Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De ogen van de Heere op diegenen, die Zijn Naam beminnen

Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht van degenen die Uw Naam beminnen. Psalm 119: 132.

De meesten van onze, die ooit de dierbaarheid van Gods Woord gevoelden, hebben hun geliefde Schriftuurplaatsen. Diegenen ervan, die de Heere in het bijzonder voor ons geopend, of aan onze ziel gezegend heeft, zullen wel de meest geliefde zijn; ook zijn er andere gedeelten van Gods Woord, die misschien niet op een bijzondere wijze ons tot zegen waren, waarover echter door de gezegenden Geest van tijd tot tijd zulk een zoet licht geworpen is, of wij hebben er zulk een schoonheid en heerlijkheid in gezien, dat als wij onze Bijbel openen, wij ze als werktuigelijk opzoeken.

Psalm 119 is om deze reden altijd een van mijn meest geliefde gedeelten der Schrift geweest. Indien ik de bevinding, in deze Psalm opgetekend, ten volle in mijn ziel gewerkt, en in mijn leven geopenbaard had, zou er noch in deze stad, noch 60 mijlen in de omtrek, zulk een Christen zijn. Ik herhaal het, indien ik de bevinding, in de Ilgden Psalm vervat, geheel in mijn hart gewrocht had door de macht des gezegenden Geestes, en zichtbaar in mijn wandel, mijn gedrag, en mijn gesprekken, zou ik geen Christen, die op aarde omwandelt, in onderworpenheid aan de wil en het Woord van God, in en uitwendig, evenaren. Welk een eenvoudigheid en goddelijke oprechtheid is door de gehelen Psalm verspreid!

Welke tedere liefde tot de Heere! Welke verzuchtingen van het hart in Zijn oren! Welk een begeerte om tot Zijn eer en Zijn heerlijkheid te leven! Welk een heilig verlangen dat leven, gedrag en omgang, de in en uitwendige mens, geheel aan de geopenbaarde wil en het Woord van God onderworpen mochten zijn! “Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht van degenen die Uw naam beminnen.” Drie kenmerken treffen mijn gemoed als bijzonder zichtbaar in de voor mij liggende woorden:

I. Dat God een volk heeft dat Zijn naam bemint.

II. Dat de Heere hen aanziet en hen genadig is.

III. De verzuchting van het hart van de dichter, dat God hem mocht aanzien en hem genadig zijn, evenals Hij hen aanziet en hen genadig is.

I. De Heere heeft een volk dat Zijn naam bemint. Maar waar wordt dit volk gevonden? In de staat der natuur, zoals het in deze wereld kwam? Neen, niemand heeft ooit van nature God lief gehad, want het vleselijk gemoed, dat is: al wat de mens heeft of is, als het gevallen kind van gevallen ouders, is in vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet. Wij zijn allen “van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen” (Ef. 11: 3), en zijn “vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid die in ons is, door de verharding van onze harten” (Ef. 4: 18). Er is van nature een deksel van onwetendheid en ongeloof over ‘s mensen hart, zodat hij de enige jaren God en Jezus Christus, die Hij gezonden heeft, zien noch kennen kan (2 Kor. 111: 15; Joh. 17: 3).

Dus, niemand beminde ooit, of kon ooit des Heeren naam, dat is, de Heere zelf beminnen, zolang hij in die staat van natuurlijke duisternis en natuurlijke dood verkeert. Een krachtige verandering moet daarom plaats hebben in het hart eens mensen voor bij één kan zijn van degenen, die des Heeren naam liefhebben, een verandering, niet teweeg gebracht door de natuur in haar beste en meest verfijnden vorm, noch voortgebracht door enige werkzaamheid of poging van het schepsel, maar die begon, voortging en voleindigd werd alleen door het vrijmachtige en onuitwisbare werk van God de Heilige Geest in het hart. Dit is het uitdrukkelijk getuigenis van God: “Hij is gekomen tot het Zijn, en de Zijn hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam geloven.

Die niet uit de bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn” (Joh. 1: 11-13). Maar men zou kunnen vragen, waarom dit hoog begunstigd volk deze nieuwe wonderlijke herschepping ondervindt? Het enig antwoord dat op deze vraag kan gegeven worden, is, dat de Heere hen van alle eeuwigheid lief had. Waarom Hij Zijn liefde op hen vestigde met uitsluiting van anderen, heeft God ons niet bekend gemaakt. De eeuwigheid zelf, zal misschien nooit in staat zijn, om aan het gemoed van een eindig wezen, als de mens, te ontwikkelen, waarom de oneindige God sommigen liefhad, en anderen verwierp; maar op alle bedillingen en trotse redeneringen der mensen moet ons enig antwoord zijn: “Maar toch, o mens, wie bent gij, die tegen God antwoordt?

Zal ook het maaksel zeggen tot zijn Maker, waarom hebt gij mij alzo gemaakt? Heeft niet de pottenbakker macht over het leem, om uit dezelfde klomp te maken het ene een vat ter ere, het andere ter oneer?, (Rom. 9: 20, 21). Daar de Heere dan dit volk met een eeuwige liefde heeft lief gehad, is het nodig, opdat zij deze liefde mogen genieten en met enige stromen van die rivier, die de stad Gods verblijdt, vervuld mogen worden, dat zij leren en er toe gebracht zouden worden om God lief te hebben, of hoe anders kunnen zij zich in Hem verheugen, Wiens naam en natuur liefde is?

Maar zijn de eerste bedoelingen en onderwijzingen van de Geest Gods aan het hart gewoonlijk zulke die een mens er toe zullen brengen om God lief te hebben? Neen; de mens heeft veel af te leren voor hij dit kan aanleren. Hij moet uit de wereld gebracht en van de rechtvaardigheid van het schepsel ontledigd worden; al zijn oude vleselijke godsdienst moet tot stof vermalen en naar de vier winden van de hemel verstrooid worden, voor de reine liefde Gods kan komen en in zijn ziel uitgestort worden.

Het is om deze reden dat de Heere Zijn volk met overtuigingen doorvlijmt. Dit heeft veeltijds plaats onder de bediening des Woords, zoals in de dagen des Pinksterfeestes, toen velen van Petrus’ hoorders in het hart getroffen werden; en de leraars worden in het Woord bij vissers en jagers vergeleken: ziet, Ik zal zenden tot vele vissers, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot vele jagers, die zullen hen jagen van op allen berg, en van op allen heuvel, ja uit de kloven der steenrotsen” (Jer. 16: 16). De vissers trekken hen met hun scherpe hoeken uit het water, en de jagers drijven hen met hun puntige spiesen uit de holen, waarin zij zich verborgen houden. Deze overtuigingen van zonde, de schuld hard en zwaar op het geweten liggende, veeltijds vergezeld met een ontdekking van onze gevallen staat, en een openbaring van de boosheden van onze harten, komen voort uit een gelovig gezicht van de heiligheid Gods, uit een gevoel van de uitgebreidheid en geestelijkheid Zijner wet, uit een ontdekking van Zijn eeuwige en onkreukbare rechtvaardigheid.

Het is daarom nodig om zekere mate van deze overtuigingen te gevoelen, zoveel ten minste, als nodig is om de ziel weg te drijven uit haar bedrieglijke schuilplaatsen, die de Schrift toevlucht der leugen” noemt, teneinde zij gebracht worde tot het aangrijpen der rots uit behoefte aan een schuilplaats. Hoe schoon en helder is dit voorgesteld in Jes. 28: 16, waar de Heere ons zegt dat Hij “een grondsteen in Sion legt, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten”. Maar, om aan te tonen hoe Zijn volk er toe gebracht wordt om te staan op deze beproefde steen, deze “kostelijke hoeksteen”, dit “vast fundament”, voegt de Heilige Geest er bij: “En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht der leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen. En ulieder verbond met de dood zal teniet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van dezelve vertreden worden (Jes. 28: 17, 18).

Dit stellen van het gericht naar het richtsnoer, en van gerechtigheid naar het paslood, staat, gelijk gij wel bemerken zult, in verband met het fundament, dat God in Sion gelegd heeft; dus is het zichtbaar, dat voor de zondaar er toe gebracht kan worden om bevindelijk in zijn geweten op dit fundament, dit enig fundament, dat “God in Sion gelegd heeft”, te staan, gericht tot het richtsnoer gesteld moet zijn in zijn hart, en gerechtigheid tot het paslood in zijn zielsbevinding; de hagel moet elke toevlucht der leugen wegvagen, en de wapenen van Gods wraak moeten elke schuilplaats overstromen, teneinde het verbond, dat hij met de dood gemaakt heeft, teniet te doen, en het voorzichtig verdrag met de hel aangegaan, te verbreken. Dus, teneinde het volk van God er toe te brengen, om Hem als de God der liefde te kennen, is het uit de ware natuur der zaak volstrekt nodig, dat zij overtuigingen van zonde ondervinden, hun geweten schuldig gevoelen, en een ontdekking hebben van het kwaad hunner harten, opdat zij uit deze schuilplaatsen der leugen, waarin ieder van nature zich zoekt te verbergen, gebracht worden.

Hun diepte en hun duur heeft God inderdaad niet bepaald, ook wij hebben dit niet nodig te bepalen. Dit kunnen wij echter met zekerheid verklaren, dat zij voldoende moeten zijn, om de uitslag, die God bedoelt, te bewerken. Maar het is niet het voornemen des Heeren, om Zijn volk, wanneer Hij het genoegzaam uit hun toevluchten der leugen gebracht heeft, altijd hun geweten door overtuigingen te verwonden en te doorpriemen. Daarom brengt hij na enige tijd een weinig der liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, in hun hart, en dit leert hen en stelt hen in staat om “Zijn naam lief te hebben”.

Maar wat moeten wij verstaan door de uitdrukking “de naam Gods?” Het is een, die wij zeer dikwijls in de Schriften der waarheid vinden. Door “de naam Gods” geloof ik, dat wij moeten verstaan alles wat God omtrent zichzelf geopenbaard heeft, doch meer in het bijzonder de openbaring Zijner genade en heerlijkheid in de Persoon van Zijn lieven Zoon, de Heere Jezus Christus. Daarna, wanneer de Gezegende Geest enig licht werpt over het wezen Gods in Christus als in de Schrift geopenbaard, en een bewustheid hiervan met goddelijk gevoel, zalving en kracht in de ziel werkt, dan wordt “de naam Gods” geestelijk in het hart bekend gemaakt, en daar God de Heilige Geest, van tijd tot tijd, al die schatten van waarheid, barmhartigheid en genade, die in Christus verborgen zijn, opent, en het geloof opwekt om ze te geloven en aan te grijpen, stort Hij in het hart een heilige liefde uit tot de naam en het wezen Gods, zoals dit in het Woord der waarheid geopenbaard is.

David zag dat er zulk een volk was. De Heere had hem gegeven, wat Hij aan al Zijn kinderen geeft, – ogen, verlichte ogen, waarmee hij zag dat de Heere een volk had, dat Zijn naam beminde; dat, temidden van het goddeloos geslacht; in welker lot hij delen moest, er een volk verspreid was, waarin God Zijn liefde uitgestort had, waaraan Hij genade bewees en in welker harten Hij een gevoel van Zijn goedertierenheid, die beter dan het leven zelf is, gegeven had. David zag hen aan, en als hij hen aanzag, bemerkte hij welk een gezegend volk zij waren. Hij beschouwde hen als omringd door al Gods volmaaktheden. Hij zag hen bewaard als Gods oogappel. Hij beschouwde hen als de heerlijke der aarde, in welke al zijn lust was, en zijn gehele hart vloeide over van liefde tot hen, als die door God geliefd waren, en die Hem, die Zijn liefde in hun harten uitgestort had, wederkerig liefhadden.

Zeer velen van het volk van de Heere zijn hier. Hun ogen zijn verlicht, om te zien dat God een volk heeft. Daaraan hebben zij niet de minsten twijfel, en niet alleen dit, maar de genegenheden hunner harten zijn verborgen en heilig bewerkt, om een sterken aandrang van tedere liefde tot dit volk te gevoelen. Zij houden hen voor de uitnemendste der aarde. Zij hebben hen lief, omdat zij de Geest, de gelijkenis en het beeld van Christus in hen zien, hoe arm en verwerpelijk ook in de ogen der wereld. Er is een verborgen liefde, die de kinderen Gods jegens elkaar hebben, die hen met de sterkste banden van geestelijke vereniging en liefde aan elkaar verbindt. David dan zag dat God met dit volk op een bijzondere wijze handelde, en daarom riep hij uit: “Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht van degenen, die Uw Naam beminnen”. Hij zag dat de Heere op een buitengewone wijze met dit volk handelde, dat zij de begunstigde voorwerpen Zijner eeuwige liefde waren; en als zulken zegende de Heere hen voortdurend en eeuwig.

II. Daar waren twee zaken, waarmee David zag dat God Zijn volk voornamelijk begiftigde; de een was Gods aanblik en de andere de openbaring van Gods genade. “Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht van degenen, die Uw Naam beminnen.

1. Maar hoe ziet God Zijn volk aan? Ziet de Heere alle dingen niet? Doorlopen Zijn ogen niet de gehele aarde om het kwade en het goede te zien? En zijn niet alle geheimen geopend voor Zijn hartdoorzoekende ogen? Beproeft Hij niet de kinderen der mensen? Zonder twijfel. Maar er is nog een begunstigd volk, dat de Heere op een bijzondere wijze aanziet – op een wijze waarop David van de Heere begeerde dat Hij hem zou aanzien.

a. Hij ziet hen aan in Christus. Hij ziet hen niet aan in zichzelf. Als Hij hen in zichzelf aanzag, moesten zijn toorn, Zijn wraak en verontwaardiging over hen losbarsten. Maar Hij aanschouwt hen, als in een eeuwige en levende vereniging met de Zoon Zijner liefde, zoals de apostel zegt: “Volmaakt in Hem”. En hen aanziende als eeuwig in Christus zijnde, hen aanziende als met het bloed der verzoening gekocht, en gewassen in de fontein, die eens voor alle zonde en alle onreinheid geopend werd, als gekleed met Zijn heerlijke gerechtigheid en bemind met eeuwige liefde, ziet Hij hen niet aan, zoals zij in zichzelf zijn, jammerlijk, ellendig, arm, blind en naakt; maar Hij ziet hen aan als zonder vlek, zonder rimpel in de Zoon Zijner liefde, zoals de apostel het in weinige woorden uitdrukt: “aangenomen in de Geliefde”. David zag welk een gezegende toestand dit was hierin te zijn, dat als de Heere Zijn volk aanzag, Hij hen niet aanzag als arme, schuldige, ellendige zondaren, maar als hebbende die stand in Christus, die vereniging met Christus, dat aandeel in Christus, waardoor Hij hen aannemelijk in Zijn lieven Zoon kon aanzien.

b. Maar dit is niet de enige weg, waarin God Zijn volk aanziet. Hij ziet hen aan met genegenheid en liefde. Dus, als Hij Zijn volk aanziet, ziet Hij hen aan met al die liefde en genegenheid, die ooit in de boezem des Drie-enige Gods woonde, en zonder ophouden tot de voorwerpen Zijner liefde, verkiezing en genade uitvloeit. Wij weten hier van nature niets van. Ziet de beminnende vrouw haren echtgenoot soms niet met ogen van tedere gehechtheid aan? Beschouwt de moeder niet soms haar kind, dat in de wieg ligt of op haren schoot slaapt, met ogen van tedere liefde? Altijd, waar liefde in onze harten is, daar rusten onze ogen bij tijden op de voorwerpen van onze liefde. Zo is het met de Drie-enige God. De liefde is er in het hart Gods tot de voorwerpen Zijner eeuwige gunst, dat als Hij hen uit de hoogte van Zijn heiligdom aanziet, Hij hen aanziet met de tederste genegenheid. Zoals wij lezen: “Hij blijft in Zijn liefde,” en wederom: “Gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn” (Jes. 62: 5).

c. Maar bovendien ziet Hij hen aan in ontferming. “Gelijk zich een Vader ontfermt over de kinderen, zo ontfermt zich de Heere over degenen die Hem vrezen. Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.” (Ps. 103: 13, 14). Evenzo als Hij, na de zondvloed, van de hoogte Zijns heiligdoms op Noach en die met hem in de ark waren, neerzag, en Zijn hart van tedere ontferming overvloeide, zo ziet Hij, van de hoogte Zijns heiligdoms op alle arme, zich inspannende, strijdende pelgrims hier beneden, en aanschouwt hen met een oog van ontferming en medelijden, uit Zijn genadig en medelijdend hart. Ik gebruikte zo even het zinnebeeld van een moeder, die haar kinderen, dat van een vrouw die haar man liefheeft. Laat nu de man een ziekte krijgen, laat het kind enig verdriet overkomen, dan is er niet slechts een aanzien met liefde zoals tevoren, maar ook een aanzien met ontferming en medelijden.

En als een vrouw de ziekte van haar gade kon wegnemen, of als een moeder de smart des kinds kon genezen, hoe zouden, beide medelijden en liefde, in werking zijn om datgene, wat medelijden doet gevoelen, weg te nemen. Zo ook geestelijk. De God des hemels aanschouwt Zijn arme, verzochte kinderen. Sommigen ziet Hij met zware bezoekingen geslagen; anderen door een boos, ongelovig hart geplaagd; weer anderen door de omstandigheden bedroefd; nog anderen hevig bezocht met zware beproevingen in het tijdelijke en in de voorzienigheid; wederom anderen Zijn afwezigheid betreurende; en anderen vervolgd, door de mensen uitgeworpen. Elk hart kent zijn eigen droefheid, ieder heeft een gevoelige plaats, die het oog des Heeren ziet, en, de Heere aanschouwt hen, als een God van genade, en ontfermt Zich over ben. Als Hij hen in een strik verward ziet, ontfermt Hij Zich over hen als zo verstrikt zijnde; als Hij hen afgetrokken ziet door de afgoderij en het kwaad hunner gevallen natuur, ontfermt Hij zich over hen als over afgedwaalden; als Hij hen door de satan hevig aangevallen en bestreden ziet, dan ziet Hij hen met ontferming aan onder diens aanvallen.

d. Behalve dat, ziet Hij hen aan met macht, met een besluit hun hulp te verlenen. Om een ogenblik op het beeld, dat ik daar straks gebruikte, terug te komen – een moeder die haar ziek kind aanziet, er was ontferming in haar trekken uitgedrukt, medelijden straalde uit haar oog. Kon zij helpen zowel als medelijden hebben, zou zij dan aarzelen dat te doen? Maar de Heere heeft niet alleen het medelijden van een moeder, en de liefde van een vrouw, (want Hij geeft zelf de vergelijking; Hij zegt: “Kan ook een vrouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten!” Jes. 49: 15), maar Hij heeft ook de macht voor Zijn kinderen. Hij heeft almachtige kracht om Zijn arme lijdende kinderen te verlossen, die zich in deze uitgestrekte huilende wildernis afmatten en vermoeien; want “er is hulp bij Een Die almachtig is”, Die “machtig is volkomen te verlossen”.

2. Maar bovendien is Hij hun genadig: “Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht van degenen, die Uw naam beminnen”. David zag hoe genadig de Heere hun was, die genade behoefden. Zij waren schuldige misdadigers; zij waren gevallen schepselen; zij zondigden onophoudelijk tegen de God van alle genade. En daarom hadden zij genade nodig. En dat niet eens; niet alleen toen het de Heere voor het eerst behaagde hun zonden te vergeven en hun zielen te verlossen, neen, zij behoeven niet eens, niet tienmaal genade, maar zij behoeven genade elke dag huns levens, elk uur dat zij op aarde ademden, zoals Hart het zo liefelijk uitdrukt:

“Elk uur genade afsmekende.”

David nu, zag dat de Heere Zijn volk genadig was. Hij wist dat op grond der rechtvaardigheid niemand gered kon worden; hij wist uit pijnlijke bevinding welke hartenzij in hun boezem omdroegen; hij wist met welke bezoekingen hun pad bezet was; hij wist welke strikken de satan voor hun voeten uitspreidde; hij wist hun zwakheid, en hij kende hun boosheid; en niettegenstaande dat zag hij hoe genadig de Heere hun was; hoe Hij hun handelingen in de woestijn verdroeg; hoe Hij “menigvuldig vergaf”, zoals de Schrift het uitdrukt; hoe Hij hun ongerechtigheden en hun zonden uitdelgde; hoe Hij hen genade en ontferming betoonde, die van nature de verachtelijkste der verachtelijksten waren.

Hij zag, dat er datgene in hun harten was, wat rechtvaardig Gods veroordeling verwekte. Maar hij zag ook in de boezem van de verlosser meer dan daaraan geëvenredigde genade. Hij zag dat hun harten vol kwaad, vol boosheid, vol ongeloof waren en vol van al wat God haat; evenwel zag hij hoe de genade Gods overvloedig was, hoe Zijn genade al hun zonden ver te boven ging. Hij zag hoe de genade Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid was. Hij zag dat evenals de wolk soms het gelaat des aardrijks bedekt, ook evenzo de Heere alle ongerechtigheden, overtredingen en afzwervingen bedekt, van degenen, die Zijn naam beminnen.

III. En dit leidt mij tot het derde deel van mijn rede. Deze dingen waren het, die in zijn ziel de verzuchtingen zijns harten tot God opwekten, dat Hij hem mocht aanzien, en hem genadig zijn, naar het recht van degenen die Zijn naam beminnen. Ik geloof in waarheid te kunnen zeggen, dat deze woorden duizend malen van mijn lippen gevloeid zijn: “Zie mij aan”. Zelden buig ik mijn, knieën in het gebed voor de Heere der heirscharen, zonder de woorden “zie mij aan” te gebruiken. Hoe krachtig zijn zij! Alsof de wens der ziel was dat de Heere hem niet voorbij mocht gaan, hem niet Zijner bemoeiingen onwaardig keuren en hem niet als uit Zijn tegenwoordigheid verbannen, maar een oog van ontferming, liefde en medelijden op hem mocht slaan. Maar met deze wens, dat de Heere hem mocht aanzien, was een duidelijk gevoel zijner hulpeloosheid, zondigheid en onwaardigheid gevoegd. Het is alsof David aan de voetbank der genade neerlag, bekleed met ootmoed, zijner zonden bewust, de inwendige boosheid zijns harten gevoelende, en zich de minsten liefdeblik van Gods aangezicht of der minste fluistering Zijner liefde onwaardig oordelende. Maar toch kon hij niet anders zien, dan dat de Heere een volk had dat Zijn naam beminde, neen, hij zelf gevoelde iets van diezelfde liefde.

Evenwel kon het zijn dat hij er niet de volle verzekerdheid van had. Zijn hart kon treurig en bekommerd zijn. Twijfelingen en vrezen werkten in zijn gemoed; maar toch, niettegenstaande dit alles, gevoelde bij tedere uitgangen van liefde tot de Naam des Heeren, die zijner ziel dierbaar was; hij gevoelde een geopende toegang tot Zijn heilige tegenwoordigheid; en er was iets in zijn hart dat versmolten was in liefde en innige genegenheid tot de groten Naam des Heeren. “Uw naam is een olie, die uitgestort wordt, daarom hebben U de maagden lief.” Maar met deze innige gehechtheid, met deze verborgen en heilige liefde tot de naam des Heeren, was een diep gevoel van zijn eigen onwaardigheid vermengd. En deze twee gevoelens gaan altijd samen. Ver zij het van mijn hart, en ver van het uw, die de naam Gods wenst te vrezen, dat stout verwaand vertrouwen, dat op Gods barmhartigheden aanspraak maakt, zonder gevoegd te zijn met enige werking van vrees Gods in de boezem van een zondaar, onvermengd met een gevoel van onwaardigheid, zwakheid, en zondigheid, dat altijd in een wedergeboren hart leeft. Neen, waar enige ware liefde tot de naam des Heeren, waar enig innig verlangen naar de naam van Jezus is, reken er op, dat hiermee altijd het diepst gevoel van onze eigen onwaardigheid gepaard zal gaan. David kon niet anders dan gevoelen dat er liefde tot de naam des Heeren in zijn hart was. David kon niet anders dan gevoelen dat er een volk was, dat, evenals hij zelf, die naam beminde.

David kon niet anders dan zien, dat de Heere dat volk met een oog van liefde en ontferming aanzag. David kon niet anders dan zien, dat de Heere hun voornamelijk en in het bijzonder genadig was. Hij ondervond zelf deze tedere gewaarwordingen van liefde in zijn boezem. Hij was diep doordrongen van – hij was inwendig vervuld met een gevoel zijner eigen onwaardigheid; maar hij durfde zich niets aanmatigen. Hij stond op een afstand, en kon niet stout en verwaand voortgaan. Hij bleef terug, als zijnde een van de onwaardigste van degenen, die naar de geopenbaarde gunst Gods verlangden. Dus geeft de krachtige uitdrukking “zie mij aan” niet alleen te kennen dat David een liefde tot de naam des Heeren had, maar ook dat daarmee een gevoel gevoegd was, hoe onwaardig hij het was, dat de Heere hem een enkelen zegen zou geven. Wederom, “zie mij aan” geeft te kennen, dat zijn ziel in die staat en dat geval was, waarin zij in het bijzonder aan een blik des Heeren behoefte had. Als uw hart hard is, behoeft gij slechts een blik des Heeren om het te verbreken. Was het niet zo met Petrus?

Toen Petrus zo zwaar gezondigd had, toen hij zijn Heere en Meester verloochend had, lezen wij niet dat Jezus zich toen omkeerde en hem aanzag? Wat was het uitwerksel? Het stenen hart brak; de hardheid van zijn gemoed was versmolten; en wij lezen: “Hij ging naar buiten en weende bitter. Wij hebben dikwijls een gevoel van onze hardheid en onbuigzaamheid, maar als de Heere ons slechts aanziet, kan Hij die in een ogenblik doen versmelten. Zo is er ook een gevoel van onze geringheid, van onze zondigheid, van onze boosheid; een gevoel van deze aard: “0, dat de Heere mij slechts mocht aanzien, hoewel ik de minste opmerking, de minste gunst Zijner hand zo geheel onwaardig ben. 0! mocht Hij een oog van ontferming en medelijden op mij slaan, want ik kan niet zijn zonder Hem.” Het geeft ook te kennen, dat de ziel enige bijzondere openbaring van Gods genade en gunst begeert. Het kon David niet voldoen, om over Gods genade te horen spreken, noch van Gods genade te lezen, noch te weten, dat er een volk was, waaraan de Heere genade bewees. Hij wenste dat de Heere hem mocht aanzien, hen bezoeken, hem zegenen, en zich aan hem mocht openbaren, in zijn hart komen, zijn ziel bezoeken en hem met aangename openbaringen Zijner eeuwige liefde mocht zegenen.

En is dit niet de taal van een zondaar, die met een verbroken hart aan de voetbank der genade neerligt? Drukken deze eenvoudige woorden niet zijn gevoelens aan de troon der genade uit? Jie mij aan,” hier lig ik aan Uw voeten, alles hulpeloosheid, alles zwakheid, alles ellende, alles onbekwaamheid. Ik ben de minsten glimlach van Uw aangezicht onwaardig, ik heb de minste fluistering Uws monds niet verdiend, ik verdien onder Uw voeten vertreden te worden in de eeuwige verdoemenis. Maar, nochtans Heere, ik kan het niet zonder U stellen. Zie mij aan. Geef mij een blik van genade; geef mij een blik die datgene, wat mijn hart verlangt te gevoelen, in mijn ziel brengt. Aan te zien, zij het dan ook op een afstand, maar toch, het volk, dat de Heere aanzag met zulke bijzondere blikken van ontferming, medelijden en liefde, beschouwende, kon bij niet anders dan een deel van dezelfde zegen begeren en zijn hart brandde in hem van verlangen, dat de Heere hem dezelfde gunsten mocht bewijzen. Is dit ooit uw zielsbevinding geweest? Wat bidt gij van de Heere?

Ik veronderstel dat velen van Uw voor de voetbank der genade neerknielen. Wat bidt gij van de Heere? Is het enige bijzondere zegening voor uw ziel? Is het om enige openbaring van Jezus aan uw hart? Is het dat de Heere zelf u als een schuldigen worm mocht aanzien en tot uw ziel spreken door de zoete fluisteringen Zijner genade en liefde? Dat zijn ware gebeden; dat zijn geestelijke verzuchtingen; dat is de voorbidding des Geestes in het hart van de zondaar, met onuitsprekelijke zuchtingen, die niet zijn uit te drukken. Indien gij bij zielsbevinding weet, wat het is zo in nederigheid, eenvoudigheid, oprechtheid, verbrokenheid van het hart, boetvaardigheid des geestes, voor de voetbank der genade neer te liggen, roepende: “Zie mij aan,” mij, die Uw genade geheel onwaardig ben; mij, die voortdurend van U afgezworven ben; mij, die de verachtelijkste der verachtelijke, en de schuldigste der schuldigen ben; echter, “zie mij aan,” want ik kan niet dragen dat Gij mij zoudt voorbijgaan, zonder mij op te’ merken, dat Gij mijn ziel niet zoudt aanzien, zoals Gij Uw kinderen aanziet.. Dit is een geroep dat allerzekerst beantwoord zal worden.

“Wees mij genadig.” Wanneer zullen gij en ik iets bekomen, anders dan door de macht der genade? Zullen wij ooit boven het gevoel van verlangen naar hetzelve komen, zo lang wij hier beneden ademhalen? God beware ons, die Zijn naam wensen te vrezen, dat wij ooit een enkelen dag zouden leven zonder verzuchtingen, meer of minder, naar de gevoelige openbaring der genade. “Maar,” zegt gij, “gij hebt genade ontvangen; waarvoor hebt gij die weer nodig? Is niet eens in uw leven genoeg?” De mensen, die zo spreken, kennen niets van hun eigen harten, kennen niets van de genade Gods in de ziel van een zondaar geopenbaard. Als de zonden meerder worden, als de schuld gevoeld wordt, als de verdorvenheid werkt, als het geweten bezwaard is, als de ongerechtigheden van het hart blootgelegd, als onze harten door het licht des Geestes geopend worden, gevoelen wij dan niet onze voortdurende behoefte aan bijblijvende genade? -, genade voor elke overspelige blik, genade voor elke begeerlijke gedachte, genade voor elk lichtzinnig en ijdel woord, genade voor elke boze werking van onze bedorven harten; genade terwijl wij leven, en genade als wij sterven, genade die ons elk ogenblik vergezelt, met ons gaat tot de poorten des grafs, ons veilig door de hoge golven der Jordaan geleidt, en in zekerheid voor van de verlosser troon brengt? wees mij genadig.”

Waarom mij? Omdat ik zulk een verachtelijk zondaar, zulk een boos afzwerver, zulk een stout afwijker ben, omdat ik bij elke ademhaling tegen U zondig; omdat de boosheden mijns harten voortdurend zich openbaren, omdat niets dan Uw genade zulke ongerechtigheden, als ik in mijn vleselijk gemoed gevoel, kan uitwissen. David zag dat deze genade bijzondere genade was. Hij zegt: “Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht van degenen, die Uw naam beminnen”. Hij wist, dat het geen gemene genade was, die de Heere schonk aan hen, die Zijn naam lief hadden, maar onuitputtelijke genade, – eeuwige genade – gans overvloedige genade. Hij wist dat niets dan genade als deze, zulke schuldige zondaars als hen, die des Heeren naam liefhebben, kon helpen. David was te goed met de geheimen zijner zondige natuur bekend gemaakt, om iets anders dan kwaad van die natuur te kunnen verwachten. David wist te veel van de zwakheid en boosheid zijns harten, om voor één ogenblik van volmaaktheid in het vlees te dromen. David verwachtte nooit in een toestand te komen, waarin niet elk uur aan de genade Gods behoefte was. Maar hij zag het volk Gods in een anderen weg bedeeld dan andere mensen. Hij zag dat zij van dat gezegend geslacht waren, op wien de dauw van de hemel valt, en zijn hart verlangde dat een deel van die dauw op zijn ziel mocht neerdalen. Is dit niet soms met u het geval geweest?

Gij ging onder Gods volk; uw hart was gesloten, koud en dodig; evenwel bent gij, heengegaan en hebt met enige van Gods heiligen gesproken; gij zaagt genade in hen uitblinken, en uw hart werd aangenaam in uw boezem verwarmd; gij gevoelde uw ziel verbroken en vertederd onder de zalving en zoetheid hunner woorden, en gij verlangde iets te ondervinden van die dingen, waarvan zij spraken, en dat dezelfde kracht en dauw, die op ben rustte, ook op u mocht rusten. Gij hebt niets gezegd, maar bent heengegaan – haastig vertrokken voor de tijd – hebt uw hoed opgezet, en bent heengegaan. Maar toen gij heenging, o hoe waren uw zielsverzuchtingen tot de Heere: “0, dat het U behagen mocht mij aan te zien! Mocht gij mij enige zoete openbaring geven; mocht Gij mij een zegen geven, die mijn hart voldoen kan!” Zodat, terwijl gij genade zaagt uitblinken in de persoon met wien gij sprak, er een gemeenschap in leven en gevoelen was, waardoor gij verlangde naar een dergelijke openbaring van genade en liefde aan uw hart; naar dezelfde goddelijke dauw en dezelfde gezegende zalving om uw ziel te bevochtigen. Het is enigszins evenzo als in de natuur met twee pachthoeven of tuinen, van welke de een overvloedig door de regen besproeid, terwijl de andere droog en verzengd gebleven is.

Als de eigenaar der laatste slechts zijn eigen land aanziet, denkt hij dat het wel gaan zal. Maar laat hem een weinig van huis gaan, en een hoeve zien die rijkelijk door de regen van de hemel besproeid, en met groen bedekt is; als hij dan naar zijn eigen stuk lands terugkeert en daar niet zulken oogst ziet, zal hij niet wensen dat dezelfde vruchtbare regen op zijn land neerdaalt? Zo ook geestelijk. Als gij onder het volk Gods gaat, en de genade in hen ziet uitblinken, het beeld van Christus in hen ziet, en bemerkt hoe de gezegende Geest Zijn werk in hen voortzet, hun zielen met schoonheid en frisheid bekleedt, terwijl gij koud, dodig en dor bent – verlangt uw ziel dan niet enige van diezelfde zegeningen te ontvangen, en met dezelfde dauw en regen, die op hun harten viel, bevochtigd te worden? Als de ziel hier is, kan zij zeggen: “Zie mij aan, wees mij genadig naar het recht van degenen, die Uw naam beminnen”. Heere, geef van mijn ziel een deel van die zegen, welke de werking Uws Geestes in de harten Van Uw kinderen brengt. Als het kind Gods duidelijk de werkingen van de Geest in het hart van anderen bemerkt, verlangt zijn hart dat iets van diezelfde kracht op hem rusten mag, dat dezelfde vruchten des Geestes mochten voortgebracht worden in zijn hart, in zijn woorden en in zijn leven. Zalige stand om in te verkeren!

Veilige plek om mee bekend te zijn! Het is verreweg beter dan dat vals vertrouwen en die trotse verzekerdheid, waarin velen roemen, die nooit twijfelen of vrezen; altijd hun aandeel zien, en op de genadegaven van Gods verbond aanspraak maken; durven zeggen: “Mijn Vader”, “mijn Jezus”, met onbeschroomde adem, terwijl zij misschien een half uur tevoren zich in allerlei ongerechtigheid wentelden, terwijl hun harten zo begeerlijk zijn, als de duivel ze maken kan, en hun handen bezoedeld met alles, waarmee deze wereld hen kan verontreinigen. Gods volk kan dit pad niet bewandelen. Zij kunnen deze bergen niet beklimmen, op welke dauw noch regen is. Wanneer zij in een rechte stemming zijn, is dit hun plek: aan de voetbank der genade neer te liggen, wachtende tot God hun vrees verdrijft, of zij ooit naar de hemel zullen gaan, geringe gedachten van zichzelf te hebben, als de onwaardigste der onwaardigen, als de zwakste der zwakken, niet aanmatigend, maar slechts zuchtend hun begeerte de Heere te kennen gevend, dat Hij hun genade, gunst en goedheid mocht bewijzen.

Misschien zijn er sommigen hier, die in deze toestand zijn. Zij hadden misschien harde gedachten van zichzelf, omdat zij niet tot die hoogte van verzekerdheid kunnen komen, als waarvan sommigen spreken; omdat zij de gezangen, die in sommige vergaderingen gezongen worden, niet kunnen mee zingen; omdat zij de stoute taal, die zij van de lippen van anderen horen, niet kunnen gebruiken; en zo worden zij soms beproefd, veroordeeld en in hun gevoel gewond, of zij de liefde Gods in het geheel in hun harten hebben. Nu, indien hier zulk iemand is, kunt gij niet enige der gevoelens, die ik beschreef, iets der bevinding, die ik trachtte voor te stellen, in uw hart vinden? “Zie mij aan”, is dat niet de wens van Uw ziel? Gij kon dat gebed niet uitspreken, voordat de Heere u levend maakte. Voor gij dat gebed kunt uitspreken moet gij te geloven hebben, dat de Heere Zijn volk aanziet. Gij moet de wens in uw hart hebben, dat de Heere Zijn volk aanziet. Gij moet de wens in uw hart hebben, dat de Heere u bijzonder zegenen en begenadigen mocht. Gij moet gespeend zijn aan alle gerechtigheid, wijsheid en kracht van het schepsel, en tot de Heere opziende, opdat ‘ Hij u zegene met die zegen, die rijk maakt. Ziet gij niet hoe liefderijk en teer de Heere voor Zijn volk is?

Ziet gij niet, dat zij het enige volk op het gelaat des aardrijks zijn, welker lot te benijden is? Ontsnapt niet soms deze bede uw hart – zij het niet met die woorden, dan toch in wezen: “O, dat Gij mij mocht aanzien! Hoewel ik een arme ellendige, een schuldige zondaar, een afwijker, een boos afgodendienaar ben, hoewel ik waardig ben van Uw tegenwoordigheid verbannen te zijn, hoewel ik verdien onder Uw voeten vertreden te worden – echter zie mij aan! Wat mijn ziel wenst is – dat Gij mij mocht zegenen, dat Gij mij Uw genade mocht bewijzen, dat Gij Uw liefde in mijn hart mocht uitstorten, dat Gij met Uw eigen lippen mocht spreken, en mijn hart toefluisteren: Vrees niet, gij bent de Mijn.”

En als gij in het Woord Gods leest, of van de lippen van een of ander prediker der bevindelijke waarheid, de ondervinding hoort van Gods volk, van hen die de Heere werkelijk gezegend heeft; als gij hoort van de regen en dauw van de hemel, die op hun zielen nederdaalt, en hoe de verborgenheid des Heeren over hun tent blijft – is er dan niet in de harten van enige van Uw een brandend verlangen, dat de Heere u zo mocht zegenen, zich zo aan u mocht openbaren, dat gij waarlijk dezelfde dingen in uw eigen hart mocht genieten, door een toepassing daarvan met kracht aan uw geweten?

Gij nu, die iets van deze dingen in uw ziel kent, mag, en zult zeker en inderdaad veracht worden door trotse hoogleraars, gij mag door hen vernederd, onder de voeten getreden, uitgeworpen worden als niets wetende; maar maak er staat op, gij, die iets van deze gevoelens, wensen en oefeningen door Goddelijke onderwijzing kent, gij hebt meer ware godsdienst, meer levende godsvrucht in uw harten, dan al deze hoogmoedige en trotse hoogleraars. ja, er is meer ware godsvrucht, meer levende godzaligheid in een zuchten, roepen, en klagen, in een eenvoudige bede uit een zich afmattend hart aan de voetbank der genade, dan in de stoute taal van al de huichelaars der wereld samen.

Er is meer van het werk van de Heilige Geest in het geweten van een zondaar, die belast, geoefend, bestreden en bedroefd tot de troon der genade gaat, daar tot een bloedenden Jezus opziet en naar een toepassing van Diens verzoenend bloed aan zijn geweten verlangt, dan er is in al de trotse eisen, die duizenden met trotse lippen gedaan hebben. Hier hebben wij, in het Woord der Waarheid, hier hebben wij de bevinding van een heilige Gods, door de hand des Geestes geleid, voor ogen, hier hebben wij de verzuchtingen van een teer geweten, de zuchten van een verslagen geest, de uitdrukking van een gevoelig hart.

Kunt gij nu de uw daar vinden? Beschouwt en ziet of gij iets van de bevinding uit de 119den Psalm in uw ziel vinden kunt. Bekommer er u niet over wat de mensen van u, noch wat zij tot u zeggen; neen, noch zelfs wat uw eigen hart in uw eigen boezem mag zeggen. Maar kunt gij in eerlijkheid, eenvoudigheid, en Goddelijke oprechtheid Davids gevoelens in uw boezem, Davids gebed in uw hart, Davids verzuchtingen in uw ziel vinden? Als dit zo is, dan heeft God u een gelovige gemaakt. Als dit zo is, dan bent gij onder de Goddelijke onderwijzing. Als dit zo is, dan is Davids God uw God; en zo zeker als David in de heerlijkheid is, zo zeker zult ook gij in de heerlijkheid zijn.

Maar wat een godsdienst betreft, die niets van deze dingen kent, noch zuchten, noch roepingen, noch verzuchtingen, noch klachten, noch verlangens, noch smachtingen, noch verbrijzelingen, noch vertederingen, die noch boetvaardigheid, noch teerheid, noch droefheid naar God, noch begeerte om Hem te behagen, noch vrees om Hem te beledigen kent – weg er mee! Werp ze in de rivier! Begraaf ze in de eerste mesthoop, die gij voorbij komt! Hoe spoediger men ze kwijt raakt, hoe beter. Godsdienst zonder hemelse onderwijzing en de verborgen werkingen des Geesten; zonder een geweten, dat in de vrees des Heeren teer gemaakt is; zonder de Geest van het gebed in het hart; zonder verzuchtingen tot de Heere; zonder de wens Zijn liefde te ondervinden, en een gevoel van Zijn genade en goedheid te genieten al zulke godsdienst is bedrog en misleiding.

Zij begint in het vlees en zal in het vlees eindigen. Het is alles wat de mens kan voortbrengen; en daar de Heere zegt: “Vlees en bloed kan het koninkrijk Gods niet beërven,” zo kan de vleselijke godsdienst dit ook niet. “Het vlees is niet nut; de woorden, die Ik tot u spreek,” zegt de Heere, “zijn geest en leven”. Maar indien er binnen deze muren enige zijn, die iets van deze vruchten in hun zielen weten aan te wijzen, iets van deze bevinding in hun harten door de Geest Gods daargesteld, gij bent behouden, hoewel gij het zelf misschien niet kunt zien; gij bent in zekerheid, hoewel uw harten soms mogen beven en vrezen. Want de Heere, Die het werk begonnen heeft, zal het voortzetten, en tot gehele volmaaktheid brengen, zal u hier met een aangename ontdekking Zijner genade en liefde begunstigen, en u bij de uitkomst en eeuwig met een gewicht van heerlijkheid zegenen.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.