15 december
Want onze zeer lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een zeer uitnemend, eeuwig gewicht der heerlijkheid.
2 Korinthe 4:17
Het Hebreeuwse woord „heerlijkheid” betekent letterlijk „gewicht”, en de apostel schijnt daarop het oog te hebben door, gelijk hij doet, de twee woorden met elkaar te verbinden of samen te voegen. Er is inderdaad een natuurlijk verband tussen hetgeen wichtig of zwaar en hetgeen hecht en duurzaam is. Hij wilde dus de toekomstige heerlijkheid als hecht en duurzaam voorstellen, en als volstrekt onderscheiden van de lichte, ijdele nietigheden van de tijd, en zelfs van de voorbijgaande verdrukkingen die dagelijks voorkomen.
Maar hij schijnt hoofdzakelijk te zinspelen op de buitengewone grootheid van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden, in vergelijking met onze tegenwoordige vermogens van lichaam en geest en onze tegenwoordige bevatting daarvan. Het is alsof hij wil zeggen: „In onze tegenwoordige, onvolmaakte staat, met onze bekrompen vermogens van geest en onze zwakke, broze tabernakel, kunnen wij het gewicht van die onsterfelijke heerlijkheid niet dragen, die bereid is voor de heiligen in het Koninkrijk der heerlijkheid.” Geen oog heeft het gezien, noch oor gehoord, noch is het in het hart des mensen ooit opgeklommen, hetgeen God bereid heeft voor degenen die Hem liefhebben.
De hemel, in de ontsluiting van zijn zaligheid, zou ons tegenwoordig lichaam en onze ziel in een enkel ogenblik verbrijzelen in het stof. „Geen mens,” zegt God tot Mozes, „zal Mij zien en leven.” Toen Johannes op Patmos een gezicht ontving van de herrezen Heere, viel hij, ofschoon hij bij het laatste avondmaal op Zijn borst gevallen was, als dood aan Zijn voeten. Daarom moeten wij gereinigd worden van alle besmetting der zonde, en onze zielen moeten tot het uiterste van onze sterfelijke vermogens verwijd worden, en ons lichaam verheerlijkt en gelijkvormig gemaakt naar het heerlijk lichaam van de Heere Jezus Christus, opdat ziel en lichaam in staat zullen mogen zijn het gewicht der eeuwige heerlijkheid te dragen, waarmede zij zullen bekleed worden. Gelijk de apostel zegt: „Niet dat wij zouden ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.”
Maar er is iets in het woord „heerlijkheid” dat ik niet mag voorbijgaan. De Heere bidt in het aangrijpende kapittel Johannes 17 aldus, of liever, Hij drukt Zijn hemelse wil als volgt uit: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Dit is het gewicht der heerlijkheid waarvan de apostel spreekt: niet alleen ontslag van zonde en smart, niet slechts Christus zien gelijk Hij is, maar ook beschouwen en genieten de onuitsprekelijke heerlijkheid die de Vader Hem gegeven heeft, dat is al de heerlijkheid der Godheid, zoals deze geopenbaard is in en schijnende is door Zijn menselijke natuur.
De volkomenheid en volmaaktheid van deze heerlijkheid is voor de heiligen Gods weggelegd om te genieten, wanneer zij Hem zullen zien gelijk Hij is en kennen gelijk zij gekend zijn. Wij zien er een glimpje van wanneer Christus aan de ziel geopenbaard wordt, wanneer de hemelen aan het geloof ontsloten worden, wanneer Zijn schoonheid en dierbaarheid door de kracht Gods aan het hart worden geopenbaard. Maar het „uitnemende gewicht der heerlijkheid” kan nooit in dit tegenwoordige leven ten volle begrepen worden.
Aan de lezer…
Kent u dat? De verdrukking drukt zwaar op u, zo zwaar dat u haar niet licht kunt noemen. Leg haar dan eens op de weegschaal naast het eeuwig gewicht der heerlijkheid. Wat u nu terneerdrukt, gaat zeer haast voorbij; wat bereid is voor degenen die Hem liefhebben, is hecht en duurzaam, en geen oog heeft het gezien.
Bent u nog besmet met zonde en zwak van lichaam en geest? Ook dat weet de Heere. Hij moet Zijn volk reinigen en bereiden, opdat zij eens die heerlijkheid kunnen dragen. Hebt u soms een glimpje gezien van Zijn schoonheid en dierbaarheid, wanneer Christus aan uw ziel werd geopenbaard? Dat was slechts een voorsmaak. Hij heeft gezegd: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn.” Houd dat vast, totdat u Hem zult zien gelijk Hij is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want onze zeer lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een zeer uitnemend, eeuwig gewicht der heerlijkheid.
2 Korinthe 4:17
Het Hebreeuwse woord voor „heerlijkheid” betekent letterlijk „gewicht”, en de apostel lijkt daarop te doelen door de twee woorden, zoals hij doet, met elkaar te verbinden of samen te voegen. Er is inderdaad een natuurlijk verband tussen wat gewichtig of zwaar is en wat hecht en duurzaam is. Hij wilde de toekomstige heerlijkheid dus voorstellen als hecht en duurzaam, en als volstrekt verschillend van de lichte, ijdele nietigheden van de tijd, en zelfs van de voorbijgaande verdrukkingen die dagelijks voorkomen.
Maar hij lijkt vooral te doelen op de buitengewone grootheid van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden, vergeleken met onze huidige vermogens van lichaam en geest en ons huidige begrip daarvan. Het is alsof hij wil zeggen: „In onze tegenwoordige, onvolmaakte staat, met onze bekrompen vermogens van geest en onze zwakke, broze tabernakel, kunnen wij het gewicht van die onsterfelijke heerlijkheid niet dragen, die bereid is voor de heiligen in het Koninkrijk der heerlijkheid.” Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in het hart van de mens is nooit opgekomen wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.
Als de hemel zijn zaligheid ontsloot, zou die ons tegenwoordige lichaam en onze ziel in één ogenblik tot stof verbrijzelen. „Geen mens,” zegt God tegen Mozes, „zal Mij zien en leven.” Toen Johannes op Patmos een gezicht ontving van de opgestane Heere, viel hij als dood aan Zijn voeten, hoewel hij bij het laatste avondmaal aan Zijn borst had gelegen. Daarom moeten wij gereinigd worden van alle besmetting van de zonde, moeten onze zielen verruimd worden tot de uiterste grens van onze sterfelijke vermogens, en moet ons lichaam verheerlijkt en gelijkvormig gemaakt worden aan het heerlijke lichaam van de Heere Jezus Christus. Zo zullen ziel en lichaam in staat zijn het gewicht te dragen van de eeuwige heerlijkheid waarmee zij bekleed zullen worden. Zoals de apostel zegt: „Niet dat wij zouden ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.”
Maar er is iets in het woord „heerlijkheid” dat ik niet mag overslaan. In het aangrijpende hoofdstuk Johannes 17 bidt de Heere zo, of liever, drukt Hij Zijn hemelse wil zo uit: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.” Dit is het gewicht van de heerlijkheid waarover de apostel spreekt: niet alleen bevrijding van zonde en smart, niet alleen Christus zien zoals Hij is, maar ook de onuitsprekelijke heerlijkheid aanschouwen en genieten die de Vader Hem gegeven heeft, dat wil zeggen: heel de heerlijkheid van de Godheid, zoals die geopenbaard is in Zijn menselijke natuur en daardoor heen schijnt.
De volheid en volmaaktheid van deze heerlijkheid is voor de heiligen van God weggelegd om te genieten, wanneer zij Hem zullen zien zoals Hij is en kennen zoals zij gekend zijn. Wij zien er een glimp van wanneer Christus aan de ziel geopenbaard wordt, wanneer de hemel voor het geloof ontsloten wordt, wanneer Zijn schoonheid en dierbaarheid door de kracht van God aan het hart worden geopenbaard. Maar het „uitnemende gewicht der heerlijkheid” kan in dit tegenwoordige leven nooit volledig begrepen worden.
Aan de lezer…
Kent u dat? De verdrukking drukt zwaar op u, zo zwaar dat u haar niet licht kunt noemen. Leg haar dan eens op de weegschaal naast het eeuwige gewicht van de heerlijkheid. Wat u nu terneerdrukt, gaat zeer snel voorbij; wat bereid is voor hen die Hem liefhebben, is hecht en duurzaam, en geen oog heeft het gezien.
Bent u nog besmet met zonde en zwak van lichaam en geest? Ook dat weet de Heere. Hij moet Zijn volk reinigen en voorbereiden, zodat zij die heerlijkheid eens kunnen dragen. Hebt u soms een glimp gezien van Zijn schoonheid en dierbaarheid, wanneer Christus aan uw ziel werd geopenbaard? Dat was nog maar een voorsmaak. Hij heeft gezegd: „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn.” Houd dat vast, totdat u Hem zult zien zoals Hij is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For our light affliction, which is but for a moment, worketh for us a far more exceeding and eternal weight of glory.”
2 Corinthians 4:17
The Hebrew word “glory” literally signifies “weight;” and the Apostle seems to have some allusion to that circumstance by connecting, as he does, the two words together. There is indeed a natural connection between what is weighty and what is solid and substantial. He would thus represent future glory as something solid, lasting, and durable, and therefore utterly distinct from the light, vain trifles of time, and even the passing afflictions of the day or hour.
But he seems chiefly to be alluding to the exceeding greatness of that glory which is to be revealed as compared with our present faculties of body and mind and all our present conceptions. It is as though he should say, “In our present imperfect state, with our limited faculties of mind, and our weak, frail tabernacle, we could not bear the weight of that immortal glory which is prepared for the saints in the realms of bliss.” “Eye has not seen, nor ear heard, neither have entered into the heart of man, the things which God has prepared for those who love Him.”
Heaven, with its opening bliss, would crush our present body and soul at once into the dust. “No man,” said God to Moses, “can see Me and live.” When John in Patmos had a view of the glory of his risen Lord, though he had lain in His bosom at the last supper, yet he fell at His feet as dead. Therefore, we must have our soul purified from all stain of sin and expanded to the utmost of its immortal powers, and our body glorified and conformed to the body of the Lord Jesus Christ, that soul and body may alike be able to bear the weight of eternal glory with which they are to be clothed. As the Apostle speaks, “Not for that we would be unclothed, but clothed upon, that mortality might be swallowed up of life.”
But there is something in the word “glory” that I must not pass by. The Lord, in that touching chapter, John 17, thus prays, or rather thus expresses His heavenly will, “Father, I will that they also, whom You have given Me, be with Me where I am; that they may behold My glory, which You have given Me.” This is the “weight of glory” that the Apostle speaks of, not merely freedom from sin and sorrow, not merely seeing Christ as He is, but beholding and enjoying that unutterable glory which the Father gave Him, which is all the glory of Godhead as revealed in, and shining through His human nature.
The fullness and perfection of this glory is reserved for the saints of God to enjoy when they shall see Him as He is, and know even also as they are known. We see a gleam of it when Christ is revealed to the soul; when the heavens are opened to faith; when His beauty and blessedness are manifested to our heart by the power of God. But the “exceeding and eternal weight of glory” can never be fully comprehended in this present life.
To the reader…
Do you know this? Affliction presses heavily on you, so heavily that you cannot call it light. Then lay it for once on the scales beside the eternal weight of glory. What weighs you down now passes very quickly; what is prepared for those who love Him is solid and lasting, and no eye has seen it.
Are you still stained with sin and weak in body and mind? The Lord knows that too. He must cleanse and prepare His people, so that one day they can bear that glory. Have you sometimes seen a glimpse of His beauty and preciousness, when Christ was revealed to your soul? That was only a foretaste. He has said, “Father, I will that they also be with Me where I am.” Hold on to that, until you see Him as He is.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque lo que al presente es momentáneo y leve de nuestra tribulación, nos obra un sobremanera alto y eterno peso de gloria.”
2 Corintios 4:17
La palabra hebrea “gloria” significa literalmente “peso”; y el Apóstol parece hacer alguna alusión a esa circunstancia al unir, como lo hace, las dos palabras. Hay, en efecto, una conexión natural entre lo que es pesado y lo que es sólido y sustancial. Así quiere presentar la gloria futura como algo sólido, duradero y permanente, y por tanto enteramente distinto de las bagatelas ligeras y vanas del tiempo, y aun de las aflicciones pasajeras del día o de la hora.
Pero parece aludir principalmente a la extraordinaria grandeza de esa gloria que ha de ser revelada, comparada con nuestras facultades presentes de cuerpo y mente y con todas nuestras concepciones actuales. Es como si dijera: “En nuestro estado presente e imperfecto, con nuestras limitadas facultades de mente y nuestro tabernáculo débil y frágil, no podríamos soportar el peso de esa gloria inmortal que está preparada para los santos en las regiones de la dicha.” “Cosas que ojo no vio, ni oreja oyó, ni han subido en corazón de hombre, son las que ha Dios preparado para aquellos que le aman.”
El cielo, con su dicha desplegada, aplastaría de inmediato nuestro cuerpo y alma presentes hasta el polvo. “No me verá hombre, y vivirá”, dijo Dios a Moisés. Cuando Juan en Patmos tuvo una visión de la gloria de su Señor resucitado, aunque se había recostado en Su seno en la última cena, cayó a Sus pies como muerto. Por tanto, nuestra alma ha de ser purificada de toda mancha de pecado y ensanchada hasta lo sumo de sus facultades inmortales, y nuestro cuerpo glorificado y conformado al cuerpo del Señor Jesucristo, para que alma y cuerpo puedan por igual soportar el peso de la gloria eterna con que han de ser revestidos. Como dice el Apóstol: “Porque no quisiéramos ser desnudados; sino sobrevestidos, para que lo mortal sea absorbido por la vida.”
Pero hay algo en la palabra “gloria” que no debo pasar por alto. El Señor, en aquel conmovedor capítulo, Juan 17, ora así, o más bien expresa así Su voluntad celestial: “Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo; para que vean Mi gloria que Me has dado.” Este es el “peso de gloria” del que habla el Apóstol: no meramente la liberación del pecado y del dolor, no meramente ver a Cristo tal como Él es, sino contemplar y disfrutar aquella gloria indecible que el Padre Le dio, que es toda la gloria de la Deidad tal como se revela en Su naturaleza humana y resplandece a través de ella.
La plenitud y perfección de esta gloria está reservada para que la disfruten los santos de Dios cuando Le vean tal como Él es, y conozcan como también son conocidos. Vemos un destello de ella cuando Cristo es revelado al alma; cuando los cielos se abren a la fe; cuando Su hermosura y bienaventuranza se manifiestan a nuestro corazón por el poder de Dios. Pero el “sobremanera alto y eterno peso de gloria” nunca puede comprenderse plenamente en esta vida presente.
Al lector…
¿Conoce usted esto? La aflicción pesa sobre usted, tanto que no puede llamarla leve. Entonces póngala por una vez en la balanza junto al eterno peso de gloria. Lo que ahora le abate pasa muy pronto; lo que está preparado para los que Le aman es sólido y duradero, y ningún ojo lo ha visto.
¿Está todavía manchado por el pecado y débil de cuerpo y de mente? El Señor sabe también eso. Él ha de limpiar y preparar a Su pueblo, para que un día pueda soportar esa gloria. ¿Ha visto a veces un vislumbre de Su hermosura y preciosidad, cuando Cristo fue revelado a su alma? Eso fue solo un anticipo. Él ha dicho: “Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo.” Aférrese a eso, hasta que Le vea tal como Él es.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl