16 december
Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
Psalm 115:1
Velen van Gods lieve kinderen kunnen niet veel spreken over de vriendelijke bewijzen Zijner genade, over voorleden aanrakingen van Zijn genadige hand en over de vernedering des harten onder een gevoel van goedertierenheid en liefde, en toch gevoelen zij zich tastbaar ondersteund door hetgeen hun geloof vastgrijpt en te zien geeft, en toch geven zij God de eer. Somtijds wederom, als zij het gepredikte Woord horen en een zegen daaronder ontvangen, of als zij een dierbare belofte met Goddelijke kracht in hun ziel ontvangen, of als zij worden begunstigd in het verborgen en licht en leven in hun ziel vloeien, dan zien zij zulk een heerlijkheid in hetgeen hun op die wijze is bekendgemaakt, dat zij God verheerlijken voor wat zij zien en gevoelen.
Maar meer bijzonder, wanneer de weg der zaligheid voor hen ontsloten wordt, wanneer Christus door de kracht Gods aan hen geopenbaard wordt, wanneer zij het wondervolle plan der zaligheid zien ontvouwd, hoe namelijk God rechtvaardig kan zijn en tevens de Rechtvaardiger van hem die in Jezus gelooft; ook wanneer zij aanschouwen de grootheid der verborgenheid van de Persoon van Christus, de gezegende oplossing van het probleem waardoor hun geest zozeer bezet was geweest, dan geven zij vrij en volkomen al de eer aan God.
„Heere,” zeggen zij, „wie en wat ben ik, dat Gij medelijden met mij hadt, dat Gij mijn hart door genade zou aanraken en Uw vreze in mijn hart zou leggen; dat Gij mij leidde om te bidden en Uw aangezicht te zoeken; en dat Gij naar mijn arme zuchtingen wilde horen en mij hoop gaaft op Uw genade, en daarbij mijn ziel zegende met een openbaring van Uw lieve Zoon? O, wie en wat ben ik, dat ik alzo zou begunstigd worden, waar duizenden aan zichzelf overgelaten worden en in hun zonden omkomen? O, hoe heerlijk zijt Gij! Wat een goedertieren God! Hoe doet Uw genade mijn hart smelten en Uw goedertierenheid mijn ziel vernederen! Uw Naam alleen zij alle eer en lof, beide nu en tot in eeuwigheid.”
Hier wordt God de eer toegebracht. Zo geeft het ware geloof Gode altijd de eer en zal het nooit een greintje lof voor zichzelf willen hebben, maar zal het al de heerlijkheid aan God, als de Beginner en Voleinder, toekennen, totdat de zegeningen hier zullen eindigen in de zegeningen daarboven, en de stromen der genade op aarde zich zullen ontlasten in de onbegrensde oceaan der heerlijkheid in de hemel.
Aan de lezer…
Kunt u, bestreden ziel, niet veel spreken over bijzondere bewijzen van Gods genade, en meent u daarom dat u buiten staat? Bedenk dan dat velen van Gods lieve kinderen zo gesteld zijn, en toch worden zij tastbaar ondersteund door wat hun geloof vastgrijpt. Een woord dat u onder de prediking raakte, een belofte die met kracht in uw ziel kwam, een ogenblik van licht in het verborgen: het zijn evenzovele redenen om te zeggen: „Niet ons, o Heere, niet ons.”
En is Christus u ooit geopenbaard als de Rechtvaardiger van hem die in Jezus gelooft, vraag dan met verwondering: „Wie en wat ben ik, dat Gij medelijden met mij hadt?” Dat is de taal van het ware geloof, dat geen greintje lof voor zichzelf zoekt. Geef Hem de eer van het begin en van het einde, want Hij Die de stromen der genade hier doet vloeien, zal ze eens doen uitlopen in de onbegrensde oceaan der heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
Psalm 115:1
Veel lieve kinderen van God kunnen niet veel vertellen over vriendelijke bewijzen van Zijn genade, over vroegere aanrakingen van Zijn genadige hand en over de vernedering van het hart onder een besef van Zijn goedertierenheid en liefde. Toch voelen zij zich merkbaar ondersteund door wat hun geloof vastgrijpt en te zien krijgt, en toch geven zij God de eer. Soms ook, wanneer zij het gepredikte Woord horen en daaronder een zegen ontvangen, of wanneer een dierbare belofte met goddelijke kracht in hun ziel komt, of wanneer zij in het verborgen begunstigd worden en licht en leven in hun ziel stromen, dan zien zij zo’n heerlijkheid in wat hun op die manier is bekendgemaakt, dat zij God verheerlijken om wat zij zien en voelen.
Maar vooral wanneer de weg van de zaligheid voor hen ontsloten wordt, wanneer Christus door de kracht van God aan hen geopenbaard wordt, wanneer zij het wonderlijke plan van de zaligheid ontvouwd zien, namelijk hoe God rechtvaardig kan zijn en tegelijk de Rechtvaardiger van hem die in Jezus gelooft; en ook wanneer zij de grootheid zien van de verborgenheid van de Persoon van Christus, de gezegende oplossing van het vraagstuk waarmee hun geest zo bezig was geweest, dan geven zij vrij en volkomen alle eer aan God.
„Heere,” zeggen zij, „wie en wat ben ik, dat U medelijden met mij had, dat U mijn hart door genade wilde aanraken en Uw vreze in mijn hart wilde leggen; dat U mij leidde om te bidden en Uw aangezicht te zoeken; en dat U naar mijn arme zuchten wilde horen, mij hoop gaf op Uw genade en mijn ziel daarbij zegende met een openbaring van Uw lieve Zoon? O, wie en wat ben ik, dat ik zo begunstigd word, terwijl duizenden aan zichzelf overgelaten worden en in hun zonden omkomen? O, hoe heerlijk bent U! Wat een goedertieren God! Hoe doet Uw genade mijn hart smelten en vernedert Uw goedertierenheid mijn ziel! Aan Uw Naam alleen zij alle eer en lof, nu en tot in eeuwigheid.”
Hier wordt God de eer gegeven. Zo geeft het ware geloof altijd aan God de eer en wil het nooit een greintje lof voor zichzelf hebben. Het kent alle heerlijkheid toe aan God, als de Beginner en Voleinder, totdat de zegeningen hier uitlopen op de zegeningen daarboven, en de stromen van de genade op aarde uitmonden in de onbegrensde oceaan van de heerlijkheid in de hemel.
Aan de lezer…
Kunt u, bestreden ziel, niet veel vertellen over bijzondere bewijzen van Gods genade, en meent u daarom dat u erbuiten staat? Bedenk dan dat veel lieve kinderen van God er zo aan toe zijn, en toch worden zij merkbaar ondersteund door wat hun geloof vastgrijpt. Een woord dat u onder de prediking raakte, een belofte die met kracht in uw ziel kwam, een ogenblik van licht in het verborgen: het zijn evenveel redenen om te zeggen: „Niet ons, o Heere, niet ons.”
En is Christus u ooit geopenbaard als de Rechtvaardiger van hem die in Jezus gelooft, vraag dan met verwondering: „Wie en wat ben ik, dat U medelijden met mij had?” Dat is de taal van het ware geloof, dat geen greintje lof voor zichzelf zoekt. Geef Hem de eer van het begin en van het einde, want Hij Die hier de stromen van de genade laat vloeien, zal ze eens laten uitmonden in de onbegrensde oceaan van de heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Not unto us, O LORD, not unto us, but unto thy name give glory, for thy mercy, and for thy truth’s sake.”
Psalm 115:1
Many of God’s dear children cannot get much beyond gentle intimations of His mercy, passing touches of His gracious hand, and softenings of heart under a sense of undeserved goodness and love; yet they feel sensibly relieved by what their faith thus lays hold of and brings in, and give glory to God. Sometimes again, as they hear the preached word and get a blessing under it, or some precious promise comes home to their soul with divine power, or they are favored in secret prayer, and light and life break in upon their mind, they see such a glory in what is thus made known to them, that they glorify God for what they see and feel.
But more especially when the way of salvation is opened up to them; when Christ is revealed to their soul by the power of God; when they see that wondrous plan unfolded, how God can be just, and yet the justifier of him who believes in Jesus; then as they view in the greatness of the mystery of the Person of Christ the blessed solution of the problem which has so exercised their mind, they freely and fully give all the glory to God.
“Lord,” they cry, “who and what am I, that You should have had pity and compassion upon me, should have touched my heart by Your grace, should have planted Your fear in my breast, led me to pray and seek Your face, and listened to my feeble cries, should thus have given me to hope in Your mercy, and blessed my soul with a manifestation of Your dear Son? Oh, who and what am I to be thus favored, when thousands are left to perish in their sins? Oh, how glorious are You! what a good God! how Your mercy melts my heart, and Your goodness softens my soul! To Your Name be all the honor and praise, both now and forever and ever.”
Here is giving glory to God. Thus, true faith will always give God the glory; will never take an atom of its own praise to itself, but will ascribe the whole glory to God as its sole Author and Finisher, until blessings here end in blessings hereafter, and streams of grace on earth issue into the boundless ocean of glory in heaven.
To the reader…
Tried soul, can you not tell much about special tokens of God’s grace, and do you therefore think you stand outside? Then remember that many dear children of God are in the same case, and yet they are noticeably upheld by what their faith lays hold of. A word that touched you under the preaching, a promise that came into your soul with power, a moment of light in secret: they are so many reasons to say, “Not unto us, O Lord, not unto us.”
And if Christ has ever been revealed to you as the Justifier of him who believes in Jesus, then ask in wonder, “Who and what am I, that Thou hadst pity on me?” That is the language of true faith, which seeks not a grain of praise for itself. Give Him the glory of the beginning and of the end, for He Who lets the streams of grace flow here will one day let them pour into the boundless ocean of glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“No a nosotros, oh Jehová, no a nosotros, sino a Tu nombre da gloria; por Tu misericordia, por Tu verdad.”
Salmo 115:1
Muchos de los amados hijos de Dios no pueden ir mucho más allá de suaves indicios de Su misericordia, toques pasajeros de Su mano llena de gracia y enternecimientos del corazón bajo el sentir de una bondad y un amor inmerecidos; y sin embargo se sienten notablemente aliviados por lo que su fe así aprehende y trae consigo, y dan gloria a Dios. Otras veces, al oír la palabra predicada y recibir bajo ella una bendición, o cuando alguna preciosa promesa llega a su alma con poder divino, o son favorecidos en la oración secreta y la luz y la vida irrumpen en su mente, ven tal gloria en lo que así se les da a conocer, que glorifican a Dios por lo que ven y sienten.
Pero más especialmente cuando se les abre el camino de la salvación; cuando Cristo es revelado a su alma por el poder de Dios; cuando ven desplegado aquel maravilloso plan, cómo Dios puede ser justo, y el que justifica al que es de la fe de Jesús; entonces, al contemplar en la grandeza del misterio de la Persona de Cristo la bendita solución del problema que tanto ha ejercitado su mente, dan libre y plenamente toda la gloria a Dios.
“Señor”, claman, “¿quién y qué soy yo, para que Tú hayas tenido piedad y compasión de mí, hayas tocado mi corazón por Tu gracia, hayas plantado Tu temor en mi pecho, me hayas llevado a orar y a buscar Tu rostro, y hayas escuchado mis débiles clamores; para que así me hayas dado esperar en Tu misericordia, y hayas bendecido mi alma con una manifestación de Tu amado Hijo? ¡Oh, quién y qué soy yo para ser así favorecido, cuando miles son dejados a perecer en sus pecados! ¡Oh, cuán glorioso eres Tú! ¡Qué Dios tan bueno! ¡Cómo Tu misericordia derrite mi corazón y Tu bondad enternece mi alma! A Tu Nombre sea toda la honra y la alabanza, ahora y por los siglos de los siglos.”
Esto es dar gloria a Dios. Así, la fe verdadera siempre dará a Dios la gloria; nunca tomará para sí un átomo de alabanza propia, sino que atribuirá toda la gloria a Dios como su único Autor y Consumador, hasta que las bendiciones de aquí terminen en las bendiciones del más allá, y los arroyos de gracia en la tierra desemboquen en el océano sin límites de la gloria en el cielo.
Al lector…
Alma probada, ¿no puede contar mucho de señales especiales de la gracia de Dios, y por eso piensa que está fuera? Entonces recuerde que muchos amados hijos de Dios están en el mismo caso, y sin embargo son notablemente sostenidos por lo que su fe aprehende. Una palabra que le tocó bajo la predicación, una promesa que entró en su alma con poder, un momento de luz en lo secreto: son otros tantos motivos para decir: “No a nosotros, oh Jehová, no a nosotros.”
Y si Cristo le ha sido revelado alguna vez como el que justifica al que es de la fe de Jesús, entonces pregunte con asombro: “¿Quién y qué soy yo, para que Tú hayas tenido piedad de mí?” Ese es el lenguaje de la fe verdadera, que no busca para sí ni un grano de alabanza. Dele a Él la gloria del principio y del fin, porque Aquel que hace correr aquí los arroyos de gracia los hará un día desembocar en el océano sin límites de la gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl