Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De vrede Gods die harten en zinnen bewaart

Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God: En de vrees Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en zinnen bewaren in Christus Jezus. Filipp. 4: 6, 7.

Ongeloof is het zwaarste en sterkste lichaamslid van de oude mens der zonde, en daarom de grimmigste vijand en ergste plaag van ieder kind der genade. Als wij door het geloof Gods kracht aannemen, de beloften omhelzen, en dien goede strijd strijden, in welke, hoe lang ook het strijden mag duren, de overwinning aan het einde zeker is, dan mag het geloof de rechterarm van de nieuwe mens der genade genoemd worden.

En gelijk het ongeloof de kwade dag veraf stelt, de waarheid Gods wegstoot, en die kwade strijd strijdt, van welke, ofschoon als met nimmer stervende hardnekkigheid verlengd, het einde de gewisse nederlaag is, zo kan het ongeloof de rechterarm van de mens der zonde genoemd worden. Dus zien wij hoe wijd deze twee tegenovergestelde beginselen, geloof en ongeloof, van elkaar verschillen; inderdaad, wij mogen zeggen dat zij in ieder punt van aanraking of vergelijking verschillen.

Zij verschillen in hun geboorte en bloedverwantschap, in hun wasdom en ontwikkeling; in hun onderwijzing en opvoeding; in hun voedsel en eetlust; in hun kleding en voorkomen; in hun manieren en gewoonten, en in hun uitgang en einde. Laat mij echter, om der klaarheid en duidelijkheids wil, deze punten van tegenoverstelling wat breder ophelderen.

Het geloof, zoals het kerklied zegt, “is zijn geboorte aan vrijmachtige genade verschuldigd,” en wordt voortgebracht door dezelfde kracht en op hetzelfde ogenblik als dat, waardoor en waarin de Heilige Geest de ziel tot het geestelijk en eeuwig leven levend maakt. Het heeft inderdaad een hoge en hemelse bloedverwantschap, als ontlenende zijn geboorte aan en zijnde van de Vader der lichten, van Wie alle goede en volmaakte giften afdalen. Het ongeloof echter telt hoger jaren, want, als een lid van de oude mens der zonde, kwam het eerst in aanwezen op dien droevige en noodlottige dag, toen Adam zondigde en viel.

Wij kunnen dus zijn afkomst tot uit Adams lendenen nagaan, en als een deel van onze ellendige erfenis van hem, lag het met ons in de schoot van onze moeder, toen wij “in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren werden”.

Het geloof wordt, als een kind in de natuur, teer en zwak geboren, maar het zuigt vroegtijdig aan de borsten van troost, groeit door de zuivere melk des Woords, en, wanneer het stevige spijs kan eten en verteren, wordt het in sommige gevallen zo sterk, dat het in staat is “de bergen te dorsen, hen klein te slaan, en de heuvelen tot kaf te maken;” ja, in één voorbeeld, ten volle in een oud verhaal gewettigd, was het machtig genoeg God te overmogen en over Israëls kracht te heersen (Gen. 32: 28; Hosea 12: 3, 4). Het ongeloof is wanschapen geboren, gelijk een der Engelse koningen, de gebochelde Richard, met tanden reeds in de mond, groeit koppig en hardnekkig op, en, als het tot rijper jaren komt, is het een tweede Richard in heerszucht, misdaad en wreedheid.

Het geloof gaat vroeg ter school – naar de beste aller scholen, naar de school van Jezus; is van zijn tederste jeugd leerzaam en bevattelijk; zit graag op de beste aller plaatsen, aan de voeten des Verlossers, om daar nederig en liefdevol te luisteren als Hij zegt: “Neem mijn juk op u, en leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart”.

Ook verlaat het Hem niet voor een anderen onderwijzer, maar gaat voort nieuwe lessen te ontvangen van die lippen, waarop de genade was uitgestort, totdat het gelijk gemaakt is aan het beeld Zijns lijdens, en dan, in het aanschouwen veranderd, verrijst om Hem, te zien zoals Hij is van aangezicht tot aangezicht.

Het ongeloof gaat naar die grote openbare school, van welke de vorst en God van deze wereld de hoofdonderwijzer is, waar het tot zijn medemakkers de lusten des vleses, de lust der ogen en de hoogmoed des levens heeft; zijn rang of graad verkrijgt het aan de ongelovige hogeschool der duisternis, en, versterkt door geleerdheid en vertevigd door de bewijsgronden van vleselijke redenering, dagelijks meer in hardnekkigheid en vijandschap tegen de waarheid Gods toeneemt, tot het ten laatste in zijn zonden sterft, en dikwijls zijn ellendig leven in de kaken der wanhoop opgeeft.

Het geloof is zeer kies op zijn voedsel van zijn geboorte af; houdt van de zuivere melk van het geloof, want niets past in zijn jeugd beter voor zijn teer gestel; en, als het vlees kan eten, bevalt het niets zozeer en maakt niets het zo vet en bloeiend als het vlees en bloed des Lams. Maar het ongeloof, met tanden geboren, verkiest altijd de taaiste beten die het kan vinden, ofschoon het nooit in staat is die te verteren, zoals duidelijk zichtbaar is uit zijn schurftig vel en zijn mager en schraal voorkomen.

Maar gelijk een ezel zich graag met distelen voedt en een gier naar aas zoekt, zo jaagt het ongeloof immer op tegenwerpingen, moeilijkheden en ingewikkelde vragen; het is nooit beter tevreden dan als het aan een hard, dor been kan knabbelen, en als het dit te hard voor zijn eigen tanden vindt, het dan weg te werpen, opdat anderen daaraan hun kaken kwetsen. Het geloof houdt van reinheid. Wel wetende en diep gevoelende dat de natuur onrein en bezoedeld is, wast het zich graag in de fontein, die voor alle zonden en ongerechtigheid geopend is; baadt zich in de stroom der wedergeboorte en heiligmaking; en, als het gereinigd is door het bloed des Lams, schept het genoegen in gekleed te worden in het keurgewaad van Christus’ gerechtigheid.

Het ongeloof bemint de onreinheid; het wast noch zijn vel noch zijn klederen; schept er vermaak in, als het zwijn in het slijk te wentelen; en gelijk een bedelaarstroep draagt het niets liever dan zijn eigen gerechtigheid, welke, naar Gods getuigenis, slechts “vuile lompen” zijn. De wegen van het geloof zijn goede wegen; het kiest het pad der rechtvaardigheid, en vindt geen rust voor zijn voeten dan op de koninklijke groten weg, de weg der heiligheid; bemint het gezelschap van Gods volk, is de vijand der wereld, en de vriend van God.

Het ongeloof wandelt graag in de raad der goddelozen, staat op de weg der zondaren, en zit in het gestoelte der spotters; is de vriend der wereld en de vijand van God. En zoals zijn weg is, zo is zijn einde. Het einde van het geloof is de zaligheid der ziel. Het einde des ongeloofs is eeuwige verdoemenis; en als het ware door zijn eigen handen omkomende, valt het dikwijls, als Saul, in zijn eigen zwaard, en sterft onder de wraak des Almachtigen.

Maar gij zult zeggen: “Wat heeft dit alles met de tekst gemeen?” Ik antwoord: veel in ieder opzicht. Onze tekst, genadig verstaan en behoorlijk verklaard, is een slag rechtstreeks op het hoofd des ongeloofs gericht, en een gezegende hulp en aanmoediging tot het geloof. Het geloof vindt daarin keur van spijs; het ongeloof knabbelt er op als een hond op een afgeknaagd been, schoon het te sterk is om liet te vermalen, en te hard om het te verteren. Het geloof kan, in de taal van de tekst, zeggen: “Weest in geen ding bezorgd;” het ongeloof mompelt: “Weest voor alles bezorgd.”

Het geloof zegt: “Maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God”. Het ongeloof prevelt: “Wat vermag het gebed voor mij? Kan het gebed een hongerigen buik voeden? Kan de smeking een schraal etenskast vol doen worden? Kunnen dankzeggingen mij een bloeiende zaak aanbrengen, mij goede klanten bezorgen, mij goedkoop doen inkopen en duur doen verkopen? Kan het neerknielen bij het gebed mijn gemoed verheugen, mijn lusten strelen, of mij geld in mijn zak brengen? Neen. Geef mij een goed, ruim bestaan, overvloed der wereld, en gezondheid en kracht om het te genieten. En wat het bidden betreft, zo ik dat ooit behoef, niets kan beter zijn dan het Algemeen Gebedenboek, of de oude gebeden, die mijn moeder mij leerde, toen ik nog als kind naast haar liep.”

Het geloof zegt: “De vrede Gods gaat alle verstand te boven; en o mag die vrede mijn hart en zinnen door Christus Jezus bewaren!” Het ongeloof zegt: “Ik weet niets en verlang niets te weten van de vrede Gods, die hart en zinnen samen bewaart. Ik zou liever mijn paarden en rijtuigen houden, of een goed kapitaal bij mijn bankier in voorraad hebben; of zo ik zulk een hogen staat niet voeren kan, liever mijn welvaart zoeken bij een goede pachthoeve, een goede winkel, of een goed inkomen, met de hoop om toch na mijn dood in de hemel te komen, even zowel als die mensen, die zo veel werks van de godsdienst maken.”

Maar, zonder langer bij deze punten stil te staan, zal ik, met Gods hulp en zegen, de partij van het geloof kiezen, en, zo ik kan, enige geheime stoten aan het ongeloof toebrengen; en met het doel om de vriend Gods te verdedigen en mij tegenover de vijand Gods te plaatsen, zal ik pogen u drie hoofdpunten voor te stellen, welke ik in de voor ons liggende tekst meen te bespeuren.

I. Een genadige waarschuwing: “Weest in geen ding bezorgd”.

II. Een beknopt, bevattelijk voorschrift: “Maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God”.

III. Een bemoedigende belofte: “En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en zinnen bewaren door Christus Jezus”.

I. Laat ons eerst de genadige waarschuwing, tot Gods heiligen gericht, beschouwen: Weest in geen ding bezorgd.

1. Moeten wij deze woorden in hun volledige en letterlijke zin opvatten? Moeten wij alle gedachten aan de toekomst laten varen? Moet men geen voorzorg hoegenaamd voor zich of zijn huisgezin nemen? Dat zou met het gezond verstand strijden; en hoewel het Woord Gods boven het verstand is, is het toch nooit daarmee in strijd. Inderdaad, wat zouden wij doen, of wat zou er van ons worden, zo mannen als vrouwen in deze wereld, zo wij zo stipt en letterlijk wilden handelen naar de woorden van de tekst, zoals deze schijnen aan te duiden? Velen van onze moeten ons brood verdienen, en wel in liet zweet van onze aanschijns door ons brein of onze handen. Zo deze vermaning: “weest in geen ding bezorgd,” eens in volledige zin werd gevolgd; zo de koopman geen acht sloeg op zijn boeken; zo de handelaar zich niet bekommerde om zijn winkel of klanten; zo de pachter verzuimde naar zijn pachthoeve te gaan, het ploegen en zaaien naliet; of, om wat lager af te dalen, als de landman te bed bleef, zeggende: “Laat de morgen voor zichzelf zorgen, ik zal niet opstaan om deze morgen naar het werk te gaan. Leert men mij niet “in geen ding bezorgd” te zijn?

Waarom behoef ik mij dan te bekommeren om mijn werk al te doen, mijn baas te dienen, of brood voor mijn gezin te winnen?” Wat zou het uiteinde zijn? Wel, de koopman zou spoedig als bankroetier in de courant vermeld, de handelaar in de gevangenis gebracht, de pachter gegijzeld en de landman onder de bedeelden gerekend worde. Derhalve kunnen wij dan de woorden niet in hun letterlijke betekenis opvatten, zodat zij alle zorg en gedachten voor de tijdelijke dingen geheel uitsluiten. Trouwens, inderdaad, het voedsel zelf dat wij deze morgen gebruikt, de klederen zelf die wij aangedaan hebben, het bedehuis waarin wij zijn samengekomen, de predikstoel waarin ik sta, en, ik zou er kunnen bijvoegen, zelfs de Bijbel, waaruit ik predik, als een boek door mensenhanden gedrukt, zijn allen de vrucht der zorg, nijverheid en bekwaamheid, en hebben hun bestaan aan voorafgaande menselijke voorzorg en inspanning te danken.

Maar niet alleen strijdt het met het gezond verstand geen gedachten en zorg aan de behoeften van deze levens te wijden, maar ook met andere gedeelten van Gods Woord; en wij weten dat het een voorschrift nooit het andere kan vernietigen, noch de Schrift zelf tegenspreken. Lezen wij niet: “Bent niemand iets schuldig?” (Rom. 13:- 8). Maar hoe zoudt gij dat voorschrift kunnen vervullen, zo gij niet zorgde, en zeer dikwijls niet angstig zorgde, om aan het einde goed uit te komen? ja een mens mag zeggen, zoals zo vele lichtzinnige belijders, zo niet in woorden, door daden hebben getoond: “Weest in geen ding bezorgd.

Het komt er niet op aan wat ik uitgeef, wat ik vraag of afleen, hoe buitensporig ik leef, en hoe diep ik in schulden verzink. Ik zorg voor niets. Neen; zelfs niet voor het belang van mijn familie, of mijn eigen goede naam, of dien als Christen. Laat mij slechts overvloed van eten en drinken, ik geef er weinig om hoe hoog de rekeningen van bakker of brouwer, de pacht van mijn dorpsheer, of mijn schulden aan de kruidenier mogen zijn. God is toch machtig mij te houden, al baart het mij geen angst om in schulden te geraken, of, zo ik er in geraak, dan kan Hij voor mij weldra een rijk vriend doen opkomen, die al mijn schulden betaalt.”

Neemt een andere tekst van gelijken inhoud: “Doch zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige” (1 Tim. 5: 8). Dus niet elke poging van eerlijke nijverheid in het werk te stellen voor zijn eigen gezin en eigen huis, is, volgens van de apostel verklaring, erger te handelen en erger te zijn dan een mens, die het geloof verloochent, en in openbaren oorlog met God en godsvrucht is.

Maar neemt een anderen tekst over hetzelfde punt: “Als die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen voor de Heere, maar ook voor de mensen” (2 Kor. 8: 21). Maar wat zal een man anders doen in deze dagen van levendige concurrentie, en in dit vergevorderd tijdperk van werkzame beschaving en onvermoeibare nijverheid, dan dat hij werkt, volgens de oorspronkelijke vloek, in het zweet, dat dagelijks van zijn voorhoofd druppelt, en alle wettige middelen te baat neme, volgens zijn stand in dit leven, om zijn gezin dat eerlijk bestaan te verschaffen, dat het voor de scherpen tand van honger en armoede bewaren, en zelfs in het oog der mensen het die algemene achting verschaffen zal, welke zozeer aan de belijdenis van een godsdienst past.

Maar ons wordt ook geleerd niet “traag in het benaarstigen te zijn” (Rom. 12: 11). Het Evangelie heeft een reinigenden invloed op alles wat het aanraakt. Het verplaatst zich dus op het gebied der zaken, van welke aard ook, en heiligt en veredelt de nijverheid des geestes of der hand in elke stand des levens.

Maar daar het toegeven aan luiheid en zorgeloosheid ten uiterste onze tekst zou omverwerpen, en niet alleen strijdig met het gezond verstand maar met de duidelijke voorschriften van Gods Woord zou zijn, is het niet der moeite waard langer onze adem te verspillen, om een dwaling als deze breder ten toon te stellen.

De grote dwaling ligt ongelukkig aan de tegenovergestelde zijde. Oneindig velen zijn meer voor alles bezorgd dan degenen, die voor niets zorgen in de zin, dien ik zo even verklaard heb. Tegen een, die de tekst misbruikt om de wil der luiheid, zijn er tien die hem verbreken door knagende zorg en angstvalligheid te hebben. Laat mij dan trachten u de ware bedoeling van de genadige waarschuwing: “Weest in geen ding bezorgd,” te doen kennen.

2. Laat mij u eerst de letterlijke zin des woords verklaren. Het betekent in het oorspronkelijke, geen zorg of voorzorg, maar een gemoed, dat als het ware, vaneen gehouwen, of wat wij noemen gepijnigd en verscheurd is door angstvallige zorg. Het sluit dus, noch in zijn oorspronkelijke betekenis, noch in zijn geestelijke toepassing, niet uit noch verbiedt noodwendige zorg, eerlijke en onophoudelijke nijverheid, noch ontmoedigt dat wijs en voorzichtig bestuur van onze wereldse zaken, dat dikwijls een genadige gave Gods is, en waarop, als zodanig, Zijn zegen gewoonlijk rust. Onder de hemelse genade en goddelijke gaven aan “die deugdelijke vrouw” verleend, wier waardij ver boven de robijnen is, behoort “dat zij met lust van haar handen werkt, en niet het brood der luiheid eet” (Spr. 31: 13, 27).

Maar dit alles kan geschieden zonder dat men door angst wordt neergebogen, die kortom de vrucht des ongeloofs is. In geen ding bezorgd te zijn, geestelijk beschouwd, sluit voornamelijk die knagende zorgen, dien pijnigenden angst, dat bestendig vragen uit of de Heere wel machtig is voor de volgende morgen te zorgen, hetwelk voor zo velen een onuitputtelijke bron van dat leed der wereld is, dat de dood werkt. Konden wij in vele begenadigde harten zien, dan zouden wij in hun boezem menige knagende, verterende, brandende zorg bespeuren, die, als een smeulende vlam, hun levensdelen verteert.

Dat is geen geloof maar ongeloof; niet de warme invloed van een heilige vlam van hemelse liefde, maar een walm, die de geest verduistert en een donkere wolk over het hart van de nieuwe mens der genade verspreidt. De apostel dan die ongelovigen geest, dat God onterende versagen bespeurende, zegt: “Weest in geen ding bezorgd”. Wordt niet door angst gepijnigd en verscheurd hoe de huur voldaan, een vervallende wissel betaald, hoe het kroost zal groot gebracht worden; hoe de lieve kinderen zullen verzorgd worden; wat er van hen zal worden als gij sterft, wie dan voor de kleinen zal zorgen en zich met ben belasten, en voor hen vader en vriend zal zijn.

Alzo door onophoudelijke angst gekweld en verscheurd te worden, juist alsof er geen God in de hemel was, die u zo lang gevoed en gekleed heeft, of die, als gij stierf, met u zou sterven – dit is de verterende, knagende, al te angstige bezorgdheid tegen welke de apostel ons een genadige waarschuwing geeft. En durven wij zeggen dat het een nodeloze is? Want zien wij niet hoe vele begenadigde mensen met gering inkomen en grote huisgezinnen dikwijls meer bezorgd zijn voor de behoeften van het vergankelijk lichaam dan voor de belangen der onsterfelijke ziel?

3. Maar laat ons wat hoger gaan. Laat ons de vallei verlaten en de heuvel wat opstijgen, om, zo mogelijk, Sions torens en bolwerken in het gezicht te krijgen, en dus enigszins verheven te zijn boven de mist en nevel van deze lagere grond, de poel, het moeras en het overstroomde veen, waar wij juist onder zijn koortsige, rillende bewoners vertoefd hebben. Zelfs op de hogere bodem van de eeuwige belangen der ziel, is dikwijls menige ongelovige, Godonterende, angstvallige zorg, tegen welke de Heilige Geest een heilzame waarschuwing zou geven.

a. Ziet gij, b.v. niet soms een zware beproeving in het verschiet? Met ongeloof en vrees vervuld, weet gij nauwelijks hoe die beproeving zal te doorstaan zijn als zij dichter bij komt, en met verpletterend gewicht op u neervalt. Gij ziet haar nu alleen in het ver verschiet opdoemen. Nu wellicht is zij der wolk gelijk, niet groter dan eens mensen hand, welke de dienstknecht des profeets van Carmels bosrijke top zag. Maar als gij op haar staart, ziet gij haar, feitelijk of figuurlijk, in wezenlijkheid of verbeelding, zich trapsgewijze aan de hemel uitbreiden, en gij vreest waarlijk dat er uit die donkere wolk een bliksemstraal of een hagelbui zal voortkomen, die u verdelgen zal.

Maar maakt gij van de beproeving geen beproeving eer zij werkelijk komt? Hoe weet gij of de wolken niet zullen breken en de dreigende storm voorbij gaan? Of vooronderstelt dat de storm kwam, hebt gij geen ondersteuning bij iedere voorbijgegane beproeving gehad? Is u niet altijd kracht naar kruis gegeven? Overkwam u ooit enige droefenis, waarin de Heere u niet de nodigen bijstand schonk? Wel, waarom ziet gij dan met angst de naderende morgen vooruit, en verzinkt niet de twijfel en de vrees in het verschiet dat, als de beproeving u overkomt, gij geen kracht zult hebben dien geweldigen storm te weerstaan? “Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad!”

Maar neemt nog een voorbeeld hiervan ter opheldering van mijn mening: Velen van Gods dierbaar volk hebben met veel vrees en angst opgezien tegen het sterfbed, of hun bewijzen voor de eeuwigheid dan tegen de dreigende storm zouden bestand zijn, of de Heere dan de stralen der genade op hun ziel zou doen vallen; zouden zij dan de gezegende getuigenis nalaten, dat de Heere de sterkte huns gemoeds en hun deel voor eeuwig was; zou Jezus dan met hen zijn in zijn bloed, liefde en kracht, als het klamme zweet van hun voorhoofd druppelde en het gereutel in hun keel de naderende komst van de grimmige koning der verschrikking aankondigde? En toch, hoe velen van Gods geliefde heiligen, die, zoals de apostel zegt, “door de vrees des doods geheel hun leven dienstknechten der slavernij waren,” hebben een zalig uiteinde gehad, toen de bepaalde scheidingsure voor hen naderde!

Toen het sterfuur kwam, kwam het geloof om wel te kunnen sterven met hetzelve. De Heere was met hen toen zij de donkere vallei van de schaduwen des doods doorgingen; Zijn stok en staf ondersteunde hen de gehelen weg langs, en zij vonden kracht voor een stervend lichaam om zonder moeite de geest te geven, en steun voor een nimmer stervende ziel, om in strelende verzekerdheid in de armen van haren God over te gaan.

b. Maar neemt een ander geval, dat der verzoeking. Als de verzoeking begint te werken – en de verzoeking vangt vaak met kleine schreden aan, heeft menige heilige Gods met angst gebeefd, wat die verzoeking voor hem zou worden, als zij meerder kracht verkreeg. Is niet dikwijls een ongelovige verzoeking, als het ware, door uw ziel als een bliksemstraal geschoten? Of een zinnelijke verzoeking naar een bijzonder voorwerp kan juist aangevangen hebben liet dwalende oog en het zwervende hart te verstrikken. Een kind Gods kent uit verleden bittere ervaring zijn eigen zwakte, en weet wat hij is in het aangezicht der verzoeking; hoe onbekwaam om die te weerstaan, hoe spoedig daardoor overweldigd.

Zo de Heere dan geen uitkomst biedt als de verzoeking nadert, beeft hij voor de gevolgen voor de veiligheid en de vrede zijner ziel. Onze Zaligmaker zag hierop, toen Hij tot Petrus zei, “Simon, Simon! ziet, de satan heeft u zeer begeerd, om u te ziften als de tarwe” (Lukas 22: 31). Maar zelfs hier kan er ongepaste angst zijn. Gelijk ik u tevoren vraagde met betrekking tot de beproeving, hebt gij ook niet in het geval der verzoeking bevonden, dat God, met de verzoeking, u een weg ter ontkoming aanbood, zodat gij in staat was haar te weerstaan? Wel! zult gij dan toekomstige verzoekingen angstig vooruitzien, vooraf beven dat zij uw ondergang zullen worden, als gij in uw eigen hart het bewijs hebt, dat gij onder verleden verzoekingen bent ondersteund, en de Heere trouw aan Zijn belofte hebt gevonden, omdat Hij er u veilig doorbracht?

c. Of neemt weer zulk een geval als uw tegenwoordige toestand en staat in goddelijke zaken. Velen van ‘s Heeren dierbaar volk worden droevig door twijfel en vrees omtrent hun aandeel in Christus gekweld, bijna van de aanvang hunner loopbaan af tot aan het einde huns levens toe. Of door de zwakheid van hun geloof, of door gebrek aan heldere openbaringen en gezegende uitkomsten, het is een feit, dat velen van ‘s Heeren levend gemaakt volk al hun dagen worden neergedrukt door angstige vragen aangaande hun toestand en bevinding voor God voor de eeuwigheid.

Maar de Heere zou tot hen zeggen, als een genadige waarschuwing tegen het te angstig worden door deze twijfelingen en vrees: “Wees in geen ding bezorgd”. Het is goed om goed en diep geoefend te worden in de gewichtige belangen van onze ziel, en nooit tevreden te blijven met iets minder dan een zalige verzekering van ons aandeel in het verzoenend bloed en de rechtvaardigende gerechtigheid van de Zoon van God. Maar mag ik u deze vraag in alle oprechtheid en vriendelijkheid doen? “Vindt gij niet enig wezenlijk zielenvoordeel in het steeds betwijfelen van het genadewerk aan uw hart; in altijd te weifelen of God iets voor u door Zijn Geest en genade heeft gedaan; in altijd toe te geven aan de inblazingen van het ongeloof, en de satan voet te geven als hij u zou willen overtuigen dat gij een huichelaar was?”

Gij weet hoe sterk ik ben tegen een dode verzekerdheid, en hoe ik gedurig op dit punt aandring, dat de Heere alleen van vrede kan spreken tot uw ziel. Maar dit zeg ik ook, dat ik, voor mij, nooit iets door twijfeling verkreeg; dat al wat ik lieb, ik het door het geloof heb verkregen; en dat hoewel twijfel en vrees gedurig in mijn gemoed zowel als in het uw zullen werken, dat zij echter noch vruchten des Geestes zijn, noch iets te doen hebben met het werk van het geloof, het geduld der hoop, of de arbeid der liefde. Als dan de satan tegen u elk bewijs ter veroordeling zal aanbrengen, en elk bewijs tot vrijspraak verbergen, dan zal het uw wijsheid zijn, als gij tot hem kunt spreken zoals de drie joodse mannen eertijds tot de Chaldeeuwse koning zeiden: “o Nebukadnezar! wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden.

Maar zal het zo zijn, onze God, dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit de oven des brandende vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren” (Dan. 3: 16-18). In zekere zin kunt gij, mits de Heere u helpt, de satan op gelijke wijze ontmoeten, en zeggen: “o koning der duisternis, ik heb niet nodig, u op deze zaak te antwoorden. Ik kan noch wil, op uw verzoek, mijn hoop laten varen, dat de Heere iets voor mijn ziel gedaan, en zich eertijds dierbaar aan mijn hart gemaakt heeft. Daarom laat af van mij. Hij is machtig mij uit de vurige oven te verlossen, waarin gij mij wilde werpen. Maar zo niet, weet dan, o koning over al de kinderen des hoogmoeds, dat ik uw goden niet zal eren, noch het gouden beeld aanbidden, dat gij hebt opgericht. Moet ik vergaan, dan zij het aan ‘s Heeren voeten, strijdend tegen u en uw boze wegen tot mijn laatste ademtocht.”

II. Maar ik ga nu van deze genadige waarschuwing: “Wees in geen ding bezorgd,” welke, in het voorbijgaan gezegd, dezelfde bedoeling heeft als het bevel van onze Heeren: “Bent niet bezorgd tegen de dag van morgen” (Matth. 6: 34) tot de overweging over van het beknopte, bevattelijke voorschrift, dat voor de toestand van ieder kind Gods schijnt gegeven te worden: “Maar laat uw begeerten, in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God”.

Wij kunnen nooit genoeg dankbaar zijn voor een genadetroon, tot welke wij vrijmoedig mogen gaan, voor een voetbank van barmhartigheid, voor welke wij ons, van tijd tot tijd, eerbiedig mogen stellen. De hemelse zaligheid, de overvloedige genade, het milde mededogen, het eindeloze liefde de kinderen der mensen geopenbaard in het plaatsen van Gods geliefde zoon op een genadetroon in het eeuwige Huis dáárboven, worden niet genoegzaam gewaardeerd en geprezen. De eenvoud zelf van de zegeningen, zoals die der zon en lucht in de natuur, of het voedsel en de kleding door de hand der Voorzienigheid, doen ons bijna Zijn grootheid vergeten. Laat ons dan een blik opwaarts zenden naar dien genadetroon, opdat wij dien door het geloof mogen aanschouwen, voordat wij breder uitweiden over de gebeden en smekingen, die tot dien troon worden opgezonden.

God heeft Zijn geliefde zoon uit de doden opgewekt om Hem aan Zijn rechterhand in de hemelwoning te plaatsen, opdat Hij onze eeuwig levende Middelaar tussen God en de mens zou zijn; opdat Hij, als de grote Hogepriester over het Huis Gods, voor immer, door de kracht van Zijn vergoten bloed hier beneden, de woningen des hemels liefelijk maken, de gebeden en smekingen Zijns volks aanbieden, tegelijk met Zijn alvermogende wierook, en zo de gebeden aller heiligen als een geestelijke offerande op het gouden altaar Zijner eigen geheiligde mensheid leggen zou. Deze voorspraak van Jezus behoorden wij altijd voor de geest te hebben als wij de genadetroon naderen, en dus, als wij, de voetbank der barmhartigheid nabij komende, tot de Vader gaan, niet te komen in onze eigen kracht, wijsheid, goedheid of gerechtigheid, maar alleen tot de Vader te komen door de Zoon Zijner liefde, in Wie Hij een eeuwig welbehagen heeft.

Dit te geloven, en daarnaar te handelen, is een hoogst noodzakelijk en gezegend deel van ons allerheiligst geloof en genadige gehoorzaamheid. Als daarom, bevindelijk, deze geestelijke verborgenheid voor een gelovig hart wordt geopend, wekt zij de geheime begeerten en gebeden der ziel op; en dus wordt de gelovige discipel van tijd tot tijd, naar de mate zijns geloofs, bekwaam gemaakt, en de uitstorting van de Geest der genade en gebeden geschiedt over hem, om naar dit bevattelijk voorschrift te handelen en dit te vervullen: “Maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God”. Ik heb gezegd dat het bevattelijk is; laat ons het nu in zijn veelvuldige inhoud nagaan, dan zal dit ons het best doen zien hoe alomvattend het is.

1. Neemt dan het eerste woord, en ziet hoe het zich uitstrekt over het gehele volk Gods in elke staat of stand, en, als met minnende armen, alles, zowel in het bestuur der Voorzienigheid in het dagelijkse leven als in de genade schijnt te omvatten, wat de christen kan overkomen.

Let op de woorden: in geen ding. Hoe veelomvattend zijn zij! welk een overvloed! wat waarborg geven zij het kind van God, om alles voor de ogen en oren van zijn hemelse Vader te brengen. Gij zult zeggen: “alles! wel, zijn er niet vele beuzelachtige zaken, als ik die naga. Mag ik dan zowel nietige als gewichtige zaken voor God brengen?” Wat noemt gij nietige dingen? Weet gij niet dat de gewichtigste gebeurtenissen van de beuzelachtigste omstandigheden afhangen? Is er iets beuzelachtigs bij God wat de zaligheid en heiligmaking, van een erfgenaam Gods en een mede-erfgenaam van Christus aangaat? Bij God is niets klein, niets groot. Bij Hem zijn de wereld en de volken, die op haar oppervlakte wonen, als een druppel aan de emmer en een stofje aan de weegschaal. Naar de maatstaf van het menselijk oog, is deze zaak nietig, die gewichtig. Naar de maatstaf van Gods oog is alles gelijk.

Hij, die de olifant schiep, schiep ook het kleinste insect. Hij, die de leviathan schiep om zich in de zee te bewegen, schiep ook de vis, in welks mond Petrus de stater vond. Hij, die de ceder op de Libanon schiep, schiep ook de hysop aan de muur. In mijn eigen ondervinding heb ik bevonden, dat enige der gewichtigste gebeurtenissen mijns levens van de nietigste omstandigheden afhingen. Een nauwelijks merkbare verhevenheid van de grond kan, van haren eerste oorsprong af, een beek in een nieuw kanaal afleiden, en dus een geheel onverwachte loop aan een rivier geven, echter een, die zegenvol is voor het land, waardoor zij stroomt. Lieten tijd en plaats het mij toe, dan zou ik kunnen aanwijzen van welke nietige omstandigheden mijn roeping door de genade, en met haar, al haar gevolgen voor mij zelf en de Gemeente Gods afhingen. Een schijnbaar toevallige omstandigheid te Oxford, nu bijna 37 jaren geleden, bracht de gehelen stroom van mijn hart en geest, van mijn gedachten en leven in zijn tegenwoordig kanaal.

Dus kunnen wij nooit een omstandigheid naar haar tegenwoordige strekking afmeten. Naar uw geloof of zelfs naar uw heersend ongeloof afgemeten, mag het van weinig betekenis schijnen; maar is het uit God, dan is het niet onbeduidend in Zijn ogen, maar kan een hoogst gewichtige invloed op uw zaligheid en heiliging hebben. Maar is dit in het natuurlijke zowel als in het rijk der genade waar? “Mag ik”, vraagt gij, “alles wat het dagelijkse betreft voor de Heere brengen, die aan Gods rechterhand zit, en geloven dat Hij daarop met een genadig oog zal neerzien?” “ja”, evenzeer als toen de oude profeet, die tussen de tempel en het altaar gestenigd werd, met stervenden adem zei: “De Heere zal het zien en zoeken” (2 Kron. 24: 22); zo mag gij de Heere verzoeken op elke omstandigheid te zien, die op uw hart ligt. Spreidde Hiskia niet de brief met zijn gehelen inhoud voor de Heere in de tempel uit, opdat Hij het schrift zou lezen?

Mag gij niet evenzo voor de Heere, om zo te zeggen, elke klinker en medeklinker van de brief van Uw ziel ten toon spreiden? ja, er is geen enkele omstandigheid uit het dagelijks leven of uit het rijk der genade, die het welzijn van Uw ziel betreft, welke gij niet vrijmoedig en ten volle voor de ogen van Hem kunt brengen, met Wie gij te doen hebt. Is het, bij de beschouwing Zijner majesteit en grootheid, geen oneindige neerbuiging van de Hoge en Verheven, die in de eeuwigheid woont, dat hij op ons neerziet, naar ons luistert, en de gebeden hoort van elk, die deze aardbol bewoont?

Zo het dan neerbuiging is om op het grootste te zien, dan is het ook neerbuiging om op het minste te letten; is het neerbuiging naar de vurigste bede te horen, dan is het ook dezelfde neerbuiging naar de minste zucht te luisteren. Niets kan onbeduidend en onbelangrijk zijn, dat de zaliging van een onsterfelijke ziel betreft, God verheerlijkt, of een loflied aan de Zoon Zijner liefde brengt.

2. Zien wij nu op van de apostel uitdrukking: door bidden en smeken. Wij vinden deze beide woorden dikwijls in de Schrift verenigd. Neemt de volgende voorbeelden: “Hoor dan uit de hemel hun gebed en hun smekingen” (2 Kron. 6: 39); “Ik stelde mijn aangezicht tot God de Heere met gebed en smekingen” (Dan. 9: 3). Zo wordt van onze gezegende Heere, als ons verheven Voorbeeld, gezegd, “dat Hij, in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen geofferd heeft” (Hebr. 5: 7), en, volgens Zijn heilig voorbeeld, waren de elf discipelen, na Zijn hemelvaart, allen “eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken” (Hand. 1: 14). Maar ofschoon deze woorden dus dikwerf samengevoegd zijn, is er toch een onderscheid tussen hen op te merken. Het gebed bevat elke ademtocht der ziel, van de zwakste begeerte, de flauwste zucht en de tederste wens af, tot de hoogste en dringendste ernst toe, hoedanigen Jakob ten toon spreidde, toen hij de gehelen nacht met de engel te Pniël worstelde.

Het sluit daarom alle verborgen en openbaar gebed in, hetzij in de ziel alleen of door de stem voortgebracht. Dus mogen wij alle bijzonder of openbaar gebed, elke begeerte van het hart, elke uiting van de mond, welke het de Heilige Geest behaagt door Zijn krachtvolle adem in de ziel op te wekken, of door de tong te openbaren, in schriftuurlijken zin, “gebed” noemen. Smeking schijnt iets dat meer afgebroken wordt aan te duiden, iets dat met meer zuchten, tranen en angstkreten wordt geuit. De houding van de smeker is meer ootmoedig, zijn behoeftemeer dringend, en zijn verzoek meer vurig dan dat van een bidder. Dus vinden wij in de reeds aangehaalde plaats, waar onze gezegende Heere gezegd wordt gebeden en smekingen geofferd te hebben, er bijgevoegd: “met sterke roeping en tranen”.

Toen Hij, naar Joh. 17, in kalme majesteit bad, was dat een gebed; toen Hij in de Olijvenhof, in doodsangst verkerende, vuriger bad, was dat een smeking. Smeking gaat dus boven gebed, als zijnde ernstiger, dringender, vuriger, aanhoudender, meer vergezeld door geween en gezucht. Dus zegt de Heere van Zijn volk: “Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen leiden”. Om een figuur te gebruiken, van welke ik mij reeds in een van mijn leerredenen bediend heb, zeg ik: het gebed is een kalme, diepe rivier, die door een vlak land naar zee vloeit; maar de smeking gelijkt een bergstroom, die onstuimig naar dezelfde oceaan schiet, maar door rotsstenen, in zijn bedding geworpen, afgebroken wordt, welke echter zijn loop, hoe zeer zij die mogen belemmeren, niet kunnen stuiten.

Beide zijn uit de Geest, gelijk het water der rivier en van de stroom hetzelfde is; en beide zijn geschikt naar de verschillende omstandigheden der ziel. Maar hetzij het gebed of smeking zij, wij worden hier geboden: “Onze begeerten in alles door gebed en smeking, bekend te doen worden bij God”. De gezegende Geest, in Zijn verschillende invloeden als een Geest van genade en smekingen in de harten van Gods volk, kan, om een andere figuur te gebruiken, bij de wind vergeleken worden. Soms is er een nauwelijks merkbare koelte. De warme en liefelijke zuidenwind valt op sommige dagen even fris en strelend op onze aangezichten, als ware hij juist over een violenbed gegaan. Zo is soms het gebed in de ziel een liefelijke, warme uitademing hemelwaarts, en toch, omdat het de adem des Geestes is, heelt het in zich een liefelijkheid, die merkbaar gevoeld wordt, en een kracht, die het hart tot Gods tegenwoordigheid verheft.

Op een anderen tijd is de ziel in een zeer moeilijke verlegenheid gebracht, verkeert onder de druk van een zware droefenis, of is door een felle verzoeking aangevallen; dan wordt het gebed meer gelijk de geweldigen, ruisende wind, die op de Pinksterdag gehoord werd. Zo de liefelijke koelte, van welke ik gesproken heb, het schip der ziel zachtjes over de golven stuwt., zo gelijkt de sterkere wind, dien ik nu beschrijf, meer op die stevige koelte, die elk zeil van het schip in beweging brengt en het snel over de verbolgen zee heen jaagt. Maar voeren liefelijke koelte en felle wind niet beide voort naar dezelfde haven?

Soms kan het gebed weer met tranen, gekerm en zuchten vermengd worden, juist als op een stormachtige dag, wanneer wind en regen met elkaar om de heerschappij schijnen te dingen. Dan verandert het gebed in smeking; want, zoals ik van tevoren zei, is smeking sterker dan gebed, meer herhaald, afgebroken, aanhoudend, en uitgestort alsof het antwoord onmiddellijk moet komen, alsof de ziel niet kan leven onder de pijnigenden druk van schuld en verzoeking. Wij moeten daarom het gebed en smeking niet tot enig punt of graad bepalen, evenmin als wij het gehele volk Gods naar dezelfde geestelijke toestand, of het geloof in elks hart naar dezelfde nauwkeurige afmeting kunnen vaststellen. In het huisgezin Gods hebben wij zuigelingen en kinderen, jongelingen en vaders.

In het geloof hebben wij zwak geloof, klein geloof en groot geloof, sterk geloof en alles overtreffend geloof. Zo ook in het gebed, wij hebben insgelijks zwakke en krachtige gebeden; gebeden met veel en weinig geloof vermengd; gebeden, die met een enkelen zucht uit het hart schijnen op te komen, en gebeden, die met ernst, vuur en aandrang gepaard gaan en onder pijnlijk gekerm opwaarts worstelen. Voor het gebed kunnen wij geen maatstaf of model, geen bepaalde lengte of kortheid opgeven, alsof de werkingen en invloeden des Geestes afgemeten konden worden naar de grootte van een zakgebedenboek of naar andere bestaande geschriften van dien aard. Men zou de discipelen van Jezus waarlijk een juk op de hals leggen, als men wilde aandringen, dat er juist die maat van de Geest van het gebed of der smekingen, die grootte, of die menigvuldigheid daarvan zou moeten zijn, welke de mens in zijn onwetendheid of verwaandheid zou willen voorschrijven.

God bindt zichzelf niet om Zijn Geest in gelijke mate aan allen te geven; want “er is verscheidenheid der werkingen” (1 Kor. 12: 6); en “wij hebben verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, gelijk als God een ieder de mate van het geloof gedeeld heeft” (Rom. 12: 3, 6). Zo wij in de voetstappen van Gods waarheid treden, moeten wij ons noch anderen aan enige strengen regel binden, maar geloven, dat elke opwekking van de Geest der voorspraak in de ziel een gebed en smeking is, zoals de Heere die graag hoort en verhoort. Maar schoon ik dit zeg, kan ik toch niet nalaten mijn gevoelen te uiten nopens het betreurenswaardig gebrekkige, dat wij in deze aan de dag leggen.

Trouwens, zodra gij enige tijdelijke ramp hebt, kunt gij wel naar een medezondaar gaan, en zijn oor vermoeien door hem te zeggen welk een arm, bedroefd schepsel gij bent, hoe krank gij naar het lichaam, hoe treurig gij met uw zaken bent, totdat gij hem zowel als uzelf afmat met een driemaal herhaalde voorstelling van uw ellende en wee; maar begeeft gij u naar uw binnenkamer, dan hebt gij noch hart noch tong om hetzelfde verhaal aan God te doen.

Later verwondert gij u, dat gij dag op dag geen hulp, verlichting of ondersteuning krijgt. Hierin, kan ik zeggen, feilen wij allen op een rampzalige wijze; want zodanig is de wanhopige toestand des mensen (]oor de val, zo zorgeloos en zo weinig geneigd tot bidden is hij, dat niets dan de gedurige uitstorting van de Geest der genade en smeking het hart kan bewegen en bekwaam maken om naar dit bevattelijk voorschrift te handelen: “Maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God”.

“Maar hoe,” kan men tegenwerpen, “weet God niet wat wij behoeven eer wij het Hem vragen? Is Zijn oog niet gericht op de harten zijns volks om al hun behoeften te kennen voor zij Hem vragen? Waar bestaat dan de noodzakelijkheid om Hem onze noden kenbaar te maken?” ja, de Heere weet alle dingen; Hij doorzoekt alle harten en beproeft de nieren van Zijn mensenkinderen. En toch wenst Hij dat wij Hem onze begeerten bekend maken. ja, Hij neemt het ons niet vriendelijk af, zo wij, inderdaad Zijn kinderen zijnde, Hem niet al onze behoeften doen kennen.

Als gij eens een bijzondere vriend had, en door een ander vernomen had dat hij door een beproeving in het lijden was gebracht, zo deze vriend nu bekende dat hij uw boezemvriend en zeer aan u gehecht was, maar hij nooit, zo vaak gij hem kwam bezoeken, u iets van zijn beproeving zei of een woord daarvan repte, zoudt gij dan niet denken dat zijn leed niet zo zwaar was als men voorgaf, of zoudt gij zijn boezemvriendschap of zijn vertrouwen niet verdenken?

Eveneens, zo gij onder een geestelijke beproeving of zware verzoeking lijdt, dan weet God het, gelijk uw vriend van uw aardse beproeving kennis zou dragen; maar als gij Hem nooit uw beproeving of verzoeking kenbaar maakt, die u doet lijden, zou het schijnen alsof gij die niet diep gevoelde, of er niet veel vriendschap, vertrouwen of gemeenschap tussen u en de Heere was. Daarom worden wij geboden Hem onze noden te doen kennen – niet alsof wij geloofden dat Hij die reeds van tevoren niet kende; maar om die voor Zijn heilig oog te brengen, opdat wij het voorrecht mochten hebben die voor te stellen, en Hij de zaligheid van ons ons verzoek toe te staan. Kende de Heere de godlasterende boodschap van Sanherib niet voor dat Hiskia die in het huis des Heeren bracht?

Hoorde God de woorden niet van Sanheribs lippen vloeien, voor dat de schrijver die neerschreef? En toch ging Hiskia in het huis Gods en spreidde de lasterlijke rol met al wat zij bevatte voor de Heere uit, opdat de Heere daarin mocht zien. Zo doorziet de Heere volmaakt alles wat op de rol uws harten geschreven is, voor dat gij die in Zijn tegenwoordigheid ontrolt en voor Zijn oog uitspreidt. Maar toch wil Hij dat gij Hem uw noden bekend maakt, omdat Hij een welgevallen heeft als Zijn volk Zijn Woord gelooft en Zijn aangezicht zoekt.

Het toont dat het vertrouwen op Hem heeft, tedere vriendschap voor Hem koestert; het duidt een nederige en genadige omgang met Hem aan, als zij in alle heilige vrijmoedigheid toch met eerbiedig ontzag en goddelijke vrees, komen, om voor Zijn troon hun noden neer te leggen.

3. Maar bij bidden en smeken moet dankzegging gevoegd worden. Zo de Heere ons ooit enige gunsten in Zijn bestuur, of zegeningen in Zijn genade heeft bewezen – en zo niet, wat recht hebben wij dan ons voor Zijn kinderen te houden? – dan moeten die genadebewijzen niet in vergetelheid begraven worden. Onder de zonden door de apostel de Heidenen toegerekend behoort die, “dat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt” (Rom. 1: 21).

Als gelovigen in Christus, wordt ons geboden, “overvloedig te zijn in het geloof met dankzegging” (Kol. 2: 7), en “aan te houden in het gebed, en daarin met dankzegging te waken” (Kol. 4: 2). ja, God zegt zelf tot Zijn volk: “Offert Gode dank” (Ps. 50:14), en gebiedt ons, “Zijn poorten in te gaan met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang Hem te loven, en Zijn naam te prijzen” (Ps. 100: 4). Ondankbaarheid onder de mensen is een grievend ofschoon algemeen kwaad; maar wat zullen wij van ondankbaarheid jegens God zeggen?

Is het niet een gezegend lot als wij “in ons hart de Heere psalmen kunnen zingen en danken ten allen tijde over alle dingen God de Vader, in de naam van onze Heere Jezus Christus” (Efeze 5: 19, 20). Inderdaad, dankzegging, gebed en smeking moeten zich, als in de muziek, allen verenigen om een welluidende muziek te maken. De sopraan der dankzegging, de tenor van het gebed, en de bas der smeking verenigen zich harmonisch, als de heiligen hun gouden harpen bespelen, hun lofgezang in de hemel aanheffen, en, als het ware, een nieuw lied voor de troon des Lams zingen.

III. Maar ik moet dit aanlokkelijk onderwerp laten varen om nog enige woorden over ons derde punt, de bemoedigende belofte, te zeggen. “En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en zinnen bewaren door Christus Jezus.”

O, welk een belofte, hoe rijk en gezegend! laat ons haar in het bijzonder nagaan, want ieder punt en deel daarvan is vol genade en heerlijkheid.

1. Merkt haren naam op. De vrede Gods. Waarom dit? Omdat God daarvan de eeuwige bron is. Eén Zijner meest gezegende titels is: “de God des vredes” (Hebr. 13: 20); en omdat Hij de “God des vredes” is, mag Zijn vrede wel de “vrede Gods” genoemd worden. De Heilige Geest, van de Zoon Gods onder de naam van SPRUITE sprekende, zegt van Hem: “Hij zal priester zijn op Zijn troon; en de raad des vredes zal tussen hen beiden wezen,” dat is: tussen de Vader en de Zoon (Zach. 6: 13). In deze plaats hebben wij een gezegende aanwijzing van een plan, dat in de eeuwigheid werd vastgesteld, waardoor vrede aan de schuldigen mens verkondigd zou worden, waardoor de oorlogswapenen tussen God en Zijn volk ter zijde zouden gelegd worden, en de vrede als een rivier zou vloeien over uitverkoren harten.

Maar wederom, onze gezegende Heere is “zelf onze vrede, want Hij heeft de vijandschap in Zijn vlees teniet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande, opdat Hij die twee in zichzelf tot een nieuwe mens zou scheppen, vrede makende” (Ef. 11: 14, 15). Dus zijn Zijn geheiligde Persoon en voltooid werk, Zijn heilig bloed en gehoorzaamheid, als het ware, het gewijde kanaal geworden, door hetwelk vrede in gelovige harten vloeit.

Wij waren van nature “vijanden en vreemdelingen, ver van God door boze werken;” maar Hij kwam als de “Vredevorst” om ons met God te verzoenen in Zijn eigen lichaam door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende, “en komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die ver was, en dien, die nabij waren” (Ef. 11: 16, 17). Hij maakte vrede door de donderstem van een verbroken wet te stillen; door de schalen der beledigde gerechtigheid in evenwicht te brengen, leggende Zijn eigen gehoorzaamheid in de schaal om haar gelijk te maken; door alle deugden van Jehovah in harmonie te brengen, welke, zonder Zijn tussenkomst, ten minste voor zover het onze zaligheid betrof, niet in overeenstemming schenen.

De oude belofte was dat “Hij zou staan en weiden in de kracht des Heren, in de hoogheid van de naam des Heeren, Zijns Gods; en deze man, wordt er bijgevoegd, zal vrede zijn, wanneer Assur in ons land zal komen” (Micha 5: 4, 5). Maar deze zegeningen kunnen wij niet geestelijk en bevindelijk kennen, tenzij de Geest des vredes, die aan ons hart openbare. Dus is God de Vader de Bewerker des vredes, God de Zoon de Verschaffer, God de Heilige Geest de Openbaarmaker daarvan; want Hij is het, die aan het geweten dat bloed der besprenging verzegelt, hetwelk van vrede spreekt, en die liefde Gods uitstort, waardoor het vloeit gelijk een rivier.

2. Maar die vrede Gods wordt gezegd alle verstand te boven te gaan. Hij gaat zeker al het verstand van het natuurlijk gemoed te boven, want “geen oog heeft gezien, noch geen oor gehoord, noch zijn in des mensen hart ooit de dingen opgekomen, die God bereid heeft dengenen die Hem liefhebben;” en onder deze dingen is vrede, des Heeren eigen legaat: “Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld dien geeft, geef Ik u dien. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede mag hebben”.

Deze,’ vrede moet uit zijn aard zelf alle verstand van het onwedergeboren hart te boven gaan; maar hoe kan het natuurlijk gemoed, dat vol ongeloof is, begrijpen wat het is vrede met God te hebben door het geloof; met een heilig God verzoend te zijn door het bloed Zijns geliefde zoons, en voor Hein te wandelen in het licht Zijns aangezichts, als aangenomen in de Geliefden? Maar hij gaat zelfs het verstand van het geestelijk gemoed te boven, tot hij daaraan door Gods kracht wordt kenbaar gemaakt.

En zelfs dan nog gaan Zijn hoogte, diepte, lengte en breedte alle verstand te boven, want Zijn bron, Zijn stroom, en uitwerkselen zijn allen te verborgen, te diep, en te wijd om door onze tegenwoordige beperkte vermogens begrepen te worden. Ziet op Zijn bron in het eeuwige verbond; aanschouwt de vrederaad tussen de Vader en de Zoon. Kan het menselijk verstand die bevatten? Blikt dan op de stroom. Ziet de Zoon Gods afdalende uit de hemel om mens te worden in de schoot der maagd; aanschouwt Zijn lijden in Gethsemané en op Golgotha.

Als gij dus door het geloof het heilig kanaal beschouwt, door hetwelk de vrede kwam, moet gij dan niet zeggen dat hij alle verstand te boven gaat? En als wij de uitwerkselen nagaan, moeten wij niet zeggen van de gezegende vrucht van de vrede Gods, wat de apostel van Christus’ liefde zegt: “Zij gaat de kennis te boven?” Zo gaat deze vrede Gods in Zijn bron, stroom en uitwerkselen alle verstand, zowel van het natuurlijk als geestelijk gemoed, te boven.

3. Maar gaat hij alle verstand te boven, hij gaat de ziel niet voorbij; maar bewaart harten en zinnen. Beiden hebben bewaring nodig; uw hart heeft bewaring nodig, want wat is het? Alle geestelijke genegenheden lopen daarin één middelpunt samen. “Mijn zoon, geef Mij uw hart,” dat is, uw genegenheden. Zo er geen hart bij God is, is er geen liefde voor God. Maar dit ons hart is een droevige zwerveling; het doet immer die twee dingen, die de Heere in de kinderen Israëls zozeer berispte, terwijl Hij zei: “Ontzet u hierover, gij hemelen, en bent verschrikt! wordt zeer woest.

Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan: Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden” (Jer. 11: 12, 13). Het hart behoort daarom bewaard te worden als met een degelijke kracht, ja door niets anders dan Gods kracht zelf. Maar niets kan het hart zowel bewaren dan de vrede Gods. Want de vrede Gods bewaart het als aan een zijden koord, bewaart het bij het kruis en het graf, snoert het vast aan de troon daar boven, en het dus aan zijn krachtige en toch niet knellende hand houdende, bewaart zij het voor het najagen vanafgoden. Maar alweer, het hart is niet alleen de zetel van alle geestelijke genegenheden, maar de zetel zelf van het geloof; want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid.

Maar het geloof kan niet in levende oefening onderhouden worden tenzij het hart bewaard worde; want zo het hart weggaat, gaat het geloof mee; en het hart wordt alleen wel en vast bewaard door de vrede Gods, die het bestuurt en daarin heerst. Het hart is ook de zetel der hoop, omdat wij met ons hart hopen. “Wat buigt gij u neer, o mijn ziel! hoop op God” (Ps. 42: 7). “De uitgestelde hoop krenkt het hart” (Spr. 13: 12). Dus moet hoop in het hart het hart gezond maken. In deze zin mogen wij zeggen dat het met het hart is, dat wij hopen, zowel als geloven en liefhebben.

Wij kunnen dan noch een goede hoop door genade koesteren noch onderhouden, tenzij de vrede Gods er eerst inkomt en dan het hart hopende teneinde toe houd op de genade, die aangebracht zal worden bij de openbaring van Jezus Christus. Welk een veilige borg, welk een waakzame schildwacht is dus de vrede Gods! “Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens” (Spr. 4: 23). Maar de vrede Gods moet de wacht over het hart en zijn uitgangen houden, opdat het leven des geloofs, der hoop en der liefde vrij door hen mogen stromen naar de fontein waaruit zij oorspronkelijk kwamen.

4. Maar de zinnen behoren zowel door de vrede Gods bewaard te worden als het hart. De zinnen betekenen hier letterlijk, volgens het oorspronkelijke, de gedachten, plannen, besluiten, voornemens en inbeeldingen der ziel. Deze alleen behoren nauwkeurig bewaakt en streng bewaard te worden door dien geheiligde en waakzame wachter, de vrede. Ons verstand moet voor dwaling bewaard worden, opdat wij niet die dodelijke dranken drinken, die zo vaak aan de lippen van de onbedachtzamen aangeboden worden, en welke gewis, zo zij geproefd worden, allen waren vrede verstoren.

Zo zuur is de dwaling, dat één druppel de zuivere melk des Woords zal doen stremmen; want wel mogen wij van alle dwalende mensen zeggen: “Huil drank is zuur” (Hosea 4: 8). Onze gedachten en plannen behoren voor het afdwalen in verboden wegen bewaard te worden; want de vleselijk gezinde ziel jaagt altijd naar zonde en zinnelijke bevrediging. Ons oordeel behoort ook vast bewaard te worden bij Gods Woord, opdat “wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van lering, maar alleszins zouden opwassen in Hem, die het hoofd is, namelijk Christus” (Ef. 4: 14, 15). Onze voornemens en besluiten behoren ook bewaard te worden voor het immer bedenken en najagen van dingen tot ons eigen genoegen, voor het aankweken van hoogmoed en gierigheid, eerzucht en wereldgezindheid, en voor het zich verstrikken in duizend netten van voornemens ter bevordering van zelfaanbidding.

Maar wat kan dus werkelijk hart en zinnen bewaren, zoals zij zouden moeten bewaard worden in de heilige vrees Gods, op het pad van Christelijke gehoorzaamheid, in de onderwerping van onze wil aan jehovah’s wil, in het zich onthouden van dingen, die God verfoeit, en in het wandelen op die wegen, die God goedkeurt? De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat. De wet heeft nooit een enkele ziel op de weg der gehoorzaamheid gehouden, – zij kan vloeken, dreigen en verschrikken, en dus een geveinsde, onwillige gehoorzaamheid afpersen, maar nooit heeft zij Christelijke gehoorzaamheid voortgebracht. Maar wat de wet niet kon doen, kan en doet werkelijk de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat; want hij kan het hart doen gloeien en bewaren in de liefde Gods en het werkzaam en ernstig maken in de geduldige gehoorzaamheid van Christus.

5. Maar merkt op, dat al deze rijke zegeningen alleen zijn door Christus Jezus; want Hij is het kanaal, het goddelijk gewijde kanaal, door hetwelk alle genade komt. Hij is nu onze vrede aan Gods rechterhand; Hij biedt eeuwig voor God de verdiensten zijns volbrachten werks hier beneden aan, en dus wordt, door Zijn altijd geldende voorspraak, de vrede in de woningen van de hemel verkondigd. En zo in de hemel verkondigd, klinkt hij ook als met bazuingeschal uit het rijk der zaligheid hier beneden, want vrede op aarde was een deel van der Engelen zang bij de geboorte des Zaligmakers in het nederig Bethlehem gezongen. Houden wij immer in gedachten, en boven alles genieten wij bevindelijk de zalige waarheid: dat alle vrede is in Christus Jezus, alle vrede bij Christus Jezus, en alle vrede door Christus Jezus.

Tenslotte, voegen wij alle draden van mijn toespraak samen, opdat ik u die, voor wij scheiden, als één verenigd geheel voor ogen stellen.

Ziet op de waarschuwing, omdat zij ons genadig gegeven is als een hoogst nodige en heilige waarschuwing. Weest in geen ding bezorgd, in dien zin zoals ik het verklaard heb. Want bent gij beladen met elke wereldse zorg en wordt uw hart verteerd van elke klagende zorg, dan zult gij niet in staat zijn het alles omvattend voorschrift te vervullen van uw begeerten aan God bekend te doen worden; want door God met het een oog aan te zien, zult gij met het andere op uzelf en de wereld zien; en al ligt gij op uw knieën, dan zullen de te betalen wissels, de huur die te voldoen is, de zorgen des gezins, de behoeften voor het huishouden, als een vloed instromen en elk spoor van het gebed wegvagen, evenals de vloed in Norfolk de oevers heeft weggevaagd, die de wateren der Noordzee weerhielden. Zo lang gij dan de prooi van deze knagende zorgen bent, zult gij het onmogelijk vinden om dit alles omvattend voorschrift na te leven.

Maar maakt het geloof u bekwaam deze angstvallige zorgen te laten varen, op Gods voorzienigheid te vertrouwen, en Zijn genade van Hem te verbeiden, dan zult gij enigszins naar het voorschrift kunnen handelen: “Laat uw begeerten, 4oor bidden en smeken, met dankzegging, bekend worden bij God”. Gij moet eerst de oever oprichten, om de zee buiten te houden. Zo er geen oever is, of zo hij weggevaagd wordt, zal de Noordzee binnenstromen en uw vruchtbare morgen lands met haar slijk en modder bedekken. Gij moet de oever oprichten; en hier is hij voor u door de hand eens apostels opgericht: “Weest in geen ding bezorgd”.

Dan zullen gebed, smeking en dankzegging behoorlijk ten offer gebracht worden. En als uw begeerten aan God bekend zijn geworden, zal Hij, die de belofte gegeven heeft, die te Zijner tijd en op Zijn wijze zeker vervullen. “De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en zinnen bewaren in Christus Jezus.” En zo gij eens dien vrede Gods in uw hart verkrijgt, zal hij niet zijn als de Noorder Oceaan, die nu over duizenden bunders bebouwd land bruist, en die niet zand en slib bedekt, maar hij zal als een rivier wezen, die in uw boezem vloeit, en dien hij met alle vreugde en vrede door het geloof vervult.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.