November 12
Hij zal onze ongerechtigheden dempen; Gij zult al hun zonden in de diepte der zee werpen.
Micha 7:19
Onderworpen zonde is de grootste zegen naast de vergeven zonde, en waar God de zonde vergeeft, onderwerpt Hij de zonde, want dezelfde genade die vergeeft, heiligt ook. Dezelfde genade die de zonden achter Gods rug werpt, zet de voet op de verdorvenheden van de gelovige en belet de ongerechtigheid om over hem heerschappij te hebben. De Schrift is zeer duidelijk en drukt zich in dit opzicht aldus uit: „De zonde zal over u niet heersen.” Waarom? „Omdat gij niet zijt onder de wet” — zij geeft aan de zonde haar kracht en sterkte — „maar onder de genade”, die in staat is haar heerschappij te onderwerpen. Ook geloof ik niet dat enig kind van God ooit met genoegen rusten kan, uitgezonderd dan alleen in de onderwerping zijner zonden, zowel als in de vergeving zijner zonden.
De begeerte en hartenwens van eenieder die de zonde kent in haar schuldigheid, vuilheid en kracht, is om zijn ongeloof, wereldsgezindheid, trouweloosheid, hoogmoed en begeerlijkheid door de genade Gods te onderwerpen; dat haar heerschappij onttroond, haar autoriteit vernietigd en haar kracht verzwakt en verminderd worde; dat hij niet zij onder de heerschappij van enige lust, en niet weggevoerd worde door de kracht van enige verborgen of openbare zonde, maar dat hij moge wandelen in het licht van Gods aangezicht, begerig zijnde om Zijn wil te kennen en te doen.
Hoe dierbaar is dan de belofte, hoe zoet de gunst, dat de Heere beloofd heeft onze ongerechtigheden te onderwerpen door dezelfde Geest waardoor Hij ze vergeeft; dat, gelijk wij het bloed van Christus ontvangen tot besprenging op onze consciëntie, wij ook de genade van Christus ontvangen tot heiliging en vernieuwing der ziel, om daardoor ook al onze in- en uitwendige vijanden te overwinnen.
Aan de lezer…
Zucht u, bestreden ziel, onder de kracht van een zonde die u telkens weer overmeestert? Hebt u wel iets van vergeving geproefd, maar vindt u nog geen rust, omdat uw ongeloof, uw wereldsgezindheid of uw hoogmoed zo sterk blijft? Dat is geen vreemd ding. Geen kind van God kan met genoegen rusten in de vergeving alleen; het verlangt ook dat de zonde onttroond worde en haar kracht verlieze.
Hoor dan wat de Heere belooft: Hij zal uw ongerechtigheden dempen. Dezelfde genade die de zonden achter Gods rug werpt, zet ook de voet op de verdorvenheden van de gelovige. U bent niet onder de wet, die de zonde haar kracht geeft, maar onder de genade, die haar heerschappij kan onderwerpen. Breng dan uw strijd tot Hem. Gelijk het bloed van Christus uw consciëntie besprengt, zo zal Zijn genade u heiligen, tot u in het licht van Gods aangezicht mag wandelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hij zal onze ongerechtigheden dempen; Gij zult al hun zonden in de diepte der zee werpen.
Micha 7:19
Onderworpen zonde is de grootste zegen naast vergeven zonde. En waar God de zonde vergeeft, onderwerpt Hij de zonde ook, want dezelfde genade die vergeeft, heiligt ook. Dezelfde genade die de zonden achter Gods rug werpt, zet de voet op de verdorvenheden van de gelovige en verhindert dat de ongerechtigheid over hem heerst. De Schrift is hierover heel duidelijk en zegt het zo: „De zonde zal over u niet heersen.” Waarom? „Omdat gij niet zijt onder de wet” — die geeft de zonde haar kracht en sterkte — „maar onder de genade”, die haar heerschappij kan onderwerpen. Ook geloof ik niet dat een kind van God ooit tevreden kan rusten, behalve in de onderwerping van zijn zonden én in de vergeving van zijn zonden.
De begeerte en hartenwens van ieder die de zonde kent in haar schuld, vuilheid en kracht, is dat zijn ongeloof, wereldsgezindheid, trouweloosheid, hoogmoed en begeerlijkheid door de genade van God worden onderworpen. Hij verlangt dat haar heerschappij wordt onttroond, haar gezag vernietigd en haar kracht verzwakt en verminderd; dat hij niet onder de heerschappij van enige lust staat en niet wordt meegesleept door de kracht van enige verborgen of openlijke zonde, maar dat hij mag wandelen in het licht van Gods aangezicht, met het verlangen Zijn wil te kennen en te doen.
Hoe kostbaar is dan de belofte, hoe zoet de gunst, dat de Heere beloofd heeft onze ongerechtigheden te onderwerpen door dezelfde Geest door Wie Hij ze vergeeft! Zoals wij het bloed van Christus ontvangen tot besprenging van ons geweten, zo ontvangen wij ook de genade van Christus tot heiliging en vernieuwing van de ziel, om daardoor ook al onze vijanden, binnen en buiten ons, te overwinnen.
Aan de lezer…
Zucht u, bestreden ziel, onder de kracht van een zonde die u telkens weer overmeestert? Hebt u wel iets van vergeving geproefd, maar vindt u nog geen rust, omdat uw ongeloof, uw wereldsgezindheid of uw hoogmoed zo sterk blijft? Dat is niet vreemd. Geen kind van God kan tevreden rusten in de vergeving alleen; het verlangt ook dat de zonde onttroond wordt en haar kracht verliest.
