12 maart
Die in duisternis en schaduw des doods zaten.
Psalm 107:10
Welk een kostelijke zaak is het licht, het licht des levens, het licht van Gods vriendelijk aangezicht, van het heerlijk Evangelie, van Jezus’ aangezicht! Waarlijk, het licht is zoet en het is de ogen goed de zon te aanschouwen. Maar voor wie? Voor degenen die zitten in duisternis en schaduw des doods. Hoe begroeten dezulken de eerste stralen van het licht!
Stel u voor dat ge schipbreuk geleden hadt en bij nacht op een rots waart geworpen: wat zoudt gij de eerste stralen van het morgenlicht verwelkomen, die u konden aantonen waar gij waart; en wat een hoop zou het in u verwekken op een uiteindelijke verlossing! Bij vergelijking is het ook zo wanneer een ziel in gevaar en daarbij ook nog in duisternis verkeert; hoe begroet zo’n schipbreuklijdende ziel de eerste lichtstraal, waarbij zij mag zien de weg van ontkoming van de hel naar de hemel. Hoe zoet is het haar enig Goddelijk licht in haar gemoed gewaar te worden, door enig invallend licht te mogen blikken in de goedheid en barmhartigheid, genade en heerlijkheid van de dierbare Jezus. Hoe meer wij van de duisternis kennen, hoe meer wij het licht zullen prijzen.
Vele hoge belijders verachten dit alles en merken erbij op dat wij een gebouw oprichten, steunende op gevoel en gemoedsgestalten, en derhalve van onze bevinding een Christus maken. Arme mensen! Hun licht is geen duit waard en het is te vrezen dat het maar een vlam is van hun eigen vuur, een licht dat hen nooit ten hemel brengen zal. Maar waarom verachten zij het? Omdat zij nooit zitten in duisternis of schaduw des doods. Wat is derhalve van hun licht naar waarheid te oordelen? Een dwaallichtje, een gaslamp, een meteoor, een vallende ster, iets en alles, behalve de dageraad van omhoog of de Zon der gerechtigheid.
Maar het volk des Heeren kan het niet doen met gaslamp of dwaallichtje. Zij moeten Jezus hebben. Zij moeten Zijn bloed gesprengd hebben op hun consciëntie, Zijn genade in hun hart, Zijn tegenwoordigheid in hun ziel. Zoete ontdekkingen van Zijn Persoon en werk, de influisteringen van Zijn liefde, het aanraken van Zijn vinger, de toelachingen Zijns aangezichts. Zij moeten Jezus voor zichzelf hebben. „Geef mij Jezus, of ik sterf!” is hun gevoel.
Doch wat doet hen voor de dag komen met hun ernstige zuchten en smekingen? Zij zijn in duisternis en schaduw des doods. Waren zij daarin niet, zij zouden tevreden zijn te blijven zoals ze van nature waren, dat is onwetend en dood. Maar hun staat beseffende, doet het hen uitzien naar de stralen des lichts, en wanneer die in hun ziel doorbreken, dan kunnen zij het prijzen, omdat het van God komt en tot God leidt.
Aan de lezer…
Soms zit u in duisternis en schaduw des doods, en schijnt het of er geen ster meer aan uw hemel staat. Dan bent u juist degene voor wie het licht zo kostelijk is. Wie nooit in het donker zat, kan het licht verachten en tevreden zijn met een dwaallichtje of een vlam van eigen vuur. Maar u ziet, als een schipbreukeling op de rots in de nacht, uit naar de eerste straal van de morgen, die u de weg van ontkoming wijst.
Schaam u dan niet over uw zuchten en smekingen. Het is juist uw duisternis die u doet uitroepen: „Geef mij Jezus, of ik sterf!” Geen gaslamp kan u helpen; u moet Zijn bloed op uw consciëntie hebben, Zijn genade in uw hart, de toelachingen van Zijn aangezicht. Hoe meer u van de duisternis kent, hoe meer u het licht zult prijzen wanneer het doorbreekt. Want dat licht komt van God en leidt tot God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die in duisternis en schaduw des doods zaten.
Psalm 107:10
Wat is het licht toch kostbaar: het licht van het leven, het licht van Gods vriendelijk aangezicht, van het heerlijk Evangelie, van het aangezicht van Jezus! Waarlijk, het licht is zoet en het is goed voor de ogen de zon te zien. Maar voor wie? Voor hen die in duisternis en schaduw des doods zitten. Hoe begroeten zulke mensen de eerste stralen van het licht!
Stel u voor dat u schipbreuk had geleden en ’s nachts op een rots was geworpen. Wat zou u de eerste stralen van het morgenlicht verwelkomen, die u konden laten zien waar u was; en wat een hoop op uiteindelijke verlossing zouden ze in u wekken! Zo is het ook, bij vergelijking, wanneer een ziel in gevaar verkeert en daarbij ook nog in duisternis. Hoe begroet zo’n schipbreukelinge de eerste lichtstraal, waarin zij de weg mag zien om te ontkomen van de hel naar de hemel. Hoe zoet is het haar enig goddelijk licht in haar gemoed te ervaren, en door een invallende lichtstraal te mogen zien in de goedheid en barmhartigheid, genade en heerlijkheid van de dierbare Jezus. Hoe meer wij van de duisternis kennen, hoe meer wij het licht zullen prijzen.
Veel hoge belijders verachten dit alles en merken erbij op dat wij een gebouw optrekken dat steunt op gevoelens en gemoedsgestalten, en dat wij daarom van onze bevinding een Christus maken. Arme mensen! Hun licht is geen duit waard, en het is te vrezen dat het maar een vlam van hun eigen vuur is, een licht dat hen nooit in de hemel zal brengen. Maar waarom verachten zij het? Omdat zij nooit in duisternis of schaduw des doods zitten. Wat moeten wij dan naar waarheid van hun licht denken? Het is een dwaallichtje, een gaslamp, een meteoor, een vallende ster, wat dan ook, behalve de Opgang uit de hoogte of de Zon der gerechtigheid.
Maar het volk van de Heere kan het niet doen met een gaslamp of een dwaallichtje. Zij moeten Jezus hebben. Zij moeten Zijn bloed op hun consciëntie gesprengd hebben, Zijn genade in hun hart, Zijn tegenwoordigheid in hun ziel. Zij moeten zoete ontdekkingen hebben van Zijn Persoon en werk, de influisteringen van Zijn liefde, de aanraking van Zijn vinger, het lachen van Zijn aangezicht. Zij moeten Jezus voor zichzelf hebben. „Geef mij Jezus, of ik sterf!” is wat zij voelen.
Maar wat drijft hen ertoe met hun ernstige zuchten en smekingen voor de dag te komen? Zij zijn in duisternis en schaduw des doods. Waren zij daar niet in, dan zouden zij tevreden zijn te blijven zoals ze van nature waren, dat is: onwetend en dood. Maar omdat zij hun staat beseffen, zien zij uit naar de stralen van het licht. En wanneer die in hun ziel doorbreken, dan kunnen zij het prijzen, omdat het van God komt en tot God leidt.
Aan de lezer…
Soms zit u in duisternis en schaduw des doods, en lijkt het of er geen ster meer aan uw hemel staat. Dan bent u juist degene voor wie het licht zo kostbaar is. Wie nooit in het donker zat, kan het licht verachten en tevreden zijn met een dwaallichtje of een vlam van eigen vuur. Maar u ziet, als een schipbreukeling die ’s nachts op de rots ligt, uit naar de eerste straal van de morgen, die u de weg wijst om te ontkomen.
Schaam u dan niet voor uw zuchten en smekingen. Het is juist uw duisternis die u doet uitroepen: „Geef mij Jezus, of ik sterf!” Geen gaslamp kan u helpen; u moet Zijn bloed op uw consciëntie hebben, Zijn genade in uw hart, het lachen van Zijn aangezicht. Hoe meer u van de duisternis kent, hoe meer u het licht zult prijzen wanneer het doorbreekt. Want dat licht komt van God en leidt tot God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Such as sit in darkness and in the shadow of death.”
Psalm 107:10
What a blessed thing is light, the light of life, the light of God’s countenance, of the glorious gospel, of Jesus’ face! “Truly light is sweet, and a pleasant thing it is for the eyes to behold the sun.” But to whom? To those who sit in darkness and the shadow of death. How such hail the first rays of light! If you were shipwrecked, cast by night upon a desert rock, how you would hail the first beams of the morning light to show you where you were, and what hopes there were of final escape.
So, similarly, how a sense of danger, magnified by the darkness, makes the shipwrecked soul hail the first beam of light, that it may see the way of escape from hell to heaven. How sweet to such it is to have any divine light dawn upon the mind, to have any breaking in of the goodness and mercy, grace and glory, of the blessed Jesus.
The more we sit in darkness, the more we prize light. Many high professors despise all this, and run out against it as a building upon frames and feelings, and making a Christ of our experience. Poor things! Their light is not worth having; and their religion, it is to be feared, is but a fire of their own kindling, the light of which will never light them to heaven. But why do they despise it? Because they never sit in darkness and the shadow of death.
Therefore, really and truly, what is their light? A will-o’-the-wisp, a gas-lamp, a meteor, a falling star, anything, everything but the dayspring from on high, or the Sun of righteousness. But the Lord’s people cannot be put off with a gas-lamp, a will-o’-the-wisp. They must have Jesus. They must have His blood upon their consciences, His grace in their hearts, His presence in their souls; sweet discoveries of His Person and work, the whispers of His love, the touch of His finger, the smiles of His face. They must have Jesus for themselves. “Give me Christ, or else I die,” is their feeling.
But what makes them break forth with these earnest sighs and cries? They are in darkness and in the shadow of death. Were they otherwise, they would be content to remain as they naturally are; dark and dead. But feeling their state, it makes them long for the beams of light; and when it breaks in upon their soul, they can bless it because it comes from and leads to God.
To the reader…
At times you sit in darkness and the shadow of death, and it seems as if not a single star is left in your sky. Then you are just the one to whom the light is so precious. Whoever has never sat in the dark can despise the light and be content with a will-o’-the-wisp or a flame of his own fire. But you, like a shipwrecked man lying on the rock by night, look out for the first ray of morning that shows you the way of escape.
Do not be ashamed, then, of your sighs and pleadings. It is your very darkness that makes you cry out, “Give me Jesus, or I die!” No gas-lamp can help you; you must have His blood on your conscience, His grace in your heart, the smile of His face. The more you know of the darkness, the more you will prize the light when it breaks through. For that light comes from God and leads to God.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Los que moraban en tinieblas y sombra de muerte.”
Salmo 107:10
¡Qué cosa bendita es la luz, la luz de la vida, la luz del rostro de Dios, del glorioso evangelio, del rostro de Jesús! “Suave ciertamente es la luz, y agradable a los ojos ver el sol.” Pero ¿para quién? Para los que moran en tinieblas y sombra de muerte. ¡Cómo saludan estos los primeros rayos de luz! Si usted naufragara y fuera arrojado de noche sobre una roca desierta, ¡cómo saludaría los primeros rayos de la luz de la mañana que le mostraran dónde estaba y qué esperanzas había de escapar al fin!
Así, de modo semejante, ¡cómo el sentir del peligro, agrandado por la oscuridad, hace que el alma náufraga salude el primer rayo de luz, para que vea el camino de escape del infierno al cielo! ¡Qué dulce es para los tales que amanezca en su mente alguna luz divina, que irrumpa algo de la bondad y la misericordia, la gracia y la gloria del bendito Jesús!
Cuanto más moramos en tinieblas, más apreciamos la luz. Muchos de alta profesión desprecian todo esto y arremeten contra ello como si fuera edificar sobre estados de ánimo y sentimientos y hacer de nuestra experiencia un Cristo. ¡Pobres! Su luz no vale la pena tenerla; y su religión, es de temer, no es sino un fuego encendido por ellos mismos, cuya luz nunca los alumbrará hasta el cielo. Pero ¿por qué lo desprecian? Porque nunca moran en tinieblas y sombra de muerte.
Por tanto, real y verdaderamente, ¿qué es su luz? Un fuego fatuo, una lámpara de gas, un meteoro, una estrella fugaz, cualquier cosa, todo menos el Oriente de lo alto o el Sol de justicia. Pero al pueblo del Señor no se le puede despachar con una lámpara de gas o un fuego fatuo. Han de tener a Jesús. Han de tener Su sangre sobre su conciencia, Su gracia en su corazón, Su presencia en su alma; dulces descubrimientos de Su Persona y obra, los susurros de Su amor, el toque de Su dedo, las sonrisas de Su rostro. Han de tener a Jesús para sí mismos. “Dadme a Cristo, o muero”, es lo que sienten.
Pero ¿qué les hace prorrumpir en estos fervientes suspiros y clamores? Están en tinieblas y en sombra de muerte. Si fuera de otro modo, se contentarían con quedarse como son por naturaleza: oscuros y muertos. Pero el sentir su estado les hace anhelar los rayos de luz; y cuando esta irrumpe en su alma, pueden bendecirla, porque viene de Dios y conduce a Dios.
Al lector…
A veces usted mora en tinieblas y sombra de muerte, y parece como si no quedara una sola estrella en su cielo. Entonces es usted precisamente aquel para quien la luz es tan preciosa. Quien nunca ha estado en la oscuridad puede despreciar la luz y contentarse con un fuego fatuo o con la llama de su propio fuego. Pero usted, como un náufrago que yace de noche sobre la roca, aguarda el primer rayo de la mañana que le muestre el camino de escape.
No se avergüence, pues, de sus suspiros y súplicas. Es precisamente su oscuridad la que le hace clamar: “¡Dadme a Jesús, o muero!” Ninguna lámpara de gas puede ayudarle; ha de tener Su sangre sobre su conciencia, Su gracia en su corazón, la sonrisa de Su rostro. Cuanto más conozca de la oscuridad, más apreciará la luz cuando irrumpa. Porque esa luz viene de Dios y conduce a Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl