Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Verlossing uit deze tegenwoordige boze wereld

Die zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons verlossen zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader, Dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. Gal. 1: 4, 5.

Welk een bedrag van verdriet en ellende boven alle berekening, en inderdaad boven alle bevatting is er in deze ellendige wereld, dit tranendal, zoals het zo dikwijls terecht genoemd wordt, in hetwelk ons tegenwoordig aards lot is bepaald! Er is geen huis, geen familie, geen hart, dat niet vroeger of later meer of min diep uit deze hoogst bittere kelk proeft. Hoe velen zijn er, b.v. deze morgen van hun schamele legersteden of liever ellendige rustplaatsen opgestaan, in zulk een armoede verzonken, dat zij nauwelijks weten waar zij te eten zullen krijgen, of het armoedigste, schamelste kleed om zich mee te dekken!

Hoe velen kunnen, zo al niet in dezelfde poel van volstrekte behoefte verzonken, echter, gelijk een man, die in een diepe en snelle stroom verdrinkt, nauwelijks hun hoofd boven water houden in hun dagelijkse worsteling om de middelen van bestaan! Hoe vele jeugdige harten bloeden juist bij de aanvang van ‘s levens dageraad, door de diepste wonden aan hun tederste en warmste genegenheid toegebracht! Hoe velen liggen op hun bed van smart en verkwijning, en sommigen in dit ogenblik worstelen en zieltogen in de strijd des doods, en verlaten deze wereld zonder hoop!

Dus, als wij onze blikken rondom ons slaan, of ons in onze geest een flauw begrip vormen van de verdrietelijkheden over de kinderen der mensen uitgespreid, dan kunnen wij bijna van deze ellendige wereld zeggen, dat zij Egypte gelijk is, toen de engel het land doorging en de eerstgeborenen sloeg. Daar was een groot geschrei in Egypte, want er was geen huis, waarin niet een dode was (Exod. 12: 30). Of gelijk de inwoners van Ekron, welke God om hun zonden sloeg, zodat het geschrei der stad opklom naar de hemel (1 Sam. 5: 12). Of gelijk Ezechiëls rol, welke van binnen en van buiten beschreven was; “en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee” (Klaagl. 2: 10).

Maar daar is nog iets ergers aan het einde. Is er geen oorzaak voor al dit verdriet en ellende? Bedroeft God de mensenkinderen van hart? Zou er zulk een bedrag van menselijke ellende zijn, tenzij er niet enige uittarting van ‘s mensen zijde geweest ware, om al die kastijdingen op zijn schuldig hoofd te doen neerkomen? Er is dan iets in deze wereld, en iets ook in het hart des mensen dat erger dan verdriet is. Dat is de zonde. Als wij de stroom der ellende beschouwen, die door deze ellendige wereld kronkelt, en dien eens wat van naderbij bezien, ontwaren wij, dat het geen stroom van zuiver, onvermengd verdriet is. Het is eerder een riool van bederf dan een stromende rivier van onvermengd verdriet; want immer komen er uit dit riool van bederf zulke treurige blijken van menselijke boosheid en misdaad naar boven, dat zij het gemoed moeten doen ontstellen, dat niet geheel en al dood voor elk zedelijk en godsdienstig gevoel is.

Vestigt b.v. uw oog op de misdaden van de tegenwoordige tijd. Wat al moorden, zelfmoorden, daden van geweld, roverijen en afzichtelijke misdaden van onreinheid komen gedurig aan het licht; en hoe tonen deze, in sommige gevallen bijna toevallige ontdekkingen, wat diepte van bederf er waarlijk werkt en huisvest in het hart des mensen. Gelijk de melaatsheid, welke op het voorhoofd van koning Uzzia uitbrak, alleen de ziekte openbaarde, die zich van zijn lichaam had meester gemaakt (2 Kron. 26: 19). Zo zijn deze openbare misdaden, die van tijd tot tijd aan het licht komen, slechts enkel blijken en tekens van de diep ingewortelde melaatsheid, die binnen in het raderwerk der maatschappij, zowel als in het bedorven gemoed van mens werkt.

Maar in welke wanhopige en betreurenswaardige staat zouden wij zijn, zo er geen hulpmiddel voor deze ellende en rampzaligheid ware, die de aarde ontwricht, en, gelijk een geweldige aardbeving daarover gaande, al haar fundamenten heeft doen wankelen (Psalm 82: 5). Wat zou het minder dan een tegenwoordige hel zijn, zo er niets dan zonde en verdriet in deze wereld ware; zo wij slechts voor weinige korte weken, maanden of jaren, de kelk der droefheid hadden te ledigen, om in de vloeden der zonde verzwolgen te worden, treurende naar het graf te gaan, en dan onze ogen in eindeloze ellende te openen. Maar ziet opwaarts, gij treurende heiligen, die dikwerf neergebogen wordt door werelds verdriet of leed, en veel meer en heviger door het diep bederf van uw hart, ziet opwaarts en aanschouwt dien straal van hemels licht, welke zelfs nu door deze donkere nacht, deze dikke duisternis schijnt te breken, gelijk een zonnestraal soms in een ogenblik het gelaat des aardrijks verlicht.

“Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheden van onze Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte, om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op de weg des vredes” (Lukas 1: 78, 79). Kunt gij, als het ware, geen stem van God horen, die tot de schuldige kinderen der mensen spreekt, uit zulk een stem als de herders hoorden, toen het hemels koor zong: “Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen!” Kunt gij niet zien hoe de genade schijnt voort te komen, als uit Gods boezem, in engelengedaante?

Hoe zij als met engelenstem tot de kinderen der mensen spreekt, en hun zegt dat er een balsem voor al hun wonden, een genezing voor al hun kwalen is? Kunt gij geen hand zien, die op het verzoenend bloed en de rechtvaardigende gehoorzaamheid van Gods Zoon wijst en zegt: dit is het geneesmiddel, het enige geneesmiddel, dat God voor al de zonde en al het leed, dat er in de wereld is heeft aan de hand gegeven. Was dit niet zo, waartoe zou ik prediken? Waarom zoudt gij horen? Zo er geen genade ware voor de zondaar, geen genezing voor de zieke, geen behoudenis voor de verloren; zo er geen deur der hoop voor de wanhopende ware, waarom zou ik dan deze morgen voor u behoeven te staan, waarom gij zitten luisteren naar hetgeen ik in ‘s Heeren naam zal spreken?

Onze tekst leert ons op een liefelijke en gezegende wijze het redmiddel kennen, dat God verordend heeft voor al deze ellende, de heelenden balsem, dien Hij haar aan het licht gebracht heeft in het lijden, het bloed en de dood van Zijn lieve Zoon als de weg tot vergiffenis en vrede voor allen, die diep en geestelijk gevoelen, dat zijárme, zondige, schuldige overtreders zijn.

De Apostel ontboezemt in het onmiddellijk onze tekst voorafgaande vers zijn begeerte voor het welzijn en de zegen van de gemeente van Galatië, in zijn gewoonlijk biddende, echter tere en hartelijke groet. “Genade en vrede zij u van God onze Vader, en van onze Heere Jezus Christus.” En dan, alsof de vermelding zelf van genade en vrede zijn hart als met heilig vuur vervulde, en zijn mond opende om behoudenis te verkondigen door het zoenbloed des Lams, gaat hij in de woorden van onze tekst voort: “Die zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons verlossen zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader, dewelke zij heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen”.

Laat ons, met Gods zegen, die woorden overdenken; laat ons tot deze fontein komen, die in de woestijn ontspringt, en zien of wij, met Gods hulp, er enig levend water ter behoudenis uit kunnen putten, dat onze geest verfrissen, ons gemoed verblijden en ons hart vertroosten kan. Met dat doel zal ik, zo de Heere mij in staat stelt, u aantonen:

I. Hoe en waarom deze een boze wereld is.

II. Hoe onze gezegende Verlosser zichzelf voor onze zonden gegeven heeft, opdat Hij ons daarvan verlossen zou.

III. Dat dit was in overeenstemming met de wil van onze God en Vader.

IV. Dat dit een eeuwig lofgezang zal verwekken: Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

I. Deze tegenwoordige wereld is een boze wereld; dat is Gods getuigenis van haar. Gij mag zeggen: het is een schone, heerlijke wereld, en ik hoop zo lang als ik leef daarin al het mogelijke geluk te genieten. Het is een alledaags gezegde en onzin daarvan te spreken, alsof het een ellendige wereld ware. Het is waar, er kan enig ongeluk in zijn; maar dat is ‘s mensen eigen schuld. Maakte God het niet tot een schone wereld, en kunnen wij het er voor houden, dat Hij bedoelde, dat zij ongelukkig zou zijn of dat wij er arme ongelukkige schepselen in zouden wezen? Zo is de taal van menig hart, de klank van menige stem. Maar wiens getuigenis zal bestaan, Gods of ‘s mensen getuigenis? Zo God haar een “boze wereld” genoemd heeft, dan zullen alle ijdele redeneringen, alle niet-beduidende uitspraken des mensen Gods getuigenis niet veranderen.

De mens kan kwaad goed en goed kwaad noemen; de mens kan bitter voor zoet en zoet voor bitter houden, licht voor duisternis en duisternis voor licht nemen. Maar ‘s mensen getuigenis verandert Gods wezenlijkheid niet. Zo Gods mond de tegenwoordige wereld een “boze” genoemd heeft, dan kunnen alle leugens van de satan, noch al het schijnbaar recht des mensen samen verenigd het niet zo ver brengen, dat zij goed zij.

Maar wat is de wereld? Wat bedoelt de Heilige Geest door de uitdrukking, die zo dikwerf in het Nieuwe Testament voorkomt? Bedoelt Hij de stoffelijke wereld, die wijde en ruime aarde, welke wij met onze lichamelijke ogen zien, en met onze voeten betreden? Bedoelt Hij de bergen en valleien, rivieren en beken, weiden en velden, bosrijke heuvels en lachende landouwen, welke allen met luider stem hun groten en goede Schepper verkondigen? Neen. In zekere zin, weliswaar, deelt de aarde letterlijk en stoffelijk in de vloek van de val; want ten dag toen de mens viel, vervloekte God het aardrijk om der mensen wil, en met smart zou hij daarvan eten al de dagen zijns levens. Doornen en distelen zou zij hem voortbrengen, en in het zweet zijns aanschijns zou hij zijn brood eten, totdat hij tot de aarde wederkeerde, waaruit hij genomen was. (Gen. 3: 17, 18).

Maar “de wereld” hier betekent niet de stoffelijke, letterlijke wereld dagelijks voor onze ogen ten toon gespreid, maar de mannen en vrouwen, die er in wonen; want de stoffelijke wereld, schoon zij in de vloek des vals deelt, is in zichzelf niet boos, dat is, niet zondig zoals het hart van de mens is, die er op woont. Het is volkomen waar, dat de zonde des mensen elke plaats heeft bedorven, waar zij is gekomen en ellende in haar gevolg heeft medegevoerd, zodat in zekere zin het gehele schepsel samen in barensnood verkeert en zucht en zwoegt onder de last, dien de zonde des mensen haar heeft opgelegd. Maar het woord “wereld”, door de Heilige Geest in het Woord der waarheid gebruikt, betekent niet zozeer de stoffelijke schepping, schoon het in zekere mate die bedoeling kan hebben, als wel de mannen en vrouwen, die daarvan bewoners zijn, en als bijzonder onderscheiden in Gods Geest van Zijn eigen uitverkoren volk omvat.

Maar was de mens altijd boos? Schiep God hem niet naar Zijn eigen beeld, naar Zijn eigen gelijkenis? En toen Hij hem dus geschapen had, zag Hij niet uit de hemel op het werk Zijner handen als met heilige goedkeuring neer en verklaarde Hij niet dat het “zeer goed” was? Boos mag dan de mens zijn, hij kwam toch niet boos uit de handen zijns Makers. Het was niet mogelijk, dat een goede God een bozen mens kon scheppen, en dat een reine Jehovah een onrein wezen kon voortbrengen. Job doet de veelbetekenende vraag: Wie kan een reinen geven uit een onreinen? Maar kunnen wij de vraag niet omkeren, en zeggen: Wie kan iets onreins uit een reinen voortbrengen?

Neen; een vijand heeft dit gedaan. Het was met de val, zoals wij lezen in de gelijkenis van het onkruid in de akker. De zaaier zaaide tarwe; maar vanwaar kwam het onkruid? Niet van hem die de tarwe zaaide; maar “als de mensen sliepen, kwam een vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg” (Matth. 13: 25). Satan was de vijand, die onkruid zaaide in de tarweakker; en satan was het, die zonde zaaide in het hart der mensen; want hij mocht, naar Gods wijze en liefderijke voorzienigheid, de vrouw misleiden; zij daarentegen de man verstrikken en hem in haar overtreding lokken; en dus, “gelijk door enen mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke allen gezondigd hebben” (Rom. 5: 12). Dat is de bron van al het kwaad, dat er nu is of ooit in de wereld is geweest, want die één zonde bracht elke andere met zich. Zij voerde in haar gevolg elke ongerechtigheid mee, die ooit door de verbeelding voortgebracht, door de lippen geuit, of door mensenhanden gepleegd is.

Derhalve gelijk de eikel in zijn dunne schil de gehelen eik met takken en bladeren bevat, zo bevatte die één zonde, in het hart van onze stamouders ontvangen, in zich zelf al die takken van zonde, welke over de wereld hun weelderig lommer hebben verspreid, gelijk de eik zijn schaduw over het gras aan zijn voet verspreidt. Elk vermogen des mensen verviel door de val van zijn oorspronkelijke zuiverheid en kracht. Het was alsof de zon, op het midden van een helderen dag, in één ogenblik was ondergegaan en de duisternis zich over het aardrijk had verspreid; het was alsof een aardbeving de vaste grondslagen der aarde vaneen had gereten, of alsof een geweldige vulkaan eensklaps zijn krater had geopend om wolken van zwavelsmook en stromen van kokende lava uit te braken. In één ogenblik, als door één plotselinge schok, onderging ‘s mensen gehele natuur een verandering, door de zonde als door een beroerte of melaatsheid getroffen.

Zijn verstand werd verduisterd, zijn oordeel verdorven, zijn geweten in diepe slaap gesust, zijn genegenheid vervreemd, en die gehele heldere en klare stroom van reinheid en onschuld, die eens zo kabbelend naar God heen vloeide, werd troebel en dik door de zonde, die uit satans mond daarin werd uitgestort, en dus van de eeuwige bron van licht, leven en liefde werd afgeleid, om in een kanaal van duisternis, vijandschap en dood te stromen. Dus werd de fontein van haten oorsprong zelf af bedorven, en uit deze hoofdbron zijn alle stromen des kwaads gevloeid, welke de wereld tot een waren Hakeldama of bloedakker gemaakt hebben.

Dit is de fontein waaruit al die ellende en rampzaligheid is voortgevloeid, welke in alle eeuwen en onder alle lichtstreken de mens van de wieg tot het graf vervolgd, miljoenen hete tranen uit menselijke ogen gelokt, duizenden mensenharten letterlijk gebroken, huis op huis verwoest, en verdriet en droefenis in talloze boezems gebracht heeft. Maar o! deze bron der zonde in het hart des mensen heeft nog iets ergers gedaan dan dit; zij heeft de hel bevolkt, duizenden en tienduizenden in het eeuwige verderf gestort, en nog gaat zij daarmee voort. Laat ons dan door de vorst en God van deze wereld niet tot de ijdele overtuiging gevoerd worden, dat zij of een goede of een gelukkige wereld is.

Dit is een deel van zijn toverzangen, waardoor hij de harten der mensen door ijdel vertoon bedriegt. Hij moet geen kwaad spreken van zijn eigen vorstendom of gebied, ofschoon het, gelijk hij zelf, vol duisternis en wanhoop is. Laat ons dus satans leugens niet, maar wel Gods waarheid geloven; en dit zullen wij zeker doen als wij het onderwijs en de getuigenis van God zelf in onze consciënties hebben. Laat dan dit vast in uw en mijn hart door Gods getuigenis in het Woord en door de overeenstemmende getuigenis des Geestes in onze borst wortelen, dat het een “boze wereld is”.

De wereld, hoe groot ook, is slechts een verzameld lichaam van menselijke harten; want gelijk in het water het aangezicht zich afspiegelt, zo spiegelt zich ook het menselijk hart voor de mens af; en gelijk mijn hart slechts een kopie van uw hart is, en uw hart slechts een kopie van ieder ander hart, zo dragen wij in onze eigen boezem, zo onze ogen verlicht zijn om te zien, wat daar wezenlijk en waarlijk plaats grijpt, een overtuiging om, dat het een boze wereld is, omdat wij het kwaad der wereld levend en heersend in onze eigen borst vinden. Maar hiervan zullen wij meer zien als wij er toe komen om aan te tonen, hoe Jezus zich voor onze zonden overgaf, opdat Hij ons zou verlossen uit deze tegenwoordige, boze wereld.

II. Ik zal daarom tot ons tweede deel overgaan, hetwelk zich in tweeën splitst: 1. Jezus’ overgave van zichzelf voor onze zonden; 2. het voorwerp en doel waarom de Heere zich dus overgaf, opdat Hij ons uit deze tegenwoordige boze wereld zou verlossen.

1. Daar is iets onuitsprekelijks zoets en dierbaars voor mijn gemoed in de uitdrukking: Hij gaf zichzelf. Wij vinden dezelfde woorden van onze gezegenden Verlosser op andere plaatsen der Schrift, als b.v. waar gezegd wordt dat “Christus de gemeente liefgehad en zichzelf voor haar overgegeven heeft” (Ef. 5: 25); en waar de Apostel, sprekende van zijn leven als van een leven van het geloof in de Zoon van God, er bijvoegt, die mij liefgehad heeft, en zichzelf voor mij overgegeven heeft (Gal. 2: 20). Zo ook als de Apostel ons geboden heeft “navolgers Gods te zijn, als geliefde kinderen en in de liefde te wandelen,” voegt hij er deze dringende reden bij: “gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en zichzelf voor ons heeft overgegeven” (Ef. 5: 2).

a. Maar terwijl wij in deze hemelse verborgenheid indringen, zal het begeerlijk zijn een blik te slaan aan geen zijde van deze tijdsbepaling, en onze beschouwing te richten op dat wat Jezus was voordat Hij zich vrijwillig voor onze zonden overgaf; want zo wij geestelijk en bevindelijk in deze diepe verborgenheid willen indringen, moeten wij een gezicht door het geloof hebben van hetgeen Hij was in de woningen der zaligheid voor Hij zich dus overgaf.

Een geestelijke beschouwing van de heerlijkheid, welke Hij bij de Vader had eer de wereld was, zal ons gemoed voorbereiden om een weinig van de breedte, lengte, diepte en hoogte te zien en iets van die liefde van Christus te weten, die alle kennis te boven gaat; want liefde was de beweegoorzaak Zijner overgave van zichzelf; liefde woonde in Zijn boezem eer Hij zich vrijwillig aan lijden en dood overgaf. Wij moeten Hem dus als Persoon der heerlijke Drie-eenheid, volkomen gelijk en medeeeuwig met de Vader en de Heilige Geest beschouwen; want “in het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God”.

Wij moeten dan, met Gods hulp en zegen, gelovige ogen en harten verheffen om Hem te beschouwen als één met de Vader in “aard en wezen, als de tweede Persoon in die roemrijke Drie-eenheid, waarin drie Personen zijn en maar één God is. Wij moeten door de ogen van het geloof Hem ook aanschouwen als de Zoon des Vaders in waarheid en liefde, Zijn eigen, waren, eeuwige Zoon. Wij moeten Hem zien als liggende in ‘s Vaders boezem van alle eeuwigheid, als eeuwig Zijn welbehagen en zich steeds voor Hem verheugende. En wij moeten trachten, zo ver als de Heere ons in staat stelt, om met gelovige ogen de liefde des Vaders jegens de Zoon en de liefde des Zoons jegens de Vader te beschouwen, en zo in onze zielen enige beschouwing verwekken van de innige en toch onuitsprekelijke gemeenschap en vereniging, die door de Vader, de Zoon en de Heilige Geest genoten werd in de heerlijke woningen daarboven, voor dat de tijd bestond of de schepping bekend was.

Het is waar, zeer waar, dat wij deze hemelse verborgenheden niet kunnen begrijpen, ofschoon zij het voedsel voor het levend geloof zijn; ook kunnen wij inderdaad onze eigen gedachten niet tot haar geestelijke beschouwing verheffen; en toch, tenzij wij enige genadige kennis daarvan en enig levend geloof in haar hebben, zullen wij niet in staat zijn in de hemelse verborgenheid van de liefde van Christus in te dringen. Tenzij wij door het oog van het geloof iets van de heerlijkheid zien, welke de Zoon Gods bij de Vader had voor de grondlegging der wereld, hoe kunnen wij dan in de plechtige verborgenheid van de overgave van zichzelf dringen om te lijden, te bloeden en te sterven? Daarom zei onze Heere, toen Hij van Zijn discipelen sprak: Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt (Joh. 17: 22); dat is: de kennis en het genot daarvan.

Zo spreekt Johannes van diegenen, “welke niet uit de bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren waren”. “En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des enig geborene van de Vader, vol van genade en waarheid” (Joh. 1: 13, 14). Geeft de Apostel ook dit niet als een kenmerk van wederbarende genade? “Want God, die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus (2 Kor. 4: 6). Wij moeten dan Zijn heerlijkheid als die des eengeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid, zien, voor wij Zijn vernedering kunnen aanschouwen in het zich neerbuigen om voor ons een man van smart en bekend met verdriet te worden.

De hoogte Zijner heerlijkheid toont ons de diepte Zijner neerbuiging. Het zien van Hem wat Hij was in de woningen der zaligheid maakt ons bereid om te zien wat Hij was, toen Hij aan het kruis hing. Dit is het gehele verschil tussen het oog van het geloof en de blik der zinnen. Het zinnelijk oog zag Hem alleen in schande en doodstrijd tussen twee moordenaren hangen; maar het oog van het geloof aanschouwt Hem als Gods geliefde zoon, dragende onze zonden in Zijn eigen lichaam op het hout.

Maar men kan vragen: Wanneer gaf de Zoon Gods zich het eerst voor onze zonde over? Gij hebt ons gezegd dat het in eeuwigheid was voordat de tijd bestond. Maar was de zonde toen bekend? Neen, want de schepping was toen ook onbekend. Maar de gemeente was in Gods gemoed van alle eeuwigheid geliefd, want Hij verklaart zelf: “ja, Ik heb u lief gehad met een eeuwige liefde” (Jer. 31: 3). Toen dan lagen alle dingen naakt en bloot voor de ogen van de alwetende Jehovah; de zonde en ellende, waarin zij zou verzinken, werden gezien en voorzorg voor dezelve aangebracht, en dus mogen wij zeggen, dat Gods Zoon zich voor onze zonden van eeuwigheid overgaf, volgens het eeuwigdurend verbond dat in alles vast en welverordineerd is.

Het blijkt uit de getuigenis der Heilige Schrift, dat er een plechtige raad in de hemel gehouden werd tussen de drie Personen der heilige Godheid; want wij lezen van “het Vredeverbond dat tussen hen beiden was” dat is, tussen de Vader en de Zoon (Zach. 6: 13). Wij lezen ook: “Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van uw heiligen, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij enen held;” en dat dit de uitslag van een verbond was, blijkt duidelijk uit de woorden in dezelfde Psalm: “Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen” (Ps. 89: 20, 35). Naar het schijnt, was deze raad hoe de gemeente, in zonde vervallen en daarom met recht onderworpen aan de goddelijke wraak, kon behouden worden in volkomen overeenstemming met de rechtvaardigheid en heiligheid Gods.

Dit was de verborgenheid die opgelost moest worden; dit was het raadsel, dat geen eindig verstand ontwarren kon. Om een plan te bepalen zodat elke volmaaktheid Gods in volle harmonie was met de behoudenis des mensen; een maatregel vast te stellen hoe gerechtigheid en genade elkaar zouden kunnen ontmoeten; hoe vrede en gerechtigheid elkaar zouden kunnen kussen; hoe de rechtvaardigheid haar volste eisen zou kunnen voldoen, en toch de genade zich neerbuigen om de schuldige kinderen der mensen met haar liefdearmen te omvatten, was inderdaad een taak boven de hoogste vermogens van de schitterendste seraf of de hoogste aartsengel. Het plan der behoudenis wordt daarom altijd in de Schrift voorgesteld niet alleen als het grootste blijk van Gods liefde, maar ook als de diepste openbaring Zijner wijsheid. 0 diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! (Rom. 40: 33).

Maar wij spreken van de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God tevoren verordend heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was (1 Kor. 11: 8). Dit raadsel werd dan opgelost door het toetreden van Gods Zoon in het eeuwig verbond om zich voor onze zonden over te geven. In deze plechtige hemelvergadering bood Hij zich vrijwillig aan om te lijden, te bloeden, en voor schuldige mensen te sterven. Maar dit kon Hij alleen door zelf mens te worden, door het vlees en bloed des mensen aan te nemen, die reine en heilige mensheid op te offeren, welke Hij in de schoot der maagd zou ontvangen, en de zonde door de offeranden van zichzelf weg te nemen.

Zo kon Hij aan de strenge eisen van Gods onbuigbare rechtvaardigheid gehoorzamen, die verduren, en door die te verduren de vloek der wet wegnemen, en dus uitwerken en aanbrengen een volkomen en volmaakte rechtvaardigheid, in welke Zijn volk gerechtvaardigd voor de troon Gods zou kunnen staan. Alzo kon Hij Zijn volk in de stiptste overeenstemming met de rechtvaardigheid Gods behouden, en elke niet overeenstemmende eigenschap der Godheid tot harmonie brengen. In die zin gal Hij zich over voor onze zonden eer de tijd zelf geboren was. Hij wordt daarom gezegd “het Lam te zijn, dat geslacht is van de grondlegging der wereld,” en zelfs toen een “boek des levens” te hebben gehad, waarin de namen van Zijn uitverkoren volk waren geschreven (Openb. 13: 8).

b. Maar wij mogen nu zien op de uitvoering van dit eeuwig plan van verlossende liefde, en aanschouwen hoe Hij, ter oorzaak van zich over te geven aan het eeuwig verbond, toen de tijd kwam – de door God bepaalde tijd – zich voor onze zonden overgaf door het vlees aan te nemen in de schoot der maagd Maria. Daar is een uitdrukking in het algemeen gebedenboek, in onze kerk in gebruik, welke ik dikwerf zeer bewonderd heb: “Toen Gij op U nam de mens te verlossen, versmaadde Gij de schoot der maagd niet”.

Mijns inziens is er een grote schoonheid in het denkbeeld, dat Hij de schoot der maagd niet versmaadde; want wie anders lag daarin dan de eeuwige Zoon van God? Welk een duidelijk blijk van Zijn oneindige genade en onuitsprekelijke barmhartigheid is het, dat Hij onze natuur in vereniging met Zijn eigen Goddelijke persoon in de schoot der maagd moest aannemen? In deze vrijwillige overgave van zichzelf om alle ellende en verdriet van Zijn leven hier beneden te verduren, zien wij de grootheid van ‘s Heeren liefde; want Hij heeft “onze krankheden en smarten, zowel als onze ongerechtigheden gedragen” (Jes. 53: 4, 11). Dus, door zich over te geven voor onze zonden, droeg Hij hen van de kribbe tot het kruis.

Wanneer wij Hem door het oog van het geloof nastaren, het land doorgaande en goed doende; de genadige woorden horen, die ooit van Zijn lippen vloeiden, de machtige wonderwerken aanschouwen, die Zijn handen verrichtten, zien wij Hem nog als onze zonden- en lastdrager.

c. Maar het is voornamelijk in de laatste tonelen van Zijn lijdend leven, dat wij Hem vrijwillig zich voor onze zonden zien overgeven. Als wij Hem dan volgen in de sombere hof, waar Hij, onder de overstelpende drang van zonde en leed, grote bloeddruppels zweette; dan naar de joodse raad en Pilatus’ gerechtszaal, en van daarnaar het kruis van Golgotha, waar Hij, als het toppunt der boosheid, tussen twee moordenaars werd gekruisigd; dan zien wij in deze laatste tonelen van Zijn lijden en gehoorzame dood meer bijzonder wat de gezegende Heere verduurde, toen Hij zich overgaf om voor ons tot zonde gemaakt te worden, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Want door zich voor onze zonden over te geven, nam Hij al haar schuld, last en straf op zich. Hij droeg onze zonden in Zijn eigen lichaam op het hout, als waren zij Zijn eigen geweest; want daar Hij zich vrijwillig in van de zondaar plaats stelde, stond Hij als de Borg, van wie de rechtvaardigheid de laatste penning eiste.

Dus verdroeg Hij niet alleen de tegenspraak der zondaren tegen zichzelf, maar wat veel zwaarder was te dragen, Hij leed de onverdraaglijke toorn Gods, toen Zijn Vader Zijn aangezicht voor Hem verborg, toen angst Zijn moed benam, en Hij, ten vloek voor ons gemaakt, tussen hemel en aarde hing, als ten schouwspel voor mensen en engelen. God de Vader nam Zijn in de plaatsstelling aan, want het was volgens Zijn eigen eeuwige wil en raad, dat de Zoon Zijner liefde zich alzo voor onze zonden zou overgeven, opdat Hij al hun schuld en veroordeling weg doen, haar achter Gods rug zou werpen, haar afwassen in de fontein van Zijn eigeil bloed, en haar voor eeuwig uitwissen als een wolk die van de hemel verdreven wordt. Waar zouden wij zijn, wat zouden wij zijn, welke hoop zouden wij hebben om de toekomstige toorn te ontvlieden buiten dit gezegende feit, deze plechtige, Goddelijke werkelijkheid, dat Gods Zoon zich voor onze zonden overgaf en die voor eeuwig uitwiste? Maar zou dit verbazend wonder van barmhartigheid en genade kunnen geschied zijn zonder ‘s Heeren vrije en gewillige overgave van zichzelf? Wie zou Hem van de hemel hebben kunnen brengen? Wie had Hem kunnen vragen om af te dalen?

Welke engel of seraf zou het woord daar boven hebben kunnen influisteren: “Laat Gods Zoon zich overgeven voor de schuldigen mens!” Welk menselijk hart kon zulk een gedachte gekoesterd, of wat menselijke tong, zo al zulk een gedachte ware gekoesterd, zou het woord in de woningen der zaligheid hebben kunnen uitstamelen: Laat de Zoon van God afkomen en voor ons, lage, bezoedelde zondaars bloeden? Wat! dat God in alles Hem gelijke, medeeeuwige Zoon, de glans van ‘s Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid; dat Hij in wie de Vader eeuwig welbehagen had; Hij die aangebeden werd door myriaden engelen, dat Hij die heerlijkheid zou verlaten, op aarde komen, als de laagste boosdoener behandeld worden, aan handen en voeten genageld worden, en aan het kruishout in smaad en schande sterven, kon zulk een gedachte ooit in engelen of mensenhart zijn opgekomen?

En toch was dit de eeuwige gedachte Gods; dit was het hoogste plan van de Drie-enige Jehovah; en omdat heerlijk plan van eeuwige wijsheid en liefde te vervullen, gaf Gods Zoon zich gewillig voor onze zonden. Daar is een liefelijk beeld van deze vrijwillige overgave van zichzelf in het brandoffer waarvan gesproken wordt in het eerste hoofdstuk van Leviticus. Die offerande was geheel vrijwillig van de zijde des offeraars, en als zodanig werd het geheel op het altaar verbrand. Zo kwam ook onze gezegende Verlosser uit vrije beweging; het was Zijn vrijwillige daad; en dus gelijk het brandoffer geheel verteerd werd in de vlammen van het altaar, omdat geen deel daarvan uitgezonderd werd, zo werd onze gezegende Heere geheel verteerd in de vlammen van Gods wraak en ook in die van Zijn eigen zelfopofferende liefde: “Hij gaf zichzelf voor onze zonden”.

Hebt gij ooit uw zonden overzien? Ziet op de woorden; hoe veel betekenend zijn zij! Hebt gij ooit een blik op uw zonden geslagen? Werden zij immer als een schuldenlast op uw geweten gelegd? Hebt gij ooit haar snoodheid, zwaarte, bedorven natuur en de talloze menigte aanschouwd, en hoe elk van hen een eeuwigdurende hel verdiende? Benam Zijn gramschap ooit uw moed? Drukte Zijn hand dag en nacht zwaar op u, zodat uw sap veranderde in zomerdroogte? Klonk de vloek der wet ooit in uw geweten? Schenen uw ongerechtigheden u ooit meer in aantal dan de haren uws hoofds, zodat gij bijna wanhopend verzonk onder de gevreesde wraak Gods? Zo de Heere ooit iets van deze ervaring met kracht in uw geweten gewerkt heeft, zult gij ook iets zien en gevoelen wat het is voor Christus, dat Hij zich voor uw zonden, voor die verfoeilijke, snode misdaden heeft overgegeven, die uw geweten zo gegriefd, uw ziel zo bedroefd hebben, en u dikwijls deden vrezen of de hel uw eeuwigdurend verblijf zou zijn. Zo lang de mens niet iets van de schuld zijner verfoeilijke zonden gevoeld heeft, en zij niet als een zwaar gewicht op zijn hart en als een last op zijn geweten gelegd zijn, kan hij niet in de plechtige verborgenheid van de overgave van Gods Zoon voor hen indringen.

Hij weet niet wat zonde is; haar waar karakter en vreselijke grootte is hem niet geopenbaard; haar schuld, snoodheid en bitterheid zijn hem niet ontdekt door het onderwijs des gezegenden Geestes. Hij weet daarom weinig of niets van de heilige verborgenheid van Jezus’ kruisdood en verzoenend bloed. Hij kan niet ten volle en duidelijk God in de overgave Zijns Zoons rechtvaardigen, noch de liefde van Christus naar waarde schatten van Zijn komen in zulke uiterste omstandigheden van schande en lijden, opdat Hij zijn zonden dragen en die door Zijn verzoenend bloed zou wegwassen. Daarom moeten wij iets van de schuld en snoodheid der zonde in ons eigen geweten, iets van haar gewicht en last weten, opdat wij de heilige verborgenheid leren waarderen, zowel geestelijk als bevindelijk delen in de liefelijke en heilige zegen van die hemelse waarheid, dat Gods Zoon zich vrijwillig voor onze zonden overgaf.

En zien wij nu niet alleen op onze eigen, maar op de ontelbare zonden, die Gods volk in alle eeuwen en plaatsen bedreven hebben, en begrijpen dat Jezus die allen in Zijn eigen lichaam op het hout moet hebben gedragen; moest dan niet het heilige Lam Gods onder deze ontorsbare last van schuld geheel verbrijzeld, verbroken en overstelpt zijn geworden door de wraak Gods, de eisen der Rechtvaardigheid en de vloek der wet, tenzij Hij ondersteund werd door de inwonende Godheid, staande gehouden door de kracht Gods, ondersteund en versterkt door de eeuwige Geest, door wie Hij zich vlekkeloos aan God aanbood?

2. Maar laat ons overgaan tot het doel, voor hetwelk onze genadige Heere zich overgaf: opdat Hij ons verlossen zou van deze tegenwoordige boze wereld. Wij leven in een boze wereld, en vroeg of laat zal ieder kind Gods door innige en pijnlijke ervaring de waarheid van Gods getuigenis dienaangaande leren. Haar boze aard mag door schoonschijnende redenen verborgen worden; de vorst en God van deze wereld door zijn toverkracht een sluier over haar misvormde en lelijke trekken werpen, of deze afgeleefde en verwelkte lichtekooi vervormen in een reine en onschuldige maagd in al de bekoorlijken blos van jeugd en schoonheid. Maar ofschoon een sluier de wanstaltigheid mag verbergen, wegnemen kan hij die niet. Het blanketsel kan een oude wang niet jong maken. Het dunne lijklaken, over een lijk uitgespreid, mag het akelige gelaat, de misvormde trekken en verstijfde leden verbergen, maar het maakt van het lijk geen levend mens.

De pleister op een zweer mag de etterstof voor het oog verbergen, maar zij maakt geen gezond vlees. Zo mag de satan door zijn begoochelingen een sluier over het wezenlijk karakter der boze wereld werpen, en voor het gezicht de diepe zweren verbergen, die tot in het hart van ‘s mensen verdorven natuur doorvreten; maar vroeg of laat worden zij door een ziende oog en een gelovig hart onder het licht, het leven en de macht van de gezegenden Geest ontdekt, en de ware toestand wordt aan een teer geweten kenbaar gemaakt.

Maar de Heere gaf zich over voor onze zonden, opdat Hij ons zou verlossen uit deze tegenwoordige boze wereld. – Het zou ons weinig baten de ziekte te zien en te voelen, zo er geen krachtdadig hulpmiddel verschaft ware. Menig stervend mens voelt zijn dodelijke ziekte; maar hij weet tot zijn smart, dat een gevoel van ziekte hem evenmin genezen kan, als het pijn in welvaart of ziekte in gezondheid veranderen kan. Verlossing, verlossing is het dat wij nodig hebben. Laat ons dan zien waarvan de gezegende Heere ons kwam verlossen, toen Hij zich voor onze zonden overgaf.

a. Hij gaf zich over om ons te verlossen van de veroordeling van deze tegenwoordige boze wereld. De mensen willen niet graag het plechtig feit geloven, dat deze wereld onder een vonnis van veroordeling ligt door de wraak Gods. Maar dit is de getuigenis der Schrift. “Wij weten dat wij uit God zijn, zegt Johannes, en dat de gehele wereld ligt in het boze” (1 Joh. 5: 19); en zo zij in het boze ligt, dan in de veroordeling, tenzij wij denken dat God de boosheid rechtvaardigt. Paulus daarom van de goddelijke kastijding sprekende, zegt: “Want indien wij onszelf oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.” (1 Kor. 40: 31, 32). Maar verklaart deze getuigenis niet uitdrukkelijk, dat de wereld onder de veroordeling ligt?

Zo gij en ik dan op de oordeelsdag in de wereld bevonden worden, zullen wij onder de veroordeling der wereld bevonden worden? Toen de zondvloed kwam, toen de fonteinen des afgronds en de sluizen van de hemel ontsloten werden, verdronk ieder die in de wereld was door de vloed; niemand werd gered dan diegenen, die in de ark waren. Toen God de steden der vlakte verbrandde, werden alle mannen, vrouwen en kinderen, die daarin waren, verwoest door de zwavel en het vuur, welke de Heere uit de hemel deed regenen. In het laatste beleg van Jeruzalem toen Titus die stad verwoestte, werden allen binnen haar muren door het zwaard gedood, en met het vuur verbrand, hetwelk stad en tempel verwoestte, of in slavernij weggesleept.

Nu, zo zal het met u zijn, als gij bij de dood één met en in de wereld bevonden wordt: gij zult met haar veroordeeld worden, als zijnde in haar en met haar gevonden, zoals diegenen, die in de vloed verdronken, in Sodom verbrand, in Jeruzalem gedood werden. Zo gij op een sterfbed in de wereld gevonden wordt, wat kunt gij anders verwachten dan dat hetzelfde vonnis van veroordeling op u zal neerkomen in de dag des oordeels, als dat hetwelk over de wereld zal uitgesproken worden door de Rechter van levenden en doden? O welk een onuitsprekelijke genade van die veroordeling verlost te zijn door een levend geloof in Zijn bloed, die zichzelf voor onze zonden heeft overgegeven, opdat Hij ons van de toekomende toorn zou verlossen.

b. Maar daar is iets meer dan de veroordeling der wereld, van welke Christus ons kwam verlossen door zich voor onze zonden over te geven. Daar zijn de lieden der wereld, de mannen en vrouwen door wie wij omringd worden en met wie wij zo innig verbonden zijn in de dagelijkse bedrijven des levens. Zich met ben, in een zekere mate, te vermengen is onvermijdelijk, aangezien de eis der dingen dit noodwendig vordert. Maar er is een zekere grens buiten welke wij niet moeten gaan. Wij moeten de mannen en vrouwen van deze wereld niet tot onze vrienden en metgezellen maken. Zo ik onder overtreders gevonden word, met ben als mijn uitgelezen vrienden en deelgenoten wandelende, zal ik dezelfde straf, die op hen neerkomt, te lijden hebben; want die der zotten metgezel is, zal verbroken worden (Spr. 13: 20).

Wij zien dit dikwijls naar de natuur vervuld. Een makker der dronkaards doodt zich dikwerf door sterken drank. Een metgezel van dieven, omdat hij hun daden goedkeurt en met hen in hun wanbedrijf verbonden is, al is hij ook zelf geen zakkenroller, kan echter als een rondzwerver gevangen genomen worden. Waarom is hij in zulk gezelschap – waarom helpt hij hen in hun dieverijen en strooptochten, zo hij geen medeplichtige is? juist zo zal het met ons zijn, als wij bij leven en sterven vrienden en deelgenoten der wereld bevonden worden; wij zullen in de hel opgesloten worden met ben, die werkelijk schuldig staan aan de misdaden in de wereld bedreven, al hebben wij zelf niet als zij gezondigd. Zoals ons gezelschap is, zo zal ons oordeel zijn. Zo wij wandelen in de raad der goddelozen en staan op de weg der zondaren, zullen wij met hen geoordeeld worden; zo wij, aan de anderen kant, uit liefde tot de Heere en Zijn volk, met deze gezelschap houden, zullen wij deel aan hun zegeningen hebben. Laat ons nooit vergeten, dat de Heere Jezus Christus kwam om ons van alle gemeenschap met Zijn vijanden te verlossen, en ons in vereniging met Hem en Zijn vrienden te brengen. Inderdaad, ik geloof dat een van de eerste blijken van Gods genade aan de ziel de scheiding is, welke zij tussen ons en diegenen maakt, welke tot dusverre onze voornaamste vrienden en metgezellen zijn geweest.

Het werk Gods op het hart is een beslissend werk. Het duldt geen halve maatregelen; het staat geen bemiddeling toe. Het vormt, van zijn begin af aan, een waterplas tussen de wereld en ons, over welke wij nimmer wensen een brug te leggen, noch begeren dat deze uitgedroogd worde, maar slechts willen dat deze plas dagelijks wijder en wijder, en de scheiding groter en groter worde. Ik hoop dat ik voor mij waarlijk kan zeggen, dat ik noch enig wereldsgezind vriend of metgezel heb noch wens te hebben. Mag ik altijd van al de zodanigen afgescheiden zijn, en leven en sterven in de zoete en enige vriendschap van Gods heiligen.

c. Maar daar is ook een verlossing van de gewoonten en grondstellingen der wereld. En Christus gaf zich over voor onze zonden, opdat Hij ons mocht verlossen van de macht en heerschappij van deze grondstellingen en gewoonten, want zij zijn al samen boos. Wat zijn zij anders dan de bevordering van zichzelf? “Laat ik mij verheffen, wie er ook zink,” is dit niet het motto der wereld? Gelijk in een drukbevolkte stad, wanneer er plotseling brand ontstaat en de mensen om het leven worstelen, de sterken de zwakken onder de voeten zullen treden om zich te redden, zo is, in de grote worstelstrijd des levens, de geest der wereld om ieder met de voet te vertreden, die in de weg kan staan, teneinde zichzelf te bevorderen. “Ik! Ik! Ik!” is het krijgsgeschreeuw der wereld. “Laat mij zwemmen, ik geef er niet om wie er zinkt.

Laat mij opstaan, ‘t deert mij niet wie er valt. Laat mij veilig aan wal komen, en laat de stroom hen, die niet zwemmen kunnen, medevoeren; het zal voor mij des te beter zijn.” De mensen mogen deze uitdrukkingen niet zo stout durven uiten, maar toch verlichamelijken zich de geheime gedachten er in van ieder wereldgezind hart. Om ons nu van zulke goddeloze grondstellingen en zulke baatzuchtige bedoelingen te verlossen, gaf Christus zich voor ons over; want door zich voor onze zonden over te geven, was het plan van Zijn hart niet alleen om ons te redden, maar ook om ons te heiligen. Hij kwam om ons van de wereld, in ons zowel als buiten ons, te verlossen, opdat door Zijn kruisdood en verzoenend bloed ons een nieuw hart en een nieuwe geest mocht worden meegedeeld, waardoor wij niet altijd onze eigen bevordering zoeken en onze hoogmoed, eerzucht en hebzucht strelen zouden; maar dat het heil van onze zielen voor ons van veel groter belang zou zijn dan het heil van onze lichamen, de voorspoed van onze zaken of de bevordering van onze families; waardoor wij dien geest van eigenbaat zouden haten en verfoeien, welke het hartenbloed van een wereldsgezind gemoed is; waar de behoudenis en heiliging van onze ziel onze eerste zorg zou zijn, en dat wij dan, zo ver wij kunnen, goed zouden doen aan de lichamen en zielen van onze medemensen.

d. Onze Heere gal zich daarom voor onze zonden over, opdat Hij ons van de geest van deze wereld zou verlossen. En waar is die geest? In onze eigen boezem. Wij behoefden het gezelschap en de grondstellingen der wereld buiten ons niet zozeer te vrezen, zo wij niet zo veel van de geest der wereld in ons hadden. Het is omdat wij zo veel brandstof in onze boezem omdragen, dat wij met recht voor brand bevreesd zijn. Kon ik een huis bouwen, dat brandvrij was, dan zou ik niet behoeven te vrezen, al stond mijn buurmans huis in brand; maar zo het mijn een met riet gedekte hut is, dan mag ik wel beven als de vlam mijn woning nabij komt. Zo is het ook in de genade. Ware ik volkomen heilig, had ik geen boos hart, wist ik niets van zonden des vleses, dan zou ik het in aanraking komen met de wereld niet behoeven te vrezen.

Maar omdat ik in mijn boezem die wereld van binnen omdraag, welke slechts het contrast en het beeld van de wereld van buiten is, moet ik de invloed vrezen, tot zelfs de adem der wereld toe; want de geest der wereld, zo slechts eenmaal mijn gedachten en genegenheden gevangen worden, kan weldra elk kwaad in mijn hart in vuur en vlam zetten. Maar onze gezegende Heere gaf zich over voor onze zonden, opdat Hij ons van de geest der wereld zou verlossen door ons enen nieuwe geest te geven, door ons een goddelijke natuur deelachtig te maken, waardoor wij de verdorvenheden ontkomen, die er door de lusten in de wereld zijn. Wij moeten altijd bedenken, dat onze gezegende Heere, toen Hij zich voor onze zonden overgaf opdat Hij ons van de tegenwoordige boze wereld zou verlossen, iets meer deed dan ons enkel van dood en hel verlossen, of alleen ons verlossen van de worm, die niet sterft, en het vuur, dat niet wordt uitgeblust. De verlossing van de toekomende toorn is iets meer dan een enkel ontkomen aan de hel.

Dit kon geschied zijn; en toch, ware er niets anders vervuld, dan zou de genade voor onze innige behoeften ver te kort geschoten zijn. Maar Jezus stierf en verrees, opdat Hij ons dicht aan Zijn eigen hart zou brengen, ons naar Zijn eigen beeld gelijkvormig maken, ons doen delen in Zijn eigen genade, ons Zijn eigen Geest meedelen zou, opdat wij die mededelingen uit Zijn eigen volheid zouden ontvangen, welke ons geschikt zal maken voor de erve der heiligen in het licht. Het was Gods eeuwig plan, dat de geliefde en brui,3 van Zijn geliefde zoon niet alleen verlost zou worden van alle zonden en ellenden van Adams val, maar ver verheven boven hetgeen zij in haar oorspronkelijke schepping was. Zij moet eens in de eeuwige heerlijkheid Zijns geliefde Zoons schitteren, gelijk Hij zei in Zijn hogepriesterlijk gebed voor Zijn discipelen: “En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk als Wij één zijn” (Joh. 17: 22). Deze heerlijkheid is tweeledig – tegenwoordig en toekomstig.

De tegenwoordige heerlijkheid bestaat in het gelijkvormig worden aan Zijn beeld in het lijden, en door Hem te aanschouwen, daarin veranderd te worden door de kracht des Geestes, zoals de apostel spreekt: “En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in enen spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest” (2 Kor. 3: 18). De toekomstige heerlijkheid bestaat in volkomen gelijk gemaakt te worden aan Zijn tegenwoordig verheerlijkt beeld naar lichaam en ziel. Maar gelijk wij slechts hiernamaals zullen verheerlijkt worden zo wij hier met Hem lijden, zo moet er een inwendige gelijkvormigheid aan het beeld Zijns lijdens op aarde zijn, opdat er een volmaakte overeenstemming met Zijn verheerlijkt beeld in de hemel zal bestaan.

Golgotha is dus de bron, waaruit deze gezegende wateren vloeien; want Jezus is ons van God geworden tot heiligmaking, zowel als tot rechtvaardigmaking en verlossing. “Van de koning dochter is geheel verheerlijkt inwendig,” zowel als “uitwendig in haar gouden borduursel” (Ps. 45: 14). Deze inwendige heerlijkheid bestaat in de herscheppende kracht van de Heilige Geest in het hart, door welke wij, van de gelijkvormigheid aan deze wereld verlost zijnde, herschapen worden door de vernieuwing van onze geestes, opdat wij mogen beproeven, welke de goede, en welbehaaglijke en volmaakte wil van God zij (Rom. 12: 2).

III. Maar nu komt ons volgend punt, hetwelk is om aan te tonen, dat het gehele werk van Christus aan het kruis, waardoor Hij zich voor onze zonden overgaf, opdat Hij ons van deze tegenwoordige boze wereld verlossen zou, is naar de wil van onze God en Vader. Het is een zalige beschouwing voor een gelovig hart, te zien en te gevoelen hoe het gehele werk van Christus, in het zaligen en heiligen van Zijn verlost volk, harmonieert met de eeuwige en oppermachtige God; want deze grondwaarheid is diep gegraveerd in elk wedergeboren hart, dat niets in hemel of op aarde kan plaats grijpen, dat niet in overeenstemming, is met de oppermachtige wil van Jehovah. Hij is de opperste scheidsrechter over alle gebeurtenissen, en doet met het heir van de hemel en de inwoners der aarde naar Zijn welbehagen.

Het is dus liefelijk te zien door het geloof, dat Gods Zoon, zich voor onze zonden overgevende, opdat Hij ons zou verlossen van deze tegenwoordige boze wereld, in volledige overeenstemming was met de wil van God. De wil des Vaders en die des Zoons moeten één zijn; maar het is zalig te zien dat Hij, tegen wie en voor wie wij gezondigd hebben, zowel ingenomen was met de offerande, welke Jezus voor onze zonden heeft geofferd, en dat dit alles door een eeuwig verbond was bepaald. Het versterkt ten hoogste het geloof, de hoop en de liefde, wanneer men genadig overtuigd wordt, dat onze Heere, om zo te zeggen, de vergiffenis van onze zonden niet uit Gods hart wrong, Zijn hemelse Vader niet met tranen en smekingen overhaalde om Hem uit de hemel te laten afdalen ter redding van de schuldigen mens, maar dat in dit wondervol plan van verlossende liefde, zoals in elke andere zaak, de wil des Vaders en des Zoons één waren. Met te denken, dat Jezus de gave van het eeuwige leven aan Gods ongenegen hart met geweld afperste, zou men tegenstrijdigheid brengen in de woningen der zaligheid, een scheuring maken tussen Vader en Zoon, en het gehele gebouw van het genadeverbond in duigen werpen.

Het was des Vaders, des Zoons, en van de Heilige Geest welbehagen; want deze drie, ofschoon in de persoon onderscheiden, zijn één in wezen. Wat de Vader behaagde, behaagde de Zoon, en wat de Zoon behaagde, behaagde de Geest; zodat het geheel van dit wondervol plan van behoudenis in overeenstemming was met de wil en het doel van onze God en Vader als onze Vader in Christus. “De gave Gods is het eeuwige leven,” en schoon dit is “door Jezus Christus onze Heere,” dit is door het lijden, de bloedstorting, en de dood van Jezus, verhoogt dit eigen kanaal, door welk het komt, slechts de grootheid der gave. Een gezicht hiervan door het geloof opent een deur in de vallei van Achor voor elk arm, wanhopend kind Gods; en door het geloof beschouwd, opent het een zeer passenden en gezegenden weg van toegang tot God zelf. Gij gevoelt uzelf een arm, nietig, ellendig zondaar te zijn; gij ziet u van binnen en buiten door kwaad omringd; gij verlangt naar een ontkoming aan alle wraak, vrees, twijfel, schrik en kwelling; maar gij slaat uw ogen op en weet nauwelijks waarheen te zien; gij strekt uw handen uit en weet nauwelijks wie gij zult grijpen; gij gaat voorwaarts, maar weet nauwelijks waarheen uw schreden te richten.

Slaat nu nog eens uw ogen op en ziet of gij geen licht kunt zien van de hemel, dat zelfs nu in uw hart schijnt. Luistert met gespitste oren of gij geen stem kunt vernemen uit de hemel zelf, die zelfs nu tot uw hart spreekt. En wat zegt die stem: “De Zoon Gods gaf zich over voor uw zonden, opdat Hij u zou verlossen uit deze tegenwoordige boze wereld; en dit is naar de wil van onze God en Vader”. Hier is dan een geleidend licht, dat op des pelgrims pad straalt; hier is een besturende stem, die zijn voetstappen zet op de paden des vredes en der waarheid. Het is waar dat wij niet moeten verwachten een werkelijk licht te zien of een wezenlijke stem te horen; maar wij zien licht in Gods licht als wij geloven, en wij horen Zijn stem als het geloof vermengd wordt met Zijn Woord. Wanneer wij dan, als geleid door de Heilige Geest, tot de gezegenden Verlosser gaan, opdat Hij ons mag verlossen uit deze tegenwoordige boze wereld door de toe-eigening van Zijn bloed en de mededeling, Zijner liefde, gaan wij dus tot Hem in overeenstemming met de wil van onze God en Vader.

Dit is onze hemelse waarborg. Zo wij in Zijn naam geloven, is het in overeenstemming met de wil van God onze Vader. Zo wij op Zijn genade hopen, Hem met een oprecht hart vurig lief hebben, onze ziel op Hem werpen, zo wij, bij het wantrouwen van onze eigen kracht en gerechtigheid, geheel op de Zijn vertrouwen, handelen wij volgens de wil van God onze Vader; wij schikken ons naar de bevelen der Opperste Wijsheid, luisteren naar de stem der oppermachtige genade, en wandelen op de paden der eeuwige waarheid en vrede.

Dus, dat het gehele werk van Christus met al Zijn gezegende vruchten en uitwerkselen naar de wil van God onze Vader moest zijn, werpt een gezegend en heerlijk licht over de oorspronkelijke gave van de Zoon door de Vader. Het geheel wordt dus gezien één groots, heerlijk en volkomen plan van eeuwige wijsheid en liefde te zijn. Als zodanig verlicht door de Heilige Geest en hernieuwd in de geest van ons gemoed, zien wij dat God een weg heeft aangewezen en uitgevoerd, waardoor wij kunnen verlost worden van deze tegenwoordige boze wereld.

Is het een boze wereld voor u? “Zucht gij en roept gij uit als degenen, waarvan in Ezechiël 9: 4 gesproken wordt, over al de gruwelen, die in het midden ervan gedaan worden,” niet alleen in de boze wereld buiten, maar in de boze wereld binnen u? Daar is een weg ter ontkoming voor u; daar is een deur van hoop open in het gebouw van de hemel. De genade fluistert u toe van de troon der hemelse zaligheid: “De Zoon Gods gaf zich over voor onze zonden, opdat Hij ons verlossen zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van God”. Wanneer deze boodschap van genade en waarheid in een gelovig hart wordt ontvangen, en de inwendige geest begint te vermurwen en te smelten onder de liefelijke klank van vergevende liefde, zal het uit ons hart en van onze lippen ons vierde en laatste punt voortbrengen, hetwelk is:

IV. Dewelke zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. Is Hij niet aller heerlijkheid waardig? 0 welk een heerlijk plan om de schuldigen mens te behouden is dat, hetwelk in de hemel beraamd en op aarde volvoerd is! 0 welk een roemrijk ontwerp van oneindige wijsheid om al de verschillende volmaaktheden der Godheid in harmonie te brengen met de behoudenis van zulke verloren ellendelingen, van zulke zo geheel verloren zondaren! 0 doorluchtig plan, waardoor genade en waarheid elkaar ontmoeten in een lijdenden Immanuël, vrede en gerechtigheid elkaar kussen boven het kruis van Golgotha, waardoor God rechtvaardig zou zijn en toch de rechtvaardiger van hem, die in Jezus gelooft; en dit alles opdat de genade zou heersen door gerechtigheid en het eeuwige leven door Christus Jezus onze Heere; opdat de zonde mocht worden vergeven, en de zondaar vrijmoedig gaan, en toch Gods rechtvaardigheid niet bezoedeld zou worden, maar eerder met verhoogde glans stralen. Is dan niet een drie-enige Jehovah al de heerlijkheid waardig, die tienduizenden van geredde zondaren aan Zijn heiligen naam kunnen bewijzen?

Kan dat hart ooit Zijn genade hebben gesmaakt – kan die ziel ooit Zijn heerlijkheid hebben gezien, die dit zegevierend lied terughoudt en Hem de heerlijkheid, aan Zijn naam verschuldigd, ontzeggende, zegt: “Ere aan mij zelf; ere aan mijn eigen wijsheid, gerechtigheid en eigen krachtsinspanning?” Zal dat lied in de hemel gehoord worden? Zal eigen gerechtigheid immer haar wanklinkende tonen in het hemels koor doen horen? Neen, gelijk het in de tempel was, waar zij “eenparig trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende de Heere” (2 Kron. 5: 13), zo zal het in de gewesten der zaligheid zijn, wanneer vrijgekochte zielen zich rondom de troon verenigen en aanheffen: “Ere, ere, ere tot in alle eeuwigheid, de Vader, Zoon, en Heilige Geest,” en ‘s hemels gewelven van het algemene lied zullen weergalmen.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.