, en hun zielen genieten het liefelijke bewijs, dat zij kinderen Gods zijn, vóór de grondlegging der wereld door Jehovah bemind.

Maar zo worden alle Gods kinderen niet bedeeld. Er zijn er, welker verlossing niet zo duidelijk zichtbaar is; de uitstorting der liefde Gods is niet openbaar, de getuigenissen van Jehova’s liefde en barmhartigheden zijn zo helder niet ontdekt. Het bezoek is kort en voorbijgaand, zoals er bij Hoogl. 2: 9 van de Geliefdste gezegd wordt: ‘Hij blinkt door de traliën,” zoals wij iemand haastig voorbij onze vensteren zien gaan, wiens gedaante wij wel bemerken, maar zijn gelaat kunnen wij niet met onderscheiding zien. Zo beweegt Zich Jezus op een geestelijke wijze soms kort en voorbijgaand voor de traliën, en geeft slechts een haastige schemering van de beminnelijkheid van Zijn Persoon, van Zijn genade, bloed en gerechtigheid. In vergelijking van de voorgaande, is deze openbaring zwak en machteloos. Het is een meer voorbijgaand en laat niet zulke diepe en voortdurende indrukken achter, en daarom schijnt het dat krachtige werk niet te zijn, waarnaar een kind van God zoekt en verlangt.

Dit vat het ongeloof aan als een grondslag, om er op te steunen, want de tegenstrevers ontzien zich niet, krachten van het geloof zich toe te eigenen, om daardoor in het hart bevestigd te worden. Een kind van God, dat niet zo krachtdadig veranderd is, dat slechts met enkele dauwdruppels van barmhartigheid besprengd werd, een schemering van de liefde genoten heeft, en niet tot de volle genieting van vrede en vrijheid gekomen is, komt dikwijls in gezelschap van hen, die hun wonderlijke genoeglijkheden, gezegende vertroostingen, de verzekering dat hun namen in het boek des levens getekend zijn, en hun duidelijk bewijs van tot de huisgenoten Gods te behoren, meedelen. Dan begint zulk een ziel al dadelijk zijn bevinding, met wat zij behoorde te zijn, te vergelijken. Zij beschouwt de grote bezitting van anderen, in tegenoverstelling van haar beperkt eigendom, en ziet zij op haar schraal en sober strookje land, dan wordt het een niet – moerassen en kolken, bij de bezitting van de rijke nabuur.

Dan geschiedt het niet zelden dat de vermetelheid ontspringt – die vervloekte vijand van een kind van God; en wordt de ziel vermetel, verwaand, dan wordt de getuigenis Gods verlaten. De getuigenis was zwak, maar de verwaandheid zegt, dat zij sterk was, het bezoek was voorbijgaand, maar de verwaandheid verklaart het blijvend te zijn. Zo verheft zich de vermetelheid, om de ziel van haar wezenlijke standplaats te trekken en in een vrijheid te plaatsen, die God niet meedeelde, en daarom vals is. Daar nu het werk des geloofs bestaat in vast te kleven aan de getuigenis Gods, zo openbaart zich hier de zwarigheid: de vermetelheid duwt het geloof verder dan haar standplaats – die het geloof zoekt te behouden – wezenlijk is.

Het geloof heeft Gods vrees voor de aandacht; en hangt eenvoudig aan datgene, wat het van God ontvangen heeft, b. Aan de andere zijde, verheft zich niet zelden de moedeloosheid. Deze ziel wordt door haar verwaandheid boven haar staat getrokken, door een vermetele en valse vrijheid, gene daarentegen wordt moedeloos teruggedreven, wordt sidderende, en verdenkt geheel haar staat. Beide zijn de tegenstrevers van het geloof, beide zoeken de ziel van haar heil te beroven, haar van haar standplaats af te drijven, de een dus en de andere zo. De twee winden waaien in een tegenovergestelde richting, maar beider doel is, het schip op de een of de andere ondiepte te zetten. Maar het geloof houdt vast, nu eens in spijt van verwaandheid, dan eens ondanks alle wanhoop. Het geloof kleeft de geestelijke getuigenis Gods aan, hoewel het er bij tijden ver af is, om haar voor een zuivere getuigenis Gods te durven houden. Maar behaagt het God de Heilige Geest, Zijn invloeden mee te delen, dan houdt het zich aan, leeft door en werkt met de getuigenis door God hem meegedeeld.

