Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Een dringende vraag en een goedgunstig antwoord

Zeg mij aan, gij, dien mijn ziel liefheeft! waar gij weidt, waar gij de kudde legert in de middag: want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden van Uw metgezellen? Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! Zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen. Hooglied 1:7, 8.

Het is zeer schoon en niet minder nuttig, de onderscheiden wegen op te merken, waarin het de God aller genade behaagd heeft Zijn raad en wil in de Schriften der waarheid aan de mensenkinderen te openbaren. Beschouwt eens een weinig nauwkeurig uw bijbel uit dit oogpunt. Welk een wondervol boek is het! en niet minder wondervol in haren inhoud en heerlijke waarheden, welke als met goddelijke glans op elke bladzijde blinken en schitteren, dan om de verbazende verscheidenheid waarin deze inhoud wordt ontvouwd voor ons verlicht verstand, en deze heerlijke waarheden voor onze geestelijke beschouwing worden opgeheven. Deze verscheidenheid is geen zaak van toeval, of van menselijk pogen, maar een vrucht van hemelse genade, ontsproten uit goddelijke. wijsheid, en tot een bijzonder doel bestemd, opdat God ons meer helder in Zijn raad en wil zou onderwijzen. Laat mij dan een paar minuten wijden aan de opluistering van deze bijzondere hoofdtrek der Schrift, omdat ik graag de wijsheid en genade Gods aantoon in de openbaring van zichzelf in het woord der waarheid.

1. God onderwijst ons dan, soms door geschiedenis of heilige verhalen, gelijk wij die gebruikt vinden in de geschiedkundige boeken van het Oude Testament, en in de Evangeliën en de Handelingen der Apostelen in het Nieuwe. Wat zouden wij geweten hebben van de schepping en de zondeval des mensen; van de verdelging der oude wereld door de zondvloed; van Noach en zijn huisgezin in de ark; van de roeping van Abraham; van het verwekken en bewaren van een bijzonder volk in de kinderen Israëls van geslacht tot geslacht, opdat uit het geslacht van Juda en de lendenen Davids, naar het vlees, de beloofde Messias in de wereld komen zou, zonder de geschiedkundige boeken van het Oude Testament? Wederom, wat zouden wij, zonder de Evangeliën, geweten, ten minste volledig en duidelijk geweten hebben van de heilige ontvangenis, de nederige geboorte, het leven, lijden, de smartelijke dood, de heerlijke opstanding en hemelvaart des Heeren Jezus Christus?

Vanwaar anders dan uit het Evangelie zouden wij kennis gedragen hebben van de onbegrijpelijke wonderen, de onderwijzende gelijkenissen, de dierbare redevoeringen, de angsten in de hof, het bloedzweet, de offerande en het lijden van onze allerdierbaarste Heere? En vanwaar anders dat uit de Handelingen der Apostelen, zouden wij iets te weten zijn gekomen aangaande de uitstorting van de Heilige Geest en de verbreiding van het Evangelie tot Jeruzalem; omtrent de vervolgingen en het lijden der eerste Christengemeenten in onderscheiden plaatsen, en van de zegen, die op de bediening der Apostelen rustte?

2. Maar het heeft God goedgedacht, deze wijze van onderricht te wijzigen, en ons te leren door beelden en schaduwen, zoals in het paaslam, de wolkkolom, in de tabernakel en de ark des verbonds in de woestijn, in de geelkoperen slang, in de zondebok en doorgaans in de gehele reeks der Levietische plechtigheden, ceremoniën en offeranden.

3. Maar laat mij als een volgend voorbeeld van deze verscheidenheid van onderricht melden, hoe het God behaagd heeft ons te leren door profetie, gelijk in de gehele reeks der profetische Schriften, van Jesaja af tot Maleachi toe in het Oude Testament, en in het boek der Openbaring in het Nieuwe. Ons zijn alzo q voorspellingen verschaft van talloze gebeurtenissen, die of reeds vervuld zijn, gelijk die welke betrekking hebben op de eerste komst van de Messias, of nog vervuld moeten worden in zijn tweede komst; en ons daarin helt sterkste bewijs gegeven voor de waarheid en Geestelijke ingeving van Zijn heilig Woord.

4. Soms heeft Hij ons onderwezen door dichterlijke opstellen van Godsmannen van de ouden dag, wanneer zij hun klachten uitstortten, of hun vreugde vermeldden in “psalmen en lofzangen en geestelijke liederen” – gelijk b.v. het lied van Mirjam, Mozes en Hanna, en vooral dat gezegend schathuis van Christelijke bevinding, het Boek der Psalmen.

5. Soms heeft Hem goed gedacht, ons te leren door spreuken, zinrijke spreekwijzen en korte gezegden, waarin het Hem behaagd heeft veelomvattende diepten van zedelijke en geestelijke onderrichting te besluiten – gelijk in het boek der Spreuken en de Prediker.

6. Soms heeft Hij goed gevonden ons door brieven te onderwijzen, gelijk in de Zendbrieven van het Nieuwe Testament, waarin wij de hoofdwaarheden van ons allerheiligst geloof zo gezegend zien voorgesteld, en de hoeksteen, als het ware, opgesteld van goddelijke voorschriften en goddelijke praktijk, om het gebouw der leer en der bevinding te bekronen.

7. En in één geval heeft het Hem behaagd ons te onderrichten door een lied – een heilig lied – “het Hooglied”, of “het Hooglied van Salomo” geheten, maar hetwelk wij uit haren algemene aard, in allen goddelijke eerbied, liever een heiligen of gewijde herderszang zouden noemen; want wij vinden er een soort van toneelachtige voorstelling in van de onderlinge liefde en heilige gemeenschap van Christus en Zijn Gemeente, onder het beeld van een Bruidegom en een Bruid, die in onderscheiden tonelen en plaatsen elkaars aangenaam gezelschap genieten.

Uit dit gedeelte dan van de Heilige Schrift, deze levende en beeldsprakige voorstelling der hemelse liefde, zal ik trachten, met Gods hulp en zegen, tot u te spreken over de woorden, die ik u reeds heb voorgelezen.

Wij vinden bier twee sprekers – de een is de Bruid, die de Bruidegom vragende aanspreekt, en de andere is de Bruidegom, die haar vraag beantwoordt. Deze eenvoudige verdeling dus van vraag en antwoord zullen de twee hoofdpunten van mijn onderwerp uitmaken.

I. Vooreerst dan hebben wij een dringende vraag van de Bruid, die verlangt te weten waar haar Bruidegom de kudde legert op de middag; want zij kan de gedachte niet verdragen dat zij zou zijn “als een, die zich bedekt bij de kudden Zijner metgezellen”.

II. Ten tweede, het goedgunstig antwoord dat van Zijn lippen afvloeide, want als zij de bepaalde leger en weideplaats niet kende, zou zij uitgaan “op de voetstappen der schapen, en haar geiten weiden bij de woningen der herderen”.

I. Maar voordat wij ons tot de dringende vraag der Bruid bepalen, gelijk wij gezegd hebben, zal het nodig zijn een weinig te letten op haar hoedanigheid; omdat, ofschoon de Bruid de gemeente Gods in haar samenvoeging voorstelt, het echter één lichaam en één Geest is” (Efeze 4: 4); haar zuchten en zangen, gebeden en lofliederen, worstelingen en veroveringen, droefheden en verheugingen, zijn slechts weerkaatsingen van, en komen ten nauwste overeen met de bevinding van elke heilige Gods.

1. Zo staat zij in het Woord der waarheid en vooral in dit heilig toneel voorgesteld, niet slechts als de gehele Gods familie in haar samenvoeging afbeeldende, maar de aard en de bevinding van elk kind Gods in het bijzonder afschaduwende. Gij mag uzelf dan persoonlijk en afzonderlijk vergelijken bij de omschrijving welke de Heilige Geest hier gegeven heeft van de gemeente Gods in haar innigste bevinding. Hij heeft haar de sluier van het aangezicht en het hart afgenomen, zodat gij de gelaatstrekken van bet een kunt zien en de kloppingen van het andere kunt gadeslaan; en wanneer, gelijk in het water, aangezicht op aangezicht weerkaatst, kunt gij uw wezenstrekken in haar wezenstrekken zien, en uw hart in haar hart lezen; mag gij, in zoverre, met Gods hulp, enige troost en aanmoediging putten, als bezittende schriftuurlijke gronden, om te geloven dat gij een levend lid bent van het geestelijk lichaam van de Heere het Lam.

a. Nu is een wezenstrek, en een zeer voorname wezenstrek van de gemeente, haar vernedering; de nederige plaats die zij inneemt, en de taal der zelfveroordeling welke zij bezigt. Zij zegt: ziet mij niet aan, omdat ik zwart ben, omdat de zon mij heeft beschenen” (Hoogl. 1: 6). Zij had door goddelijke onderwijzing een gezicht gekregen van haar algehele schipbreuk en verwoesting in Adams val, en van de gevolgen die daaruit ontstonden door de machten en de uitwerkselen der verzoeking. In een vrouw is een helder, fraai, levendig, teer uiterlijk een bijzondere schoonheid en aantrekkelijke bekoorlijkheid. Maar zij was in haar eigen ogen “zwart”.

Donker en zwart was haar vel, gelijk dat van de Afrikaanse negers, bij haar ingebrand door de verschroeiende zon, die al haar tedere delen van haar eens zo schoon en rooskleurig gelaat hadden opgedroogd. Zij kon het niet verdragen naar haar eigen taankleurig en verbrand gezicht te zien, en riep daarom uit: “Zie mij niet aan omdat ik zwart ben. Ik ben het geringste blikje van Uw goedgunstig oog onwaardig. De zon der verzoeking heeft mij beschenen en de vuile driften en de gruwelijke verdorvenheden van mijn gelaat hebben mijn huid zwart gebrand; ik ben geen geschikte Bruid voor U, die “schoner’ bent dan de mensenkinderen”; want hoe kan zwart zich met wit verbinden? en ik ben zwart”.

Maar om dit gevoel van haar zwartheid meer treffend voor te stellen, vergelijkt zij zich bij “de tenten van Kedar”, een plaats in de woestijn van Edom, waar de rondtrekkende herders in tenten woonden van kemelshaar vervaardigd, en daarom niet alleen zwart uit de oorspronkelijke kleur van de grondstof, maar daarenboven door de stralen van de brandende zon, en bemorst door de rook der tent en het stof der woestijn. Zodanig was zij in haar ogen – “zwart”, als geheel geweven met zonden in Adams val; “zwart”, als door de zon der verzoeking ineengekrompen en verschroeid; “zwart”, als bernorst met de dagelijkse rook van inwendige verdorvenheden; “zwart”, als altijd bezoedeld door het stof van deze goddeloze wereld.

In plaats van haar dus als schoon en bevallig te beschouwen, bezag zij zich liever gelijk Job deed, toen hij uitriep: “Ziet, ik ben onrein;” gelijk Jesaja, toen hij zei: “Wee mij! want ik verga!” en gelijk Daniël, toen zijn bevalligheid in hem tot verdorvenheid werd veranderd.

b. Maar met deze gehele beschouwing van haar eigen zwartheid, die haar tot in het stof verootmoedigde, had zij een gezicht en enige bevindelijke kennis en genot van haar aandeel in Christus; zij wist dat er iets meer en beter in haar was dan zwartheid, want zij kon er bijvoegen: “Ik ben zwart, doch liefelijk,” ja zelfs zo liefelijk “als de gordijnen van Salomo”.

Wij lezen in dit boek van Salomo’s bed, en ons is een beschrijving gegeven van haar wachten: “Zie, het bed dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden Israëls”. Maar wanneer wij de vertaling der Engelse kanttekening van “bed” in plaats van “koets” in een volgend vers aannemen, dat meer in verband schijnt te zijn met de tekst en de beschrijving zelf, zo vinden wij een allerboeiendst tafereel van de sieraden in het behangsel van dit bed. “De koning Salomo heeft zich een bed gemaakt van het hout Libanons.

De pilaren maakte hij van zilver, de vloer van goud, het gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren Jeruzalems.” Is die laatste tint aan, de schilderij niet meer passend voor een bruidsbed dan voor een “koets” of draagkoets, gelijk sommigen dat woord verklaren? Nu moeten “de gordijnen” van dit bed even schoon geweest zijn als de vier zilveren pilaren aan elke hoek, de vloer of voorname grondslag van goud, en het gehemelte of deksel over het geheel gespreid van purper, de sprei van Tyrische kleur, die alleen door koningen en vorsten gedragen werd.

Daar er in die dagen een groot handelsverkeer tussen Judea en Indië bestond, en Salomo’s schepen van Tarsis naar Ofir voeren, is er grote waarschijnlijkheid, dat deze gordijnen van de schoonste Indische stof vervaardigd waren. Zij kunnen zelfs vervaardigd geweest zijn van shawls uit de weverijen van Cashemier, die kostbare voorwerpen, die de schouders van koninginnen en vorstinnen zelfs versieren.

Maar welk een tegenstelling tegenover de tenten Kedars! Kunt gij u eerst die “tenten Kedars” voor ogen stellen, een lage, zwarte, stoffige groep herderstenten, die in de woestijn opgeslagen zijn midden onder blatende kudden en overeenkomst hebben met een roversverblijf? . Zodanig was de Bruid in haar zelf. Zie nu eens in Salomo’s paleis, en bezie de gordijnen van zijn vorstelijk bed. Hoe rein, hoe prachtig, hoe schoon! Zodanig was de Bruid in Christus.

c. Maar er zijn andere wezenstrekken op haar gedrukt, en een van een zeer opmerkelijke aard. Ik zal straks gelegenheid hebben bij dit punt meer bepaald te vertoeven; ik zal daarom deze wezenstrek van haren aard slechts aanstippen. Zij bezat dan grote liefde tot de Heere Jezus, want zij kon zeggen: Gij, dien mijn ziel lief heeft. Haar mond drukte hier uit wat haar hart gevoelde, want zij kon zeggen dat haar innigste ziel Hem liet had. Indien nu iemand geen liefde hoegenaamd tot de Heere Jezus heeft, heeft hij geen recht om zich voor een Christen te houden of te noemen.

Haal ik het koord te nauw dicht wanneer ik dit zeg? Is mijn toetssteen te gestreng? Laat mij u vragen, hebt gij nimmer gepeinsd over dat plechtige woord van Paulus: “Zo iemand de Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij een vervloeking – of Anathema?” Is mijn zwaard scherper dan dat van Paulus, of mijn toetssteen gestrenger dan de zijne? Indien dan een mens, die belijdt de waarheid voor zichzelf te kennen door enige ervaring, van haar kracht nooit iets van de liefde des Heeren heeft gekend uit enige ontdekking van Zijn Persoon en werk, genade en heerlijkheid, dan mag ik wel vragen of hij enig welgegrond bewijs van zijn aandeel in zo groot een zaligheid en in zulk een gezegenden Zaligmaker bezit?

d. Behalve deze liefde was er nog een andere gelaatstrek op haar beeld uitgedrukt, waarop ik reeds gedeeltelijk gezinspeeld heb – grote oprechtheid. Zij kon Hem aanroepen als een die haar gehele hart kende: “Gij, dien mijn ziel lief heeft.” Zij gevoelde wat Petrus gevoelde, toen de Heere in zekere mate, gelijk Petrus vreesde, zijn liefde scheen te betwijfelen. Zijn eigen oprechtheid kennende, en bewust zijnde dat de Heere die eveneens kende, riep hij uit: “Heere, Gij weet alle dingen; Gij weet dat ik U lief heb”.

