Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Het feestoffer

De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft: Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars. Ps. 118:27.

Het is aangenaam en verkwikkend in de heiligen van het Oude Testament dezelfde ondervindingen op te merken, die de Heilige Geest nu in de harten en gewetens van de heiligen werkt; en ik geloof dat er geen één genadebevinding is, hetzij van diepe geestelijke droefheid, of hetzij van hoge geestelijke blijdschap, die wij niet, indien het de Heere behaagt ons licht te geven om te zien, afgetekend vinden in de ondervinding van de gelovigen van het Oude Testament. Inderdaad het kan niet anders zijn. Daar is maar één God en Vader van allen; daar is maar één Heere, één geloof, één Geest; daar is maar een Leraar van de Kerk van God; en daarom al de heiligen in alle eeuwen, hebben dezelfde lessen ontvangen, en zijn door de Heilige Geest in dezelfde Goddelijke verborgenheden onderwezen. Nu schijnt daar een trek te zijn die algemeen is aan elke heilige, in welke trap van geestelijke ondervinding hij mag zijn, en dat is een volkomen verloochening van zichzelf, en een volkomen afhangen van de Heere om in Hem te willen en te werken naar Zijn welbehagen.

Hetzij wij spreken aangaande de wijsheid van het schepsel, of de roem van menselijke gerechtigheid, of menselijke verdienste, of van enig ander ijdel verzinsel, u zult nooit een van de bijbelheiligen een andere taal horen doen dan van een volkomen verloochening aan het schepsel in allerlei opzichten, en een eenvoudig afhangen van, en steunen op de Heere van leven en heerlijkheid, om Zich aan hem te openbaren, te zegenen, te onderwijzen, en in alle waarheid te leiden. Zo kenmerkt de ondervinding van de heiligen het gehele verzinsel van menselijke deugd, menselijke wijsheid en vleselijke gerechtigheid als leugen.

Ik geloof niet dat enig geestelijk mens ooit tot een heilige God naderde om de begeerten en verzuchtingen van zijn ziel voor Hem uit te storten, en Hem geestelijke in Jezus Christus welbehaaglijke offeranden op te offeren, in een andere gestalte dan van een volkomen verloochening van de gerechtigheid, de wijsheid en kracht van het schepsel, en een oprecht en eenvoudig afhangen en betrouwen op God om in hem “te werken dat goed is in Zijn ogen”. “De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft: Bindt het feestoffer met touwen, tot aan de hoornen des altaars”.

De tekst vermeldt twee schijnbaar onsamenhangende zaken – het geven van het licht – en het binden van het feestoffer. Wat deze zijn en hoe zijsamenhangen, zullen wij onder Gods zegen in dit uur proberen aan te tonen.

1. Ongetwijfeld bezat de Psalmist het licht, want hij zegt: “De Heere is God, Die ons licht gegeven heeft”. Klaarblijkelijk was hij bezitter van het licht, en dit licht was in hem als het “licht des levens”. Dit licht had in zijn hart geschenen; de glans en stralen van de Goddelijke waarheid waren in zijn geweten doorgedrongen. Hij droeg een licht met zich om, dat van God gekomen was; in dit licht zag hij het licht, en in dit licht onderscheidde hij alle dingen die door het licht openbaar gemaakt werden.

Zo kende hij door dit inwendig licht wat goed en wat kwaad, wat zoet en wat bitter, wat waar en vals, wat geestelijk en wat natuurlijk was. Hij zei niet, dit licht komt door de inspanning van menselijke kracht, dit licht werd voortgebracht door mijn eigen wijsheid; dit is natuurlicht door handeling van mijn wil veranderd, en zo trapsgewijs door lange en bestendige beschaving toegenomen. Maar hij schrijft al het licht dat hij bezat aan God de Heere, als de enige Auteur en Gever daarvan toe.

Welnu, indien God de Heere ooit aan u en mij ditzelfde licht gegeven heeft, dat Hij aan Zijn oude dienaren gaf, zo dragen wij een meer of minder ernstige overtuiging met ons om dat wij dit licht van Hem ontvangen hebben. Daar zullen wel vele duistere wolken het bedekken; daar zal dikwijls twijfel en vrees, gelijk mist en nevel over onze zielen zweven, of het licht dat wij ontvangen hebben van God is of niet.

Maar in plechtige ogenblikken wanneer het de Heere behaagt Zijn werk een weinig te verlevendigen; in tijden en momenten wanneer Hij Zich verwaardigt de genegenheden van onze harten tot Hem te trekken, om ons in Zijn tegenwoordigheid te brengen, ons te verbergen als in het holle van Zijn hand, en ons toegang geven tot Hem in zulke tijden en ogenblikken dragen wil, in spijt van al ons ongeloof, in spijt van al de oorblazingen van de vijand, in spijt van alle twijfelingen, vrees en vermoedens die uit de diepten van het vleselijk gemoed oprijzen, in spijt van al deze tegenwerkingen en ondermijningen, een ernstige overtuiging met ons om dat wij licht hebben, en dat wij dat licht van God ontvangen hebben. En waarom? Omdat wij terug kunnen zien tot een tijd, wanneer wij niet in dat licht wandelden, wanneer wij zo’n licht niet gewaar werden, wanneer al het geestelijke en hemelse duister voor ons was, en wij duister voor het hemelse.

Indien God de Heere dan ons licht gegeven heeft, dan heeft Hij ons licht gegeven beide met betrekking tot Hem en tot ons. Hij heeft ons licht gegeven met opzicht tot Zichzelf wat Hij is; Hij heeft iets van Zichzelf op onze gewetens gedrukt; Hij heeft een getuigenis aangaande Zichzelf in onze harten gebracht; Hij heeft iets van Zijn heerlijk bestaan aan onze zielen ontdekt; en heeft ons, door de bewerking van de Heilige Geest in Zijn tegenwoordigheid gebracht, om daar uit Christus onuitputtelijke volheid meedelingen van het leven te ontvangen.

Op deze wijze zien en gevoelen wij dat wij met een hartdoorzoekend God te doen hebben; in dit licht zien en gevoelen wij dat wij met een God te doen hebben, die Zich niet laat bespotten; in dit licht, wanneer het Hem behaagt het aan ons te ontdekken, zien en gevoelen wij dat elk geheim van ons hart, elke werking van ons gemoed, open voor Hem is; en in dit licht, voor zover het Hem behaagt het aan ons te ontdekken, zien wij wat wij in Zijn heilige en zuivere ogen zijn – een massa van zonde, onreinheid en bederf, zonder hulp, zonder kracht, zonder wijsheid, zonder gerechtigheid, zonder bevalligheid van het schepsel, zonder iets van hetgeen wij kunnen zeggen, dat geestelijk goed is.

De Heere, ons licht gegeven hebbende, heeft ons daarenboven meer of minder de weg van behoudenis door Jezus Christus bekend gemaakt. Hij heeft niet alleen ons doen zien wat wij van nature zijn, maar Hij heeft zich ook enigermate verwaardigd ons te tonen wat wij door genade zijn; niet slechts Zich in onze harten bekend gemaakt als een volmaakt rechtvaardig God, maar Hij heeft Zich ook meer of minder aan onze zielen bekend gemaakt als een God van genade; en heeft ons zo enigermate er toe gebracht om Hem te kennen, de enigen ware God en Jezus Christus Die Hij gezonden heeft; en zo het geestelijk leven meer of minder, ieder overeenkomstig zijn mate in onze zielen verwekt.

II. Maar, wanneer wij in den tekst lezen: “De Heere is God, die ons licht gegeven heeft^”, schijnt dit verbonden te zijn met het laatste gedeelte: “Bindt het feestoffer”. Daar is een verband tussen de twee delen van deze tekst: “De Heere is God, die ons licht gegeven heeft”. Hij heeft. En Hij heeft ons licht gegeven in deze weg, dat daar een binden is van het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar. Dit is de voorname reden waarom het licht gegeven is, het voornaamste voorwerp waarop het licht geworpen, de verborgenheid die door het licht ontdekt wordt. Gelijk Mozes zich wendde om het groot gezicht van de brandende braambos, die niet verteerde, te bezien; gelijk Abraham op den berg Moria zijn ogen ophief en zag om, en ziet een ram was in de verwarde struiken vast met zijn hoornen, zo is het grote voorwerp waartoe het licht gegeven is, om het feestoffer met touwen gebonden te zien aan de hoornen van het altaar.

Welk offer is dit dan, dat gebonden is aan de hoornen van het altaar? Vooreerst betekent dit offer ongetwijfeld de Heere Jezus Christus, die Zichzelf als een zoenoffer voor de zonden van Zijn volk heeft opgeofferd; die overeenkomstig Zijn eeuwig besluit en verbondsbeloften Zichzelf als een vlekkeloos offer heeft overgegeven, opdat Hij door de offerande van Zichzelf op het kruis, voor eeuwig de zonden van de uitverkorenen zou wegdoen.

Van dit feestoffer nu wordt in de tekst gezegd dat het gebonden wordt aan de hoornen van het “altaar”. De “hoornen van het altaars” waren vier vooruitstekingen aan elke hoek van het koperen altaar, waaraan het offerdier werd vastgemaakt. De omstandigheid dat het bestemde offerdier met touwen gebonden moet worden aan de hoornen van het altaar, toont aan, dat er een tegenstand in het offerdier was om daar geofferd te worden; dat het worstelend dier met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden werd, opdat het niet aan het mes zou ontkomen, en uit de handen van de priester ontvluchten.

1. Zo werd geestelijk het ene grote offer, de Heere van leven en heerlijkheid, de Middelaar van God en van de mensen aan de hoornen van het altaar gebonden. Daar waren zekere verbondmakingen, die Hij weliswaar vrijwillig had op Zich genomen, maar die Hem nu Hij daartoe getreden was, aan de hoornen van het altaar bonden. Zich het zaad van Abraham toe te eigenen, te lijden, te bloeden en te sterven, en zo Zichzelf als een vlekkeloos offer op te offeren aan het altijd brandende vuur van den toorn van Jehova de Vader, was een groot deel van het plechtig verbond van God de Zoon, overeenkomstig deze woorden: “Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt mij het lichaam toebereid. Toen sprak Ik: Zie Ik kom, (in het begin des boeks, het boek van het eeuwig besluit, is van mij geschreven) om Uw wil te doen, o God!” (Hebr. 10: 5, 7).

Maar daarenboven was Hij niet slechts gebonden door verbondsonderhandelingen, maar Hij was ook met de sterke, de even sterke banden van genegenheid en liefde gebonden; en door deze gebonden aan de hoornen van het altaar, gebonden om stipt te volbrengen, wat Hij op Zich had genomen, gebonden om te gaan door dat waartoe Hij overeengekomen was, gebonden om het werk te vervullen, dat Hij op Zich genomen had in de plechtige verbondsonderhandeling van den Drie-enige God.

Maar waarom werd het feestoffer gebonden? Het duidt aan dat het een weerzin, een siddering, een inwendige afkeer had, die het graag van het altaar zou drijven waaraan het door deze sterke touwen gebonden was. Zo waren er in dit grote offer van de Heere van leven en heerlijkheid, smarten te ondergaan, daar was een beker van bittere angst te drinken, daar waren de vreselijke doodsbenauwdheden onder een gevoel van de toorn van God tegen de zonde te verduren, en waardoor Hij bijna overweldigd werd, daar de afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis van Gods watergoten, en al de baren en golven van Goddelijke wraak over zijn hoofd gingen; en daarom zegt Hij: “Indien Gij wilt, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan”.

Hier was een siddering van het slachtoffer; hier werd Zijn menselijke natuur neergedrukt door het gewicht van toegerekende schuld, en alleen door de goddelijke natuur ondersteund en bewaard om niet geheel en al verpletterd en overstelpt te worden. Daar was de siddering van de natuur, terugdeinzend voor de worstelingen van de doods; daar was de zielsangst sidderend voor de toorn van de Vader; daar was de zware last van toegerekende schuld, dat het bloed Hem uit Zijn aderen perste; en al deze dingen elkaar ontmoetend en in het middelpunt rakend om het slachtoffer te maken tot dat wat het in waarheid was, een slachtoffer in elke zin van het woord. Hij was dan gebonden aan de hoornen van het altaar; gebonden door verbondsonderhandeling, gebonden door de sterke genegenheden van Zijn ziet; en toch daar gebonden als een terugdeinzend slachtoffer, dat is, die sidderingen voelend waardoor Hij tot drie maal toe deze klacht uitboezemde: “Mijn Vader! indien het mogelijk is laat deze beker van Mij voorbij gaan!” Daar was de siddering van het slachtoffer. “Doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede”.

Daar waren de touwen die Hem bonden aan de hoornen van het altaar, het onuitgebluste vuur van Gods altijd vlammende wraak tegen de zonde, en daar gebonden om dat gewicht van toorn tot het einde toe te dragen.

2. Maar daar is een andere zin die deze woorden ongedwongen hebben kunnen. Wij lezen dat “de offeranden Gods zijn een gebroken Geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten”, en daarom daar is niet alleen het binden van het grote offer, de Heere van leven en heerlijkheid, de Godmens Verlosser – daar is niet slechts het binden van Hem aan het altaar als het een grote verzoeningsoffer, het enige zoenoffer voor de zonde; maar daar is ook een tweede en ondergeschikte zin, het binden van een gebroken en verslagen geest aan de hoornen van dat altaar waaraan de Heere van leven en heerlijkheid bloedde en stierf. Nu, als dit waar is, als de offeranden Gods een gebroken geest zijn, dan is Hij alleen gebonden aan de hoornen van het altaar, van wie het hart gebroken, van wie de geest verslagen, van wie de ziel vernederd is, en die bij bevinding aan de voet van het kruis ligt. Er is geen binden van een geheel ongebroken hart aan de hoornen van het altaar; dat is geen feestoffer. Er is geen binden van een luchthartige, beuzelachtige, opgeblazen, aanmatigenden, zelfvertrouwende geest, aan de hoornen van het altaars; dat is geen feestoffer. Er is geen binden van een beschouwende kennis van de leer zoals ze in de letter is, aan de hoornen van het altaar; dat is geen feestoffer.

Er is geen binden van een verhitte verbeelding en een bedrogen hart aan de hoornen van het altaars; dat is geen feestoffer. Het hart moet eerst verbroken en de geest verslagen zijn; zij moeten neergedrukt en zacht gemaakt worden door de werking van God de Heilige Geest daarin en daarop, voor dat zij geestelijk gebonden kunnen worden aan het kruis van den Heere Jezus. Daarom wanneer u, mensen, het kruis van Christus hoort vermelden, en hoort spreken alsof zij zelf belang stellen in dat grote slachtoffer, en u bemerkt dat zij luchthartig, beuzelachtig, roemende, vermetel, hoogmoedig, geldgierig, werelds zijn, zulke mensen dragen hun eigen merkteken met zich, dat zij een leugen in hun rechterhand hebben. Zij zijn niet gebonden aan de hoornen van het altaar, omdat zij daar niet gebonden zijn als een offerande met een verbroken hart. Zij zijn daar niet gebonden door de touwen, die de Heilige Geest rondom hun ziel gelegd heeft; zij zijn slechts gebonden door het licht waarmee zij hun eigen vermetele harten omwonden hebben, door de touwen van de leer, of de banden van de belijdenis, aan dat wat zij het kruis van Christus noemen, maar wat niet meer het kruis is waaraan de Heere der heerlijkheid gedood werd, dan het geschilderde crucifix in een Roomse kapel dit is.

Maar welke touwen zijn het waardoor het offer van een gebroken hart en een verslagen geest gebonden wordt aan de hoornen van het altaar? Daar is, vooreerst, het sterke touw van behoefte. Door behoefte bedoel ik gevoelde behoefte. Ik meen geen behoefte in de weg van gevolgtrekking, maar behoefte in de weg van inwendige ondervinding. Wat verbindt een zondaar aan het kruis van Jezus? Een touw rondom zijn teer geweten en gebroken hart gelegd, is het sterke touw van behoefte, of liever, om nauwkeuriger te spreken, het geloof werkend door en met de behoefte; dat hij niet zonder het kruis kan, dat zijn geweten schuldig is en nodig heeft gezuiverd te worden door het bloed van de besprenging; dat hij verloren is en gered moet worden, dat hij ver af is en nodig heeft nabij gebracht te worden, dat bij een verloren ellendeling is, die behoefte heeft aan een openbaring van genade voor zijn sidderend hart. En daarom wordt rondom het tere geweten van een levende ziel het sterke touw van behoefte gebonden. Zoals de apostel zegt, “de nood is mij opgelegd”, zo is het kind van God de nood opgelegd, om aan het kruis vast te houden, een sterke overtuiging dat van het kruis alleen het bloed van de besprenging komt, dat “betere dingen spreekt dan het bloed van Abel”.

