Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De machtige Waker en Zijn tweeledig werk

En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen: alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE. Jeremia 31:28

De ware godsdienst – de levende godzaligheid (voor mij hebben de woorden dezelfde betekenis) bezit twee zijden. En door dit kenmerk onderscheidt deze zich van alle aanmatiging, zonder het werkelijke bezit ervan. Wanneer we, bijvoorbeeld, een blik werpen op de belijdenis van sommigen, dan is het met alles de lichtzijde ervan. Vaste, onwrikbare verzekerdheid, een gedurig triomferen in Christus, en een volkomen overwinning over de twijfel, vrees, de zonde en satan is het voornaamste van hun godsdienst. En zij zouden u gaarne doen geloven, dat ze werkelijk en bevindelijk voor God zijn, hetgeen ze voor de mensen belijden te zijn. Maar wanneer wij ertoe komen van nabij en met een waakzaam oog de vruchten gade te slaan: in- en uitwendig, welke uit deze schitterende belijdenis voortkomen, wat beantwoorden deze dan weinig aan de belijdenis zelf!

Trots, gierigheid, wereldsgezindheid, lichtzinnigheid, beuzelachtigheid, een harde twistzieke geest, oneerbiedigheid in Goddelijke zaken, bittere en minachtende gesprekken tegen het beproefde en verzochte huisgezin Gods, vermengd met zaken, die het vermelden niet waard zijn, en in vele gevallen liefde tot straf drinken, een zich onbekommerd in de schuld steken, en in het algemeen een losse wandel. Wat zijn deze donkere merktekenen vaak gestempeld op deze schitterende belijdenis van ’’altijd te triomferen in Christus”. Doch aan de andere kant kunnen wij een blik werpen op anderen, die altijd aan de donkere zijde verkeren: die nooit schijnen uit te komen boven een kennis van de boosheden van hun hart, en de kracht der verzoeking: die voortdurend tot openlijke zonden vervallen, en die niets schijnen te kennen van het geloof in Christus, van de hoop op Zijn genade, van de liefde tot Zijn Naam, die noch enige verlossing kennen van tijd tot tijd door de hand Gods, van de lusten, waartoe men gemakkelijk vervalt, die voorts noch iets kennen van het zuchten, roepen, kermen, van het stille treuren, van de droefheid naar God, of van de zelf-verfoeiing vanwege hun walgelijkheid en laaghartigheid.

Het voornaamste van hun godsdienst, evenals de schering en inslag in het weefsel van hun gesprekken, is de gevallen staat van de mens van nature, en zijn hulpeloosheid en zwakheid, en evenwel schijnt dit meer in woorden te worden uitgedrukt, dan dat het ondervonden wordt, daar de zonde hen nooit tot smart en nooit tot een last blijkt te zijn. Dus van deze twee onderscheidingen in de godsdienstige wereld is het bij de ene één en al kwaal, bij de andere één en al geneesmiddel. Beide onderscheidingen houden op leerstellige wijze de waarheid vast, maar een ieder slechts een deel van de waarheid: en het werk des Geestes in het hart lijkt voor beide onderscheidingen evenzeer een onbekende zaak te zijn. Van deze twee uitersten is de ware godsdienst, de levende godzaligheid onderscheiden, doordat deze twee zijden heeft, en deze zijn zo innig en nauw aan elkaar verbonden, als het tapgat en de tap. Het is niet alles licht, het is niet alles duisternis. Het is niet alles geloof, het is niet alles ongeloof. Het is niet alles blijdschap, het is niet alles droefheid. Het is niet alles leven en heiligheid, het is niet alles dood en duivel. En ik geloof, wanneer God ons in staat stelt, de mening des Geestes op te merken in de woorden onzer verhandeling, dat wij dan iets van deze twee zijden in onze tekst zullen ontdekken, en dan zal dit geen hersenschim, geen verdichtsel van mijn of van iemand anders’ verbeelding, geen sluw in de plaats stellen van bloot natuurlijke gevoelens en zenuwachtige indrukken voor het werk des Heiligen Geestes in het hart bevonden worden, kortom, het zal niet bevonden worden ”een kunstiglijk verdichte fabel”, maar een geestelijke wezenlijkheid, en wel een wezenlijkheid, waarop God Zelf met Zijn eigen Goddelijk getuigenis een stempel heeft gezet. Wij kunnen dus in de woorden onzer verhandeling twee zaken opmerken.

In de eerste plaats: het waken van God om af te breken en in de tweede plaats het waken van God om op te bouwen. En deze twee zaken, welke overeenstemmen met de twee delen van onze tekst, zal ik, als de Heere kracht, wijsheid en opening moge geven, trachten hedenavond voor u te verklaren.

I. En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen.

Iedere uitdrukking hier vraagt een apart onderzoek. Aan Gods Woord kan niet op lichtvaardige wijze worden voorbijgegaan. Iedere door de Heilige Geest ingegeven lettergreep is vol onderwijs. En wanneer wij niet diep kunnen graven in deze mijn der geestelijke en bevindelijke waarheid, dan ligt de schuld niet in de mijn, maar bij de mijnwerker. De geestelijke ertsader is diep en onuitputtelijk. Inderdaad kan het zijn, dat wij niet de wijsheid of de bevinding bezitten, om tot onder het oppervlak door te dringen, maar laten wij niet klagen over de magerheid van de ader, wanneer wij liever moesten klagen over onze onkunde hoe de schat te bereiken, welke beneden ligt.

1. ”En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb.” Ligt er niet iets zeer nadrukkelijks in dit woord? De Heere ’’wakende” over Zijn volk, om een zeker werk tot stand te brengen, dat tevoren bepaald is in Zijn eigen gedachten van eeuwigheid? Naar mijn mening bevat het woord veel, dat ons nauwste onderzoek en onze uiterste opmerkzaamheid waard is. Onderscheidene zaken kunnen uit het woord worden afgeleid.

A. Het alziend oog en de alles-vervullende hand Gods. Laat Hij hier iets aan het schepsel over om te vervullen? Wordt er één jota van het werk in handen van de mens gelegd? Neen, God eist het voor Zichzelf op, als Zijn eigen onaantastbare voorrecht, om tot een bijzonder doeleinde over Zijn Sion te waken.

B. Merk ook op, dat er een zekere bezorgdheid verbonden is met het geestelijke waken van God over Zijn volk, om in hen de verborgen voornemens van Zijn Welbehagen tot stand te brengen. De liefhebbende moeder waakt over de wieg van haar kind. Aldus zegt de Heere, een uitzondering vragende op een vergelijking bij de tederste moeder, die ooit leefde: ”Kan ook een vrouw hare zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten!” (Jes. 49:15).

Aldus, zoals de liefhebbende moeder waakt over haar slapend kind, totdat dit ontwaakt, waakt de Heere op een liefdevolle wijze over Zijn Sion, totdat Zijn sluimerende voornemens te harer behoeve ontwaken.

C. Maar het woord ’’waken” wijst ook op een vastgestelde tijd in Gods eigen boezem, waarop een zeker voorbestemd werk moet worden tot stand gebracht. Hij is wakende (indien ik het woord met alle eerbied mag gebruiken) voor een vervaldatum, welke tevoren bepaald was in Zijn gedachten van eeuwigheid – ”de bestemde tijd om Sion genadig te zijn.”

D. Dit wijst ons er ook op, dat iedere omstandigheid is voorbeschikt – dat er niets bij toeval geschiedt, of uit het stof voortkomt. Dat deze niet de vrucht zijn der menselijke wijsheid, of het produkt van menselijke ijver: maar dat het zo tevoren bepaald is in de gedachten van eeuwigheid, dat het is, alsof God erover heeft ’’gewaakt”, dat iedere omstandigheid zich voordoet, door welke Hij voor heeft Zijn voornemen te volbrengen.

E. Het woord duidt ook aan (want we hebben nog niet alles uit het woord gehaald, dat erin ligt opgesloten): de middelen, de wegen, en de instrumenten, welker gebruik God vóór heeft om Zijn eigen voornemens uit te voeren.

F. En om niet teveel uit het woord te halen, wijst het ook hierop, dat God nooit zal ophouden te waken, totdat Zijn werk volkomen is volbracht.

Houd, of tracht deze zaken in uw gedachten te houden, terwijl ik met de hulpe en kracht des Heeren poog te verklaren, wat Hij wakende is te doen.

”En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen, alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.”

Wat is er hier sprake van een herhaling van woorden met klaarblijkelijk bijna dezelfde betekenis, alles wijzende op één werk! Maar durft er iemand zeggen, een onnodige herhaling? Durft er iemand God te beschuldigen van hetgeen Hij in ons verbiedt, van te geloven gehoord te worden vanwege het vele spreken? Heeft God ons verboden tot Hem te spreken in ”een ijdel verhaal van woorden”: en zal Hij dan een ijdel verhaal van woorden gebruiken, wanneer Hij tot ons spreekt? Wij mogen weliswaar niet in staat zijn hier in te gaan op de volle inhoud van ieder woord: evenwel hebben deze verschillende woorden ongetwijfeld, elk hun aparte en onderscheiden betekenis. Als God ons ertoe in staat moge stellen, laten wij dan proberen uit elk ervan wat geestelijks en bevindelijks te voorschijn te brengen. Ik gevoel mijn onwetendheid en onbekwaamheid. De Heere onderwijze me en stelle me in staat Zijn eigen gezegende mening uit de tekst te verklaren.

2. De eerste zaak, waarover de Heere ’’waakt” deze te doen is “uit te rukken”. Wat is de betekenis, welke in die uitdrukking ligt opgesloten? Verplaats uw gedachten naar een akker, overdekt met schadelijk onkruid, bezaaid met doornen, distelen, en doornstruiken – is het uitrukken daar niet een noodzakelijk werk? Werp een blik in uw eigen boezem: aanschouw die akker van nature! Stelt een akker, overdekt met doornen, distelen, onkruid, en doornstruiken niet enigermate voor hetgeen uw hart van nature is? Eenmaal was het de hof des Heeren, een lachend Eden: maar de zonde deed haar intrede, en door het intreden van de zonde, zijn deze doornen en distelen opgekomen. Moeten deze niet worden uitgerukt? ”Gij zijt Gods akkerwerk.” (1 Kor. 3:9). ’’Mijn Vader is de Landman.” (Joh. 15:1). God houdt hier de naam, de aanspraak, en het voorrecht om de bodem, de dorre bodem van het hart des mensen te bewerken, aan Zichzelf. Zijn eerste werk is het onkruid, dat Hij daar vindt ”uit te rukken”. Zegt de Heere Zelf niet, “alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.” (Matth. 15:13). En is dit niet waar van de uitverkorenen in inwendige, evenals van de goddelozen in uitwendige zin? Eén van de eerste onkruiden, welke de Goddelijke Landman uitrukt is: onze eigen gerechtigheid!

O, dat onkruid! Wat is het aardoppervlak zwaar begroeid hiermede! Soms, als wij door het land reizen, dan zien wij gehele akkers, overdekt met onkruid. Sommige in gloed staande van de scharlaken papaver, anderen geel van de bloesems der herik. Ons oog vertelt ons in een ogenblik, dat de onkruiden, de schadelijke onkruiden moeten worden uitgerukt, alvorens daar goed koren kan groeien. En onze eigengerechtigheid! Is ons hart van nature hiermede niet overdekt, zoals de akker, waarop ik tevoren gezinspeeld heb, in gloed staat van de papaver, of geheel en al geel is van de herik? Het moet dus worden uitgerukt. En zal het uitrukken een erg gemakkelijk en aangenaam werk zijn? Wanneer de Landman Zijn hand eraan legt, om onze eigengerechtigheid met wortel en tak uit te rukken, moet de operatie dan niet met pijn gepaard gaan? Zou de aarde zowel kunnen voelen, als spreken, zou ze dan niet kermen en schreeuwen, terwijl de ploeg haar boezem openscheurde? En als de ploeg van Gods heilige Wet de consciëntie van een schuldige zondaar binnendringt, om het onkruid der natuur onder de grond te ploegen, zal zijn hart dan zijn als de onderste molensteen, en geen pijn voelen van binnen?

Dit kan niet. Dit kan niet zo zijn: de operatie moet gepaard gaan met pijn. En o hoe vele zaken, ware er voldoende tijd om deze hier op te sommen, moeten er worden ’’uitgerukt”. Wat een vooroordelen! Wat een heimelijke liefde tot de zonde! Wat een aankleven van de tijdelijke en zinnelijke dingen! Wat een omhelzen in de armen onzer vleselijke genegenheid van zaken, welke God haat! O hoe overdekt, wat is ons vleselijk gemoed overdekt met al hetgeen hatelijk en afschuwelijk, schadelijk en walgelijk is in het oog der oneindige Reinheid! Maar in de zaak van Zijn Sion ’’waakt” God over haar om ”uit te rukken”. Tijd, omstandigheden, middelen – deze zijn alle in Gods hand. De tijd kan niet worden verhaast: de omstandigheden kunnen niet worden geschapen: oorzaken kunnen niet worden teweeggebracht, behalve als God ’’waakt” over Zijn Sion om de voornemens van Zijn hart teweeg te brengen. Maar even zeker als God voorverordineerd heeft het eigen ik met wortel en tak ”uit te roeien” – zij het het eigengerechtige ik of het ongerechtige ik, het goddeloze ik of het eigen ik van de uiterlijke belijder – de tijd zal komen, de omstandigheden zullen zich voordoen, en oorzaken zullen verschijnen, alles in de hand Gods en Zijn werk doen. Het moge onder een predikatie zijn: het moge zijn door het lezen der bevinding van mannen met genade: het moge in een gesprek zijn met een godvruchtig persoon: het moge zijn op een ziekbed: het moge op een sterfbed zijn! Al deze zaken zijn in Gods hand, want Hij” waakt” over Zijn Sion om een zeker werk te doen: en even zeker als u behoort tot Zijn Sion, zal Hij over u ’’waken” om uw onkruid en doornen ”uit te rukken”, wanneer dat werk nog niet heeft plaatsgehad.

3. ”En af te breken.” Wat is het begrip, vervat in deze uitdrukking? Beschouw een stad, ommuurd zoals Jeruzalem was met torens en hoeken, en bijna onneembaar. Zal die worden afgebroken? Ja dit zal: en niet één steen op de andere gelaten, zal de plaats kenmerken, waar de tempel stond. Is dit in geestelijk opzicht niet waar? Wat een torens, wat een bolwerken, wat een muren zijn er in ons hart! Zoals de steden van de Kanaänieten ’’gesterkt tot in de hemel toe”. Wat een vijandschap tegen de waarheid Gods! Wat een koppigheid! Wat een neiging onze eigen wil en weg te gaan! Wat een verdorvenheid! Wat een gevoel van eigenwaarde! Wat een eigendunk! Wat een misleiding! Wat een bedrog in al zijn vormen! Muren, torens, bolwerken, dit alles opgericht tegen het komen van God in de ziel! En kan de Koning van Sion toegang vinden tot onze boezem, wanneer iedere poort bezet is met kantelen tegen Hem, en wanneer zelfs de muren van ons hart bewapend zijn om Hem te wederstaan? Maar uitkomen moet Hij, overwinnende en opdat Hij overwon. Want het woord tot Hem is van oude tijden: ’’Gord Uw zwaard aan de heup, o Held, Uwe majesteit en Uwe heerlijkheid. En rijd voorspoediglijk in Uwe heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid: en Uwe rechterhand zal U vreselijke dingen leren. Uwe pijlen zijn scherp, volken zullen onder U vallen.” (Ps. 45:4-6).

Aldus gaat de Heere uit, en ’’waakt” over Sion om haar af te breken. En welk een genade is het om te worden afgebroken! Dat onze vooroordelen tegen de waarheid Gods worden afgebroken: dat de vleselijke vijandschap van ons gemoed tegen God in een zekere mate wordt afgebroken: dat de weerspannigheid, de eigenzinnigheid en moedwilligheid van ons hart enigermate wordt afgebroken, dat het ongeloof, de ontrouw en alle inblazingen van onze boze natuur tegen God en tegen de godzaligheid worden afgebroken! De overwinnaars van oude tijden kwamen de stad niet door de poorten binnen, de muren werden afgebroken voor de strijdwagen van de overwinnaar om er binnen te gaan. Aldus met Koning Jezus. De muren van vooroordeel, ongeloof, vleselijke verzekerdheid en vijandschap tegen God, zoals die van Jericho, moeten voor de ark vallen: de borstweringen der eigenzinnigheid, der weerspannigheid en der verkeerdheid moeten alle worden afgebroken, opdat Christus in het hart komen moge en bezit van de ziel nemen moge.

4. ”En te verstoren.” Wat betekent dit begrip? Iets dat verheven is. ”Af te breken,” omvat het lage, zowel als het hoge: het houdt een grote opruiming in van al hetgeen in de weg staat van de Almachtige: maar ”te verstoren” wijst op die verheven bouwwerken, die op een heftige wijze, als door een aardbeving worden ter- nedergeworpen. En is dit in geestelijke en bevindelijke zin niet het geval bij het Sion Gods? O, wat hebben we in het verleden luchtkastelen gebouwd, welke zelfs tot de hemelen reikten! En zijn sommige van deze luchtkastelen niet verstoord? O jeugd, jeugd! Wat een aangename vooruitzichten dansten er in onze jeugd voor onze dromerige ogen! Wat een toekomstig geluk in een ver verschiet der komende jaren! Wat een dagdromen schilderden de veerkrachtige jeugd en de opgewekte levensgeesten ons voor! Helaas dagen, welke nimmer kwamen! En het is onze genade, dat deze nooit gekomen zijn. Onszelf dagen van geluk, voorspoed en vreugde voorstellen en niet één gedachte aan God erin! Keurt de Heere deze luchtkastelen, die aldus gebouwd zijn, goed? Nee. Hoe kan Hij deze goedkeuren? Waren deze, als het Babel van de oude dag, niet opgebouwd, zonder zich om God te bekommeren? Was niet dit de heimelijke taal, welke door elk van deze luchtkastelenbouwers werd uitgedrukt? ”Ik kan gelukkig zijn zonder God: ik kan vermaak vinden, zonder die lieflijkheden, welke in de rechterhand Gods zijn, eeuwiglijk: ik heb de Heere niet nodig om me gelukkig te maken: laat mij maar krijgen, hetgeen mijn vleselijk hart begeert, dat is genoeg.”

Wat een verraad, welk een verraad tegen de Majesteit des hemels! De Heere kan dus, in overeenstemming met Zijn eigen volmaaktheden en voornemens, niet toestaan, dat deze luchtkastelen blijven staan. Hij verstoort ze, maakt deze indrukwekkende bergtoppen met het stof gelijk, en werpt deze neder in een verdiende puinhoop. Maar o, wat is het pijnlijk, wanneer deze luchtkastelen oplossen, als de wolken van een zomeravond! Toen de zon onder de horizon daalde, wat stonden deze toen helder aan de lucht, verguld met zijn afnemende lichtstralen en schijnsels: maar toen de zon onderging, werden ze veranderd in dikke duisternis! En o, wat zijn er vele wolken, opkomende uit de jeugd en uit een opgeruimde levensgeest. En eens, verguld zijnde door de onbewolkte zon van gezondheid en kracht, hebben deze zich opgelost in de ijle lucht, of hebben ze zich ontlast in stormen boven ons hoofd, in plaats van te bewijzen stoffelijke wezenlijkheden te zijn! Om deze te verstoren. En bevindt er zich in ons hart niet hetgeen, waarop ik vanmorgen zinspeelde – een afgod, erger dan Juggernaut? Het eigen ik! Het eigen ik! En moet die afgod blijven, waar God in Christus Zich verwaardigt te wonen, om daar Zijn tempel te maken? Want ”God heeft gezegd: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen: en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn.” (2 Kor. 6 : 16). Zal deze Juggernaut van het eigen ik dan op de plaats blijven: waar God Zelf vóór heeft te wonen? Dit kan niet het geval zijn. Want ’’Christus heeft geen gemeenschap met Belial.” Het moet verstoord worden. Het wereldse eigen ik, het eigengerechtige eigen ik, het eigen ik van de uiterlijke belijder, het goddeloze eigen ik, het vrome eigen ik, dit alles moet tot in het stof worden vernederd, opdat de Heere alleen soeverein moge regeren.

5. ”En te verderven.” Dit woord heeft een sterkere betekenis, dan enig voorafgaand woord. Onkruid ’’uitrukken”, muren ’’afbreken”, kastelen ’’verstoren”, blijft ten achter bij de uitdrukking ’’verderven”. Wellicht kunnen wij de betekenis ervan verklaren door de woorden van de apostel: ”een verandering der bewegelijke dingen.” (Hebr. 12:27). Of door het Goddelijk gebod met betrekking tot de gruwelen van Kanaan, ’’hunne altaren zult gij afwerpen, en hunne opgerichte beelden verbreken, en hunne bossen zult gij afhouwen, en hunne gesnedene beelden met vuur verbranden.” (Deut. 7:5). Van nature is ons hart vol van Kanaanitische afgoden en heidense gruwelen, welke moeten worden verdorven. Begeerten naar kwade zaken, beeldendienst, overspelige begeerten, sterke verlangens naar de zonde, naast boosheden, welke de onbeschaamdheid hebben een godsdienstig kleed te dragen, zoals verheven gedachten van onze eigen bekwaamheid, aangename dromen van schepsels heiligheid, ijdele waan van hetgeen wij menen voor God te doen: een opgeblazen zijn van hoogmoed en vermetelheid, versterkt door en geschilderd in alle bonte kleuren van satanische misleiding – hoe kan worden toegestaan, dat deze gruwelen in het hart des mensen blijven heersen? De altaren en de godsdienstige plechtigheden der Kanaanieten, moesten evenzeer verdorven worden, als hun afgoden. En aldus kunnen wij zeggen van dat godsdienstige, zeer godsdienstige bestaan van de mens, dat zijn valse godsdienst en heidense denkbeelden van God, evenals zijn meer in het oog lopende, hoewel niet minder gevaarlijke lusten en gruwelen moeten worden verdorven. Het vonnis tegen beide luidt: ’’Verdelg hen.” Deze moeten niet, deze kunnen niet blijven bestaan in overeenstemming met de ere van Immanuël, Die in alle dingen de voorrang moet hebben, en Die ”de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste is”. En, o wat is het een genade, als onze vleselijke en godsdienstige gruwelen als verdorven worden: want ik ben er zeker van, dat God en het eigen ik nimmer in hetzelfde hart kunnen heersen, dat Christus en Belial nooit in dezelfde boezem kunnen regeren, elk de oppermacht opeisende.

6. ”En kwaad aan te doen.” En moet dit, waarvoor God over u ’’wakende” is, ook worden gedaan? ”Wat wreed! Wat verschrikkelijk!” fluistert er opeens een stem in het binnenste. Herroep die gedachte: het in onwaardig, dat deze één ogenblik in uw boezem woont. Soms kunnen deze woorden zelfs aan onze mond ontsnappen, maar hieraan ligt zelfbeklag ten grondslag. Roep nog eens een ogenblik in uw gedachten terug, hetgeen ik getracht heb naar voren te brengen, om aan te wijzen wat het woord ’’waken” betekent. Geeft het niet de innigste tederheid, de roerendste zorg, de heiligste liefde te kennen? Ja, dit doet het. Wanneer de Heere dus over Sion ’’waakt” om ’’kwaad aan te doen”, dan geschieden de bezoekingen, welke u thans wellicht moogt doorgaan, niet bij geval: uw hemelse Vader is ’’wakende” over u en brengt deze bezoekingen over u.

Bent u bezocht naar het lichaam, in de omstandigheden, in het huisgezin, naar de geest, of met één van de verschillende ellenden, welke elk hart kent en waaronder elk hart allerbitterst lijdt? O konden wij geloven, dat dit de gifte Gods is? O konden wij geloven, dat de hand Gods in iedere bezoeking, in iedere beproeving, in iedere oefening, in iedere bedeling is, hoe donker, hoe verborgen ook! En niet alleen dat, maar dat Hij ’’wakende” is over de ziel, met de uiterste tederheid, en evenwel met de hoogste wijsheid. De bezoeking moet haar werk niet te buiten gaan: dan zou deze ophouden zulk een bezoeking te zijn, als God teweegbrengt. Hij ’’waakt” over u. Hij ziet, dat de bezoeking, welke u verdraagt, juist de bezoeking is, welke u nodig hebt. Thans zou geen andere bezoeking u passen: deze is juist gepast voor uw toestand en omstandigheden.

Elke andere bezoeking zou op dit ogenblik niet profijtelijk zijn: maar deze bezoeking, welke het dan ook zijn moge, waaronder u thans lijdt, is precies gepast voor uw huidige toestand. God ’’waakt” dus over u, die Zijn Sion zijt ”om kwaad aan te doen”. Het zal niet te lang zijn: het zal niet te diep gaan: het zal niet te zwaar zijn: het zal niet te overstelpend zijn. Waarom? Omdat Hij, Die ”de winden in Zijn vuist houdt”, over Zijn Sion ’’waakt” om ’’kwaad aan te doen”. En kan Hij Zijn Sion te lang bezoeken? Kan Hij haar teveel bezoeken? Kan Hij haar bezoeken (zal ik het woord gebruiken?) met een ongevoelig hart? Hij kan dat niet: want Hij heeft haar lief met een eeuwige liefde. De liefde beweegt Hem haar tot haar best en tot Zijn eigen eer ’’kwaad aan te doen”.