Zo voelde de Bruid niet slechts de warmen gloed der liefde in haar borst branden, maar was zo zeker dat het daar aanwezig was, dat zij er zich voor Hem op beroepen kon, dat zij oprecht was in de uitdrukking daarvan. Het was daarom geen liefde in woorden of der lippen, maar inderdaad en in waarheid; geen liefde der lippen, maar een liefde van het hart – een liefde welke Hij zelf in haar borst ontstoken had, en haar had te kennen gegeven als Zijn eigen werk en gift, de vrucht van Zijn eigen genade.

e. Maar ziet nu op een anderen gelaatstrek die van haar beeltenis afstraalt onder de levendige behandeling van de gezegenden Geest; zij was hongerig, want zij vroeg Hem haar te zeggen waar Hij de kudde weidde, omdat zij naar hemels voedsel zocht.

f. Maar zij was ook vermoeid van de zonde en van zichzelf, van de wereld en van alles beneden de wolken, en gevoelde nochtans dat er rust in Christus was: want zij vroeg Hem haar te zeggen waar “Hij de kudde legerde in de middag”.

g. De laatste gelaatstrek, welke ik nu noemen zal is haar ijver en goddelijke vrees over haar zelf. Zij vreesde opdat zij niet afgeleid zou worden van het rechte en nauwe pad, van haar getrouwheid en haar liefde, en op generlei wijze misleid zou worden, om iets te zeggen of te doen, dat schijnen zou een afwijken te zijn van haar gewillige gehoorzaamheid aan de Heere, van haar hart en genegenheden.

Kunt gij nu enige of al deze zeven kenmerken der genade in uw ziel vinden, dat gij zelf vernederd bent; dat gij een getuigenis van uw aandeel in Christus bezit; dat gij de Heere Jezus liefhebt, dat gij oprecht bent; dat gij hongerig bent en naar spijze verlangt; dat gij vermoeid bent en rust zoekt, en ijverig over uzelf bent met een goddelijke ijver, opdat gij niet van de rechte paden des Heeren wijkt? De banier die ik opgericht heb is niet zeer hoog, maar niettemin waarachtig en schriftuurlijk. Indien gij dan deze zeven kenmerken in uw ziel kunt vinden, daarin gewrocht door goddelijke kracht, bezit gij zover een schriftuurlijk bewijs, dat gij er één bent wie de Bruid hier voorstelt, en zult daarom in staat zijn meer ten volle en duidelijk in te dringen in haar vraag, en in ‘s Heeren antwoord.

2. Laat ons nu zien op haar vraag: zeg mij aan,” zegt zij, “Gij, dien mijn ziel liefheeft”. Gij ziet hoe dringend zij was, om een woord van de Heere te bekomen. Dit kon ik ook genoemd hebben als een bijzonder kenmerk van een ziel onder goddelijke onderwijzing: haar ernst, haar verlangen om van God geleerd te worden, een getuigenis uit de mond des Heeren te bekomen, een bewijsgevend woord van ‘s Heeren eigen lippen. Zij kon niet verzadigd worden met een getuigenis van mensen, of bevredigd met zulke onderrichting als zij uit de mond van anderen kon bijeenbrengen. Niets minder dan de Heere zelf met kracht tot haar ziel sprekende, kon haar een hechte voldoening geven. Was gij daar ooit? Weet gij wat het is dikwijls op uw knieën smekende tot de Heere te zijn, om tot uw ziel met kracht te spreken?

Zij beroept zich dan op Hem, waarom Hij dus tot haar zou spreken? want het was hij haar een zaak van dringend vragen. Zij zou voor de gehele wereld niet bedrogen willen zijn. Zij wist dat alles op het spel stond, en haar ziel, derzelver zaligheid en heiligmaking in de waagschaal zettende, kon niets haar bewegen van dit stuk af te stappen, dat het de Heere moet zijn, en de Heere alleen, die haar smachtend verlangen kon bevredigen, door een woord tot haar ziel te spreken.

En merkt de grond waarop zij zich op Hem beroept. Het is de grond der liefde. Zij wilde zeggen: “Ik kom niet voor U als een vreemdeling, als een vijandin, als een tegenstandster, als een die geen kennis van U heeft, of van wien Gij geen kennis hebt; maar als een die U liefheeft – niet in woorden, of met de mond, of in belijdenis, maar in mijn diepste ziel, uit enige meedeling van Uw liefde aan mijn hart.” Kunt gij nu voor de Heere komen op een en dezelfde grond van liefde en genegenheid tot Zijn dierbare naam, en even oprecht, zo niet even vurig en even teder met haar zeggen: Zeg mij aan, Gij, dien mijn ziel liefheeft?”

Is uw antwoord: Ja, dat kan. Gij moet enige grond voor uw antwoord bezitten. Over liefde wordt gemakkelijk gesproken, zij wordt gemakkelijk beleden, en wellicht wordt niets meer nagebootst; maar over liefde te praten is lief te hebben met de mond en de tong; de liefde die vereist wordt is inderdaad en in waarheid. Nu, wat vormt de grond der liefde? want wij beminnen noch natuurlijk noch geestelijk om niets. Als wij verlieven, zoals het geheten wordt, is er enige grond voor, iets aantrekkelijks, beminnelijks, innemends, liefelijks in het geliefde voor werp.

Zo moet gij, voordat gij de Heere kunt liefhebben, iets in Hem gezien hebben om Hem lief te hebben. Gij moet, bijvoorbeeld, door het geloof een gezicht gehad hebben op Zijn eeuwige Godheid en Zoonschap, als de enig geboren des Vaders, vol van genade en waarheid. Gij moet een gezicht gehad hebben van Zijn heilige, lijdende, en reine mensheid, en Hem enigermate aanschouwd hebben als “een man van smarten en met droefheden bekend”, in Gethsemané’s sombere hof, of op het folterend kruis van Calvarië; en gij moet ook enige ontdekking van uw geloof gehad hebben, van Zijn samengestelde Persoon als Godmens, Immanuël, God met ons, aan de rechterhand des Vaders, in heerlijkheid en majesteit.

Nu zeg ik niet dat de heiligen van het Oude Testament een even heldere ontdekking van de Persoon en het werk van de verlosser hadden als zij, die sedert Zijn verschijning in het vlees leven; echter heeft Abraham verlangd de dag van Christus te zien, en hij heeft hem gezien en was verheugd; en Job wist dat zijn Verlosser leefde. Dus had de Bruid, sprekende onder goddelijke invloed des Geestes, en de Gemeente van Christus voorstellende, ongetwijfeld een gezicht van de heerlijke Persoon van haren Beminde, want zij zegt, in dit boek een beschrijving van Hem gevend: “Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend”.

Zij moet dan een gezicht gehad hebben van Zijn heerlijke Persoon en overtreffende schoonheid. Ook was zij niet zonder enige bewustheid van Zijn liefde, want zij zegt: “Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn” (Hoogl. 1: 2); en voegt er, na een gloeiende beschrijving van Zijn Persoon bij: “Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem” (Hoogl. 5: 16). Wij kunnen dan niet twijfelen, dat de Bruid, die de Gemeente voorstelt, de Bruidegom liefheeft, niet van een beschrijving die zij had horen zeggen, maar uit een genadige ontdekking van Zijn hemelse schoonheid.

Maar behalve deze aantrekkelijkheid in het voorwerp dat de harten en genegenheden wint, moet er enige kennisgeving bestaan van Zijn eigen lippen, dat Hij ons liefheeft, zowel als dat wij Hem liefhebben. Hoe pijnigend is onbeantwoorde liefde, gelijk menige arme verliefde maagd tot stervens toe gevoeld en gekend heeft. Hoe smartelijk, hoe kwellend voor man of vrouw, te beminnen en niet wederbemind te worden. Maar geestelijke liefde is nooit onbeantwoorde liefde.

Geen Christelijk hart behoeft te bloeden of te breken onder priemen van liefde, omdat zij slechts van één zijde komen. Dit heeft de Schrift beslist vastgesteld. “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.” Jk heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.” Een kind van God kan vrezen, zoals velen gevreesd hebben, dat de Heere hem niet liefheeft; maar er bestaat geen wezenlijke grond voor, want onze liefde tot de Heere, als wij Hem waarlijk liefhebben, is slechts een flauwe en bleke terugkaatsing van Zijn liefde tot ons.

3. Deze liefde dan, in het hart der Bruid, bewoog en bewerkte haar, om deze dringende vraag te doen: “zeg mij aan,” zegt zij, “waar Gij weidt”. Zij was hongerende, want zij was een van degenen die de Heere zelf zalig spreekt, als “hongerende en dorstende naar gerechtigheid”, en onder het nijpen van dien honger behoefde zij voedsel. De Heere Jezus Christus wordt in het Woord der waarheid voorgesteld als “de goede Herder”. “De Heere is mijn Herder,” zegt David, “mij zal niets ontbreken”. Maar een voornaam werk des herders is de kudde te weiden: gelijk David zegt in de psalm, die ik reeds heb aangehaald: “Hij doet mij neerliggen in grazige weiden”.

En evenzo spreekt de profeet: “Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder” (Jes. 40: 11). Zo belooft de Heere in Ezechiël zelf: “Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Heere Heere” (Ezech. 34: 15). Dus de Heere beschouwende in het beeld van een herder, zegt de Bruid bier: “Zeg mij aan, Gij, dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt,” dat is niet, “waar Gij uzelf weidt, maar waar Gij Uw kudde weidt”. Het is dus bijna alsof zij zei: “Heere, ik ben hongerende: ik heb behoefte aan zielenvoedsel; ik lijd gebrek, verzwak, bezwijk door behoefte ‘naar spijze; ik sterf zonder iets te ontvangen, hetwelk Gij alleen kunt geven.

O zeg mij met Uw eigen lippen waar het is dat Gij Uw kudden legert, opdat ik gaan mag waar zij zijn, en iets van de weide geniet welke Gij hen schenkt.” Verlangt uw ziel immer om dus gespijzigd te worden? Bent gij hier met enige eetlust opgekomen? Hongert gij naar een woord van de Heere dat tot uw ziel gesproken wordt? Zoekt gij naar evangelievoedsel? Bent gij hier gekomen, zeggende in het wezen, zo niet in woorden: “Zegt mij aan, Gij dien mijn ziel liefheeft! waar Gij weidt, opdat mij door uzelf enig voedsel worde geschonken?”

4. Maar als de Heere hen weidt, dan moet Hij iets hebben om hen mee te voeden, dat gepast is voor de honger der ziel. Maar waarmee spijzigt Hij hen? Met verschillende soorten van voedsel, maar allen gelijkelijk voedende en verzadigende voor de ziel – want de spijze die Hij geeft, bestaat uit niets minder dan zichzelf.

a. Soms dan voedt Hij de ziel met Zijn tegenwoordigheid. Dit vervult het pijnlijk ledige; dit doet de honger stillen; dit verzadigt de behoefte; want op Zijn tegenwoordigheid te weiden, is te weiden op zichzelf.

b. Maar Hij voedt hen ook met Zijn beloften; want Hij heeft het Woord der waarheid daarmee vervuld als met zoveel lekkere spijze voor Zijn kudde. Er is geen toestand of geval, beproeving of verzoeking, moeilijkheid of radeloosheid, droefheid of smart, hartkwelling of gemoedssmart, zielendruk of gewetensbeschuldiging, zware beroving of bittere teleurstelling, voor welke er niet een gepaste belofte in het Woord Zijner genade bestaat.

Wanneer dan deze beloften door de goede Herder voor de schapen gelegd worden als hun lekkerste en gepaste spijze, en zij door Zijn genade bekwaamd worden om daarvan te nuttigen, dan worden hun zielen kennelijk verzadigd en versterkt. Dit is het woord der beloften vervullen: “Op een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israëls zal hun kooi zijn; daar zullen zij neerliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen Israëls” (Ezech. 34: 14).

c. Maar Hij voedt hen meer bijzonder met Zijn eigen vlees, en Zijn eigen bloed, want Hij zegt: “Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank;” en wederom: “Wie Mij eet, die zal leven door Mij” (joh. 6: 55-57). Wanneer het dan de gezegende Heere behaagt aan een ziel een kennis, bewustheid van Zijn stervende liefde te ontdekken, wat Hij is als een lijdende Jezus, in onze zonden te dragen in Zijn eigen lichaam aan het hout, en deze liefde en dat bloed aan het geweten toepast, dan is er een spijzigen door het geloof op Zijn vlees en een drinken door het geloof op Zijn bloed.

Dit is “waarlijk spijs en waarlijk drank”, want daarin is het eeuwige leven, gelijk de Heere zelf verklaarde: “Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uiterste dage. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij en Ik in hem” (Joh. 6: 54, 56). Zo gezegend en beweldadigd te worden, is te worden gezegend met de uitgelezenste voorraad van Gods huis en verzegeld te worden voor de hemel, want: “Die dit brood eet, zal leven in eeuwigheid” (joh. 6: 58).

5. De Bruid behoefde niet slechts spijze, zij had ook rust nodig. Gelijk de honger haar naar voedsel deed verlangen, zo deed vermoeidheid haar naar rust begeren. Bent gij nimmer vermoeid van de wereld, vermoeid van de zonde, vermoeid van al het ondermaanse? Zo ja, dan behoeft gij iets dat u rust kan verschaffen. Gij ziet op uzelf; het is slechts drijfzand, hier en ginds weggevoerd met de rusteloze stroom en altijd modder en vuil opwerpende. Geen vaste grond, geen ankerplaats, geen rust is daar aanwezig.

Gij ziet op anderen, gij ziet wat de mens is, zelfs de allerbeste mens in zijn allerbesten toestand, hoe wispelturig, hoe onstandvastig, hoe veranderende en veranderlijk; hoe zwak wanneer hij zelfs helpen wil; hoe veel waarschijnlijker dat hij uw moeite verzwaart, dan dat bij ze verlost; zo hij verlangt medelijden met u te gevoelen en u in uw kommer te troosten en in uw droefheid te schragen, hoe kort is dan zijn arm om te helpen, hoe ongenoegzaam is zijn hulp om te verlossen! Daar vindt gij geen rust. Gij leunt op de wereld: het is een gebroken rietstaf, die uw hand doorboort.

Zoek dus waar gij wilt, er is geen rust voor het hol van uw voet. Maar er is een rust, want het heilige Woord der waarheid verklaart: “daar blijft dan een rust over voor het volk Gods” (Hebr. 4: 9); en onze gezegende Heere zegt: “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven” (Matth. 40: 28). Deze rust is Christus, en vooral Christus in Zijn volbracht werk, gelijk de apostel verklaart: “Wij die geloofd hebben, gaan in de rust” (Hebr. 4: 3); en zulks door het eindigen met onze eigen werken en het betrouwen op die van Christus, overeenkomstig de woorden: want die ingegaan is in Zijn rust, heeft zelf ook van Zijn werken gerust, gelijk God van de Zijn” (Hebr. 4: 10).

Wanneer gij nu volkomen kunt berusten op het volbrachte werk van de Zoon van God, en door een levend geloof vertrouwen dat uw zonden op Zijn hoofd werden gelegd, dat Hij ze in Zijn lichaam droeg op het hout, dat Hij u gewassen heeft in Zijn dierbaar bloed ‘ u bekleed met Zijn gerechtigheid en u heiligt door Zijn genade, dan kunt gij rusten. Er is hier iets vast en stevigs voor het geweten om op te rusten. Terwijl de wet dondert, satan beschuldigt en het geweten veroordeelt, is er geen rust. Maar gij kunt rusten waar God rust. God rust in Zijn liefde, in het volbrachte werk Zijns dierbare Zoons, in de volkomenheid van Christus’ mensheid, in de vervulling van al Zijn verbondsonderhandelingen, in de verheerlijking van Zijn heilige Wet, in de voldoening die aan Zijn gerechtigheid gegeven is, in de overeenstemming van al zijn deugden, in de openbaring van Zijn genade en Zijn heerlijkheid aan de mensenkinderen; want Hij is de geliefde Zoon, in wie Hij een welbehagen heeft.

De tabernakel in de woestijn en later de tempel op de berg Sion, was een type van de reine en heilige mensheid van de Heere Jezus. Daar rustte God op zichtbare wijze in een wolk boven het verzoendeksel, door de joodse schrijvers de Schechinah genoemd. Dit was dus de plaats Zijner rust, gelijk Hij spreekt: “Want de Heere heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: “Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd” (Ps. 132: 131 14).

Gelijk dan de Schechinah of de tegenwoordigheid Gods op de ark rustte, en gelijk de heerlijkheid Gods in een wolkkolom rustte op de tabernakel, zo rust de heerlijkheid Gods op de Heere Jezus Christus; en wanneer gij kunt rusten waar God rust, dan gaat gij in de rust, en rust van uw eigen werken, gelijk God van de Zijn.

Dit is een heerlijke rust, want wij lezen: “de heidenen zullen daarnaar vragen, en zijn rust zal heerlijk zijn” (Jes. 11: 10); en: “een troon der heerlijkheid, een hoogheid van oudsher, is de plaats van onze heiligdoms” (Jer. 17: 12). “De Heere zal genade en ere geven” (Ps. 84: 12); en deze ere geeft Hij Zijn volk als zij geloven in de Zoon van God tot het eeuwige leven, gelijk Hij zelf zei: “En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij mij gegeven heb” (Joh. 17: 22). Hebt gij niet dikwijls gezwoegd en gearbeid om uw eigen gerechtigheid op te richten? En wat was het einde van al uw arbeid, de vrucht van al uw zwoegen?

Dienstbaarheid, schuld, vrees, vermoeidheid, onvoldoening, teleurstelling. En hebt gij niet soms gezocht om een weinig vermaak te scheppen uit de tijdelijke en zinnelijke dingen, een weinig gemak, enige rust te verkrijgen, gelijk een ziek mens een nieuw geneesmiddel beproeft, of gelijk een vermoeide invalide een andere houding? Maar het is geen herstel voor de zieken man, geen rust voor de vermoeiden invalide. Zo kon geen verandering van plaats of streven, geen slaapbol van het veld, of kruid uit de apotheek u de rust en de vrede verlenen, die gij behoefde. Ook zult gij ze nimmer vinden dan in de Zoon van God.

Maar de Bruid in de tekst genoot deze rust niet, ten minste destijds niet, of waarom behoefde zij anders de dringende vraag te ontboezemen: “Zeg mij waar Gij de kudde legert in de middag”. In die landstreken is de middag niet, gelijk hier, het schoonste gedeelte van de dag, wanneer wij, zelfs in de zomer, wanneer het niet al te heet is, naar buiten gaan in de open lucht. In die verzengde luchtstreken is de middagzon iets verschrikkelijks voor mens en dier.

Allen wijken zij naar een schuilplaats, want deze brandende stralen steken met zulk een vreselijke kracht, dat mensen soms dood neerstorten, door hetgeen men een zonnesteek noemt, of door hersenziekte worden aangetast. De herders leiden daarom, wanneer de middaghitte hun kudde begint te doen kwijnen en hun tongen te laten hangen van dorst en vermoeidheid, hen onder een koele rots, of onder de dikke takken van enige schaduwachtige boom, zoals de vijgenboom van Indië, waar zij schaduw vinden tegen de hitte, en hun spijze met gemak kunnen afeten.

Eveneens wanneer de brandende zon der verzoeking in de lucht schroeit; wanneer de middaghitte van de aanvallen van de satan, of de hete stralen van persoonlijke smart en beproeving branden op de onbedekte hoofden der schapen van Christus, zodat die hen doen bezwijken, afmatten en uitputten, verlangen zij naar rust en beschaduwing. “Zeg mij aan,” zegt de bruid, “waar Gij de kudde legert in de middag”. Zij wist dat er een plaats was waar de kudde van Christus in de middag legerde; en waar Hij zelf ze deed legeren.

Maar zij kon die plaats niet vinden zonder Zijn geleide, of als zij die gevonden had geen rust verkrijgen, tenzij Hij die zelf schonk. Zij zegt niet: “Zeg mij aan waar de kudde legert,” maar “waar Gij die legert” want de Heere moet niet alleen zorgen voor grazige weiden en stille wateren, maar zelf de ziel daarbij doen neerliggen en daaraan weiden. Hoe dikwijls hebt gij spijze voor u uitgespreid gehad en kon niet eten; was het leger toebereid en kon gij er niet op slapen.

6. Maar er is een andere gelaatstrek in haar beeld, die, gelijk ik tevoren heb aangetoond, zeer opmerkelijk is: haar goddelijke naijver over haar zelf. “Want waarom,” zegt zij tot haar allergezegendste Heere, “want waarom zou ik zijn als een die zich bedekt bij de kudden van Uw metgezellen?”

Ik moet openlijk bekennen, dat hier een kleine moeilijkheid bestaat, in het verstaan wie deze “metgezellen” voorstellen. Indien wij door deze metgezellen” dezelfde personen verstaan, als waarvan in het laatste hoofdstuk gesproken wordt: “O gij bewoonsters der hoven; de metgezellen merken op uw stem; doe ze mij horen” (8: 13), dan zouden zij schijnen degenen voor te stellen die begunstigd zijn om gemeenzaamheid en gemeenschap met de Heere Jezus Christus te oefenen, en wijl zij kudden hadden, zouden zij de onderherders, herders der gemeenten, bedienaars der waarheid afbeelden, die de Grote Herder over de onderscheiden delen der schaapskooi hier beneden gesteld had, opdat zij ze spijzigen zouden met hun passend voedsel. Indien dit de juiste uitlegging is, zou de vraag kunnen oprijzen hoe zij van de Heere kon afdwalen, als zij zich bedekte bij de kudde zijner metgezellen, want bij hen zijnde zou zij schijnen zich op haar rechte plaats te bevinden.

Wij kunnen voorzeker bezwaarlijk verkeerd zijn of ter zijde afdwalen van de Heere, als wij wandelen in gemeenschap met zulken, die zelf in nauwe gemeenschap met Christus wandelen. Zegt Johannes niet: “Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden” (1 Joh. 1: 7).

Volgens dit getuigenis dan, is gemeenschap te hebben met de heiligen Gods nauw verbonden aan het wandelen in het licht van Gods aangezicht en het genieten van de toepassing van het verzoenbloed om van alle zonden te reinigen. Als wij dus “de metgezellen” verklaren als de metgezellen van Christus – de vrienden van de Bruidegom die, volgens de joodse gewoonte, hem op het huwelijksfeest vergezelden (Richt. 14: 11; Joh. 3: 29), moeten wij een kleine wijziging of omzetting in de woorden maken en het aldus lezen: “Waarom zou ik, bij de kudde van Uw metgezellen, zijn als een die zich bedekt?” Alsof zij zei: waarom zou ik, met al mijn voorrechten, als zijnde onder de kudden Van Uw metgezellen, begunstigd met gemeentezegels en kerkgemeenschap, voortdurend de dienaren van uw eigen zending horende, en wandelende in zalige vereniging met het volk Van Uw eigen verkiezing, – waarom zou ik, zo in grote mate beweldadigd, zijn als een die zich bedekt?”

Deze verklaring zou, als wij ze aannemen, een goede evangelie kennis dragen, want er bestaat een neiging, zelfs onder Gods kinderen, om op voorrechten te berusten, op sacramenten te bouwen, en te denken dat zij, omdat zij bevoorrecht worden met te zitten onder de bediening van het evangelie, of tot een Evangeliekerk behoren, alles wel is tussen God en hun ziel, wanneer er een grote mate van verborgen bedekking kan zijn van de Heere in hun harten en genegenheden. Uw wandel en uw gedrag mogen overeenstemmend zijn; gij mag de strengste nauwkeurigheid in acht nemen op hetgeen men de godsdienstplichten noemt; en echter kan er met dat alles een grote mate van inwendige afdwaling van de Heere zijn.

Ware geestelijke gemeenschap met Gods volk, en vooral met zijn “metgezellen”, of degenen die zeer nabij Hem leven, is, gelijk ik bereids heb aangetoond, nauw verenigd met het wandelen in het licht van ‘s Heeren aangezicht, maar er kan een verbinding met ‘s Heeren volk bestaan, zonder licht te ontvangen van hun lamp of hitte te verkrijgen van hun warmte. De wijze en de dwaze maagden gingen uit om dezelfde boodschap en tot hetzelfde doel. Zelfs een gelovige kan zich met de gelovigen verenigen, en niet dezelfde werkzaamheid van het geloof bezitten; en een beminnaar der waarheid met de beminnaars, en niet dezelfde warmte van liefde gevoelen.

Haar bedoeling dus beschouwende, is het alsof zij zei: “Waarom zou ik zijn als een die drinkt aan de stroom in plaats van te drinken aan de Fontein? wier boos hart zich van u af keert zelfs temidden van de kudden van Uw dienstdoende knechten” – die “welgelukzalige mannen”, die “welgelukzalige knechten”, welke gelijk die van Salomo “voortdurend voor Uw aangezicht staan, die Uw wijsheid horen!” (1 Kon. 10: 8). “O hoe verachtelijk moet mijn hart zijn in tevreden te zijn zonder Uw zalige tegenwoordigheid te genieten, te rusten op enige uitwendige voorrechten, en in en uit te gaan onder Uw volk en Uw dienaren, en echter in het verborgen de fontein des levenden waters te verlaten, en mijzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water kunnen bevatten.”

Zij zag de strik, en schreeuwde om er van verlost te worden. In deze uitdrukking van haar gevoel, zie ik de goddelijke ijver welke de Bruid over haarzelf heeft. Velen, geloof ik, berusten op hun Christelijke voorrechten, hun kerkelijk lidmaatschap, en hun algemene aanneming door het volk Gods, als deelgenoten der genade, zonder enig diepgaand onderzoek van het hart, of zij nabij de Heere wandelen in alle heilige gehoorzaamheid aan Zijn wil en Zijn woord.

Maar waar de ziel kennelijk levende is voor haren eigen geestelijken toestand, en vooral wanneer zij vroeger iets gekend heeft van zalige gemeenschap met de Heere des levens en der heerlijkheid, ziet zij de strik, die zo voor haren voet is gespannen, en zegt: ofschoon ik bevoorrecht ben met te zitten onder een zuivere evangeliebediening; ofschoon ik mij aan het volk Gods aangesloten heb, en door hen liefderijk ben ontvangen en algemeen geacht; ofschoon ik geregeld met hen samen kom, en dikwijls met hen en de leraar over de dingen Gods spreek, nochtans weet en gevoel ik, dat ik al deze voorrechten kan bezitten, en echter een afkerige van hart, een afdwalende van de Heere in mijn genegenheden zijn kan, en niet Zijn zalige tegenwoordigheid inwendig genieten of die geheiligde gemeenschap met Hem hebben, waarmee ik in vorige tijden begunstigd ben geweest. O, waarom zou ik dan, met al deze voorrechten begunstigd, zijn als een die zich van Hem bedekt, zodat ik in plaats van ze te benuttigen, ze liever veronachtzaam en daarop berust, in plaats van te rusten op de Heere?”,

Dat is één zin van de tekst, en verschaft naar mijn oordeel een zuivere, schriftuurlijke, bevindelijke beduiding. Maar neemt een andere – dat deze “metgezellen” geen wezenlijke metgezellen van Christus waren, maar zulken die zulks voorgaven te zijn; en dat die kudden niet in werkelijkheid schapen van Christus waren, maar zulks slechts in schijn, gelijk die waarvan in Ezechiël gesproken wordt: “Want gij, o mijn schapen! de Heere Heere zegt alzo: Zie Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken” (Ezech. 34: 17). Daar verklaart de Heere dat “Hij zal richten tussen klein vee en klein vee”, hetwelk te kennen geeft dat er klein vee” is, die Zijn klein vee niet zijn, en ‘ “tussen de rammen en de bokken”, de sterke en stoutmoedige bokken als onderscheiden van Zijn eigen arme, zwakke en ziekelijke schapen.

De “metgezellen” dan, die deze rammen en bokken weiden, zouden de letterknechten voorstellen, die belijden de waarheid te prediken en metgezellen van Christus te zijn, maar die nooit de vrijmakende, heiligende invloed en de kracht gevoeld hebben van diezelfde waarheid, welke zij prediken. Wanneer dan een teerhartig, nederig, eenvoudig kind Gods op enigerlei wijze onder deze kudde van Christus’ voorgewende metgezellen geraakt, en vooral wanneer hij heimelijk verward raakt met deze letterknechten en met deze letterkerken, gevoelt hij dat er een trapsgewijze wegvoering plaats heeft van de eenvoudigheid van het evangelie. kwade samensprekingen bederven goede zeden,” en een hardheid van het hart en dodigheid of zorgeloosheid des geestes kruipen spoedig over hem.

Terwijl hij dan begint de werking van dit dodelijk werkende vergif te gevoelen, wordt een goddelijke ijver als van haar gemene schapen opgewekt, en de strik ziende beeft hij uit vrees van een afkerige te worden van hart, en verzadigd met zijn eigen wegen te zijn. Hij wordt ijverig over zijn eigen hart, opdat hij niet ter zijde van de Heere worde afgeleid, en tevreden zij met een naam van te leven. “0,” zegt hij, waarom zou ik zijn als een die zich bedekt bij de kudden Van Uw metgezellen?

De leraar laat mijn ziel uithongeren en het volk doodt mijn geest. Hun besprekingen zijn uit de aarde aards, en ofschoon zij belijden kudden van Christus te zijn, welke kenmerken van schapen zie ik in hen? Ik gevoel dat ik ter zijde afdwaal van mijn allergezegendste Heere. Waarom zou ik van Hem afkeren, de bron van al mijn leven en lieven, om verward te raken met de kudden Zijner belijdende en nochtans valse metgezellen? misschien bedrogen worden in mijn belijdenis van het geloof, en hun slecht en verderfelijk volgen, billijk overgegeven worden, mij te vergenoegen met de gedaante in plaats van de kracht, en de letter der waarheid in de plaats te stellen voor de zalige bevinding ervan in het hart?”

II. Maar daar de tijd, die voor niemand stil staat, voortrolt, moeten wij overgaan tot ons tweede hoofdpunt, hetwelk ik voorgenomen had om u voor te stellen, het goedgunstig antwoord van de Bruidegom op de dringende bede der Bruid: “Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen en weid uw geiten bij de woningen der herderen” (Hoogl. 1: 8).

1. Merk in dit genadig en wijs antwoord de vriendelijke en tedere taal op, waarin Hij haar aanspreekt. Zij had zich zelf “zwart” genoemd, maar Hij wil het zo niet hebben. Hij wil haar beschrijving van haar zelf niet toestaan, noch die erkennen als op haar toepasselijk. “Neen,” zegt Hij, “gij bent niet zwart in Mijn ogen, al is het zulks in de uw, maar gij bent de schoonste onder de vrouwen”. Welk een zalige nederigheid aan haar zijde; welk een genadige neerbuiging aan de Zijn! Niet slechts was zij schoon – “gij bent gans schoon, Mijn liefste;” maar zij was de schoonste der schonen, – zelfs het weergaloos voorbeeld van haar kun. Maar wat maakte haar zo schoon in Zijn ogen, ofschoon zwart in haar zelf? Verschillende beschouwingen.

a. Vooreerst beschouwde Hij haar gelijk zij oorspronkelijk in de raadslagen der eeuwigheid voor de grondlegging der wereld, Hem ter aanneming was aangeboden, als een vlekkeloze, ongevallene bruid. Al de heiligen en dienaren Gods stemmen niet juist met mij in dit gezichtspunt in; maar mijn eigen beschouwing en geloof is, dat de Gemeente aan Christus verloofd werd niet als een gevallen, maar als een ongevallene Bruid, en dat gelijk de Hogepriester, onder de wet, niet veroorloofd was iemand anders dan een reine maagd ter vrouw te nemen, zo de gezegende Heere, als de grote Hogepriester over het huis Gods, een maagdelijke Bruid aan Zich verloofde; met andere woorden, dat de Gemeente Hem was geschonken, gelijk God later Eva aan Adam schonk, in haar ongevallene reinheid en onschuld.

Zodanig beschouwde Hij haar; als zodanig beminde Hij haar; als zodanig huwde Hij haar. Zo was, gelijk Milton zegt van onze eerste moeder: “de schoonste harer dochters, Eva,” de gemeente in haren onzondige toestand “de schoonste onder de vrouwen”. Als zodanig nam Hij haar in vereniging met Zichzelf, en als zodanig werd zij in Hem gezegend met alle geestelijke zegeningen.

b. Maar zij is de schoonste onder de vrouwen” in een anderen zin. Hij beschouwde haar als gewassen in Zijn verzoenend bloed, gekleed in Zijn heerlijke gerechtigheid als haar bruiloftskleed en geheiligd en gereinigd door de afwassing der wederbarende genade, gelijk de apostel zegt: “En dit was gij sommigen, maar gij bent afgewassen, maar gij bent geheiligd, maar gij bent gerechtvaardigd in de naam van de Heere Jezus, en door de Geest van onze Gods” (1 Kor. 6: 1 l), en wederom: “Gij mannen! hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft, en Zichzelf voor haar heeft overgegeven, opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een gemeente, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk” (Efeze 5: 25, 27).

c. Maar neemt een andere beschouwing van de woorden. Op haar ziende, gelijk zij eenmaal in de hemel volmaakt gelijkvormig zal worden gemaakt aan Zijn eigen heerlijk beeld, “gelijkvormig,” zoals de apostel spreekt, “aan Zijn heerlijk lichaam” (Philip. 3: 21), bevallig in Zijn bevalligheid, en verheerlijkt met Zijn heerlijkheid, een gepaste Bruid voor de Heere het Lam; ziende over de smalle landengte des tijd in het uitgestrekte vasteland der ontzettende eeuwigheid, kon Hij haar zelfs in een tijdelijke staat toespreken: “O, gij schoonste onder de vrouwen”.

2. Maar ofschoon Hij haar zo noemt, geeft Hij haar nochtans een zachtmoedige bestraffing: Indien gij het niet weet – alsof Hij wil zeggen: “Hoe komt het dat gij, na al Mijn onderrichting, al Mijn onderwijzing, nog zo onkundig bent?” “Indien gij het niet weet” – voorzeker behoorde gij thans het te weten. Nochtans, met deze niet onverdiende en toch zachtmoedige berisping, verwaardigt Hij zich haar vraag te beantwoorden, alsof Hij wilde zeggen: Indien gij zo onkundig bent, terwijl gij niet moedwillig onwetende, maar gewillig bent om van Mij te leren, zal Ik het u zeggen; Ik zal u niet in uw onkunde laten blijven; Ik zal u leren”.

3. Dit leidt ons tot de onderrichtingen welke Hij geeft, en zij zijn twee, door welker nakoming zij het voorwerp van haar begeren zou verkrijgen. Zij had naar spijze gezocht; zij verlangde naar rust; en zij zou alles opofferen om het te verkrijgen. Dit wel wetende, geeft Hij haar twee lessen van onderricht.

a. De eerste is, ga uit op de voetstappen der schapen. Hij toonde haar door deze woorden dat zij nog in grote mate verward was in de zaken en omstandigheden waar zij volledig en fraai uit moest komen. Er was een mate van de geest der wereld in haar, die er uitgezuiverd moest worden; zij bezat nog te veel zelfvertrouwen, en klemde te nauw vast aan haar eigen wijsheid, kracht en rechtvaardigheid; al die zaken waren zo vele banden en beletselen, kluisters en boeien, die haar terug hielden van in het smalle pad te wandelen. Haar gebrek aan volkomen scheiding van de wereld en de wereldse zaken brachten een sluier voor haar ogen, en verborgen de weg voor haar beschouwing. Hij zegt daarom, zo ga uit. Hier is de woestijn voor uw ogen, voor u om te betreden, niet een vlees behagende wereld. Gij moet uitgaan uit de wereld, de zonde, en uit de zelfzucht, indien gij vinden zult waar mijn kudde legert in de middag. Zo gij nog leunt op uw eigen kracht, vertrouwende op uw eigen gerechtigheid, zult gij nooit het voorwerp van uw begeren vinden. “Ga uit, laat die dingen achter, en stelt uw aangezicht naar de woestijn.” Dit nu vereist een kracht die niet van haar is, een macht die de Heere zelf alleen kan schenken.

Maar zij moest grote omzichtigheid gebruiken met betrekking tot de weg welke zij insloeg; want daar de woestijn geen gebaande paden heeft kon zij er in verdwalen. Hij voegt er daarom bij: “Ik zal u een zekere en veilige terechtwijzing geven, opdat gij het rechte pad mag vinden. Denk aan de voetstappen der schapen. Vervolgt uw weg daarnaar, wandelt nauwkeurig in dezelve, keert er u niet vanaf, zij zijn het rechte, het enige pad om tot de plaats te komen waar ik weid en waar ik de kudde leger op de middag.” Dit heeft natuurlijk een geestelijke en bevindelijke beduiding.

Wat beduidt het dan geestelijk beschouwd? Het is alsof Hij zei: “Ziet naar de weg, waarin de heiligen vanouds altijd hebben getreden, en merk op de diepe voetsporen, die zij in de weg hebben nagelaten. En merk dit op, dat al deze voetstappen voorwaarts zijn, en niet een van dezelve is terugwaarts, allen naar de woestijn, en niet een naar de wereld; allen naar Christus, en niet naar de zonde, allen naar het leven, en niet naar de dood. Daar gij ziet dat de kudde voor u gewandeld heeft, ziet toe dat gij juist in dezelfde voetstappen wandelt. Hun treden zullen u recht geleiden, zij zullen u naar de plaats van voedsel en beschutting voeren.”

Maar welke zijn de voetstappen der schapen? Verdrukking is er een, “want wij moeten door vele verdrukkingen ingaan in het koninkrijk”. Als wij dan moeten uitgaan op de voetstappen der schapen, zal het op het pad der verdrukking zijn. Droefheid des gemoeds, lichaamssmart, kommer, teleurstellingen in de voorzienigheid, vervolging van de goddeloze of belijdende wereld, met vele andere smartelijke beproevingen en verzoekingen als het gewone deel van het volk van de Heere. In deze weg hebben die oude getuigen (Hebr. XI), welker de wereld niet waardig was, gelijk de apostel getuigt, vanouds gewandeld.

In dit verdrukkingspad heeft onze gezegende Heere zelf gewandeld, want Hij was “een man van smarten en met droefheden bekend”, en in dit pad van beproeving en lijden hebben allen gewandeld, sedert Hij op aarde verscheen en in Zijn heerlijkheid inging. Dus buiten de weg der verdrukking te zijn, is geheel en al van de weg af te zijn. Hij zegt daarom: “Gaat uit van het pad van gemak en werelds geluk; schuw het kruis niet; verduurt moeilijkheden; bereid uzelf voor op smart. Zie, hoe de schapen vroeger voortgegaan zijn; merk op, welke diepe sporen zij hebben achtergelaten, en hoe zij allen hetzelfde pad van verzoeking en beproeving hebben betreden. Door dus standvastig in hun voetspoor te wandelen, zult gij de stille, uitsluitende en beschaduwde plaats bereiken, waar Ik mijn kudde weid, en waar Ik ze leger in de middag.”

Maar wederom, deze voetstappen der kudde zijn voetstappen van het geloof; omdat het alleen door het geloof is, dat wij in het pad des levens kunnen wandelen; gelijk de apostel zegt: wij wandelen door het geloof en niet door aanschouwen,” en wederom: “Gelijk gij Christus hebt aangenomen, wandel alzo in Hem”. Door het geloof wandelde Henoch met God, en evenzo wandelden Abraham, Izak, Jakob, Jozef en David en de profeten. Zij leefden allen een leven van het geloof en stierven een geloofsdood; want Gods eigen getuigenis aangaande hen is: “Zij allen stierven in het geloof” (Hebr. 40: 13). Zo wij dan wensen in hun rust in te gaan, te leven gelijk zij geleefd hebben, en te sterven gelijk zij stierven, moeten wij door het geloof wandelen, gelijk zij tevoren gewandeld Hebben.

b. Maar Hij geeft haar een andere onderrichting: En weidt uw geiten bij de woningen der herderen. Deze herders zijn de dienstknechten Gods, de afgezanten van Christus, die Hij door Zijn Geest en genade toerust om de slachtschapen te weiden. Deze hebben hun “tenten”, waardoor bedoeld wordt, dat zij tegenwoordig in een lichaam des aardsen tabernakels vertoeven, en vreemdelingen en pelgrims op aarde zijn. De dienstknechten van Christus bewonen, gelijk de dienstknechten in de woestijn, geen vaste woningen, prachtige paleizen, duurzame steden, want “wij hebben bier geen blijvende stad”, maar slechts tenten, om de nacht in door te brengen; want ons leven is slechts een damp; het wordt spoedig afgesneden en wij vliegen weg.

Maar deze herders geven, voor zoverre zij van God onderwezen zijn, aan de schapen dezelfde spijze welke de Heere geeft, en spreiden dezelfde rust op de middag voor hen uit, welke de Heere bereidt. Hij zegt daarom: “weidt uw geiten,” de tedere genaden der ziel, “bij de woningen der herderen ziet uit naar de herders, en waar zij hun kudden weiden en hoeden. Geestelijk uitgelegd is dit: Zoekt rond en tracht een evangeliebediening te ontdekken; ziet waar kracht het woord vergezelt; voert uw zielen onder een herder die dezelve kan weiden en rust verlenen. Breng de geiten van Uw ziel, de tedere genaden die bijzondere verzorging behoeven, en laat ze weiden bij de tenten der herderen. Zoek naar elke gelegenheid om het Woord getrouw en bevindelijk gepredikt te horen; het kan dikwijls een tijd van voeden voor uw ziel zijn, opdat uw geloof versterkt, uw hoop vermeerderd, uw liefde gekoesterd, en het werk der genade in uw hart bevestigd mag worden.

Maar zo gij geen prijs stelt op uw evangelische bediening, geen begeerte hebt om het Woord te horen, of dringend roepen totdat de Heere dat Woord aan uw ziel heilige, hoe vervult gij dan de onderrichting des Heeren? Gij zegt dat gij voedsel en rust behoeft, om Christus te kennen voor uzelf en Zijn nabijheid en liefde te genieten. De Heere geeft u twee onderrichtingen om het genot van deze twee zegeningen te verkrijgen: 1. om in de voetstappen der schapen te treden, te wandelen in de weg, waarin de heiligen vanouds hebben gewandeld, in het pad der verdrukking en van het geloof; 2. wanneer gij op enigerlei wijze begunstigd bent met te leven binnen het bereik van de herderstenten, en het voorrecht geniet van het evangelie in deszelfs zuiverheid en kracht te horen prediken, uw geiten in uw armen bij de tenten te brengen, en ze neer te zetten om te weiden op het grazige kruid.

En bent verzekerd dat als gij tot de herderstent komt met een biddende geest en een hongerige ziel, van God smekende om uw hart te openen, om het Woord met kracht te ontvangen en het met Zijn zegen te bekronen, gij vroeger of later spijze en rust vinden zult. Maar deze dingen gaan altijd gepaard. Zo gij spijze behoeft, zult gij u daar begeven waar het bekomen kan worden; zo gij rust begeert, zult gij gaan waar zij verkregen kan worden. Gij zult geen van beiden in de wereld bekomen. Maar als gij voedsel en rust bij de tenten der herderen bekomt, zult gij bevinden dat het werkelijk en waarachtig Jezus zelf is die weidt, en Jezus zelf die u doet neerliggen en rusten. De herders zijn slechts dienaren. Christus is de Bruidegom en hij heeft de Bruid alleen. De vreugde der herders is de schapen tot Christus te brengen, opdat zij weide en rust in Hem mogen vinden. Door deze toetssteen kunt gij opmerken wie de herders zijn, die hen spijzigen met evangelievoedsel, met het bloed en het vlees van Christus, en met die levensmiddelen, die Hij in Sion vergaderd heeft. En ik mag er bijvoegen, dat als uw hart de blijden klank ontvangt, en gij de kracht van Gods waarheid in uw ziel gevoelt, er een doen zijn zal van hetgeen Christus gebiedt, zowel als een genieten van wat Christus openbaart.

Overweeg deze zaken; leg ze in uw hart; peinst over dezelve; en mag de Heere de Geest ze met Zijn eigen zalving aan uw ziel toepassen, opdat gij haar waarheid mag zien, haar wezenlijkheid gevoelen, en haar gewicht en belang mag kennen door een zalige bevinding van beiden in uw ziel.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.