17 de mayo
De bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de ogen.
Psalm 19:9
Gelijk wij zonder een openbaring van de leer der zaligheid niet zouden weten hoe een zondaar zou kunnen behouden worden, en wij dus door het geloof God niet zouden kunnen verheerlijken, zo zouden wij zonder het voorschrift of de bevelen in Zijn Woord niet weten hoe wij God moeten dienen en zouden wij Hem dus niet kunnen verheerlijken door onze gehoorzaamheid. Merk hierop, gelovig kind van God: gij verlangt God te verheerlijken in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn, 1 Cor. 6:20. Gij verlangt, hetzij gij eet of drinkt, of wat gij ook doet, alles „ter ere Gods” te doen, 1 Cor. 10:31. Er zijn tijden en stonden dat gij zucht en rouwklaagt over uw onvruchtbaar, onprofijtelijk hart en leven, en dat gij ernstig verlangt te denken, te spreken en te handelen tot Zijn eer en heerlijkheid, Die zo veel voor u gedaan heeft in de voorzienigheid en de genade. Tenminste, wanneer gij zulke verlangens niet hebt, dan zijt gij geen christen en zijt gij op zijn best maar een dorre, wereldse, dode belijder.
Wanneer dan en in hoeverre leeft gij tot ere Gods? Alleen dan, en alleen in zoverre uw leven en wandel en handel overeenstemmen met en geleid worden door de bevelen van het Woord. Want let op het verband. Wij kunnen God uitwendig eren door Zijn wil te doen. Wij kunnen deze wil alleen weten met betrekking tot onze gehoorzaamheid daaraan door de bijzondere openbaring die Hij daarvan gegeven heeft. Waar is die openbaring? In Zijn Woord, en hoofdzakelijk in het gebiedend deel daarvan.
Dit doet het zijn „een lamp voor onze voet en een licht op ons pad”. Derhalve roept David uit: „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” „Doe mij gaan in het pad Uwer geboden.” „O, dat mijn wegen gericht waren om Uw inzettingen te betrachten!” Gevoelende dat het alleen was door te wandelen in en door het Woord, dat hij Gode kon behagen en tot Zijn eer leven.
Wij vinden er duizenden in dit land die denken dat zij Gode een dienst doen door plannen en ontwerpen van hun eigen vinding, en die zich verheffen op hun goede werken. Maar wij mogen van al hun plichten en werken wel zeggen wat Augustinus zeide van de oude Romeinse deugden, dat zij waren „splendida peccata” (blinkende zonden), of, om de taal van het dertiende artikel van de kerk van Engeland te gebruiken, „werken vóór de rechtvaardigmaking”, want waar zij niet gedaan worden zoals God gewild en bevolen heeft ze te zullen doen, zo twijfelen wij niet of zij hebben de natuur van de zonde.
Aan de lezer…
Zucht u soms over uw onvruchtbaar en onprofijtelijk leven, en verlangt u toch zo, waarde lezer, om God te verheerlijken in uw lichaam en in uw geest? Dat verlangen zelf is geen klein ding; wie het niet kent, is op zijn best een dode belijder. Maar dan rijst de vraag: hoe doet men dat? Niet door eigen plannen en vindingen, hoe blinkend ook, maar door te wandelen in de weg die God Zelf in Zijn Woord heeft geopenbaard.
Want de bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de ogen. Zij zijn geen zware keten voor wie de Heere liefheeft, maar een lamp voor de voet en een licht op het pad. Bid dan met David: „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord”, en: „Doe mij gaan in het pad Uwer geboden.” Zo zal uw gehoorzaamheid, hoe gebrekkig ook, niet uit eigen vinding opkomen, maar uit Zijn wil, en tot Zijn eer zijn, Die zo veel voor u gedaan heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de ogen.
Psalm 19:9
Zonder een openbaring van de leer van de zaligheid zouden we niet weten hoe een zondaar behouden kan worden, en zouden we God dus niet door het geloof kunnen verheerlijken. Zo zouden we ook zonder de voorschriften of de bevelen in Zijn Woord niet weten hoe we God moeten dienen, en zouden we Hem dus niet kunnen verheerlijken door onze gehoorzaamheid. Let hierop, gelovig kind van God: u verlangt God te verheerlijken in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn (1 Cor. 6:20). U verlangt alles „ter ere Gods” te doen, of u nu eet of drinkt of wat u ook doet (1 Cor. 10:31). Er zijn tijden en uren dat u zucht en treurt over uw onvruchtbare, onnutte hart en leven, en dat u ernstig verlangt te denken, te spreken en te handelen tot eer en heerlijkheid van Hem Die zoveel voor u gedaan heeft in de voorzienigheid en in de genade. Immers, als u zulke verlangens niet hebt, dan bent u geen christen en bent u op zijn best maar een dorre, wereldse, dode belijder.
Wanneer en in hoeverre leeft u dan tot eer van God? Alleen dan en alleen in zoverre uw leven, wandel en handel overeenstemmen met de bevelen van het Woord en erdoor geleid worden. Want let op het verband. We kunnen God uitwendig eren door Zijn wil te doen. Wat onze gehoorzaamheid betreft, kunnen we die wil alleen kennen door de bijzondere openbaring die Hij ervan gegeven heeft. Waar is die openbaring? In Zijn Woord, en vooral in het gebiedende deel daarvan.
Daardoor is het „een lamp voor onze voet en een licht op ons pad”. Daarom roept David uit: „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” „Doe mij gaan in het pad Uwer geboden.” „O, dat mijn wegen gericht waren om Uw inzettingen te betrachten!” Hij voelde dat hij alleen door in en volgens het Woord te wandelen God kon behagen en tot Zijn eer kon leven.
We vinden in dit land duizenden mensen die denken dat zij God een dienst bewijzen met plannen en ontwerpen die zij zelf bedacht hebben, en die zich verheffen op hun goede werken. Maar van al hun plichten en werken mogen we wel zeggen wat Augustinus zei van de oude Romeinse deugden: dat het „splendida peccata” (blinkende zonden) waren. Of, om de taal van het dertiende artikel van de Kerk van Engeland te gebruiken: het zijn „werken vóór de rechtvaardigmaking”. Want omdat zij niet gedaan worden zoals God gewild en geboden heeft dat ze gedaan zouden worden, twijfelen we er niet aan of zij hebben de aard van zonde.
Aan de lezer…
Zucht u soms over uw onvruchtbaar en onnut leven, en verlangt u toch zo om God te verheerlijken in uw lichaam en in uw geest? Dat verlangen zelf is geen klein ding; wie het niet kent, is op zijn best een dode belijder. Maar dan rijst de vraag: hoe doet men dat? Niet door eigen plannen en bedenksels, hoe blinkend ook, maar door te wandelen in de weg die God Zelf in Zijn Woord geopenbaard heeft.
Want de bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de ogen. Zij zijn geen zware keten voor wie de Heere liefheeft, maar een lamp voor de voet en een licht op het pad. Bid dan met David: „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord”, en: „Doe mij gaan in het pad Uwer geboden.” Zo zal uw gehoorzaamheid, hoe gebrekkig ook, niet uit eigen bedenksels voortkomen, maar uit Zijn wil, en zal zij zijn tot eer van Hem Die zoveel voor u gedaan heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The statutes of the LORD are right, rejoicing the heart: the commandment of the LORD is pure, enlightening the eyes.
Psalm 19:8
As without a revelation of the doctrine of salvation we would not know how a sinner could be saved, and thus could not glorify God by our faith; so without a revelation of the precept we would not know how to serve God, and thus could not glorify Him by our obedience. Look at this point, believing child of God. You long to glorify God in your body and in your spirit, which are His (1 Cor. 6:20). You desire, whether you eat or drink, or whatever you do, to do all to the glory of God (1 Cor. 10:31).
There are times and seasons with you when you sigh and mourn over your barren, unprofitable heart and life, and earnestly long to think and speak and act to His honor and glory Who has done so much for you in providence and grace. At least, if you have no such desires you are no Christian, and are at the best but a poor, worldly, dead professor.
When, then, and how far do you live to God’s glory? Only then, and only so far as your life, and walk, and conduct harmonize with, and are guided by the precepts of the Word. For see the connection. We can only glorify God outwardly by doing His will; we can only know that will, as regards our practical obedience to it, by the express revelation which He has given of it. Where is that revelation? In His Word, and chiefly in the preceptive part of it. It is this which makes it “a lamp unto our feet, and a light unto our path.” David therefore cried—“Order my steps in Your word;” “Make me to go in the path of Your commandments;” “O that my ways were directed to keep Your statutes!” as feeling that it was only by walking in the Word and by the Word that he could please God and live to His praise.
We find thousands in this land who, as they think, are doing God service by plans and schemes of their own devising, priding themselves on their good works. But we may say of all these their duties and doings what Augustine said of the ancient Roman virtues, that they are but “splendid sins”, or, to use the language of the Church of England, entitled, Works before justification, “for that they are not done as God has willed and commanded them to be done, we doubt not but they have the nature of sin.”
To the reader…
Do you sometimes sigh over your barren and unprofitable life, and yet long so much to glorify God in your body and in your spirit? That longing itself is no small thing; whoever does not know it is at best a dead professor. But then the question arises: how is it done? Not by plans and devices of our own, however splendid, but by walking in the way that God Himself has revealed in His Word.
For the statutes of the LORD are right, rejoicing the heart; the commandment of the LORD is pure, enlightening the eyes. They are no heavy chain for those who love the Lord, but a lamp unto the feet and a light unto the path. Pray, then, with David: “Order my steps in Thy word,” and: “Make me to go in the path of Thy commandments.” So your obedience, however imperfect, will not spring from your own devising but from His will, and it will be to the honour of Him Who has done so much for you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los mandamientos de Jehová son rectos, que alegran el corazón: el precepto de Jehová, puro, que alumbra los ojos.
Salmo 19:8
Así como sin una revelación de la doctrina de la salvación no sabríamos cómo puede ser salvo un pecador, y por tanto no podríamos glorificar a Dios por nuestra fe, así sin una revelación del precepto no sabríamos cómo servir a Dios, y por tanto no podríamos glorificarle por nuestra obediencia. Considere este punto, hijo creyente de Dios. Usted anhela glorificar a Dios en su cuerpo y en su espíritu, los cuales son de Dios (1 Corintios 6:20). Desea, ya sea que coma o beba, o haga otra cosa, hacerlo todo a gloria de Dios (1 Corintios 10:31).
Hay tiempos y épocas en que usted suspira y se lamenta por su corazón y su vida estériles e inútiles, y anhela fervientemente pensar, hablar y obrar para la honra y la gloria de Aquel que tanto ha hecho por usted en la providencia y en la gracia. Al menos, si no tiene tales deseos, no es usted cristiano, y en el mejor de los casos no es más que un pobre profesante mundano y muerto.
¿Cuándo, pues, y hasta qué punto vive usted para la gloria de Dios? Solo entonces, y solo en la medida en que su vida, su andar y su conducta armonizan con los preceptos de la Palabra y son guiados por ellos. Porque vea la conexión. Solo podemos glorificar a Dios exteriormente haciendo Su voluntad; solo podemos conocer esa voluntad, en lo que toca a nuestra obediencia práctica, por la revelación expresa que Él ha dado de ella. ¿Dónde está esa revelación? En Su Palabra, y principalmente en su parte preceptiva. Esto es lo que la hace “lámpara a nuestros pies, y lumbrera a nuestro camino”. Por eso clamaba David: “Ordena mis pasos con Tu palabra”; “Guíame por la senda de Tus mandamientos”; “¡Ojalá fuesen ordenados mis caminos a observar Tus estatutos!”, sintiendo que solo andando en la Palabra y por la Palabra podía agradar a Dios y vivir para Su alabanza.
Encontramos en esta tierra a miles que, según piensan, hacen servicio a Dios con planes y proyectos de su propia invención, enorgulleciéndose de sus buenas obras. Pero podemos decir de todos estos deberes y hechos suyos lo que Agustín dijo de las antiguas virtudes romanas, que no son más que “pecados espléndidos”; o, usando el lenguaje de la Iglesia de Inglaterra en el artículo titulado De las obras antes de la justificación: “porque no son hechas como Dios ha querido y mandado que se hagan, no dudamos que tienen naturaleza de pecado”.
Al lector…
¿Suspira usted a veces por su vida estéril e inútil, y aun así anhela tanto glorificar a Dios en su cuerpo y en su espíritu? Ese mismo anhelo no es poca cosa; quien no lo conoce es, en el mejor de los casos, un profesante muerto. Pero entonces surge la pregunta: ¿cómo se hace? No por planes e invenciones propias, por espléndidas que sean, sino andando en el camino que Dios mismo ha revelado en Su Palabra.
Porque los mandamientos de Jehová son rectos, que alegran el corazón; el precepto de Jehová, puro, que alumbra los ojos. No son una pesada cadena para los que aman al Señor, sino lámpara a los pies y lumbrera al camino. Ore, pues, con David: “Ordena mis pasos con Tu palabra”, y: “Guíame por la senda de Tus mandamientos.” Así su obediencia, por imperfecta que sea, no brotará de su propia invención sino de Su voluntad, y será para honra de Aquel que tanto ha hecho por usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl