November 12
Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?
Romeinen 8:32
Dikwijls heb ik het schone beeld van Salomo beschouwd als een type van Christus, in zijn mildheid tegenover de koningin van Scheba. Wij lezen van hem dat hij aan de koningin van Scheba alles gaf wat zij verlangde, wat zij ook vroeg, behalve hetgeen Salomo haar van zijn koninklijke mildheid schonk. Zo geeft ook onze Koninklijke Weldoener aan de zonen der mensen meer dan zij Hem durven vragen. En wat Hij geeft, geeft Hij vrij uit Zijn Koninklijke mildheid. Even vrij als de regen van de hemel valt, even vrij als de zon haar glansrijke stralen neerschiet en de vruchten des velds doet rijpen, even vrij als de wind over de aarde heenstrijkt, even vrij als de dauw op het morgengras neerdruppelt, zo vrij zijn de gaven Gods aan Zijn gemeente en Zijn volk.
Inderdaad, door Christus te geven, gaf God alles. De apostel verklaart: „Hij heeft ons gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.” Wij moeten nooit op geestelijke zegeningen neerzien als afgebroken stukken van de liefde Gods, als uitgestrooide kruimkens, rondzwervende overblijfsels, gelijk de drijvende stukken van een schipbreuk; maar wij moeten zien op de zegeningen van het Evangelie als alleen in Christus, ons Bondshoofd, weggelegd. Wat ook gegeven worde, is van Christus gegeven, in Wie, naar de wil des Vaders, alle volheid zou wonen; en het is door de kracht van vereniging met Hem en uit Zijn volheid dat al deze zegeningen ontvangen worden.
Hoe kunnen wij het naar eis indenken — hoe kunnen wij onze harten verheffen — om de gift te begrijpen van Gods eengeboren Zoon — Zijn eeuwige Zoon — de Zoon des Vaders in waarheid en liefde — uit de schoot Gods geschonken, opdat Hij vlees zou worden, lijden, Zijn bloed storten en sterven, en door een lijdend leven en een verdienstelijke dood een offer zou brengen, Gode welbehagelijk; een offerande waardoor de zonden van Gods volk voor eeuwig zijn uitgewist?
De grote bron van alle bewondering en aanbidding, en van de eeuwige gelukzaligheid der heiligen, zal het heilig genieten zijn van de ‘verborgenheid van een vleesgeworden God’. De menswording van de tweede Persoon in de heerlijke Drie-eenheid — de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader —, Zijn aanneming van de menselijke natuur in vereniging met Zijn eigen Goddelijke Persoon, zal de verborgenheid zijn die de harten der heiligen Gods zal verrukken en hun lippen vervullen met een eindeloze stof van bewondering en blijdschap, door de ontelbare eeuwen der eeuwigheid.
Zingt, zingt een nieuw gezang de Heere,
die grote God, die wond’ren deed!
Zijn rechterhand vol sterkt’ en ere,
zijn heilig’ arm, wrocht heil na leed.
Ps. 98:1
Aan de lezer…
Hoe dikwijls durft u nauwelijks iets van de Heere te vragen, omdat u uzelf zo onwaardig voelt! Ziet u de zegeningen die u ontving als losse kruimkens, als drijvende stukken van een schipbreuk, die u met moeite bijeenraapt? Zie dan op de koninklijke mildheid van Hem Die meer geeft dan de zonen der mensen Hem durven vragen. Zo vrij als de regen valt en de zon haar stralen neerschiet, zo vrij zijn Zijn gaven aan Zijn volk.
Want Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, hoe zal Hij met Hem niet alle dingen schenken? Al wat gegeven wordt, is in Christus weggelegd, in Wie alle volheid woont. Houd dan uw oog niet op de armoede van uw hart, maar op de gift van Gods eengeboren Zoon, Die vlees werd, leed, Zijn bloed stortte en stierf. Is Hij u gegeven, dan is u in Hem alles gegeven; en hebt u Hem nog niet gezien, vraag dan om Hem, want ook die gave is vrij.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?
Romeinen 8:32
Vaak heb ik het mooie beeld van Salomo beschouwd als een type van Christus, in zijn mildheid tegenover de koningin van Scheba. Wij lezen van hem dat hij de koningin van Scheba alles gaf wat zij verlangde, wat zij ook vroeg, behalve wat Salomo haar uit zijn koninklijke mildheid schonk. Zo geeft ook onze Koninklijke Weldoener de mensenkinderen meer dan zij Hem durven vragen. En wat Hij geeft, geeft Hij vrij uit Zijn Koninklijke mildheid. Zo vrij als de regen uit de hemel valt, zo vrij als de zon haar stralende glans neerzendt en de vruchten van het veld doet rijpen, zo vrij als de wind over de aarde waait, zo vrij als de dauw op het gras van de morgen neerdaalt, zo vrij zijn de gaven van God aan Zijn gemeente en Zijn volk.
Inderdaad, door Christus te geven, gaf God alles. De apostel verklaart: „Hij heeft ons gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.” Wij moeten geestelijke zegeningen nooit beschouwen als afgebroken stukken van de liefde van God, als rondgestrooide kruimels, rondzwervende overblijfselen, zoals de drijvende brokstukken van een schipbreuk. Wij moeten de zegeningen van het Evangelie zien als alleen in Christus, ons Verbondshoofd, weggelegd. Wat er ook gegeven wordt, is gegeven door Christus, in Wie naar de wil van de Vader alle volheid zou wonen; en het is door de kracht van de vereniging met Hem en uit Zijn volheid dat al deze zegeningen ontvangen worden.
Hoe kunnen wij het ons naar behoren indenken — hoe kunnen wij ons hart verheffen — om de gave te begrijpen van Gods eniggeboren Zoon? Zijn eeuwige Zoon, de Zoon van de Vader in waarheid en liefde, werd uit de schoot van God geschonken, opdat Hij vlees zou worden, zou lijden, Zijn bloed zou storten en sterven. Zo zou Hij door een leven van lijden en een verdienstelijke dood een offer brengen dat God welbehaaglijk is: een offerande waardoor de zonden van Gods volk voor eeuwig zijn uitgewist.
De grote bron van alle bewondering en aanbidding, en van de eeuwige zaligheid van de heiligen, zal het heilig genieten zijn van ‘de verborgenheid van een vleesgeworden God’. De menswording van de tweede Persoon in de heerlijke Drie-eenheid, de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader, Die de menselijke natuur aannam in vereniging met Zijn eigen Goddelijke Persoon, zal de verborgenheid zijn die de harten van Gods heiligen zal verrukken. Zij zal hun lippen vervullen met een eindeloze stof tot bewondering en vreugde, door de ontelbare eeuwen van de eeuwigheid heen.
Zingt, zingt een nieuw gezang de Heere,
die grote God, die wond’ren deed!
Zijn rechterhand vol sterkt’ en ere,
zijn heilig’ arm, wrocht heil na leed.
Ps. 98:1
Aan de lezer…
Hoe vaak durft u nauwelijks iets van de Heere te vragen, omdat u zich zo onwaardig voelt! Ziet u de zegeningen die u ontving als losse kruimels, als drijvende brokstukken van een schipbreuk, die u met moeite bij elkaar raapt? Kijk dan naar de koninklijke mildheid van Hem Die meer geeft dan de mensenkinderen Hem durven vragen. Zo vrij als de regen valt en de zon haar stralen neerzendt, zo vrij zijn Zijn gaven aan Zijn volk.
Want Hij Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, hoe zal Hij met Hem niet alle dingen schenken? Alles wat gegeven wordt, is in Christus weggelegd, in Wie alle volheid woont. Houd uw oog dan niet op de armoede van uw hart, maar op de gave van Gods eniggeboren Zoon, Die vlees werd, leed, Zijn bloed stortte en stierf. Is Hij u gegeven, dan is u in Hem alles gegeven; en hebt u Hem nog niet gezien, vraag dan om Hem, want ook die gave is vrij.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
He that spared not His own Son, but delivered Him up for us all, how shall He not with Him also freely give us all things?
Romans 8:32
I have thought sometimes of the sweet figure of Solomon, as a type of Christ, in his royal liberality to the queen of Sheba. We read of him that he “gave unto the queen of Sheba all her desire, whatever she asked, beside that which Solomon gave her of his royal bounty.” So our Royal Benefactor gives more to the sons of men than is in their heart to ask for. And what He gives, He gives freely, out of His royal bounty. As freely as the rain drops from the sky; as freely as the sun casts forth his glorious beams and ripens the fruits of the field; as freely as the wind courses over the earth; as freely as the dew drops upon the morning grass; so free are the gifts of God to His Church and people.
Indeed, in giving Christ, God gave everything. The Apostle declares, He “has blessed us with all spiritual blessings in heavenly places in Christ.” We must never look upon spiritual blessings as broken fragments of the love of God, mere shreds and patches, scattered crumbs, waifs and strays, like floating pieces of some shipwrecked vessel; but we must look on the blessings of the gospel as all stored up in Christ our covenant Head. Whatever is given, is given out of Christ, in Whom it has pleased the Father that all fullness should dwell; and it is by virtue of union to Him, and out of His fullness, that all these blessings are received.
How can we lift up our thoughts—how raise up our hearts—adequately to conceive of the gift of God’s only-begotten Son—His eternal Son—the Son of the Father in truth and love—given out of the bosom of God that He might become incarnate, suffer, bleed, and die; and by a suffering life and meritorious death offer a sacrifice acceptable to God, a sacrifice whereby the sins of God’s people were forever put away?
The grand source of all the admiration and adoration and the eternal blessedness of the saints, will be the holy enjoyment of the ‘mystery of an incarnate God’. The incarnation of the second Person in the glorious Trinity—the eternal Son of the eternal Father—His taking human nature into union with His own divine Person—will be the mystery that will ravish the hearts and fill the lips of God’s saints with an endless theme of admiration and joy through the countless ages of eternity.
To the reader…
How often you hardly dare to ask anything of the Lord, because you feel so unworthy! Do you see the blessings you have received as scattered crumbs, as floating pieces of a shipwreck, which you gather together with difficulty? Then look at the royal bounty of Him Who gives more than the sons of men dare ask of Him. As freely as the rain falls and the sun sends down its beams, so free are His gifts to His people.
For He that spared not His own Son, how shall He not with Him also freely give us all things? All that is given is stored up in Christ, in Whom all fullness dwells. Do not keep your eye, then, on the poverty of your heart, but on the gift of God’s only-begotten Son, Who became flesh, suffered, shed His blood and died. If He has been given to you, then in Him everything has been given to you; and if you have not yet seen Him, ask for Him, for that gift too is free.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El que aun a Su propio Hijo no perdonó, antes Le entregó por todos nosotros, ¿cómo no nos dará también con Él todas las cosas?
Romanos 8:32
He pensado a veces en la dulce figura de Salomón, como tipo de Cristo, en su liberalidad real para con la reina de Seba. Leemos de él que “dio a la reina de Seba todo lo que quiso, y todo lo que pidió, además de lo que Salomón le dio como de mano real”. Así nuestro Real Benefactor da a los hijos de los hombres más de lo que hay en su corazón pedir. Y lo que Él da, lo da gratuitamente, de Su real munificencia. Tan gratuitamente como cae la lluvia del cielo; tan gratuitamente como el sol despide sus gloriosos rayos y madura los frutos del campo; tan gratuitamente como el viento recorre la tierra; tan gratuitamente como cae el rocío sobre la hierba de la mañana; así de gratuitos son los dones de Dios a Su Iglesia y Su pueblo.
En verdad, al dar a Cristo, Dios lo dio todo. El Apóstol declara que Él “nos bendijo con toda bendición espiritual en lugares celestiales en Cristo”. Nunca debemos mirar las bendiciones espirituales como fragmentos rotos del amor de Dios, meros jirones y remiendos, migajas esparcidas, cosas perdidas y extraviadas, como pedazos flotantes de algún barco naufragado; sino que debemos mirar las bendiciones del evangelio como todas guardadas en Cristo, nuestra Cabeza del pacto. Todo lo que se da, se da de Cristo, en Quien agradó al Padre que habitase toda plenitud; y es en virtud de la unión con Él, y de Su plenitud, como se reciben todas estas bendiciones.
¿Cómo podemos elevar nuestros pensamientos, cómo levantar nuestros corazones, para concebir adecuadamente el don del Hijo unigénito de Dios, Su Hijo eterno, el Hijo del Padre en verdad y amor, dado del seno de Dios para que se encarnara, sufriera, derramara Su sangre y muriera; y por una vida de sufrimiento y una muerte meritoria ofreciera un sacrificio aceptable a Dios, un sacrificio por el cual los pecados del pueblo de Dios fueron quitados para siempre?
La gran fuente de toda la admiración y adoración y de la bienaventuranza eterna de los santos será el santo goce del ‘misterio de un Dios encarnado’. La encarnación de la segunda Persona de la gloriosa Trinidad, el Hijo eterno del Padre eterno, Su tomar la naturaleza humana en unión con Su propia Persona divina, será el misterio que arrebatará los corazones y llenará los labios de los santos de Dios con un tema inagotable de admiración y gozo a través de las innumerables edades de la eternidad.
Al lector…
¡Cuántas veces apenas se atreve usted a pedir algo al Señor, porque se siente tan indigno! ¿Ve las bendiciones que ha recibido como migajas esparcidas, como pedazos flotantes de un naufragio, que recoge con dificultad? Mire entonces la real munificencia de Aquel que da más de lo que los hijos de los hombres se atreven a pedirle. Tan gratuitamente como cae la lluvia y el sol envía sus rayos, así de gratuitos son Sus dones a Su pueblo.
Porque el que aun a Su propio Hijo no perdonó, ¿cómo no nos dará también con Él todas las cosas? Todo lo que se da está guardado en Cristo, en Quien habita toda plenitud. No fije, pues, la mirada en la pobreza de su corazón, sino en el don del Hijo unigénito de Dios, que se hizo carne, padeció, derramó Su sangre y murió. Si Él le ha sido dado, en Él se le ha dado todo; y si todavía no Le ha visto, pídale, porque también ese don es gratuito.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl