Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Met Christus gekruist

Leerrede naar Gal. 2: 20: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

Het kruis van onze Heere Jezus Christus is de grootste verborgenheid van Goddelijke wijsheid en almachtige kracht, van eeuwige liefde en oneindige genade, welke ooit kon ontdekt worden voor de ogen van mensen of Engelen. Ik noemde het ene verborgenheid, niet slechts omdat het voor het natuurlijke verstand niet te bevatten is, maar ook omdat het wezen van een verborgenheid, in de Schriftuurlijken zin des woords, is, verborgen te zijn voor deze en ontdekt aan genen.

Alzo zegt de Heere tot Zijn discipelen, wanneer zij Hem vraagden, waarom Hij tot de scharen sprak in de gelijkenis: “Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk der Hemelen te verstaan, maar hun is het niet gegeven.” (Matth. 13: 11). Op gelijke wijze zei Hij bij ene andere gelegenheid: Ik dank U Vader, Heere van de hemel en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard; ja Vader! want alzo is geweest het welbehagen voor U.” (Luk. 10: 21). Het kruis is ene verborgenheid, niet alleen omdat het in zich bevat de diepste schatten van hemelse wijsheid en genade, maar ook omdat de kracht en wijsheid ervan hier verborgen en daar ontdekt is geworden.

Daarom vraagt de Apostel van de gelovigen te Efeze, dat zij voor Hem zouden bidden, opdat hem het woord gegeven werd in de opening zijns monds) met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken. (Efeze 6: 19, 20). En wederom zegt hij: “Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de Heidenen, door het Evangelie te verkondigen, de onnaspeurlijke rijkdom van Christus, en allen te verlichten, dat zij mogen verstaan welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus.” (H. 3: 8, 9).

Zaligheid door het kruis is de meest aanstotelijke en onverstaanbare van alle waarheden. Dat de beloofde Messias gekruist zou worden was altijd de Joden, die een zegevierenden Koning verwachtten, een aanstoot; dat de gekruiste de Zoon van God’ zou wezen, dat was der Grieken ene dwaasheid, want met was in tegenspraak met het verstand en de rede. Doch er waren er ook wier ogen er Goddelijk voor verlicht waren, en wier hart dat omhelsde.

Daarom zegt hij (1 Kor. 1: 18: Maar ons die behouden worden is het ene kracht Gods.” Schoon het de geleerden Griek ene dwaasheid was, waren er ook, die in het kruis ene wijsheid ontdekten, die alle wijsheid meer overtrof dan de zomermiddagzon de flauwste ster te boven gaat; en dat deed de Apostel zeggen: “Wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch ene wijsheid, niet van deze wereld, noch de oversten van deze wereld, die teniet worden; maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God tevoren Verordend heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was; welke niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft, want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.” (1 Kor. 2: 6-8).

Dit is dan de verborgenheid des kruises, de verborgen wijsheid, welke God verordend heeft tot onze heerlijkheid, eer de wereld was: dat de Zoon van God, met de Vader en de Heilige Geest van evengelijke en eeuwige natuur, in vereniging met zijn Godheid, onze natuur zou aannemen, en als de Godmens lijden, Zijn bloed storten en sterven; opdat door Zijn lijden en sterven menigte zondaars zouden verlost worden van de vloek der wet en de verdoemenis der hel, en in Hem gezaligd met ene eeuwige zaligheid. Het behoort niet tot mijn tegenwoordig onderwerp, om ons verder in te laten in de diepte van deze verborgenheid, als ene ontdekking van oneindige wijsheid; alleen merken wij kort aan, dat door het kruis van onze lijdenden en stervenden Heere, rechtvaardigheid en genade geheel werden verenigd; alle Gods deugden zalig verheerlijkt; de Zoon zijner liefde uitermate verhoogd; het verlossingswerk volkomen volbracht; de kerk voor eeuwig behouden; de satan geheel beschaamd en overwonnen; en een eeuwige lof en prijs toegebracht tot de heerlijkheid van de Drie-enige God. Met recht mogen wij dus Paulus nazeggen: “De verborgenheid der Godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees.” (1 Tim. 3: 16).

Doch wie was meer doordrongen van de genade en heerlijkheid, die zich in deze verborgenheid ontdekte, dan de apostel Paulus? Hij zag zulk ene wijsheid en kracht, liefde, genade en volheid van zaligheid in het kruis, dat hij ook als Evangelieprediker voorgenomen had, niets te weten, dan Jezus Christus en Dien gekruist. Door het geloof met Christus verenigd, kon hij verklaren: “Het zij ver van mij, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus: door welke de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld” (Gal. 6: 14). En bevindelijk kennis hebbende aan een heiligen omgang met Christus in Zijn lijden en sterven, zo kon bij van zichzelf spreken als met Christus gekruisigd te zijn; als of hij met Jezus zo van een geest, Zijn lijdend beeld gelijkvormig en in Zijn doop gedoopt was, dat hij als met Christus genageld was aan eenzelfde kruis; gelijk hij in onze tekst zegt: “Ik ben met Christus gekruist,” enz., welke woorden wij nu met Gods zegen zullen trachten te beschouwen.

Daartoe wijs ik u

I. Op het grote fundament van de gehele tekst, voorgesteld in de laatste woorden: de liefde en overgave van Gods Zoon.

II. De vrucht daarvan, door Gods kracht der ziel ontdekt: “met Christus gekruist te zijn.

III. Het gevolg daarvan, niet de dood, maar het leven: doch ik leef:

IV. De werkmeester daarvan: Niet ik, maar Christus leeft in mij;”

V. Het wezen van dit leven: een leven des geloof van de Zoon van God.”

I. Vereniging met Christus is de grote, ik mag wel zeggen, de gehele bron en oorzaak der levende Godzaligheid; want vereniging veronderstelt voorafgaande gemeenschap, en gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus, is inderdaad de hoofdsom en met wezen, met leven, de kracht en zaligheid van alle ware Godsdienst. Zou de rank vrucht kunnen dragen zonder vereniging met de wijnstok? En door deze vereniging blijft en ontdekt zich blijvende gemeenschap. “Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zich zelf, zo zij niet in de wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.” (Joh. 15: 4).

Doch de eerste oorsprong zowel als de nauwheid en persoonlijkheid van deze vereniging en gemeenschap met Christus, is door de apostel aangewezen in deze woorden: “Die mij lief gehad heeft, en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.” Hij had de getuigenis in zijn ziel, dat de Zoon van God hem liefgehad en Zichzelf voor hem overgaf; en het zoete genot van deze innerlijke verzekering van Christus persoonlijke liefde aan zijn ziel, en het uitgaan van het geloof en der liefde tot Hem, deed hem zeggen in de taal van heilige omgang met Hem: “Ik ben met Christus gekruist”.

Velen der heiligen Gods zijn niet zo hoog beweldadigd als Paulus, en durven zijn persoonlijke verzekering zich niet toe eigenen. Zij mogen hopen, ja soms zelfs ene zoete vrijmoedigheid genieten door de verschijning van, de Zon der gerechtigheid, dat de Zoon van God ook hen liefhad en Zichzelf voor hen overgaf; maar de sterkte van Paulus overtuiging en de volheid Zijner vrijmoedigheid overtreft zozeer hun aanspraak, dat menig kind van God met hart en mond belijdt, bij hem ver achter te zijn. Evenwel is hun gebrek aan gezegende vrijmoedigheid in geloof van het hart en belijdenis der lippen – want consciëntie en tong moeten samen zich bewegen waar God werkt, – de waarheid der zaak niet verminderende. Trouwens, de nevelen van ongeloof en twijfel mag de Zon der gerechtigheid voor het oog verdonkeren, haar plaats aan de Hemel blijft zij toch behouden.

Toch heeft Hij u, die in Zijn naam gelooft, lief en gaf Zichzelf voor u, schoon gij ook niet komen kunt tot het geloof van Paulus, of spreken in diezelfde volheid der verzekering. De knop heeft dezelfde vereniging met de wijnstok als de tak, schoon niet dezelfde sterkte der vereniging; het kind is zowel een lid der familie als de volwassen zoon, maar heeft dezelfde kennis zijner betrekking niet; de voet is zowel een lid van het lichaam als de hand en het oog, hoewel hij niet zo na bij het hoofd is, noch dezelfde eer en werk heeft. Wanneer gij dus enige inwendige getuigenis in u bevindt, zij het alleen ene opwellende hoop van uw deel aan de Heere Jezus Christus, en dat Hij u liefhad en Zichzelf voor u overgaf, ziet dan met mij op de drie bijzonderheden aan Paulus uitspraak zijner vrijmoedigheid verbonden: 1e. De Persoon des Zoon van God. 2e. De liefde, welke Hij als zodanig Zijner gemeente toedraagt. 3e. De vrucht der liefde, door Zichzelf voor haar te geven: want dat de gemeente het voorwerp was der liefde en der gift, is duidelijk genoeg uit Paulus woorden bij Efeze 5: 25: “Gij mannen! hebt uw eigen vrouwen lief, gelijkerwijs Christus de gemeente liefgehad heeft, en Zichzelf voor haar overgegeven heeft.”

1e. Als ik hier spreek van de heerlijke Persoon des Zoon van God, dan wens ik mij niet in de geschilpunten daaromtrent te begeven. Inderdaad het ware, eigen en eeuwig Zoonschap van onze gezegende Heere, is bij mij geen zake van verschil. Ik omhels het als ene dierbare waarheid, waarbij wij even weinig mogen verschillen als bij de ingeving der Schrift, de Godheid van Christus, of de Drie-eenheid zelf. Buiten alle geschil dan, in eenvoudigheid van het geloof de woorden beschouwende, en ze rein en duidelijk aanmerkende, gelijk Gods Geest ze door Paulus heeft gesproken en bewaard, vraag ik elk kind van God, hier tegenwoordig, of zij in zichzelf geen genoegzaam bewijs hebben, dat de Zoon van God van alle eeuwigheid Gods Zoon was?

Twijfelt iemand aan die gevolgtrekking, zo vraag ik hem, wanneer Christus’ liefde een aanvang nam? En naar waarheid moet zijn antwoord zijn: zij had geen begin, want Hij zelf zegt: “Ik heb u liefgehad met ene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.” (Jer. 31: 3). En hij zou er met recht mogen bijvoegen: zij moet naar Gods natuur, uit de eeuwigheid van Zijn voornemen en de oneindigheid Zijner volmaaktheden eeuwig zijn, want als Zijn liefde een begin had, zij zou ook eindigen kunnen.

Maar Jezus, als de, Zoon van God, had Paulus lief; want wij lezen: De Zoon van God, die mij liefhad;” indien nu deze liefde eeuwig was, zo moet de Zoon van God eeuwig zijn, of Hij zou Hem liefhebben als de Zoon van God vóór dat Hij de Zoon van God was. Zonder ons dus met enig geschil in te laten, zeggen wij in de eenvoudigheid en kracht van het geloof, dat de Zoon van God zelf eeuwig moet zijn, indien Hij Zijn gemeente eeuwig heeft liefgehad. Doch als wij dat op het geweten aandringen, dan vragen wij, hoe wij voor onszelf kunnen weten, dat. Hij de Zoon van God is, die ons van eeuwigheid liefhad, tenzij wij enige kennis aan Hem hebben als de eeuwige Zoon van God?

Ik heb mij buiten alle geschil gehouden, buiten die zee ten noorden, waar altijd gezeild moet worden in de koude mist en nevelen van redetwisten en onzekerheden, in de stille oceaan van een zuidelijke atmosfeer, waar wij de Zon der gerechtigheid kunnen zien schijnen in ene heldere, klare lucht. Zij, die twijfelen of loochenen Zijn Goddelijk Zoonschap, hebben nooit Zijn heerlijkheid aanschouwd, als des ééngeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid. Zij hebben niet het geloof van Petrus: “Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods;” – noch van Nathanaël: “Rabbi! Gij zijt de Zoon van God;” – noch van Paulus, toen hij dadelijk Christus predikte in de synagoge, dat Hij de Zoon van God is; en ook kunnen zij niet met Johannes zeggen: ja wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij de Waarachtige kennen, en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.” (1 Joh. 5: 20).

Zullen wij leven een leven van het geloof, van de Zoon van God, dan moeten wij Hem in onze eigen ziel kennen de Zoon van God te zijn, gelijk Johannes duidelijk spreekt. Als wij geloven dat Hij ons liefhad met ene eeuwige liefde, zo moeten wij kennis aan Hem hebben als de eeuwige Zoon van God. Doch hoe kunnen wij dit geloof en deze kennis hebben, tenzij het Hem behaagde zich aan onze ziel te ontdekken? Gelijk Paulus zegt in deze zelfde brief (1: 15, 16): “Wanneer het Gode behaagd heeft, die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en mij geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren.” God openbaarde Zijn Zoon in Paulus’ hart, en daardoor wist hij voor zichzelf, dat hij de Zoon van God was; want hij omhelsde Hem als zodanig met de innerlijkste vermogens en de warmste genegenheden zijner ziel.

En als de Zoon van God zo in zijn ziel geopenbaard was, werd de liefde Gods in zijn hart uitgestort door de Heilige Geest, en alzo kwam in zijn ziel de vaste overtuiging, dat dezelfde Zoon van God hem liefhad, ja liefhad van eeuwigheid. Want met de openbaring van de Zoon van God in zijn hart, was met en door Hem liefde geopenbaard; ja, de Zoon van God zelf kwam met zulk ene kracht in zijn hart, scheen in zijn ziel met zulke Hemelse stralen, en ontdekte Zijn liefde, bloed en genade zo heerlijk en kennelijk, dat hij in de liefelijke taal der verzekering kon zeggen: “De Zoon van God, die mij liefhad.”

2e. En nu een blik op deze liefde! wanneer nam zij een aanvang? Straks zei ik reeds, dat deze liefde van geen begin wist; immers, had zij een aanvang, zij kon een einde hebben; kon ze toenemen, zij zou ook kunnen verminderen. Of waar is datgene, hetwelk een oorsprong kent zonder einde te hebben; dat in de tijd begon en in de tijd niet eindigde?

Ene eeuwige liefde, ziedaar haar noodzakelijk wezen, maar ook haar bijzondere zegen, dat ze begin noch einde heeft. Wat ware de hemel, wanneer hij slechts een tijd van eeuwen had en daarna een einde nam, opgelost, vernietigd werd, wanneer er een ophouden van liefde was? Werd zij vernietigd; God, die de liefde zelf is, zou bij het eindigen der liefde ophouden te bestaan. Neen, ver zij die gedachte! het verste uitzicht zou de gewelven van de hemel veranderen in wanden van treuren en jammerklachten. Het zou geheel bederven, zo niet volkomen uitblussen de blijdschap der heiligen, als zij zich enen tijd moesten denken, wanneer die blijdschap zou ophouden, en Hij die de Zoon van God is, hen niet meer zou lief hebben.

Ene oneindige liefde is die eeuwige liefde. Wij spreken soms van de deugden Gods, en wij gebruiken de woorden om onze bevatting te hulp te komen. Doch strikt gesproken, heeft God geen deugden, Zijn deugden is Hij zelf. Wij spreken van de liefde Gods, maar God is liefde; van de rechtvaardigheid Gods, maar God is rechtvaardig; van de heiligheid en reinheid Gods, maar God is heilig en rein. Gelijk Hij zelf geheel liefde is, zo is Hij geheel de Rechtvaardige, de Heilige, de Reine. De liefde dan is oneindig, omdat God oneindig is; Zijn naam, karakter, natuur en wezen is oneindige liefde. Hij zou ophouden God te zijn, wanneer Hij ophield lief te hebben, en Zijn liefde niet zo uitgebreid was als Hij zelf, zo oneindig als Zijn eigen bestaan, en onbegrijpelijk wezen. De liefde van de Zoon van God als Gods Zoon is even gelijk en even eeuwig als de liefde des Vaders: want de heilige Drie-enige heeft geen drie onderscheiden liefden, noch in tijd, noch in uitgebreidheid. De Vader heeft lief van alle eeuwigheid, gelijk de Zoon en de Heilige Geest.

De liefde des Vaders, des Zoons en des heiligen Geestes, als de Even gelijke, ondeelbare, oneindige Jehovah, kan niet anders zijn als van één wezen. Wij lezen daarom van “de liefde Gods,” dat is des Vaders (2 Kor. 13: 14); in onze tekst van “de liefde des Zoons;” en Rom. 15: 30 van “de liefde des Geestes.” Oneindige liefde kan ons dragen niet alle zwaklieden, met al die grievende zonden, die, tenzij de liefde grenzeloos ware, al voor lang met ons zou gebroken hebben. Dit wordt zo schoon uitgedrukt bij de Profeet Hosea (12: 8, 9). “Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? hoe zou Ik u maken als Adama? u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is samen ontstoken. Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren, Ik zal niet terugkeren om Efraïm te verderven: want Ik ben God en geen mens.”

Daarenboven is het ene onveranderlijke liefde. “Ik, de Heere word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jacobs! niet verteerd.” (Mal. 3: 6). “Jezus Christus is gisteren, en heden en. tot in eeuwigheid dezelfde,” (Hebr. 13: 8). Deze liefde kent dus geen verandering of schaduw van omkering, maar bepaalt zich altijd op dezelfde voorwerpen, zonder de minste verandering, vergroting of afneming. Het is moeilijk ons ene onveranderlijke liefde voor te stellen, wanneer wij die liefde Gods bij onze liefde afmeten. Wij zijn natuurlijk veranderlijke schepselen, bezet met zwakheden door de val, en daarom veranderen ook bij ons de onderwerpen; maar Hij verandert niet. Onze liefde tot Hem rijst en daalt altijd, zo afwisselend als de getijen der zee, zo veranderlijk als de winden van de hemel; maar Zijn liefde jegens ons, wiens hart Hij door Zijn genade trok, is ene onveranderlijke liefde, gelijk aan Zijn eigen onveranderlijk wezen.

Hieruit volgt, dat deze liefde duurzaam is. Onze liefde tot elkaar wordt aldra getemperd. Een weinig twist, nijd, verschil van opvatting, een toornig woord of smaadtaal, kunnen onze genegenheden van elkaar aftrekken. Hoe spoedig komt er afgunst, wantrouwen of verongelijking in onze warmste gevoelens, en rijten de nauwste banden vaneen. Beschouwden we eens de ketens, die ons aan onze innigste vrienden bonden. hoe velen zouden op de grond liggen met gebroken schalmen; schalmen helaas, zo verbroken, dat, er in deze tijd schier geen hoop op hereniging overblijft. Ik stem volkomen toe, dat ene geestelijke vereniging nooit wezenlijk verbroken kan worden; maar de christelijke gemeenschap en die zoete omgang, welke onder broeders bestaan moest, zijn vaak zo afgebroken, dat zij bijna uitgestorven schijnen. Wat zou onze staat geweest zijn voor de tijd en voor de eeuwigheid, wanneer de liefde van Christus jegens ons was gelijk onze liefde tot elkaar? Maar een van de liefelijkste hoedanigheden van deze liefde des Zoon van God tot Zijn volk is, dat ze onoplosbaar, duurzaam is.

3. Ik noemde in de derde plaats de vruchten, en gevolgen van die liefde, met welke Christus Zijn gemeente liefhad. O hoogte, diepte, lengte en breedte dier liefde, door geen hart te bevatten door geen tong uit te spreken! gelijk de Apostel zegt: “in de liefde geworteld en gegrond, opdat gij ten volle kon begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte en hoogte zij, en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.” (Efeze 8: 17, 18). Zou Hij een groter, een rijker, een klaarder bewijs kunnen geven van deze liefde, dan door Zichzelf voor ons over te geven? In die uitdrukking schijnt iets te zijn, dat onuitsprekelijk, onbegrijpelijk is.

Door geloof beschouwd zijn die woorden: “Zichzelven voor mij overgegeven,” breed van zin en eenvoudig klaar; en toch doet het ene snaar van het hart trillen, die tevergeefs zich poogt mee te delen. Doch wij willen ene poging wagen, en dan moet ons geloofsoog zich eerst vestigen op de Zoon van God, van eeuwigheid als de Eniggeborene des Vaders in Zijn schoot zijnde. heerlijkheden van de hemel, zaligheid en zegen, die de hemelse woningen vervullen, altijd aangebeden en bewonderd van heilige Engelen, en (wat alle menselijke gedachten ver overtreft) heilige gemeenschap en wederzijdse omgang tussen de drie Personen der heilige Godheid, en dat voor eeuwig waarlijk, onnoemelijk veel verliet de Zoon van God in het verlaten van Zijns Vaders schoot.

En waar verscheen Hij? Ene lage wereld vol zonde en droefheid, op zich zelf een enkel aards verblijf, maar ontaard door de zonde en haar vreselijke gevolgen; daar gaf Zich de Zoon van God geheel vrijwillig, en verwisselde de schoot des Vaders en al de zaligheid en heerlijkheid van de hemel, met ene wereld van zonde en smart; – waarlijk, wij verliezen ons in dat wonder der liefde, zo groot, zo vrij, zo zelfopofferende! Hoe breed, door zich over zulk een massa van zonde en smarten uit te spreiden; hoe lang, in begin noch einde te hebben, maar zich uitstrekkende van eeuwigheid tot eeuwigheid; hoe diep, als zinkende zelfs tot de poorten des grafs; hoe hoog, door van daar arme verloren zondaars op te heffen tot de heerlijkheden van de hemel!

En beschouwen wij verder de Heere Jezus Christus voor wie en waartoe Hij Zichzelf gaf; want beide moeten we aanmerken, wanneer wij met het geloofsoog zien, de neerbuigende genade Zijner heerlijke Majesteit in de aanneming van onze natuur uit Maria; als wij indenken, hoe Hij hier beneden verkeerde temidden van ellende en afschuwelijkheid, welke wij dagelijks aanschouwen; als wij Hem voor Pilatus rechtbank zien blootgesteld aan de slagen van ruwe Romeinse krijgsknechten, gekroond en misvormd, als of Bij de snoodste misdadiger ware; en dan aan met schandelijk kruis Hem zien sterven de smartelijkste en schandelijkste dood, ooit door wreedaards uitgeoefend, en dat uitgeoefend aan Hem, die de Zoon van God was, en Zichzelf overgaf, om ons te verlossen van de benedenste hel; o, hoe verliezen we ons dan in dat wonder!

De Engelen begeren voorzeker deze dingen in te zien, want zij aanschouwden Hem in de heerlijkheid vóór dat zij zich rondom Zijn kribbe schaarden, voor dat zij Hem dienden in de woestijn, versterkten in de hof, bewonderden aan het kruis, en wachtten aan Zijn graf! Een gedeelte van de grote verborgenheid der Godzaligheid is, dat “God geopenbaard in het vlees, gezien is van Engelen,” (1 Tim. 3: 16), aanschouwd als de Zoon van God in de Hemel, als de Zoon des mensen op aarde. Hem te zien met Engelen ogen, is te bemerken vanwaar en waartoe Christus kwam; wat Hij was in de Hemel en wat Hij was op aarde: de heerlijkheden van Zijns Vaders huis, en de versmadingen van Pilatus’ rechtzaal; de zaligheden van Zijns Vaders hart, en de verberging van Zijns Vaders aangezicht; de aanbidding en bewondering van Engelen, en het geschreeuw der Godslasterende menigte; de heerlijkheid van de Eniggeboren Zoon, en het bloed zweten van de Man van smarten in Gethsémané.

En wat spreekt die uitdrukking: “Zichzelf overgaf,” van een vrij, volkomen, onverdiend overgeven tot de diepste diepte. van schande en smart. Geen sterkte dan de zachte kracht der liefde; geen dwang, dan de drang der genade; geen noodzaak, dan de drang van Vaders wil te doen, hetwelk Zijn lust was (Ps. 40: b), bewoog Hem Zichzelf over te geven. Hij kon niet meer, Hij wilde niet minder geven. En dit alles deed Bij om onze ziel te behouden van de grondeloze put. Deze hemelse verborgenheden nu zijn geen zaken van enkel leer of theoretische bespiegeling, maar te omhelzen met een gelovig hart, als ene zaak van persoonlijke en levende bevinding; in één woord, zij moeten aan onze ziel ontdekt worden door de kracht Gods, en bevindelijk en gevoelig de onze worden door de verzegelende getuigenis van de Heilige Geest aan onze harten. Wanneer wij deze Goddelijke wezenlijkheden omhelsd hebben door ene inwendige ervaring harer Hemelse kracht, kunnen wij des apostels woorden de onze maken, welke wij nu gaan beschouwen.

II. “Ik. ben niet Christus gekruist.”

Laat ons met des Heeren hulp zoeken in te dringen in de geestelijke en bevindelijke mening van deze woorden.

Wat aangaat hun letterlijke betekenis. dan zegt het, met Christus genageld te zijn aan het kruis. Doch dit kan niet dadelijk geschied zijn, want Jezus had geen deelgenoot in Zijn kruisiging, schoon er ook twee moordenaars aan Zijn zijden gekruisigd werden. In de gewaarwording zijner ziel was Paulus met Christus gekruist. Deze gezegende Godsman had inwendig zulk ene beschouwing, van de kruisiging van de Heere van leven en heerlijkheid, dat het was als of hij aan hetzelfde kruis met Hem genageld was., en dezelfde nagelen ook zijn handen en voeten doorboord hadden. Niet in zijn lichaam, maar in zijn ziel; niet in zijn vlees, maar in zijn geest was hij met Hein gekruist. In deze zin was hij nevens of liever met de lijdenden Godmens aan hetzelfde kruis gehecht. En alzo leed en stierf hij op ene verborgen en geestelijke wijs met Christus, en werd Zijn lijdend en stervend beeld deelachtig.

Doch de woorden in wijder zin nemende, als van toepassing op al de heiligen Gods, kunnen wij zeggen, dat ieder gelovige in tweeërlei zin met Christus gekruist is: 1e. Vertegenwoordigende, en 2e. bevindelijk. Wij willen beiden beschouwen.

1 . Er is ene vereniging der gemeente met Christus haar Hoofd, hetwelk wij vertegenwoordigend noemen, dat is, Christus en de Gemeente zijn verenigd als het Hoofd en de leden, de man en de vrouw; en omdat deze vereniging niet denkbeeldig maar wezenlijk, niet een dode, maar een levende is, zo heeft zij zulk een deel in alles wat Hij om harentwil leed en deed, dat zij gezegd kan worden één te zijn met Hem in Zijn lijden en doen. Zo, dat toen Hij stierf, stierf zij; toen Hij verrees, ten hemel voer en plaats nam aan des Vaders rechterhand, toen verrees zij mee en werd zij met Hem verheerlijkt. Gij zult u herinneren, dat ik hierbij Schriftuurlijke uitdrukkingen bezig, die ons niet slechts de gemeenschap, maar ook de daadwerkelijke natuur van deze vereniging aanwijzen; want de kracht en vrucht van het werk en lijden van het heerlijk Hoofd der gemeente, wordt de haar tengevolge van deze nauwe, gemeenzame en eeuwige vereniging van Persoon en aangelegenheden.

Alzo toen Christus gekruisigd werd, werd de Gemeente Gods met Hem gekruist, want hun vereniging is van dien aard, dat al de leden tegelijk met het Hoofd gekruisigd werden. Voorzeker schijnt dit geheimzinnig en onbegrijpelijk, maar waarom werd Christus gekruist? voor wie leed Hij? was het voor Zichzelf. om eigen zonden? Wanneer een man zich laat opsluiten voor zijn vrouw, of voor haar sterft, is het dan niet als of zij zelf in de gevangenis of naar het schavot gaat? Alzo werd ieder lid van Christus in Zijn kruisiging vertegenwoordigd, en als met Hem aan het hout verhoogd.

2. Doch dit is niet de enige noch voorname zin der woorden. De Apostel spreekt de bevindelijke gewaarwordingen zijner ziel uit, hetgeen hij dagelijks had door te gaan als een levend lid van het verborgen lichaam van Christus; want schoon al de uitverkorenen als Christus, leden tegelijk door Hein werden vertegenwoordigd, nochtans kan dit alleen door wederbarende genade bekend worden. Een ondervindelijk gekruist zijn met Christus wordt der ziel door Gods kracht bekend gemaakt; en van deze inwendig gevoelde, dagelijks ondervonden kruisiging spreekt de Apostel hier in het bijzonder.

Maar bij nauwe opmerking van de tekst, vindt gij dat de Apostel herhaaldelijk het woordje ik gebruikt. En als gij daarenboven de tekst bij het licht des Geestes mag inzien en bevindelijk verstaan, door éénzelfde genadewerk aan uw harten, dan ziet gij, dat er een tweevoudig ik door de tekst loopt, zeer verschillend van elkaar. Zo is er een ik, dat gekruist is, en een ik dat leeft; een ik, de naam onwaardig, en dus genoemd een “niet ik,” een ik dat in het vlees leeft, en een ik, dat leeft door het geloof des Zoon van God. Dit tweeërlei ik is volkomen verscheiden in geboorte en wezen. in begin en einde, in leven en sterven, in gedachten en gevoel, in woord en daad, in begeerte en beweging; ja zo verscheiden, dat hun wezenlijke vereniging onmogelijk is, en zij gedurig in strijd zijn met elkaar. Er is dus een natuurlijk en een geestelijk ik.

Beiden worden in de tekst gevonden, en zijn in hun leven en dood, geschiedenis en bedrijf, getrouw geschetst door de pen van hem, die ze beiden bij dagelijkse, ogenblikkelijke omgang kende. De oplossing van deze verborgenheid is niet moeilijk. Elke gelovige draagt in zich twee verschillende naturen: ene uit Adam geboren en door Gods Geest “de oude mens” genoemd; en ene andere uit God geboren, en “de nieuwe mens” geheten. De eerste is het natuurlijk, de tweede het geestelijk ik; en in de worsteling van deze twee beginselen, de oude en de nieuwe mens, bestaat voornamelijk de strijd in des Christens binnenste. Hoe levendig heeft de Apostel dit dubbel ik beschreven, ook in hun strijd, bij Rom. 7.

Daar vinden wij een ik vleselijk, verkocht onder de zonde, dat kwaad doet, in hetwelk geen goed woont, dat de wet der zonde dient, en in hetwelk altijd het lichaam des doods huisvest. En dan is er een ander ik, dat een vermaak heeft in de wet Gods, en toestemt dat zij goed is, dat de wet dient, en alles haat wat met haar in strijd is; hetwelk uitroept: Ik ellendig mens!” en nochtans God dankende door Jezus Christus. Is er iemand God geboren, die niet dagelijks bevindt en gevoelt, dit tweeërlei ik? In welke levende ziel voeren ze niet voortdurend strijd?

Doch nu oppert zich van zelfs de vraag, welk ik met Christus gekruist is: het vleselijk, natuurlijk ik, of het geestelijk, genadig ik. Hoort de Apostel, en dadelijk is ons antwoord gereed: (Rom. 6: 6): “Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen!” En wederom (Gal. 5: 24): “Die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.” En nog eens (Gal. 6: 14): “Het zij ver van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus, door welke de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.”

Zo zien wij uit de getuigenissen Gods, dat de oude mens, het vlees en de wereld gekruisigd zijn, zodat Paulus met deze woorden: “Ik ben met Christus gekruist,” zijn oude Adam bedoelt, zijn werelds, vleselijk, zondig, zelfzuchtig ik; in één woord, het geheel van dat aangeboren, natuurlijk ik, overgeërfd van onze gevallen stamouders. Laat ons deze dingen nader beschouwen.

Met Christus gekruist te zijn, is de wereld aan ons en wij der wereld gekruist te wezen. Doch welke wereld., de in of uitwendige? Kunnen wi de uitwendige wereld aangrijpen en haar aan het kruis nagelen? Evenmin als wij de aarde kunnen omvatten, of de oceaan leeg drinken. Die grote wereld buiten ons is ver boven ons bereik en begrip. Maar wij hebben ene wereld in ons binnenste, zijnde de terugkaatsing der uitwendige wereld. En die uitwendige wereld is niets anders dan ene verzameling van mensenharten, ene bonte menigte van vleselijke, elk met zijn zondig ik; een ieder als ene kleine afbeelding van met grote geheel.

Het zou dus vergeefse arbeid zijn, die uitwendige wereld aan het kruis van Christus te willen nagelen. Ook is dat de roeping niet van een kind der genade. Zijn kruisiging is inwendig. Zijn vleselijk hart, wereldse geest, hoogmoedig, begeerlijk gemoed, moet de Heere van leven en heerlijkheid gekruist worden. Ons werelds ik moet, of heersen en regeren, gemest en overladen, in hoogmoed en wellust opgebracht worden; of het moet gekruist, en door de kracht van Gods genade ten onder gebracht en vernederd worden. Daarom zegt de Apostel, dat de wereld hem, en hij der wereld gekruisigd was. Welke aanlokkelijkheid zou de wereld, met haar vermaken en voordelen ook hebben voor het oog van degenen, die aan het kruis sterven? Of welke bekoorlijkheid zou de wereld kunnen vinden aan hem, die schreit van pijn, kermt in angst, en aan hand en voet bloedende wonden draagt? Het kruis doodt hem der wereld en de wereld aan hem. Een dode heeft aan ene levende wereld, ene levende wereld aan enen dode niets. Letter1ijk worden wij evenwel in dien zin niet gekruisigd.

En al kon het, het zou ons hart niet veranderen noch ons met Christus kruisigen. Nee, niet het uitwendig lichaam of vlees, de stoffelijke mens moet gekruisigd; maar de wereldse geest in des gelovigen hart, het hoogmoedig zelfzuchtig vleselijk ik, moet bevindelijk met Christus gekruist worden. Deze wordt aan het kruis genageld en sterft met inwendige kruisiging van de wereldse geest, het natuurlijk ik, doodt de gelovige aan de wereld. Vindt gij het zo niet in uw bevinding? De uitwendige wereld zou weinig invloed, aanlokkelijkheid en gevaar hebben voor uw gemoed, zo gij geen wereld in u levende had. Zo lang nu de wereldse geest in u niet is onderworpen en gekruisigd, is uw Godsdienst oppervlakkig. Een dun omhulsel van belijdenis mag de ware gedaante van het hart verbergen voor met uitwendige gezicht, de geest der goddeloosheid leeft in zi n geheel daar onder en in vereniging niet de wereld als de magneet met de noordpool, en de dronkaard niet de beker. En integendeel, als de inwendige wereld door de kracht van Christus’ kruis gekruisigd is, dan zal de uitwendige wereld weinig aantrekkelijkheid hebben, al naar mate met leven en de kracht uws geloofs en de wezenlijkheid van uw kruisiging.

De wereld is altijd dezelfde, ene massa zonde en goddeloosheid. Zij kan niet; gij moet veranderen, gij moet aan haar sterven. Het samenkomen der in en uitwendige wereld geeft haar kracht, om onze voet te verstrikken. Dat in ons de wereldse geest gekruisigd zij, en wij zullen als een stervende geen sympathie voor de wereld hebben. De arme misdadiger aan het kruis genageld, en in angst en schaamte stervende, zou zeker met stervende ogen op de menigte beneden, of op de bergen en valleien, wilden en rivieren rondom zich zijn laatste blik werpen, en zeggen: o bedrijvige menigte, schone wereld! ik sterf aan u en gij bent mij gestorven. Wereld! waar zijn thans uw vermaken, mode, fatsoen, ijdelheden, feesten, schaduwen? Mijn oog zinkt weg in de schaduwen van de nacht; ik verlaat u en gij verlaat mij. Hier scheiden wij voor eeuwig. Eens beminde ik u, en gij had mij lief; doch nu is er tussen ons scheiding, vijandschap en dood. Is dit geen kruisiging? Dit althans is het zinnebeeld der Apostels; en het is een treffend zinnebeeld, hoe hij der wereld en de wereld aan hem gekruisigd werd.

Gij zult hebben opgemerkt, dat deze inwendige kruisiging alleen krachtig kan zijn door het kruis van Christus, dat is, door, ene geestelijke vereniging en bevindelijke gemeenschap met Christus. In twee dingen is de innerlijke, geestelijke en bevindelijke kruisiging van een kind van God onderscheiden van. die van een Roomse, Farizeeër en Piëtist. Zij is door met kruis van Christus, dat is, voortvloeiende uit ene geestelijke kennis van en vereniging met enen gekruisigde Jezus: “Ik ben met Christus gekruist”.

Ik kruisig niet mij zelf, noch mijn vlees met vlees. Daarbij is het ene kruisiging, niet maar van een lid, maar van de gehele oude mens, gelijk de Apostel zegt: “Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.” (Rom. 6: 6). Hoewel bij de kruisiging de nagels alleen door handen en voeten gedreven werden, was nochtans het gehele lichaam gekruist; zo ook in het geestelijke, de nagelen mogen door de werkende en bedrijvige leden gedreven worden, nochtans is het gehele lichaam gekruist. Niet alleen onze wereldse geest; maar ons gehele vlees, met al zijn ontwerpen en uitzichten, bewegingen, tekenen en tonelen wordt aan het kruis genageld; en bijzonder ons godsdienstig vlees, want dit is opgesloten in de “bewegingen en begeerlijkheden” ervan. (Gal. 5: 24).

Maar nu verrijst er ene andere vraag: of deze kruisiging met of tegen onze toestemming is? Ik antwoord deels vrijwillig, deels gedwongen. Wij kunnen dit ophelderen met het voorbeeld van Petrus. De Heere zei tot hem: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: toen gij jonger was, gordde gij uzelf, en wandelde alwaar gij wilde; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt.” (Joh. 21: 18). De Heere wijst hier op Petrus’ kruisiging; en zegt, dat hij in zijn ouderdom gebracht zou worden waar hij niet wilde; dat hij dus tegen zijn wil gekruist zou worden. Evenwel lezen wij in de kerkelijke geschiedrollen, dat, toen de tijd zijner kruisiging daar was, hij van zijn beulen verzocht, niet het hoofd naar beneden gekruist te mogen worden, omdat het hem onbetamelijk was op gelijke wijze als zijn gekruiste Heere te sterven.

Zo zien wij in de werkelijke kruisiging van één der waardigste volgelingen des Heeren, dat hij, ja terug schrikte, maar ook zich onderwerp aan die marteling. “De geest was wel gewillig, doch het vlees was zwak.” De natuur was onwillig, de geest gewillig. Alzo met ons in geestelijken zin. Het laffe vlees rebelleert tegen en schreeuwt onder de nagelen des kruises; maar de geest onderwerpt zich, ja, door Goddelijke hulp bekrachtigd, keurt hij zo’n eer en zegen zich onwaardig.

Niemand kan zijn eigen vlees ook op geestelijke wijze kruisigen; dit is Gods werk, die daarbij ook ons roepen niet spaart. Veellicht kleven we een boezemzonde, een verborgen lust en begeerte, hebzuchtig plan of vooruitzicht aan; en liefkozen dat bijna als ons natuurlijk leven. Hoe kunnen of willen wij dat de kruisdood overgeven? Neen, God zelf moet Zijn hand uitstrekken, en dien wereldse geest, dat zelfzuchtig hart, dat hoogmoedig losbandig gemoed, die eigengerechtige, zelfzoekende, verheffende begeerlijkheden, deze bedrieglijke, zielsmisleidende, vleselijke Godsdienst aan met kruis hechten, opdat zij een stervend leven leeft.

Hij is het en niet gij, die aldus kruisigt, opdat de hand niet meer haar begeerten uitvoert en de voet niet meer naar zijn raadslagen wandelt, gelijk de hand en voet eens gekruisigde machteloos is naar goedvinden te handelen. Hier neemt God uw lievelingzonden, schone uitzichten en vermaken, en zij worden u stervende, bloedende, kwijnende voorwerpen. Hebt gij met zo niet bij herhaling bevonden? Zijn niet al uw luchtkastelen verbroken, uw plannen vernietigd, uw verwachtingen teleurgesteld; in één woord, al uw ontwerpen en plannen des levens zo aan het kruis genageld, dat hand noch voet zich konden bewegen, maar wegstierven door een pijnlijke, kwijnende dood? En keurde gij dit alles goed?

Ver van daar! maar gij was in Gods handen, en kon u niet verzetten tegen Zijn insnijdende slagen. Zo hebt gij in uzelf het bewijs, dat uw wereldse plannen en uitzichten door God genomen waren, geheel tegen uw eigen wijsheid in, want gij had ze te lief om er afstand van te doen; maar door Gods sterke hand als weggerukt, werden zij aan het kruis genageld, niet door uzelf, maar door Hem. En nochtans was niet deze bedeling genade gemengd, en uw hart zo verzacht door een besef van Gods goedheid in en onder dezelve, dat er een zoete geest van onderwerping te, midden van deze onwilligheid heerste, en die laatste onderwierp en overweldigde. Zo werd gij gewillig gemaakt op de dag van Gods heirkracht, dat God u enen afgod ontrukte; gij wilt dat hij gekruisigd worde, omdat alleen door deze langzame dood het levensbloed van uw wereldse geest uit uw boezem uitvloeit.

Evenzo met het vlees, want ons gehele vlees moet gekruist, want wij die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met zijn bewegingen en begeerlijkheid.” En wederom: “Indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven.” (Rom. 8: 13). Het vlees te kruisigen is het ten dode te stellen; en die dood is de dood des kruises. God geeft door Zijn Geest en genade Zijn volk kracht om de werkingen des lichaams te kruisigen, met al de bewegingen en hartstochten des vleselijke gemoeds.

In deze zin doen zij het zelf; want Hij vuurt hun, ziel aan met een heiligen haat en Goddelijke toorn tegen de zonde, wat de Apostel noemt: “Verantwoording en wraak.” (2 Kor. 7: 11), tegen haar beweging en schrikkelijke tegenstand tegen de wil en het Woord van God. In een opzicht dus drijft het geestelijk ik onder, de invloed der genade, de nagels des kruises door het vleselijke ik Voelde u soms niet een heilige toorn tegen dat vreselijk vlees hetwelk altijd was en is zulk een dodelijke vijand van God en uw eigen zielvrede? Zoudt gij schier uw goddeloos hart niet doden, omdat het is wat het is? Nu, gelijk de genade daartoe alleen in de ziel vloeit uit vereniging met Christus als voor ons gekruist, zo zijn wij in deze “met Christus gekruist.” In geen andere weg kan de zonde onderworpen en het vlees met al zijn bewegingen en begeerlijkheden gekruist worden; zodat niet een ervan, hoe klein en verborgen ook, de kruisiging kan ontgaan.

O, hoe gezegend is het, ene geloofsbeschouwing te hebben van Christus’ kruis; kracht te trekken uit dat kruis, om ons vlees ter kruisiging te geven, onze geliefde afgoden en lusten over te geven; tot de Heere zeggende: al deze kwaden van mijn hart zijn Uw gezworene vijanden; neem ze, Heere! en nagel ze aan het kruis, opdat zij niet in mij leven om de gezegenden Geest te bedroeven, Uw aangezicht te doen verbergen; mijn consciëntie te wonden en te benauwen, en mij gevangen te nemen en balling te maken. gij ziet dus, dat deze inwendige kruisiging gewillig en evenwel ook onwillig geschiedt. Het vleselijk ik rebelleert tegen het kruis; maar het geestelijk ik onderwerpt zich, ziet daarin de wil van God en verenigt zich met Zijn doen. Misschien kunnen wij ze vergelijken bij de twee moordenaars, die met Christus gekruist werden.

De een gevoelde niets, dan de uitwendige angst des kruises, en rebelleerde daartegen tot zijn laatste snik; ziedaar met vleselijk ik. De andere kwaaddoener eerst genen gelijk, kon, nadat genade zijn hart trof en God Zijn Zoon in hem openbaarde, de Heere zegenen om zijn kruisiging, en rekende het zijn gelukkigste dag en dierbaarste vermaak, omdat hem zaligheid en het paradijs gewerd. Ik noemde dit als een zinnebeeld niet als verklaring.

Wij moeten nochtans diep de nagels van het kruis gevoelen en roepen onder dezelve; maar de Heere gaat evenwel zijn weg. De Heere heeft geen medelijden met onze zonden, geliefde zoon niet van het kruis nam, schoon Hij over Hem bewogen was; alzo zal Hij Zich uwer ontfermen als Zijn kind (Ps. 103: 13), doch uw lusten niet sparen. Zichzelf te kruisigen is onafscheidelijk verbonden aan het volgen van Christus, gelijk Hij zelf zegt: “Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.” De misdadige droeg altijd zijn eigen kruis. Het kruis op te nemen is dus ter kruisiging overgegeven te zijn. Wat is een mens zo dierbaar als hij zelf? Evenwel moet dat geliefkoosde eigen zelf gekruisigd worden. Hetzij dat hoogmoedig, eerzuchtig, gierig, of wat nog erger is, Godsdienstig eigen ik – dat lieve, afgodische schepsel, dat het voorwerp was van zoveel liefkozing, vermaak, troeteling en zorg, en als ons natuurlijk leven is, – dit teer geliefde eigen ik, moet door God genomen en aan Christus’ kruis genageld worden.

En wat kan ons deze pijn en offerande vergoeden? Niets van hetgeen de aarde geven kan. Doch er is ene gezegende vergoeding, waarvan de wereld nooit droomde; maar dat ene gift van de hemel is. En deze vangt hier reeds aan; want wie met Christus bevindelijk gekruisigd is, geniet ook de weldaden van dat kruis in zijn ziel. Vergeving door Zijn bloed; vrede door Zijn offerande; gemeenschap met Hem in Zijn stervende liefde; heerschappij over de zonde en wereld; onderwerping zijner lusten en ongerechtigheden, wordt meer of minder bevindelijk getast, gevoeld en verwezenlijkt. Want als onze ziel zo met Christus gekruist is, dan gaat er kracht uit van dat kruis in de ziel, door welke wij overwinnen: “want dit is de overwinning; die de wereld overwint, namelijk ons geloof.”

Geloof in Jezus als de Zoon van God, die kwam door “water en bloed, en dat bloed en water reinigt en heiligt ons. (1 Joh. 5: 4, 6). Hoe diep, hoe gezegend is de verborgenheid, dat Christus ons van God geworden is tot “heiligmaking, zowel als rechtvaardigmaking.” (1 Kor. 1: 30); en dat dezelfde genade, die zonde vergeeft ook zonde onderwerpt. Wie van uw kan zeggen: Ik ben met Christus gekruist?” Gezegend zij die mens! – gezegend zulk ene kruisiging!

III. Maar de Apostel gaat voort, en dat is ons derde punt, zeggende: “En ik leef.” Op het eerste aanzien zou men oordelen, dat deze kruisiging zijn dood was. Met Christus gekruist. Alles wat het vlees liefkoost en vergoodt ten dode gegeven, hoe is dit dan te verstaan? Op gelijke wijze als de drie jongelingen in de oven des vuurs geworpen en toch niet verbrand werden. Voor een kind van God is kruisiging niet ten dode, maar ten leven. Daarom zegt de Apostel: “En ik leef.” Maar wat ik leeft? – Gelijk ik aangewezen heb, is het de oude Adam, het vleselijk ik, dat met Christus gekruist wordt. Maar dan is die kruisiging de dood voor het vlees en het leven voor de geest. Terwijl de oude mens wordt uitgedaan, wordt de nieuwe aangedaan; en bij de vernedering, onderwerping en kruisiging van zonde, wereld en eigen vlees, ontspringt het leven Gods met nieuwe kracht in de ziel.

Het gelovig, hopend, lieven, biddend, wachtend, verbroken, verslagen, vernederd, in een woord, het nieuwe ik leeft naarmate hot natuurlijk ik door Gods genade gekruisigd wordt. Hier nu is de verborgenheid, het grote, onderscheidend verschil tussen de lovende gelovige en de dode in zonde of belijdenis. Een werelds mens is het de dood de wereld te moeten missen. Stelt u een mens voor volop in zijn bezigheid, wiens gehele hart daar nacht en dag in is. Komen moeilijkheden, komt hij in faillissement, wordt hij zelf en zijn familie geruïneerd, wegens schuld gevangen gezet, de man sterft aan een verbroken hart. Daar is iemand, wiens gehele hart op zijn geld is; dat is zijn afgod, zijn alles.

Dwaas door de lust tot geld winnen, speculeert hij in ‘t groot; en het mislukt, hij verliest; en het einde is jammerlijke wanhoop. Neemt een ander, die leeft in dronkenschap, wellust of andere vuile zonden. Gaat hem bedwingen; kort hem in; en ziet, hij sterft aan louter ellende des levens. De genoegens van zijn leven zijn weg; hij leefde voor hen; en weggenomen zijnde, sterft hij uit gebrek aan dezelve. Neemt een andere persoon: ene dame, vol van de wereld en haar modes, vermaken, gezelschappen en genietingen; ontvreemdt deze lusten aan haar ijdel hart, haar fijn gewaad, bewonderaars en jeugdige betrekkingen, en de vrouw is ellendig: zij sterft althans inwendig zo niet letterlijk aan verdriet en teleurstelling. Doch dat de Heere alles zonde wereld en eigen, zelf Zijn kind ontnenie; zal hij sterven? sterven? hoe, hij sterven? Neen, juist het tegendeel.

Hij leeft des temeer, want nu leeft hij de Heere. Hoe hebben martelaars de Heere geloofd en geprezen in de gevangenis? Een kerker kon hun inwendig leven niet doden. Uitgesloten van de wereld en in een duistere gevangenis geworpen, was hun dood niet, want de wereld was hun leven niet. Zij genoten meer van het licht van Gods aangezicht. Stel u bij de sterfbedden van Christenen, wanneer de wereld met al haar fraaie schaduwen ophoudt. Doodt hen dit? Leven zij niet des temeer Gode. Ja, hoe meer de wereld afgaat, het eigen ik onder de voet is des temeer gevoelen zij ene heilige vreugde, rust en voldaanheid, welke God; alleen hun kan meedelen. Juist naarmate de zonde, wereld,- vlees en eigen ik gekruist zijn, ontdekt zich het leven Gods in de ziel van hen, die God vrezen. Dit goddelijk leven in de ziel van de apostel deed hem zeggen – en kunnen wij het hem soms niet nazeggen? “En ik leef.”

Ziet hier de grote verborgenheid der levende Godzaligheid, dat de Christen meest inwendig leeft, wanneer schier alles uitwendig sterft; hoe meer de natuur kwijnt, tiert de genade; hoe meer zonde, zelf en de wereld gekruisigd wordt, des te heiliger en geestelijk gezind wordt hij, en Hemelse en genadige begeerten ontspringen en bloeien in de ziel. 0, gezegende dood! 0, nog gezegender leven!

IV. Ons volgende punt is, om ons elke gedachte te ontnemen, alsof hij dit geheel of gedeeltelijk door eigen kracht kon voortbrengen, wat hij in besliste woorden zegt: “Doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij.” Hij wil zeggen: 0, ziet niet op Paulus, en noemt van hem geen mate als of hij door eigen kracht deze dingen kon voortbrengen; neen, ziet op Christus; het is zo, Paulus leeft in Hem, doch niet zijn, maar Christus leven. Hij strijdt tegen zonde en eigen ik; hoewel niet in eigen, maar in Christus’ kracht. Hij staat rechtvaardig voor God, doch in Christus’ gerechtigheid. Hij heeft beide wil en daad, doch niet van zichzelf, want Christus werkt in hem het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Hierom zegt de Apostel: “Niet ik.” Zijn natuurlijk ik kon het niet zijn, want dat was gekruist; en ook ontkent hij zelf iets daarvan te hebben gedaan door zijn geestelijk ik; want hoewel dat leefde, leefde het nochtans alleen, omdat Christus leefde in hetzelve.

Doch gij vraagt, hoe Christus in der gelovigen ziel leeft? Door Zijn Geest en genade; in zijn hart gevormd als de hoop der heerlijkheid, gezegend met Zijn tegenwoordigheid en kracht, meedeling en uitstorting Zijner liefde. Niet de gelovige dus, maar de Geest van Christus in hem is oorzaak van Zijn Gode leven. Vindt gij dit niet bewaarheid in uw dagelijkse bevinding? Wanneer wij bidden in opgewektheid, met toegang tot de genadetroon, of antwoord verkrijgen, zo zijn niet wij het, maar de Geest Gods, die in ons bidt. Predik ik alzo, dat uw ziel geleerd, vertroost of gesticht wordt; of zo ik iets schrijf, dat gezegend wordt tot opbouwing der gemeente Gods in haar allerheiligst geloof, dan ben ik met niet, maar de Geest Gods, die spreekt en mijn pen bestuurt.

Hoe zou ik of enig mens anders der gemeente ten zegen kunnen zijn? Niet mijn bekwaamheid of geleerdheid, maar de dan of zalving des Geestes op mij, verheerlijkt God en sticht de gemeente. En wanneer ik mij van zonde bekeer, is het Gods Geest, die mij bekering geeft. Wanneer ik geloof in de Heere van leven en heerlijkheid; als ik wacht, tot Zijn eer leef en handel, Zijn tegenwoordigheid geniet, zo ben ik dat niet, maar Hij werkt dat in mij en geeft mij dat te beseffen.

Dus niet ik, maar Christus zelf leeft in mij. O, gezegende Gast! genadige inwoning. Wie, die God vreest zou niet altijd zulk ene inwoning begeren: en wie verlangt niet alweer en weer naar Zijn zoete tegenwoordigheid, en de vernieuwde en herhaalde openbaringen Zijner liefde te ondervindende met is zo, deze tijden zijn zeldzaam, doch de Heere verlaat nimmer het hart, waar Hij intrek nam. Derft gij Zijn tegenwoordigheid, dan verlangt gij er na, en dit verlangen, zuchten en begeren openbaart meer of minder Zijn kracht en tegenwoordigheid. Van tijd tot tijd ontdekt gij hoe verborgen en nochtans zalig de Heere in uw ziel komt.

Nu eens met een woord van belofte, of in een liefdeteken; dan eens door zachte toelaching of Hemelse aanraking. Dan eens als uw hart in droefheid over de zonde is, en. Hij u bemoedigt met een woord van opbeuring; of Hij bewijst zich een licht, wanneer de ziel in dikke duisternis wandelt, en vernieuwt uw kwijnend leven en verlevendigt uw geest. En als gij zo van Hem afhangt tot elke geestelijke zucht en genadige begeerte, dan zult gij leren, dat niet gij, maar Christus in u leeft.

V. Eindelijk beschouwen wij de natuur van dit leven. In hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoon van God.” Het is steeds een leven in het vlees, met al de zwakheden, broosheid, zonden en smarten’ van een lichaam der zonde en des doods; een leven in het vlees en dus met alles wat daartoe behoort. En, schoon een leven in het vlees, niet een leven van het vlees, maar een geestelijk leven in een lichaam der zonde en des doods. Christus in het hart de hoop der heerlijkheid, en evenwel een arglistig en bedrieglijk hart. Welk een verborgenheid der genade! Dat zulk een heilig Gast intrek wil nemen in met binnenste van een bezoedeld zondaar, en evenwel daaraan geen deel hebbende; in hem werkende door Zijn Geest en genade, en nochtans onbesmet met van de zondaar vuil en dwaasheid.

De grote zaligheid van een gelovige hier op aarde, is, dat hij leeft door het geloof des Zoon van God. En hoe kan dit, tenzij hij ene gelovige beschouwing heeft van de Zoon van God, die hem lief had en Zichzelf voor hem over gaf, van de dood opgestaan is, en nu altijd aan Gods rechterhand levende, om zijn Voorspraak te zijn? Dan, wanneer Hij genadig Zijn Geest zendt in zijn hart om van Zijn genade getuigenis te geven, en geloof, hoop, liefde en alle zoete uitgangen van het hart uit te halen tot zichzelf, opdat Hij door het geloof van Hem zou leven. “Ik leef, zegt de Heere, en gij zult leven”; en wij leven omdat Hij is “de opstanding en het leven”.

Gelijk dus Jezus aan Gods rechterhand leeft, alzo leeft Hij in het hart der gelovigen, zendt Zijn Geest in hun hart, en trekt zijn geloof, hoop en liefde tot zich, zodat hij leeft door het geloof des Zoon van God. Zijn oog is op de Zoon van God aan de rechterhand des Vaders ter vervulling van al zijn behoeften. Hij aanschouwt Hein als een tedere God in de voorzienigheid; als de gezegende en gepaste Zaligmaker in de genade; hij ziet op Zijn verzoenend bloed, dat van alle zonden reinigt; op Zijn heerlijke gerechtigheid als zijn enige mantel des heils; op Zijn Hemelse liefde als de zoetste balsem, die God in zijn hart kan uitstorten. Hij begeert van tijd tot tijd gemeenschap en omgang met de Zoon van God; Zijn lijdend beeld gelijkvormig te worden hier beneden, om eenmaal Zijn heerlijk beeld gelijk te zijn daar boven.

In deze weg komt hij op uit de woestijn, leunende op Christus zijn geliefden. Door Zijn ondersteunende genade wordt hij bewaard voor en geholpen uit talloze strikken en struikelingen; door die genade wordt zijn jeugd vernieuwd als van enen arend; en zo wordt hij van dag tot dag, door het willen volbrengen van des Geestes werking meer levende door het geloof des Zoon van God. En gelijk dit alles alleen door de kracht van het geloof kan geschieden, zo leeft, en werkt, en wandelt hij door geloof; het geloof is de grote werkoorzaak van elke beweging zijner ziel, en de verenigingsband, die zijn ziel aan de Zoon van God op Zijn Hemelse troon bindt. Zo door het geloof des Zoon van God levende, ontvangt hij uit Zijn volheid genade voor genade; en door Gods hulp en kracht met Hem gestorven, verrijst hij met Hem. tot de heerlijke gewesten des lichts, en leeft eeuwig met Hem.

Ziedaar een zwakke schets van het leven van een Christen, waarvan wij iets in onze ziel moeten weten voor wij onszelf kunnen houden voor levende heiligen Gods, door de getuigenis des Geestes in ons binnenste. Wij moeten zeker belijden, dat wij in vele van deze dingen ver te kort komen, en evenwel hebben wij reden om de Heere te loven, als Hij ons kennis gaf aan deze bevinding; want daar Hij het goede werk begon, zal Hij met gewis voleinden tot de dag van Jezus Christus.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.