Welnu, hoevelen uwer zijn er aldus onder de hand Gods doorgegaan? Blik eens terug: werp een blik op de leidingen Gods met uw ziel. Laat deze niet onopgemerkt, of verborgen blijven. God geve ons ogen om Zijn leidingen op te merken! En o, kunt u de waarheid van deze woorden niet opmerken, dat God over ieder ’’uitrukken”, ieder ’’afbreken”, ieder ’’verstoren”, ieder ’’verderven”, ieder ’’kwaad aandoen” heeft ’’gewaakt”, tot vernedering van uw hoogmoed, van uw gevoel van eigenwaarde, van uw eigengerechtigheid, van uw eigendunk? Kunnen wij, bij ogenblikken, niet opmerken hoe God ’’gewaakt” heeft, over al hetgeen Hij over ons heeft gebracht? Maar het kan zijn, dat wij het thans niet opmerken. Neen: het ongeloof kan onze ogen kluisteren. Toen de discipelen reizende waren naar Emmaüs, wisten zij niet, dat zij naast hun aanbiddelijke Heere wandelden: evenwel, dat hun ogen ’’gehouden” werden, dat zij Hem niet zagen, was voor Jezus geen beletsel om er te zijn! Toen Maria Magdalena, verbroken van hart, de hovenier zag, zoals ze dacht, kende zij de Persoon van Jezus niet, totdat Hij tot haar sprak: evenwel de onwetendheid wie Hij was, belette Hem niet Jezus te zijn, nóch belette het Hem Deze te zijn voor haar.

De vurige paarden en wagenen omgaven de berg, waar Eliza stond: toch kon de knecht deze niet zien, totdat zijn ogen werden geopend. Maar bracht het openen van zijn ogen de wagenen daar? Deze waren daar alle, blinkend en heerlijk, toen zijn ogen tot duisternis waren verzegeld. Is het aldus niet geestelijkerwijs, en bevindelijkerwijs? De bezoekingen, waaronder u lijdt, hebben een stem in zich: maar u kunt deze niet horen. U kunt de hand Gods niet opmerken in de oefeningen, waaronder u zwoegt. Neen, ziende ogen zijn de bijzondere gave Gods. Toch, hoewel het de gave Gods is, waardoor wij Zijn hand opmerken in iedere zaak, welke wij doorleven, ons niet zien neemt de hand Gods niet weg. Indien dit zo zou zijn, dan heeft de ongelovige, die zegt: ”Er is geen God.” Jehovah vernietigd, wanneer een woord hiertoe voldoende is. Ons ongelovige hart kan met recht zeggen: ”Kan het goede voortkomen uit deze bezoekingen? Kan er een zegening voor mijn ziel uit deze beproevingen voortkomen? Komt dit van God? Komt dat van God?” Ons ongelovige hart kan wel evenzeer murmureren tegen deze zaken, als de ongelovige hoofdman, die sprak: ”Zo de HEERE vensteren in de hemel maakte, zou het ook naar dit woord geschieden kunnen?” (2 Kon. 7:19). Doch hij werd gestraft vanwege zijn ongeloof. En wij, ofschoon niet vertreden tot in de hel, gelijk hij, zoals wij terecht verdienen, kunnen nochtans worden gekastijd. Toch verandert ons ongeloof de waarheid niet: God verhoede. Zullen de inblazingen van satan: of de zwakheden, het ongeloof, de ontrouw, de twijfels en de verdachtmakingen van ons hart de eeuwige waarheden Gods veranderen! ’’Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw. Hij kan Zichzelven niet verloochenen.” (2 Tim. 2:13). Hij is Dezelfde, de Onveranderlijke en de Onvergankelijke: en Hij’ ’waakt” over Zijn Sion tot haar geestelijk nut, hetzij dit is om te bezoeken, hetzij om te vertroosten, te verstoren of om op te bouwen.

II. Maar wij gaan over tot het overwegen van de andere zijde van ons onderwerp: ’’Alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.”

Mogen we, ja moeten we niet nog hetzelfde begrip in onze gedachten terugroepen? Ja, wat geeft ’’waken” hier te kennen? Dat alles van te voren bepaald is in de Raad Gods: alles bestemd om op een bepaalde tijd en op een bepaalde wijze te worden voortgebracht, door bepaalde middelen om bepaalde voornemens te voleinden, en om een bepaald werk te doen. In dit alles is het oog, het hart, en de hand Gods nauw betrokken.

1. ’’Also zal Ik over hen waken, om te bouwen.” Maar wat gaat er voorop? Gaat niet uitrukken, afbreken en verstoren aan het bouwen vooraf? Dit moet in het natuurlijke, nog veel meer in de genade. Wat? Wanneer er een krot, een vuil krot op het terrein staat, dat bestemd is voor een paleis, zal dat krot blijven staan als een ontsiering voor de vorst, of de grond beslaan, waarop een voornaam gebouw moet worden opgetrokken? Het gezond verstand zou antwoorden: ’’Veeg het van de aardbodem: laat er niet een spoor van overblijven.” Het moet, het kan de grond niet beslaan, waarop het paleis moet verrijzen. Wanneer dus mijn gerechtigheid, mijn vooroordelen, hoogmoed, geveinsdheid, mijn vleselijke natuur in al de gestalten en vormen ervan, in haar ganse aangeboren aanmatiging zich zullen verheffen, kan dan de nederige Jezus komen en woning maken in mijn boezem? Neen: deze dingen moeten eerst worden afgebroken: ik moet een zondaar zijn, die verbroken van hart is. Mijn hoogmoed, mijn eigengerechtigheid, mijn eigendunk, mijn ijdele hoop, mijn valse vertrouwen moet alles worden afgebroken, worden vernederd en weggevaagd: niet een spoor moet er overblijven, wanneer de tempel der genade moet worden gebouwd in al haar zuivere afmetingen. Het is niet mijn bedoeling het beeld geheel over te brengen. Ik ben me goed bewust (geen mens beter, wanneer ik dit in alle ootmoed zeggen mag), van de stofhopen, de wettische, de vleselijke stofhopen, welke, bij ogenblikken, het hart lijken te verstoppen. Steeds moet er ”een afbreken” plaatshebben, voor er ”een opbouwen” zijn kan. Maar wat bouwt God op? Zijn eigen werk in de ziel. Niets meer, niets minder. Hij herbouwt de oude verwoeste tempel niet met stenen, genomen uit de groeve der natuur: maar Hij bouwt Zijn eigen tempel, welke onder Zijn opbouwende handen in harmonische afmetingen verrijst, zoals de tempel van de oude dag. Hij bouwt óp: de ware hoop, in de plaats van de valse hoop: het geloof in de plaats van het ongeloof: de Goddelijke liefde in de plaats van de schepsels liefde: de gerechtigheid van Christus in de plaats van onze gerechtigheid: de ware heiligheid in de plaats van de vleselijke heiligheid. Aldus bouwt Hij de ziel op in het allerheiligst geloof: bouwt Hij de tempel der genade in het hart op. En deze verrijst ogenblikkelijk. Wanneer de Heere verschijnt, dan verrijst de tempel om Hem te ontvangen: het gebouw ontstaat in een ogenblik om de hemelse Bouwer te ontvangen.

Wanneer dus de Heere der heerlijkheid verschijnt, dan is de tempel bereid om Hem te ontvangen: en dan klinken die woorden, of mogen die woorden klinken (hoewel ze niet geheel en al van toepassing zijn) diep in het binnenste: ’’Heft uwe hoofden op, gij, poorten, en verheft u, gij, eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga.” (Ps. 24:7).

2. Maar de HEERE ’’waakt” over Zijn Sion, niet alleen maar ”om te bouwen”, maar ook om te planten. Ik heb getracht aan te tonen, dat door het beeld van ”uit te rukken”, het erop leek, dat er enigszins werd gezinspeeld op het hart des mensen, als een akker – Gods akkerwerk. Welnu, op die akker, éénmaal begroeid met doornen, distelen en doornstruiken, ’’waakt” Hij erover, Zijn vreze in het hart. Zijn gezegende genaden in de ziel ”te planten”. Maar laten wij eens op enkele van deze genaden, welke aldus, op Goddelijke wijze, worden ingeplant, ingaan. Ootmoed bijvoorbeeld, groeit nooit op de natuurlijke bodem: dit moet dan ook door een Goddelijke hand in onze ziel worden geplant. Eenvoudigheid en oprechtheid Gods worden niet gevonden onder de herik en de papaver der natuurlijke wasdom. Deze moeten door de hand des Heeren Zelf in onze ziel worden ingeplant. Het geloof in Jezus tot verlossing der ziel: een goede hoop door genade in Zijn goedertierenheid: een liefde tot Zijn dierbare Naam: liefdevolle genegenheden, heilige begeerten, hemelse uitgangen, zoete gevoelens, Goddelijke genietingen, openbaringen der genade en ontdekkingen van Gods liefde aan de ziel – al deze bomen uit het paradijs kan men in deze hemelse planting aantreffen.

Dit zijn enkele van de gezegende vruchten, welke deze Goddelijke hand plant op de akker (we kunnen wel zeggen de hof van het hart des mensen): ’’Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof.” (Hoogl. 4:12). ”Ik ben in Mijnen hof gekomen,” zegt Hij (5:1). ’’Ontwaak, Noordenwind, en kom Gij Zuidenwind: doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien.” (4:16). ’’Mijn Liefste is afgegaan in Zijnen hof,” is de taal der Kerk. (6:2). De Heere waakt om te planten. Wanneer Hij onze gerechtigheid heeft uitgerukt, dan plant Hij de Zijne. Wanneer Hij onze hoogmoed, vooroordelen, onkunde en vleselijkheid heeft uitgerukt, dan plant Hij Zijn eigen beeld – verbrokenheid, tederheid, ootmoed en de vreze Gods. Wanneer Hij de gedachten van ons hart heeft uitgerukt, welke verrijzen tegen Zijn Goddelijke Majesteit, dan plant Hij die genaden en vruchten in de ziel, welke opkomen tot Zijn eer. En aldus plant Hij iedere genade des Geestes en doet alles zonder onderscheid vrucht dragen, tot de eer en verheerlijking van Zijn grote Naam.

En Hij brengt ook uitwendige vruchten voort. Een leven, dat beginselgetrouw is, afzondering van de wereld, eerlijkheid voor de mensen, oprechtheid van mond en hand, onkreukbaarheid van wandel, eerlijkheid van beginsel en werken: ”A1 wat liefelijk is, al wat wel luidt,” doet de Heere opkomen in de hof, die Hijzelf plant en met eigen hand begiet. God geve ons deze vruchten: en waar deze geschonken zijn, daar verlene Hij een gezegende wasdom ervan!

Maar laten wij de dingen, die gesproken zijn, enkele ogenblikken samenvatten en nagaan, opdat ik erin moge slagen, wanneer de Heere me ertoe in staat stelt, een duidelijk omschreven en grondige indruk op uw hart na te laten. Wat bracht u ditmaal hier? Was het alleen maar om een ledig uur op een zondagavond te verdrijven of om te horen wat de predikant te vertellen heeft? God verhoede, dat Zijn geliefde huisgezin hier met zulk een beweegreden zou komen!

Wanneer zij recht gesteld zijn, dan luisteren zij voor de eeuwigheid: dat er iets aan hun ziel mocht worden medegedeeld, dat niet als een morgenwolk en als een vroegkomende dauw moge verdwijnen, dat niet door de wereld moge worden verstrooid, ”of zal zijn gelijk een vroegrijpe vrucht voor de zomer, welke, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijne hand is, slokt hij ze op.” (Jes. 28:4). En het is mijn begeerte, dat de Heere enige blijvende vrucht zou willen doen voortkomen, uit hetgeen van mijn lippen moge komen: dat het niet moge worden gesproken, om u te vermaken, bezig te houden, te interesseren, of om u te behagen: neen, maar om u tot nut te zijn, en wel niet voor een uur, een dag, een week, of een maand: doch dat er in uw ziel een tot in alle eeuwigheid duurzame vrucht moge worden gezaaid.

En dit is waarom, naardat de Heere me ertoe in staat stelt, ik begeer Zijn waarheid en Zijn woorden, niet mijn woorden te brengen, opdat Hij Zijn eigen waarheid met kracht aan ons hart moge verzegelen, en Hij deze, met Zijn eigen Goddelijke hand, in onze consciëntie moge nagelen.

Wat ik u heb voorgelegd, zijn ernstvolle wezenlijkheden en eeuwige waarheden, of we deze nu geloven en ermee te doen hebben of niet. God schenke, dat wij deze meer en meer mogen geloven en gevoelen! Ze zijn van het hoogste belang: God legge ze met groter gewicht en kracht op onze ziel! Verdraag me dan nog enkele ogenblikken: en laten wij trachten ons hart te onderzoeken (daar is het, waar God werkt – het is tot onze consciëntie, dat God spreekt). Wat is de bevinding uwer ziel geweest? Kunt u terugblikken en opmerken, hoe dit uitrukken, afbreken, verstoren, verderven en hetgeen kwaad aandoet in uw ziel is geweest? ”Ja,” zegt er iemand, ’’mijn leven, mijn geestelijk leven heeft uit weinig anders bestaan. Maar twee zaken beproeven mij: de ene is, dat ik niet duidelijk de hand Gods in deze oefeningen opmerk: mijn geest is zo met donkerheid bezet: mijn verstand zo duister: ik heb geloof nodig om te geloven, dat de hand Gods hierin is. En de andere zaak, welke mijn geest beproeft, is: met mij schijnt het niets anders dan bezoeking en beproeving, afbreken en verstoren en vrijwel geen bouwen en planten te zijn.”

Goed, maar is dit werk in uw consciëntie volbracht? Is er dit uitrukken, afbreken, verstoren, verderven en kwaad aandoen geweest? Wanneer u de hand Gods niet kunt opmerken, kunt u dan de vrucht opmerken? Wat is uw toestand? Een arme zondaar, verbroken van hart aan de troon der genade? Een bedelaar, een bankroetier? Een arme en nooddruftige, een verloren en ongelukkige ellendige? Dit alles heeft de Heere gedaan. Wanneer dit alles het ware gevoelen van uw ziel is voor Zijn hart-doorzoekend oog, dan heeft Hij in liefde over u ’’gewaakt”.

U moge dit niet opmerken. De slapende zuigeling ziet het wakend oog van de liefhebbende moeder niet: maar toch waakt de moeder, hoewel de zuigeling dit niet bemerkt. U moogt niet hebben bespeurd en moogt thans de hand Gods nog niet in uw bezoeking bespeuren: maar de hand en het oog des Heeren zijn er, ofschoon u deze niet opmerkt. En wees ervan verzekerd (de Heere verzekert ons ervan, wij kunnen uit onszelf niet van iets verzekerd zijn!), dat als de Heere over u heeft ’’gewaakt” in de bedelingen van Zijn voorzienigheid en genade in het uitrukken, afbreken, verstoren, verderven en in het kwaad aandoen: dat de Heere aldus ook over u zal “waken”, om ”te bouwen” en ”te planten”. De tijd, welke God bepaald heeft zal aanbreken: de omstandigheden zullen zich voordoen, oorzaken zullen meewerken en de Heere Zelf zal Zijn eigen voornemens uitvoeren. De belofte staat vast: het woord zal zeker worden vervuld. Zoals Hij over u ’’gewaakt” heeft om het één te doen, zo zal Hij ook over u ’’waken” om het ander te doen. Zoals Hij ’’gewaakt” heeft over iedere omstandigheid, de allergeringste omstandigheid van uw zieletegenspoed: zo zal Hij ’’waken” om iedere, om de geringste omstandigheid van uw ziele-voorspoed teweeg te brengen. Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.