vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelfde volmake, bevestige, versterke en fondere ulieden.
1 Petrus 5:10
Indien „de God van alle genade” u inderdaad „geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid”, indien Hij waarlijk met Zijn gezegende vinger uw hart heeft aangeraakt, weet het wel dat gij van het begin tot het einde in een pad van lijden wandelen zult; want het gehele pad is meer of min een pad van moeilijkheden. En terwijl gij dan op dat pad gaat en te lijden hebt van de zonden, de Satan, de wereld en de boosheid van uw eigen hart, is het slechts om u meer te leiden tot „de God van alle genade”; is het slechts opdat God, te Zijner tijd, „u volmake, bevestige, versterke en fondere”.
En wanneer uw ziel door al deze beproevingen is heengegaan, zult gij Gods hand in alles zien, Hem voor alles danken en bemerken hoe goed het voor u was bezocht te zijn geweest en dit moeilijke pad te hebben betreden; opdat gij, met Christus Jezus geleden hebbende, met Hem zitten moogt in Zijn eeuwige heerlijkheid.
Bij U, Heer, is de levensbron:
Uw licht doet klaarder dan de zon
ons ’t heuglijk licht aanschouwen.
Wees die U kennen mild en goed
en toon d’ oprechten van gemoed
Uw recht, waar z’ op vertrouwen.
Dat mij nooit trotse voet vertrapp’,
noch boze hand in ballingschap
ellendig om doe zwerven!
Daar zijn de werkers van het kwaad
gevallen in een jammerstaat,
waarin zij hulp’loos sterven.
Ps. 36:3
Aan de lezer…
Hoe dikwijls verwondert u zich erover dat uw weg zo moeilijk is, nu de Heere met Zijn gezegende vinger uw hart heeft aangeraakt! Hebt u gedacht dat de genade u een vlak en zonnig pad zou geven, en vindt u nu lijden van de zonden, van de Satan, van de wereld en van uw eigen boze hart? Laat u daardoor niet wijsmaken dat u niet geroepen bent. Het gehele pad van Gods volk is meer of min een pad van moeilijkheden.
Al dat lijden heeft één doel: u meer te leiden tot de God van alle genade, opdat Hij u te Zijner tijd volmake, bevestige, versterke en fondere. Het is maar een weinig tijds. Wanneer u erdoor heen bent gegaan, zult u Zijn hand in alles zien en Hem voor alles danken, en erkennen hoe goed het was bezocht te zijn. Wie met Christus Jezus lijdt, zal met Hem zitten in Zijn eeuwige heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelfde volmake, bevestige, versterke en fondere ulieden.
1 Petrus 5:10
Als „de God van alle genade” u werkelijk „geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid”, als Hij u waarlijk met Zijn gezegende vinger in uw hart heeft aangeraakt, weet dan dat u van het begin tot het einde een pad van lijden zult gaan. Want het hele pad is min of meer een pad van moeilijkheden. En terwijl u dan dat pad gaat en te lijden hebt van de zonden, van de satan, van de wereld en van de boosheid van uw eigen hart, is dat alleen om u meer naar „de God van alle genade” te leiden. Het is alleen opdat God op Zijn tijd „u volmake, bevestige, versterke en fondere”.
En wanneer uw ziel door al deze beproevingen heen is gegaan, zult u Gods hand in alles zien en Hem voor alles danken. Dan zult u merken hoe goed het voor u was dat u bezocht werd en dit moeilijke pad moest gaan, opdat u, na met Christus Jezus geleden te hebben, met Hem mag zitten in Zijn eeuwige heerlijkheid.
Bij U, Heer, is de levensbron:
Uw licht doet klaarder dan de zon
ons ’t heuglijk licht aanschouwen.
Wees die U kennen mild en goed
en toon d’ oprechten van gemoed
Uw recht, waar z’ op vertrouwen.
Dat mij nooit trotse voet vertrapp’,
noch boze hand in ballingschap
ellendig om doe zwerven!
Daar zijn de werkers van het kwaad
gevallen in een jammerstaat,
waarin zij hulp’loos sterven.
Ps. 36:3
Aan de lezer…
Hoe vaak verwondert u zich erover dat uw weg zo moeilijk is, nu de Heere met Zijn gezegende vinger uw hart heeft aangeraakt! Hebt u gedacht dat de genade u een vlak en zonnig pad zou geven, en lijdt u nu onder de zonden, de satan, de wereld en uw eigen boze hart? Laat u daardoor niet wijsmaken dat u niet geroepen bent. Het hele pad van Gods volk is min of meer een pad van moeilijkheden.
Al dat lijden heeft één doel: u meer te leiden naar de God van alle genade, opdat Hij u op Zijn tijd volmake, bevestige, versterke en fondere. Het is maar een korte tijd. Wanneer u erdoor heen bent gegaan, zult u Zijn hand in alles zien en Hem voor alles danken, en erkennen hoe goed het was dat u bezocht werd. Wie met Christus Jezus lijdt, zal met Hem zitten in Zijn eeuwige heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But the God of all grace, Who hath called us unto His eternal glory by Christ Jesus, after that ye have suffered a while, make you perfect, stablish, strengthen, settle you.
1 Peter 5:10
If “the God of all grace” has indeed “called you to His eternal glory”—if He has indeed touched your heart with His blessed finger—remember you will have to walk, from beginning to end, in a path of suffering; for the whole path, more or less, is a path of tribulation. And, while walking in this path, and suffering from sin, Satan, the world, and the evil of your own heart, it is only to lead you up more unto “the God of all grace;” it is only that God may, in His own time, “make you strong, firm and steadfast.” And when your soul has passed through these trials, you will see God’s hand in all, praise Him for all, and will perceive how good it was for you to have been afflicted, and to have walked in this painful path; that having suffered with Christ Jesus, you might sit down with Him in His eternal glory!
To the reader…
How often you wonder that your way is so hard, now that the Lord has touched your heart with His blessed finger! Did you think that grace would give you a smooth and sunny path, and are you now suffering from sin, Satan, the world and your own evil heart? Do not let that persuade you that you have not been called. The whole path of God’s people is, more or less, a path of tribulation.
All that suffering has one purpose: to lead you more unto the God of all grace, that in His own time He may make you perfect, stablish, strengthen and settle you. It is only a little while. When you have passed through it, you will see His hand in all and thank Him for all, and acknowledge how good it was that you were afflicted. Whoever suffers with Christ Jesus will sit down with Him in His eternal glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas el Dios de toda gracia, que nos ha llamado a Su gloria eterna por Jesucristo, después que hubiereis un poco de tiempo padecido, Él mismo os perfeccione, confirme, corrobore y establezca.
1 Pedro 5:10
Si “el Dios de toda gracia” le ha “llamado” de veras “a Su gloria eterna”, si de veras ha tocado su corazón con Su bendito dedo, recuerde que tendrá que andar, de principio a fin, por una senda de padecimiento; porque toda la senda, en mayor o menor medida, es una senda de tribulación. Y mientras anda por esta senda, y padece a causa del pecado, de Satanás, del mundo y del mal de su propio corazón, todo es solo para conducirle más hacia “el Dios de toda gracia”; todo es solo para que Dios, a Su debido tiempo, le “confirme, corrobore y establezca”. Y cuando su alma haya pasado por estas pruebas, verá la mano de Dios en todo, Le alabará por todo y percibirá cuán bueno fue para usted haber sido afligido y haber andado por esta senda dolorosa; ¡para que, habiendo padecido con Cristo Jesús, pueda sentarse con Él en Su gloria eterna!
Al lector…
¡Cuántas veces se extraña usted de que su camino sea tan duro, ahora que el Señor ha tocado su corazón con Su bendito dedo! ¿Pensaba que la gracia le daría una senda llana y soleada, y ahora padece a causa del pecado, de Satanás, del mundo y de su propio corazón malo? No deje que eso le persuada de que no ha sido llamado. Toda la senda del pueblo de Dios es, en mayor o menor medida, una senda de tribulación.
Todo ese padecimiento tiene un solo fin: conducirle más hacia el Dios de toda gracia, para que a Su debido tiempo Él le perfeccione, confirme, corrobore y establezca. Es solo un poco de tiempo. Cuando haya pasado por ello, verá Su mano en todo y Le dará gracias por todo, y reconocerá cuán bueno fue que fuera afligido. Quien padece con Cristo Jesús se sentará con Él en Su gloria eterna.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Wendt u naar Mij toe
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
We verkeren voortdurend in omstandigheden waarin niemand ons ook maar enig goed kan doen, en waarin we onszelf niet kunnen helpen of bevrijden; we zitten vast in strikken en kunnen ze niet losmaken; we verkeren in moeilijkheden en kunnen onszelf niet troosten; we zijn verdwaalde schapen en kunnen de weg naar de kudde niet terugvinden; we zitten voortdurend achter afgoden aan en houwen „gebroken bakken” uit, en kunnen niet terugkeren naar „de springader des levenden waters” (Jer. 2:13). Wat is het dan passend en heerlijk voor degenen die aldus beproefd worden, om te zien dat er een genadige Immanuël aan de rechterhand van de Vader zit, Wiens hart met liefde gevuld is en in Wiens binnenste zich mededogen roert; Die Zijn eigen kostbare bloed heeft vergoten opdat zij zouden leven, Die een heerlijke gerechtigheid heeft aangebracht en Die „volkomenlijk zalig maken kan die door Hem tot God gaan” (Hebr. 7:25).
De Heere zegt daarom tegen Zijn kinderen die zich aan „de einden der aarde” bevinden, die bang zijn nabij te komen, dat Hij de Middelaar tussen God en de mens is. Hij zegt tegen degenen die schuldig zijn: „Ik ben uw vergiffenis”; tegen die naakt zijn: „Ik ben uw kleding”; tegen degenen die bezoedeld zijn: „Ik ben uw reiniging.” Aangezien ze zich aan „de einden der aarde” bevinden, zou de zuiverheid van God hen daar voor eeuwig houden; maar aangezien er een Middelaar, een roemrijke Voorspreker, een almachtige Advocaat, een Immanuël, God en mens in één glorieus Persoon is, kunnen ze, hoewel ze zich aan „de einden der aarde” bevinden, nabij komen door Hem, want ze zijn gezegend en aangenomen in Hem.
Ze bevinden zich werkelijk aan „de einden der aarde”, en durven door schuld en schaamte niet nabij te komen. Maar laat Jezus hun één blik schenken, één aanraking, en hun arme, hulpbehoevende, naakte zielen springen vooruit in Zijn armen en vinden de toegang tot de Vader nabij. Want door die blik zien ze dat er een Middelaar tussen God en hen is, een Voorspreker en Advocaat Die voor hen op een genadetroon zit.
Lezen: Jesaja 55
Aan de lezer…
Zit u vast in strikken die u niet los kunt maken, waarde lezer? Bent u een verdwaald schaap dat de weg naar de kudde niet terugvindt, en hebt u uzelf gebroken bakken uitgehouwen die geen water houden? Dan kent u iets van de einden der aarde. U kunt uzelf niet helpen of bevrijden, en door schuld en schaamte durft u niet nabij te komen.
Maar zie op Hem Die aan de rechterhand van de Vader zit, Wiens hart met liefde gevuld is en in Wiens binnenste zich mededogen roert. Tegen de schuldige zegt Hij: „Ik ben uw vergiffenis”; tegen de naakte: „Ik ben uw kleding”; tegen de bezoedelde: „Ik ben uw reiniging.” Wacht op die ene blik, die ene aanraking van Zijn hand. Dan zal uw arme ziel, hoe ver zij ook weg ligt, vooruitspringen in Zijn armen en de toegang tot de Vader nabij vinden, want Hij kan volkomenlijk zalig maken die door Hem tot God gaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Telkens weer zijn we in omstandigheden waarin niemand ons ook maar enig goed kan doen en waarin we onszelf niet kunnen helpen of bevrijden. We zitten vast in strikken en kunnen ze niet losmaken; we zijn in moeiten en kunnen onszelf niet troosten; we zijn verdwaalde schapen en kunnen de weg naar de kudde niet terugvinden; we lopen voortdurend achter afgoden aan en houwen „gebroken bakken” uit, en kunnen niet terugkeren naar „de springader des levenden waters” (Jer. 2:13). Hoe passend en heerlijk is het dan voor hen die zo beproefd worden, te zien dat er een genadige Immanuël aan de rechterhand van de Vader zit. Zijn hart is vol liefde en Zijn binnenste is met ontferming bewogen. Hij heeft Zijn eigen kostbare bloed vergoten opdat zij zouden leven, Hij heeft een heerlijke gerechtigheid aangebracht, en Hij is het Die „volkomenlijk zalig maken kan die door Hem tot God gaan” (Hebr. 7:25).
Daarom zegt de Heere tegen Zijn kinderen die aan „de einden der aarde” zijn en bang zijn om nabij te komen, dat Hij de Middelaar is tussen God en de mens. Tegen hen die schuldig zijn, zegt Hij: „Ik ben uw vergiffenis”; tegen hen die naakt zijn: „Ik ben uw kleding”; tegen hen die bezoedeld zijn: „Ik ben uw reiniging.” Omdat zij aan „de einden der aarde” zijn, zou de reinheid van God hen daar voor eeuwig houden. Maar omdat er een Middelaar is, een heerlijke Voorspreker, een almachtige Voorspraak, een Immanuël, God en mens in één heerlijke Persoon, kunnen zij, ook al zijn zij aan „de einden der aarde”, door Hem nabij komen, want zij zijn in Hem gezegend en aangenomen.
Zij zijn werkelijk aan „de einden der aarde” en durven door schuld en schaamte niet nabij te komen. Maar laat Jezus hun één blik schenken, één aanraking, en hun arme, behoeftige, naakte zielen springen naar voren in Zijn armen en vinden dat de toegang tot de Vader nabij is. Want door die blik zien zij dat er een Middelaar is tussen God en hen, een Voorspreker en Voorspraak Die voor hen op een troon van genade zit.
Lezen: Jesaja 55
Aan de lezer…
Zit u vast in strikken die u niet los kunt maken? Bent u een verdwaald schaap dat de weg naar de kudde niet terugvindt, en hebt u voor uzelf gebroken bakken uitgehouwen die geen water houden? Dan kent u iets van de einden der aarde. U kunt uzelf niet helpen of bevrijden, en door schuld en schaamte durft u niet nabij te komen.
Maar zie op Hem Die aan de rechterhand van de Vader zit, Wiens hart vol liefde is en Wiens binnenste met ontferming bewogen is. Tegen de schuldige zegt Hij: „Ik ben uw vergiffenis”; tegen de naakte: „Ik ben uw kleding”; tegen de bezoedelde: „Ik ben uw reiniging.” Wacht op die ene blik, die ene aanraking van Zijn hand. Dan zal uw arme ziel, hoe ver zij ook weg ligt, naar voren springen in Zijn armen en vinden dat de toegang tot de Vader nabij is, want Hij kan volkomenlijk zalig maken die door Hem tot God gaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look unto Me, and be ye saved, all the ends of the earth: for I am God, and there is none else.
Isaiah 45:22
Again and again we are in circumstances in which no one can do us the least good, and in which we cannot help or deliver ourselves. We are caught in snares and cannot loose them; we are in trouble and cannot comfort ourselves; we are wandering sheep and cannot find our way back to the fold; we are continually running after idols and hewing out “broken cisterns,” and cannot return to “the fountain of living waters” (Jer. 2:13). How suitable and how glorious it is, then, for those who are so tried, to see that there is a gracious Immanuel sitting at the right hand of the Father. His heart is full of love and His bowels yearn with compassion. He has shed His own precious blood that they might live, He has brought in a glorious righteousness, and He it is Who “is able also to save them to the uttermost that come unto God by Him” (Heb. 7:25).
Therefore the Lord tells His children who are at “the ends of the earth,” and afraid to draw near, that He is the Mediator between God and man. To those who are guilty He says, “I am your pardon”; to those who are naked, “I am your clothing”; to those who are defiled, “I am your cleansing.” Because they are at “the ends of the earth,” the purity of God would keep them there for ever. But because there is a Mediator, a glorious Intercessor, an almighty Advocate, an Immanuel, God and man in one glorious Person, they can, though they are at “the ends of the earth,” draw near through Him, for in Him they are blessed and accepted.
They really are at “the ends of the earth,” and through guilt and shame dare not draw near. But let Jesus give them one look, one touch, and their poor, needy, naked souls spring forward into His arms and find that access to the Father is near. For by that look they see that there is a Mediator between God and them, an Intercessor and Advocate Who sits for them upon a throne of grace.
Reading: Isaiah 55
To the reader…
Are you caught in snares that you cannot loose? Are you a wandering sheep that cannot find the way back to the fold, and have you hewn out for yourself broken cisterns that can hold no water? Then you know something of the ends of the earth. You cannot help or deliver yourself, and through guilt and shame you dare not draw near.
But look to Him Who sits at the right hand of the Father, Whose heart is full of love and Whose bowels yearn with compassion. To the guilty He says, “I am your pardon”; to the naked, “I am your clothing”; to the defiled, “I am your cleansing.” Wait for that one look, that one touch of His hand. Then your poor soul, however far away it lies, will spring forward into His arms and find that access to the Father is near, for He is able to save to the uttermost them that come unto God by Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más.
Isaías 45:22
Una y otra vez nos hallamos en circunstancias en las que nadie puede hacernos el menor bien, y en las que no podemos ayudarnos ni librarnos a nosotros mismos. Estamos atrapados en lazos y no podemos soltarlos; estamos en angustia y no podemos consolarnos; somos ovejas errantes y no podemos hallar el camino de vuelta al redil; corremos continuamente tras ídolos y cavamos “cisternas rotas”, y no podemos volver a “la fuente de agua viva” (Jeremías 2:13). ¡Cuán adecuado y cuán glorioso es, pues, para los que son así probados, ver que hay un Emanuel lleno de gracia sentado a la diestra del Padre! Su corazón está lleno de amor y Sus entrañas se conmueven de compasión. Él ha derramado Su propia sangre preciosa para que ellos vivan, ha traído una justicia gloriosa, y Él es Quien “puede también salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios” (Hebreos 7:25).
Por eso el Señor dice a Sus hijos que están en “los términos de la tierra”, y temen acercarse, que Él es el Mediador entre Dios y los hombres. A los culpables les dice: “Yo soy vuestro perdón”; a los desnudos: “Yo soy vuestro vestido”; a los contaminados: “Yo soy vuestra limpieza”. Porque están en “los términos de la tierra”, la pureza de Dios los mantendría allí para siempre. Pero porque hay un Mediador, un glorioso Intercesor, un Abogado todopoderoso, un Emanuel, Dios y hombre en una gloriosa Persona, pueden, aunque estén en “los términos de la tierra”, acercarse por medio de Él, porque en Él son bendecidos y aceptados.
Realmente están en “los términos de la tierra”, y por la culpa y la vergüenza no se atreven a acercarse. Pero que Jesús les dé una mirada, un toque, y sus pobres almas necesitadas y desnudas saltan hacia Sus brazos y hallan que la entrada al Padre está cerca. Porque por esa mirada ven que hay un Mediador entre Dios y ellos, un Intercesor y Abogado que está sentado por ellos sobre un trono de gracia.
Lectura: Isaías 55
Al lector…
¿Está usted atrapado en lazos que no puede soltar? ¿Es una oveja errante que no halla el camino de vuelta al redil, y se ha cavado cisternas rotas que no detienen aguas? Entonces sabe algo de los términos de la tierra. No puede ayudarse ni librarse a sí mismo, y por la culpa y la vergüenza no se atreve a acercarse.
Pero mire a Aquel que está sentado a la diestra del Padre, Cuyo corazón está lleno de amor y Cuyas entrañas se conmueven de compasión. Al culpable le dice: “Yo soy tu perdón”; al desnudo: “Yo soy tu vestido”; al contaminado: “Yo soy tu limpieza”. Espere esa sola mirada, ese solo toque de Su mano. Entonces su pobre alma, por lejos que yazca, saltará hacia Sus brazos y hallará que la entrada al Padre está cerca, porque Él puede salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Die overwint, zal alles beërven.
Openbaring 21:7
Hij zal alles beërven. Wanneer? In de eeuwigheid? Ja, maar niet alleen in de eeuwigheid. O neen! Ook in de tijd! Er is een tweevoudige erfenis, ofschoon zij één en dezelfde is: één in de tijd en een andere in de eeuwigheid; de ene als eersteling, de andere als de volle oogst. Er is een erfenis hier beneden en een erfenis boven; en hij die nooit een deeltje van zijn erfenis hier beneden ontvangt, zal nooit in de erfenis boven delen. Nu, juist in verhouding als wij overwinnen, zullen wij in het bezit gesteld worden van deze erfenis.
Wat zullen wij dan erven? Rijkdommen, roem, eer, macht, lof? Dit zijn wereldse dingen. Laat de wereld zich daarin verblijden. In de beërving van alle dingen zullen wij beërven hetgeen van God is: de gunst van God, de liefde van God, de genade van God, de heerlijkheid van God; al hetgeen een Verbondsgod geeft in het geven van Zichzelf: vrede hier, heerlijkheid hierna; vergeving beneden, zaligheid boven; een aanvankelijke rust op aarde, een volkomen rust in de hemel.
Nu, terwijl wij overwonnen worden, worden wij niet in het bezit van deze eeuwige erfenis gezet. Overwint de zonde ons? Erven wij vergeving als wij overwonnen worden? Neen, dan erven wij schaamte, verwarring, schuld, vrees en toorn. Maar overwinnen gij en ik ooit de zonde door de vreze Gods in onze ziel, gelijk Jozef deed? Overwin ik ooit de zonde door te zien op de Heere des levens en der heerlijkheid, dat Hij Zijn bloed sprenge op mijn consciëntie? Overwin ik ooit de zonde door de leidingen en onderwijzingen des Geestes in mijn hart? Niet zodra overwin ik dus door het bloed des Lams en het Woord Zijner getuigenis, of ik treed in de erfenis, zodat er een verband, een schoon, een proefondervindelijk verband is tussen de overwinning hier beneden en het beërven hier beneden.
Maar om deze erfenis te betrekken, moeten wij er wel acht op geven dat wij geen kracht in onszelf hebben. En zo worden onze struikelingen, onze afwijkingen, onze misstappen, die wij niet willen rechtvaardigen, genadig overheerst onder die dingen die medewerken ten goede. Zij leren ons onze zwakheden kennen, en door deze onderwijzing worden wij opgeleid tot de kracht van Christus; en doordat wij daarheen geleid worden, komen wij tot de beërving van alle dingen, want in het beërven van Hem beërven wij al wat Hij is voor het volk van God.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u meent met uw erfenis te moeten wachten tot u de eeuwigheid binnengaat. Er is ook een eersteling hier beneden: vergeving, een aanvankelijke rust, iets van de gunst en de liefde Gods in de ziel. Maar die wordt niet geërfd terwijl de zonde ons overwint; dan erven wij schaamte, verwarring, schuld en vrees. Kent u dat bittere deel? Dan weet u ook hoe hard het is in eigen kracht te strijden.
Laat uw struikelingen en misstappen u daarom niet tot wanhoop drijven, maar tot de kracht van Christus. Zij leren u uw zwakheid kennen, opdat u uw kracht niet in uzelf zoekt. Ziet u op Hem, en sprengt Hij Zijn bloed op uw consciëntie, dan overwint u door het bloed des Lams, en treedt u reeds hier in de erfenis. Want wie Hem beërft, beërft alles wat Hij is voor Zijn volk: vrede hier en heerlijkheid hierna.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die overwint, zal alles beërven.
Openbaring 21:7
Hij zal alles beërven. Wanneer? In de eeuwigheid? Ja, maar niet alleen in de eeuwigheid. O nee! Ook in de tijd! Er is een tweevoudige erfenis, al is zij één en dezelfde: de ene in de tijd en de andere in de eeuwigheid; de ene als eersteling, de andere als de volle oogst. Er is een erfenis hier beneden en een erfenis boven; en wie nooit een deeltje van zijn erfenis hier beneden ontvangt, zal nooit delen in de erfenis boven. Juist naar de mate waarin wij overwinnen, zullen wij in het bezit van deze erfenis gesteld worden.
Wat zullen wij dan erven? Rijkdom, roem, eer, macht, lof? Dat zijn wereldse dingen. Laat de wereld zich daarin verblijden. Wanneer wij alle dingen beërven, zullen wij beërven wat van God is: de gunst van God, de liefde van God, de genade van God, de heerlijkheid van God; alles wat een Verbondsgod geeft wanneer Hij Zichzelf geeft: vrede hier, heerlijkheid hierna; vergeving beneden, zaligheid boven; een beginnende rust op aarde, een volkomen rust in de hemel.
Zolang wij overwonnen worden, worden wij niet in het bezit van deze eeuwige erfenis gesteld. Overwint de zonde ons? Erven wij vergeving wanneer wij overwonnen worden? Nee, dan erven wij schaamte, verwarring, schuld, vrees en toorn. Maar overwinnen u en ik ooit de zonde door de vreze Gods in onze ziel, zoals Jozef deed? Overwin ik ooit de zonde door op te zien naar de Heere van het leven en de heerlijkheid, dat Hij Zijn bloed op mijn geweten sprenkelt? Overwin ik ooit de zonde door de leiding en het onderwijs van de Geest in mijn hart?
Zodra ik zo overwin door het bloed van het Lam en het woord van Zijn getuigenis, treed ik in de erfenis. Zo is er een verband, een mooi verband dat men bij ervaring kent, tussen de overwinning hier beneden en het beërven hier beneden.
Maar om deze erfenis in bezit te nemen, moeten wij goed beseffen dat wij geen kracht in onszelf hebben. Zo worden onze struikelingen, onze afdwalingen en onze misstappen, die wij niet willen goedpraten, in genade bestuurd en gerekend onder de dingen die medewerken ten goede. Zij leren ons onze zwakheden kennen, en door dat onderwijs worden wij heengeleid naar de kracht van Christus. En doordat wij daarheen geleid worden, komen wij tot het beërven van alle dingen, want wanneer wij Hem beërven, beërven wij alles wat Hij is voor het volk van God.
Aan de lezer…
Er zijn tijden dat u meent met uw erfenis te moeten wachten tot u de eeuwigheid binnengaat. Maar er is ook een eersteling hier beneden: vergeving, een beginnende rust, iets van de gunst en de liefde van God in de ziel. Die wordt echter niet geërfd zolang de zonde ons overwint; dan erven wij schaamte, verwarring, schuld en vrees. Kent u dat bittere deel? Dan weet u ook hoe zwaar het is in eigen kracht te strijden.
Laat uw struikelingen en misstappen u daarom niet tot wanhoop drijven, maar naar de kracht van Christus. Zij leren u uw zwakheid kennen, zodat u uw kracht niet in uzelf zoekt. Ziet u op Hem, en sprenkelt Hij Zijn bloed op uw geweten, dan overwint u door het bloed van het Lam en treedt u al hier in de erfenis. Want wie Hem beërft, beërft alles wat Hij is voor Zijn volk: vrede hier en heerlijkheid hierna.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“He that overcometh shall inherit all things.”
Revelation 21:7
“He shall inherit all things.” When? In eternity? Yes. But only in eternity? O no! In time also. There is a twofold inheritance, though one and the same; one in time, another in eternity; one the firstfruits, the other the harvest; one the pledge, the other the full sum. There is an inheriting here below, and an inheriting above; and he that never receives any portion of his inheritance below will never receive an inheritance above. Now, just in proportion as we overcome, are we put in possession of this inheritance.
What are we to inherit? Riches, glory, honor, power, praise? These are worldly things; let the world enjoy them. In inheriting “all things,” we are to inherit the things of God; the favor of God, the love of God, the mercy of God, the glory of God; all that a covenant God gives in giving Himself; peace here, glory hereafter; pardon below, salvation above; the beginning of rest on earth, the fullness of rest in heaven.
Now, while we are overcome, there is no being put into possession of this eternal inheritance. Does sin overcome us? Do we inherit pardon in being overcome? No; we inherit shame and confusion, guilt, fear and wrath. But do you, do I, ever overcome sin by the fear of God in our soul, as Joseph did? Do I ever overcome sin by looking to the Lord of life and glory to sprinkle His blood upon my conscience? Do I ever overcome sin by the leadings and teachings of the Spirit in my heart? No sooner do I thus overcome by the blood of the Lamb, and the word of His testimony, than I enter into the inheritance. So that there is a connection, a beautiful, an experimental connection, between overcoming here below, and inheriting here below.
But in order to enter into this inheritance, we must be perpetually reminded that we have no strength of our own. And thus our slips, our falls, our backslidings, our frailties, (though we would not, dare not justify them,) are mercifully overruled among the “all things” that work together for our good. They teach us our weakness, and by teaching us our weakness, lead us up to Christ’s strength; and by leading us up to Christ’s strength, to “inherit all things;” for in inheriting Him, we inherit all that He is to God’s people.
To the reader…
There are times when you think you must wait for your inheritance until you enter eternity. But there is also a firstfruits here below: pardon, a beginning of rest, something of the favor and love of God in the soul. Yet that is not inherited while sin overcomes us; then we inherit shame, confusion, guilt and fear. Do you know that bitter portion? Then you also know how hard it is to fight in your own strength.
So do not let your slips and missteps drive you to despair, but to the strength of Christ. They teach you your weakness, so that you do not look for your strength in yourself. If you look to Him, and He sprinkles His blood on your conscience, then you overcome by the blood of the Lamb and enter into the inheritance even here. For whoever inherits Him inherits all that He is to His people: peace here and glory hereafter.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“El que venciere, poseerá todas las cosas.”
Apocalipsis 21:7
“Poseerá todas las cosas.” ¿Cuándo? ¿En la eternidad? Sí. ¿Pero solo en la eternidad? ¡Oh, no! También en el tiempo. Hay una herencia doble, aunque es una y la misma; una en el tiempo, otra en la eternidad; una las primicias, la otra la cosecha; una la prenda, la otra la suma completa. Hay un heredar aquí abajo y un heredar allá arriba; y el que nunca recibe porción alguna de su herencia aquí abajo, nunca recibirá una herencia allá arriba. Ahora bien, en la misma proporción en que vencemos, somos puestos en posesión de esta herencia.
¿Qué hemos de heredar? ¿Riquezas, gloria, honra, poder, alabanza? Estas son cosas mundanas; que el mundo las disfrute. Al heredar “todas las cosas”, hemos de heredar las cosas de Dios: el favor de Dios, el amor de Dios, la misericordia de Dios, la gloria de Dios; todo lo que un Dios del pacto da al darse a Sí mismo; paz aquí, gloria en el más allá; perdón abajo, salvación arriba; el comienzo del descanso en la tierra, la plenitud del descanso en el cielo.
Ahora bien, mientras somos vencidos, no hay entrada en posesión de esta herencia eterna. ¿Nos vence el pecado? ¿Heredamos perdón al ser vencidos? No; heredamos vergüenza y confusión, culpa, temor e ira. ¿Pero vencemos alguna vez usted y yo el pecado por el temor de Dios en nuestra alma, como lo hizo José? ¿Venzo alguna vez el pecado mirando al Señor de vida y de gloria para que rocíe Su sangre sobre mi conciencia? ¿Venzo alguna vez el pecado por las guías y enseñanzas del Espíritu en mi corazón? Tan pronto como venzo así por la sangre del Cordero y por la palabra de Su testimonio, entro en la herencia. De modo que hay una relación, una relación hermosa y experimental, entre vencer aquí abajo y heredar aquí abajo.
Pero para entrar en esta herencia, tenemos que ser recordados continuamente de que no tenemos fuerza propia. Y así nuestros resbalones, nuestras caídas, nuestras rebeliones, nuestras flaquezas (aunque no quisiéramos ni nos atreveríamos a justificarlos) son dirigidos misericordiosamente entre las “todas las cosas” que nos ayudan a bien. Nos enseñan nuestra debilidad, y al enseñarnos nuestra debilidad, nos llevan a la fuerza de Cristo; y al llevarnos a la fuerza de Cristo, a “poseer todas las cosas”; porque al heredarle a Él, heredamos todo lo que Él es para el pueblo de Dios.
Al lector…
Hay tiempos en que usted piensa que tiene que esperar su herencia hasta entrar en la eternidad. Pero hay también unas primicias aquí abajo: perdón, un comienzo de descanso, algo del favor y del amor de Dios en el alma. Sin embargo, eso no se hereda mientras el pecado nos vence; entonces heredamos vergüenza, confusión, culpa y temor. ¿Conoce usted esa porción amarga? Entonces sabe también cuán difícil es luchar con sus propias fuerzas.
No deje, pues, que sus resbalones y tropiezos le lleven a la desesperación, sino a la fuerza de Cristo. Le enseñan su debilidad, para que no busque su fuerza en sí mismo. Si mira a Él, y Él rocía Su sangre sobre su conciencia, entonces vence usted por la sangre del Cordero y entra en la herencia ya aquí. Porque quien le hereda a Él hereda todo lo que Él es para Su pueblo: paz aquí y gloria en el más allá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl