Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Jezus, de opstanding en het leven

Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven: die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven: En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat? Johannes 11:25, 26.

Welk een schoon, welk een belangwekkend familie-portret heeft de Heilige Geest, door de pen van de apostel Johannes, getekend in de gewijde geschiedenis van het gezegende huishouden, dat eenmaal woonde in het dorpje Bethanië, nabij Jeruzalem. Hierin zien wij, naar het schijnt, het zeldzame schouwspel van een familie, die in een gelukkige harmonie samenleeft, verenigd door de sterke banden der natuur, en nog nauwer verenigd door de hechtere en meer duurzame banden der genade: Martha, Maria, en Lazarus. Wat een weerklank vinden deze namen in ons hart. Mogen wij ons ook niet onze gezegende Heere voorstellen, toen Hij in Jeruzalem was geweest, vermoeid – want wij weten, dat Hij onderworpen was aan menselijke zwakheid, en dat Hij vermoeid zijn kon, want Hij zat eenmaal vermoeid aan de bron in Samaria – toen onze gezegende Heere van Jeruzalem terugkeerde, vermoeid naar het lichaam en bedroefd van geest, hoe Hij tot dit gelukkige huishouden wilde komen, en daar troost vinden voor Zichzelf, in het gezelschap van deze beide met genade bedeelde zusters en van hun niet minder met genade bedeelde broeder?

Want wij lezen: ’’Jezus nu had Martha, en hare zuster en Lazarus lief.” (Joh. 11:5). Onze Heere ging rond goed doende, en besteedde veel van Zijn tijd en oefende Zijn bediening veelvuldig uit in Galilea: dat in het noordelijk gedeelte van het Heilige Land gelegen, op een aanzienlijke afstand ligt van Bethanië. Maar het zou blijken, dat Hij ditmaal niet in Galilea was, maar over de Jordaan, op de plaats waar Johannes voor het eerst doopte, welke op enige afstand oostelijk van Jeruzalem ligt. Welnu, toen Hij aldus afwezig was, bezig met het volbrengen van Zijn gezegende genade- boodschappen, begon zich een donkere wolk samen te trekken boven dit gelukkige huishouden. Aanvankelijk mocht deze nog maar zo klein zijn geweest als eens mans hand, maar deze nam snel in omvang toe, en leek ieder uur dichter boven hen te blijven hangen. Lazarus was ziek geworden. De eerste gang nu van zijn gezegende zusters, was een boodschap te zenden tot hun dierbare Heere, dat hij, wien Hij liefhad, ziek was. Zij kenden Zijn macht, evenals Zijn liefde: en dat als Hij door het één meteen zou willen komen, Hij derhalve door het ander meteen zou kunnen genezen.

Daarom verwachtten zij natuurlijk, dat Hij in een zaak, zo dringend als deze, met spoed zou komen, want in dat klimaat verloopt het ziekteproces snel en ongetwijfeld waren zij dagelijks en bijna van uur tot uur uitziende naar Zijn komst. Maar met Lazarus wordt het ieder uur erger. Nog dichter, nog donkerder zijn de wolken, welke boven het huis hangen. Jezus toeft te komen, want wij lezen: ”Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was.” Jezus komt niet. Alle hoop in hun boezem sterft weg. De kwaal wordt geleidelijk erger, totdat Lazarus tenslotte eraan bezwijkt. Welnu, wat een genade was het voor deze beide zusters en ook voor hun broeder, dat Jezus niet kwam: en mag ik er niet aan toevoegen ook voor de Kerke Gods van alle tijden? Wat een schatten van barmhartigheid en genade lagen er opgesloten in Zijn toeven. Wat gaf het Hem gelegenheid een verbazend wonder te werken. Wat een bewijs van Zijn macht leverde dit, dat Hij waarlijk de Zone Gods was en wat is het tot een duurzame zegen gemaakt voor opeenvolgende geslachten der gelovigen. Ofschoon de Heere in Zijn alwetende gedachten goed wist, al hetgeen zich voordeed in dat kleine huishouden, evenwel naar Zijn eigen wijs en gezegend voornemen toefden Zijn voetstappen, en het was genade, welke Hem een wijle deed toeven, zoals het ook genade was, welke Hem ten laatste deed komen.

Het is niet nodig, dat ik nog verder stilsta, bij de feiten van deze belangwekkende geschiedenis, ofschoon elk gedeelte ervan vol is van heilig onderwijs, maar ik zal nu meteen komen tot dat gedeelte, dat aan onze tekst voorafgaat. Het is het gesprek van Martha met de Heere in Bethanië. Martha kon, haar karakter getrouw, niet thuisblijven: zij was een rusteloos persoon, want bij een latere gelegenheid, toen zij des Heeren gezelschap verkregen had, kon zij niet voldaan zijn met alleen maar te luisteren naar Zijn gezegend spreken. Zij moest nu aan de maaltijd denken, ja Hem zelfs komen vragen haar zuster te gebieden, haar te helpen de maaltijd behoorlijk aan te richten, en haar tijd niet zo – ik wil niet zeggen nodeloos – te besteden, maar met zo lang aan de voeten van Jezus te zitten. Zoals velen van onze Martha’s, beminde zij de godsdienst en de Goddelijke zaken, doch daar zij een druk, bedrijvig persoon was, wilden zich aardse bezigheden aan haar gedachten opdringen en hieraan wilde zij soms een eerste plaats geven, wanneer deze maar de tweede plaats behoorden te hebben. Bent u soms niet gelijk aan haar, meer denkende aan uw bezigheden, dan aan Christus, en zelfs in het huis des gebeds denkt u aan de maaltijd, in plaats van naar het woord te luisteren.

Martha laat dus, haar karakter getrouw, Maria thuis achter, biddende, wakende, en in stilte wachtende op God en zij gaat bij de eerste berichten van Zijn komst haastig op weg: maar zodra ze Hem ontmoet, zegt ze, bijna op verwijtende toon, niet veel anders dan de manier, waarop zij zich in betrekking tot haar zuster bij een andere gelegenheid tot de Verlosser richtte: ’’Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven.” Klinken de woorden niet bijna, alsof zij de Heere verweet, dat Hij daar niet was? En nochtans had de gezegende vrouw, met al haar zwakheden, geloof in haar ziel, en dit geloof openbaarde zich temidden van haar klacht: ’’Maar ook nu weet ik,” hoewel de zaak zo hopeloos lijkt – ”ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.” O, Martha, er ontbreekt hier wat aan uw geloof. U behoorde wat hogerop te hebben gezien, dan tot hier, en hebben verstaan, dat Hij de waarachtige God Zelf was, Die voor u stond, en dat Hij maar te spreken had en Lazarus zou opstaan. U behoorde te hebben verstaan, dat Hij de schepping in Zijn vuist hield, en dat Hij de soevereine Beschikker was van leven en dood.

Op die rustige, gezegende wijze, waarop onze Heere altijd sprak, bedaard, onbeweeglijk, de kalme waardigheid en heerlijke Majesteit der Godheid Zelf, zegt Jezus tot haar: ”Uw broeder zal weder- opstaan.” Martha toont nog altijd geloof, en nochtans klaarblijkelijk vermengd met veel zwakheid. ’’Martha zeide tot Hem: ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.” Dan spreekt de Heere die woorden uit, welke ik met Gods hulp en zegen, zal trachten te verklaren en u vanavond zal voorhouden: ’’Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en het leven: die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven: En een eigelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?” Ik geloof, dat wij in onze tekst drie hoofdzaken kunnen opmerken:

I. Ten eerste: de gezegende verklaring – ”Ik ben de opstanding en het leven.”

II. Ten tweede: de beide gezegende gevolgen, welke verbonden zijn met en voortvloeien uit deze verklaring: 1. ”Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.” 2. ”Een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.”

II. Ten derde: de gezegende indringende vraag: ’’Gelooft gij dat?” I. Hoe zalig zijn de gezegende verklaringen, welke de Heere van Zichzelf heeft gegeven, Zijn eigen getuigenissen aangaande Zijn Persoon en werk, zoals bijvoorbeeld: ”Ik ben de Weg, de Waarheid, en het Leven.” ’’Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.” ”Ik ben de goede Herder, de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.” ”Ik ben het brood des levens.” Welk een genade ligt er in deze verklaringen van Zichzelf, en wat blijkt Hij Zichzelf hierin en hierdoor aan de Kerke Gods te verklaren, opdat zij deze woorden uit Zijn mond moge aannemen en hierop geloof moge oefenen. Laten wij dan deze gezegende verklaring eens beschouwen en er twee zaken in opmerken, welke onze Heere van Zichzelf verklaart, dat Hij in wezen is: ”de opstanding en het leven”. Laten wij elk van hen afzonderlijk overdenken.

1. ”Ik ben de opstanding.” De Heere zegt niet ’’door Mij zullen de mensen opstaan,” of ”op de jongste dag zal Ik de doden doen opstaan.” Maar Hij verklaart van Zichzelf ”Ik ben Zelf de opstanding.” Gewis ligt er iets diepgaands in deze woorden, als we maar tot de kern ervan kunnen doordringen. Laten wij dan zien, of ik u, met Gods hulp en zegen, bij de hand nemen, en tot de kern dezer waarheid zelf voeren kan, opdat u en ik erin mogen voortgaan, er ons mee mogen voeden, en opdat wij mogen verstaan, wat deze waarheid is tot blijdschap onzer ziel.

a. De opstanding van Christus is, in de eerste plaats, het voorname hoofdleerstuk van ons allerheiligst geloof. En waarom? Omdat ons geloof feitelijk hierop rust. Ons geloof, zo dit het geloof is van de uitverkorenen Gods, is dat Jezus is de Zone Gods. Welnu, opdat ons geloof niet een schaduw, maar werkelijkheid moge zijn, moet dit rusten, op een zekere, vaste grondslag. Welk bewijs hebben wij dan, dat Jezus is de Zoon van God? Zijn opstanding. Daarom lezen wij, dat Hij ’’krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden.” (Rom. 1 : 4). Zijn opstanding was dus Gods eigen bevestigend zegel, dat Hij Zijn geliefde Zoon was. Hij werd ter dood gebracht als een godslasteraar, omdat Hij sprak: ”Ik ben de Zone Gods.” Toen God Hem daarom van de doden opwekte, hechtte Hij Zijn eigen bevestigend zegel eraan, dat Jezus waarlijk was, hetgeen Hij zei, dat Hij was – de Zone Gods. Het is vanwege deze reden, dat de opstanding van Christus het voorname, kardinale, fundamentele leerstuk is van ons allerheiligst geloof: want hierop steunt het wezenlijke bewijs Zijner verklaring, dat Hij was de Zone Gods, en dat Hij als de Zone Gods gekomen was uit de schoot des Vaders, om het werk te verrichten, dat de Vader Hem te doen gegeven had.

b. Maar er ligt nog wat meer in de opstanding van Jezus Christus, dan de loutere bevestiging van God, en de verklaring met kracht van boven, dat Hij Zijn geliefde Zoon was. Toen onze gezegende Heere opstond van de doden, stond in het wezen en op een verborgen wijze in en met Hem de ganse Kerk op. Daarom lezen wij in de brief aan die van Efeze, dat God ”ons mede heeft opgewekt, en ons heeft mede gezet in den hemel in Christus Jezus.” (Efeze 2:6). Hoe en waarom? Omdat de Kerke Gods, op een verborgen wijze, en in het wezen tesamen met Christus opstond. Niet zodra rees het Hoofd Zelf uit het graf op, of alle leden rezen tesamen met Hem op. Geestelijkerwijs was het met Hem, zoals het met ons op letterlijke wijze was, toen wij vanmorgen uit ons bed opstonden: ieder lid stond op met ons hoofd. Aldus verrees de Kerk van Christus, als leden van het verborgen lichaam van de Heere het Lam, in het wezen en, op een verborgen wijze, tesamen met haar opstaand Hoofd.

Maar er ligt nog iets meer in de opstanding des Heeren. Op de opstanding van Christus steunt, hetgeen Hij nu is voor de Kerke Gods. Wanneer Hij langer dan de gezette tijd, levenloos in het graf had gelegen, dan zou er niet alleen geen getuigenis zijn geweest, door de kracht Gods, dat Hij Zijn geliefde Zoon was: niet alleen zou de Kerk met Hem dood en begraven hebben gelegen in het graf, waar Hij lag, maar dan zou Hij die ambten in het heden niet hebben kunnen vervullen, welke Hij nu onderhoudt aan de rechterhand Zijns Vaders, als “de Middelaar Gods en der mensen”. Hij zou de Hogepriester over het huis Gods niet geweest kunnen zijn. Hij zou geen Koning in Sion geweest kunnen zijn: ”Tot al Zijn vijanden tot een voetbank Zijner voeten zullen zijn gesteld.” Hij zou de Heilige Geest niet hebben kunnen doen nederdalen, om van Hem te getuigen. Hij zou geen gemeenschap met ons kunnen hebben van de troon der genade: en Hij zou de heerlijkheden van Zijn beminnelijke Persoon, de krachtdadigheid van Zijn verzoenend bloed, en de schoonheid en zaligheid van Zijn rechtvaardigende gerechtigheid niet kunnen verklaren.

Ons geloof zou geen Voorwerp hebben gehad, onze hoop geen ankering binnen de voorhang: en waar zou onze liefde zijn geweest, zonder een Persoon op wie die liefde gevestigd had kunnen worden? Alle genade der ziel steunt daarom op de opstanding van Christus uit de doden. Wanneer wij geloven, dan geloven wij in een opgestane Christus: wanneer wij hopen, dan hopen wij op een opgestane Christus: en wanneer wij liefhebben, dan hebben wij een opgestane Christus lief: want een dode Christus is voor ons, die behoefte hebben aan een levende God, om de verlangens te vervullen van een levende ziel, geen Christus. Maar geloofd zij God, Christus is opgestaan van de doden: Hij is opgevaren: Hij is ook nu nog aan de rechterhand des Vaders voor ons tussentredende.

Hij heeft een weg ontsloten, door het voorhangsel van Zijn gescheurd vlees, en onze gebeden, begeerten en smeekbeden, met al onze tedere genegenheden, mogen tot Hem opklimmen tot binnen de voorhang en het Heilige der heiligen binnengaan, zelfs tot in de tegenwoordigheid Gods, waar Hij als onze Voorloper is heengegaan, om daar neder te zitten, totdat Hij ten anderen male zal komen zonder zonde tot zaligheid. Aldus steunt niet alleen ieder leerstuk van ons allerheiligst geloof, maar ook iedere bevinding van een levende ziel op de opstanding van Jezus uit de doden. Aanschouw dit in het licht van uw eigen bevinding. Vanmorgen sprak ik van de Zone Gods, Die gekomen is, en onze kennis hieraan, en ik trachtte aan te tonen, dat één manier, waardoor wij weten, dat Hij is gekomen, is omdat wij Hem volgen door het geloof tot waar Hij is aan de rechterhand Gods, en met ons gemeenschap heeft vanaf de troon der genade. Het geloof moet een Goddelijk voorwerp hebben, waarop het zijn oog kan vestigen, dat het kan omhelzen, dat het moge aankleven, en waar het zich omheen kan strengelen.

Dit Voorwerp is Jezus, zoals Hij is opgestaan van de doden, en nu gezeten is aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen. Hij zegt ’’wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde.” Daarom ziende op Hem ”als de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, lopen wij met lijdzaamheid de loopbaan, die ons is voorgesteld,” in de levende hoop, dat Hij ons meer dan overwinnaars zal doen zijn, over iedere vijand en iedere vreze. Maar zo Hij niet van de doden is opgestaan, dan zijn wij de ellendigste van alle mensen: wij hebben geen hoop over het graf: geen vergeving van zonden, geen vergiffenis van overtredingen, geen aangebrachte gerechtigheid, geen genade voor het tegenwoordige, geen hemel voor het toekomende. Dit is de reden, waarom de apostelen in al hun predikaties, zoals opgetekend in de Handelingen, de opstanding van Jezus Christus predikten. ”En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Heere Jezus: en er was grote genade over hen allen.” (Hand. 4:33).

2. Doch onze allergezegendste Heere is niet alleen ”de Opstanding”. Ik zal dat punt, in een vollere betekenis, toepasselijk maken op uw bevinding, wanneer ik tot mijn tweede gedeelte kom, maar Hij is ook “het Leven”. Adam bezat leven, want God ”had in zijn neusgaten geblazen de adem des levens: alzo werd de mens tot een levende ziel (Gen. 2:7), maar hij verloor dit in en door de val. En het beeld Gods, waarin hij geschapen werd, werd daardoor algeheel bedorven en misvormd. Aldus is hij gestorven in de misdaden en de zonden: en daar hij een zoon gewon naar zijn eigen beeld, naar zijn eigen gelijkenis, en wij allen deze gevallen, verdorven natuur deelachtig zijn, komen wij in deze wereld, dood in de zonde. Doch welk een vereniging, welk een omgang, welk een gemeenschap kan een ziel, die dood in de zonde is, hebben met de levende God? Wilt u een dood lichaam in uw bed nemen, en dit omhelzen, als een passende vrouw, voor een levende echtgenoot? Ons bloed bevriest bij de gedachte. Wanneer de dood de vrouw van uw boezem rukt, dan zegt u met Abraham ”dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht.”

Een koud stoffelijk omhulsel deelt niet langer uw bed: de doodkist en het graf zijn er nu de geschikte plaats voor. Hoe kunt u dan denken, dat Jezus een dode bruid aan Zijn boezem nemen kan? Of hoe kan een dode ziel de hoven van de levende God binnengaan? Welke vereniging, welke gemeenschap kan er zijn tussen een ziel, die dood is in de zonden, en een God, levende in het licht van Zijn eigen heiligheid? Het leven moet daarom een ziel medegedeeld en ingeademd worden, alvorens ze hier vereniging en gemeenschap kan hebben met God, alvorens ze pasklaar kan worden gemaakt voor Zijn tegenwoordigheid op aarde, of voor ze zich verheugen kan in de woningen, die in de hemel voor haar zijn toebereid vóór de aanvang der tijden. Welnu, opdat dit geestelijke en eeuwige leven de Kerk kon worden ingeademd en medegedeeld, behaagde het de Vader, dat de volheid van dit leven in Christus zou wonen: “Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook de Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven.”

Dit leven, waarvan de Heere aldus spreekt, is niet Zijn leven als de eeuwige Zoon van God, maar Zijn leven als Middelaar, hetwelk kan worden medegedeeld: want er is dit verschil tussen Zijn leven als de Zoon van God en Zijn leven als Middelaar, dat het ene mededeelbaar is en het andere niet. Wanneer Jezus hier dus spreekt: “Ik ben het leven,” dan spreekt Hij van Zijn leven als Middelaar, dat geestelijke en eeuwige leven, dat in Hem als Middelaar was opgelegd, opdat dit mocht worden gegeven en medegedeeld aan de leden van Zijn verborgen lichaam. Wij lezen daarom: ”In Hetzelve was het leven, en het leven was het licht der mensen.” (Joh. 1 : 4). Zo ook: ”En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft: en dit leven is in Zijnen Zoon.” (1 Joh. 5 : 11). Daarom zegt Hij van Zichzelf: ”Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven.” Hoe vaak zoeken wij steeds weer tevergeefs het leven in onszelf. Het is waar, dat zo God onze ziel heeft levend gemaakt, wij deel hebben aan het Goddelijk leven, aan het geestelijk, aan het eeuwige leven, aan het leven, dat in Christus is, en uit Christus voortvloeit.

En nochtans hoe vaak zoeken wij dit tevergeefs warm en brandende in onze boezem te bevinden. Wanneer dit eenmaal geschonken is, zal dit nimmer sterven. Maar het ligt vaak verborgen onder de as: en hoewel het aldus op flauwe wijze brandt en zwakjes gloeit, verbergt de as het evenwel voor het oog, en wij weten alleen maar, dat het er is door enige warmte-resten. ”Uw leven is met Christus verborgen in God.” (Col. 3:3). En derhalve niet slechts verborgen, als veilig opgelegd en bewaard in God, maar ook verborgen voor de wereld, en zelfs verborgen voor het oog van de bezitter ervan. Christus is ons leven. Er is geen ander. Dus het leven te zoeken in ons eigen ik, onafhankelijk en gescheiden van de Fontein des levens, is datgene in het schepsel te zoeken, dat ligt in de Goddelijke Schepper, is te zoeken naar datgene in de mens, dat woont in de Godmens: is te zoeken naar datgene in het eigen ik, dat ligt buiten het eigen ik, omsloten in de volheid van de Zone Gods. En merk op, dat het niet alleen maar is, dat het leven in Hem is, maar Hij is het leven Zelf.

Zoals de zon niet slechts licht en warmte bezit, maar zelf licht en warmte is, zo schenkt de gezegende Heere niet alleen het leven, maar Hijzelf is hetgeen Hij schenkt. Zoals een fontein niet alleen water geeft, maar van zichzelf één en al water is, zo geeft Christus niet slechts hetgeen Hij is, maar Hij is al hetgeen Hij geeft. Niet alleen is Hij daarom de ’’Opstanding”, Zichzelf tot het middelpunt makend voor al hetgeen, voor tijd en eeuwigheid beide, in de opstanding ligt opgesloten en de opstanding te kennen geeft, maar Hij is ”het Leven”, in Zichzelf een Fontein des levens zijnde, van waaruit Hij aan de leden van Zijn verborgen lichaam schenkt uit Zijn eigen volheid. Doch daar Hij ons door lessen van persoonlijke bevinding moet leren, wat Hij aldus in Zichzelf is, zal ik thans, met Gods hulp en zegen, het tweede deel van mijn onderwerp in behandeling nemen, waarin ik zou aantonen:

II. De beide gezegende gevolgen, welke verbonden zijn met, en voortvloeien uit het ”de opstanding en het leven zijn” van de Heere. Deze beide gevolgen zijn: 1. “Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.” 2. ”Een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.”

Wanneer u deze woorden leest met enige mate van genade-kennis, dan zult u hierin opmerken, dat deze betrekking hebben op de beide eigenschappen, waarop de Heere voor Zichzelf aanspraak maakt, als ”de opstanding en het leven”, en dan zult u er een opmerkelijke gepastheid in ontdekken, als een verbindende schakel tussen Zijn ”de opstanding en het leven zijn”, en de beide gezegende gevolgen, welke eruit voortvloeien.

1. Het eerste gezegende gevolg is verbonden met Zijn ”de opstanding” zijn. Hij spreekt: ”Ik ben de opstanding.” Welnu, merk op hoe er uit deze verklaring een geestelijk gevolg voortvloeit, dat, op diepgaande wijze, de bevinding en de gevoelens raakt van het huisgezin Gods. En, als zodanig, zal ik dit verklaren: ”Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.” a. Wat is opstanding? Wat geeft deze te kennen? Uit welke staat voert de opstanding? Een staat des doods. De dood is tot de opstanding noodzakelijk. Was onze Heere niet gestorven, toen Hij uit het graf werd opgewekt? Zo voert Zijn opstanding, met een gelovig oog beschouwd, vol zijnde van genade-vruchten, dit allergezegendste gevolg met zich, dat deze genoegzaam is, bevindelijk wordt toegepast, en aansluit bij de geestelijke staat en toestand dergenen, die dood zijn. Eens zal dit zo zijn in betrekking tot het lichaam. Christus is de opstanding van lichaam en ziel beide. Wanneer Hij dus ten anderen male komen zal zonder zonde tot zaligheid, dan zal Zijn stem de doden levend maken, de graven zullen zich openen, en de doden zullen onverderfelijk worden opgewekt: want Zijn stem zal het slapend stof der gelovigen uit het graf roepen, en zij zullen opstaan, geheel en al in het gewaad der onsterfelijkheid.

Lezen wij daarom niet: ’’Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn. Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens. Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijne orde: de Eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijne toekomst.” (1 Kor. 15:20-23). b. Maar Zijn opstanding heeft ook een geestelijke betekenis, een genade-vrucht in dit leven, evenals in het toekomende. Er is een geestelijke opstanding, voortvloeiend uit Zijn opstanding van de doden, zoals er een letterlijke opstanding zal zijn, wanneer het lichaam uit het graf wordt opgewekt op de grote Dag. Zoals er daarom niemand kan en zal worden opgewekt, dan de slapende doden uit kracht van, dat Hij de opstanding is, zo kan er niemand uit de geestelijke dood worden opgewekt, dan door Zijn macht en kracht als eerder genoemden. Maar wie bedoelt de tekst met de doden? Laat ik dit nader verklaren. Het betekent niet die dood zijn in de zonde: ik zal u vertellen waarom niet. Van de persoon, aangeduid in onze tekst, wordt gezegd, dat hij gelooft, hetgeen niemand, die dood is in de zonde, doet of kan doen. Beschouw de woorden: leg er uw geestelijke kennis bij. Volg mij, indien u enig vertrouwen in mij hebt als een geestelijke leidsman: zie toe of ik enig licht werp op de betekenis der woorden, en wanneer u dit met mij ziet, volg me dan verder. Indien God mij er bekwaamheid toe geeft, dan zal ik u veilig leiden. Ik zou u niet willen misleiden, want ik zou mezelf niet willen misleiden. De doden, waarvan in de tekst gesproken wordt, zijn dus niet degenen, die dood zijn in de zonde, of dood in een belijdenis: omdat ervan wordt gezegd, dat ze geloven, hetgeen niemand, die dood in de zonde is, ooit deed. ”Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.” Doch hoe kan iemand, die dood is geloven? Hij kan dit, of onze Heere zou dit niet hebben gezegd. Ik zal u aantonen hoe. Hij is een levende, als tot het leven opgewekt door de kracht des Geestes Gods, en nochtans is hij dood. Hoe kunnen wij deze verborgenheid overeen brengen? Het is één van die schijnbare tegenstrijdigheden, welke deel uitmaken van de grote verborgenheid der godzaligheid.

1. In de eerste plaats is hij dood, gedood zijnde door een dodende Wel. Hij leeft voor God, en evenwel is hij dood aan de Wet. De Wet is gekomen: deze heeft haar vurige inhoud in zijn boezem ontladen, en hem volkomen gedood. Hoewel hij een levende is, de liefde en de vreze Gods in zijn ziel bezit, is hij daarom dood volgens de Wet, en is hij ook der Wet gestorven: omdat hij erdoor gedood is, aangaande enige hoop op gerechtigheid. Aldus is hij dood.

2. Maar ook in een andere zin is hij dood: naar het vonnis van zijn eigen consciëntie. Neem iemand over wien de Wet haar veroordelend vonnis heeft gebracht. De rechter veroordeelt hem tot de dood: hij wordt van de gerechtsbalie weggevoerd en in de cel der veroordeelden opgesloten. Hoewel nog niet op het schavot gebracht, ofschoon nog niet ter dood gebracht, is hij feitelijk een dood man. De Wet heeft hem veroordeeld, hij is veroordeeld in zijn eigen gevoelens: hij weet, dat hij moet sterven, en daarom gevoelt hij, dat hij een stervend mens is. Wanneer dus iemands eigen consciëntie het vonnis van Gods heilige Wet ondersteunt, en hij valt neder voor de troon Gods, gedood door haar veroordelend vonnis, en dit wordt goedgekeurd door het vonnis van zijn eigen schuldige consciëntie, dan is hij gestorven, gelijk hij dood neervalt voor God. En nochtans is hij een levend man. De man in de gevangenis is een levend man, en evenwel verklaart de Wet hem dood: want iedere sombere uurslag, en iedere luidende bel, en iedere slaande klok, treft zijn oor en doet de doodsklok luiden in zijn ziel, omdat hij weet, hoe spoedig hij voor een vergadering van toeschouwers aan een afschuwelijk einde zal komen.

3. Doch ook in een derde betekenis is hij dood: wat betreft enige poging van zijn eigen kracht, wijsheid, of macht om zijn eigen ziel enig geestelijk goed te doen: want hij gevoelt zich niet in staat enig levend geloof te verwekken – en hij weet, dat niets dan het levende geloof van enig nut, tot enige hoop der genade, of enige warme, levende liefde zal zijn. Aldus is hij dood naar de Wet: is hij dood naar de consciëntie en dood naar een gevoel van zijn eigen geestelijke hulpeloosheid en onbekwaamheid. Zoals Abraham wist, dat hij dood was in het lichaam, zo weet hij, dat hij dood is naar de ziel. Welnu, merk op hoe gepast voor deze dode mens, de opstanding is van de Heere Jezus Christus. Van hem wordt gezegd, dat hij gelooft: merk op, dat “die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.” In de boezem van deze dode mens ligt dus een levend geloof. Dit is de grote verborgenheid, dat, ofschoon hij dood is naar de Wet, dood naar de consciëntie, dood in de hulpeloosheid, God de Heilige Geest hem evenwel een zaad van het levende geloof heeft ingeblazen en ingestort. Door dit geloof roept hij, door dit geloof zucht hij, en door dit geloof hongert en dorst hij naar de gerechtigheid: ja, meer nog, door dit geloof vertrouwt hij op en gelooft hij in de Zoon van God. Hij weet nauwelijks, dat hij geloof bezit. Zijn geloof is zo zwak en zo gering in zijn eigen schatting, dat hij niet durft te zeggen, geloof te bezitten: en evenwel bezit hij al de vruchten des geloofs, alle kenmerken des geloofs, en al de blijken des geloofs.

Neem als een overeenkomstig geval Jona in de buik van de walvis. Bezat hij geloof of bezat hij geen geloof? Wat zonk hij diep weg, toen de golven over hem heengingen, toen hij in de buik van de walvis, door de grenzeloze diepte werd gevoerd. Evenwel kon hij zelfs daar zeggen: “Ik zal de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.” Bezat hij geen geloof? Ja, dat bezat hij: en door dat geloof werd hij behouden, gerechtvaardigd, aangenomen, uitgeholpen en verlost, en was hij in staat te spreken: “Het heil is des HEEREN.” Neem Jeremia in de diepe kuil, toen het leek, of alle hoop was afgesneden, en hij diep wegzonk in de modder en in het slijk. Zelfs daar, toen de wateren over zijn hoofd zwommen, kon zijn gebed ingang vinden in het oor Gods en een gezegend antwoord doen neerdalen. Spreekt hij niet: ’’HEERE, ik heb Uwen Naam aangeroepen uit de onderste kuil. Gij hebt mijne stem gehoord: verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen. Gij zijt genaderd ten dage, als ik U aanriep: Gij hebt gezegd: Vrees niet!” (Kl v. Jer. 3:55-57).

Neem Hizkia op zijn ziekbed. Bezat hij geen geloof? Hoe kon hij dan zijn aangezicht keren naar de wand en tot de HEERE bidden? Hoe konden zijn ogen zich omhoog verheffen, zeggende: ”0 HEERE, ik word onderdrukt: wees Gij mijn Borg”? Neem David op zijn droevige tocht, opgaande door de opgang der olijven, en wenende toen hij barrevoets ging, met het hoofd bewonden, ten tijde van Absaloms opstand. Had hij geen geloof? Hoe kwam hij er dan toe te bidden: ”0 HEERE, maak toch Achitófels raad tot zotheid”? En waarom verhoorde de HEERE dat gebed, wanneer dit niet het gebed des geloofs ware? In al deze mannen Gods, weggezonken als zij waren tot bijna het laagste en diepste punt, was er nog altijd het leven des geloofs: en door dat geloof riepen zij tot God. Zij hebben op Hem gezien, ja Hem als een waterstroom aangelopen, en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. Hier is dus het verband tussen de opstanding van de Heere Jezus Christus van de doden en de bevinding van deze ogenschijnlijk dode ziel. Toen Christus gestorven is, droeg Hij de zonden van deze ellendige dode ziel in Zijn lichaam aan het kruis, en bracht op deze wijze verzoening ervoor aan, en nam ze weg. Toen Christus opstond van de doden, stond deze ellendige dode ziel met Hem op, als een lid van Zijn verborgen lichaam. Toen Christus ten hemel is opgevaren, is zij met Hem opgevaren. En toen Christus Zich zette aan de rechterhand des Vaders, zette zij zich op een eigenlijke en verborgen wijze met Hem in de hemelse gelukzaligheid.

Bijgevolg, omdat Jezus de opstanding is, en omdat de ziel als zodanig een aandeel in Hem heeft, zal die in Hem gelooft leven, al ware hij ook gestorven. Hoe vaak, geliefde vrienden, zinken wij weg op plaatsen, waar wij in onze gevoelens een dode zijn. Heeft de zonde u nimmer gedood? Hebben overtuigingen, om zo te zeggen, nimmer het leven Gods uit uw ziel geslagen? Is satan nooit gekomen met zijn vurige pijlen, met al het geschut uit de hel, en heeft hij nimmer gezocht ieder genade- gevoel en elke levende begeerte te verbranden? En bent u, bij ogenblikken, naar de ziel niet weggezonken tot zulk een ellendige dodigheid van geest, dat u, naar het scheen, niet alleen daar en toen ontbloot was van alle genade, doch dat het voor de genade een onmogelijkheid was, uw ziel ooit weer te doen herleven en op te wekken? Hier waart ge dood. Ik ben daar vaak geweest, hetgeen mij in staat stelt, dit voor u te beschrijven.

Evenwel, bij dit alles is er een hunkerend verlangen, een hartgrondig kermen, een hijgend zuchten, een ten bloede toe wederstaan, niet een totaal bezwijken, noch het wegzinken in een ellendige wanhoop. God de Heilige Geest hield Zijn werk in de ziel levendig, en Christus Zelf als de opstanding bracht enige nieuwe bewegingen van dat leven, dat in Hem is, in onze boezem, verwekte deze en haalde deze tot Zichzelf uit. Daar werd dus dat gezegende gevolg van Zijn opstanding vervuld: ”Die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven.” O, temidden van al onze dodigheid, al onze donkerheid en verlatenheid, al onze ledigheid, dorheid en hulpeloosheid, wanneer er in onze ziel een hunkerend verlangen, een dringend roepen, een vurig zuchten, een oprechte begeerte ligt jegens Hem, Die de opstanding is, dan zal ons gebed opklimmen in Zijn medelijdend, medegevoelend oor, en daar Hij de opstanding is, zal Hij onze dodige en kwijnende ziel wederom tot leven en gevoel verwekken.

Wij hebben geen andere levensbron. Wanneer wij in alle opzichten en waarlijk dood zouden zijn, dan zouden wij altijd dood blijven, tenzij Hij de opstanding zou zijn. Maar, omdat Hij de opstanding is, kan Hij ons weer bezielen, weer opwekken, doen herleven en hernieuwen, door nieuw leven en gevoel in ons hart uit te storten. Het zal ons genade zijn het immer van Hem te verwachten, op Hem te steunen, in Hem te geloven, op Hem te vertrouwen, en Hem niet met rust te laten, tot Hij telkens weer verschijnt tot blijdschap en verheuging van ons hart. Ik geloof volkomen, dat er zeer veel, wellicht mag ik eraan toevoegen, de grote meerderheid van het volk van God, erg veel van deze dodigheid, welke ik beschreven heb, gevoelen: en misschien, hoewel het vreemd moge toeschijnen zo te spreken, gevoelen degenen, die het levendigst zijn, deze dodigheid het meest.

Zouden wij volkomen dood zijn, dan zouden wij in het geheel geen bewust gevoel hebben van onze dood, maar wij zouden zijn gelijk degenen, beschreven door Heman: ’’afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uwe hand.” (Ps. 88:6). Zouden wij half of driekwart dood zijn, dan zouden wij dit gevoelen, juist in verhouding tot de mate van ons leven boven onze dood. Het is in geestelijke zaken bijna als in natuurlijke: des te meer iemand wordt verlamd, des te minder gevoel hij bezit. Aldus, hoewel het een schijnbare tegenstrijdigheid toeschijnt, hoe meer leven u bezit, des te meer gevoelt u uw dood. Hoe lichtvaardig en beuzelachtig, gerust en onbekommerd zijn de meeste belijders. Waarom? Omdat zij geen leven bezitten om hun dood te gevoelen.

Het is dus goed, dat wij onze dood zouden gevoelen, want dit toont ons niet alleen op een klaarder en gevoeliger wijze onze ellendige staat en toestand van nature, maar door ons van alle hulp en hoop in het eigen ik uit te drijven, doet het ons op een dierbaarder wijze het leven, dat in Christus is, hoogschatten. Hoe gepast, troostvol, hoe nederbuigend tot het alleruiterste van onze zaak, zijn de woorden “die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.” Wanneer wij ook het verband opmerken en beseffen, van iedere genade-opwekking met de opstanding van Christus, wat doet het die opwekkingen, die bezoeken, welke onze geest levendig houden, dan zeker en vast zijn. Dit deed Paulus, op zulk een vurige wijze, verlangen de kracht van Christus’ opstanding te kennen. (Filipp. 3:10). Het was niet het blote leerstuk of het loutere feit van Zijn opstanding, dat hij verlangde te kennen, maar de kracht ervan, zoals geopenbaard en verklaard in zijn eigen hart. Maar het is door in Hem te geloven, dat wij deze gezegende opwekkingen ontvangen – niet door op onszelf te zien, maar op Hem, Die de opstanding is en het leven.

2. Maar thans kom ik tot het andere gezegende gevolg, dat, evenals het laatstgenoemde, verbonden is aan de gezegende verklaring, welke uit de mond des Heeren kwam: “Ik ben de opstanding en het leven.” Het lijkt er bijna op, alsof de Heere Zijn volk in twee klassen indeelde. Ze zijn beiden gelovigen, want u zult vaststellen, dat van elk hetzelfde gesproken wordt. “Die in Mij gelooft”, en “Een iegelijk, die in Mij gelooft.” Zij zijn dan ook beiden hetzelfde geloof deelachtig, want er is maar één geloof: en nochtans spreekt onze Heere van één klasse als dood en van de andere klasse als levende. Hoe moet deze schijnbare tegenstrijdigheid worden verklaard? Ik zal trachten u dit aan te tonen. De doden heb ik u beschreven als degenen, die niet dood zijn in de zonde, noch dood in een belijdenis, maar dood in het gevoelen. De levenden moeten wij dus op gelijke wijze verklaren: “Die leeft” is iemand, bij wie het leven Gods warm in zijn ziel is: iemand, die iets kent van de levende bevinding van geloof, hoop en liefde: iemand, die door de kracht Gods uit de duisternis en de dood kan opstaan en dat ook doet: en die iets kent van de levende vereniging en levende gemeenschap met een levende Heere: iemand in wiens hart het Koninkrijk Gods met Goddelijke kracht is opgericht: iemand, die gerechtigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest bezit: in wiens hart de heilige duive Zich genesteld heeft: over wiens ziel Hij Zijn genade-krachten uitstort: wien Hij opwekt, zoals de arend zijn nest opwekt, en wien Hij doet leven, en ook verlevendigt.

U zult dit treffende onderscheid onder het huisgezin Gods opmerken. Sommigen zijn er, die nauwelijks het leven Gods in hun ziel lijken te bezitten, of liever gezegd, die dit nauwelijks schijnen te eigenen. U zult ze bijna altijd klagende vinden over een lichaam der zonde en des doods: altijd vol twijfel en vreze, altijd bitterlijk wenende over zichzelf, en treurende en zuchtende onder de zware lasten, voortdurende beproevingen, en doorlopende bezoekingen. Het is waar, nu en dan verkrijgen zij een weinig verademing, wat verlichting van hun lasten, tekenen ten goede, hulp uit het heiligdom, bemoedigende beloften en gezegende schijnsels van licht en leven over hun pad. Doch merendeels is het hun, bijna dagelijkse, bevinding hun eigen dodigheid te gevoelen en te bewenen. Welnu, voor dezulken is de opstanding van Christus op een gezegende wijze gepast. Hij, Die de opstanding is, sluit hen in Zijn liefderijke omhelzing, hoewel zij Zijn ondersteunende armen nauwelijks kunnen gewaar worden. Maar wie bewaart hen voor een volslagen vallen, of wie verlevendigt er, van tijd tot tijd hun kwijnende hoop? Niemand, dan Hij, Die de opstanding is. De gezegende Heere, Die Zijn kudde weidt, gelijk een Herder, Die deze lammeren in Zijn armen vergadert, en in Zijn schoot draagt, en Die de zogenden zachtjes leidt.

Maar er zijn weer anderen van het huisgezin Gods, een kleine minderheid wellicht, die meer begenadigd, meer gezegend zijn, wier ziel levendiger en warmer wordt gehouden in de dingen Gods. In mijn tijd heb ik enkelen hiervan gekend, ofschoon maar enkelen, want wij leven in een duistere, donkere tijd, waarin het veel schijnt te ontbreken aan de Geest des Heeren, en waarin Hij Zich niet verwaardigt Zijn genade-vertroostingen te geven. Maar dit zijn de profijtelijkste christenen, waarmede wij omgang kunnen hebben: want soms schijnen zij ons te verwarmen door de invloed van hun eigen warmte, worden zij gebruikt als een middel, om onze sluimerende genaden op te wekken, of om ons in onze consciëntie te vermanen, vanwege onze koudheid en dorheid. Aldus verkrijgen wij het goede uit hun gezelschap, en ervaren wij hun gezelschap tot versterking en tot profijt. Ook hun gebeden, hetzij in het openbaar, of in het verborgene, zijn tot een zegen voor de Kerke Gods: en indien zij predikant zijn, dan kunnen zij, daar ze leven en kracht in hun ziel bezitten, met meer zalving en reuk tot het hart van het huisgezin Gods spreken, dan hun broederen, die meer terneergedrukt worden door een lichaam der zonde en des doods.

Niet, dat de Heere geen gebruik maakt van beiden – Zijn beproefde en verzochte dienstknechten om Zijn beproefde en verzochte volk te weiden, en degenen, die meer in de vrijheid wandelen om dat deel van het huisgezin te weiden, dat op gelijke wijze begenadigd en gezegend is. En nochtans zijn zij even afhankelijk van de Heere des Levens als de anderen. Zij moeten geloven in dezelfde Heere en doen dat ook, zij moeten steunen op hetzelfde verzoenende bloed, schuiling zoeken onder dezelfde rechtvaardigende gerechtigheid, vertrouwen op dezelfde getrouwheid en dezelfde gezegende Verlosser aankleven, als hun minder begenadigde broederen. Maar voor hen is Hij op een bijzondere wijze ”het Leven”, zoals Hij voor de anderen ”de Opstanding” is. Zittende in de heerlijkheid Zijner opstanding aan de rechterhand des Vaders, is het leven in zijn volheid in Hem begrepen: en zoals zij dit gevoelen en eigenen, haalt dit hen uit tot een zoete gemeenschap met Hem. De Heere Jezus is in de eerste plaats de Opstanding en dan het Leven, want noodzakelijkerwijs stond Hij op van de doden, alvorens Hij ten hemel opvoer. Het heeft elk zijn bijzondere kracht en verdienste. Krachtens Zijn opstanding wekt Hij de doden op, krachtens Zijn leven onderhoudt Hij het leven, dat Hij schenkt. Aldus hebben wij, als die dood zijn, zowel Zijn opstanding nodig, als dat we deze eigenen: als die leven gevoelen en eigenen we Zijn leven. Maar het is door op Hem te vertrouwen, en op Hem te zien, door Zijn Persoon en werk te beschouwen, door tot Hem uit te gaan in vurige zuchtingen en verlangens, en door uit Zijn volheid te ontvangen, dat wij eigenen, dat Hij het leven is, en dat wij uit Hem het leven trekken in onze behoeftige en ledige ziel.

Als dan degenen, die leven, aldus in Hem geloven, staat Hij hen bezoeken toe met Zijn tegenwoordigheid en genade: heeft Hij gemeenschap met hen vanaf de troon der genade: houdt Hij hun ziel teder in de vreze Gods: zondert Hij hen in persoon, hart en genegenheid af van een goddeloze wereld: doet Hij hen geestelijk-gezind zijn, hetwelk het leven en de vrede is: en brengt hen dicht aan Zijn boezem, alwaar zij voedsel en schuiling vinden. En nochtans is dit hetzelfde levende geloof, ofschoon krachtiger, dat wij werkzaam hebben gezien in degenen, die treurende zijn over hun dodigheid: en daar dit krachtiger is, is het blootgesteld aan scherpere beproevingen, is het geballast door de druk van zwaardere bezoekingen, heeft het een zwaarder dagelijks kruis te dragen, en moet dit harder strijden tegen de wereld, het vlees en de duivel. Dit moge vreemd toeschijnen: maar was het niet de bevinding van Paulus: ’’droevig te zijn, doch altijd blijde”? Aldus is het met dezulken. Niemand is meer gedrukt, niemand meer gezegend, niemand meer bezocht, niemand meer begenadigd, niemand heeft zwaardere gevechten te strijden, niemand behaalt grotere overwinningen. Op deze wijze worden juist hun bezoekingen gebruikt, als prikkels om hen voort te drijven.

Hun kruizen, ofschoon zwaar om te dragen, worden als middel gebruikt om hen voortgang te doen maken, zij het ook langzamer, doch zekerder: en diezelfde omstandigheden, welke hen op het allerdiepst beproeven, blijken uiteindelijk hun rijkste genade-weldaden te zijn. Neem aldus het ganse huisgezin Gods, of ze nu tot de klasse behoren, die ik in de eerste plaats heb beschreven, dood naar de Wet, dood in het gevoel, zoals Berridge zegt: ”in zichzelven veroordeeld, en verfoeid”, nauwelijks in staat het leven Gods in hun eigen ziel te bespeuren, en vaak erg diep weggezonken in een sombere vreze, dan nog zijn ze gelovigen in de Zone Gods: want Hij, Die de opstanding is, kan in hun hart enig levend geloof in Zichzelf opwekken, hetgeen Hij ook doet. En nochtans slepen zij zich merendeels moeizaam voort, vanwege deze dodigheid van geest en verkoeling der liefde. Maar de andere klasse, weliswaar geringer in aantal, evenwel toch hetzelfde geloof deelachtig, en vertrouwende op dezelfde Heere, geniet meer van Zijn geopenbaarde tegenwoordigheid en liefde.

Welnu, merk op de beide beloften, welke aan elk worden gedaan. Van de eerstgenoemden wordt gezegd, dat ”hij zal leven”; van de anderen, dat ”hij in der eeuwigheid niet zal sterven”. Wat zijn deze beloften op zichzelf toch dierbaar. Hoeveel dierbaarder is, of behoorde de Heere Zelf te zijn, Die deze beloften deed en ze gaf, en Die er Zelf de ganse inhoud van is. Voor u en voor mezelf zou ik kunnen wensen de vervulling ervan te verkrijgen in onze dagelijkse bevinding: dat wij de vaste grondslag, waarop deze rusten, mochten leren kennen, en dat ze, als gesproken door de mond van Christus, geest en leven zijn voor onze ziel. Wij zullen nimmer het geringste profijt trekken door op onszelf te vertrouwen: want al hetgeen wij zijn en hebben is zonde, duisternis en de dood. Wij moeten een blik buiten onszelf werpen, uit ons eigen ik uitgaan, buiten ons eigen ik leven om de opstanding en het leven in de opgestane Zone Gods te vinden.

Doch wij mogen onze gedachten nog wat verder uitstrekken. De belofte heeft een uitzicht op de toekomst, evenals op het tegenwoordige: deze heeft een letterlijke, alsook een geestelijke betekenis. Eén deel ervan omvat degenen, die zijn voorgegaan, en die thans ontslapen in hun graven liggen. Daar Christus de Opstanding is, zullen dezen, ofschoon ze dood zijn, wederom leven, wanneer Hij komen zal om hun slapend stof te voorschijn te roepen: want zij zullen Zijn stem horen en beantwoorden. Zoals Job spreekt: ”Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.” (Job 14:15). En zo spreekt Paulus: ’’Ziet, ik zeg u een verborgenheid, wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden. In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin: want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.” (1 Kor. 15:51, 52). Het tweede deel van de belofte, waar de Heere verklaart, dat ”een iegelijk die leeft, en in Hem gelooft, niet zal sterven in der eeuwigheid”, schijnt betrekking te hebben op die verandering, welke zich zal voltrekken aan de levende gelovigen, wanneer Christus verschijnt: want dezen zullen niet sterven, maar veranderd worden in een punt des tijds, omdat ”het sterfelijke van het leven verslonden wordt”, (2 Kor. 5:4), en zij zullen tesamen met de opgestane doden worden opgenomen in de wolken: de Heere tegemoet in de lucht. (1 Thess. 4:17). O, dat wij zouden kunnen leven in de dagelijkse bevinding en in de gezegende genieting van deze Goddelijke wezenlijkheden. Wat zouden deze een uitwerking hebben op onze dagelijkse wandel en op ons dagelijks leven.

III. Maar thans kom ik tot ons laatste punt, hetwelk de gezegende indringende vraag is, welke de Heere deed tot het geloof van Martha. En ik zou de woorden van onze gezegende Heere willen gebruiken, alsof deze persoonlijk tot mijn en uw consciëntie werden gesproken: ’’Gelooft gij dat?”

Kunt u dus door een levend geloof bezegelen, dat deze dingen waar zijn, want dit was de betekenis en strekking van des Heeren aanspraak tot Martha? En u zult opmerken, dat Zijn vraag Zijn verklaring in haar geheel omvat: ’’Gelooft gij, dat Ik de opstanding ben? Gelooft gij, dat Ik het leven ben? Gelooft gij, dat die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven? Gelooft gij, dat een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, niet zal sterven in der eeuwigheid?” Hoe rechtstreeks is de vraag! Hoe doordringend is het onderzoek! Wat schijnt het, alsof het oog des Heeren in haar onsterfelijke ziel blikte. En diezelfde ogen, welke zijn ”als een vlamme vuurs”, lezen ook nu de gedachten van ons hart. Wanneer u dus het leven Gods in uw boezem hebt, wanneer u tot degenen behoort, die in Christus geloven, in welke van deze beide klassen plaatst u zich dan? Hoe zal ik mijn hand op u leggen, opdat ik deze juist moge besturen? Efraïm en Manasse stonden voor Jakob, elk om een zegen te ontvangen. God bestuurde zijn handen goed, hoewel zijn ogen niet konden zien. Ik kan uw harten niet gadeslaan. God besture mijn handen juist, opdat er tot een ieder een gepaste zegen moge komen, als ik mijn hand op u leg!

1. In de eerste plaats wil ik degenen nemen, die veel van de staat des doods en der duisternis, waarin de zonde hen gebracht heeft, voelen en die merendeels slechts in geringe mate in staat zijn hieruit op te staan. En ik zou tot u willen zeggen: ’’Gelooft gij dat?” Gelooft gij, dat hoewel gij veroordeeld wordt door de Wet, door de consciëntie, door de gevoelens van uw eigen ziel, veel besloten zijnde onder de duisternis en de dood, er in u enig levend geloof is in de Zone Gods? Gelooft gij, dat Jezus is de Opstanding? Welk getuigenis heeft u, dat Hij dat is? Heeft Hij uw ziel levend gemaakt? Heeft Hij u overtuigd van uw zonden en u er berouw over geschonken? Heeft Hij u uit de wereld geleid? Heeft Hij u uit de duisternis tot het licht gebracht, en uit de macht van satan tot God? Heeft Hij u van de doden opgewekt – uit die dood in de zonde, of uit die dood in de belijdenis, waarin gij eenmaal voortging? Voelt ge ooit enige bewegingen van Goddelijk leven in uw ziel, zoals zuchten, roepen, kermen, hongeren, dorsten, hunkeren, hijgen en treuren? Hebt ge enige Geest des gebeds in uw boezem? Enige ernst, oprechtheid, zelfverfoeiing? Heeft u enig diepgaand berouw, verbrokenheid, ootmoed, tederheid van geest en teerheid van consciëntie?

Hebt ge enige Goddelijke vreze in uw boezem bij het kopen en verkopen, in uw dagelijkse wandel, in uw gezinnen, in uw bezigheid, in de verschillende zaken en gangen van uw dagelijks leven? Bevindt u in u een fontein des levens, om te wijken van de strikken des doods, en enige kracht of sterkte, medegedeeld om tegen uw verdorvenheden te strijden en deze te overwinnen? Heeft Jezus Zich te eniger tijd of enigermate aan uw ziel geopenbaard, als een gepaste Zaligmaker? Ik zeg gepast, want dat is soms het eerste gezicht, dat wij van Hem ontvangen. Heeft Hij, tot op zekere hoogte, een geloof in Zichzelf als zodanig uitgehaald, en heeft u in de kracht en bevinding van dat geloof, Hem als de Zone Gods aangenomen en omhelsd? Gelooft gij, dat Hij is de Opstanding? Waarom gelooft u dat, en dat Jezus is opgestaan van de doden? Welk getuigenis hebt u van dat voorname leerstuk van ons allerheiligst geloof, die levende, heerlijke waarheid, die in het Woord schittert, zoals de zon aan het firmament, om het ganse geopenbaarde Woord met Zijn gezegende en heerlijke schijnsels te verlichten? Is dit uw getuigenis, dat u Hem als zodanig hebt gezien door het oog des geloofs, en dat er leven door in uw ziel stroomde? Dan bezit u een waar, bevindelijk getuigenis, ofschoon wellicht niet een erg zeker getuigenis in uw eigen gevoelen, dat Hij u tot Goddelijk leven heeft verwekt: dat Hij u met Zichzelf heeft opgewekt, toen Hij van de doden opstond, en dat u een lid van Zijn verborgen lichaam bent.

Houd in gedachten, dat deze dingen alleen kunnen worden aangenomen en toegeëigend door het geloof. Uw geloof moge klein en nochtans op een gezegende wijze echt zijn. ’’Maar”, zegt u, ”de Wet veroordeelt me, mijn consciëntie beschuldigt me, mijn zonden zijn me tot een zware last, waaronder ik bij ogenblikken bijna op het punt schijn te bezwijken, en ik gevoel zulk een volkomen onbekwaamheid om mezelf enige verademing te schenken: zulk een algehele hulpeloosheid en ellendige machteloosheid, om mezelf uit mijn toestand te verlossen, dat het erop lijkt, of ik in mijn zonden zal sterven. O dat de vergeving mijn boezem mocht bereiken.” Maar is er geen hunkerend uitzien naar de opgestane Zone Gods, geen vurig roepen, of Hij Zichzelf zou willen openbaren en een woord in uw ziel zou willen doen neerdalen? Is er geen zuchten in uw hart tot Jezus, of Hij niet op een gezegende wijze over de heuvelen en bergen van uw zonde en schande zou willen komen en binnen in u zou willen opgaan met enige stralen hemels licht?

Hebt u Hem nooit gepast gezien voor uw toestand? Hebt u Zijn Persoon nimmer aanschouwd, door het oog des geloofs, als de grote en heerlijke Godmens? Hebt u nooit de krachtdadigheid van Zijn verzoenend bloed, de schoonheid en zaligheid van Zijn rechtvaardigende gerechtigheid aanschouwd, en hebt u nimmer enige woorden van genade uit Zijn mond gehoord? Is Zijn heilig Woord nooit in uw hart verklaard, zodat u licht hebt gezien in Gods licht, en dat u geloofde, hetgeen u las vanwege de heilige indrukwekkende kracht, welke ermede gepaard ging aan uw ziel? Werd u nooit gezegend onder het gepredikte Woord, en hebt u nooit ervaren, dat geloof werd verwekt om aan te nemen en te geloven, hetgeen met aangenaamheid in uw oor en hart werd gebracht? Dit was geloof: want ”het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods”. Dus ofschoon u zich dodig gevoelt, als gedood door het vonnis der Wet en het oordeel van uw eigen consciëntie, wanneer u evenwel enig levend geloof in de Zone Gods, als de Opstanding ervaart, dan zult u leven. De Heere heeft het verklaard en Zijn Woord ”gij zult leven” zal blijven bestaan, ook al staat de wereld in brand.

Gij zult hier leven door een leven des geloofs in de zoon van God. Uw kleine geloof zal aanwassen, uw hoop zal verruimd worden, en uw geringe liefde, welke thans, vanwege het wier, bijna onopgemerkt blijft als een klein nietig beekje, zal overgaan in een stroom, en voordat u op een sterfbed komt te liggen, of wellicht daarop liggend, zal uw vrede stromen als een rivier. Het is moeilijk dit te geloven, want wij zien zozeer op ons eigen ik en verliezen aldus de vrijheid en volheid der soevereine, overvloeiende genade uit het oog. Maar weeg deze dingen op in de schaal van het Heiligdom, en in het bijzonder door het woord des Heeren in onze tekst. Vindt u in uw eigen boezem niet deze beide zaken – dood en leven? Uw eigen dood als een veroordeeld zondaar, en uw leven, dat met Christus is verborgen in God. Dus, door deze dood en door dit leven hebt u een geopenbaard aandeel aan de belofte: ”Die zal leven, al ware hij ook gestorven.”

2. Maar nu zal ik de andere persoon beschouwen, van wien de Heere zegt: ”Een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.” En mag ik ook tot u niet zeggen: ’’Gelooft gij dat?” ”Ja,” antwoordt u, ”dat geloof ik, want ik gevoel de zoete verzekering en het gezegende onderpand ervan in mijn ziel. Ik weet, dat Jezus is het leven, omdat ik leef in Hem, en omdat Hij mijn leven door dagelijkse vervulling onderhoudt. Soms ontvang ik een zoet deel uit Zijn Woord om mijn hart te troosten: soms een aanraking van Zijn tedere hand om mijn ziel te doen smelten: soms een toelaching van Zijn liefhebbend aangezicht om mijn gemoed te verruimen: soms een woord uit Zijn gezegende mond om mijn verstand te onderrichten, en bij deze dingen leef ik.”

”Ik bevind,” zo zegt u, ”dat deze dingen me afscheiden van de wereld, me veel in het eenzame doen leven, me leren mijn Bijbel te waarderen, me vaak tot nauwe onderhandelingen met God brengen, een Geest des gebeds begunstigen in mijn boezem, en me doen gevoelen, dat er een zaligheid in de dingen Gods is, welke niemand anders kan geven. Maar ik heb mijn veranderingen, en wel erg menigvuldig, want ik kan geen enkel warm of teder gevoelen levendig houden. ”Ook, indien twee tezamen liggen, zo hebben zij warmte, maar hoe zou één alleen warm worden?” (Pred. 4:11). Wanneer ik alleen gelaten word, dan word ik spoedig koud, en wanneer de Heere Zijn gezegende werkingen in mijn hart onderbreekt, zink ik weg in vleselijkheid en dodigheid. Zodat ik geloof, dat Hij ”het leven” is: want ik ben er zeker van, dat ik niets in mijzelf bezit, en dat het alleen is, omdat Hij leeft, dat ik ook zal leven.” Dan kunt u bezegelen, dat Jezus woorden van genade en waarheid sprak, toen Hij zei: ”Ik ben de opstanding en het leven.” Uw geloof, geliefde vrienden, zal Hem altijd omhelzen in deze beide eigenschappen, soms dood en Hem omvattende als de opstanding: soms levend en Hem omhelzende als het leven. Maar, hetzij Hij de opstanding is, om onze dodige en kwijnende ziel op te wekken, hetzij Hij het leven is, om in onze boezem het leven te onderhouden, dat Hij geschonken heeft, wij komen op dit ene punt, dat het enige leven, dat wij de naam waardig kunnen leven, of dat gepaard gaat met enige vruchtbaarheid in enig goed woord of in enig goed werk, is door een leven des geloofs in de Zoon van God.

 

En houd in gedachten, dat het leven van Christus, in het binnenste, getuigenis moet ontvangen door een overeenkomstig leven naar buiten. Waar dan ook het geloof is, daar moeten de vruchten des geloofs zijn, en deze zullen tot openbaring komen in een Godvruchtig leven: in de verrichting van alle goed werk, waartoe wij geroepen zijn door onze plaats of betrekking, teneinde openbaar te maken, dat ons geloof niet een dood, maar een levend beginsel is, en dat wij hierdoor God verheerlijken naar lichaam en ziel, welke beide Hem toebehoren.

Ik zal er niet meer aan toevoegen. Ik heb overeenkomstig mijn bekwaamheid de weg, waarop de Heere merendeels Zijn geliefde huisgezin leidt voor u neergelegd: en wanneer u enig duidelijk kenmerk of gezegend getuigenis van de genade Gods, welke in uw boezem is, kunt vinden, dank God dan en grijp moed. Jezus leeft aan de rechterhand des Vaders: Hij leeft om te behouden, Hij leeft om te zegenen, Hij leeft om u meer dan overwinnaars te doen zijn, door Zijn eigen bloed, en liefde en genade. Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.