6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?
Romeinen 8:32
Dikwijls heb ik het schone beeld van Salomo beschouwd als een type van Christus, in zijn mildheid tegenover de koningin van Scheba. Wij lezen van hem dat hij aan de koningin van Scheba alles gaf wat zij verlangde, wat zij ook vroeg, behalve hetgeen Salomo haar van zijn koninklijke mildheid schonk. Zo geeft ook onze Koninklijke Weldoener aan de zonen der mensen meer dan zij Hem durven vragen. En wat Hij geeft, geeft Hij vrij uit Zijn Koninklijke mildheid. Even vrij als de regen van de hemel valt, even vrij als de zon haar glansrijke stralen neerschiet en de vruchten des velds doet rijpen, even vrij als de wind over de aarde heenstrijkt, even vrij als de dauw op het morgengras neerdruppelt, zo vrij zijn de gaven Gods aan Zijn gemeente en Zijn volk.
Inderdaad, door Christus te geven, gaf God alles. De apostel verklaart: „Hij heeft ons gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.” Wij moeten nooit op geestelijke zegeningen neerzien als afgebroken stukken van de liefde Gods, als uitgestrooide kruimkens, rondzwervende overblijfsels, gelijk de drijvende stukken van een schipbreuk; maar wij moeten zien op de zegeningen van het Evangelie als alleen in Christus, ons Bondshoofd, weggelegd. Wat ook gegeven worde, is van Christus gegeven, in Wie, naar de wil des Vaders, alle volheid zou wonen; en het is door de kracht van vereniging met Hem en uit Zijn volheid dat al deze zegeningen ontvangen worden.
Hoe kunnen wij het naar eis indenken — hoe kunnen wij onze harten verheffen — om de gift te begrijpen van Gods eengeboren Zoon — Zijn eeuwige Zoon — de Zoon des Vaders in waarheid en liefde — uit de schoot Gods geschonken, opdat Hij vlees zou worden, lijden, Zijn bloed storten en sterven, en door een lijdend leven en een verdienstelijke dood een offer zou brengen, Gode welbehagelijk; een offerande waardoor de zonden van Gods volk voor eeuwig zijn uitgewist?
De grote bron van alle bewondering en aanbidding, en van de eeuwige gelukzaligheid der heiligen, zal het heilig genieten zijn van de ‘verborgenheid van een vleesgeworden God’. De menswording van de tweede Persoon in de heerlijke Drie-eenheid — de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader —, Zijn aanneming van de menselijke natuur in vereniging met Zijn eigen Goddelijke Persoon, zal de verborgenheid zijn die de harten der heiligen Gods zal verrukken en hun lippen vervullen met een eindeloze stof van bewondering en blijdschap, door de ontelbare eeuwen der eeuwigheid.
Zingt, zingt een nieuw gezang de Heere,
die grote God, die wond’ren deed!
Zijn rechterhand vol sterkt’ en ere,
zijn heilig’ arm, wrocht heil na leed.
Ps. 98:1
Aan de lezer…
Hoe dikwijls durft u nauwelijks iets van de Heere te vragen, omdat u uzelf zo onwaardig voelt! Ziet u de zegeningen die u ontving als losse kruimkens, als drijvende stukken van een schipbreuk, die u met moeite bijeenraapt? Zie dan op de koninklijke mildheid van Hem Die meer geeft dan de zonen der mensen Hem durven vragen. Zo vrij als de regen valt en de zon haar stralen neerschiet, zo vrij zijn Zijn gaven aan Zijn volk.
Want Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, hoe zal Hij met Hem niet alle dingen schenken? Al wat gegeven wordt, is in Christus weggelegd, in Wie alle volheid woont. Houd dan uw oog niet op de armoede van uw hart, maar op de gift van Gods eengeboren Zoon, Die vlees werd, leed, Zijn bloed stortte en stierf. Is Hij u gegeven, dan is u in Hem alles gegeven; en hebt u Hem nog niet gezien, vraag dan om Hem, want ook die gave is vrij.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?
Romeinen 8:32
Vaak heb ik het mooie beeld van Salomo beschouwd als een type van Christus, in zijn mildheid tegenover de koningin van Scheba. Wij lezen van hem dat hij de koningin van Scheba alles gaf wat zij verlangde, wat zij ook vroeg, behalve wat Salomo haar uit zijn koninklijke mildheid schonk. Zo geeft ook onze Koninklijke Weldoener de mensenkinderen meer dan zij Hem durven vragen. En wat Hij geeft, geeft Hij vrij uit Zijn Koninklijke mildheid. Zo vrij als de regen uit de hemel valt, zo vrij als de zon haar stralende glans neerzendt en de vruchten van het veld doet rijpen, zo vrij als de wind over de aarde waait, zo vrij als de dauw op het gras van de morgen neerdaalt, zo vrij zijn de gaven van God aan Zijn gemeente en Zijn volk.
Inderdaad, door Christus te geven, gaf God alles. De apostel verklaart: „Hij heeft ons gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.” Wij moeten geestelijke zegeningen nooit beschouwen als afgebroken stukken van de liefde van God, als rondgestrooide kruimels, rondzwervende overblijfselen, zoals de drijvende brokstukken van een schipbreuk. Wij moeten de zegeningen van het Evangelie zien als alleen in Christus, ons Verbondshoofd, weggelegd. Wat er ook gegeven wordt, is gegeven door Christus, in Wie naar de wil van de Vader alle volheid zou wonen; en het is door de kracht van de vereniging met Hem en uit Zijn volheid dat al deze zegeningen ontvangen worden.
Hoe kunnen wij het ons naar behoren indenken — hoe kunnen wij ons hart verheffen — om de gave te begrijpen van Gods eniggeboren Zoon? Zijn eeuwige Zoon, de Zoon van de Vader in waarheid en liefde, werd uit de schoot van God geschonken, opdat Hij vlees zou worden, zou lijden, Zijn bloed zou storten en sterven. Zo zou Hij door een leven van lijden en een verdienstelijke dood een offer brengen dat God welbehaaglijk is: een offerande waardoor de zonden van Gods volk voor eeuwig zijn uitgewist.
De grote bron van alle bewondering en aanbidding, en van de eeuwige zaligheid van de heiligen, zal het heilig genieten zijn van ‘de verborgenheid van een vleesgeworden God’. De menswording van de tweede Persoon in de heerlijke Drie-eenheid, de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader, Die de menselijke natuur aannam in vereniging met Zijn eigen Goddelijke Persoon, zal de verborgenheid zijn die de harten van Gods heiligen zal verrukken. Zij zal hun lippen vervullen met een eindeloze stof tot bewondering en vreugde, door de ontelbare eeuwen van de eeuwigheid heen.
Zingt, zingt een nieuw gezang de Heere,
die grote God, die wond’ren deed!
Zijn rechterhand vol sterkt’ en ere,
zijn heilig’ arm, wrocht heil na leed.
Ps. 98:1
Aan de lezer…
Hoe vaak durft u nauwelijks iets van de Heere te vragen, omdat u zich zo onwaardig voelt! Ziet u de zegeningen die u ontving als losse kruimels, als drijvende brokstukken van een schipbreuk, die u met moeite bij elkaar raapt? Kijk dan naar de koninklijke mildheid van Hem Die meer geeft dan de mensenkinderen Hem durven vragen. Zo vrij als de regen valt en de zon haar stralen neerzendt, zo vrij zijn Zijn gaven aan Zijn volk.
Want Hij Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, hoe zal Hij met Hem niet alle dingen schenken? Alles wat gegeven wordt, is in Christus weggelegd, in Wie alle volheid woont. Houd uw oog dan niet op de armoede van uw hart, maar op de gave van Gods eniggeboren Zoon, Die vlees werd, leed, Zijn bloed stortte en stierf. Is Hij u gegeven, dan is u in Hem alles gegeven; en hebt u Hem nog niet gezien, vraag dan om Hem, want ook die gave is vrij.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
He that spared not His own Son, but delivered Him up for us all, how shall He not with Him also freely give us all things?
Romans 8:32
I have thought sometimes of the sweet figure of Solomon, as a type of Christ, in his royal liberality to the queen of Sheba. We read of him that he “gave unto the queen of Sheba all her desire, whatever she asked, beside that which Solomon gave her of his royal bounty.” So our Royal Benefactor gives more to the sons of men than is in their heart to ask for. And what He gives, He gives freely, out of His royal bounty. As freely as the rain drops from the sky; as freely as the sun casts forth his glorious beams and ripens the fruits of the field; as freely as the wind courses over the earth; as freely as the dew drops upon the morning grass; so free are the gifts of God to His Church and people.
Indeed, in giving Christ, God gave everything. The Apostle declares, He “has blessed us with all spiritual blessings in heavenly places in Christ.” We must never look upon spiritual blessings as broken fragments of the love of God, mere shreds and patches, scattered crumbs, waifs and strays, like floating pieces of some shipwrecked vessel; but we must look on the blessings of the gospel as all stored up in Christ our covenant Head. Whatever is given, is given out of Christ, in Whom it has pleased the Father that all fullness should dwell; and it is by virtue of union to Him, and out of His fullness, that all these blessings are received.
How can we lift up our thoughts—how raise up our hearts—adequately to conceive of the gift of God’s only-begotten Son—His eternal Son—the Son of the Father in truth and love—given out of the bosom of God that He might become incarnate, suffer, bleed, and die; and by a suffering life and meritorious death offer a sacrifice acceptable to God, a sacrifice whereby the sins of God’s people were forever put away?
The grand source of all the admiration and adoration and the eternal blessedness of the saints, will be the holy enjoyment of the ‘mystery of an incarnate God’. The incarnation of the second Person in the glorious Trinity—the eternal Son of the eternal Father—His taking human nature into union with His own divine Person—will be the mystery that will ravish the hearts and fill the lips of God’s saints with an endless theme of admiration and joy through the countless ages of eternity.
To the reader…
How often you hardly dare to ask anything of the Lord, because you feel so unworthy! Do you see the blessings you have received as scattered crumbs, as floating pieces of a shipwreck, which you gather together with difficulty? Then look at the royal bounty of Him Who gives more than the sons of men dare ask of Him. As freely as the rain falls and the sun sends down its beams, so free are His gifts to His people.
For He that spared not His own Son, how shall He not with Him also freely give us all things? All that is given is stored up in Christ, in Whom all fullness dwells. Do not keep your eye, then, on the poverty of your heart, but on the gift of God’s only-begotten Son, Who became flesh, suffered, shed His blood and died. If He has been given to you, then in Him everything has been given to you; and if you have not yet seen Him, ask for Him, for that gift too is free.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El que aun a Su propio Hijo no perdonó, antes Le entregó por todos nosotros, ¿cómo no nos dará también con Él todas las cosas?
Romanos 8:32
He pensado a veces en la dulce figura de Salomón, como tipo de Cristo, en su liberalidad real para con la reina de Seba. Leemos de él que “dio a la reina de Seba todo lo que quiso, y todo lo que pidió, además de lo que Salomón le dio como de mano real”. Así nuestro Real Benefactor da a los hijos de los hombres más de lo que hay en su corazón pedir. Y lo que Él da, lo da gratuitamente, de Su real munificencia. Tan gratuitamente como cae la lluvia del cielo; tan gratuitamente como el sol despide sus gloriosos rayos y madura los frutos del campo; tan gratuitamente como el viento recorre la tierra; tan gratuitamente como cae el rocío sobre la hierba de la mañana; así de gratuitos son los dones de Dios a Su Iglesia y Su pueblo.
En verdad, al dar a Cristo, Dios lo dio todo. El Apóstol declara que Él “nos bendijo con toda bendición espiritual en lugares celestiales en Cristo”. Nunca debemos mirar las bendiciones espirituales como fragmentos rotos del amor de Dios, meros jirones y remiendos, migajas esparcidas, cosas perdidas y extraviadas, como pedazos flotantes de algún barco naufragado; sino que debemos mirar las bendiciones del evangelio como todas guardadas en Cristo, nuestra Cabeza del pacto. Todo lo que se da, se da de Cristo, en Quien agradó al Padre que habitase toda plenitud; y es en virtud de la unión con Él, y de Su plenitud, como se reciben todas estas bendiciones.
¿Cómo podemos elevar nuestros pensamientos, cómo levantar nuestros corazones, para concebir adecuadamente el don del Hijo unigénito de Dios, Su Hijo eterno, el Hijo del Padre en verdad y amor, dado del seno de Dios para que se encarnara, sufriera, derramara Su sangre y muriera; y por una vida de sufrimiento y una muerte meritoria ofreciera un sacrificio aceptable a Dios, un sacrificio por el cual los pecados del pueblo de Dios fueron quitados para siempre?
La gran fuente de toda la admiración y adoración y de la bienaventuranza eterna de los santos será el santo goce del ‘misterio de un Dios encarnado’. La encarnación de la segunda Persona de la gloriosa Trinidad, el Hijo eterno del Padre eterno, Su tomar la naturaleza humana en unión con Su propia Persona divina, será el misterio que arrebatará los corazones y llenará los labios de los santos de Dios con un tema inagotable de admiración y gozo a través de las innumerables edades de la eternidad.
Al lector…
¡Cuántas veces apenas se atreve usted a pedir algo al Señor, porque se siente tan indigno! ¿Ve las bendiciones que ha recibido como migajas esparcidas, como pedazos flotantes de un naufragio, que recoge con dificultad? Mire entonces la real munificencia de Aquel que da más de lo que los hijos de los hombres se atreven a pedirle. Tan gratuitamente como cae la lluvia y el sol envía sus rayos, así de gratuitos son Sus dones a Su pueblo.
Porque el que aun a Su propio Hijo no perdonó, ¿cómo no nos dará también con Él todas las cosas? Todo lo que se da está guardado en Cristo, en Quien habita toda plenitud. No fije, pues, la mirada en la pobreza de su corazón, sino en el don del Hijo unigénito de Dios, que se hizo carne, padeció, derramó Su sangre y murió. Si Él le ha sido dado, en Él se le ha dado todo; y si todavía no Le ha visto, pídale, porque también ese don es gratuito.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een onbeweeglijk koninkrijk
En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet beweeglijk zijn. Daarom, alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
Hebreeën 12:27,28
„Laat ons de genade vasthouden.” Waarom? Omdat als we de genade bezitten, we toch, ofschoon we een koninkrijk ontvangen dat onbeweeglijk is, vele, zeer vele dingen zullen tegenkomen die deze genade op de proef zullen stellen, en die haar ogenschijnlijk helemaal zullen doen afnemen. Welnu, dezelfde genade waardoor het koninkrijk wordt ontvangen, is noodzakelijk om dat koninkrijk vast te houden. Dezelfde gunst van God die de gave verleende, is noodzakelijk om de gave te behouden; en dezelfde gezegende Geest Die het koninkrijk in de ziel brengt, moet het koninkrijk onderhouden dat Hij heeft gevestigd. Dit is het mysterie; hier volgt de beproeving van het geloof.
De ziel zegt: „Heb ik niet Christus ontvangen? Was er geen tijd, een gezegende tijd in mijn beleving, toen Hij aan mij werd geopenbaard? Toen heb ik Hem als de Christus van God ontvangen. Ik voelde hoe dierbaar Hij voor me was, en mijn hart nabij en dierbaar. Maar nu is Hij weg; Zijn aanwezigheid wordt niet genoten; de openbaringen van Zijn liefde worden niet gegeven.” Welnu, hoe noodzakelijk is het geloof, om te geloven dat de Heere Zich werkelijk heeft geopenbaard!
Het ongeloof zegt: „Het was allemaal zelfbedrog.” De ontrouw fluistert: „Het was alleen maar opwinding van het natuurlijk verstand.” Twijfels komen als vanzelf op; angsten dienen zich aan; onzekerheden kwellen de ziel; de duivel maakt het verstand onrustig; en alles lijkt bijkans verdwenen. Wat hebben we nu nodig? Genade, en vooral de genade van het geloof om vast te houden wat werd ontvangen.
Dit is de strijd, de moeilijkheid, de beproeving van het geloof. Bij het ontvangen is het geloof als het ware passief; maar bij het vasthouden is het actief. Het geloof wordt niet op de proef gesteld bij het aannemen van wat God geeft; de beproeving is: het te behouden als de zonde en de duivel het uit onze handen willen grijpen.
Lezen: Psalm 63
Aan de lezer…
Er zijn dagen die u niet vergeet: die gezegende tijd, toen Christus Zich aan u openbaarde en u voelde hoe dierbaar Hij was. En is het nu stil geworden, zodat Zijn aanwezigheid niet genoten wordt en u zich afvraagt of het niet alles zelfbedrog was? Het ongeloof fluistert het u in, en de duivel maakt uw verstand onrustig. Wees niet verwonderd; dit is juist de beproeving van het geloof.
Bij het ontvangen was u als het ware lijdelijk; nu wordt van het geloof gevraagd dat het vasthoudt. Maar ook daarin staat u niet alleen. Dezelfde gunst van God die de gave verleende, is nodig om haar te behouden, en dezelfde gezegende Geest Die het koninkrijk in de ziel bracht, onderhoudt wat Hij gevestigd heeft. Houd dan de genade vast, al lijkt alles bijkans verdwenen. Wat Hij eenmaal geopenbaard heeft, was geen opwinding van het verstand, maar het onbeweeglijk koninkrijk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet beweeglijk zijn. Daarom, alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door dewelke wij welbehaaglijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.
Hebreeën 12:27,28
„Laat ons de genade vasthouden.” Waarom? Omdat wij, als we de genade bezitten, toch – hoewel we een koninkrijk ontvangen dat onbeweeglijk is – vele, zeer vele dingen zullen tegenkomen die deze genade op de proef stellen en haar schijnbaar helemaal doen afnemen. Welnu, dezelfde genade waardoor het koninkrijk wordt ontvangen, is nodig om dat koninkrijk vast te houden. Dezelfde gunst van God die de gave schonk, is nodig om de gave te behouden. En dezelfde gezegende Geest Die het koninkrijk in de ziel brengt, moet het koninkrijk dat Hij gevestigd heeft ook onderhouden. Dit is het geheimenis; hier komt de beproeving van het geloof.
De ziel zegt: „Heb ik niet Christus ontvangen? Was er geen tijd, een gezegende tijd in mijn beleving, toen Hij aan mij werd geopenbaard? Toen heb ik Hem als de Christus van God ontvangen. Ik voelde hoe dierbaar Hij voor me was, en mijn hart nabij en dierbaar. Maar nu is Hij weg; Zijn aanwezigheid wordt niet genoten; de openbaringen van Zijn liefde worden niet gegeven.” Hoe nodig is dan het geloof, om te geloven dat de Heere Zich werkelijk heeft geopenbaard!
Het ongeloof zegt: „Het was allemaal zelfbedrog.” De ontrouw fluistert: „Het was alleen maar opwinding van het natuurlijk verstand.” Twijfels komen als vanzelf op, angsten dienen zich aan, onzekerheden kwellen de ziel, de duivel maakt het verstand onrustig, en alles lijkt bijna verdwenen. Wat hebben we dan nodig? Genade, en vooral de genade van het geloof, om vast te houden wat ontvangen werd.
Dit is de strijd, de moeite, de beproeving van het geloof. Bij het ontvangen is het geloof als het ware lijdelijk, maar bij het vasthouden is het werkzaam. Het geloof wordt niet beproefd bij het aannemen van wat God geeft; de beproeving is het te behouden wanneer de zonde en de duivel het uit onze handen willen grijpen.
Lezen: Psalm 63
Aan de lezer…
Er zijn dagen die u niet vergeet: die gezegende tijd toen Christus Zich aan u openbaarde en u voelde hoe dierbaar Hij was. Is het nu stil geworden, zodat Zijn tegenwoordigheid niet genoten wordt en u zich afvraagt of het niet allemaal zelfbedrog was? Het ongeloof fluistert het u in, en de duivel maakt uw verstand onrustig. Wees niet verwonderd; dit is juist de beproeving van het geloof.
Bij het ontvangen was u als het ware lijdelijk; nu wordt van het geloof gevraagd dat het vasthoudt. Maar ook daarin staat u niet alleen. Dezelfde gunst van God die de gave schonk, is nodig om haar te behouden, en dezelfde gezegende Geest Die het koninkrijk in de ziel bracht, onderhoudt wat Hij gevestigd heeft. Houd dan de genade vast, al lijkt alles bijna verdwenen. Wat Hij eenmaal geopenbaard heeft, was geen opwinding van het verstand, maar het onbeweeglijk koninkrijk.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And this word, Yet once more, signifieth the removing of those things that are shaken, as of things that are made, that those things which cannot be shaken may remain. Wherefore we receiving a kingdom which cannot be moved, let us have grace, whereby we may serve God acceptably with reverence and godly fear.
Hebrews 12:27-28
“Let us have grace,” or, let us hold fast grace. Why? Because if we possess grace, yet—though we receive a kingdom which cannot be moved—we shall meet with many, very many things which try this grace and seem to make it decline altogether. Now, the same grace by which the kingdom is received is needed to hold that kingdom fast. The same favour of God which bestowed the gift is needed to keep the gift. And the same blessed Spirit Who brings the kingdom into the soul must also maintain the kingdom He has set up. This is the mystery; here comes the trial of faith.
The soul says, “Have I not received Christ? Was there not a time, a blessed time in my experience, when He was revealed to me? Then I received Him as the Christ of God. I felt how precious He was to me, and my heart near and dear to Him. But now He is gone; His presence is not enjoyed; the manifestations of His love are not given.” How needful, then, is faith, to believe that the Lord really did reveal Himself!
Unbelief says, “It was all self-deception.” Infidelity whispers, “It was only the excitement of the natural mind.” Doubts spring up of themselves, fears present themselves, uncertainties torment the soul, the devil harasses the mind, and everything seems almost gone. What do we need then? Grace, and above all the grace of faith, to hold fast what was received.
This is the struggle, the labour, the trial of faith. In receiving, faith is as it were passive, but in holding fast it is active. Faith is not tried in taking what God gives; the trial is to keep it when sin and the devil would snatch it out of our hands.
Reading: Psalm 63
To the reader…
There are days you do not forget: that blessed time when Christ revealed Himself to you and you felt how precious He was. Has it now grown quiet, so that His presence is not enjoyed and you ask yourself whether it was not all self-deception? Unbelief whispers it to you, and the devil harasses your mind. Do not be surprised; this is the very trial of faith.
In receiving you were, as it were, passive; now faith is called to hold fast. But in that too you do not stand alone. The same favour of God which bestowed the gift is needed to keep it, and the same blessed Spirit Who brought the kingdom into the soul maintains what He has set up. Hold fast grace, then, even if everything seems almost gone. What He once revealed was no excitement of the mind, but the kingdom which cannot be moved.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y esta palabra, Aun una vez, declara la mudanza de las cosas movibles, como de cosas que son hechas, para que queden las cosas que son firmes. Así que, tomando el reino inmóvil, retengamos la gracia por la cual sirvamos a Dios agradándole con temor y reverencia.
Hebreos 12:27-28
“Retengamos la gracia”, o tengamos gracia. ¿Por qué? Porque si poseemos gracia, sin embargo —aunque tomemos un reino inmóvil— nos encontraremos con muchas, muchísimas cosas que prueban esta gracia y parecen hacerla decaer por completo. Ahora bien, la misma gracia por la cual se recibe el reino es necesaria para retener ese reino. El mismo favor de Dios que otorgó el don es necesario para guardar el don. Y el mismo bendito Espíritu que trae el reino al alma debe también mantener el reino que ha establecido. Este es el misterio; aquí viene la prueba de la fe.
El alma dice: “¿No he recibido a Cristo? ¿No hubo un tiempo, un tiempo bendito en mi experiencia, en que Él me fue revelado? Entonces le recibí como el Cristo de Dios. Sentí cuán precioso era Él para mí, y mi corazón cercano y querido para Él. Pero ahora se ha ido; no se goza de Su presencia; no se dan las manifestaciones de Su amor.” ¡Cuán necesaria es entonces la fe, para creer que el Señor de veras se reveló!
La incredulidad dice: “Todo fue engaño de ti mismo.” La infidelidad susurra: “No fue más que la excitación de la mente natural.” Las dudas brotan por sí solas, los temores se presentan, las incertidumbres atormentan el alma, el diablo acosa la mente, y todo parece casi perdido. ¿Qué necesitamos entonces? Gracia, y sobre todo la gracia de la fe, para retener lo que se recibió.
Esta es la lucha, el trabajo, la prueba de la fe. Al recibir, la fe es por así decirlo pasiva, pero al retener es activa. La fe no es probada al tomar lo que Dios da; la prueba es guardarlo cuando el pecado y el diablo quisieran arrebatarlo de nuestras manos.
Lectura: Salmo 63
Al lector…
Hay días que usted no olvida: aquel tiempo bendito en que Cristo se le reveló y sintió cuán precioso era Él. ¿Se ha vuelto ahora todo silencioso, de modo que no se goza de Su presencia y se pregunta si no fue todo engaño de sí mismo? La incredulidad se lo susurra, y el diablo acosa su mente. No se sorprenda; esta es precisamente la prueba de la fe.
Al recibir era usted, por así decirlo, pasivo; ahora la fe es llamada a retener. Pero tampoco en eso está solo. El mismo favor de Dios que otorgó el don es necesario para guardarlo, y el mismo bendito Espíritu que trajo el reino al alma mantiene lo que ha establecido. Retenga, pues, la gracia, aunque todo parezca casi perdido. Lo que Él reveló una vez no fue una excitación de la mente, sino el reino inmóvil.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Hij zal onze ongerechtigheden dempen; Gij zult al hun zonden in de diepte der zee werpen.
Micha 7:19
Onderworpen zonde is de grootste zegen naast de vergeven zonde, en waar God de zonde vergeeft, onderwerpt Hij de zonde, want dezelfde genade die vergeeft, heiligt ook. Dezelfde genade die de zonden achter Gods rug werpt, zet de voet op de verdorvenheden van de gelovige en belet de ongerechtigheid om over hem heerschappij te hebben. De Schrift is zeer duidelijk en drukt zich in dit opzicht aldus uit: „De zonde zal over u niet heersen.” Waarom? „Omdat gij niet zijt onder de wet” — zij geeft aan de zonde haar kracht en sterkte — „maar onder de genade”, die in staat is haar heerschappij te onderwerpen. Ook geloof ik niet dat enig kind van God ooit met genoegen rusten kan, uitgezonderd dan alleen in de onderwerping zijner zonden, zowel als in de vergeving zijner zonden.
De begeerte en hartenwens van eenieder die de zonde kent in haar schuldigheid, vuilheid en kracht, is om zijn ongeloof, wereldsgezindheid, trouweloosheid, hoogmoed en begeerlijkheid door de genade Gods te onderwerpen; dat haar heerschappij onttroond, haar autoriteit vernietigd en haar kracht verzwakt en verminderd worde; dat hij niet zij onder de heerschappij van enige lust, en niet weggevoerd worde door de kracht van enige verborgen of openbare zonde, maar dat hij moge wandelen in het licht van Gods aangezicht, begerig zijnde om Zijn wil te kennen en te doen.
Hoe dierbaar is dan de belofte, hoe zoet de gunst, dat de Heere beloofd heeft onze ongerechtigheden te onderwerpen door dezelfde Geest waardoor Hij ze vergeeft; dat, gelijk wij het bloed van Christus ontvangen tot besprenging op onze consciëntie, wij ook de genade van Christus ontvangen tot heiliging en vernieuwing der ziel, om daardoor ook al onze in- en uitwendige vijanden te overwinnen.
Aan de lezer…
Zucht u, bestreden ziel, onder de kracht van een zonde die u telkens weer overmeestert? Hebt u wel iets van vergeving geproefd, maar vindt u nog geen rust, omdat uw ongeloof, uw wereldsgezindheid of uw hoogmoed zo sterk blijft? Dat is geen vreemd ding. Geen kind van God kan met genoegen rusten in de vergeving alleen; het verlangt ook dat de zonde onttroond worde en haar kracht verlieze.
Hoor dan wat de Heere belooft: Hij zal uw ongerechtigheden dempen. Dezelfde genade die de zonden achter Gods rug werpt, zet ook de voet op de verdorvenheden van de gelovige. U bent niet onder de wet, die de zonde haar kracht geeft, maar onder de genade, die haar heerschappij kan onderwerpen. Breng dan uw strijd tot Hem. Gelijk het bloed van Christus uw consciëntie besprengt, zo zal Zijn genade u heiligen, tot u in het licht van Gods aangezicht mag wandelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hij zal onze ongerechtigheden dempen; Gij zult al hun zonden in de diepte der zee werpen.
Micha 7:19
Onderworpen zonde is de grootste zegen naast vergeven zonde. En waar God de zonde vergeeft, onderwerpt Hij de zonde ook, want dezelfde genade die vergeeft, heiligt ook. Dezelfde genade die de zonden achter Gods rug werpt, zet de voet op de verdorvenheden van de gelovige en verhindert dat de ongerechtigheid over hem heerst. De Schrift is hierover heel duidelijk en zegt het zo: „De zonde zal over u niet heersen.” Waarom? „Omdat gij niet zijt onder de wet” — die geeft de zonde haar kracht en sterkte — „maar onder de genade”, die haar heerschappij kan onderwerpen. Ook geloof ik niet dat een kind van God ooit tevreden kan rusten, behalve in de onderwerping van zijn zonden én in de vergeving van zijn zonden.
De begeerte en hartenwens van ieder die de zonde kent in haar schuld, vuilheid en kracht, is dat zijn ongeloof, wereldsgezindheid, trouweloosheid, hoogmoed en begeerlijkheid door de genade van God worden onderworpen. Hij verlangt dat haar heerschappij wordt onttroond, haar gezag vernietigd en haar kracht verzwakt en verminderd; dat hij niet onder de heerschappij van enige lust staat en niet wordt meegesleept door de kracht van enige verborgen of openlijke zonde, maar dat hij mag wandelen in het licht van Gods aangezicht, met het verlangen Zijn wil te kennen en te doen.
Hoe kostbaar is dan de belofte, hoe zoet de gunst, dat de Heere beloofd heeft onze ongerechtigheden te onderwerpen door dezelfde Geest door Wie Hij ze vergeeft! Zoals wij het bloed van Christus ontvangen tot besprenging van ons geweten, zo ontvangen wij ook de genade van Christus tot heiliging en vernieuwing van de ziel, om daardoor ook al onze vijanden, binnen en buiten ons, te overwinnen.
Aan de lezer…
Zucht u, bestreden ziel, onder de kracht van een zonde die u telkens weer overmeestert? Hebt u wel iets van vergeving geproefd, maar vindt u nog geen rust, omdat uw ongeloof, uw wereldsgezindheid of uw hoogmoed zo sterk blijft? Dat is niet vreemd. Geen kind van God kan tevreden rusten in de vergeving alleen; het verlangt ook dat de zonde onttroond wordt en haar kracht verliest.
Hoor dan wat de Heere belooft: Hij zal uw ongerechtigheden dempen. Dezelfde genade die de zonden achter Gods rug werpt, zet ook de voet op de verdorvenheden van de gelovige. U bent niet onder de wet, die de zonde haar kracht geeft, maar onder de genade, die haar heerschappij kan onderwerpen. Breng dan uw strijd bij Hem. Zoals het bloed van Christus uw geweten besprengt, zo zal Zijn genade u heiligen, totdat u in het licht van Gods aangezicht mag wandelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“He will subdue our iniquities; and thou wilt cast all their sins into the depths of the sea.”
Micah 7:19
Sin subdued is the next greatest blessing to sin pardoned; and wherever God pardons sin, He subdues sin; for the same grace which saves sanctifies; the same grace which casts sin behind God’s back, puts its foot upon the corruptions of the believer, and prevents iniquity from having dominion over him.
The Scripture is very plain and express upon this point. “Sin shall not have dominion over you.” Why? “Because you are not under the law,” which gives sin its strength and power, “but under grace,” which is able to subdue its dominion. Nor do I believe that any child of God can ever rest satisfied except by the subduing of his sins as well as the pardoning of them.
To have his unbelief, infidelity, worldly-mindedness, pride, and covetousness subdued by the grace of God, its power taken out of it, its dominion dethroned, its authority destroyed, and its strength weakened and diminished, that he may not be under the dominion of any lust, or carried away by the strength of any secret or open sin, but may walk before God in the light of His countenance, as desirous to know His will and do it—this is the desire and breathing of every one that knows sin in its guilt, filth, and power. How gracious, then, is the promise, how sweet the favor, that the Lord has promised to subdue our iniquities by the same grace as that whereby He pardons them; that, as we receive the blood of Christ to sprinkle the conscience, so we receive the grace of Christ to sanctify and renew the soul, and the strength of Christ to overcome all our inward and outward foes.
To the reader…
Do you sigh, tried soul, under the power of a sin that masters you again and again? Have you indeed tasted something of forgiveness, yet still find no rest, because your unbelief, your worldly-mindedness or your pride remains so strong? That is not strange. No child of God can rest content in forgiveness alone; he also longs for sin to be dethroned and to lose its power.
Hear, then, what the Lord promises: He will subdue your iniquities. The same grace that casts sins behind God’s back also sets its foot upon the corruptions of the believer. You are not under the law, which gives sin its strength, but under grace, which can subdue its dominion. Bring your struggle to Him, then. As the blood of Christ sprinkles your conscience, so His grace will sanctify you, until you may walk in the light of God’s countenance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Él sujetará nuestras iniquidades, y echará en los profundos de la mar todos nuestros pecados.”
Miqueas 7:19
El pecado sujetado es la mayor bendición después del pecado perdonado; y dondequiera que Dios perdona el pecado, sujeta el pecado; porque la misma gracia que salva, santifica; la misma gracia que echa el pecado tras las espaldas de Dios pone su pie sobre las corrupciones del creyente e impide que la iniquidad se enseñoree de él.
La Escritura es muy clara y expresa en este punto. “El pecado no se enseñoreará de vosotros.” ¿Por qué? “Pues no estáis bajo la ley”, que da al pecado su fuerza y su poder, “sino bajo la gracia”, que puede sujetar su dominio. Ni creo yo que hijo alguno de Dios pueda jamás quedar satisfecho sino con la sujeción de sus pecados, además de su perdón.
Que su incredulidad, su infidelidad, su mundanalidad, su orgullo y su codicia sean sujetados por la gracia de Dios, quitado su poder, destronado su dominio, destruida su autoridad, y debilitada y disminuida su fuerza, para que no esté bajo el dominio de concupiscencia alguna, ni sea arrastrado por la fuerza de algún pecado secreto o manifiesto, sino que ande delante de Dios en la luz de Su rostro, deseoso de conocer Su voluntad y de hacerla: este es el deseo y el anhelo de todo aquel que conoce el pecado en su culpa, su inmundicia y su poder. ¡Cuán llena de gracia es, pues, la promesa, cuán dulce el favor, de que el Señor haya prometido sujetar nuestras iniquidades por la misma gracia con que las perdona; que, así como recibimos la sangre de Cristo para rociar la conciencia, así recibimos la gracia de Cristo para santificar y renovar el alma, y la fuerza de Cristo para vencer a todos nuestros enemigos interiores y exteriores!
Al lector…
¿Gime usted, alma probada, bajo el poder de un pecado que le domina una y otra vez? ¿Ha gustado ciertamente algo del perdón, y aun así no halla descanso, porque su incredulidad, su mundanalidad o su orgullo siguen siendo tan fuertes? Eso no es extraño. Ningún hijo de Dios puede contentarse solo con el perdón; anhela también que el pecado sea destronado y pierda su poder.
Oiga, pues, lo que el Señor promete: Él sujetará sus iniquidades. La misma gracia que echa los pecados tras las espaldas de Dios pone también su pie sobre las corrupciones del creyente. Usted no está bajo la ley, que da al pecado su fuerza, sino bajo la gracia, que puede sujetar su dominio. Lleve, pues, su lucha a Él. Así como la sangre de Cristo rocía su conciencia, así Su gracia le santificará, hasta que pueda andar en la luz del rostro de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl