Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

25 Mei – Door Baca’s Vallei

Ontwaak, Noordenwind! en kom, Gij Zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten. Hooglied 4:16

De meesten van ons allen zijn zo vastgebonden door de ketenen van de tijd en het zinnelijke, door de zorgvuldigheden van dit leven en onze dagelijkse bezigheden, door de zwakheid van onze aardse tabernakel, de afleidende zorgen van een huisgezin, de ellendige vleselijkheid en zinnelijkheid van onze gevallen natuur, dat wij op zijn best maar een arm, slepend, stervend leven lijden. Wij kunnen geen genoegen vinden in de wereld, noch ons met een goede consciëntie mengen in haar lusten en vermakelijkheden; velen van ons zijn arme, terneergeslagen, moedeloze schepselen, onder een verscheidenheid van beproevingen en verdrukkingen. Wij hebben een dagelijks kruis en verkeren voortdurend onder de plaag van ons eigen hart; krijgen al weinig vertroosting onder Gods volk of onder de uitwendige middelen der genade. Wij kennen genoeg van onszelf om te beseffen, dat er in ons geen goed woont, en dat wij noch hulp of hoop van onszelf verwachten kunnen, en derhalve ook niet verwachten kunnen een effener pad, een beter, wijzer, heiliger hart, of dat wij morgen in staat zullen zijn te doen wat wij heden niet kunnen doen. Zoals dan de vermoeide rust zoekt, de hongerige voedsel, de dorstige drank en de zieke gezondheid, zo strekken wij onze harten en armen uit, opdat wij de Heere Jezus Christus zouden mogen omhelzen, om de ware vereniging en gemeenschap met Hem te mogen genieten. Van Hem vloeien af beide het gebed en het antwoord, beide honger en voedsel, beide begeerte en de boom des levens. Hij ontdekt het kwaad en de vuilheid der zonde, opdat wij verzoening zouden zoeken in Zijn bloedende wonden en doorstoken zijde. Hij maakt ons bekend met onze naaktheid en schande, en dat wij derhalve bloot staan voor de toorn Gods, opdat wij ons mogen verbergen onder het kleed Zijner gerechtigheid. Hij giet gal en alsem in de hoogste vermakingen der wereld, opdat wij geen zoetheid zouden mogen vinden dan in en van Hem. Hij onthoudt ons lange tijd het geestelijk voedsel, opdat wij een kruimpje zouden leren waarderen. Hij laat ons daarom lang wachten, want dit maakt een woordje van Zijn mond zo overdierbaar. Hij wil ons gehele hart en niets minder, en als wij dit niet kunnen geven, dan neemt Hij het met één van Zijn ogen, met een keten van Zijn hals. Als wij Hem liefhebben, is het omdat Hij ons eerst heeft liefgehad, en als wij gemeenschap met Hem zoeken, is het omdat Hij Zich aan ons wil openbaren zo Hij dit niet doet aan de wereld. Wensen wij te zien wat de Heilige Geest geopenbaard heeft van de natuur van deze gemeenschap, dan zullen wij dit klaar en bevindelijk ontvouwd zien in het Hooglied van Salomo. Van het eerste vers van dit boek: „Hij kusse mij met de kussen Zijns monds”, tot de laatst uitgedrukte begeerte van de beminnende bruid: „Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen”, is alles één lied der liefde, alles een Goddelijke openbaring van de gemeenschap, die op aarde wordt voortgezet tussen Christus en de kerk. Zij klimt op uit de woestijn, lieflijk leunende op haar Liefste, terwijl Zijn linkerhand is onder haar hoofd en Zijn rechterhand haar ondersteunt. Zij zegt: „Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben”. Maar Hij antwoordt: „Geheel zijt gij schoon. Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u”. Het ene ogenblik zegt ze: „Ik zocht des nachts op mijn leger, maar vond Hem niet”, en dan roept zij wederom uit: „Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Die mijn ziel liefheeft. Ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had en in de binnenste kamer dergene, die mij gebaard heeft”. Komen en gaan, zuchten en zingen, nietige verontschuldigingen en snijdende “tegenwerpingen, klachten over zichzelf en loftuitingen aan Hem, de uitademingen der liefde en de vlammen der jaloezie, de tedere genegenheden van een maagdenhart en het welgevallig omhelzen van een Koninklijke Bruidegom, dit alles is de bevinding van de kerk in het zoeken van een gemeenschap oefenen met Christus, zoals in dit Goddelijk boek beschreven is.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.