6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want wij zijn in hope zalig geworden.
Romeinen 8:24
Wat betekent het: in hope zalig geworden? Het betekent niet wezenlijk, maar middellijk gezaligd; niet gezaligd met betrekking tot onze eeuwige redding, maar met betrekking tot onze ervaring van behoud. In hope zijn wij middellijk beveiligd tegen wanhoop, beveiligd tegen het gevaar van Christus en het Evangelie de rug toe te keren; beveiligd naar een andere zaligmaker of een andere zaligheid te zien, en inzonderheid beveiligd om van deze wereld in dit leven ons geluk en ons huis te maken, als geduldig wachtende naar hetgeen wij niet zien, zelfs de verlossing van ons lichaam. Door de hoop nu hangen wij en klemmen wij ons aan de Heere Jezus en blijven dus door deze genade in Hem. Daarom wordt ervan gesproken als van een „anker der ziel, beide veilig en zeker, en dat ingaat in het binnenste des voorhangsels.”
Wat doet het schip de storm weerstaan, en weerhoudt het ervan op de rotsen geworpen te worden? Het schip blijft vast liggen zolang het anker vasthoudt. Dus blijft de ziel door hope bij Christus. Hij is binnen de voorhang; wij zijn er buiten, en al worden wij door een zee van twijfel en vrees, rampspoed en angst op en neder geworpen, toch is er een band van vereniging tussen Hem en ons, vaster dan de Transatlantische kabel.
U mag men zalig heten,
die ’s Heeren vrees bekoort;
die met een goed geweten
steeds wandelt naar Zijn woord.
Gij zult uw nooddruft vinden
door d’arbeid van uw hand:
wat g’u moogt onderwinden,
komt naar uw wens tot stand.
Blijft gij op Hem betrouwen,
dan zult gij op uw beê
’t kroost van uw kroost aanschouwen.
In Israël zij vreê!
Ps. 128:1, 4
Aan de lezer…
Wordt u heen en weer geslingerd, lezer, door een zee van twijfel en vrees, rampspoed en angst? Ziet u de verlossing niet, en vraagt u zich af of u wel ooit behouden aan zult komen? Ik wijs u op het anker der ziel. Een schip in de storm blijft niet liggen doordat de zee kalm is, maar doordat het anker houdt. Zo blijft de ziel door de hoop bij Christus, Die binnen het voorhangsel is.
Die hoop bewaart u voor wanhoop, voor het zoeken naar een andere zaligmaker, en voor het bouwen van uw huis in deze wereld. U ziet nog niet wat u hoopt; u wacht. Maar er is een band van vereniging tussen Hem en u die vaster is dan welke kabel ook. Klem u dan aan Hem vast, ook als de golven hoog gaan. In hope bent u zalig geworden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij zijn in hope zalig geworden.
Romeinen 8:24
Wat betekent het: in hope zalig geworden? Het betekent niet wezenlijk, maar middellijk zalig gemaakt; niet zalig gemaakt met het oog op onze eeuwige redding, maar met het oog op onze ervaring van behoudenis. In de hoop zijn wij middellijk beveiligd tegen wanhoop en tegen het gevaar om Christus en het Evangelie de rug toe te keren. Wij zijn erdoor beveiligd tegen het zien naar een andere zaligmaker of een andere zaligheid, en in het bijzonder ertegen om in dit leven van deze wereld ons geluk en ons thuis te maken, terwijl wij geduldig wachten op wat wij niet zien, namelijk de verlossing van ons lichaam. Door de hoop hangen wij aan de Heere Jezus en klemmen wij ons aan Hem vast, en zo blijven wij door deze genade in Hem. Daarom wordt er gesproken van een „anker der ziel, beide veilig en zeker, en dat ingaat in het binnenste des voorhangsels.”
Wat doet een schip de storm doorstaan en voorkomt dat het op de rotsen geworpen wordt? Het schip blijft vast liggen zolang het anker houdt. Zo blijft de ziel door de hoop bij Christus. Hij is binnen het voorhangsel; wij zijn erbuiten. En al worden wij door een zee van twijfel en vrees, rampspoed en angst op en neer geworpen, toch is er een band van vereniging tussen Hem en ons, vaster dan de trans-Atlantische kabel.
U mag men zalig heten,
die ’s Heeren vrees bekoort;
die met een goed geweten
steeds wandelt naar Zijn woord.
Gij zult uw nooddruft vinden
door d’arbeid van uw hand:
wat g’u moogt onderwinden,
komt naar uw wens tot stand.
Blijft gij op Hem betrouwen,
dan zult gij op uw beê
’t kroost van uw kroost aanschouwen.
In Israël zij vreê!
Ps. 128:1, 4
Aan de lezer…
Wordt u heen en weer geslingerd, lezer, door een zee van twijfel en vrees, rampspoed en angst? Ziet u de verlossing niet, en vraagt u zich af of u ooit wel behouden aan zult komen? Ik wijs u op het anker van de ziel. Een schip in de storm blijft niet liggen doordat de zee kalm is, maar doordat het anker houdt. Zo blijft de ziel door de hoop bij Christus, Die binnen het voorhangsel is.
Die hoop bewaart u voor wanhoop, voor het zoeken naar een andere zaligmaker, en voor het bouwen van uw huis in deze wereld. U ziet nog niet wat u hoopt; u wacht. Maar er is een band van vereniging tussen Hem en u die vaster is dan welke kabel ook. Klem u dan aan Hem vast, ook als de golven hoog gaan. In hope bent u zalig geworden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
We are saved by hope.
Romans 8:24
What is the meaning of being saved by hope? It does not mean saved ‘actually’, but ‘instrumentally’; not saved as regards our eternal security, but as regards our ‘experience of salvation’. By hope we are instrumentally saved from despair, saved from turning our backs upon Christ and the gospel, saved from looking to any other Savior, or any other salvation; and especially saved from making this world and this life our happiness and home, as “waiting patiently for what we see not,” even “the redemption of our body.”
Now it is by hope that we hang upon and cleave to the Lord Jesus, and thus by this grace we abide in Him. It is therefore spoken of as an “anchor of the soul both sure and steadfast, and which enters into that which is within the veil.” What holds the ship firm in the storm, and prevents it falling upon the rocks? The anchor! The ship abides firm as long as the anchor holds. So by hope the soul abides in Christ. He is within the veil; we are outside, and, it may be, tossed up and down on a sea of doubt and fear, distress and anxiety, and yet there is a bond of union between Him and us firmer than the Atlantic Cable.
To the reader…
Are you being tossed up and down on a sea of doubt and fear, distress and anxiety? Do you not see deliverance, and do you wonder whether you will ever arrive safely? I point you to the anchor of the soul. A ship in a storm does not stay in place because the sea is calm, but because the anchor holds. So by hope the soul abides in Christ, Who is within the veil.
That hope keeps you from despair, from looking for another saviour, and from building your house in this world. You do not yet see what you hope for; you wait. But there is a bond of union between Him and you that is firmer than any cable. Cling to Him, then, even when the waves run high. You are saved by hope.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque en esperanza somos salvos.
Romanos 8:24
¿Qué significa ser salvos en esperanza? No significa salvos ‘efectivamente’, sino ‘instrumentalmente’; no salvos en cuanto a nuestra seguridad eterna, sino en cuanto a nuestra ‘experiencia de la salvación’. Por la esperanza somos instrumentalmente salvos de la desesperación, salvos de dar la espalda a Cristo y al evangelio, salvos de mirar a cualquier otro Salvador o a cualquier otra salvación; y especialmente salvos de hacer de este mundo y de esta vida nuestra felicidad y nuestro hogar, como quienes “por paciencia esperamos lo que no vemos”, a saber, “la redención de nuestro cuerpo”.
Ahora bien, es por la esperanza como nos aferramos y nos adherimos al Señor Jesús, y así por esta gracia permanecemos en Él. Por eso se habla de ella como de un “ancla del alma, segura y firme, y que entra hasta dentro del velo”. ¿Qué mantiene firme al barco en la tormenta y le impide estrellarse contra las rocas? ¡El ancla! El barco permanece firme mientras el ancla aguanta. Así, por la esperanza, el alma permanece en Cristo. Él está dentro del velo; nosotros estamos fuera y, quizá, zarandeados de un lado a otro en un mar de duda y temor, angustia y ansiedad; y sin embargo hay un lazo de unión entre Él y nosotros más firme que el cable del Atlántico.
Al lector…
¿Es usted zarandeado de un lado a otro en un mar de duda y temor, angustia y ansiedad? ¿No ve liberación, y se pregunta si llegará alguna vez a salvo? Le señalo el ancla del alma. Un barco en la tormenta no se mantiene en su sitio porque el mar esté en calma, sino porque el ancla aguanta. Así, por la esperanza, el alma permanece en Cristo, Quien está dentro del velo.
Esa esperanza le guarda de la desesperación, de buscar otro salvador y de edificar su casa en este mundo. Todavía no ve lo que espera; usted aguarda. Pero hay un lazo de unión entre Él y usted más firme que cualquier cable. Aférrese, pues, a Él, aun cuando las olas suban alto. En esperanza es usted salvo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die overwint
Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
Openbaring 3:21
Ik heb wel eens gedacht dat de kinderen van God te veel stilstaan bij hun uiterlijke, en te weinig bij hun innerlijke vijanden. Hoe minder u aan uw uiterlijke, en hoe meer u aan uw innerlijke tegenstanders denkt, des te beter is het voor uw ziel. Wend uw ogen af van uiterlijke vijanden. Hoe talrijk, hoe ontzagwekkend ze ook lijken, ze zullen u nooit echt kwaad doen. Wees op uw hoede voor elke innerlijke vijand; en als u strijdt, strijd dan tegen de vijand die in uw eigen borst verscholen is en daar werkzaam is.
Ik zou bijna tegen u zeggen, in de bewoordingen van de koning van Syrië: „Strijd niet met klein of groot, maar alleen met uzelf.” Ik heb altijd gemerkt dat ik zelf mijn grootste vijand ben. Ik heb nooit een vijand gehad die me zoveel moeilijkheden gaf als mijn eigen hart; noch heeft ooit iemand me half zoveel kwaad berokkend of me half zoveel gekweld als ik zelf vanbinnen heb gevoeld; en het dagelijkse besef hiervan doet me mezelf meer vrezen dan wie ook ter wereld.
Ook de duivel is een wrede vijand geweest, en heeft u als zodanig vele hopeloze vooruitzichten voorgeschoteld, en is een profeet van het kwaad voor u geweest — niet van het goede. Het zal ook uitkomen dat hij een leugenaar is, als u inderdaad iemand van Gods Israël bent. U zult niet sterven, zoals hij u soms heeft verteld, in het donker, noch in wanhoop, noch naar de hel worden gezonden met al uw zonden belast. Deze vijand van uw ziel zal een leugenaar blijken te zijn. Zelfs de beschuldigingen van uw eigen schuldige geweten zullen uiteindelijk leugenaars blijken te zijn.
God zal bewijzen dat Hij waarachtig is, als is gebleken dat verder iedereen onbetrouwbaar is. Wat een genade is het om God aan onze zijde te hebben! Wie zouden we dan nog moeten vrezen — wat zouden we nog moeten vrezen? „Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn?” Maar, zou ik willen toevoegen: als God tegen ons is, wie kan dan voor ons zijn? Moge de Heere, als het Hem belieft, in de ziel van degenen die Zijn grote Naam vrezen een heerlijk en gezegend bewijs afdrukken dat al deze barmhartigheden en beloften de uwe zijn, opdat u de troost heeft, en Hij de heerlijkheid!
Lezen: Psalm 143
Aan de lezer…
Wie is uw grootste vijand? Misschien denkt u aan mensen die u tegenstaan, of aan omstandigheden die u benauwen. Maar wie eerlijk naar binnen ziet, ontdekt met mij dat niemand hem zoveel kwaad doet als zijn eigen hart. Daarbij komt de duivel, die u fluistert dat u in het donker en in wanhoop zult sterven, beladen met al uw zonden. Gelooft u hem soms, waarde lezer?
Weet dan dat hij een leugenaar is, en zal blijken een leugenaar te zijn, voor ieder die tot Gods Israël behoort. Zelfs de beschuldigingen van uw eigen geweten zullen het laatste woord niet hebben. God zal bewijzen dat Hij waarachtig is. Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? Vraag Hem dan dat Hij in uw ziel het gezegende bewijs drukt dat deze barmhartigheden de uwe zijn, opdat u de troost hebt en Hij de heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.
Openbaring 3:21
Ik heb weleens gedacht dat de kinderen van God te veel stilstaan bij hun vijanden van buiten, en te weinig bij hun vijanden van binnen. Hoe minder u aan uw tegenstanders van buiten denkt en hoe meer aan die van binnen, hoe beter het is voor uw ziel. Wend uw ogen af van de vijanden van buiten. Hoe talrijk en hoe ontzagwekkend ze ook lijken, ze zullen u nooit werkelijk kwaad doen. Wees op uw hoede voor elke vijand van binnen; en als u strijdt, strijd dan tegen de vijand die in uw eigen borst verscholen ligt en daar aan het werk is.
Ik zou bijna tegen u willen zeggen, met de woorden van de koning van Syrië: „Strijd niet met klein of groot, maar alleen met uzelf.” Ik heb altijd gemerkt dat ik zelf mijn grootste vijand ben. Ik heb nooit een vijand gehad die mij zoveel moeite bezorgde als mijn eigen hart. Niemand heeft mij ooit half zoveel kwaad gedaan of half zoveel gekweld als wat ik zelf van binnen heb gevoeld. Het dagelijkse besef daarvan doet mij mijzelf meer vrezen dan wie ook ter wereld.
Ook de duivel is een wrede vijand geweest. Hij heeft u veel hopeloze vooruitzichten voorgehouden en is voor u een profeet van het kwaad geweest, niet van het goede. Maar het zal blijken dat hij een leugenaar is, als u werkelijk iemand van Gods Israël bent. U zult niet sterven in het donker, zoals hij u soms heeft verteld, en ook niet in wanhoop, en u zult niet met al uw zonden beladen naar de hel worden gezonden. Deze vijand van uw ziel zal een leugenaar blijken te zijn. Zelfs de beschuldigingen van uw eigen schuldige geweten zullen uiteindelijk leugenaars blijken te zijn.
God zal bewijzen dat Hij waarachtig is, ook als gebleken is dat verder iedereen onbetrouwbaar is. Wat een genade is het om God aan onze zijde te hebben! Wie zouden we dan nog moeten vrezen, wat zouden we dan nog moeten vrezen? „Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn?” Maar ik zou eraan willen toevoegen: als God tegen ons is, wie kan dan voor ons zijn? Moge de Heere, als het Hem behaagt, in de ziel van hen die Zijn grote Naam vrezen een heerlijk en gezegend bewijs drukken dat al deze barmhartigheden en beloften de uwe zijn, zodat u de troost hebt en Hij de heerlijkheid!
Lezen: Psalm 143
Aan de lezer…
Wie is uw grootste vijand? Misschien denkt u aan mensen die u tegenstaan, of aan omstandigheden die u benauwen. Maar wie eerlijk naar binnen kijkt, ontdekt dat niemand hem zoveel kwaad doet als zijn eigen hart. Daarbij komt de duivel, die u influistert dat u in het donker en in wanhoop zult sterven, beladen met al uw zonden. Gelooft u hem soms?
Weet dan dat hij een leugenaar is, en dat hij een leugenaar zal blijken te zijn voor ieder die tot Gods Israël behoort. Zelfs de beschuldigingen van uw eigen geweten zullen het laatste woord niet hebben. God zal bewijzen dat Hij waarachtig is. Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? Vraag Hem dan of Hij in uw ziel het gezegende bewijs wil drukken dat deze barmhartigheden de uwe zijn, zodat u de troost hebt en Hij de heerlijkheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To him that overcometh will I grant to sit with Me in My throne, even as I also overcame, and am set down with My Father in His throne.
Revelation 3:21
I have sometimes thought that the children of God dwell too much upon their enemies without, and too little upon their enemies within. The less you think of your adversaries without and the more of those within, the better it is for your soul. Turn your eyes away from the enemies without. However numerous and however formidable they may appear, they will never really harm you. Be on your guard against every enemy within; and if you fight, fight against the enemy that lies hidden and at work in your own bosom.
I would almost say to you, in the words of the king of Syria, “Fight neither with small nor great, save only with yourself.” I have always found that I am my own greatest enemy. I have never had an enemy that gave me so much trouble as my own heart. No one has ever done me half so much harm or tormented me half so much as what I have felt within myself. The daily sense of this makes me fear myself more than anyone in the world.
The devil too has been a cruel enemy. He has set before you many hopeless prospects and has been to you a prophet of evil, not of good. But he will be found a liar, if you are indeed one of God’s Israel. You will not die in the dark, as he has sometimes told you, nor in despair, and you will not be sent to hell laden with all your sins. This enemy of your soul will prove to be a liar. Even the accusations of your own guilty conscience will in the end prove to be liars.
God will prove Himself true, even when everyone else has been found unfaithful. What a mercy it is to have God on our side! Whom then should we fear, what then should we fear? “If God be for us, who can be against us?” But I would add: if God be against us, who can be for us? May the Lord, if it please Him, stamp upon the souls of those who fear His great Name a glorious and blessed evidence that all these mercies and promises are yours, so that you may have the comfort and He the glory!
Reading: Psalm 143
To the reader…
Who is your greatest enemy? Perhaps you think of people who oppose you, or of circumstances that oppress you. But whoever looks honestly within discovers that no one does him so much harm as his own heart. On top of that comes the devil, who whispers to you that you will die in the dark and in despair, laden with all your sins. Do you sometimes believe him?
Know, then, that he is a liar, and that he will prove a liar to everyone who belongs to God’s Israel. Even the accusations of your own conscience will not have the last word. God will prove Himself true. If God be for us, who can be against us? Ask Him, then, to stamp upon your soul the blessed evidence that these mercies are yours, so that you may have the comfort and He the glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Al que venciere, Yo le daré que se siente conmigo en Mi trono; así como Yo he vencido, y me he sentado con Mi Padre en Su trono.
Apocalipsis 3:21
A veces he pensado que los hijos de Dios se detienen demasiado en sus enemigos de fuera, y demasiado poco en sus enemigos de dentro. Cuanto menos piense usted en sus adversarios de fuera y más en los de dentro, tanto mejor para su alma. Aparte sus ojos de los enemigos de fuera. Por numerosos y por temibles que parezcan, nunca le harán verdadero daño. Esté en guardia contra todo enemigo de dentro; y si pelea, pelee contra el enemigo que yace escondido y obra en su propio pecho.
Casi le diría, con las palabras del rey de Siria: “No peleéis ni con chico ni con grande, sino solo contra vosotros mismos”. Siempre he hallado que yo soy mi mayor enemigo. Nunca he tenido un enemigo que me diera tanto trabajo como mi propio corazón. Nadie me ha hecho jamás ni la mitad del daño ni me ha atormentado ni la mitad de lo que he sentido dentro de mí mismo. El sentir esto cada día me hace temerme a mí mismo más que a nadie en el mundo.
También el diablo ha sido un enemigo cruel. Le ha puesto delante muchas perspectivas sin esperanza y ha sido para usted un profeta de mal, no de bien. Pero será hallado mentiroso, si usted es de veras uno del Israel de Dios. No morirá usted en tinieblas, como él le ha dicho a veces, ni en desesperación, ni será enviado al infierno cargado con todos sus pecados. Este enemigo de su alma resultará ser un mentiroso. Aun las acusaciones de su propia conciencia culpable resultarán al fin ser mentirosas.
Dios se mostrará veraz, aun cuando todos los demás hayan sido hallados infieles. ¡Qué misericordia es tener a Dios de nuestra parte! ¿A quién, pues, temeremos, qué, pues, temeremos? “Si Dios por nosotros, ¿quién contra nosotros?” Pero yo añadiría: si Dios contra nosotros, ¿quién por nosotros? ¡Quiera el Señor, si le place, estampar en las almas de los que temen Su gran Nombre una evidencia gloriosa y bendita de que todas estas misericordias y promesas son suyas, para que ustedes tengan el consuelo y Él la gloria!
Lectura: Salmo 143
Al lector…
¿Quién es su mayor enemigo? Quizá piense en personas que se le oponen, o en circunstancias que le oprimen. Pero quien mira con sinceridad hacia dentro descubre que nadie le hace tanto daño como su propio corazón. A eso se añade el diablo, que le susurra que morirá en tinieblas y en desesperación, cargado con todos sus pecados. ¿Le cree usted a veces?
Sepa, pues, que es un mentiroso, y que resultará mentiroso para todo aquel que pertenece al Israel de Dios. Aun las acusaciones de su propia conciencia no tendrán la última palabra. Dios se mostrará veraz. Si Dios por nosotros, ¿quién contra nosotros? Pídale, pues, que estampe en su alma la bendita evidencia de que estas misericordias son suyas, para que usted tenga el consuelo y Él la gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de ogen.
Psalm 19:9
Gelijk wij zonder een openbaring van de leer der zaligheid niet zouden weten hoe een zondaar zou kunnen behouden worden, en wij dus door het geloof God niet zouden kunnen verheerlijken, zo zouden wij zonder het voorschrift of de bevelen in Zijn Woord niet weten hoe wij God moeten dienen en zouden wij Hem dus niet kunnen verheerlijken door onze gehoorzaamheid. Merk hierop, gelovig kind van God: gij verlangt God te verheerlijken in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn, 1 Cor. 6:20. Gij verlangt, hetzij gij eet of drinkt, of wat gij ook doet, alles „ter ere Gods” te doen, 1 Cor. 10:31. Er zijn tijden en stonden dat gij zucht en rouwklaagt over uw onvruchtbaar, onprofijtelijk hart en leven, en dat gij ernstig verlangt te denken, te spreken en te handelen tot Zijn eer en heerlijkheid, Die zo veel voor u gedaan heeft in de voorzienigheid en de genade. Tenminste, wanneer gij zulke verlangens niet hebt, dan zijt gij geen christen en zijt gij op zijn best maar een dorre, wereldse, dode belijder.
Wanneer dan en in hoeverre leeft gij tot ere Gods? Alleen dan, en alleen in zoverre uw leven en wandel en handel overeenstemmen met en geleid worden door de bevelen van het Woord. Want let op het verband. Wij kunnen God uitwendig eren door Zijn wil te doen. Wij kunnen deze wil alleen weten met betrekking tot onze gehoorzaamheid daaraan door de bijzondere openbaring die Hij daarvan gegeven heeft. Waar is die openbaring? In Zijn Woord, en hoofdzakelijk in het gebiedend deel daarvan.
Dit doet het zijn „een lamp voor onze voet en een licht op ons pad”. Derhalve roept David uit: „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” „Doe mij gaan in het pad Uwer geboden.” „O, dat mijn wegen gericht waren om Uw inzettingen te betrachten!” Gevoelende dat het alleen was door te wandelen in en door het Woord, dat hij Gode kon behagen en tot Zijn eer leven.
Wij vinden er duizenden in dit land die denken dat zij Gode een dienst doen door plannen en ontwerpen van hun eigen vinding, en die zich verheffen op hun goede werken. Maar wij mogen van al hun plichten en werken wel zeggen wat Augustinus zeide van de oude Romeinse deugden, dat zij waren „splendida peccata” (blinkende zonden), of, om de taal van het dertiende artikel van de kerk van Engeland te gebruiken, „werken vóór de rechtvaardigmaking”, want waar zij niet gedaan worden zoals God gewild en bevolen heeft ze te zullen doen, zo twijfelen wij niet of zij hebben de natuur van de zonde.
Aan de lezer…
Zucht u soms over uw onvruchtbaar en onprofijtelijk leven, en verlangt u toch zo, waarde lezer, om God te verheerlijken in uw lichaam en in uw geest? Dat verlangen zelf is geen klein ding; wie het niet kent, is op zijn best een dode belijder. Maar dan rijst de vraag: hoe doet men dat? Niet door eigen plannen en vindingen, hoe blinkend ook, maar door te wandelen in de weg die God Zelf in Zijn Woord heeft geopenbaard.
Want de bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de ogen. Zij zijn geen zware keten voor wie de Heere liefheeft, maar een lamp voor de voet en een licht op het pad. Bid dan met David: „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord”, en: „Doe mij gaan in het pad Uwer geboden.” Zo zal uw gehoorzaamheid, hoe gebrekkig ook, niet uit eigen vinding opkomen, maar uit Zijn wil, en tot Zijn eer zijn, Die zo veel voor u gedaan heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de ogen.
Psalm 19:9
Zonder een openbaring van de leer van de zaligheid zouden we niet weten hoe een zondaar behouden kan worden, en zouden we God dus niet door het geloof kunnen verheerlijken. Zo zouden we ook zonder de voorschriften of de bevelen in Zijn Woord niet weten hoe we God moeten dienen, en zouden we Hem dus niet kunnen verheerlijken door onze gehoorzaamheid. Let hierop, gelovig kind van God: u verlangt God te verheerlijken in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn (1 Cor. 6:20). U verlangt alles „ter ere Gods” te doen, of u nu eet of drinkt of wat u ook doet (1 Cor. 10:31). Er zijn tijden en uren dat u zucht en treurt over uw onvruchtbare, onnutte hart en leven, en dat u ernstig verlangt te denken, te spreken en te handelen tot eer en heerlijkheid van Hem Die zoveel voor u gedaan heeft in de voorzienigheid en in de genade. Immers, als u zulke verlangens niet hebt, dan bent u geen christen en bent u op zijn best maar een dorre, wereldse, dode belijder.
Wanneer en in hoeverre leeft u dan tot eer van God? Alleen dan en alleen in zoverre uw leven, wandel en handel overeenstemmen met de bevelen van het Woord en erdoor geleid worden. Want let op het verband. We kunnen God uitwendig eren door Zijn wil te doen. Wat onze gehoorzaamheid betreft, kunnen we die wil alleen kennen door de bijzondere openbaring die Hij ervan gegeven heeft. Waar is die openbaring? In Zijn Woord, en vooral in het gebiedende deel daarvan.
Daardoor is het „een lamp voor onze voet en een licht op ons pad”. Daarom roept David uit: „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” „Doe mij gaan in het pad Uwer geboden.” „O, dat mijn wegen gericht waren om Uw inzettingen te betrachten!” Hij voelde dat hij alleen door in en volgens het Woord te wandelen God kon behagen en tot Zijn eer kon leven.
We vinden in dit land duizenden mensen die denken dat zij God een dienst bewijzen met plannen en ontwerpen die zij zelf bedacht hebben, en die zich verheffen op hun goede werken. Maar van al hun plichten en werken mogen we wel zeggen wat Augustinus zei van de oude Romeinse deugden: dat het „splendida peccata” (blinkende zonden) waren. Of, om de taal van het dertiende artikel van de Kerk van Engeland te gebruiken: het zijn „werken vóór de rechtvaardigmaking”. Want omdat zij niet gedaan worden zoals God gewild en geboden heeft dat ze gedaan zouden worden, twijfelen we er niet aan of zij hebben de aard van zonde.
Aan de lezer…
Zucht u soms over uw onvruchtbaar en onnut leven, en verlangt u toch zo om God te verheerlijken in uw lichaam en in uw geest? Dat verlangen zelf is geen klein ding; wie het niet kent, is op zijn best een dode belijder. Maar dan rijst de vraag: hoe doet men dat? Niet door eigen plannen en bedenksels, hoe blinkend ook, maar door te wandelen in de weg die God Zelf in Zijn Woord geopenbaard heeft.
Want de bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de ogen. Zij zijn geen zware keten voor wie de Heere liefheeft, maar een lamp voor de voet en een licht op het pad. Bid dan met David: „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord”, en: „Doe mij gaan in het pad Uwer geboden.” Zo zal uw gehoorzaamheid, hoe gebrekkig ook, niet uit eigen bedenksels voortkomen, maar uit Zijn wil, en zal zij zijn tot eer van Hem Die zoveel voor u gedaan heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The statutes of the LORD are right, rejoicing the heart: the commandment of the LORD is pure, enlightening the eyes.
Psalm 19:8
As without a revelation of the doctrine of salvation we would not know how a sinner could be saved, and thus could not glorify God by our faith; so without a revelation of the precept we would not know how to serve God, and thus could not glorify Him by our obedience. Look at this point, believing child of God. You long to glorify God in your body and in your spirit, which are His (1 Cor. 6:20). You desire, whether you eat or drink, or whatever you do, to do all to the glory of God (1 Cor. 10:31).
There are times and seasons with you when you sigh and mourn over your barren, unprofitable heart and life, and earnestly long to think and speak and act to His honor and glory Who has done so much for you in providence and grace. At least, if you have no such desires you are no Christian, and are at the best but a poor, worldly, dead professor.
When, then, and how far do you live to God’s glory? Only then, and only so far as your life, and walk, and conduct harmonize with, and are guided by the precepts of the Word. For see the connection. We can only glorify God outwardly by doing His will; we can only know that will, as regards our practical obedience to it, by the express revelation which He has given of it. Where is that revelation? In His Word, and chiefly in the preceptive part of it. It is this which makes it “a lamp unto our feet, and a light unto our path.” David therefore cried—“Order my steps in Your word;” “Make me to go in the path of Your commandments;” “O that my ways were directed to keep Your statutes!” as feeling that it was only by walking in the Word and by the Word that he could please God and live to His praise.
We find thousands in this land who, as they think, are doing God service by plans and schemes of their own devising, priding themselves on their good works. But we may say of all these their duties and doings what Augustine said of the ancient Roman virtues, that they are but “splendid sins”, or, to use the language of the Church of England, entitled, Works before justification, “for that they are not done as God has willed and commanded them to be done, we doubt not but they have the nature of sin.”
To the reader…
Do you sometimes sigh over your barren and unprofitable life, and yet long so much to glorify God in your body and in your spirit? That longing itself is no small thing; whoever does not know it is at best a dead professor. But then the question arises: how is it done? Not by plans and devices of our own, however splendid, but by walking in the way that God Himself has revealed in His Word.
For the statutes of the LORD are right, rejoicing the heart; the commandment of the LORD is pure, enlightening the eyes. They are no heavy chain for those who love the Lord, but a lamp unto the feet and a light unto the path. Pray, then, with David: “Order my steps in Thy word,” and: “Make me to go in the path of Thy commandments.” So your obedience, however imperfect, will not spring from your own devising but from His will, and it will be to the honour of Him Who has done so much for you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los mandamientos de Jehová son rectos, que alegran el corazón: el precepto de Jehová, puro, que alumbra los ojos.
Salmo 19:8
Así como sin una revelación de la doctrina de la salvación no sabríamos cómo puede ser salvo un pecador, y por tanto no podríamos glorificar a Dios por nuestra fe, así sin una revelación del precepto no sabríamos cómo servir a Dios, y por tanto no podríamos glorificarle por nuestra obediencia. Considere este punto, hijo creyente de Dios. Usted anhela glorificar a Dios en su cuerpo y en su espíritu, los cuales son de Dios (1 Corintios 6:20). Desea, ya sea que coma o beba, o haga otra cosa, hacerlo todo a gloria de Dios (1 Corintios 10:31).
Hay tiempos y épocas en que usted suspira y se lamenta por su corazón y su vida estériles e inútiles, y anhela fervientemente pensar, hablar y obrar para la honra y la gloria de Aquel que tanto ha hecho por usted en la providencia y en la gracia. Al menos, si no tiene tales deseos, no es usted cristiano, y en el mejor de los casos no es más que un pobre profesante mundano y muerto.
¿Cuándo, pues, y hasta qué punto vive usted para la gloria de Dios? Solo entonces, y solo en la medida en que su vida, su andar y su conducta armonizan con los preceptos de la Palabra y son guiados por ellos. Porque vea la conexión. Solo podemos glorificar a Dios exteriormente haciendo Su voluntad; solo podemos conocer esa voluntad, en lo que toca a nuestra obediencia práctica, por la revelación expresa que Él ha dado de ella. ¿Dónde está esa revelación? En Su Palabra, y principalmente en su parte preceptiva. Esto es lo que la hace “lámpara a nuestros pies, y lumbrera a nuestro camino”. Por eso clamaba David: “Ordena mis pasos con Tu palabra”; “Guíame por la senda de Tus mandamientos”; “¡Ojalá fuesen ordenados mis caminos a observar Tus estatutos!”, sintiendo que solo andando en la Palabra y por la Palabra podía agradar a Dios y vivir para Su alabanza.
Encontramos en esta tierra a miles que, según piensan, hacen servicio a Dios con planes y proyectos de su propia invención, enorgulleciéndose de sus buenas obras. Pero podemos decir de todos estos deberes y hechos suyos lo que Agustín dijo de las antiguas virtudes romanas, que no son más que “pecados espléndidos”; o, usando el lenguaje de la Iglesia de Inglaterra en el artículo titulado De las obras antes de la justificación: “porque no son hechas como Dios ha querido y mandado que se hagan, no dudamos que tienen naturaleza de pecado”.
Al lector…
¿Suspira usted a veces por su vida estéril e inútil, y aun así anhela tanto glorificar a Dios en su cuerpo y en su espíritu? Ese mismo anhelo no es poca cosa; quien no lo conoce es, en el mejor de los casos, un profesante muerto. Pero entonces surge la pregunta: ¿cómo se hace? No por planes e invenciones propias, por espléndidas que sean, sino andando en el camino que Dios mismo ha revelado en Su Palabra.
Porque los mandamientos de Jehová son rectos, que alegran el corazón; el precepto de Jehová, puro, que alumbra los ojos. No son una pesada cadena para los que aman al Señor, sino lámpara a los pies y lumbrera al camino. Ore, pues, con David: “Ordena mis pasos con Tu palabra”, y: “Guíame por la senda de Tus mandamientos.” Así su obediencia, por imperfecta que sea, no brotará de su propia invención sino de Su voluntad, y será para honra de Aquel que tanto ha hecho por usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl