Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De voeten der heiligen bewaard

Hij zal de voeten Zijner heiligen bewaren. 1 Samuël 2:9a (Eng. vert.)

De persoon, die deze woorden uitsprak, kende de betekenis ervan geestelijk en bevindelijk – de enige wijze, waarop de Goddelijke waarheid kan worden gekend. Ik behoef nauwelijks op te merken, dat ze werden uitgesproken door dat diep-onderwezen en hoog- bevoorrechte kind van God, Hanna, de moeder van de profeet Samuël. Er is nauwelijks een heilige, wiens bevinding in de Schriften is vermeld, met wie ik meer gemeenschap heb gevoeld, dan met deze bezochte dienstmaagd des Heeren; want zij werd geleid in een bijzondere weg van beproeving en verzoeking; en moest treuren over haar natuurlijke, zoals ik heb moeten treuren over mijn geestelijke dorheid. Ook kende zij de enige plaats, waarheen zij gaan kon voor het wegnemen van deze dorheid – de troon der genade, waar zij haar hart voor de Heere kon uitgieten. En ook wist zij, uit persoonlijke bevinding, wat het was ’’voor de geringe uit het stof te worden verheven, en voor de nooddruftige te worden verhoogd uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel der ere doe beërven.”

Dus sprekende uit Goddelijke inspiratie drukt zij in de tekst een belofte uit. Deze belofte, evenals alle andere beloften, gesproken door de mond van JEHOVAH, is onbeperkt en onvoorwaardelijk; en is nochtans, hoewel volstrekt en onvoorwaardelijk, beperkt – dat wil zeggen tot de kinderen Gods. Maar u gelieve op te merken, dat de beperking niet zo nadrukkelijk is, noch zo bijzonder, als in sommige andere beloften. Bijvoorbeeld, deze is niet begrensd tot de ’’geringe en nooddruftige”; deze is niet beperkt tot de “hongerige en dorstige”. Kortom deze is niet beperkt tot de verschillende getekende en omschreven personen onder het huisgezin Gods; maar deze openbaart in haar ruime boezem, en omhelst in haar wijd-geopende armen het ganse levende huisgezin. Het is dus niet een belofte, beperkt tot een bepaalde bevinding; maar het is een absolute belofte en van alle voorwaarden afgezien en omvat nochtans op duidelijke wijze het ganse uitverkoren volk van God. “Hij zal de voeten Zijner heiligen bewaren.”

Met Gods zegen zal ik dan vanavond proberen de mening des Heiligen Geestes in de tekst te ontvouwen, door in de eerste plaats te beschrijven, wie de “heiligen” zijn, voor wien de belofte is bedoeld; en in de tweede plaats, hoe de Heere Zijn belofte vervult, dat “Hij hun voeten zal bewaren.”

I. Wat betreft de heiliging van Gods volk, heeft iedere Persoon van de Drieëenheid een onderscheiden aandeel in dat wonderwerk. Het huisgezin Gods wordt geheiligd door God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. En in betrekking tot deze heiliging door de drie Personen der Drieënige JEHOVAH, wordt het overblijfsel naar de verkiezing der genade in het Woord van God genoemd “heiligen”.

1. Ten eerste worden zij dus geheiligd door God de Vader; dat wil zeggen: zij worden toegewijd, of afgezonderd, hetgeen de oorspronkelijke betekenis van het woord “geheiligd” is. Zij waren afgezonderd in het besluit der uitverkiezing van den beginne; zoals Judas spreekt ”aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard.” Hier gelieve u op te merken, dat de heiliging door God de Vader de bewaring in Christus en de roeping door de Heilige Geest voorafgaat. In deze zin moeten wij de woorden verstaan, welke God sprak tot de profeet Jeremia (1:5); ”Eer dat Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer dat gij uit de baarmoeder voortkwam, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld.” Welnu, dit is de wortel en bron van alle heiliging. Indien God de Vader ons niet heeft geheiligd door Zijn eigen uitverkiezing in Christus Jezus van alle eeuwigheid, dan kan de ganse belijdenis ter wereld ons nimmer maken tot heiligen voor Hem.

2. Maar God de Zoon heeft eveneens een part en aandeel in de heiliging van Zijn eigen dierbaar volk. Zij waren geheiligd in Hem voor alle werelden, als een levensvereniging met Hem bezittende. Hij is hun heilig Verbondshoofd, in Wien al de leden verenigd zijnde door een eeuwige vereniging, zijn geheiligd; zoals de apostel spreekt: ’’Indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig; en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.” (Rom. 11:16). Indien Christus de wortel heilig is, zijn de takken, die uit de wortel spruiten, heilig. Indien Christus, de Eersteling, heilig is, dan is het ganse deeg eveneens heilig, geheiligd zijnde door de Eersteling. Daarom zegt de apostel, sprekende van Christus: ”Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing (1 Kor. 1:30). Voorts, de Heere Jezus Christus heiligde hen eveneens in de tijd, door Zijn eigen bloed, zoals wij lezen: ’’Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.” (Hebr. 13:12). Hij heeft Zijn bloed gestort voor hen. Hij heeft Zijn leven afgelegd te hunnen behoeve: en door het uitgieten van die heilige stroom uit Zijn heilig lichaam, heeft Hij hun zonden uitgewist, opdat zij geheiligd en gereinigd heilig voor God mochten staan: ’’Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.” (Hebr. 10:14).

3. Doch God de Heilige Geest heeft ook een aandeel in de heiliging van het volk van God. En totdat zij de onderwijzingen des Heiligen Geestes en Zijn verborgen werkingen in hun hart en consciëntie ontvangen, worden zij niet op een het leven onderhoudende wijze geheiligd. Zij zijn van den beginne geheiligd in het voornemen Gods; zij zijn metterdaad geheiligd door het werk van Christus: doch zij worden ’t leven onderhoudend en bevindelijk niet geheiligd, totdat zij worden gebracht onder de onderwijzingen en leidingen van God de Heilige Geest. Als die genadige Onderwijzer hun zielen bezoekt met Zijn Goddelijke werkingen; als Hij een genade-werk in hun hart begint: als Hij hen opnieuw tot geestelijk leven verwekt, en een heilig beginsel, radicaal en algeheel heilig in hun hart inplant, dan worden zij, door de inplanting en het bezitten van dit nieuwe, heilige en Goddelijke beginsel, deze ’’nieuwe mens, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid”, levende heiligen.

Welnu, niet zodra worden zij heiligen door de werking van God de Heilige Geest in hun hart, en door Zijn verborgen inwonen in hun ziel, of zij hebben strijd. Al het volk des Heeren, die dat zijn, niet maar door uitverkiezing en koping, maar ook door de roeping des Heiligen Geestes, zijn een beproefd volk. Al de heiligen des Heeren zijn, in meerdere of in mindere mate, een verzocht en lijdend volk: want zij zijn verkoren in de smeltoven der bezoeking: zij zijn ”het derde deel”, wien de Heere ’’door het vuur” brengt. II. Nu, dit moge licht werpen op de woorden van de tekst, dat ”God de voeten Zijner heiligen bewaren zal.” Wij zien, dat Gods volk een beproefd, verzocht en bezocht volk is: en dat zij bijgevolg behoefte eraan hebben ”in de kracht Gods bewaard te worden, door het geloof tot de zaligheid.”

Maar u gelieve op te merken, dat de tekst ervan spreekt, dat de Heere ”de voeten Zijner heiligen bewaart”. Er wordt hier iets geestelijks en bevindelijks bedoeld. Het is door onze voeten, dat wij staan: het is door onze voeten, dat wij worden in staat gesteld te wandelen en ons voort te bewegen. Wanneer de Heilige Geest dan ook, in de tekst verklaart, dat ”God de voeten Zijner heiligen zal bewaren”, schijnt Hij in de eerste plaats te zinspelen op hun staan, en in de tweede plaats op hun wandel.

Nu op beide deze punten zal satan, de grote vijand hunner zielen al zijn listen en wapenen tegen de heiligen richten. En zo zwak en hulpeloos zijn zij, dat het alleen, in zoverre de Heere Zijn kracht aanwendt is, dat de voeten Zijner heiligen worden bewaard.

1. De heiligen, zoals ik heb opgemerkt, hebben een staan in Christus, een staan voor alle werelden, een staan waaruit en waarvan zij nimmer kunnen worden verdreven. En wij mogen wel geloven, dat de Geest enige zinspeling maakt op dit eeuwige staan in Christus, als Hij zegt, dat God de voeten Zijner heiligen bewaren zal.

Hebt u ooit opgemerkt hoe de Heere handelde met satan in het geval van Job? Hij gaf hem twee onderscheiden toestemmingen; de ene was Jobs goederen, zijn gezin en zijn alles aan te tasten; maar aan Job zelf was het hem niet toegestaan zijn hand te leggen. Nu, zolang dat voorbehoud was gemaakt, kon satan, hoe hij Job ook bezocht in zijn bezit en zijn gezin, hem hetzij in het lichaam, hetzij in de ziel niet bezoeken. Dit was een betuining, die rondom Job was gemaakt; een bescherming van God, waardoor satan niet kon heendringen. Maar dit was niet genoeg. Het was niet genoeg satan te beletten zijn helse boosheid te tonen; het was niet genoeg Job te beproeven: en het was niet genoeg zich als een blijvend voorbeeld te doen kennen voor alle tijden, wat de mens is, wanneer hij wordt verzocht, en wat de genade Gods is om hem onder de verzoeking te bewaren. Dus God plaatste het hek, om zo te zeggen, wat meer naar binnen. Hij haalde de buitenste belemmering neer, die satan ervan weerhield de persoon van Job aan te tasten; aldus maakte hij de ruimte enger, en haalde de betuining wat nauwer aan.

Maar er was nog altijd een beperking om ’’zijn leven te sparen”; aan zijn lichaam kon hij doen wat hij wilde, doch het was hem niet toegestaan het leven zijner ziel aan te tasten. Aldus bewaarde God de voeten van Zijn knecht Job. Was deze beperking satan niet opgelegd; zou hij niet zijn kortgehouden door deze keten, dan zou hij Job weldra in de wanhoop hebben geworpen: en het hartebloed niet alleen uit zijn lichaam hebben laten vloeien, maar ook uit zijn ziel. Doch God bewaarde de voeten van Job. Satan kon zijn staan (in-zijn Vert.) in Christus niet aantasten; hij mocht hem verzoeken, beproeven en bedroeven en hem ten einde raad brengen: maar hij kon zijn eeuwig in-zijn niet aantasten. Welk een genade is het dan, dat al de verzoekingen van satan, al de strikken, die hij voor hun voeten legt, en al de hevige aanvallen, waarmede het volk van God wordt geoefend, hen niet van hun in-zijn in Christus kan uitdrijven. Zij werden aan Christus gegeven door de daad van God de Vader in den beginne en worden bewaard in Hem; zodat satan hen niet kan uitdrijven uit hun in-zijn in Zijn Persoon, bloed en gerechtigheid.

II. Maar er is nog een betekenis van het woord. Het is met onze voeten, dat wij wandelen in de wegen des Heeren. Iedere zielsbeweging, de ganse voortgang uit genade tot de heerlijkheid: iedere stap in de liefde en vreze des Heeren, wordt gedaan door de geestelijke voeten onzer ziel. Zodat als de tekst verklaart, en de belofte haar ruime armen uitstrekt, dat ”Hij de voeten Zijner heiligen bewaren zal”, het niet alleen maar betrekking heeft op hun in-zijn in Christus, doch ook op hun wandel in dit tranendal, hun voeten geschraagd wordende door de Almachtige kracht in deze woeste huilende wildernis. Welnu, zolang iemands voeten worden bewaard, wordt zijn ganse persoon bewaard. Hij moge wankelen, hij moge duizelen, hij moge zich naar rechts of naar links wenden: maar zolang zijn voeten op de vaste grond worden gehouden, valt hij niet. Maar als zijn voeten struikelen, valt hij ogenblikkelijk. Zodat, wanneer de belofte luidt: ”Hij zal de voeten Zijner heiligen bewaren,” het betrekking heeft op hun in alle opzichten te worden bewaard. Want als hun voeten struikelen, of uitglijden of bezwijken, dan moeten zij ogenblikkelijk languit ter aarde vallen. l.Nu, satan is altijd pogende, op de een of andere wijze, de kinderen Gods te doen struikelen. Soms probeert hij, bijvoorbeeld, hun voeten te doen struikelen door de innerlijke kracht der zonde in hun vleselijk hart. O, hoe kan satan, als het wordt toegestaan, werken op onze verdorven natuur! Wat een krachtige begeerlijkheden kan hij in vlam zetten! Wat een smerige voorstellingen kan hij in ons vleselijk gemoed verwekken! Wat een zonden kan hij in ons bedorven hart opwekken! Zodat, aan onszelf overgelaten, wij er geheel aan moeten ten prooi vallen.

Er is één zaak, welke ik heb gevoeld, die enigermate een verborgenheid schijnt te zijn. Het is het gelijktijdig bestaan van twee zaken in mijn hart, hetgeen tegenstrijdig lijkt. Het één is dit, mijzelf iedere dag al maar slechter te gevoelen. Er was een tijd, waarop ik meende, dat ik steeds heiliger zou zijn: maar nu schijn ik iedere dag al maar walgelijker, ja wat meer is, ik gevoel de werkingen der zonde zich gevoeliger openbaren, zodat ik maar nauwelijks van het bedrijven van kwaad wordt weerhouden. En nochtans wat verwonderlijk toeschijnt, gelijktijdig bestaande met deze ganse fontein van gruwelijke boosheid, vind ik mijn consciëntie tederder in de dingen Gods, dan deze was, toen ik niet zo werd verzocht door de aanvallen van de vijand. Toen ik vorderde, naar ik meende, op het pad der heiligheid, kon ik vele dingen doen, welke ik thans niet kan doen. Het brengt mij in verwarring, zo duidelijk de werking van zonden te gevoelen, waartoe ik eenmaal niet werd verzocht; en evenwel de bewegingen van een consciëntie, die tot op zekere hoogte tederder is gemaakt, dan tevoren. Dat de zonde sterker zou worden, naarmate de consciëntie, op sommige punten, tederder wordt, is voor mij een verborgenheid. Maar als wij de werkingen der zonde in ons vleselijk gemoed gevoelen, eeuwig pogende onze voeten te verstrikken, doet het ons roepen en kermen tot den Heere, of Hij onze voeten zou willen bewaren: en, uit genade, bewaart Hij ze in meerdere of in mindere mate, ofschoon hoe Hij hen bewaart, wij willen trachten aan te tonen, naarmate wij voortgang vinden.

2. Een andere wijze, waardoor satan ons zoekt te doen struikelen, is door ons terzijde af te trekken tot vermetelheid en ijdel vertrouwen. Ik geloof, dat velen van Gods volk zich hier bevinden, zonder het te weten. Zij zijn nimmer tot op de bodem van hun godsdienst gezift: hun harten zijn nimmer naakt en open gelegd voor de ogen van Hem, met Wien wij van doen hebben. Zij hebben het leven en de vreze Gods in hun hart, maar het ontbreekt hen aan zielsoefening. Bij gebrek aan in het vuur te worden gebracht, bij gebrek aan een diepgaander genade-werk in hun hart, houden zij wat zij hebben vaak voor wat zij niet hebben, en wat zij niet hebben, voor wat zij hebben. Met andere woorden: zij gaan vaak op in een mate van vermetelheid en ijdel vertrouwen, dat zij houden voor geloof, en menen, dat hun vertrouwen voortvloeit uit de werkingen des Geestes, terwijl het merendeels, weinig anders is, dan een misleiding van de boze. Nu, als satan ons de hielen kan lichten door ons in vermetelheid en ijdel vertrouwen te krijgen, heeft hij ‘t grotelijks gewonnen.

Vermetelheid en ijdel vertrouwen verteren het leven Gods in de ziel, stoppen de mond des gebeds in het hart, lokken ons in wel duizend strikken van de duivel, doen ons van onze wacht gaan, en laten ons dolen op paden, waaraan wij anders niet zouden denken erop te wandelen. Was de vreze Gods met meer kracht op zijn hoede geweest, wij zouden niet wegzinken in de schoot van rust, maar door te denken, dat wij geloof hebben, dat wij niet hebben, worden wij afgetrokken en verstrikt in de strikken van satan, aleer wij het ons bewust zijn. De Heere bewaart dan ook de voeten Zijner heiligen door hen te oefenen, en hen te leiden in een diepere kennis van de onreinheid en verdorvenheid hunner gevallen natuur: of door satan soms toe te laten op hen aan te vallen, en hun godsdienst tot op het hart te schudden, of door priemende overtuigingen in hun consciëntie neder te laten, of door een geheel leger van twijfels en vrezen te zenden, die al hun ijdel vertrouwen en vermetelheid op de vlucht drijven, of door hen de bange reeks moeilijkheden te tonen, die er op hun weg liggen. Door deze en verschillende andere middelen, ontbloot Hij hen van hun ijdel vertrouwen.

3. Hoewel satan de voeten kan doen struikelen door ijdel vertrouwen, kan hij hen evenwel ook doen struikelen door wanhoop. Enigen van des Heeren volk worden meer verstrikt door ijdel vertrouwen, terwijl anderen ervan meer worden verstrikt door moedeloosheid. Het één is een afgrond, en het ander een gracht, welke duizenden hebben verdelgd. Het volk des Heeren lijkt vaak tussen beide te wankelen, als een dronken man. U hebt een dronkaard gezien; hij kan geen rechte weg houden, soms wankelende naar de ene zijde van de weg, en soms naar de andere. Zo is het met het volk des Heeren, zoals de profeet zegt: ”Zij waggelen, maar niet van sterke drank.” Zij waggelen soms naar het toppunt van ijdel vertrouwen, en soms naar het moeras van wanhoop. Men weet nauwelijks wat ons het meest afvoert van de weg, wat ons het meest wegvoert van de Heere van leven en heerlijkheid.

De geest van ijdel vertrouwen verteert het leven Gods in de ziel: de geest van wanhoop smoort het leven Gods in de ziel. De geest van vermetelheid sluit de mond des gebeds toe: ook de geest van wanhoop sluit de mond des gebeds. Het zijn twee uitersten: maar één van deze uitersten is zodanig als er veel toe bijdraagt de roepende en kermende ziel te doen ophouden van haar begeerten voor den Heere uit te gieten. Maar het zal satan niet meer gelukken de heiligen in de wanhoop te drijven, dan hij erin zal slagen hen in ijdel vertrouwen te lokken. De Heere weet precies hoe Zijn geneesmiddelen te kiezen: Hij weet hoe Zijn helende geneesmiddelen gepast te doen zijn voor de staat en toestand van de patiënt. Dus, is hij verheven door ijdel vertrouwen? God zendt de pijl der overtuiging in zijn consciëntie. Ziet Hij hem welhaast verslonden in de wanhoop? Hij laat een woord van troost neder in zijn ziel, hem een zeker verlevendigend getuigenis, of zoete toelaching schenkende. Aldus heft Hij de ziel op uit de wanhoop door een toelaching van Zijn gunst, zoals Hij haar vernedert uit het ijdel vertrouwen door de pijlen der overtuiging. Satan bekommert zich er niet om tot welke boosheid wij vervallen. Hij heeft er duizenden doen tuimelen van de verheven hoogten van ijdel vertrouwen, en heeft er duizenden verslonden in het diepe moeras van de wanhoop.

Maar de Heere zal ”de voeten Zijner heiligen bewaren.” Zij zullen nooit geheel nederstorten in deze gevaarlijke afgrond, nimmer geheel worden opgeslokt door dit vreselijke moeras. Het kan zijn, dat zij struikelen aan de rand, en wankelen net aan de kant: doch de Heere zal Zijn armen onder hen leggen, om hen ervoor te bewaren in alle opzichten erin te worden verslonden. Hebt u het zo niet bevonden? Toen u gerust nederlag, is er toen niet een pijl van overtuiging geweest, die u uit uw slaap heeft doen ontwaken? Toen u hebt gevreesd, dat u regelrecht in de wanhoop zou storten, is er toen niet een zacht woord, een zeker dierbaar getuigenis, een zekere zoete belofte toegepast, waardoor u ervoor bent bewaard in die dreigende draaikolk terecht te komen?

III. Maar verder. Het kan zijn, dat de voeten niet alleen struikelen, maar het kan ook zijn, dat ze worden verlokt. Als onze voeten struikelen, vallen wij in alle opzichten. Doch, zonder dat men ons doet struikelen, kan het zijn, dat wij van de rechte weg afzwerven, daarvoor worden wij gewaarschuwd (Spr. 4:26, 27). ’’Weeg de gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. Wijk niet ter rechter- of ter linkerhand: wend uw voet af van het kwade.” Wij horen wat de Heere zegt van de vreemde vrouw, dat ’’haar wegen dalende zijn naar de binnenkameren des doods.” Daarvoor waarschuwt Hij ons op ernstvolle wijze (Spr. 7:25). ’’Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.”

De belofte dus, dat de Heere ”de voeten Zijner heiligen bewaart,” geeft niet louter te kennen, dat Hij hun voeten zal bewaren voor struikelen, zodat zij niet volkomen zullen vallen, maar dat Hij hen ook zal bewaren van af te wijken van de rechte weg.

1. Bijvoorbeeld: er zijn paden van misleiding: en deze paden van misleiding lopen klaarblijkelijk zij aan zij met de rechte en smalle weg, die naar het eeuwige leven leidt. Eén van de dingen, die ik het meest ducht, is te worden overgelaten aan een geest van bedrog: want ik zie, hoe satan iemands geest kan bedriegen, indien niet ervoor bewaard. Als een engel des licht, kan hij komen onder zulke listige gedaanten, kan hij zulke nevels van dwaling over het oog werpen, kan hij zo zijn leugenen in de geest inbrengen, en zo het bedrog bemantelen, het doende voorkomen, of het van God Zelf komt, zodat volgend op het vallen in de zonde, ik vrees te vallen in een geest van bedrog. Satan kent precies de personen, met wie hij zich bezig moet houden. Onze natuurlijke gesteldheden verschillen, ons gemoed is in verschillende vormen gegoten: en onze opvoeding en gewoonten zijn wezenlijk onderscheiden. Maar satan, die grondig kennis heeft aan de toestand van ons gemoed en gestel en wat passend is voor onze aanleg, zoals een bekwame hengelaar, die een vlieg en een haak voor iedere vis heeft, weet precies hoe zijn verzoeking gepast te doen zijn voor onze natuurlijke staat en toestand. Sommigen ziet hij bijgelovig, gemakkelijk terzijde afgetrokken, spoedig verrukt, gauw verstrikt door sluwheid en list: en over dezen zal hij komen als een geest van bedrog: hun harten opblazende met hovaardij, hen misleidende met een zekere nieuwigheid, en hen zijn eigen leugenen en dwalingen in handen stoppende, alsof het de degelijke onderwijzingen van God de Heilige Geest waren.

Maar de Heere zal ”de voeten Zijner heiligen bewaren”. Er is een Goddelijk beginsel in de levende ziel, dat hemelse spijze proeft, hemelse reuke riekt, hemelse geluiden hoort, hemelse voorwerpen ziet, en hemelse gewaarwordingen gevoelt. De geest der misleiding is altijd verschillend van, en tegengesteld aan deze geestelijke gevoelens der ziel. Als de geest der misleiding dan ook tot het kind van God komt, dan is er datgene in zijn boezem, dat deze heimelijk verwerpt. ”De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Ezau.” Deze komt niet in zijn ziel als van den Heere: er is geen zuchtje in van het heiligdom, geen Goddelijke invloed wordt erdoor medegedeeld: geen heilige genegenheden worden er opwaarts getrokken: er is geen vertedering des harten, geen vertedering van geest, noch één van die Goddelijke wezenlijkheden, welke levende zielen ondervinden. Maar deze blaast het hart op, schroeit het geweten toe, verhardt het hart, maakt de ziel opgeblazen en verheft deze met ijdele voorstellingen, neemt het kruis van Christus weg, en richt een afgod op.

Deze misleiding dus, in het hart van een kind van God komende, ontmoet daar een wederpartijder, die ogen heeft om de voeten van deze tovenares te zien: die oren heeft om te horen, dat zij niet in Evangelie-taal spreekt: die een neus heeft om de kwalijke geur te ruiken, die handen heeft, die, als zij haar tasten niet dezelfde gewaarwordingen gevoelt, als wanneer zij de Heere van leven en heerlijkheid tasten. En aldus, wanneer de geest van bedrog voor een kind van God verschijnt, is er dat verborgen onbeschrijflijke gevoelen in zijn ziel, dat deze verwerpt, en niet erdoor wordt overwonnen, noch erdoor wordt verstrikt. Hoevelen heb ik er in mijn tijd verstrikt gezien in het een of andere bedrog, dat over de godsdienstige wereld is gekomen! Welke windvlagen van dwaling waren er voortdurend waaiende, toen de leer van Irving voor het eerst ruchtbaar werd: en hoevele duizenden werden er in dat bedrog verstrikt! Laat de duivel komen met welke geest van bedrog ook, hij is er zeker van er enigen te vangen – maar niet de levende ziel. Want hij heeft dat innerlijke beginsel, die geestelijke kennis, dat hemelse licht in zijn verstand, die bijzondere waarneming in zijn consciëntie, dat Godsbegrip van binnen, dat, als het ware instinctmatig het bedrog ontdekt. Het brengt in zijn ziel niet die geestelijke gevoelens teweeg, welke God de Heilige Geest teweegbrengt, daarom verwerpt hij het als de geest van bedrog. Ik geef toe, dat hij voor een tijd kan worden verstrikt: maar vroeg of laat zal hij eruit worden geleid: want de Heere ’’bewaart de voeten Zijner heiligen”.

2. Doch er is ook een zich keren tot het pad der dwaling. Er zijn vele ”bij-paden”, die, zoals Bunyan zegt, ’’grenzen aan de rechte en smalle weg”. Als het pad der waarheid naar rechts loopt, loopt het pad der dwaling naar links. Satan, die voortdurend strikken zaaiende is in de Kerk, eindeloos rondvliegende is op de vleugelen van het nieuwe, dwalingen invoert, net naardat hij gelegenheid ziet: en listige en sluwe, hoewel schijnbaar geestelijke mannen verwekt, met het doel deze naar alle kanten te verspreiden. Er is een beginsel in het natuurlijke hart, dat de dwaling omhelst, en er is een beginsel in het geestelijk gemoed, dat de dwaling verwerpt.

Ik heb nog nooit gehoord van enige dwaling, die in omloop is, hoe vreselijk ook, dat ik niet iets in mijn hart heb gevoeld om deze aan te kleven: en ik heb nog nooit horen spreken over een waarheid, dat ik niet een ander beginsel in mijn hart heb gevoeld, om deze aan te kleven. Ik gevoel duidelijk de werkingen van de twee beginselen. Als de dwaling mij voorkomt – de walgelijkste dwaling – gevoel ik een vervloekt beginsel in mijn hart, dat deze gaarne aanneemt, en een vleselijke vereniging ermede vormt. Maar dan gevoel ik, uit genade, een andere geest, welke deze haat, deze verwerpt, en deze niet durft omhelzen, door de werkingen van een consciëntie, teder gemaakt in de vreze Gods. U en ik hebben in ons hart een beginsel van ongeloof, dat iedere leugen van de duivel zou inzuigen, en iedere waarheid Gods verwerpen. Wij hebben een beginsel van ongeloof, dat iedere geopenbaarde waarheid betwijfelt, en evenwel elk van satans leugenen kan geloven. Maar als God de Heilige Geest uw ziel tot geestelijk leven heeft verwekt, dan bezit u een ander beginsel – het beginsel van het levende geloof, dat de waarheid liefheeft, deze aankleeft, deze in het hart aanneemt, en in de consciëntie goedkeurt. Aldus is er een gedurige strijd tussen deze twee zaken – het beginsel van ongeloof, dat niets gelooft dan de leugenen des duivels: en het beginsel des geloofs, dat aanneemt, liefheeft, en de Waarheid Gods aankleeft.

Doch, behalve dit, is er een redenerend beginsel in ons gemoed, dat meegaat met de listige ingevingen van satan en satans werktuigen. Het kan zijn, dat een man redeneert, totdat hij zich uit iedere waarheid uitredeneert, en zich in iedere dwaling inredeneert. Hij kan redeneren over de Bijbel, totdat hij gelooft, dat de Bijbel een verdichtsel is. Hij kan redeneren over het Godsbestaan, totdat hij gelooft, dat er geen God is. Hij kan redeneren over de Godheid van Jezus, en de Persoonlijkheid des Heiligen Geestes, het bestaan van de Drieëenheid, en iedere geopenbaarde waarheid, totdat hij zichzelf in een volkomen ongeloof redeneert. Zo hebben wij niet slechts een verdorven beginsel, dat de dwaling aankleeft, maar wij hebben een redenerende geest, die zich uit de waarheid in de dwaling zou redeneren. En deze vreselijke wederpartijder van het geloof der uitverkorenen Gods is altijd werkende in ons gemoed, om ons in satans strikken te voeren. Maar evenwel, uit genade, is er een ander beginsel – een verstandig hart, een gelovige geest, een gevoelige ziel, een tedere consciëntie, in de boezem van een kind van God, dat de dwaling verwerpt, omdat dwaling altijd tot hem komt apart van de Waarheid Gods. Dwaling verhardt – de waarheid vertedert. Dwaling stompt af – de waarheid verzacht. Dwaling verblindt – de waarheid verlicht. Dwaling verzwakt – de waarheid verlevendigt en verkwikt. Dwaling doet verheven zijn – de waarheid vernedert. Dwaling voert het hart van God af – de waarheid brengt het hart tot God.

Welnu, zoals wij rechtgesteld weten wat vertedering, en wat verharding is – wat gebracht te worden tot de Heere is, en wat afgevoerd te worden van den Heere is – zoals wij in onze ziel de werking van deze twee onderscheiden zaken kunnen opmaken (naar wij rechtgesteld gaarne doen), keren wij ons af van de dwaling, omdat deze ons van God afvoert, en wij kleven de waarheid aan, omdat deze ons tot God brengt. En aldus bewaart de Heere de voeten Zijner heiligen. De dwaling zal hen niet verstrikken. Het kan wel zijn, dat zij tot aan de grenzen ervan gaan. Het kan wel zijn, dat zij een tijdlang een mate van de geest ervan inzuigen. Maar er is datgene in alle dwaling: unitarisme, arianisme, arminianisme, pre-existerianisme, of antinomianisme, dat nooit een plaats in de tedere consciëntie vindt, nimmer een rustplaats in het vernieuwde hart vindt. Maar er is in de waarheid iets, dat zo krachtig, zo zoet is, dat zo in het hart komt, en (als ik het woord mag gebruiken) zich zo thuisvoelt in de ziel, dat het kind van God het tot elke prijs, tegen welke kosten ook aankleeft. De Heere bewaart de voeten Zijner heiligen. Zij zullen nooit Arianen, Antinomianen, Socinianen, of Arminianen worden. Zij zullen de waarheid kennen, en de waarheid zal hen vrijmaken.

Maar het kan zijn, dat zij niet slechts tot dwaling vervallen: het kan ook zijn, dat zij zich terzijde afwenden tot afgoderij. Wat zegt de Geest door de apostel Johannes? ’’Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden.” Sommigen van het volk des Heeren worden niet verzocht door een geest van misleiding – anderen van des Heeren kinderen worden niet verzocht door een geest van dwaling. Maar hoevelen, die vrij zijn van deze zij-paden, zijn niet vrij van tot afgoderij te vervallen! En o, welk een last is de afgoderij voor een kind van God! Te gevoelen dat er datgene in zijn hart is, dat hij bij ogenblikken meer liefheeft, dan God Zelf – dat er datgene in zijn boezem ligt, dat hij koestert, liefkoost en omhelst, hoewel het hem wel duizend maal als een adder heeft gestoken! Wat een gemene ellendeling is toch de mens! Wat een verdorven schepsel, deze smerige afgoden in zijn boezem koesterende! Wij verbazen ons over de verdorvenheid van de heiden.

Wij zien hun afschuwelijke afgoden, en verbazen ons erover, dat een redelijk mens zich voor zulke afschuwelijke beelden kan nederbuigen. Maar vinden wij niet een parallel in ons eigen hart? Beeldhouwde de hindoe of de inwoner van Tahiti ooit een afgod, zo walgelijk, als die wij omhelzen en omsluiten in onze boezem? Die van hen is per slot maar een afzichtelijk stuk hout of steen, doch onze smerige begeerten, onze verdorven inbeeldingen, onze boezemafgoden zijn tienduizendmaal afzichtelijker in het oog van God. Maar de Heere zal de voeten Zijner heiligen bewaren. Zij kunnen hun afgoden hebben: Hij zal hen ervoor bewaren in alle opzichten te worden verstrikt. Soms zal Hij hen overtuigen van de zonde van afgoderij, door de schuld ervan op de consciëntie te leggen. Soms zal Hij, als zij de afgod erg nauw aanhangen, deze uit hun boezem nemen; en voor anderen die afgod hun kwelling doen zijn, en verkeert Hij hetgeen, waaruit zij volop voldoening zoeken in een bron van pijn en ellende. En aldus, zal Hij op de één of andere wijze de voeten Zijner heiligen bewaren van tot het pad der afgoderij te vervallen.

3. Doch er is ook het pad van vleselijke rust. Houden wij van beproevingen? Houden wij veel van te worden geoefend, gekweld en verzocht? Wel, wij weten, wat een hovaardig vlees wij hebben – hoe blij zijn wij onze nek te draaien uit de halsband van droefenis en lijden – hoe onwillig zijn wij te wandelen op het nauwe en doornenpad voor ons – hoe verzot zijn wij op wat gemak, al was het, zoals Job spreekt: “Om ons speeksel in te zwelgen!” Wij zijn erg verblijd op dit effen pad te komen, dit neerleggen van onze armen, dit ons nestelen in onze leuningstoel, dit rusten op onze bevindingen in het verleden, dit wegsluipen uit de strijd, dit zich in de achterhoede begeven bij het gereedschap. Wij geraken erg gemakkelijk op dit pad van vleselijke rust: zodat de Heere ons ervan afhoudt door bezoekingen, verzoekingen en beproevingen.

Maar de Kerke Gods, in deze tijd en in dit geslacht, verkeert veel op een pad van vleselijke rust: bijna, gelijk de gemeente van Laodicea, noch koud, noch heet, zoals het volk van Laïs, onbekommerd wonende: gelijk Efraïm, ”een koek, die niet is omgekeerd: ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet.” Maar de Heere zal ons niet toelaten ons gemak te nemen. Wij kunnen proberen ons nest gerieflijk te maken, maar op de bodem ervan zal er altijd een doorn zijn. Wij kunnen proberen op onze heffe stil te liggen, maar er zal altijd een schudden van het vat zijn. Wij kunnen proberen weg te glippen uit de verplichting en in de achterhoede te kruipen: doch zelfs daar zal ”het bulderen van de kapteins en het geschreeuw”, zijn. Wij kunnen proberen ons hoofd te doen rusten op de gereedschapswagen, maar zelfs daar zullen wij het gebulder van het geschut horen. De Heere zal Zijn volk bezoeken met een zekere zware en scherpe bezoeking, een zekere scherpe roede, een zekere zware slag, als zij zich van het rechte spoor hebben begeven op het pad van vleselijke rust, en hen aldus terugbrengt.

IV. De belofte is onvoorwaardelijk – ”De Heere zal de voeten Zijner heiligen bewaren.” Maar hoe bewaart de Heere hen merendeels middellijk?

1. Het voorname instrument, waarmede de Heere hen bewaart is, door Zijn vreze in hun hart te planten. Het is de nieuwe Verbondsbelofte: ”En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe: en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.” (Jer. 32 : 40). De Heere legt Zijn vreze in het hart van Zijn volk, en dit wordt in hen ”een fontein des Levens, om af te wijken van de strikken des doods”. Dit is hun boezemgezel de ganse reis door. Dit is dat heilige beginsel in hun boezem, waardoor hun voeten middellijk worden bewaard. Zouden zij tot zonde willen afzwerven? De vreze Gods in hun boezem beteugelt. Zouden zij zich in ijdel vertrouwen willen storten? De vreze des Heeren in hun boezem verhoedt het. Zouden zij in de wanhoop vallen? De vreze des Heeren in hun boezem houdt hen staande. Zouden zij inwendige afgodendienaars worden? Zouden zij vallen in de strikken van satan? Zouden zij op het pad van vleselijke rust geraken? De vreze des Heeren, als een fontein des Levens, opwellende in hun ziel, en hun hart bevochtigende met Zijn gezegende stromen – deze vreze des Heeren, welke hun ’’schat” is, bewaart hen voor de wegen van de verderver, en bewaart aldus hun voeten op de paden van het Evangelie.

2. Maar de Heere gebruikt ook Zijn Woord. ’’Heilig ze in Uwe waarheid: Uw woord is de waarheid,” was het gebed van de stervende Heere. Door Zijn Woord voor hun hart te openen – door Zijn geboden met kracht in hun consciëntie te brengen – door Zijn waarheid aan hun ziel toe te passen, soms scherp, soms troostvol, maar altijd doordringend – bewaart Hij hun voeten. Zouden zij iedere betuining doorbreken? Het Woord des Heeren verhoedt het. Aldus bewaart Hij de voeten Zijner heiligen door Zijn Waarheid, door die waarheid in hun consciëntie te ontsluiten, en deze met kracht en reuke aan hun hart toe te passen.

3. Ook bewaart Hij hen, van tijd tot tijd, door aanwijzingen van boven – door de dauw Zijner genade te doen afdalen – door verborgen vertederingen des harten – door de geest week te maken – door deze vraag te verwekken: ”Hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God?” Door tedere aandoeningen en liefhebbende gevoelens jegens Hem te verwekken. Zoals Efraïm, ’’nadat hij zichzelven was bekendgemaakt, op zijn heup klopte,” zo slaat het volk des Heeren op hun borst, als Hij op hen ziet. Door deze verborgen tekenen worden hun voeten bewaard in de wegen des Heeren. Hebt u het nimmer zo gevoeld? Wanneer u verzocht bent geworden iets te doen wat uw vleselijke hart beminde, en waartoe satan u aandrong met al zijn macht, is er dan niet een zeker teken, een zeker woord, een zekere beteugeling van God geweest? Als er een heftig woord losbrak, als er toorn in uw boezem oprees, was er niet een verborgen beteugeling, die de oprijzende toorn eronder hield?

Als de begeerlijkheid der ogen u verstrikte, en u gaarne wilde wandelen op de paden des doods, was er toen niet een zeker gevoelen naar God, een zekere beteugeling, een zekere vermaning, een zekere ontsluiting van de Schrift, een zekere aanraking van de vinger Gods in uw consciëntie, een zekere verborgen aandoening in uw ziel, die u weerhield van de wegen des verderfs? En als u bedrog voorkwam, kwam er toen geen woord van God, om het te ontdekken, en u aan te tonen, dat het een misleiding was? Indien de dwaling uw pad kruiste, en uw vleselijk gemoed omhelsde deze, kwam er toen geen woord in uw hart, om u aan te tonen hoe tegengesteld het was aan het geopenbaarde Woord van God? En als de wereld haar strikken spreidde, en u in haar armen lokte, was er toen niet een zekere verborgen vermaning, iets uit des Heeren eigen mond, dat u ervoor bewaarde in de strik te worden verward, en te wandelen op het pad des doods?

4. En soms bewaart de Heere ons door Zijn voorzienigheid. Er is een strik voor ons gelegd. Hij zal ons op een pad leiden, waar de strik niet is gelegd. Satan legt zijn strikken, zoals stropers doen, in wat genoemd wordt ”de baan” van de haas. De strik wordt gezet juist in het gat van de haag, waardoor het arme dier rent. Zo legt satan, die listige stroper, zijn strik juist in onze eigen ’’baan”. Maar de Heere besluit anders. Wij hebben ons wellicht voorgenomen, deze straat af te gaan: waren wij gegaan, wij zouden terechtgekomen zijn in een strik. Er komt een ingeving een andere richting te kiezen: door die ingeving te gehoorzamen, worden wij ervoor bewaard in die val terecht te komen. Zou het volk des Heeren kunnen opmerken, hoe Hij hen heeft bewaard in strikken terecht te komen, door Zijn wonderlijk tussenbeide komen, wat zou het hun bewondering van Zijn wijsheid verwekken!

De belofte is onvoorwaardelijk – ”Hij zal de voeten Zijner heiligen bewaren.” Wat een tederheid ligt erin! De Heere ziet Zijn arme verstrooide pelgrims, reizende door een tranendal, gaande door een woeste, huilende wildernis, een pad bezet met netten, vallen en strikken in iedere richting. Hoe kunnen zij ontkomen? Wel, de Heere bewaart hun voeten, draagt hen door iedere ruwe plaats, zoals een tedere ouder een klein kind draagt, als het op het punt staat te vallen, genadiglijk de eeuwige armen onder hen legt, en als zij wankelen en struikelen, en hun voeten op het punt staan uit te glijden, hen genadiglijk ervan weerhoudt in alle opzichten te vallen. Aldus bewaart de Heere de voeten Zijner heiligen. Maar meent u, dat Hij geen verschillende wegen heeft voor verschillende voeten. De God der schepping heeft geen twee bloemen, noch twee bladeren aan een boom gelijk gemaakt: en zal Hij al Zijn volk doen wandelen op precies hetzelfde pad? Neen: wij hebben ieder onze weg, ieder onze boezemzonde, ieder onze beproevingen, ieder bijzondere vallen en strikken voor onze voeten gelegd.

En de wijsheid van de Alwijze en alleen-wijze God wordt aangetoond, doordat Zijn ogen aan iedere plaats zijn, kenmerkende de voetstappen van iedere pelgrim, Zijn geneesmiddelen gepast doende zijn, om tegemoet te komen aan hun persoonlijke toestand en noodzaak, voor hen verschijnende, als niemand anders hen enig goed zou kunnen doen: zo teder over hen wakende, alsof de ogen Zijner liefde gericht waren op één persoon: en nauwlettend acht gevende op het gaan van een ieder, alsof al de krachten van de Godheid gericht waren op die ene persoon, om hem voor onheil te bewaren. Welk een genade is het, dat er zulk een belofte in de Bijbel is: ”Hij zal de voeten Zijner heiligen bewaren”, zodat zij niet volkomen zullen struikelen, volslagen terneergedrukt zijn, algeheel van God en de godzaligheid zullen afzwerven. Hij zal hun voeten in dit tranendal bewaren, temidden van al de strikken, vallen en netten voor hen gelegd, op de smalle weg, die ten leven leidt, en hen uiteindelijk ertoe brengen Zijn heerlijkheid te zien, en voor eeuwig bij Hem te zijn, waar alle tranen van alle aangezichten zullen worden afgewist. Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.