Maar daar is niet slechts het sterke touw van behoefte; maar daar is ook het sterke touw van genegenheid, of liever het geloof werkend door genegenheid, zoals de apostel spreekt, “het geloof door de liefde werkende”. Het wezenlijke touw is het geloof, beide in behoefte en genegenheid, maar ik noem deze touwen van behoefte en genegenheid, want deze zijn hun voorname trekken, in ondervindelijk gevoel. Waar Christus enigermate bij ondervinding gekend wordt, heeft Hij de genegenheden van het hart gewonnen; Hij heeft meer of minder bezit van de ziel genomen; Hij heeft enigermate Zichzelf bemind gemaakt als een bloedende, met de dood worstelende Zaligmaker, voor elk aan wie Hij Zich op enige wijze ontdekt heeft; en daarom het sterke touw van liefde en genegenheid is, meer of minder, krachtig gevlochten om het teer gemoed en het gebroken hart, en daardoor wordt het verbonden aan de hoornen van het altaar. Zijn naam is meer of minder “een olie die uitgestort wordt”. Daar is een dierbaarheid in Zijn bloed, daar is een schoonheid in Zijn persoon, hoewel Hij verdorven is meer dan de mensenkinderen; daar is die verborgen beminnelijkheid in Hem die de tere genegenheden van de ziel wint en aantrekt en uitdrijft; en zo bindt dit touw van de liefde, rondom het hart geslingerd, het aan de hoornen van het altaar, om het vast en stevig aan het kruis van den Heere Jezus te houden.

Maar zoals wij reeds opmerkten, de uitdrukking: “bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen des altaars”, duidt aan dat het nodig is dat het slachtoffer gebonden wordt. Waarom werd in een letterlijke zin het offer dan gebonden? Het mes zou op zijn keel gezet worden, er moest pijn uitgestaan, bloed vergoten worden, het leven zou benomen worden; en daarom werd het slachtoffer aan de hoornen van het altaar gebonden, opdat het niet zou ontkomen, opdat het niet kon ontvluchten, maar dat het op die plaats zou bloeden en sterven. Nu dit wil geestelijk en bevindelijk te kennen geven, dat daar iets is dat ons van het kruis van Jezus zou afdrijven, – dat evenals het offerdier graag zou ontkomen aan het mes dat op zijn keel gezet wordt, en beeft en siddert voor het lijden en de dood, dat er ook zo in de kinderen van God een worsteling, een siddering, een ontwijken van het lijden is dat verduurd moet worden, een poging om te ontkomen, als het mogelijk was, aan het kruis waaraan zij gehecht zullen worden. Wie zou niet graag aan overtuigingen ontkomen? Wie zou niet graag zielsangsten ontvluchten? Wie zou gewillig door beroerde wateren gaan? Wie zou willen zuchten en klagen onder een lichaam van de zonde en van de dood? Wie zou pijn voelen willen door etterbuilen die stinken en vervuild zijn vanwege hun dwaasheid? Wie zou willen dat melaatsheid op zijn gezicht uitbrak en hij voor God stond vol “wonden en striemen en etterbuilen”?

De natuur siddert er voor; het vlees verafschuwt het; het vleselijk gemoed wil niets daarvan hebben. En daarom wordt het sterke touw van behoefte rondom de ziel gelegd, opdat zij niet van het kruis mag weggaan. Beproeven wij niet gedurig, mijn vrienden, zachte en bloemrijke paden uit te vinden waarin wij zouden wandelen? Zoeken wij niet langs onderscheidene wegen aan moeite, zorg en zwarigheid te ontkomen, en proberen wij niet een gemakkelijker meer effen weg af te bakenen? Voorzeker, aanhoudend doen wij dit. Wij wensen van het kruis te ontkomen, wij zouden graag een gemakkelijker weg vinden om te bewandelen; maar de overtuiging, de schuld, de vrees, de veroordeling, dat als een zware last op het geweten ligt, bindt ons aan de hoornen van het altaar, daar wij weten dat slechts in zoverre als wij aan dat altaar verbonden zijn, wij enige kracht in onze zielen ontvangen van het offer dat eenmaal op dat altaar opgeofferd werd.

Dit is een toestand die begenadigde mensen soms voorkomt. Zij hebben een goede bevinding; zij zijn door God begunstigd met blijken van de vergeving van hun zonden; zij hebben de bewijzen van Gods liefde in hun gewetens ondervonden. Wanneer de smaak hiervan verloren gaat, en door geen nieuwe proeven wordt opgevolgd, gaan zij vaak in een zachte gemakkelijke weg. De Heere laat het een tijdlang toe dat zij in die weg wandelen, en zij behouden hun verleden vertrouwen, zij staan in hun oude ondervinding, en zo gaan zij heimelijk van het kruis af, houdend nu van de natuur in de hand wat zij eens van de genade vasthielden, in de kracht van het schepsel onderhoudend, wat alleen wezenlijk door de Geest van God in hen kan onderhouden worden. Dus het kruis verlatend, gaan zij van het kruis in geestelijke ontdekking; en staan in de letter van hun oude bevinding, niet in de zoete vernieuwingen van de Heilige Geest. Maar zo van het kruis zich verwijderend, worden zij lichtvaardig, nietig, beuzelachtig, opgeblazen, vermetel, werelds, geldgierig, hoog gevoelend.

En hoe dit? Omdat zij niet in hun zielen geoefend worden, omdat zij niet in hun gemoed beproefd en bestreden worden, omdat de zonde en schuld niet op hen drukt, en omdat de Heere hun toelaat voor een poos in een weg van hun eigen raadslag te wandelen. Maar hij, wie het God behaagt door Zijn Heilige Geest dagelijks te onderwijzen, kan nooit lang zich van het kruis verwijderen. Zijn vleselijk gemoed deinst er van terug, maar de Heere leidt hem zo in die wegen welke met het kruis van Christus verbonden zijn, dat hij bevreesd wordt, in zijn oprecht gemoed, van het kruis af te gaan, gevoelend dat in het ogenblik, dat hij het kruis uit het oog verliest, hij in schuld en veroordeling valt.

Maar verder. Hij die gebonden is aan de hoornen van het altaar moet menige opoffering doen. Hij die wil wandelen in het pad dat God voor hem heeft uitgekozen, zal veel tegenstand ontmoeten. Ongetrouwheid, ongeloof, ontevredenheid, ongeduld, de aanvallen van de Satan als een engel der duisternis, de verleidingen van de Satan als een engel des lichts, valse vrienden, heimelijke of openlijke vijanden, de vleierij van belijders, en vaak het ongenoegen van Gods kinderen, het verlies van werelds goed, de opoffering van voorspoed, – al deze dingen komen op hem aan, die wil wandelen in het nauwe en moeilijke pad dat tot het eeuwige leven leidt. Zij zijn allen met het kruis van Christus verbonden en kunnen niet ontkomen worden door hem die gebonden is aan het altaar. Daarom deinst de natuur daarvan terug.

Zij vindt de strijd te groot: zij gevoelt dat de opofferingen van zo’n soort zijn, dat zij niet kan toestemmen dat deze opofferingen behoren ondergaan te worden. Welnu, hier is de worsteling van het offer; hier is de poging aan de zijde van het kind van God, om het kruis te verlaten, de touwen te breken en te ontkomen aan die dingen, welke zo pijnlijk zijn voor vlees en bloed. Maar “bindt het feestoffer met touwen, ja zelfs tot aan de hoornen des altaars”. Het gebroken hart en de verslagen geest, het tere geweten worden gebonden met zulke sterke touwen van behoefte en soms met zulke sterke touwen van genegenheid, dat hoe tegenworstelend het vleselijk gemoed ook is, hoe de weg ook met doornen bezaaid is, hoe ook het mes op de keel schittert, de ziel is echter gebonden aan de hoornen van het altaar, en van de hoornen van het altaar kan zij niet weggaan.

3. Ook worden in de Bijbel die dingen waartoe de Geest van God de mens in staat stelt, soms offeranden genoemd. “Opdat wij mogen opofferen” lezen wij “geestelijke offeranden”, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus. De apostel zegt dat “hij van Epafroditus ontvangen had hetgeen van de broederen te Filippi gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehaaglijk” (Filip. 4: 18). Zo zegt hij tot de Hebreeuwse kerk: “En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid (dat is, voor de behoeften van Gods volk) niet, want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen”, (Hebr. 13: 16). Welnu dan, deze geestelijke offeranden die een mens aan God opoffert worden gebonden aan de hoornen van het altaar. Zij zijn niet welbehaaglijk in het oog van God, tenzij dat zij gebonden worden aan de hoornen van het altaar, om van dat altaar hun ontvankelijkheid te ontlenen.

Onze gebeden zijn slechts ontvankelijk bij God, als zij opgeofferd worden door het kruis van Jezus. Onze gebeden en dankzeggingen zijn slechts ontvankelijk bij God, als zij verbonden zijn met het kruis van Christus, en opklimmen tot de Vader door de zelfofferande van Zijn lieve Zoon. De instellingen van Gods huis zijn slechts ontvankelijk bij God als geestelijke offeranden, wanneer zij gebonden zijn aan de hoornen van het altaar. De beide instellingen van het Nieuwe Testament – de Doop en het Avondmaal van de Heere – zijn door de handen van God Zelf aan de hoornen van het altaar gebonden; en niemand gaat op de rechte wijze tot het een, of ontvangt op rechte wijze het ander, die niet eerst geestelijk door dezelfde hand aan de hoornen van het altaar gebonden werd.

Elke daad van mildheid, elke beker koud water in de naam van een discipel gegeven, elke gewaarwording van medegevoel en genegenheid, elk vriendelijk woord, elke medelijdende handeling, aan een broeder bewezen; deze allen zijn slechts ontvankelijk bij God als zij tot Hem opklimmen door de bemiddeling van Zijn lieve Zoon. En daarom elke opoffering van onze troost, van onze winst, van onze tijd, of van ons geld tot voordeel van Gods kinderen, is alleen een geestelijke en aangename offerande in zoverre als zij gebonden is aan de hoornen van het altaar, samengevoegd met het kruis van Jezus, en al haar smaak en geur ontlenend van haar vereniging met de wierook, die daar opgeofferd werd door de Heere van leven en heerlijkheid.

Maar, dat die offerdieren aan de hoornen van het altaar gebonden moesten worden, daaruit besluiten wij, dat zij terugdeinsden en een poging deden om daar niet op geofferd te worden. Om vleselijke gebeden op te offeren is gemakkelijk; geestelijke gebeden op te offeren is moeilijk, ja onmogelijk, tenzij God in ons werkt het willen en werken naar Zijn welbehagen. Het brood te eten en de wijn te drinken met onze mond is gemakkelijk; het vlees te eten van de Zoon van God is moeilijk, ja onmogelijk, tenzij het ons geestelijk ontdekt en bekend gemaakt, en het geloof in onze harten uitgestort wordt om Christus als ons zielverzadigend deel te ontvangen. Mee te delen tot de behoeften van Gods nooddruftige kinderen, slechts uit gevoel van medelijden, is gemakkelijk; maar hun te geven uit gevoel van liefde tot Christus, en uit een hart vol van medegevoel voor hen als leden van Christus, is moeilijk, ja onmogelijk, tenzij het de Heere behaagt dat gevoel in ons te werken.

Vriendelijk, medelijdend en teerhartig te zijn, en ingewanden van barmhartigheid te hebben voor de armen en nooddruftigen, de beproefden en bestredenen en treurigen van Gods volk, om te wenen met de wenende, en te treuren met de treurende, mag gemakkelijk zijn voor hen van wie de tranen op het gezicht van lijden licht vloeien; maar geestelijk met hen te gevoelen en hen op onze harten voor God te dragen, wanneer het gezicht van de ellende uit onze ogen verdwenen en het vuur van natuurlijk medelijden uitgedoofd is, dat is onmogelijk, uitgenomen voor zover als de Heere het in ons werkt. De mens kan vele opofferingen doen, maar tenzij hij bewerkt wordt om deze offers door touwen van genegenheid aan het kruis van Christus vast te maken, hebben al zulke offeranden geen wezenlijke waarde. Iemand kan in oprechtheid, zoals hij meent tot God naderen; en echter als hij niet door het kruis van den Heere Jezus Christus komt, als zijn offers niet gebonden zijn aan de hoornen van het altaar, dan heeft hij geen geestelijke toegang tot de Vader van alle genade en de God van alle vertroosting.

Het was de plechtige getuigenis van Jezus: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij”. Daarom, de Vader ontvangt Zijn volk alleen, als gebonden zijnde aan de hoornen van het altaar door de eeuwige touwen van uitverkiezende liefde en verbondsbesluit; en slechts in zover worden hun woorden en werken aangenomen, als zij daar gebonden zijn door de Heilige Geest, die de touwen van genegenheid rondom hun teer gemoed en gebroken hart gelegd heeft.

Maar wij merken verder op dat de woorden: “Bindt het feestoffer met touwen aan de hoornen des altaars”, voorkomen in de vorm van een onderwijzing. Het is niet slechts een plechtige verklaring, dat het feestoffer met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden wordt, maar het komt ook voor op de wijze van een stellig bevel. Het is in deze vorm gesteld, vooreerst om de Vader als het ware aan Zijn verbondsbesluiten te herinneren. “Bindt het feestoffer met touwen, tot aan de hoornen des altaars”. Want wij moeten bedenken dat deze Psalm geschreven werd enige eeuwen, duizend jaren tenminste, voordat de Zoon van God in het vlees verscheen, en “aan de mensen gelijk geworden was”.

Het is daarom alsof de kerk de Heilige Geest wilde herinneren, dat Hij het zoenoffer met touwen zou binden, ja, “tot aan de hoornen des altaars”; en Jezus zou bekrachtigen en ondersteunen om het werk te voleindigen, dat de Vader Hem te doen gegeven heeft. Het wordt dus gesproken als bij wijze van verzoek, dat de Heilige Geest door Zijn genadewerking in het hart, het als een offerande aan de hoornen van het altaar mocht binden, en het vast en zeker bij het kruis van de Heere Jezus bewaren. En het schijnt tot dezelfde hemelse Leraar gericht te zijn, opdat het Hem genadig behagen mocht, elk woord en werk in de naam van de Heere gesproken en gedaan, aan de hoornen van het altaar te binden, opdat het een aan God welbehaaglijke offerande mag zijn.

Daarom, als wij enig bewijs hebben dat wij van de Heere zijn, alles wat wij geestelijk zijn, en alles wat wij geestelijk hebben, is gebonden aan de hoornen van het altaar. Onze personen, als wij aangenomen voor God staan, zijn met touwen gebonden aan de hoornen van het altaar, de touwen van verkiezende liefde, de touwen van geestelijke genegenheid. Als de Heere door Zijn Heilige Geest in ons gewerkt, en onze gewetens enigermate teer voor Hem gemaakt heeft; als Hij ons enige goddelijke vrees geschonken, en onze harten tot berouw en liefde verbroken heeft en door Zijn inwendig werk, dan heeft Hij ons gebonden aan de hoornen van dit altaar. Als dit dan het geval is, als wij niet alleen door verbondsbesluit in de eeuwige raad, maar ook door geestelijke banden van persoonlijke bevinding gebonden zijn, – als wij met touwen gebonden zijn “aan de hoornen des altaars”, zullen wij iets indrinken van de Geest van Hem, die daar eerst gebonden werd.

Als Hij daar als een offerande met een verbroken hart gebonden werd, zullen ook wij daar enigermate in Zijn Geest gebonden worden. Indien Hij daar gebonden werd met kinderlijke vrees die in Zijn hart werkte, en “gebeden en smekingen tot Degene, die Hem uit de dood kon verlossen met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord is uit de vreze” (Hebr. 5: 7), dan zullen wij daar ook enigermate gebonden worden met kinderlijke vrees, die in ons hart werkt, met zuchten en jammerkreten uit onze geest oprijzend tot Hem, die ons van de eeuwigen dood verlossen kan. Daarom geen ijdel vertrouwen, geen lichtvaardigheid in hemelse dingen, geen staan in ijdele meningen; geen van deze dingen zijn bestaanbaar met een aankleven van het kruis van de Heere van leven en heerlijkheid. Waar de ziel vastgebonden is om de hoornen van het altaar met de sterke touwen, die de Heilige Geest er Zelf om gelegd heeft, daar zal nederigheid, zachtheid, eenvoudigheid en goddelijke oprechtheid zijn, daar zal een gebroken geest en een verslagen hart zijn, daar zal een komen zijn door het geloof in het koninkrijk van Christus, daar zal een liggen aan de voeten van Christus zijn, en een ernstige begeerte om onze hoofden op Zijn boezem te doen rusten.

In zo’n plaats verlangt Gods volk te zijn; zij verlangen soms zeer aan de voet van dat kruis te komen; dat aangezicht meer verdorven dan van andere mensenkinderen wensen zij te aanschouwen. Als zij daar gebonden zijn, zullen zij het bloed zien dat daar werd gestort; als zij daar gebonden zijn, zullen zij Hem zien die daar voor hen gebonden werd; als zij daar gebonden zijn, zullen zij op Zijn gedaante zien, en op Zijn gedaante ziende zullen zij enigermate Zijn geest indenken. Wij kunnen dan de godsdienst van de mensen aan dit kenmerk gemakkelijk beoordelen; niet waar zij zijn in leerstelsel, niet waar zij zijn in ijdele gevoelens, niet waar zij zijn in vermetel vertrouwen, niet waar zij zijn in hoog vliegende bespiegeling; maar waar zijn zij in gebrokenheid van hart, teerheid van geweten, verslagenheid van geest, zachtheid van de ziel, goddelijke vrees, kinderlijk ontzag en bevende eerbied? Waar is de Geest van Christus in hen zichtbaar? Waar is het beeld van een lijdende Heere op hen gedrukt? Wat heeft het altaar voor hen gedaan, of wat heeft het gezicht van het altaar in hen gedaan?

Het is inderdaad ijdel vertrouwen altijd van Christus te spreken, en niets te kennen van de Geest van Christus. Het is inderdaad ijdel spreken om te belijden het kruis van Christus te kennen, en geen terugkaatsing van Christus’ beeld in ons te hebben. Het is inderdaad de ergste misleiding te geloven, dat wij belang hebben in het bloed van het Lam, zonder te gevoelen dat het geweten niet slechts bedauwd is met het bloed, dat van alle zonde reinigt, maar week gemaakt met dat bloed, dat zacht en teer voor God doet zijn. En het is de ergste dwaasheid en hoogste vermetelheid te snoeven, alsof wij aangenomen kinderen van God waren, wanneer daar niets van het beeld van de Heere, van Wie het hart verbrijzeld was, op onze ziel gedrukt, of in ons gedrag zichtbaar is.

Bent u dan een arm hart-verbrijzeld kind van de levende God? Is daar iets van de Geest van Christus in u? Is er enige flauwe gelijkenis van Zijn zacht en heilig beeld op u gedrukt? Dan voelt u zicht met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden. U voelt de sterke banden van behoefte, en u voelt de sterke banden van genegenheid die u daar binden. Maar met dit alles, voelt u ook dat u een tegenworstelend offer bent; dat u graag zoudt ontkomen aan de beproevingen en kwellingen, die u, als u aan de hoornen van het altaars gebonden bent, bejegenen zullen; u wilde, als het kon zijn, liever in een gemakkelijker weg gaan; of als u durfde, zoudt u graag voor zich een altaar oprichten naar de afbeelding van Damascus (2 Kon. 16: 10); en zoudt graag, zoals de Rooms Katholieken, met uw lichaam een stoffelijk houten kruis aanbidden, in plaats dat u in uw ziel de aanbiddelijke Godmens, Die daar hing en bloedde, hulde zoudt bewijzen.

U zoudt graag, als u kon, het pad van zelfverfoeiing, beproeving, kwelling, vermoeiing en aanvechting verlaten, om in de bloemrijke wei van leerstellige bespiegeling te gaan, en daar te wandelen zonder een benauwdheid in uw geweten, of een verzoeking in uw ziel. Maar de Heere heeft gezegd: “Bindt het feestoffer met touwen, tot aan de hoornen des altaars”. U bent gebonden aan de hoornen van het altaar. Van die hoornen kunt u niet ontkomen. U mag woeden, gramstorig zijn, en u verzetten tegen alle of tegen een van deze touwen, u kunt ze toch niet breken. Ja u mag in uw worstelingen, deze touwen tot op het uiterste spannen; maar zij zijn te zeker bevestigd rondom uwe teer geweten; en te onverwrikt rondom uw gebroken hart geslingerd, dan dat u ze zoudt kunnen breken. Zij zouden eerder uw hart in tweeën scheuren, dan dat u ze zoudt breken of er aan ontkomen.

En naar uw oprecht gemoed, wilt u niet anders dan met touwen aan de hoornen van het altaars gebonden zijn. In uw oprecht gemoed wenst u dat de touwen dichter worden toegehaald, en u zo nauwer en nauwer daaraan verbonden, en dat uw geweten besprengd mag worden met het bloed dat er op uitgestort is. In uw oprecht gemoed, verlangt u met een oog van het geloof het slachtoffer te zien, dat eens daar bloedend lag; en als u op Hem ziet, Zijn beeld in te drinken, en de verzachtende kracht en het weekmakend vermogen van dat gezicht te voelen.

Maar echter, zijn er zulke beproevingen, bestrijdingen en opofferingen mee verbonden, dat u in uw aanvallen van opstand of vleselijkheid, even zo graag, terug zoudt gaan, als u op andere tijden graag naderbij zoudt komen. Lage ellendelingen die wij zijn, wij zouden dikwijls liever het vlees en de wereld dienen, en onze kans voor de eeuwigheid bederven, zoals men zegt, dan beproevingen en droefenissen te verdragen als navolgers van Christus! Maar het is ons voorrecht dat wij nooit enig touw van eeuwige liefde kunnen maken of vernietigen, binden of breken, maar dat, in spijt van het schepsel, God “vervult al het welbehagen Zijner goedheid, en het werk des geloofs met kracht”

O mijn vrienden! dat de Heere ons beware voor een ijdel hoogmoedig vertrouwen. Niets is er in onze dagen meer te vrezen dan met loze kalk gepleisterd te worden, wandelende in een ijdel gezicht, rustende in de leer der genade, zonder gevoel van de kracht van deze leer in ons hart te hebben, en zich verlatend op de letter van het woord, zonder gevoel van de geest en de kracht van de waarheid in onze zielen. Dit is het bijzonder gevaar van de Calvinistische kerken; en het is, geloof ik, de bijzondere verzoeking waaraan het volk van God in de stad Londen is blootgesteld, om te leven onder een ijdele bediening, en te zitten onder zulke predikers die veel letterkennis hebben, maar weinig weten van de zalige werkingen en ootmoedige onderwijzingen van God, de Heilige Geest, in hun zielen. Christus in de letter past aan een ongeschonden hart; maar Christus in de Geest past alleen voor een verbroken hart.

Christus in de letter verdraagt zich goed met wereldsgezindheid, hoogmoed en begeerlijkheid; maar Christus door de onderwijzingen van de Heilige Geest, het hart vormende in de hoop van de heerlijkheid, kan alleen bestaan met een teer geweten en een verslagen geest. Hij zal gewis elke ziel verootmoedigen aan wie Hij zich openbaart, en Hij zal die ziel meer of minder ootmoedig houden. Hij zal haar tot het kruis brengen en haar bij het kruis bewaren; en als Hij haar dichtbij zich houdt, zal Hij meer of minder Zijn eigen beeld daarop drukken.

Wilt u dan weten of u aan de hoornen van het altaar gebonden bent? Wat weet u van deze sterke banden rondom uw ziel? Wat weet u van de dierbaarheid en zoetheid van Jezus in verborgen ogenblikken? Wat weet u van het komen tot de Vader, door de toepassing van Zijn verzoenend bloed? Wat weet u van gemeenschap en overeenstemming met de Heere van leven en heerlijkheid? Dit zijn de merktekens, om onze zielen aan te beproeven, of wij Christus hebben ontvangen, of wij Christus kennen, of Hij wezenlijk dierbaar is aan onze zielen – welke vereniging en welke gemeenschap wij als volgelingen van Hem, als gebrokenen van hart met Hem zoeken, wat wij van Hem als gekruisigd voor de zonde zoeken te kennen, of wij Zijn bloed begeren te drinken, en of wij wensen met Zijn Geest bezield te zijn, en hoe afkerig en bang wij zijn van alle kennis, en elke leer, en alle vertrouwen die niet met het kruis verbonden en ondervindelijk aan onze gewetens bekend gemaakt zijn. “God is het licht, die ons het licht gegeven heeft”. Heeft Hij ons doen zien dat wij ongelukkig, verloren, schuldig, bevlekt en vuil zijn?

“God is de Heere, Die ons licht gegeven heeft”. Heeft Hij ons het kruis doen zien? Heeft Hij in Zijn licht ons het licht doen zien om enige stralen der genade in het aangezicht van de Middelaar op te vangen? Als Hij ons iets van deze dingen getoond heeft, dan heeft Hij ons met touwen gebonden, en deze touwen heeft Hij vastgemaakt aan de hoornen van het altaar, opdat wij mogen kleven aan dit altaar als ons zoenoffer tot bevrediging, onze gerechtigheid om te rechtvaardigen (Rom. 5: 9), ons voedsel om te verzadigen, en ons voorbeeld om naar wandelen. En dan zullen wij begeren bij dit altaar te blijven, niet slechts om de vergeving van onze dodelijke en zware zonden, maar om te gevoelen en ondervindelijk gezegend te worden met het werk van de Heilige Geest, onze geest herscheppende en onze zielen vernieuwende. O, dat in al onze naderingen tot God en in al ons plechtig verkeer met Hem, in wat wij in de wereld zijn, en in wat wij in de Kerk van God zijn, wij onszelf met deze touwen van de liefde en mensenzelen aan de hoornen van het altaar gebonden mochten voelen, dat de wereld ons gekruisigd en wij aan de wereld gekruisigd mochten zijn, en hetgeen wij in het vlees leven, dat wij het mogen leven door het geloof van de Zoon van God.

En o, dat wij niet slechts in het gezicht van de altaar, maar leven bij het altaar en sterven in het gezicht van het altaar, want hij die sterft in het gezicht van het altaar, zal eenmaal verrijzen om te zijn met Hem – met de Koning in Zijn schoonheid, Die, hoewel Hij eens daar geleden heeft, nu opgestaan en verheerlijkt is. Het offer dat hier beneden met touwen aan de hoornen van het altaar gebonden wordt, en dat dus op zijn geweten van het bloed ontvangt, dat van dat altaar druipt, staat nu voor God aangenomen in de geliefden, en zal gewis opstaan met den verrezen Heere van heerlijkheid: want als wij met Hem gestorven zijn, dan zullen wij ook met Hem leven; als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; en “indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding”. Hem te zien zoals Hij is, Zijn eeuwige tegenwoordigheid te genieten en te baden in die rivier van genietingen, die aan de rechterhand van God is voor altijd, dit alles zal voortspruiten als een vruchtgevolg van zijn eeuwig leven.

Maar wat die ijdele opgeblazen belijders betreft, die leven en sterven zonder een gebroken hart aan de hoornen van dit altaar te hebben gebonden, wat zij ook mogen spreken over Christus, hoe zij ook mogen snappen en snateren over de leer van de genade, deze plechtige uitspraak zal de Rechter van alles, in die vreselijke dag wanneer zij voor Zijn troon zullen staan, doen horen: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten, Ik heb u nooit gekend.” Gij belijdt Mij te kennen, maar Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij in het eeuwig vuur. Moge de Heere in onze harten een zoet getuigenis geven, dat Hij meer of minder, ieder naar de maat van ons geloof, ons gebonden heeft met touwen aan de hoornen van het altaars, en moge Hij in onze zielen een zoete liefde en genegenheid tot dat altaar uitstorten; dat wij in het gezicht daarvan mogen leven, en in het gezicht daarvan gelukkig en in vrede mogen sterven!

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.