“Ik kleef vast aan Uwe getuigenissen,” En waren er geen moeilijkheden, geen beletsels, werd er niets in de ziel gevonden dat wederstand bood aan dat vastkleven aan Gods getuigenissen, waarom bracht David het dan de Heere in gedachtenis? Hij stelt het de Heere voor, dat hij aan Zijn getuigenissen gekleefd had; alsof hij het Hem herinneren wilde, dat God hem niet alleen getuigenissen, maar een levend geloof gegeven had, opdat hij doordat geloof aan die getuigenissen zou vastkleven met een voornemen des harten.

Maar er zijn getuigenissen van een andere aard. Niet zozeer getuigenissen tegen, of getuigenissen ten goede van ons aandeel in dat verbond der genade, als wel, getuigenissen van Goddelijk onderwijs. Laat ons hiervan enkele opnoemen.

De Heere heeft in Zijn Woord verklaard: “Arglistig is het hart, meer dan enig ding; ja dodelijk.” Dat is een getuigenis uit de mond van God; en hoe neemt de ziel eerst deze getuigenis aan en omhelst haar? – Door bekend te worden met de diepte van de verdorvenheden van ons hart, door het openbreken van de verborgen fonteinen van ongerechtigheden, de grote kolk, die daar in het binnenste huisvest.

Deze getuigenis van de diepe en dodelijke verdorvenheden komt gewoonlijk niet in het eerst, maar na meer of minder een getuigenis van Gods welbehagen te hebben ontvangen. En hoe zou een mens het ook kunnen dragen, als Gods barmhartigheden aan de ziel onbekend waren? Hij zou op die grond niet staande blijven, wanneer de watervloeden losbraken, zou er geen steenrots zijn die zijn voeten betreden hadden, hij zou in dat diepe moeras verzinken als er geen vaste grond, geen droge plek zou zijn waarop zijn voeten vast stonden. En over het algemeen genomen, wordt er, vóórdat de ziel een getuigenis van barmhartigheid en liefde uit de mond des Heeren ontvangen heeft, weinig van de diepe inwendige verdorvenheid en afzichtelijke bezoedeling van het hart gekend, maar nu komt er ook een diepe ontdekking van de inwendige verdorvenheid, van de “arglistige bedrieglijkheid”; van een alle verbeelding en beschrijving te boven gaande bezoedeling en besmetting van het kwade.

Zijn inwendig gevoel stemt nu de getuigenissen van God, aangaande het dodelijke en bedrieglijke hart, toe. Hij kleeft aan die getuigenissen vast. “Ik kleef vast aan Uw getuigenissen;” als of hij zeggen wil: “elk zegge van de zuiverheid van het schepsel wat hij wil. Een Farizeeër pocht op de waardigheid van de menselijke natuur, of bazuint de vermogens van het vlees uit. Maar ik kleef vast aan de getuigenis, mij gegeven. En waar mijn inwendige gewaarwordingen mee overeenstemmen, dat “het hart arglistiger is meer dan enig ding; ja dodelijk dat er van de hoofdschedel af tot de voetzoel toe niets geheels te vinden is; diep onrein, “vol wonden, striemen en etterbuilen.” En aan die getuigenis kleef ik vast, want ik bevind het in mijn binnenste waarheid te zijn.”

En hij moet er ook aan vast kleven; niet alleen in de letter, maar in de geest niet in de leer, maar in de bevinding – niet alleen op de getuigenis van God en Zijn Woord, maar veel meer op de getuigenis Gods in de ziel. Hij kleeft aan die getuigenis met heel het gevoel van zijn hart. Hij bekent, dat zijn natuur \an God is afgevallen, dat hij een verdorven en bezoedelde ellendeling voor God is, dat hij van nature vuil en walgelijk voor Hem staat, hoewel hij door genade in de Geliefden, in Christus gerechtigheid aannemelijk mag staan.

Wederom heeft God in Zijn Woord gesproken: ”lk, de HEERE, haat het kwade T Die getuigenis spreekt de Heere uit Zijn Woord tot de harten van Zijn uitverkorenen. Hij drukt het Zijn volk op het geweten, dat Hij een afschuw heeft van het kwade, dat Hij het haat met een volkomen haat. En dat neemt Hij uit de Heilige Schrift, en grift het Zijn volk in de ziel. Wie daarom geen diepe inwendige kennis van deze waarheden met zich omdraagt, is verstoken van de kennis van de enige en waarachtige God.

”Ik, de HEERE, haat het kwade.” Als de Heere dan het kwade haat, dan heeft hij ook een afkeer van alles, dat het kwade zou inwilligen of aanmoedigen, hetzij dan in welke werking of onder welke gedaante. Het geweten, waaraan de haat van de Heere tegen het kwade geopenbaard is, deelt ook werkingen en oefeningen tegen dat kwade aan de mens mee. Wordt zo iemand in de zonde verward of door de strikken van het vlees en de verzoekingen van de satan gevangen genomen, de plechtige getuigenis van de Heere: “Ik, de HEERE haat het kwaad,” die eens in zijn ziel gedropen is, werkt in hem. Het geloof is daaromtrent in beoefening, en een teer geweten brengt hem voor de voetbank des Heeren, om als klagend, zuchtend en kermend te belijden, welk een vuile ellendeling hij is, in zo door het kwade verstrikt te zijn; welk een monster van ongerechtigheid – welk een snood, bezoedeld en walgelijk beest hij voor de Heere is, dat hij niet zoveel kwaad in zijn hart beladen is, dat hem steeds overwint en gevangen neemt.

God heeft in Zijn Woord ook gezegd, dat ‘Jezus kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.” “Dit is een getrouw woord, en aller aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is; om zondaren zalig te maken.” “Hij kwam niet om rechtvaardigen te roepen, maar zondaren tot bekering.” Welk een plechtige getuigenis! – en die getuigenis (namelijk, de geest en inhoud hiervan) brengt de Heere uit het Woord over tot de harten van Zijn volk. De ziel, die deze getuigenis ontvangt, zegt hoogst verwonderd: Wie ben ik? – ach! een arme, schuldige, vuile en bezoedelde ellendeling, diep bedorven en verloren: van de hoofdschedel aan tot de voetzool toe met walgelijkheden vervuld!” Als de Heere op een zielverheugende wijze, barmhartig en genadig de zondaar in het hart stort, en een getuigenis doet, dat Hij kwam, om zondaren zalig te maken, verlorenen te zoeken, en opstandelingen in voorbijgaan van rechtvaardigen, tot bekering te roepen, en dat Zijn bloed van alle zonden reinigt, dan onderhandelt het geloof met die getuigenis, kleeft aan haar vast, wordt daaromtrent geoefend en kan, als het Gode behaagt, het geloof nauw daarmee te verenigen, niet van die getuigenis weggedreven noch verstoten worden.

Het geloof heeft hier dus een groot werk te doen. Bestaan de werkzaamheden des geloofs in het vastkleven aan Gods getuigenissen, en bestaat het leven van een Christen in het aannemen en in beoefening brengen van die onderscheiden getuigenissen Gods – wat zeker zo is – dan is er veel werk voor het geloof te verrichten.

Een levend geloof is geen trotse verzekering, noch anti-nomiaanse vrijmoedigheid, het siert zichzelf niet op met het kleed van een valse vrede, om zich op het rustbed neer te leggen, of zich in de armen van een vleeslievend gemak uit te strekken; maar het is een werkende, bedrijvende en zich bewegende genade in de ziel. Het is iets, dat vaak hongert en voedsel begeert, dat dikwijls dorst en water verlangt; en echter door niets anders gespijsd en gelaafd wil worden, dan door hetgeen uit Gods mond tot het hart komt.

Kent u daarom zodanige bewegingen, werkingen en oefeningen niet, dan bezit u het levend geloof van Gods uitverkorenen ook niet. Is er in het geweten geen getuigenis aan het geloof, en geen oefening des geloofs met die getuigenis; als er niets aan het geloof geopenbaard wordt, en het geloof geen werkzaamheden met het geopenbaarde vertoont, hoe zou men dan nog twijfelen, dan dezulken dood zijn, hetzij in de zonden of in een belijdenis.

Wederom; als de ziel soms verward in de strikken van verzoekingen zich van God afkeert en tot de gebroken bakken van het vlees, die toch geen water houden, heen spoedt, en haar vermaak bij de afgoden zoekt, dan openbaart de Heere een bestraffing aan de consciëntie – een plechtig getuigenis van Zijn groot ongenoegen over dit inwendig afwijken en verlaten van Hem, om ons eigen handenwerk te vereren. “De afwijker zal in zijn hart met zijn eigen wegen vervuld worden.” “Wie Ik liefheb die bestraf en kastijd Ik.” Deze getuigenis van het Woord gaat samen met die van de consciëntie. En dan komt de zwakheid van het lichaam, de kwelling van de onrustige geest, en het zuchten en roepen van de ziel onder de zware last van het ongenoegen Gods. Het is een getuigenis van de toorn Gods, van Zijn rechtvaardige gramschap om onze beledigingen Hem aan gedaan.

En meent u dat het geloof deze getuigenis van zich stoot en zegt: “Wat stoor ik er mij aan, ik ben in het verbond; de rots waarop ik sta is vast genoeg; de zonden kunnen mij niet verdoemen; een gelovige kan niet afvallen; mijn nieuwe natuur kan niet zondigen.” Zulk een verwaande vrijmoedigheid kent het geloof niet. Het haat zulk een taal, hoewel ze ongodvruchtige belijders eigen is. Integendeel het geloof valt onder de inwendige getuigenis van Gods bestraffing, omhelst haar met gevoelige armen, – zo niet met de armen der toegenegenheid, – neemt haar als Goddelijk aan, brengt haar in beoefening, belijdt voor God hetgeen de bestraffing tegen Hem getuigt en kleeft zo de Goddelijke getuigenis aan. Wat God aan de consciëntie betuigt, hetzij vóór of tegen, het geloof neemt dat aan.

Zegt Hij dat wij oprecht tot Zijn eer leven; of anders, dat onze handelingen uit onoprechte bewegingen voortkomen? Het geloof neemt beide stilzwijgende aan. Betuigt de Heere, dat wij Zijn afwijkende kinderen zijn? Het geloof neemt het aan. En in zo te doen, handelt het met God, doet de ziel voor de troon van Zijn Majesteit neervallen, en zichzelf in stof en met schaamte verfoeien.

Ziedaar de gedaante van een Christen. Niet hooggevoelende en ijdel vertrouwende, om zich te verheffen, niet als de hoogvliegende arend, de ganse oppervlakte van het gezicht onderzoekende, noch gelijk een rusteloze spreeuw van tak tot tak Gods Woord rondgaande, alsof het een boom was. Het geloof is en betoont zich een afhankelijke genade, die zich dan alleen beweegt als de Heilige Geest in de raderen is, en niets aanneemt, dan hetgeen van boven wordt meegedeeld.

Indien deze dingen alzo zijn, dan vinden wij bij Psalm 123: 2, ook de juiste gestalte van het geloof. Daar luidt het: “Gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner Heeren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op de Heere, onzen God, totdat Hij ons genadig zij.” Dan is de uitspraak van Jósafat, toen hij van zijn vijanden omsingeld werd, ook de taal des geloofs. Hoort maar: “wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.” (2 Kron. 20:12). Het geloofsoog is gericht op God; het verlangt Zijn openbaringen, en ziet uit en wacht op Zijn uitredding. Het zucht naar een getuigenis, naar de toepassing van een druppel van het Bloed der verzoening, naar de uitstorting van Zijn genade. Het dorst gelijk de droge en verzengde aarde naar de vroege en spade regen.

Het berust niet op een verwaande vrijmoedigheid op iets, dat niets dan schijn en inbeelding is, maar enkel en alleen op hetgeen God door Zijn Heilige Geest tot de ziel spreekt. Het bekommert zich niet, als Martha, met veel dienen en in het huis op en neer te drentelen om de gunst van haar Gast, door een goedbereid middagmaal te winnen; maar het zit met Maria aan Zijn voeten, om Zijn woorden te horen. Het heeft geen gelijkheid aan die van de duivel bezeten Gardarener, die zichzelf met stenen sloeg, noch aan het vuile zwijn, dat zijn spijze uit de aarde wroet en zich in het slijk wentelt totdat het van de steilte af in de zee stort, maar het geloof is als de genezen Gardarener, het neemt plaats “aan de voeten van Jezus, gekleed, en wel bij het verstand,” en Hem met liefde en dankbaarheid aanschouwende. Het bidt bij die Redder te mogen blijven.

Daarom, mijn vrienden! Hetzij dan in welke staat, of op wat hoogte u in de bevinding gekomen bent, aan Gods getuigenissen te kleven, sterkt u tot wijsheid en genade. Is het genadewerk des Heeren aanvankelijk in uw hart? Ziet u onder Zijn onderwijzingen, wat u van nature bent? Dompelt Hij u in diepe overtuiging? Stelt Hij u voor de zonden van uw jonkheid?” Kleef, wat ik u bidden mag, kleef aan die getuigenis vast. Laat u door wanhoop niet van die plaats verdrijven, noch door vleselijke onvrijmoedigheid van die plaats stoten. Dartel en speel niet met deze overtuigingen. Lap het oude kleed van eigengerechtigheid maar niet op. Zoek voor uw rusteloos gemoed geen rust in een grondige leerkennis, waarvan u noch de kracht noch de zoetigheid gevoelt en kent. Zoek de angst van uw gewetens niet te blussen, door te zeggen: ‘Als ik een der uitverkorenen ben, dan zal ik wel zalig worden, en zo niet, wat zal dan mijn onrust baren’. Kleef met ganser ziel aan de getuigenissen van God.

Heeft God u, uit de diepte van een verbroken hart doen zuchten en doen roepen om te bukken voor Zijn waarheid? Kleef die getuigenissen aan; de HEERE zal u niet beschamen.

Misschien kent u sommigen, aan wie de Heere meer dan aan u doet, bewijst Hij u slechts een schemerende lichtstraal van Zijn barmhartigheid en genade, en kunt u uw aandeel aan het bloed des Lams bijna niet bemerken? Ach, kleef toch aan Zijn getuigenissen vast. Wellicht hebt u rondom u, die u met verwaandheid willen bedekken, of u tot wanhoop terug zoeken te drijven. Déze willen u storten in dezelfde twijfelingen en angsten, waar zij mee te kampen hebben, en géne zoeken u tot een ijdel vertrouwen te voeren, waardoor zijzelf opgeblazen zijn. Echter is het u tot wijsheid en genade, bij de getuigenis te blijven, die u tot God gebracht heeft. Hij kan in u dat geloof werken, waardoor u zich aan Zijn getuigenis wilt en kunt vastkleven.

Maar anderen zeggen: “hoe weet ik, dat ik aan Gods getuigenissen kleef?

Ik antwoord met een andere vraag: “wat zijn de gewaarwordingen en gevoelens van uw hart daarover?” Goddelijke vrees, heilige eerbied, zielsoefening of bevend ontzag voor God? Weet u van het hart voor God uit te storten? Is uw begeerte tot Hem? Gevoelt u onderhandeling met Zijn volmaaktheden?

Dan is er ook een getuigenis van God in uw ziel, en u kleeft aan dezelve. Maar leidt uw Godsdienst tot ijdel vertrouwen, eigengerechtigheid, hoogmoed, valse rust en tot een zorgeloze en lichtvaardige gesteldheid, bedrieg u dan niet, want u kleeft niet aan Gods getuigenis. Of anders gezegd, u hebt geen getuigenis van God om er aan vast te kleven. Als de Heere uw ziel een besef van Zijn ongenoegen geeft, wanneer u Hem de nek had toegekeerd, waardoor schuld in uw ziel en benauwdheid in uw gemoed gekomen zijn, het zal u tot wijsheid en genade zijn, om – zoals de Heere bij Lev. 26:41 zegt – “een welgevallen te nemen aan de straf uwer ongerechtigheid”; uw mond in het stof te steken en voor Hem te belijden, dat u een vuil monster bent. Keer u niet ter zijde af tot een ijdel vertrouwen, waardoor de snede van Gods Woord zou verstompen, maar neem het aan met uw hart, omhels het met uw consciëntie, en kleef er aan vast als een getuigenis Gods: “Ik kleef vast aan Uw getuigenissen.” Alles wat God aan de consciëntie openbaart, hetzij dan veroordeling of barmhartigheid, een toelachen van Zijn liefde of de fronsels \an Zijn ongenoegen, een getuigenis vóór of tegen de ziel, – wat met kracht geopenbaard wordt aan de ziel en door de Heilige Geest toegepast wordt, – de ziel wordt door de aankleving dezer getuigenis op een veilige en gezegende plek gehouden.

Maar ach, de wereldse aangelegenheden stellen niet zelden zo veel hinderpalen in de weg, ten aanzien van het vastkleven aan Gods getuigenissen. Trouwens het is maar al te waar, dat een mens een waarheid belijdt te geloven, waarbij hij zich toch moeilijk houdt. Dan eens belet hem “de vreze der mensen, die een strik brengt,” aan de getuigenis Gods vast te houden. Nu is het de omgang met hen, die geen vreze Gods bezitten. Of daar overweldigt hem een aardse geest, of een zorgeloze en lichtvaardige gestalte, die ingewikkeld door zijn natuur, hoewel niet zelden van dode belijders overgeërfd. Allen, althans enige van deze hindernissen, beletten een mens in het vastkleven aan Gods getuigenissen.

Op een andere tijd beletten de verborgen lokazen, de strikken en snaren van de satan hem in het vastkleven aan Gods getuigenissen. Dan eens belet het de toejuiching van geestledige belijders, of de vleierij van Gods kinderen, door ons hogere gedachten van onszelf te doen voeden, dan met de waarheid bestaanbaar is. Nu weer is het de stuursheid en smaad, spotternij en verachting van hen, die in een vermeten vertrouwen voor zichzelf berusten, en onnoemelijke hindernissen, die ons van het kleven aan Gods getuigenissen terughouden.

Wat geestledige of goddeloze belijders ook mogen zeggen tegen ons, het werk van de consciëntie, door God gewrocht, het werk van het geloof is aan Gods getuigenissen, van hoedanige aard ook, vast te kleven. Een kind van God kan niet, dan aan datgene, dat met kracht ontvangen, met licht, leven en gevoel door de ziel aangenomen en door Jehovah toegepast is, vastkleven. Het is de band van de bevindelijke vereniging tussen God en zijn ziel. Het is dat plechtige aangrijpen en vasthouden van God, en daarom ook stelt de natuurlijke zielsbedorvenheid zich tegen de begeerte van de ziel, om die getuigenis vast te houden.

“Ik kleef vast aan Uw getuigenissen,” Ja ziel, kleef daar aan vast, wat het dan ook kost. Kleef er aan vast tot elke prijs. Kleef die aan door kwaad en goed gerucht, kleef aan het gevoel, aan de bevindelijke Godsdienst, aan de levende Godzaligheid, aan de innerlijke onderwijzingen van de Heilige Geest, en aan alles wat God aan de ziel inwerkt. Want die daaraan vasthouden, zullen niet beschaamd worden. De raaf moge over de druipende natte aarde vliegen, om haar dood aas te ontdekken, maar de duif kleeft de ark aan, met de olijftak in haar bek.

De ondervinding heeft mij geleerd dat het vastkleven aan Gods getuigenissen voor vele misslagen bewaart. Als ik mij jaren terugdenk toen mijn gemoed niet bevestigd in de waarheid, en ik in grote beproevingen was; toen ik rondom mij zag vallen lieve vrienden, dezen in die, en genen in een andere strik, terwijl mijn gemoed, geslingerd als het werd door deze stormen en rukwinden, evenwel aan Gods getuigenissen bleef vastkleven. De plechtige overtuigingen Gods, in mijn ziel gewrocht, weerhielden mij van in te dringen in dingen, die ik niet kende, noch te steunen op een leer, die mij niet bevindelijk geleerd was. Met weemoed heb ik sommigen van mijn vrienden, eerst tot het Arminianisme en later tot het Socinianisme zien wegdrijven; deze her- en een ander ging derwaarts ter zijde af.

En wat weerhield mij dan? Niets anders dan deze krachtige overtuiging, door de Heere Zelf in mij gewerkt, van geheel en alleen aan Gods getuigenissen vast te kleven; mij te houden aan wat ik gevoelde, te blijven bij wat ik kende, en daar alleen op te steunen, als de enige kabel die mij van een algeheel schipbreuk kon beveiligen. Zo bewaarde mij de Heere door die krachtige, hoewel onzichtbare band, terwijl zij, die meer schenen te weten dan ik, aan mijn rechter- en linkerzijde jammerlijk omkwamen. Daarom kan ik enigszins bij bevinding zeggen: “Ik kleef vast aan Uwe getuigenissen.” Sedert die tijd heb ik ondervonden, dat het vastkleven aan Gods getuigenissen aan mijn consciëntie het bestendigste voordeel aanbracht, en mij van alle kanten zowel met vrienden als met vijanden omringde. Maar op het einde brengt het vrede in de ziel.

Welke uitwerking het vastkleven aan Gods getuigenissen heeft.

“O Heere! beschaam Mij niet.” U merkt dus, dat het niet vastkleven aan Gods getuigenissen de mens beschaamd maakt. Als een mens niet, bij elk gevaar, bij iedere opoffering, ten koste van alles aan Gods getuigenissen kleeft, hij zal beschaamd worden. Geeft hij zijn geweten aan wereldse voordelen prijs, hij zal andermaal beschaamd gemaakt worden, als hij niet bij de onderwijzingen van de Heilige Geest aan zijn ziel blijft, maar ter zijde afgaat, hij zal beschaamd gemaakt worden. Die aan Gods getuigenissen vastkleeft, zal niet beschaamd worden, ook al zullen er duizenden aan zijn rechter- en linkerhand vallen; want de Heere eigent Zich de zodanigen toe, zegent en bewaart hen.

“O HEERE, beschaam mij niet.” Er komen ogenblikken waarin de ziel bevreesd is, beschaamd te zullen worden. Hoe vele en grote opofferingen kan ons onze Godsdienst kosten! Ongetwijfeld zullen er hier zijn, die het mij toestemmen, dat aan de een kant niet de wereld met zijn bezittingen en genietingen, en aan de andere kant een goed geweten kan gehouden worden; dat de wereld zich niet aan de ene en de Godsdienst aan de andere kant laat dulden; en daarom moet “de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen worden”, en “de smaadheid van Christus meerdere rijkdom geacht worden, dan de schatten van Egypte.”

Was er soms geen vrees van arm te zullen worden? Menigeen van Gods kinderen verontrusten zich, dat hun Godsdienst hen tot het werkhuis zal brengen, daarom roepen zij: “o HEERE, beschaam mij niet“. Hier heb ik deze opoffering te doen, daar word ik gedrongen de bron van winst op te geven en die middelen van

bestaan te laten varen; ik heb klanten in mijn werk verloren; ik heb weder iets anders moeten verlaten om des gewetens wil. “O, Heere beschaam mij niet.” Dat ik elk het zijne geve; bewaar mij om Uw naam niet te onteren, en “voed mij met het brood mijns bescheiden deels.”

Dan is een kind van God bevreesd dat het beschaamd zal worden in ‘die plechtige ure, die over elk en een ieder komen zal – de ure des doods. Wie gevoelt geen vrees van beschaamd te zullen worden, bij de eindelijke doortrekking van die duistere vallei? “Zou mijn Godsdienst, in die laatste stond, ook door de zeef gaan en bedrog blijken te zijn? “O Heere, beschaam mij niet”, in dat plechtige uur, wanneer ik voor U zal moeten verschijnen, zonder enige hulp of enige steun, tenzij U het zelf geeft.”

Maar mijn vrienden, die aan Gods getuigenissen kleeft, u zult niet beschaamd worden. Die kennis, bevindelijke kennis heeft aan een vertoornd maar ook een vriendelijk God; die de onderwijzingen des Geestes in zich. gevoelt, en de kracht des Heeren in zijn ziel ondervonden heeft, zal niet beschaamd worden. Hij niet wanhopende sterven, noch Godslasterende de eeuwigheid ingaan. Maar hij zal dit leven in de vreze en liefde Gods verlaten. Of, hij zal sterven met een goede hoop, door genade, op Zijn barmhartigheid, met enige rust der ziel, of enig vertrouwen, dat hij de Zijne is.

Soms is de wedergeborene bevreesd, dat hij nog openlijk beschaamd gemaakt zal worden voor de mensen, omdat hij door enige zonde overwonnen werd. Evenwel zijn hoop is op God, en hij zegt: “O Heere, beschaam mij niet!” Gij, o Heere, hebt gesproken: “Ik haat het kwade” – en dat geloof ik Heere. U hebt mij duidelijk gemaakt, welk een boos, arglistig, goddeloos en bedrieglijk hart ik heb; en daarop zeg ik: Amen, Heere. U hebt mij mijn dwaasheid en de onmogelijkheid, om mezelf te behouden aangetoond, en dat geloof ik Heere. U hebt mij gewaarschuwd door bestraffingen, omheind door inwendige kastijdingen. U hebt mij bekend gemaakt met hetgeen ik ben, en wat er in mijn hart is; – en ik geloof het Heere! Och, dat mij geen zonde verstrikke; dat mij niets overvalle dat U onteert en mij tot schade is! Dat geen verdorvenheden de overhand over mij behalen. O, dat toch de vijanden der waarheid niet juichende “haha!” over mij uitroepen! O Heere, beschaam mij niet.”

Dan eens is hij bevreesd dat er ten laatste een oven voor hem gereed zal zijn, welke zal bewijzen dat zijn Godsvrucht bedrog was, wanneer de satan recht zal hebben te zeggen: “Al uw Godsdienst was bedrog en niets dan het gebroedsel van een snode huichelarij; het waren niet de onderwijzingen van God noch Zijn openbaringen die je ziel ondervond. Je ontving nooit enige genade; het was maar een verhitte verbeelding en niets dan de afschuwelijke werkingen van uw vleselijk gemoed.” De ziel zegt: “Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.” Ik kleef vast aan Uw werk, ik steun er op, en heb ook niets anders waar ik mij aan vast kan houden: “o Heere, beschaam mij niet.”

Zo zien wij de band die er bestaat tussen het vastkleven aan Gods getuigenissen, en het niet beschaamd worden door de Heere. Hieruit moeten wij als vanzelf besluiten, dat zij die geen getuigenis van God ontvangen hebben, of die aan Gods getuigenissen niet vastkleven, beschaamd gemaakt zullen worden. Hoe dikwerf treft men mensen aan die in een ijdel vertrouwen verkeren en zeker en gerust leven! Hoewel God hen daar nooit in plaatste. Zijn deze kinderen van God – ongetwijfeld zijn er zodanige onder – de Heere zal ze beschamen. Hij zal hen beschamen wanneer zij in de oven der verdrukking gaan, en hen in engten voeren die zij voorheen niet kenden. Zij kleven niet aan Zijn getuigenissen, zij gaan boven dezelve en daarom zal Hij ze beschamen. Zij zullen gewaar worden, dat God niet te bedriegen is.

Ook zijn er anderen die de zonden, geen zonde noemen, en menen, dat zij hem niet schaden kunnen, die – zo zeggen zij – vast op Christus staan. Maar omdat hun vastheid in hun eigen ik berust, kleven zij niet aan de getuigenissen van God, maar aan de hulpeloosheid, de ellendigheid, de leegheid en het schuldige van het schepsel. Zij houden zich niet aan de getuigenis; “arglistig is het hart;” zij kleven niet aan Gods getuigenis, dat niemand veilig is, dan die door God bewaard wordt. Nu, de Heere zal hen beschaamd maken; mogelijk, door hen te laten vallen, door aan hen te bewijzen, dat zij tot de zonden kunnen terugkeren en het ook wezenlijk doen; door hen voor hun vijanden te ontbloten en ze met beschaamdheid en verwarring te bedekken.

Ach mijn vrienden, hebben wij – ik, zowel als u – soms niet beschaamd voor God en Zijn volk moeten staan, door niet vast te kleven aan die bevindelijke getuigenissen, welke aan ons geweten vastgeklonken waren? En hebben wij niet met de belijdenis van Ezra moeten instemmen: “Ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen?” (Ezra 9: 6) Aan beide zijden heb ik kennis: aan de getuigenissen vast te kleven en niet beschaamd te worden; maar ook aan de getuigenissen niet vast te kleven en door God beschaamd gemaakt te worden. En helaas! Hoe velen zijn er in de zichtbare kerk, die Hij eens met een eeuwige beschaamdheid bedekken zal, wanneer Hij de volheid van Zijn toom en Zijn gramschap op hen uitgieten zal!

Zo ontdekken wij dan drieërlei soorten mensen.

Vooreerst, een beproefd kind van God, dat een Goddelijke getuigenis ontvangen heeft; en daaraan vastkleeft. De Heere zal het bewaren, als de appel Zijner ogen; nimmer zal het beschaamd gemaakt worden.

Wij zagen een tweede klasse, die getuigenissen van God ontvingen, maar door de kracht van satan en de bedriegerijen van hun hart, hebben zij nóch in hun bevinding nóch in hun wandel aan die getuigenissen vast gehouden. Deze zal de Heere beschaamd maken, doch niet voor eeuwig. Hij zal hen hier beschamen, om hen van een eeuwige beschaming hiernamaals vrij te doen gaan. Door pijnlijke oefeningen, door vurige ovens vanbinnen, zo niet door openlijke oneer van buiten, zal Hij hen van hun hoogten afvoeren. Hij zal hen beschamen, en zij zullen blozen en schaamrood worden, omdat zij niet aan Zijn getuigenissen hebben vastgehouden, maar zich boven Zijn werkingen in hun ziel verheven hebben.

Eindelijk is er een derde klasse, die geen getuigenissen van God ontvangen, en daarom er niet aan vast kleven. God gaf geen getuigenis aan hun ziel. Deze zullen beschaamd en tot eeuwige verachting en schande gesteld worden in die dag waarin de Heere openbaar maken zal de verborgenheden van aller mensen hart en Zijn oneindige wraak zal uitgieten over de werkers der ongerechtigheid! AMEN.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.