Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Het geloof en de belijdenis van een pelgrim

Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben ze van verre gezien, en geloofd en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken. Hebreeën 11:13,14

De Heilige Geest geeft in dit hoofdstuk (Hebr. 11) niet slechts een omschrijving van het geloof (zoals wij dat vinden in vers 1) maar breidt die omschrijving ook uit tot een aantal voorbeelden. Het is Zijn oogmerk ons aan te tonen, dat er maar ”één geloof’ is, zoals er maar ”één Heere, en één doop is:” en dat de gelovigen van het Oude Testament hetzelfde geloof deelachtig waren, dat Christus en Zijn discipelen predikten als noodzakelijk tot de zaligheid. Welnu, dit was zeer geschikt tot het doel, in aanmerking nemende de personen, aan wien de brief werd gericht. Deze werd geschreven ”aan de Hebreen,” dat wil zeggen, aan de gelovige Joden, in onderscheiding van de gelovige heidenen: en bijgevolg was het voor de apostel buitengewoon passend, aan te tonen, dat ditzelfde geloof van het Evangelie, dat hij predikte, en waarvoor hij strijdende was, bestond in de dagen van ouds – dat dit woonde in hart en consciëntie, en openbaar kwam in leven en omgang der oudtestamentische gelovigen.

Om dit te bewijzen, brengt hij getuigen bij vanaf de allereerste gelovige, vermeld in de Schrift, Abel, en zet dit zelfs voort tot buiten de oudtestamentische tijden: want in het laatste deel van het hoofdstuk (vers 35) is er een duidelijke zinspeling op een omstandigheid, vermeld in de apocriefe boeken ”en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.” Er is hier een duidelijke zinspeling op een verslag, dat ons gegeven wordt in het boek der Maccabeeën (2 Macc. 7) van een moeder met haar zeven kinderen, wien allen, de één na de ander, hun leven werd aangeboden, op voorwaarde van het Judaïsme te verloochenen: maar die allen bereid waren te sterven onder de grootste folteringen, liever dan afstand te doen van het geloof hunner voorvaderen. Eén van de broeders, toen hij op het punt stond te sterven, sprak aldus: ”het is goed, wanneer men door de mens wordt ter dood gebracht, het van God te verwachten, weer door Hem te worden opgewekt.” (vers 14)

Aldus toont de apostel aan, dat al de oudtestamentische gelovigen, van wien de Joden de hoogste dunk hadden, en van wien de Heere Zelf het krachtigste getuigenis had geschonken, zoals Henoch, die werd weggenomen: Noach, die behouden werd in de ark: Abraham, hun voorvader, waarvan zij in directe linie afstamden: Sara, zijn vrouw: Izak, Jakob, Jozef, Mozes en anderen, waarvoor hem de tijd zou ontbreken ervan te spreken – dat al deze oudtijdse gelovigen hetzelfde geloof deelachtig waren, dat werd verkondigd in het Evangelie. Het is alsof de apostel sprak: ”het is geen nieuw geloof, dat wij prediken: uw voorvaderen hebben het bezeten en werden erdoor behouden. De Schriften, in uw handen, getuigen ervan: op hen beroepen wij ons, als onze getuigen, dat de gelovigen vanouds hebben geleefd, en zijn gestorven in het geloof, dat wij thans door het Evangelie tot u prediken!”

De woorden, waaruit ik vanavond hoop te spreken, hebben voornamelijk betrekking op het geloof van Abraham, Izak, en Jakob: want dezen, met Sara, schijnen de personen te zijn, van wien de apostel zegt: “Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben ze van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken.”

Met Gods zegen zal ik vanavond trachten het geloof te tekenen, waarvan in de tekst wordt gesproken: indien God me ertoe in staat stelt, zal ik aantonen wat de vruchten en uitwerking ervan waren in het hart dergenen, aan wien het geschonken was: en welk een belijdenis zij met hun mond en leven hebben afgelegd.

I. Het eerste punt, waarvoor ik uw aandacht zal vragen, is vervat in het tekstgedeelte ”de beloften niet verkregen hebbende.” Van wien spreekt de apostel hier? Van Abraham, Izak en Jakob, de voorvaderen der Hebreen, waarvan zij in rechte linie afstamden, en aan wien hij schreef. Maar welke waren de beloften, die God aan Abraham, Izak en Jakob gaf? Wanneer u het boek Genesis naslaat, dan zult u vaststellen, dat de belofte, hen geschonken, tweeledig was: en dat de Heere dezelfde belofte tot elk van deze patriarchen herhaalde. De ene was, dat het land Kanaan hen en hunne geslachten werd geschonken, tot een eeuwige erfenis: en de andere, dat ”in Abraham, en zijn zaad, alle geslachten des aardrijks zouden gezegend worden.” Aldus was één der beloften tijdelijk, hoewel ongetwijfeld zinnebeeldig: en de andere geestelijk, heenwijzend naar de Messias, Die uit de lendenen van Abraham zou voortkomen, en in Wien het gehele uitverkoren zaak gezegend wordt met alle geestelijke zegening in de hemel.

Dit waren de twee voorname beloften, op welke hun geloof was gegrond: en nochtans werd geen van deze beide beloften ooit in hun volkomen vervulling door hen ontvangen. Houd dit in gedachten, dat zij een deel van de belofte ontvingen: maar, omdat zij niet de ganse belofte hadden ontvangen, spreekt de Heilige Geest in de tekst van hen, als ”de beloften niet verkregen hebbende.” Dit geeft opheldering over hetgeen een kleine tegenstrijdigheid schijnt te zijn: want wat verder op (vers 17) lezen wij: ’’Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijnen eniggeborene geofferd.” Welnu, daar verklaart de Heilige Geest, dat hij ”de beloften ontvangen had:” en in onze tekst lezen wij evenwel, dat hij de beloften niet ontvangen had. Een werkelijke tegenstelling is er niet. Hij ontving de beloften in een gedeelte ervan: maar hij ontving deze niet in hun volkomen vervulling. Hij had er een onderpand van, maar niet de gehele oogst: hij had de eerste vruchten, maar de gehele oogst was nog niet ingezameld. Bijvoorbeeld. Hij was een vreemdeling in het land Kanaan, en ’’heeft in tabernakelen gewoond,” zoals wij lezen, of in tenten, met ”de mede erfgenamen derzelfde belofte.”

Abraham, Izak en Jakob waren maar gasten in het land Kanaan, ofschoon dit hen tot een erfdeel geschonken was: zij hebben er evenwel allen hun beenderen doen begraven, en namen het aldus tot een bezitting in de dood. Maar hun geloof greep dit aan als hun erfdeel, en daarom wilde Abraham de knecht zijns huizes niet toelaten, zijn zoon Izak mee terug te nemen naar zijn eigen land, het land der Chaldeën (Gen. 24:6 – 8): en Jakob en Jozef lieten een opdracht na op hun sterfbed, dat hun beenderen uit Egypte zouden worden opgevoerd, en zouden worden begraven in het land Kanaan (Gen. 49:29 – 50 : 25).

Verder ontvingen zij niet de algehele vervulling der belofte, dat ”in Abraham, en zijn zaad, alle volken aarde zouden gezegend worden.” (Gen. 22:18) Het was bijna twee duizend jaar nadat de belofte voor het eerst was geschonken, alvorens Christus in de wereld kwam: en in deze zin hebben zij daarom ”de beloften niet verkregen,” omdat zij de algehele vervulling ervan, die voor de toekomst was weggelegd, niet verkregen hebben.

II. Doch, hoewel zij de beloften in de zin, welke ik heb verklaard, niet verkregen hebben, lezen wij evenwel: “zij hebben ze van verre gezien.” De beloften, welke God hen geschonken had, werden voor hun geloofsoog gehouden: en door dit geloof zage zij de beloften bijna op handen: ofschoon in betrekking tot hun daadwerkelijke vervulling, deze nog verre waren. Want, dat is de betekenis van de uitdrukking – niet, dat zij de beloften zagen, als nog verre zijnde, maar, dat zij zelf ver weg verkerende, of naar de tijdsduur ver van de volkomen vervulling ervan verwijderd zijnde, zij deze evenwel als op handen zagen. Want anders zouden zij deze niet ’’omhelsd” hebben. Wij omhelzen niet wat op een afstand is, maar wat nabij is, ja wat meer is, wat zich reeds in onze armen bevindt. Aldus zag Abraham door het geloof, dat zijn nakomelingen eenmaal het land Kanaan zouden beërven, waarin hij als gast verkeerde: en in de oefening van dat geloof, begroef hij zijn vrouw Sara in de spelonk van Machpéla, en hijzelf werd op dezelfde plaats begraven (Gen. 25:9,10).

In een overeenkomstig geloof leefden en stierven Izak en Jakob: en hun beenderen werden in hetzelfde land begraven. Aldus zagen zij de zekerheid van de beloften van verre, ofschoon geen van hen in hun tijd de volkomen vervulling ervan genoot. Dit is de wijze, waarop het geloof ook nu werkt: en indien wij hetzelfde geloof hebben, dat zij bezaten (want het oogmerk van de apostel in dit hoofdstuk is aan te tonen, dat er maar ”één geloof’ is), dan zal dit op dezelfde wijze werkzaam zijn, en in dezelfde bedding stromen.

Verkrijgen wij de beloften van het hemelse Kanaan dan niet op dezelfde wijze, als Abraham de belofte verkreeg, dat zijn zaad het aardse Kanaan zou beërven? Het land Kanaan was zinnebeeldig voor dat betere land, voor die rust, welke er overblijft voor het volk van God.

Abraham was een gast in het land: hij kon nimmer zeggen, dat één voet ervan zijn eigendom was; evenwel doorwandelde hij het land, gelovende, dat het alles zijn eigendom was door een Goddelijke belofte, en dat zijn kinderen er in het volle bezit van zouden komen. Ja, zelfs toen hij zijn vrouw van voor zijn aangezicht wenste te begraven, moest hij een graf kopen van de zonen Heths. Is dit voor Gods kinderen niet de weg aangaande hun eeuwige erfenis? God heeft hen een thuis geschonken boven en heeft hen een eeuwig gewicht der heerlijkheid beloofd. Het hemelse land is hun eigendom, en Christus, de Voorloper heeft er reeds bezit van genomen. Het is hun eigendom door de belofte en de gelofte Gods; en evenwel niet door dit voor het ogenblik te bezitten. Zij bezitten het in de belofte, maar niet in de genieting; in de verwachting, maar niet in werkelijkheid. Zij vertoeven tijdelijk in een woeste, huilende wildernis, die stad verwachtende, die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is, hopende op een beter vaderland, namelijk een hemels vaderland, en evenwel is het heel ver weg. In deze zin verkrijgen wij dus de belofte niet; wij hebben het onderpand, de eerste vruchten, het begin, maar de volkomen vervulling ervan is weggelegd voor een toekomstig tijdstip.

Welnu, dit is de wijze, waarop het geloof wordt geoefend. Was het niet zo met de patriarchen? Vijf verschillende keren beloofde de Heere Abraham nadrukkelijk, dat zijn zaad het land Kanaan zou beërven (Gen. 12:7-13; 15:7/18; 17:8). Dezelfde belofte herhaalde Hij tot Izak (Gen. 26 : 3), en voorts tot Jakob te Bethel (Gen. 28:13), en nochtans was het land in het bezit van zeven sterke volken, die in de ommuurde plaatsen en steden woonden, terwijl zij in tenten woonden, ronddolende, als zwervers in het land, dat, naar zij geloofden hun eigendom worden zou, omdat God het tot hun eigendom had gemaakt door een Goddelijke schenking. Mogen wij niet terecht veronderstellen, dat hun hart bij ogenblikken geoefend werd, toen zijn zichzelf beoordeelden als een paar geringe bijwoners, en zagen, dat het land in eigendom was van gewapende inwoners?

Mensen van gelijke beweging als wij, en bezet met dezelfde zwakheden, moet hun geloof niet vaak geschud zijn, of de belofte ooit haar vervulling hebben zou? Beschouw hun moeilijkheden. Hoe zouden hun gezinnen in menigten kunnen opwassen, die voldoende waren om het land in bezit te nemen? Hou zouden zij kunnen opstaan tegen de strijdlustige inwoners ervan, zonder dat dit in de kiem zou worden gesmoord? Wij, die de Bijbel in ons land hebben, en de geschiedenis van het verleden lezen, kunnen ons geen denkbeeld vormen van de moeilijkheden, die hen twijfelmoedig deden zijn.

Thans kunnen wij opmerken, dat zij in de verborgen voorzienigheid Gods, naar Egypte moesten afgaan, om daar te vermenigvuldigen, en te worden tot een aantal van zeshonderdduizend strijdbare mannen, benevens de vrouwen en kinderen. Voor ons is het boek van het verleden geopend, en wij kunnen de belofte en de vervulling lezen, maar voor hen was het boek der toekomst verzegeld, en zij hadden niet meer dan een blote belofte om te omhelzen. Hoe beproefd en geoefend moet hun gemoed wel zijn geweest, toen zij het land heen en weer doorwandelden, en hoe moet hen de moed hebben begeven, bij de overweging, hoe zij dit ooit zouden kunnen ontrukken aan de bezitters ervan van dat ogenblik!

Wat was Jakob verschrikt, vrezende, dat het geweld van zijn beide zonen hun wraak over hen zou brengen! ’’Toen zeide Jakob tot Simeon en tot Levi: Gij hebt mij beroerd, mits mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, onder de Kanaanieten, en onder de Ferezieten, en ik ben weinig volks in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.” (Gen. 34:30). En aldus is het thans met de geoefende kinderen Gods. Hij, die zichzelf kent door Goddelijk onderwijs, en die een glimp van de toekomstige gelukzaligheid en heerlijkheid ontvangen heeft, zal vaak aldus bij zichzelf redeneren: ”Wat is zulk een ellendig, blind, onkundig schepsel als ik toch omringd door zovele vijanden, benauwd of verlokt door zovele van satans verzoekingen, bezet met de werkingen van een verdorven natuur – hoe zal ik ooit de hemelse erfenis binnengaan, en de beloofde rust genieten?” Het ware geloof moet altijd het hoofd bieden aan moeilijkheden. Er zijn twee zaken, welke het geloof als echt stempelen.

Eén ervan omvat de natuur des geloofs; de andere omvat de beproeving des geloofs. En merk op, hoe de apostel deze beide kenmerken des geloofs tesamenbrengt in het hoofdstuk onzer verhandeling, evenals in Romeinen 5:a. dat de natuur des geloofs is te geloven, hetgeen God in de ziel heeft geopenbaard en verzegeld; en b. de beproeving ervan is, dat er een voortdurende tegenstand tegen geboden wordt. Beschouw bijvoorbeeld het geloof van Abraham in betrekking tot het beloofde zaad. Het kleefde de belofte aan, dat zijn zaad, wat betreft het aantal, even talrijk zou zijn als de sterren des hemels. Dit was zijn rechtvaardigend geloof, zoals wij lezen in Genesis 15:6 ”En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.” Aldus te geloven was de natuur en het wezen van zijn geloof. Maar had dit geen beproeving? Ging alles op gemakkelijke wijze op de vervulling der belofte aan? Waren er geen (zal ik het woord gebruiken? te krachtig is het niet) onmogelijkheden in de wasdom?

En het geloof van Abraham kleefde evenwel de belofte Gods aan, in weerwil van al deze onmogelijkheden. Het waren de werkzaamheden van het levende geloof, ondanks de onmogelijkheden, welke bewezen, dat dit het geloof was der uitverkorenen Gods: en God werd verheerlijkt in het wegnemen van deze onmogelijkheden op Zijn eigen soevereine wijze, en in de vervulling van de verhoring op Zijn eigen bestemde tijd. Zodat een gerust geloof, een geloof, dat nimmer onderworpen is aan twijfel, een geloof, dat nooit bestreden wordt door satan, een geloof, dat nimmer aangevallen wordt door twijfels en vrees en door de ongelovige verdachtmakingen van ons vleselijke hart, een geloof van zulk een kalme, zorgeloze aard, niet het levende geloof is, dat de gelovigen Gods bezaten in de dagen vanouds. Hun geloof was van deze aard: het steunde op de belofte Gods, bekendgemaakt aan hun consciëntie door een Goddelijk getuigenis, temidden van, en in weerwil van al de moeilijkheden en beletsels, welke streden tegen de vervulling ervan. Want hun geloof was niet ”God op Zijn Woord aan te nemen,” zoals men dit noemt, omdat er zulke en zodanige waarheden in de Schrift werden gevonden, want in hun tijd was er niet één regel van de Bijbel geschreven, maar zij geloofden hetgeen God met Zijn eigen mond, met Goddelijke kracht tot hun hart sprak.

En dit is nu de natuur van het geloof, de belofte, die met Goddelijke kracht tot het hart gesproken wordt, te geloven, terwijl alles in de natuur ertegen opkomt, en aldus stand te houden, ondanks alle onmogelijkheden, welke als een molensteen rond zijn nek hangen. Wanneer uw geloof dus nimmer onderworpen is aan moeilijkheden, beproevingen, twijfels en tegenstand, wanneer u altijd kunt geloven, en de beloften in het Woord kunt aangrijpen, zoals u een boterham van het brood zou snijden, aan uw ontbijttafel, moet dan niet worden gevreesd, dat dit een dood geloof is, en dat u niets anders bent, dan een dode belijder?

Op deze wijze moet het geloof van Abraham ook zijn beproefd in betrekking tot de beloofde Messias. God maakte hem bekend, dat ”in hem en in zijn zaad alle geslachten des aardrijks zouden gezegend worden.” (Gen. 12:3, 22:18). Maar wat een moeilijkheden lagen er op de weg! Hoe leek de belofte dag aan dag steeds verder verwijderd te zijn! Hoe hield de Heere de vervulling der belofte vijfentwintig jaar achter! Moet de moed Abraham niet vaak ontvallen zijn? Hij en zijn vrouw steeds ouder wordende; en de vervulling der belofte steeds verder verwijderd door de natuurlijke omstandigheden! Maar nochtans hield zijn geloof vast aan de belofte Gods, in weerwil van dit alles. Dus, om de hemel te bereiken, moeten wij moeilijkheden, onwaarschijnlijkheden, ja zelfs onmogelijkheden doorworstelen. Wij zullen zodanige belemmeringen, zulke beletsels, en hindernissen ontmoeten, dat de natuur het zal begeven en de geest zal geven, evenzeer als het verouderde lichaam van Abraham en Sara. En nochtans, zoals de Goddelijke kracht, in hun geval, triomfeerde over het sterven der natuur, zo is de genade zeer overvloedig in het geval van de christen over alle overvloed van zonde, en doet deze hem behouden in de heerlijkheid aanlanden.

Doch dit was het voorname punt, waarin het geloof van Abraham en dat van de patriarchen op een opzienbarende wijze openbaar kwam, dat “zij de beloften van verre gezien hebben.” Hoewel de beloften, om zo te zeggen, zo ver verwijderd waren, dat deze door het oog der zinnen, der natuur, en door het oog der rede niet konden worden gezien, de verrekijker des geloofs drong evenwel door alle tussenliggende ruimte heen, en greep de belofte aan, welke God aan het hart verzekerd had.

Ik mag dit wel aldus toelichten. Heeft niet de liefde, ik bedoel de natuurlijke liefde, een erg scherp oog? Hoe kan de beminnaar (niet om het onderwerp te verlagen) op een afstand getuigen van de gedaante en gestalte van de persoon die hij liefheeft, waar het oog van een ander dit niet zou kunnen waarnemen!

En heeft de liefde niet een erg scherp oor? Hoe goed kent de liefhebbende vrouw de voetstap van haar echtgenoot! U moeders, kent u niet het schreien van uw kinderen? U kunt de stem van uw kind wel uit duizend anderen onderscheiden. Aldus is het met het geloof. Het is zo scherp van gezicht, wat aangaat het zien in de toekomst, zo scherp van gehoor om te horen, wat de Heere tot haar spreekt, zo scherp van gevoel, dat het gevoelt, alhoewel duistere wolken en donkere nevels het rondom besluiten. Aldus zagen zij de belofte ”van verre.”

III. Doch wat is de volgende zaak, welke wij lezen van deze gelovigen van de oude dag? ” En hebben geloofd.” (Eng. Vert.: En waren ervan overtuigd) Dit is de natuur des geloofs, overtuigd te zijn van de wezenlijkheid en van de zekerheid van de beloften Gods. Wij lezen daarom in het eerste vers van dit hoofdstuk ”het geloof nu is een vaste grond (of toeëigening) der dingen, die men hoopt, en een bewijs (of overtuigend bewijs) ”der zaken, die men niet ziet.” Het is de natuur des geloofs de dingen toe te eigenen, welke God gesproken heeft, en te geloven, dat deze allerzekerst en waar zijn, hoewel de natuur, het gevoel, en de rede deze weerspreken. Het geloof doet dus dingen wezenlijk zijn, en geeft een vaste grond aan dingen, welke voor andere personen niet meer dan schaduwen zijn. Het levende geloof van de uitverkorenen Gods is niet maar een voorbijgaande gedachte, of haastig oordeel, of willekeurige verbeelding; neen, noch een goed gefundeerde gevolgtrekking van argumenten en bewijzen, noch enige oefening der rede, in de minste of in de hoogste mate. Het is een gave Gods in de ziel, even onderscheiden van de zinnen en de rede, als het oog van een levend mens onderscheiden is van het oog van een marmeren standbeeld. En het werk en de taak ervan is, de waarheden Gods, welke eraan geopenbaard worden tot gezegende wezenlijkheden te doen worden, zich als hemels voedsel ermede te voeden, en te geloven, dat deze even zeker zijn en veel duurzamer, dan de dingen, welke het lichamelijk oog waarneemt, het natuurlijke oor hoort en de letterlijke hand aanraakt.

Is uw geloof van dien aard – een zaak, die een vaste grond, wezenlijkheid, en kracht in zich bergt? Al het andere geloof is maar ijdelheid en misleiding; alle andere geloof laat de ziel onder de toorn Gods. Aldus hebben deze oude patriarchen, dit levende geloof bezittende, de waarheid van die zaken, welke hen geopenbaard waren, en de zekere vervulling van die beloften, welke God hen geschonken had, geloofd. Zij wisten, dat er geen onzekerheid in de zaak lag; doch waren ervan overtuigd, dat God, Die niet liegen kan, de beloften, welke Hij gedaan had om Zijns eigen Naams wil, zou willen vervullen. Er ligt, naar ik geloof, een erg zoete betekenis vervat in het woord ”geloofd” (Eng. vert.: overtuigd). Er lig een zachtheid, tederheid, en nochtans een bevindelijke kracht en schoonheid in, welke ik erg bewonder. Wanneer iemand u in een zaak overtuigt, dan is dit uw eigen wil; u wordt er niet toe gedreven, gedrongen, of gedwongen. Iemand kan vele dingen doen door middel van omstandigheden, of uit dwang van anderen – dat is geen overtuiging. Overtuiging sleept het hart mede. En dit stemt overeen met hetgeen wij lezen in Psalm 110:3 “Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht.”

Wanneer iemand me van iets overtuigt, dan doe ik dat gewillig, opgeruimd en met genoegen. Het was aanvankelijk inderdaad niet mijn eigen idee; maar hij heeft, om zo te zeggen, zijn gedachten en wil op mij overgebracht, en nu zijn het evenzeer mijn gedachten en is het evenzeer mijn wil geworden, alsof het bij mezelf is opgekomen. Hij heeft me zijn ogen gegeven, en thans zie ik het, zoals hij dat doet. Wanneer dus in de tekst wordt gezegd, dat de patriarchen ”de beloften geloofd” hebben, dan geeft dit te kennen, dat de beloften zo met Goddelijke kracht in hun hart waren gebracht, met zulk een zoetigheid aan hun ziel werden medegedeeld, dat de gedachten en wille Gods hun gedachten en wil waren geworden. Hun hart was in een gestalte gebracht, om deze als zoet, dierbaar en gepast te ontvangen, Gode de ere gevende, en henzelven de gelukzaligheid brengende. O, wat een niet te waarderen zegen is het toch, dat men de waarheid van de beloften Gods gelooft door een openbaring ervan in onze consciëntie!

En u gelieve te bedenken, dat iemand te doen geloven (Eng. vert.: iemand te overtuigen) te kennen geeft, dat er een moeilijkheid moest worden overwonnen. Wanneer ik iemand ervan overtuig iets te doen, dan veronderstelt dit, dat de persoon aanvankelijk niet gewillig is dit te doen, maar uiteindelijk door mijn argumenten, of vanwege zijn natuurlijke liefde tot mij, of door de invloed, welke ik over hem moge hebben, is hij overtuigd het te doen. Gij vrouwen, u weet wat het zeggen wil soms uw echtgenoten van iets te overtuigen, dat u wenst dat gedaan wordt. U kunt hen niet drijven, nóch dwingen, want u bent het zwakkere vat, maar u overtuigt hen op vriendelijke wijze, en dan volgen zij op de aangegeven weg, en doen zij dit op een opgeruimde en gewillige wijze. Aldus is het geestelijkerwijs. Wanneer de Heere een belofte aangenaam doet zijn, de Waarheid aan ons hart verklaart, ons de schoonheid en de heerlijkheid te zien geeft, die er is in de Zoon Zijner liefde, dan overtuigt Hij ons tot het in liefde aannemen, van hetgeen Hij met kracht openbaart. Dit wordt in de Schrift genoemd een aannemen van de liefde der waarheid, opdat wij mogen zalig worden, (2 Thess. 2:10) een openen van het hart (Hand. 16:14), een neigen van het oor, opdat onze ziel leven moge, (Jes. 55:3) en het schijnt in het bijzonder in dat vers (Gen. 9 : 27) te worden samengevat: ”God breide Jafeth uit (Eng. Kantt.: over tui ge Jafeth), en hij wone in Sems tenten! en Kanaan zij hem een knecht!”

Aldus wordt ons hart tot de Heere uitgehaald, en wij nemen de Waarheid aan, zoals die in Jezus is, niet uit dwang, niet alleen maar als een bespiegeling, een begrip, of beschouwing in ons verstand, maar met Goddelijke kracht. Hart en consciëntie worden overtuigd; de opstandige wil wordt overwonnen, het ongeloof en de ontrouw wordt het zwijgen opgelegd; en er vindt datgene plaats, waarvan de apostel spreekt: ’’dewijl wij de overleggingen ter- nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus (2 Cor. 10:5).

V. En dit voert ons tot de volgende zaak, welke er gesproken wordt van deze oude patriarchen, dat zij ”deze hebben omhelsd.”  Wat omhelsden zij? De beloften. Maar heet het in een voorafgaand tekstgedeelte niet, dat ”zij deze niet verkregen hebben”? Hoe konden zij dan omhelzen, hetgeen zij niet hadden verkregen? Het is waar, zij hadden deze niet verkregen in hun volkomen vervulling, doch zij omhelsden deze als nog te vervullen. Dit zijn twee onderscheiden zaken. Wij kunnen de belofte van een zaak omhelzen, en deze nochtans niet in haar ganse vervulling verkrijgen. En dit was de weg met de oude patriarchen; zij verkregen de beloften niet in hun ganse vervulling, maar zij omhelsden die belofte ervan, welke in hun hart was geschonken. Alhoewel zo van verre, bracht het geloof deze nabij; en hetgeen het geloof in hun hart bracht, grepen hun genegenheden aan en omhelsden dit. Naar mijn mening ligt er iets in het woord ’’omhelzen”, dat heel zoet en krachtig is. Het geeft te kennen een aangrijpen van een geliefd voorwerp, een in onze armen sluiten ervan, een aan onze boezem brengen ervan, een schenken van al onze tederheid en liefde eraan. Dit is de wijze, waarop Gods volk de waarheid omhelst. Deze wordt in de armen der liefde gesloten, als iets, dat zoet, gepast, dierbaar, vertrouwd, en kostelijk is. En nochtans worden de beloften, die aldus omhelsd worden van verre gezien, en niet in hun ganse vervulling verkregen.

God heeft vele beloften aan Zijn volk geschonken. Hij heeft hen ”het eeuwige leven” beloofd, (Titus 1:2) dat alle dingen hen zullen medewerken ten goede, (Rom. 8:  28) dat Hij hen niet begeven, noch verlaten zal, (Hebr. 13:5) en dat zij uiteindelijk met Hem zullen zijn, waar Hij is (Joh. 14:2, 3) Het volk van God verkrijgt deze beloften niet in hun ganse vervulling. Zoals de patriarchen zijn zij gasten en vreemdelingen op aarde. Het erfdeel der heiligen ligt nog in de toekomst, maar nochtans wordt er een genoegzame mate van de zoetigheid en heerlijkheid ervan geschonken, om hen aan te tonen, wat het is en om in hun ziel een liefde en toegenegenheid te verwekken, waardoor de beloften dienaangaande, als zijnde zoet, gepast en dierbaar, worden omhelsd. Een zaak te omhelzen geeft een toegenegenheid te kennen aan de zijde van de persoon, die omhelst; het geeft innigheid te kennen, en ook, dat wij verlangen het voorwerp zo dicht aan ons hart geklemd te houden, als wij maar kunnen. Zodat, wanneer de ziel de beloften omhelst, dit niet geschiedt met ons redenerend verstand, zoals wij natuurlijke waarheden aannemen, maar in geloof, hoop en liefde, als kostelijke wezenlijkheden.

Er zijn trappen in deze Goddelijke omhelzing der Waarheid, vanaf de zwakste werkzaamheden van dat geloof, dat door de liefde werkt, tot de hoogte, waarvan Petrus spreekt: ”Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt; in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.” (1 Petr. 1:8). Er zijn vele mannen, die, wat men de Waarheid noemt, prediken, maar, wanneer u het voorname oogmerk en de strekking van hun preken beschouwt, wat is het dan? Alleen om de gedachten der mensen met zekere denkbeelden te vullen; om hun verstand te onderrichten; hen af te brengen van remonstrantse dwalingen; en hen te bevestigen in een gezonde geloofsbelijdenis. De leer der vrije wil ervan langs geven, en het leerstuk der vrije genade bewijzen; iets nieuws uit de Schrift aantonen; de remonstranten bespotten, en de calvinisten vleien, is, naar moet worden gevreesd, hetgeen waar ”de prediking van het Evangelie” op neer komt. Doch dit zal iemand, wien de Heere in de bediening heeft uitgestoten, niet bevredigen. Te zien, dat de mensen zichzelf bedriegen in het geloof, dat zij kinderen Gods zijn, omdat zij een paar gezonde meningen in hun hoofd hebben, omdat er wat schriftuurlijke gevoelens in hun hersens drijven, en omdat zij verstandelijk een calvinistische geloofsbelijdenis hebben omhelsd.

O, wat een schouwspel voor een oprechte man Gods! Wil hij, kan hij zulk een misleiding aanmoedigen, wanneer hij weet, dat er zielen op het spel staan, en de eeuwigheid op handen is; dat de zaligheid niet bestaat uit een paar onrijpe denkbeelden, of gezonde leerstukken, maar dat het een eeuwige wezenlijkheid is; bekendgemaakt, en geopenbaard aan de consciëntie, door de kracht van God de Heilige Geest? Zoals de stevige bries de golvende nevels voor zich heen jaagt, zo drijft de noordenwind van de onderwijzingen des Geestes deze misleiding uit het hart van de gelovigen des Heeren; en wanneer de zuidenwind over hun ziel blaast, dan omhelzen zij de Waarheid, omdat deze in hun hart neerdaalt uit de mond Gods, als de dauw des hemels. De Waarheid en het hart van de gelovige zijn als het tapgat en de tap; het tapgat is nutteloos zonder de tap, en de tap is nutteloos zonder het tapgat; doch voeg ze beide tezamen, er is een eenheid. Aldus is het bij Gods volk. Hun hart is het tapgat, om zo te zeggen, uitgehold en uitgebeiteld; er is een plaats in gegraven, welke de Heere kan innemen, en waarin de Waarheid met Goddelijke kracht ingang vinden kan.

Totdat iemand is ontledigd en ontbloot, en er plaats is gemaakt in zijn hart voor de Heere om er bezit van te nemen, hebben de tap, het Woord Gods, de kracht der Waarheid Gods, en de beloften Gods geen plaats in zijn hart, zoals de Heere tot de Joden sprak: ’’Mijn Woord heeft in u geen plaats.” (Joh. 8:37). Zij hadden behoefte eraan, dat het inwendige werk des Geestes, een plaats uitbeitelde, om de Waarheid Gods gepast te doen zijn. Maar wanneer het hart, onder de Goddelijke onderwijzingen geoefend, terneergebogen en vernederd wordt; wanneer de wereld en haar bekoringen uit het gezicht verdwijnen, en de eeuwige wezenlijkheden komen met kracht op de consciëntie – dan worden de dierbare beloften, welke God in Zijn Woord heeft geopenbaard, in het bijzonder die, welke spreken van verlossing door het bloed des Lams en van de rechtvaardigmaking door Zijn toerekende gerechtigheid, omhelsd in de armen der liefde en genegenheid, als zijnde zoet en gepast.

Op deze wijze hebben de oude patriarchen de beloften omhelsd. Toen zij het land Kanaan doorwandelden, waarin zij gasten waren, dachten zij aan de tijd, wanneer hun nakomelingen dit zouden beërven; en zij omhelsden het als zijnde voor hen. Aldus gebood de Heere Abraham: ’’Maak u op, wandel door dit land, in zijne lengte en in zijne breedte; want Ik zal het u geven.” (Gen. 13:17). Abraham zag dus welk een uitnemende erve het voor zijn kinderen was om in te wonen. Zo is het ook geestelijkerwijs. Soms laat de Heere een kleine proeve van de hemel in de ziel afdalen, schenkt Hij een aangenaam rusten van de zonde, van de duivel, van twijfels, vrees, en van twijfelmoedigheden; en zoals Hij Mozes op de hoogte van Pisga stelde, en hem het land in zijn volle lengte en breedte toonde, zo stelt Hij soms Zijn volk op de hoogte van het geestelijke Pisga, en toont hen door het geloof het uitnemende land, dat hun erve is.

Dit omhelzen zij in de zoetigheid, kracht, en wezenlijkheid ervan; hun genegenheden gaan ernaar uit als naar hun eeuwig huis, gelovende, dat zij eenmaal daar zullen zijn, waar geen zonde en smart meer zullen zijn, waar de inwoners niet zullen zeggen; ”ik ben ziek,” en waar de tranen van alle aangezichten zullen worden afgewist. Zo ook in betrekking tot de belofte van de Messias. Abraham, en de patriarchen waren er niet alleen van overtuigd, dat de Heere de Messias schenken zou uit de lendenen van Abraham, maar zij omhelsden dit en gevoelden, dat er zoetigheid en kracht in lag, hun geloof sprong over de gehele afstand heen, welke hen scheidde van de vervulling ervan; en zij verheugden zich erin, alsof dit reeds vervuld was. Aldus sprak de Heere tot de Joden: ’’Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijnen dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest” (Joh. 8:56). Hij keek over de tussenliggende bijna tweeduizend jaar heen. Zijn geloof sprong over ieder beletsel heen, en hij zag de dag, waarop God in het vlees zou verschijnen, waarop de Zone Gods in de wereld zou komen om het lichaam, dat voor Hem was toebereid in de buik van de maagd Maria, in rechte linie een afstammeling van Abraham, aan te nemen.

Maar dan negentienhonderd jaar voordat de Godmens kwam, Zijn bloed stortte aan het kruis op Calvarië, en opstond van de doden, omhelsde Abraham de kracht van dat bloed om zijn consciëntie te reinigen, en de kracht van die gerechtigheid, om hem voor God te rechtvaardigen. Weliswaar hebben wij de beloften ontvangen in de vervulling ervan, maar wij hebben soortgelijke ontdekkingen nodig, gezichten van Pisga, glimpen en schijnsels van ”de Koning in Zijn schoonheid”, teneinde Hem te omhelzen in de armen des geloofs, en te spreken: ”Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!” (Ps. 73:25). De oude Simeon nam aldus in de tempel het Kindeke Jezus in zijn armen, en sprak: ”Nu laat Gij, Heere Uwen dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord. Want mijne ogen hebben Uwe zaligheid gezien.” (Luk. 2:29,30). En ook wij kunnen niet eerder de woorden van die bejaarde gelovige gebruiken, voordat wij de Heere van leven en heerlijkheid in de armen des geloofs en der liefde sluiten.

Wat is het een zegen Jezus en de Waarheid, zoals die in Jezus is, in een levende consciëntie en een gelovig hart te omhelzen, door de werking van de gezegende Geest, en aldus de zoetigheid, dierbaarheid, de wezenlijkheid, en de kracht der levende godzaligheid te gevoelen! Hoe onderscheiden is dit van alleen maar een gezonde calvinist te zijn, een nauwkeurige reeks van gevoelens en van schriftuurlijke bevattingen van het verlossingsplan in onze gedachten zwevende te hebben, terwijl het hart even ontbloot is van de Goddelijke zalving en van het hemelse onderwijs, als de stenen in de straat, waarop wij voortgaan! V. Doch wat was de uitwerking van dit geloof op de bejaarde patriarchen?

“Zij hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.”

Wat deed hen getuigenis geven van deze goede belijdenis? Het was, omdat zij, de beloften van verre ziende, en deze omhelzende, een mate van de zoetigheid en kracht ervan voelden. Wanneer u let op hetgeen verhaald wordt van de drie patriarchen: Abraham, Izak en Jakob, dan zult u opmerken, dat zij allen erkenden gasten te zijn in het land. Abraham sprak tot de zonen Heths: ”Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u.” (Gen. 23:4). Hier beleed hij, dat hij een gast en een vreemdeling op aarde was. Wij vinden Izak dezelfde belijdenis doen, toen hij Jakob naar Paddan-Aram zond: ”God Almachtig geve u de zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.” (Gen. 28:4).

En wij vinden Jakob dezelfde verklaring afleggen voor Farao (en hierop schijnt de apostel maar in het bijzonder te zinspelen), ”de dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijn levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.” (Gen. 47 : 9). Aldus zien wij deze drie patriarchen belijden, dat zij gasten en vreemdelingen op aarde waren; en dit, zo spreekt de apostel, vloeit voort uit hun van verre zien der beloften, en uit het geloven en omhelzen derzelve. Het was, omdat deze drie dingen in hun consciëntie gewerkt waren, dat zij deze belijdenis deden. Doch deze erkenning met de mond kwam voort uit het gevoelen ervan in hun ziel, is het niet zo? Want ”met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid.” (Rom. 10 : 10). ”lk heb geloofd; daarom sprak ik.” (Ps. 116:10).

De getuige in het hart eerst, de getuige in de mond daarna; het geloof de wortel, de belijdenis de vrucht. Aldus met deze patriarchen; zij beleden, dat ze gasten en vreemdelingen waren, omdat zij dit gevoelden; anders zou hun belijdenis maar geveinsdheid zijn geweest. Wat deed hen gasten en vreemdelingen zijn? Hun geloven van de beloften; deze van verre gezien hebbende, hebben zij deze omhelsd in hun consciëntie. Aanschouw het geval van Abraham. Bezat hij niet alles om hem in natuurlijk opzicht gelukkig te doen zijn? Had hij niet meer dan driehonderd gewapende knechten – onderwezenen – om de rust zijner bezittingen te verdedigen? Deze knechten waren soldaten, konden tenminste als soldaten dienst doen, om de rust zijner goederen te verdedigen. Hij was op een zeer overvloedige wijze rijk aan schapen en runderen, nochtans was hij een gast en vreemdeling; en ongetwijfeld vaak bezwaard en beproefd door de moeilijkheden van de weg. Het was, omdat deze patriarchen de eeuwige wezenlijkheden in hun hart en consciëntie hadden ontvangen, dat zij zichzelf gasten en vreemdelingen op aarde gevoelden. Niets anders zal dit teweegbrengen. Vele mensen zeggen, dat zij ’’gasten en vreemdelingen” zijn hier beneden, maar zij dragen er wel zorg voor, dat zij zoveel van de gerieflijkheden dezer wereld ontvangen, als zij, hoe dan ook maar, kunnen bijeenschrapen.

Zij praten ervan vreemdelingen te zijn, evenwel kunnen zij een nauwe omgang hebben met wereldse mensen. En zoudt u ze op de beurs, op de markt, achter de toonbank, of thuis in hun gezin kunnen zien, dan zoudt u niet één kenmerk vinden om hen van de goddelozen te onderscheiden. Nochtans komen zij naar de kerk en wanneer zij geroepen worden voor te gaan in het gebed, dan zullen zij voor de mensen getuigen, dat zij arme gasten en vreemdelingen zijn in een tranendal, terwijl hun hart in de wereld is, en hun ogen uitpuilen van vet, terwijl zij even lichtvaardig en beuzelachtig zijn als een acteur van een blijspel, en zij geen andere zorg of bekommernis hebben, dan om het grootste stuk van de zeer smakelijke taart, welke de wereld hen voorzet, te pakken te krijgen. Het is niet de blote belijdenis en het bekennen met de mond, doch de genade in het hart, welke iemand een gast en een vreemdeling doet zijn. Abraham, Izak en Jakob knoopten geen betrekking aan, maakten geen verbintenis met de Kanaanieten; zij bleven op zichzelf, en waren een afgezonderd volk. En dit doet Gods volk ook nu, als de Heere in hun hart werkt. Zij zijn vreemdelingen en bijwoners; de wereld is niet hun thuis, noch kunnen zij er hun vermaak in vinden. De zonde is hen vaak tot een last, de schuld ligt vaak als een zware last op hun consciëntie, wel duizend zorgen kwellen hun gemoed, wel duizend twijfelmoedigheden benauwen hun ziel. Zij kunnen niet met hun gedachten opgaan in speculaties en hun ganse gelukzaligheid ontlenen aan het welslagen hiervan, want zij gevoelen, dat deze aarde niet hun thuis is en vaak zijn zij terneergebogen en geoefend, omdat zij met zulk een goddeloos hart in zulk een goddeloze wereld moeten leven.

Een vreemdeling is, zoals u weet, op een afstand en afgezonderd. Wanneer hij in gezelschap komt, dan is zijn mond gesloten, er is geen gemeenzaamheid, omdat hij een vreemdeling is. Wanneer wij dus vreemdelingen in de wereld zijn, dan zullen wij er een zekere afstand van nemen, en ervan afgezonderd zijn; wij zullen geen omgang hebben met de vleselijke mensen, waaronder wij ons bewegen, maar wij zullen op een afstand staan van hen, en eveneens van de dode belijders in deze tijd. Wij kunnen niet thuis zijn bij degenen, welke geen vreze Gods in hun hart hebben, die maar de naam hebben van te leven en die dood zijn. Wij kunnen niet omgaan met iedere gezonde calvinist, en hem als een broeder aannemen, omdat hij een helder hoofd heeft in de Waarheid. Wij wensen enig waar geloof te vinden, dat er enige kenmerken van Goddelijk leven zijn, een zeker getuigenis, dat zijn consciëntie is teder gemaakt in de vreze Gods, dat hij in leven en gedrag naar zijn belijdenis wandelt en dat hij waarlijk is, hetgeen hij belijdt te zijn; een vreemdeling, die zijn hart niet heeft gezet op de tijdelijke en zinnelijke dingen.

Maar zij hebben beleden, dat zij ’’gasten” (Eng. Vert.: ’’pelgrims”) waren. Wat is de letterlijke betekenis van het woord? Het Engelse woord is ontleend aan tijden van bijgeloof, en is voornamelijk van toepassing op die reizigers, die gewoon waren het graf te Jeruzalem te bezoeken. Ik weet niet of onze vertalers er erg wijs aan hebben gedaan, het woord (bedoeld wordt het Engelse woord ’’pilgrims” – in onze taal ’’pelgrims” – vert.) te gebruiken. Maar het Griekse woord betekent gasten; dat wil zeggen: personen, die niet geboren zijn ter plaatse, waar zij wonen, maar vreemden of buitenlanders, die voor een tijd in een ander land vertoeven, dat niet hun geboorteland is. Dat geeft ons een beter begrip van het woord ’’pelgrim”, dan van iemand, die zich naar het heilige land begaf om botten te verzamelen, en die met een schelp op zijn hoed[1] kisten vol waardeloze relikwieën thuisbrengt. Een gast is iemand, die niet de taal van het land spreekt, noch de gewoonte ervan kent, noch zich aansluit bij het volk ervan. Deze wereldstad is vol buitenlanders. Wat leven ze allen tezamen! Zij kunnen onze taal niet spreken, zij zijn niet vertrouwd met onze gewoonten! Welk een beeld is dit van het huisgezin Gods, gasten in een vreemd land, een andere taal sprekende!

Zij kunnen niet liegen, bedriegen, oplichten, en foefjes aanwenden onder het masker van een belijdenis, noch kunnen zij die dingen doen, waarvoor oprechte en rechtschapen mensen zich zouden schamen. Hun spraak is rein, de tale Kanaans besprengd met genade. Zij spreken van de oefeningen, ellenden en moeiten op hun pad, en van die openbaringen en getuigenissen, welke niemand anders kent, dan zijzelf.

Doch aanschouw sommigen onzer calvinistische predikanten buiten de kansel, en wat zou uw oog en oor opvangen? Lichtzinnigheid, beuzelachtigheid en scherts. Maar het volk des Heeren, wier hart de Geest heeft aangeraakt, zijn gasten en vreemdelingen; zij leven niet in deze wereld als wereldlingen. In dat onschatbare werk van de onsterfelijke Bunyan: ”De Christenreize”, dat hoe meer het wordt gelezen, des te meer wordt gewaardeerd, wat hebben we daar een zoet verslag van een gesprek, dat gevoerd werd in het paleis Liefelijkheid. ”Dat verzeker ik u,” om één van zijn eigen uitdrukkingen te gebruiken, ”dat er daar geen scherts, lichtvaardigheid, beuzelachtigheid, en ijdele gesprekken waren.” Hoe hielden Voorzichtigheid, Godsvrucht en Liefde, die drie ingetogen jonkvrouwen, zich bezig met de pelgrim over het genadewerk in het hart! Wat is dit een zoet beeld van het huisgezin Gods, sprekende van de dingen, welke Hij voor hun ziel heeft gedaan! Dit waren ware gasten; niet maar blote belijders, maar mensen, die de ware genade en de vreze Gods in hun consciëntie bezaten. En aldus hebben de patriarchen beleden, dat zij gasten en vreemdelingen waren; en zij wandelden als een bijzonder volk, levende tot de ere en heerlijkheid Gods.

VI. En hieruit trekt de apostel deze conclusie: ” Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken.” Een mens moet een thuis hebben. Wanneer hij zijn thuis niet kan hebben in de wereld, dan is het duidelijk, dat hij elders een thuis zoekt. Welnu, wanneer deze bejaarde patriarchen tevreden hadden kunnen zijn, zoals de rest van de volken dit waren, dan zouden zij huizen gebouwd, en akkers hebben bewerkt, en dan zouden zij niet een gezelschap zijn geweest van dakloze zwervers, die in tenten leefden. Zij zouden huizen, landerijen en rechten hebben bezeten, en geweest zijn, zoals de kolonisten van onze tijd. Maar “zij hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren,” en door die belijdenis hebben zij verklaard, dat zij een ander vaderland zochten, dat wil zeggen, naar de apostel dit verklaart, ”het hemelse”. En hun ganse vreemdelingschap en bijwonerschap verklaarde, dat zij dit vaderland zochten. Zij hadden                                        geen land van zichzelf; nóch huis, nóch hof; geen vaste inwoning, maar zij zochten ”een stad, die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.” In één woord, hun hart was in meerdere of in mindere mate in de hemel; hun verlangens strekten zich daarnaar uit, en daar hoopten zij op zijn tijd te zijn. En daar deze bevinding met Goddelijke kracht in hun consciëntie was gewerkt, betoonden zij dit klaarlijk, zodat de mensen dit konden waarnemen uit hun werken, dat zij een ander vaderland zochten. Welnu, laat uw godsdienstige belijdenis het u toe te zijn, als de andere mensen?

Is uw trots gelijk aan die van hen? Is uw hebzucht gelijk aan hun hebzucht? Zijn uw genegenheden als die van hen, begraven in de tijdelijke en zinnelijke dingen? Bent u zelfzuchtig en twistziek, en u in alle opzichten gedragende als wereldlingen? Wat zullen zij denken, wat kunnen zij denken van een belijdenis als deze? Zij zullen zeggen: ”de man praat van de hemel, maar hij is erg blij ook hier beneden een hemel te verkrijgen, hij probeert zich thans zo gerieflijk te maken, als hij maar kan, hij praat van zijn schat, die boven is, maar een scherper iemand op de markt, of een grotere uitbuiter van zijn knechten is er in de ganse stad niet te vinden.” Wat moeten de leerjongens en knechten wel denken? Zij moeten zeggen: ”de meester getuigt in de familie-gebeden, dat zijn schat in de hemel is, en nochtans haalt hij al het zweet en bloed uit ons lichaam, dat hij maar kan.”

Welnu, ik zeg, dat zulke mensen een schande zijn voor de christelijke belijdenis. Is dit voor hen de manier om te verklaren, dat zij een vaderland zoeken? Hoe komt u aan uw godsdienst? Bestaat deze uit woorden, opgevangen van de kansel, en die steeds weer door de familie-gebeden worden gestrooid? Of is uw godsdienst klaarblijkelijk uit uw leven en gesprekken, door een gestorven zijn aan de wereld, en een afgezonderd zijn van de tijdelijke en zinnelijke dingen, en maakt u aldus zichtbaar, dat u een beter vaderland zoekt, dat u niet voldaan bent met de arme, vergankelijke dingen der wereld, maar een stad tegemoetziet, welke ”de zon en de maan niet behoeft, dat zij in haar zouden schijnen, want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is hare Kaars.” (Openb. 21 : 23) Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.