Hoor dan wat de Heere belooft: Hij zal uw ongerechtigheden dempen. Dezelfde genade die de zonden achter Gods rug werpt, zet ook de voet op de verdorvenheden van de gelovige. U bent niet onder de wet, die de zonde haar kracht geeft, maar onder de genade, die haar heerschappij kan onderwerpen. Breng dan uw strijd bij Hem. Zoals het bloed van Christus uw geweten besprengt, zo zal Zijn genade u heiligen, totdat u in het licht van Gods aangezicht mag wandelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“He will subdue our iniquities; and thou wilt cast all their sins into the depths of the sea.”
Micah 7:19
Sin subdued is the next greatest blessing to sin pardoned; and wherever God pardons sin, He subdues sin; for the same grace which saves sanctifies; the same grace which casts sin behind God’s back, puts its foot upon the corruptions of the believer, and prevents iniquity from having dominion over him.
The Scripture is very plain and express upon this point. “Sin shall not have dominion over you.” Why? “Because you are not under the law,” which gives sin its strength and power, “but under grace,” which is able to subdue its dominion. Nor do I believe that any child of God can ever rest satisfied except by the subduing of his sins as well as the pardoning of them.
To have his unbelief, infidelity, worldly-mindedness, pride, and covetousness subdued by the grace of God, its power taken out of it, its dominion dethroned, its authority destroyed, and its strength weakened and diminished, that he may not be under the dominion of any lust, or carried away by the strength of any secret or open sin, but may walk before God in the light of His countenance, as desirous to know His will and do it—this is the desire and breathing of every one that knows sin in its guilt, filth, and power. How gracious, then, is the promise, how sweet the favor, that the Lord has promised to subdue our iniquities by the same grace as that whereby He pardons them; that, as we receive the blood of Christ to sprinkle the conscience, so we receive the grace of Christ to sanctify and renew the soul, and the strength of Christ to overcome all our inward and outward foes.
To the reader…
Do you sigh, tried soul, under the power of a sin that masters you again and again? Have you indeed tasted something of forgiveness, yet still find no rest, because your unbelief, your worldly-mindedness or your pride remains so strong? That is not strange. No child of God can rest content in forgiveness alone; he also longs for sin to be dethroned and to lose its power.
Hear, then, what the Lord promises: He will subdue your iniquities. The same grace that casts sins behind God’s back also sets its foot upon the corruptions of the believer. You are not under the law, which gives sin its strength, but under grace, which can subdue its dominion. Bring your struggle to Him, then. As the blood of Christ sprinkles your conscience, so His grace will sanctify you, until you may walk in the light of God’s countenance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Él sujetará nuestras iniquidades, y echará en los profundos de la mar todos nuestros pecados.”
Miqueas 7:19
El pecado sujetado es la mayor bendición después del pecado perdonado; y dondequiera que Dios perdona el pecado, sujeta el pecado; porque la misma gracia que salva, santifica; la misma gracia que echa el pecado tras las espaldas de Dios pone su pie sobre las corrupciones del creyente e impide que la iniquidad se enseñoree de él.
La Escritura es muy clara y expresa en este punto. “El pecado no se enseñoreará de vosotros.” ¿Por qué? “Pues no estáis bajo la ley”, que da al pecado su fuerza y su poder, “sino bajo la gracia”, que puede sujetar su dominio. Ni creo yo que hijo alguno de Dios pueda jamás quedar satisfecho sino con la sujeción de sus pecados, además de su perdón.
Que su incredulidad, su infidelidad, su mundanalidad, su orgullo y su codicia sean sujetados por la gracia de Dios, quitado su poder, destronado su dominio, destruida su autoridad, y debilitada y disminuida su fuerza, para que no esté bajo el dominio de concupiscencia alguna, ni sea arrastrado por la fuerza de algún pecado secreto o manifiesto, sino que ande delante de Dios en la luz de Su rostro, deseoso de conocer Su voluntad y de hacerla: este es el deseo y el anhelo de todo aquel que conoce el pecado en su culpa, su inmundicia y su poder. ¡Cuán llena de gracia es, pues, la promesa, cuán dulce el favor, de que el Señor haya prometido sujetar nuestras iniquidades por la misma gracia con que las perdona; que, así como recibimos la sangre de Cristo para rociar la conciencia, así recibimos la gracia de Cristo para santificar y renovar el alma, y la fuerza de Cristo para vencer a todos nuestros enemigos interiores y exteriores!
Al lector…
¿Gime usted, alma probada, bajo el poder de un pecado que le domina una y otra vez? ¿Ha gustado ciertamente algo del perdón, y aun así no halla descanso, porque su incredulidad, su mundanalidad o su orgullo siguen siendo tan fuertes? Eso no es extraño. Ningún hijo de Dios puede contentarse solo con el perdón; anhela también que el pecado sea destronado y pierda su poder.
Oiga, pues, lo que el Señor promete: Él sujetará sus iniquidades. La misma gracia que echa los pecados tras las espaldas de Dios pone también su pie sobre las corrupciones del creyente. Usted no está bajo la ley, que da al pecado su fuerza, sino bajo la gracia, que puede sujetar su dominio. Lleve, pues, su lucha a Él. Así como la sangre de Cristo rocía su conciencia, así Su gracia le santificará, hasta que pueda andar en la luz del rostro de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl