Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Genadige leidingen en weerstrevige vergeldingen

In al haar benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft ze behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij ze verlost: en Hij nam ze op en Hij droeg ze al de dagen vanouds. Maar zij zijn weerspannig geworden, en zij hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan: daarom is Hij haar in een vijand verkeerd, Hij zelf heeft tegen haar gestreden. Jes. 63: 9, 10.

Dit hoofdstuk begint op een zeer opmerkelijke wijze. Er wordt een heerlijk Persoon, als van een afstand naderende, op het toneel gezien, die zich in een prachtig rijtuig beweegt, en in vorstelijke majesteit voortgaat. Om het gehele toneel meer levend voor onze ogen te stellen, wordt de Gemeente voorgesteld als van verwondering getroffen, bij deze plechtstatige verschijning, en als overluid vragende: “Wie is deze, die van Edom komt met besprenkelde klederen van Bozra? Deze die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht?”

Deze heerlijke Persoon dan, wordt voorgesteld als komende van Edom, met besprenkelde klederen van Bozra”. Edom, of gelijk het soms genoemd wordt Idumea, lag in het zuiden van Judea, en werd bewoond door de afstammelingen van Ezau. Deze, ingewortelde vijanden zijnde van de kinderen van Juda, waren voorbeelden van vijanden der Gemeente. Bozra was een grote stad in het land van Edom en daarom een afbeelding van de hoofdzetel der vijanden van de Gemeente. Deze machtige Man des oorlogs wordt daarom voorgesteld als komende van de hoofdzetel van de vijanden der Gemeente, en met gesprenkelde klederen uit hun hoofdstad.

Hij is ook “versierd in Zijn gewaad” gelijk het een overwinnend Koning past; Hij schijnt “reizende”, of gelijk het woord voegzaam beduidt “voorttrekkende” zich grootmoedig verheffen “in Zijn grote kracht”.

Wijl dan de Gemeente de vraag doet: wie,” en wat Hij is, verwaardigt zich deze heerlijke Persoon om haar onderzoek te beantwoorden. “Ik!” – O die heerlijke “Ik!” welke boekdelen bevat die in zich! want Hij duidt aan dat de Spreker niet minder is dan de grote en heerlijke “Ik zal zijn” – “Ik ben het die in gerechtigheid spreek”. Is dat ook niet een bewijs van wie en wat Hij is? Want wie spreekt in gerechtigheid behalve Hij, van wie elk woord dat Hij spreekt, waarachtig is, en wiens stem de stem der heerschappij en der macht is? Maar Hij voegt er een andere beschrijving van zichzelf bij, welke op eenmaal openbaart wie Hij is, in woorden die door ‘ de ziel schijnen te trillen. Machtig om te verlossen. Hoe kunnen wij dan twijfelen dat de Heere Jezus hier is? Wie behalve Hij kon zulk een taal op Zijn lippen nemen?

Maar de gemeente, alsof zij vrijmoedigheid heeft bekomen door Zijn genadig antwoord, doet Hem een andere Vraag, want zij heeft opgemerkt dat Hij bekleed is met “besprenkelde klederen”. waarom bent gij rood aan uw gewaad? en uw klederen als een die in de wijnpers treedt?” Zij kon niet juist begrijpen waarom Hij voor haar kwam in deze zo rijk besprenkelde klederen, zo donker gekleurd, alsof Hij, overeenkomstig de gewoonte in het Oosten, de druiven in de wijnpers getreden had, en allerwegen besprenkeld was geworden met derzelver roodachtig sap. Maar in dezelfde vorstelijke majesteit, en met dezelfde neerbuigende vriendelijkheid als die waarin Hij de voorgaande vraag had beantwoord, antwoordt Hij nu ik heb de pers alleen getreden, en daar was niemand van de volkeren met Mij; en Ik zal ze vertreden,” zo leest men in de Engelse overzetting, maar het moest in de verleden tijd gesteld zijn geweest: “Ik heb ze vertreden in Mijn toorn, en heb ze vertrapt in Mijn grimmigheid; en haar kracht (haar bloed, Eng. vert.) is besprengd op Mijn klederen, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld”. “Want,” zo vervolgt Hij, “de dag der wraak is in Mijn hart; en het jaar Van mijn verlosten was gekomen. En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en daar was niemand die ondersteunde: daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund”.

Maar nu rijst de vraag in het gemoed op, tot welk gedeelte van het werk en ambt van de verlosser heeft deze vorstelijke verschijning betrekking? Wat wordt er verborgen en geestelijk bedoeld door Zijn verschijning aan de Gemeente in klederen die met bloed besprengd zijn? Bedoelt zij, gelijk ik geloof dat de meeste bijbelverklaarders het uitleggen, Zijn eerste verschijning in het vlees, toen Hij onze zonden in Zijn eigen lichaam op het hout droeg; toen Hij_ overdekt was met het bloedzweet in de hof van Gethsemané, en toen Zijn geheiligd lichaam geheimzinnig en geestelijk, zo niet werkelijk, in bloed gedrenkt was, terwijl Hij aan het kruis hing? 0! heeft het betrekking op Zijn tweede komst, wanneer Hij wraak over Zijn vijanden zal uitoefenen, en alhoewel niet letterlijk, echter op een verborgen wijze Zijn gewaad met hun bloed zal bezoedelen?

Overeenkomstig het nauwe verband van deze waarheid, zou ik zeggen dat het laatste de zin en mening van de Heilige Geest is; maar ik geloof dat wij, zonder geweld aan de gehele strekking van het hoofdstuk te doen, wel mogen geloven dat de gezegende Geest hier de twee verschijningen des Heeren voor de Gemeente Gods gebracht heeft, niet om er één van uit te sluiten, maar om die beiden samen te vatten. De Heilige Geest verbindt dikwijls zaken die, afgescheiden door de afstand des tijd, nochtans in zichzelf innig verbonden zijn; gelijk, bijvoorbeeld, de verwoesting van Jeruzalem en de wederkomst des Heeren (Matth. XXIV). Zo verbindt Hij in dit hoofdstuk de komst des Heeren om te verlossen en de komst des Heeren om te oordelen, want in beide is de zaligheid der Gemeente vervat. Zo wijzen Zijn allereerste woorden in het beschrijven van zichzelf als “die in gerechtigheid spreekt” zeer gepast op de eerste komst van onze Heeren als Gods gezalfden Profeet; en voorzeker is Hij, als een lijdende en zichzelf opofferende Hogepriester “machtig om te verlossen”, en is daarom gekleed in een gewaad met bloed geverfd, met Zijn eigen bloed dat Hij aan het kruis stortte. Maar de eerste komst van onze Heeren in genade opende een weg tot Zijn tweede komst in heerlijkheid.

Wij vinden daarom in de Schrift altijd voorgesteld dat Hij in Zijn tweede verschijning niet alleen zal komen “zonder zonden, tot de zaligheid” van Zijn vrienden, maar ook tot de verdelging van Zijn vijanden. Alzo horen wij de apostel sprekende: “En u die verdrukt wordt, verkwikking niet ons, in de openbaring des Heeren Jezus van de hemel, met de engelen Zijner kracht; met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen: en over degenen die het Evangelie van onze Heeren Jezus Christus niet gehoorzaam zijn: wanneer Hij zal gekomen zijn om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen die geloven” (2 Thess. 1: 7, 8, 10).

Gij zult wel opmerken dat de oorzaak van het verband tussen de eerste en tweede komst des Heeren hierop berust, dat elk deel van het werk van de Heere, vooreerst in verlossing, toen Hij aan het kruis stierf, en ten tweede, in openbaring, wanneer Hij ten tweede male zonder zonden tot zaligheid komt, eveneens een verlossing voor de Gemeente was; eerst, door bloed, ten tweede, door macht; eerst, om haar zonde uit te delgen door de opoffering van Zichzelf toen Hij aan het kruis stierf, en haar dus naar de ziel te behouden; en ten tweede, door Zijn tweede komst, om het rustende stof op te wekken, en haar dus naar het lichaam te behouden. De Heilige Geest heeft daarom de beide komsten des Zoons van God verbonden, en stelt Hem ons hier voor ogen en als onze lijdenden Hogepriester en als onze overwinnende Koning.

De Gemeente dan, deze genadige verklaring van des Heeren lippen ontvangen hebbende, gevoelt zich aangemoedigd om Zijn weldadigheden op te sommen: “Ik zal de goedertierenheden des Heeren vermelden, de veelvoudige lof des Heeren, na alles dat de Heere ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis Israëls, die Hij haar gedaan heeft, na Zijn barmhartigheden, en na de veelheid Zijner goedertierenheden”. Zij geeft vervolgens een reden op waarom de Heere zulke barmhartigheden en goedertierenheden aan het huis van Israël bewezen heeft: “Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen die niet liegen zullen; alzo is Hij haar geworden tot een Heiland”. Dan volgen de woorden in de tekst, waarin wij, zonder verdere inleiding, geloof ik, vier onderscheiden punten opmerken kunnen, welke ik, met Gods hulp en zegen, voor u zal bloot leggen.

I. Vooreerst, de genadige leidingen des Heeren met Zijn volk; van welke gij hier, zo ik mij niet bedrieg, vier onderscheiden gevallen voorgesteld zult vinden: 1. Deelneming: Jn al haar benauwdheid was Hij benauwd”. 2. Verlossing: “Door Zijn liefde en Zijn genade heeft Hij ze verlost”. 3. Behoudenis: “En de Engel Zijns aangezichts heeft ze behouden”. 4. Ondersteuning: “Hij nam ze op, en Hij droeg ze al de dagen van ouds”.

II. Ten tweede, zult gij opmerken de weerstrevige vergeldingen, welke dit zo hoog beweldadigde volk de Heere terugbracht: maar zij zijn weerspannig geworden, en zij hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan”.

III. Ten derde, wat het gevolg was van hun laaghartige wedervergeldingen in weerspannig te worden en Zijn Heilige Geest smarten aan te doen: dat “Hij haar in een vijand is verkeerd, Hij zelf heeft tegen haar gestreden”.

IV. Ten vierde, hetwelk niet in onze tekst vervat is, maar opgezameld kan worden uit het voorgaande vers – des Heeren genadige vergelding: Jij zijn immers Mijn volk, kinderen die niet liegen zullen: alzo is Hij haar geworden tot een Heiland”.

I. In al haar benauwdheid was Hij benauwd. Deze woorden brengen onze gedachten op eenmaal op onze gezegende Heere, als delende in al de benauwdheden van Zijn Gemeente en Zijn volk; want de woorden zijn niet alleen zeer krachtig, maar zeer duidelijk tevens: “In alle haar benauwdheid was Hij benauwd”. Neemt de woorden gelijk zij er staan. Geeft ze haar volle kracht; of zullen wij dezelve durven beperken? Zouden wij zodoende niet “de Heilige Israëls paal en perk stellen?” Maar neemt ze gelijk zij er staan in al de kracht en volheid van haar betekenis, en gij kunt niet één enkele benauwdheid vinden, die de Gemeente Gods immer heeft verduurd of ooit verduren zal, welke niet door haar allesomvattende armen omhelsd is. Indien gij dus ooit door ijverig onderzoek uw vinger op een benauwdheid van de heiligen Gods kunt plaatsen, waarin de Heere niet benauwd was, moet gij het woord alle uit de tekst uitnemen en het woord “sommige” of “vele” in haar plaats stellen. Wij zullen dus de woorden in de volheid van haar kracht nemen, hoe de Heere “in al de benauwdheden” van Zijn volk “benauwd was”. En ik geloof, dat wij het als zeker uit de Schriften der waarheid kunnen vaststellen, dat Hij in al hun benauwdheden benauwd was op twee onderscheiden wijzen: ten eerste door werkelijke deelneming; ten tweede, door kennelijk medelijden. Laat ons deze beide punten afzonderlijk beschouwen.

I. Vooreerst dan deelde onze genadige Heere in de benauwdheden van Zijn volk door werkelijke deelneming in dezelve. De stellige verklaring, “in al hun benauwdheden was Hij benauwd,” zou geen of slechts gedeeltelijke waarheid geweest zijn, tenzij de Heere, dezelfde Heere die met besprenkelde klederen van Edom kwam, door lijden een werkelijk deelnemer van hun benauwdheden was. Maar ziet gij niet hoe dit de noodzakelijkheid in zich bevat van een in het vlees verkeerenden God, dat is, God geopenbaard in het vlees? Want, opdat de Heere een deelgenoot van de benauwdheden van Sion zijn zou, moest Hij een natuur aannemen, die benauwdheden kon verduren. God kan niet benauwd worden; de Godheid kan niet lijden; droefheid kan zich niet doorvlechten in het Wezen van Hem die de eeuwigheid bewoont. Als dan onze gezegende Heere benauwd moest worden in, en met al de benauwdheden van Zijn volk, moest Hij een natuur aannemen die benauwd kon worden, en nochtans in de nauwste en allerinnigste vereniging met Zijn Godheid zijn, opdat Zijn Persoon één zou zijn. In onze gezegende Heere waren het niet twee Personen, twee afzonderlijke Personen, van welke de een leed en de andere niet leed, maar twee naturen in één Persoon. Twee Personen zouden de Heere twee onderscheiden wezens hebben doen zijn. Het was dan in Zijn menselijke natuur dat de Heere leed.

Maar laat ons dit punt een weinig nauwkeuriger nagaan, want het is vol van levende en zalige waarheid; en wij zullen zien dat er verschillende omstandigheden waren, die de Heere niet alleen deden deelnemen in de benauwdheden van Zijn volk, maar op een bijzondere wijze de hevigheid van zijn lijden vermeerderde.

a. Benauwdheid wordt altijd smartelijker door tegenoverstelling. Een arm mens gevoelt de armoede zo niet als een rijk mens die zou gevoelen, wanneer hij plotseling in gelijke omstandigheden gebracht werd. De kleding, huisvesting, levenswijze, het zware werk, en karig loon, een leven van zwoegen, ziekte, en ouderdom, zonder iets anders dan de schraalste armenbedeling – zulke dagelijkse ondervindingen der armen zouden de rijken in de eerste dagen van hun leertijd vermoorden. Een invalide, die vele jaren achtereen aan zijn krankleger gebonden ligt, gevoelt de ziekte zo niet als een sterk man die gevoelt, wanneer hij in de weelderigheid der jeugd en der kracht, plotseling getroffen, op het bed der smart neergelegd wordt. Wij kunnen dus voor zeker aannemen dat tegenoverstelling zeer veel tot de zwaarte der benauwdheid toevoegt. Past dit nu op onze gezegende Heere toe, voordat Hij kwam, om de wil van God te doen, en beschouwt Hem door het oog van het geloof in de hoven der gelukzaligheid, de zaligste gemeenschap genietende niet Zijn Hemelse Vader, in wiens schoot Hij altijd lag als Zijn eeuwige Zoon, en met de Heilige Geest, met Wie, als één Persoon in de Heilige Drie-eenheid, Hij één is in de Eenheid van het Goddelijk wezen. Ziet Hem als dagelijks Zijns Vaders vermaking, altijd spelende voor Zijn aanschijn (Spreuk. 8: 30); als altijd aangebeden door aanbiddende engelen, en de hemel vervullende met Zijn schoonheid en heerlijkheid.

Beschouwt Hem nu als onze natuur aannemende in vereniging met Zijn eigen Goddelijke Persoon, en ziet de tegenstelling. Welk een verandering! De schoot des Vaders voor de kribbe van Bethlehem; de aanbidding van Engelen voor het geloei van ossen; het genot van de heerlijkheden van de hemel voor de gemeenzaamheid met de krankheden, zondeloos, dit weten wij, maar toch de zwakheden aan een lijdend lichaam verbonden. Volgt Hem nog steeds met het oog van het geloof door elke verschijning en omstandigheid des lijdens, totdat gij het bloedig zweet in Gethsemané en de foltering van Calvarië ziet, en speurt in elk bijzonder en in allen samen de tegenstelling die het wee zo verzwaarde en geweldig deed zijn. Des Vaders liefdeblik, des Vaders fronseling; des Vaders liefde, des Vaders toorn; de rivieren van vreugde daarboven, de stromen des toorns beneden; eens de hemel, nu de hel; de heerlijkheid bij de Vader eer de wereld was, de verduisterde ” lucht, de splijtende aarde, het gepijnigde lichaam, de gemartelde ziel. Wie anders dan Hij kon zo geleden hebben? Wie behalve Hij zo hebben verdragen? Wie behalve Hij zo door lijden geheiligd zijn?

b. Maar overweegt een andere reden waarom de gezegende Heere niet slechts in al de benauwdheden van Zijn volk benauwd was, maar meer dan een hunner bij mogelijkheid zijn kon, dat Zijn reine en heilige mensheid van een samenstelling was, die bijzonder gevoelig was voor het lijden. Wij zien dit in het natuurlijke. Lieden wier zwak gestel, wier lichaam en gemoed, zenuwen en aandoeningen meer dan gewoonlijk scherp en gevoelig zijn, gevoelen het lijden veel pijnlijker en dieper dan zij, wier zintuigen natuurlijker, grover en stornper, en als het ware in lichaamsbouw tot ruwer en zwaarder werk toegerust zijn. Grieven en smarten, waaronder de een mens zou bezwijken, zal een ander met de grootste moed verdragen. Het enkele gezicht van het mes zal de een patiënt bijna de dood aandoen, terwijl een ander het afzetten van zijn been zonder een klaagtoon zal verdragen. Het is voor sommigen beter dat hun natuurlijke gevoeligheid niet al te prikkelbaar, dat hun zenuwgestel van niet al te fijn gehalte zij.

Maar beschouwt onze gezegende Heere uit dit gezichtspunt. Zijn lichaam en Zijn ziel waren volmaakt heilig; ook was Zijn reine mensheid niet gevormd door natuurlijke voortplanting, maar door de onmiddellijke werking en bovennatuurlijke overschaduwing van de Heilige Geest. Onze lichamen en zielen waren verstompt en verhard door erfzonden. Onze gemoederen zijn ruw, onze lichamen uit klei; ruw is de vorm, grof is de grondstof; het vat is de aarde, haar inhoud onrein. Maar rein was “dat heilige”, die heilige mensheid ontvangen in de schoot van Maria; daarom mogen wij met recht de tederste en buitengewone gevoeligheid voor het lijden aannemen. Ik kan niet wijdlopig zijn; ik geef slechts een wenk; maar zo gij de Heere wilt beschouwen als “verbrijzeld”, en “verdrukt”, en Zijn teer hart zien lijden in verhouding tot de buitengewone gevoeligheid van Zijn geheiligd lichaam en Zijn heilige ziel, zult gij enige stof ter overdenking hebben, wanneer gij peinst over Zijn benauwdheden en overdenkingen.

c. Maar ziet nu op des Heeren benauwdheden uit een ander gezichtspunt; overweeg hun algemeenheid. De woorden van de tekst in de volste uitgestrektheid nemende, en met een uitzondering die ik op het ogenblik zal noemen, kunnen wij veilig zeggen dat er niet één benauwdheid is welke Zijn volk kan lijden, waarvan Hij niet een innige persoonlijke ondervinding had. Is armoede een benauwdheid? Wie is zo arm als Hij die zeggen kon: “de vossen hebben holen, en de vogelen van de hemel hebben nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waarop Hij Zijn hoofd neerlegt?” (Matth. 8: 20). Is het openlijke bespotting of verborgen verachting? Wie is zo veracht als Hij, die veracht en de onwaardigste onder de mensen is (Jes. 53: 3), en die zeggen kon: “Maar Ik ben een worm, en geen mens; een spot voor de mensen, en veracht van het volk?” Is het verraad? Wie is er zo verraden als Hij, door een van Zijn eigen discipelen, en dat door een verraderlijken kus? Is het honger, of dorst of naaktheid? Onze Heere leed het alle drie. Hem hongerde in de woestijn; Hij dorstte aan Samaria’s bron; werd van Zijn klederen beroofd toen men Hem aan het kruis hing. Of is het geestelijke benauwdheid, welke de zwaarste van allen is? Hoe ontlastte de wet al haar vloekspraken in Zijn borst!

Hoe verdroeg Hij haar gestrengste straf, toen Hij tot een vloek voor ons gemaakt werd, en als een boosdoener aan het hout hing! Is de toorn Gods op zich zelf reeds een hel? Heeft zij inwendig, zo niet uitwendig duizenden der heiligen des Allerhoogste gekruisigd? Is een droppel der wraak Gods, die om zo te spreken in de beker van een zondaar valt, zo bitter dat hij er nauwelijks onder kan leven? Maar wat is die één druppel bij de gehelen kelk der wraak Gods in zijn volle mengsel uitgegoten, welke onze gezegende Heere tot de bodem toe ledigde? Bestaat benauwdheid in de verberging van Gods aangezicht? Wie verduurde dat, gelijk onze gezegende Heere in dat plechtige uur, toen, als ontzet bij het gezicht van haren lijdenden Schepper, de zon haar gelaat bedekte, de aarde scheurde en daverde op haar grondvesten, en zelfs de doden uit hun graven verrezen, alsof zij dezelfde stem hadden gehoord die Lazarus opriep, nu overluid uitroepende in smartvolle kreten: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Bestaat de benauwdheid in de verzoekingen van de satan?

Wie leed, ofschoon “onschuldig, onbevlekt, en afgescheiden van de zondaren,” gelijk de genadige Heere deed van de verzoekingen van de satan in de eenzame woestijn, bezwijkende van honger na veertig dagen vasten? Wat leed Hij niet, “in alle dingen verzocht gelijk als wij, uitgenomen de zonde?” (Hebr. 4: 15). Neemt zo de gehele reeks der benauwdheden die een kind Gods kunnen treffen, en hem droefheid en smart kan veroorzaken, en nochtans is onze tekst waarheid: “In al hun benauwdheid was Hij benauwd”.

II. Maar onze gezegende Heere verduurde niet slechts benauwdheid door deelgenootschap maar ook door medegevoel. Ik heb reeds aangestipt dat ik een uitzondering zou te noemen hebben onder het persoonlijk ondergaan van elke soort van benauwdheid door de Heere. Er was een bijzondere benauwdheid, welke Hij niet kon lijden: ik bedoel lichamelijke ziekte, dat een groot deel van de beker der smart uitmaakt, die door vele keurige heiligen Gods gedronken wordt. Zijn heilig lichaam kon smart lijden en leed die, en dat tot op een buitengewone mate, maar was niet vatbaar voor ziekte, want die ontstaat uit de sterfelijkheid en ongesteldheid, welke de heilige mensheid van Jezus niet aandeden; maar Hij droeg onze krankheden door medegevoel, door toerekening. Dit wordt duidelijk en schoon door de evangelist uitgedrukt: “Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen” (Matth. 8: 17). Medegevoel, weten wij, wanneer de gevoelens zeer teer, de banden nauw, en de genegenheden sterk zijn, stelt ons in staat om de smarten van anderen bijna zo zwaar als, en in sommige gevallen misschien zwaarder, dan de onze te gevoelen; want zij kunnen er een ondersteuning onder genieten, waarmee wij wellicht niet beweldadigd zijn.

De smarten van degenen die ons nauw en dierbaar zijn, treffen ons hart; hun droefheden versmelten onze aandoeningen; zodat wij bevindelijk weten dat wij benauwdheid kunnen verduren door medelijden, wanneer wij ze niet gevoelen door rechtstreeks dragen. Gij bent een tedere moeder: gij hebt een enig kind, een lieven kleinen jongen, die plotseling door de kroep wordt aangegrepen; en daar ligt hij, hijgende naar ademhaling, te sterven op uw schoot. Welk een angst verscheurt uw hart, terwijl gij zijn lief klein gelaat ziet zwart worden en misvormen, en dien bijzondere kreet verneemt welke ook de doodskreet van uw andere kinderen geweest is! Maar gij lijdt niet persoonlijk; er is geen kroep in uw keel. Gij hijgt niet naar adem, alsof elke ademhaling uw laatste was, en alsof gij door ramen en muren zoudt doorbreken om een teug frisse lucht te bekomen. Maar o, welk een hartverbrijzelende taak om dit alles in het dierbaar kind bij te wonen! Zo is er een lijden door medelijden, dat zo heftig kan zijn als lijden door verduring.

En staat medelijden niet in verhouding tot de liefde? Weinig liefde, weinig medelijden; veel liefde, veel ontferming. Staat zij ook niet in verhouding tot de teerheid van gevoel? Harde, ongevoelige harten, ruwe, dierlijke naturen gevoelen niet, kunnen geen medelijden gevoelen met het menselijk lijden. Is zij ook niet in verhouding tot de nauwheid van banden des bloeds, of eenheid van het hart! Ziet hierop in onze gezegende Heere. Wie is er zo vol liefde; wie zo teer in medelijden; wie zo nabij Zijn volk door deelgenootschap van hetzelfde vlees en bloed, door eenheid van dezelfde Geest? Welk een tedere ontferming versmolt Zijn hart! Hoe weende Hij aan het graf van Lazarus! Welk medelijden gevoelde Hij met de weduwe te Naïn, toen Hij haar enige zoon op de lijkbaar zag wegdragen! Hoe ontfermde Hij zich over de lijdende schare in de woestijn, toen zij daar drie dagen geweest waren en niets te eten hadden (Matth. 15: 32). Hoe stortte Hij tranen van medelijden over Jeruzalem: “Och of gij ook erkende, ook nog in deze uw dag, wat tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen” (Luk. 19: 42).

a. En merk nu enige bijzondere wezenstrekken van ‘s Heeren medelijden op. Zoals het in onze boezem huisvest, is het medelijden een zeer gemengd gevoel. De zonde heeft niet alleen onze bewustheid verstompt, maar heeft, door haar vergif, in ons dat bijna helse gevoel ingestort hetwelk een scherp navorser van de menselijke natuur zo satirisch beschrijft, als hij zegt dat “er in de benauwdheden van onze vrienden iets is dat ons niet ten enenmale mishaagt;” met andere woorden, om meer plat te spreken, er is soms zelfs een boosaardig welbehagen in het menselijk hart bij het zien van het lijden van anderen. Waarom? Omdat de zelfzucht heimelijk toefluistert: “Hoe gelukkig dat ik het niet ben?” Zo heeft de zonde ons de boosheid van een vijand gegeven, wanneer wij de ontferming eens engels moesten hebben. Maar het medelijden van onze gezegende Heere was heilig, want Hij was heilig; rein, want Hij was rein; volmaakt, want Hij was volmaakt.

b. Wederom, wij kunnen medelijden gevoelen met de benauwdheden van Gods volk, maar ons medelijden is veranderlijk in tijd, maat en trap. Inderdaad, zelfs uit de samenstelling van onze gemoederen en lichamen, zouden wij de inspanning van medelijden niet langdurig, noch tot op een zeer hevige graad, kunnen verdragen. Het zwakke snoer, zou springen, zo het te nauw aangehaald was, of te lang in zijn volle uitgerektheid gehouden werd. Maar des Heeren medelijden met Zijn benauwd volk is, gelijk Hij zelf zonder schaduw van omkering”.

c. Wederom, wij kunnen medelijden oefenen met enige weinige lieden van des Heeren huisgezin die ons persoonlijk bekend zijn en door ons bemind worden; maar onze genadige Heere oefent medelijden met Zijn gehele Gemeente; met de weduwe die tranen stort over haren overleden echtgenoot; met de “tranen derzulken die verdrukt worden en geen trooster hebben;” met de bestreden heilige onder de vurige pijlen van de satan; met de veroordeelde zondaars onder de verbroken wet; met hen die lijden onder de verbergingen van Gods aangezicht; met één woord, met al Zijn benauwde volgelingen, die door vele verdrukkingen ingaan in het koninkrijk Gods. Is het dan niet waar dat de dadelijke ontferming des Heeren even algemeen is als zijn verleden deelnemen?

Maar welk een blik geeft deze algemeenheid en diepte der ontferming ons zelfs in het hart van Christus! Hoe neemt zij, om zo te spreken, de sluier van Zijn genadige borst af, en laat ons binnen in Zijn hart zien, gelijk men Zijn hart van buiten kon hebben zien kloppen, toen Hij aan het kruis hing, geheel ontkleed en ontbloot, een schouwtoneel voor mensen en engelen!

2. Maar ik ga nu over tot een andere genadige leiding des Heeren met Zijn volk, welke ik opgenoemd heb. Verlossing: Door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij ze verlost.

Het medelijden des Heeren met Zijn benauwd volk was niet, gelijk het al te dikwijls bij ons het geval is, dor, onwerkzaam, ontoereikend. Gij kunt dikwijls medelijden, en dat zeer diepgaande, met de benauwden gevoelen, maar geheel en al onbekwaam zijn, om hun de minste verlichting te schenken. De arme moeder, die ik daar even schilderde, met haar kind op haren schoot stervende aan de kroep, kan diepgaand medelijden gevoelen met haren dierbare lijder, maar kan dien niet verlossen. Gij mag aan het leger der weduwe zitten, haar grote tranen zien druppelen, en haar diepe zuchten horen slaken over haren afgestorven man, maar gij kunt hem niet in haar armen teruggeven. Gij kunt een beminde vriend op een ziekbed bezoeken, en diep medelijden met hem gevoelen, terwijl gij de koude droppelen doodszweet op zijn voorhoofd ziet staan, en hem met blijdschap van het graf zoudt wegrukken; maar gij bent even machteloos als hij is in de tegenwoordigheid van de laatste vijand. Maar zo was het niet met de genadige Heere.

Hij bezat macht zowel als medelijden; kracht zowel als liefde; en het was liefde en medelijden in Zijn hart, gemengd met macht in Zijn handen, die Hem “machtig om te verlossen” deden zijn, Hem in het bezit stelden van de aard en Hem de bekwaamheden gaven van een Verlosser. Ziet dan op deze twee eigenschappen eens Verlossers – liefde en ontferming als in onze tekst opengelegd, en zie hoe schoon en gezegend zij in onze genadige Heere verenigd waren, als de Verlosser Israëls.

a. Zie ten eerste op de liefde. Wij kunnen niet, dan in zeer geringe mate verstaan, wat de liefde Gods is. De apostel bidt daarom voor de gelovigen te Efeze “opdat zij ten volle zouden kunnen begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij; en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.” Het woord “bekennen”, moet ik opmerken, betekent hier niet te “verstaan” zoveel als te “begrijpen”, dat is, “omvatten”, want deze liefde kan bevat, maar zij kan niet omvat worden; zij kan geloofd, maar zij kan niet verstaan worden; zij kan gevoeld, maar niet verklaard worden; omhelsd, maar niet omschreven. Lezen wij niet dat zij “de kennis te boven gaat?” Wanneer wij dus spreken van de liefde van Christus, kunnen wij niet inzien in de diepten van Zijn eeuwige liefde, als eeuwig huisvestende in de boezem van de verlosser, gelijk onze blik zou kunnen doordringen tot op de bodem van een heldere beek; maar wij schijnen eer te staan aan de oever van een machtige rivier, of van een onpeilbare oceaan. In het kort, wij duizelen wanneer wij het met onze eindige vermogens zoeken te omvatten. Maar wanneer wij de mens in zijn gevallen toestand beschouwen, worden wij nog meer verwonderd over deze verbazende liefde.

Wat was er in de mens om lief te hebben, vooral zoals wij hem beschouwen in de afgrijselijke diepten van de zondeval verzonken en bedolven? Beschouw hem voor de val, in het paradijs, zoals hij uit de scheppende hand des Almachtigen te voorschijn kwam, en vraag het uzelf af, wat was er voor beminnelijks in hem, zelfs zoals hij daar stond in al de onschuld van zijn reine mensheid? Niets, volstrekt niets, wanneer wij hem vergelijken bij zijn Goddelijke Schepper. God zag het werk Zijner handen, dat het “zeer goed” was. Maar het kon Zijn goedkeuring verkrijgen, en echter Zijn liefde niet eisen noch verdienen. Maar gelijk de zondeloosheid de liefdestroom niet kon verdienen, zo kon de zondelijkheid die niet verhinderen. De liefde zocht, en baande haren eigen stroom. Beschouwt een edele rivier – de Rijn of de Rhóne. Zij stroomt van de zijden der bergen af ongevraagd van iemand, maar zij vindt of formeert haren eigen weg; en terwijl zij voort stroomt maakt zij elke landstreek vruchtbaar door welke zij loopt. De vruchtbare landen doen de rivier niet naar hen toe vloeien door de kracht van enige innerlijke aantrekking, maar de rivier maakt ze vruchtbaar, vooral in oosterse landen, door tot en over dezelve te stromen. Wat zou Egypte zijn zonder de Nijl? Een woestijn.

Maar trekken de vruchtbare velden haar jaarlijkse overstroming aan, of maakt de jaarlijkse overstroming de velden vruchtbaar? Zo is het met de liefde Gods in Christus tot gevallen mensen. De liefde Gods werd niet voortgetrokken door de goedheid, noch afgekeerd door de boosheid van de mens; ook vraagde zij niet wie zij zou bezoeken, alsof zij de toestemming of meewerking van het schepsel zocht. Vrijmacht en vrijheid zijn beiden alleronmiskenbaarst op haar gedrukt; want zij stroomde in haren oorsprong even vrij voort, als de rivier welke Johannes in een gezicht zag, “klaar als kristal, voortkomende uit de troon Gods, en des Lams” (Openb. 22: 1). O welk een liefde! hoe “sterk als de dood!” O, de hoogten en de diepten, de lengten en de breedten van die liefde, van die onze Heere zelf zei: “Gelijkerwijs de Vader Mij lief gehad heeft, heb Ik ook u lief gehad; blijft in deze Mijn liefde” (Joh. 15: 9). En wederom, in die wondervolle woorden voor die wij met heilige verwondering staan: “En hen lief gehad hebt, gelijk Gij Mij lief gehad hebt” (Joh. 17: 23).

b. Maar, behalve deze liefde, als hoofdzakelijk geopenbaard in het werk der verlossing, was er genade, die het een bijzondere teerheid gaf, en haar, zo mogelijk nog meer passend op de gevallen toestand van de mens maakte. God heeft de engelen lief, maar heeft geen genade voor hen. Zij behoeven, als altijd staande voor Gods aangezicht, en altijd Zijn aanschijn beschouwende (Luk. 1: 19; Matth. 18: 10), geen genade uit Zijn genadevolle boezem, want zij leven eeuwig in de zonneglans van Zijn gunst. God bemint verheerlijkte zielen, “de geesten der volmaakt rechtvaardigen” (Hebr. 12: 23), maar Hij oefent geen genade over hen, want zij zijn in het genot der hemelse gelukzaligheid. Maar Hij betoont genade aan de armen gevallen mens; want de mens is in een zeer beklagenswaardige toestand. De zonde heeft hem diep, zeer’ diep vernederd, het beeld Gods ontsierd, naar hetwelk hij geschapen was, en hem vervuld met elke verfoeilijke en walgelijke afschuwelijkheid. Deze natuurlijk walgelijke toestand van de mens wordt schoon voorgesteld in Ezechiël 16, waar de Gemeente voor onze aandacht gebracht wordt onder het beeld van een pasgeboren wichtje, door haar onnatuurlijke moeder verlaten, en uitgeworpen op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van haar ziel ten dag dat zij geboren was”. “Geen oog,” lezen wij, “had medelijden met u, om zich over u te erbarmen”. Het wichtje kende haren eigen beklaaglijke toestand niet, noch zag of gevoelde haren eigen walgelijken staat, gelijk het lag, vertreden in haar bloed; maar de Heere zag het aan en ontfermde Zich, want “Hij is zeer barmhartig en een Ontfermer” (Jak. 7), en “zijne barmhartigheden hebben geen einde” (Klaagl. 3:22).

Maar onze tekst zegt: door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij ze verlost;” de vereniging van liefde en genade in de boezem van de verlosser voorbeeldende. Deze liefde en genade schijnen twee reine beken te gelijken, die uit de boezem van de verlosser vloeiende in elkaar stroomden in een volle rivier, en om, naar het Paradijs heen geleid, daar te overstromen in een alles te boven gaande vloed van genade over der mensen zonden, en om geopenbaard te worden in de eerste belofte die gegeven is na de zondeval aan onze eerste ouders. Ontmoeten liefde en genade hier elkaar niet over het uitgeworpen wichtje? “Als ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd der minne” (Ezech. 16: 8). En houdt in gedachten dat deze liefde en genade niet is gelijk de onze – gemengd met gebreken, onderworpen aan storing, dikwijls partijdig, en soms misplaatst. Zij was reine liefde, zij was zuivere genade, die uit het hart van de verlosser vloeide, onvermengd met de minste gebreken; zo wijs als sterk; zo onfeilbaar als heilig. Zij was Gode gelijk: “Ik ben God en geen mens” (Hosea 40: 9); en oneindig, want, gelijk elke andere Goddelijke eigenschap, deelt zij in al de volmaaktheden der Godheid. Zij was daarom liefde, zo oneindig als God die kon gevoelen, en genade, zo groot als die de boezem van de heerlijke Ik zal zijn kon vervullen.

Deze liefde was dus zo uitgestrekt dat zij de gehele Gemeente Gods omvatte, en deze genade zo groot dat zij zich uitstrekte tot elk lid van het geestelijk lichaam van Christus, als in Adams val verzonken in de diepste diepte van zonde en ellende. Maar waren deze liefde en genade in het hart van Christus blote aandoeningen? Zij openbaarden zich in daden, gelijk de Heere zichzelf voorstelt, in het geval van het uitgeworpen wichtje, zich neerbuigende om de tederste en echter de nederigste diensten voor hetzelve te verrichten. Onze liefde en genade leiden dikwijls tot niets; zij vangen aan en eindigen in aandoeningen, of verdampen in de blote bespotting van woorden, gelijk de schraapzuchtige aalmoezenuitdelers van Jakobus, met hun: “Gaat heen en wordt warm” (Jak. 11: 16). Maar ‘s Heeren liefde en genade leidde tot daden, en vooral tot die machtige daad der verlossing: door Zijn liefde en genade heeft Hij ze verlost”. Dit brengt ons tot het werk der verlossing.

Maar wat is verlossing? Wat geeft het te kennen? In deze grote waarheden is het goed het hoofddenkbeeld op te vangen, dat door het gehele leerstuk heenvloeit – de klemtoon die op het gehele lied is gezet. Het hoofddenkbeeld dan van verlossing is dit, dat zij, die behoeven verlost te worden, in een toestand van slavernij verkeren, waaruit zij zichzelf niet kunnen bevrijden. Een Verlosser dus, is iemand die hen kan vrijstellen, hetzij door losprijs of door macht. Als een Verlosser heeft Jezus beide gedaan. Hij kocht Zijn volk voor een prijs, en verloste hen door Zijn macht. Door Adams zondeval werden wij aan de zonde gebonden slaven. Een Israëliet mocht zich aan een vreemdeling verkopen, doch niet aan een van zijn eigen broeders (Lev. 25: 47). Zo wordt gezegd dat Achab “zich verkocht had om te doen dat kwaad was” (1 Kon. 21: 20, 25). In deze zin heeft Adam, ons verbondshoofd, toen hij volmaakt vrij was zich verkocht om te doen dat kwaad was, en daar wij toen in zijn lendenen waren, heeft hij, als ons verbondshoofd, ons ook in ballingschap verkocht.

Maar in de wet van Mozes was er raad voor een Israëliet die zichzelf verkocht had. Een van zijn broeders, of iemand van zijn naaste betrekkingen kon hem verlossen. Dit wijst op de Goël of Verlosser, de naasten bloedverwant, en op de prijs die betaald moest worden, “losgeld” geheten (Lev. 25: 51). Deze prijs kon niet gering zijn, hetzij wij overwegen hoeveel er verlost moesten worden, of de ontzettende diepte der zonde en ellende, waaruit zij ontslagen moesten zijn. Ook kon de mens niets doen om zelf de schuld te betalen. Want de Israëliet, die zichzelf verkocht had, mocht zichzelf ook verlossen als hij kon” (Lev. 25: 49). Ach! als hij kon; maar wij zijn er niet toe in staat. Hoe groot de schuld is kan niemand zeggen, behalve zij die in zekere mate de last der zonde hebben gevoeld. Maar ofschoon deze mogen schijnen een weinig te zien en te gevoelen van de machtige schuld, zo hebben zij zelfs nog slechts zeer flauwe begrippen van wat de schuld is in al haar vreselijke uitgestrektheid; want gelijk schuldenaars in die dagen, als zij zelf hem niet konden betalen, verkocht werden om hun schulden af te doen, gelijk wij afgebeeld zien in de gelijkenis van de dienstknecht die zijn heer tien duizend talenten schuldig was, werd het denkbeeld van de betaling der schuld vervat in de uitdrukking “verlossing”.

Zo beschouwd, is God de schuldeiser; de Wet is Zijn invordering der schuld; en de eeuwige dood is de straf der non-betaling. Beschouwt dan de schuld in alle haar uitgestrektheid; de gruwelijke misdaden; de vreselijke zonden, de verergerde ongerechtigheden van het gehele lichaam der uitverkorenen, welke allen, als zovele geweldige eisen door de verontwaardigde Gerechtigheid ingevorderd, afbetaald moesten worden, terwijl anders de schuldenaars niet konden vrijgesteld worden.

Maar schuld en betaling moeten onderlinge verhouding hebben, moeten zijn wat men noemt “gelijkmatig”, want een kleine som kan een grote schuld niet afdoen. Nu toont ons niets zozeer de hoe-grootheid van de schuld, waarin de Gemeente is vervallen, dan de grootte van de prijs die tot haar verlossing betaald is; want als schuld en betaling moeten sluiten, hoe groter dan de betaalde som is, hoe uitgestrekter de schuld. “Gij bent duur gekocht,” want verlossing betaalt niet slechts de schuld, maar maakt ook de verlosten het eigendom van de verlosser. Maar wat was de prijs? Niets minder. dan het verzoenend bloed des Zoons van God, waarop de waardij der Godheid gedrukt was, want Hij, die het stortte, was God zowel als mens. Dus, ofschoon het het bloed van ‘s Heeren reine mensheid was, nochtans was alle waardij der Godheid daarin, want gelijk de Heere slechts een Persoon was, hoewel in twee naturen, zo was de bloedstorting één, de offerande één, de verdienste één, want de Persoon was één; en dus, ofschoon Christus als mens leed, verwierf Hij als God.

Dit deed het bloed des Lams een geldende prijs zijn, want hij verkreeg zijn waardij uit de Godheid van de Persoon die het gaf, en het vrijwillig stortte, als een verzoening voor de zonde. Dus is het de betaling van een schuld, die God nimmer weer zal eisen; en de volkomen uitdelging van de vloek, die nooit zal neerstorten op de hoofden der verlosten onder de mensenkinderen. Zij is een volkomen en volledige kwijtschelding van alle wetsbeschuldigingen, en van alle eisen der gerechtigheid. O welke verlossing! God beraamde ze; Zijn dierbare Zoon volvoerde ze; de Heilige Geest past ze toe. Zalig plan! zalige uitvoering! zalige toepassing!

3. Maar wij komen nu tot een andere genadige leiding. Behoudenis. Ik heb de juiste orde der woorden van de tekst enigszins omgezet, omdat verlossing, als een werk, en in de werken der genade, voor de behoudenis komt. De Engel van het aangezicht heeft ze behouden. De Zoon van God, als voortkomende van uit de tegenwoordigheid Zijns Vaders, om Zijn gemeente te verlossen en te behouden, wordt hier “de Engel Zijns aangezichts” geheten. Het woord ‘ Engel” betekent niet altijd een geschapen engel – een van die blinkende en heerlijke wezens die voor de eeuwige troon staan. In de Openbaring wordt, bijvoorbeeld, de herder van een gemeente genoemd “de Engel” dier gemeente, als: “Schrijf aan de engel der gemeente van die van Smyrna” (Openb. 2: 8). Het woord, door “engel” vertaald, betekent letterlijk, beide in het Grieks en Hebreeuws, “boodschapper” of zendeling, gezondene, afgezant. Zo wordt onze gezegende Heere in Maleachi genoemd “de Engel des Verbonds” (boodschapper des Verbonds, Eng. Vert.) (Mal. 3: l), het woord door “Engel” overgezet, juist hetzelfde zijnde als dat op andere plaatsen door “engel” vertaald is, als mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan” (Exod. 32: 34).

Maar in onze tekst wordt de Heere genoemd “de Engel van Gods tegenwoordigheid” of “zijns aangezichts” gelijk het woord letterlijk betekent. Ik versta door de uitdrukking vier hoofdzaken: a. Dat de Heere Jezus Christus, als Zijn eeuwige Zoon, eeuwig voor Zijn aangezicht was; b. Dat Hij, als de “Engel” of “boodschapper des Verbonds” van voor Gods aangezicht te voorschijn trad; c. Dat Hij Zijn volk in Gods tegenwoordigheid inleidt; d. Dat Hij des Vaders kennelijke tegenwoordigheid aan hen bekend maakt en openbaart. Maar laat mij deze punten een weinig vollediger en duidelijker openleggen.

a. Vooreerst dan was onze gezegende Heere, als de eeuwige Zoon van God, van alle eeuwigheid, in de tegenwoordigheid Gods, zoals geen geschapen engel zijn kon. Engelen, als reine geesten, aanschouwen Gods aangezicht als een genadige weldaad; maar zij aanschouwen die niet van alle eeuwigheid, noch door erfrecht, gelijk de Zoon van God doet, die eeuwig in Zijn schoot lag.

b. Van dat aangezicht kwam Hij, als “de Engel des Verbonds”. “Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen”. (Joh. 17: 25). Hij is “de Engel van Gods aanschijns” gelijk Jakob zei van de man met wie hij worstelde: “Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht” (Gen. 32: 30); want als Zijn eeuwige Zoon, is Hij de glans Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld van Zijn Persoon. Die dus “Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien;” want “Hij en de Vader zijn een” (Joh. 10: 30 en 14: 9). Hij is “het beeld Gods” (2 Kor. 4: 4), en “in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk” (Kol. 2: 9).

e. Maar de Heere Jezus is ook “de Engel van Gods aangezicht”, als verloste zondaars in Zijn tegenwoordigheid inleidende. Niemand kan in Gods tegenwoordigheid komen behalve door de Engel Zijns aangezichts – de Godmens, Middelaar; want “door Hem”, en door Hem alleen “hebben wij de toegang door een Geest tot de Vader” (Efeze 2: 18). Aan het oude Perzische Hof werden, gelijk wij vinden in het boek van Esther (I: 14), slechts zeer weinige lieden, als “de zeven vorsten der Perzen en Maden, die de eerste in het koninkrijk waren,” veroorloofd het aangezicht van de koning te zien. Het voorrecht was bijna evenzeer beperkt aan het joodse hof, hetwelk Absalom deed zeggen: “Nu dan, laat mij het aangezicht van de koning zien; is er dan nog een misdaad in mij, zo dode hij mij,” alsof hij zonder dit niet kon leven (2 Sam. 14: 32). Zelfs aan ons (Engelse) Hof, kan niemand in de tegenwoordigheid van de koningin komen tenzij bijzonder ingeleid wordende. Zo kan niemand geestelijk het aangezicht Gods aanschouwen, tenzij zij in zijn tegenwoordigheid worden ingeleid door Zijn dierbare Zoon.

d. En wederom, Hij alleen openbaart Gods tegenwoordigheid aan de ziel, want de Heere zei tot Mozes toen Hij beloofde dat Zijn Engel voor Hem uit zou gaan: mijn aangezicht zal met u gaan, om u gerust te stellen,” alsof daar Zijn tegenwoordigheid is, waar Zijn Engel is (Exod. 32: 34 en 33: 14).

Dientengevolge zien wij, hoe de Heere Jezus “de Engel van Gods aangezicht” is; en gelijk Hij eeuwig in Zijn tegenwoordigheid was, zo is Hij van uit die tegenwoordigheid uitgegaan, om het werk te verrichten dat bepaald was, hetwelk was om te behouden: want “de Engel Zijns aangezichts heeft ze verlost;” en als zodanig was Hij “machtig om te verlossen”. Dit waren dus de woorden, waarop Hij voor zichzelf aanspraak maakte, als beschrijvende Zijn hoedanigheid en Zijn werk, toen de gemeente Hem vroeg wie Hij was. “Ik die in gerechtigheid spreek, die machtig ben om te verlossen.” Hij verscheen dan teneinde te verlossen; en reken er op, dat toen Hij van Gods tegenwoordigheid uitging als de Engel Zijns aangezichts teneinde te verlossen, Hij nooit weer in de tegenwoordigheid zou verschijnen voordat Hij verlost had. Wanneer een koning een afgezant heen zendt om zeker ambt te verrichten, kan hij niet terugkeren voordat hij het volvoerd heeft. Evenzo met onze gezegende Heere: Hij keerde niet weer tot Zijns Vaders aangezicht voordat Hij het werk had volbracht dat aan Zijn handen ter verrichting was toevertrouwd. Gelijk Hij zelf zei: “Ik heb voleindigd het werk dat Gij Mij gegeven hebt om te doen;” en wederom, met bezwijkenden adem: “Het is volbracht” (Joh. 17: 4; 19: 30).

En o, hoe zalig is het, te zien dat de Engel Zijns aangezichts verlost, volledig, volmaakt, eeuwig verlost. Verlossing is niet in de mens, in het schepsel; in onze woorden noch onze eigen werken; in onze goedheid, noch onze eigen slechtheid. Maar verlossing is in de Zoon van God. “Die ons heeft zalig gemaakt,” reeds heeft verlost, door Zijn bloed en gerechtigheid op aarde (2 Tim. 1: 19); en “volkomen kan zalig maken”, door de openbaring daarvan uit de hemel (Hebr. 7: 25). 0 heerlijk gezicht! om door het oog van het geloof de Engel van Gods aangezicht te zien verschijnen van uit de hoven der gelukzaligheid, en de Gemeente Gods, door Zijn gehoorzaamheid, door Zijn bloedstorting, Zijn geldende offerande en Zijn dood, met een eeuwige verlossing te zien verlossen.

Maar deze zo heerlijke en zo geldende behoudenis moet in ons hart, in onze ziel neerdalen, gelijk de Engel des Verbonds van de tegenwoordigheid des Vaders neerdaalde. Maar hoe komt zij? Door de geopenbaarde tegenwoordigheid Gods; want de Engel Zijns aangezichts behoudt. Wanneer dus de Engel Zijns aangezichts die tegenwoordigheid aan de ziel openbaart; wanneer diezelfde Jezus die aan het kruis * stierf, het hart binnenkomt in Zijn liefde, en bloed, en macht, dan behoudt Hij ons door de openbaring van Zijn aanschijn als de Christus Gods. Zo behoudt de Engel Zijns aangezichts niet alleen werkelijk en verdienstelijk door Zijn volbracht werk aan het kruis, maar behoudt gevoelig en bevindelijk door de tegenwoordigheid Gods, welke Hij in de ziel brengt.

Heeft Hij u behouden? Doet uzelf die vraag. Is de Engel Zijns aangezichts ingekomen teneinde daar behoudenis aan te brengen? Nu kennen wij alleen behoudenis door de komst van de gezegende Heere in ons hart in Zijn tegenwoordigheid, in enige genadige ontdekking van Zijn bloed, van Zijn gehoorzaamheid, en stervende liefde. Wanneer Hij zich zo openbaart, dan zien en kennen wij Hem. Onze genadige Heere zei daarom tot Zijn discipelen: “Gij zult Mij zien; want Ik leef, en’ gij zult leven” (Joh. 14: 19). Hij dan, die de Heere door het geloof heeft gezien, en Zijn tegenwoordigheid krachtig heeft gevoeld, is een behouden mens; want de Engel zijns aangezichts heeft hem niet slechts daadwerkelijk verlost door het bloed des kruises, maar bevindelijk in zijn eigen hart tevens. 4. “Hij nam ze op, en Hij droeg ze al de dagen vanouds.” Nu komt de vierde genadige leiding des Heeren met Zijn volk: Ondersteuning. Wij kunnen, dunkt mij, de woorden dus verklaren: “Hij nam ze op uit Egypte,” en “droeg” ze in en door de woestijn in de beloofde rust. Deze twee zaken omvatten elke zegen op een wijze van genadige ondersteuning, en zijn in het kort de vrucht der verlossing en van de openbaring der behoudenis.

a. “Hij nam ze op” uit Egypte. Dit wordt schoon uitgedrukt in de woorden: “Gijlieden hebt gezien wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen, en u tot Mij gebracht heb” (Exod. 19: 4). Het denkbeeld is dat dat van hen uit Egypte op te nemen gelijk een arend zijn jongen zou wegvoeren uit de handen des verstoorders van zijn nest, en hen weg en omhoog voeren op zijn uitgestrekte vleugelen. Afscheiding van de afgoderij, en slavernij en van een staat van vernedering is het hoofddenkbeeld van het volk uit Egypte te leiden, en zulks tot het uitdrukkelijk doel, dat zij het volk van de Heere zouden zijn, – een afgezonderd volk. Zo neemt de Heere, geestelijk, ons uit een erger Egypte op door Zijn Almachtige kracht. Heeft Hij u uit de erger dan Egyptische slavernij van “het dienen van onderscheiden lusten en begeerlijkheden” gebracht?

Heeft Hij u enige verlossing van de wereld en haren geest geschonken, en u tot zich gebracht door de kracht Zijner genade? Heeft Hij u opgenomen uit de zonde – haar openlijke volvoering, haar verborgen praktijk, haar inwendige koestering, en enigermate de liefde en de kracht ervan verbroken? Heeft Hij u niet slechts uit de grovere ongerechtigheden van Egypte opgenomen, maar ook uit haar meer verfijnde en schoonschijnende zonden, zoals schepselvergoding, liefde van kunst en wetenschap, lippendienst, eigengerechtigheid en Godsbespotting door bijgeloof, overlevering, en. ijdele dienstplechtigheden? Heeft Hij u opgenomen, als op arendsvleugelen, uit al de “afgoden van Egypte?” want het was een land dat afgoden baarde, en daarom een sprekend beeld van deze afgodmakende en afgodminnende wereld.

b. Maar “Hij droeg ze al de dagen vanouds”. Hij nam ze niet slechts op uit Egypte, maar droeg hen in, en door, en uit de grote en vreselijke woestijn. Zo droeg en ondersteunde Hij hen gelijk een genadig Vader, gaf hun manna te eten, en bracht water voor hen uit de rotssteen voort om te drinken, wanneer zij, buiten Zijn genadige macht, zeker uit Zijn armen zouden gevallen zijn, en in de woestijn gestorven zelfs bij hun eerste schrede in dezelve. Hebt gij nu een overzicht van dergelijke genadige leidingen met uzelf? Beziet deze zaken in het licht van uw eigen bevinding, en ziet hoever zij overeenstemmen in het pad waarin gij persoonlijk en bevindelijk geleid bent. Zie terug en beschouw hoe de Heere u heeft opgenomen en gedragen al de dagen vanouds en welke teerheid, vriendelijkheid, liefde en genade Hij u altijd bewezen heeft. Dit te lezen in het licht van onze eigen bevinding, is ons persoonlijk aandeel in de genadige leidingen van een VerbondsGod te zien.

II. Maar ik ga nu voort om een beschouwing te nemen van de vergeldingen – wat ik genoemd heb “de weerstrevige vergeldingen,” waarmee de kinderen Israëls, als typen en beelden van de heiligen Gods, de Heere wedervergolden voor al zijn genadige leidingen met hen. Jij zijn weerspannig geworden en zij hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan.” 0 welke niet slechts weerstrevige, maar laaghartige wedervergeldingen! 0 welk een wreedaardige terugbetaling voor Zijn gunstbewijzen! 0 hoe diep dood in de zonde moetenzij geweest zijn, om zo de Heere te vergelden voor Zijn genadige en barmhartige handelingen met hen!

1. Zij zijn weerspannig geworden. Dit is juist wat wij doen, want er is geen noodzakelijkheid voor om hen te berispen. Maar laat ons het op ons zelf toepassen. Maar hoe zijn wij weerspannig? Door woord of daden? Door beiden, maar hoofdzakelijk door daden, en vooral door het verkiezen van onze eigen weg in plaats van de weg des Heeren. Opstand bestaat niet, gelijk sommigen veronderstellen, enkel in toornige gevoelens of onbetamelijke woorden; zij bestaat meer in gedrag dan in uitdrukkingen. Sommigen menen dat zij niet opstaan tegen de Almachtige, omdat zij stille, rustige lieden zijn. Maar met al hun stilheid kan dit rustige volk bedaard hun eigen weg en wil verkiezen in plaats van die des Heeren. Dan zijn zij oproerlingen. Zij verkiezen hun eigen wil voor des Heeren wil, en om hun eigen voordeel, vermaak, of neiging als een gids en leefregel te stellen in plaats van de voorschriften van het evangelie en de heilige geboden Gods: dit is opstand. Het bestaat niet bloot in gemelijke gedachten, knorrige uitdrukkingen, en murmurerende gemoederen, maar in daden, waardoor wij van de rechte wegen des Heeren afwijken.

Wat was Sauls weerspannigheid, welke was “als de zonde der toverij?” De verwerping van het woord des Heeren; ongehoorzaamheid aan de uitdrukkelijke wil van God (1 Sam. 15: 23). Aan deze maatstaf getoetst, zijn er zeer velen schuldig aan weerspannigheid, uit wiens lippen nooit een weerspannig woord ontglipte. Zij weerstreven door hun daden. Dit is het dan, waaruit de Heere de opmerking maakte: dat al Zijn ontferming en liefde en genade jegens Zijn volk vanouds hen niet drong om te leven tot Zijn lof, of te wandelen in Zijn vrees; maar schoon Hij zoveel voor ben gedaan had, nochtans waren zij ongehoorzame kinderen, die hun eigen genoegens, hun eigen doeleinden, hun eigen begeerten oprichtten, in strijd met de rechte paden en de rechten wil des Heeren.

2. En door ze te weerstreven, deden zij Zijn Heilige Geest smarten of zoals het woord eigenlijk betekent “droefheid” aan. De Heilige Geest werd droefheid en smart aangedaan, om zo te spreken, door hun weerspannigheid en ongehoorzaamheid, hun besloten voornemen om hun eigen zin te hebben, er mocht van komen wat er wilde. Deze halsstarrigheid in kwaad doen, deze stugheid en eigenwilligheid, bedroefde en smartte Gods Heilige Geest, die hen teer, gehoorzaam en onderworpen wilde hebben. Deze twee wezenstrekken zien wij op hun gehele geschiedenis gedrukt. Zij bedroefden Hem ook door Zijn vermaningen te verwaarlozen, door geen acht te geven op Zijn genadige waarschuwingen, door Zijn voorschriften te verachten, en door Zijn wijze besturingen te miskennen; zo bedroefden en smartten zij Gods Heilige Geest door het versmaden, verwaarlozen en het verharden van hun harten tegen de wijze vermaningen en genadige onderwijzingen des Geestes in het woord. Ik ben niet voornemens de twistvragen van twistgierige gemoederen te beantwoorden, in hoeverre God de Heilige Geest kan bedroefd worden.

Ik neem Gods Woord gelijk God dat geopenbaard heeft. Daar lees ik: “Bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld bent tot de dag der verlossing” (Efeze 4: 30). Ik geloof daarom, op grond van Gods Woord, dat God de Geest kan bedroefd worden; en zo lees ik hier, dat zij Zijn Heilige Geest smarten hebben aangedaan. Ik omhels daarom Gods Woord, en geloof dat de Heilige Geest smarten kunnen worden aangedaan. Ik erken dat er een moeilijkheid in bestaat, maar zo gij alle moeilijkheid in Gods Woord kunt verklaren, ik kan dit niet. Ik ben tevreden met te geloven wat ik niet verklaren kan, en aan te nemen wat ik niet kan begrijpen.

Maar wat is het gevolg van het smart aandoen aan de Heilige Geest? Hij onttrekt Zijn genadige invloeden; Hij laat de ziel oogsten wat zij gezaaid heeft, en daar zij doornen heeft gezaaid, maait zij doornstruiken; daar zij onkruid zaaide, maait zij distelen; daar zij in het vlees zaaide, maait zij uit het vlees verderfenis.

III. Maar wij zullen nu ons derde punt beschouwen, wat de Heere dientengevolge gedwongen werd te doen, want “God laat zich niet bespotten”. “Hij is hen in een vijand verkeerd, Hij zelf heeft tegen hen gestreden.” Wij zien geheel de geschiedenis der kinderen Israëls door, dat zij, niettegenstaande al de goedheid, liefde en genade Gods jegens hen, altijd weerspannig waren en Zijn Heilige Geest smart aandeden. Dan zien wij dat de Heere hen in een vijand verkeerde, en zelfs tegen hen streed, van hun komst uit Egypte af tot de verwoesting van Jeruzalem toe. Hierin waren zij, gelijk in zovele andere opzichten, een voorbeeldig volk; want gelijk de Apostel zegt: deze dingen alleen zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden,” of “typen”, zoals de Engelse kanttekening zegt (1 Kor. 10: 11). In hun geval is de Heere hun werkelijk tot een vijand geworden en heeft ze verwoest, want zij werden als op zich zelf staande gericht, ofschoon zij als volk voorbeeld waren.

Maar de Heere verkeert nooit werkelijk in een vijand tegen hen voor wie Hij eeuwig een vriend is; want er kan geen werkelijke vijandschap in de boezem Gods bestaan tegen iemand van Zijn volk. “Grimmigheid is bij Mij niet” (Jes. 27: 4); ik heb u lief gehad met een eeuwige liefde” (Jer. 31: 3), zijn Zijn eigen woorden; en waar er geen grimmigheid maar eeuwige liefde is, daar kan geen vijandschap bestaan. Maar Hij handelt met hen alsof Hij hun vijand ware. Door hun gedrag ontstoken, doet Hij zich aan hen voor, niet als een liefhebbend Vader en vriend, maar als een, wie zij zelf gedwongen hadden om de gehele stroom Zijner goedertierenheid jegens hen te veranderen, en te handelen alsof Hij hun openlijke en gezworene vijand ware, opdat zijde gevolgen hunner ongehoorzaamheid zouden gevoelen, diep en smartelijk zouden gevoelen.

Zijn hand gaat dikwijls tegen hen uit in voorzienigheid. Zo kwelt de Heere somwijlen het lichaam en soms de bezittingen; want sommigen van wie wij het goede zouden hopen, vertonen soms een droevige begeerlijken geest, altijd alles grijpende wat zij kunnen, zoekende in de wereld vooruit te komen, en betrekkelijk niets zozeer hoogschattende als het vermeerderen van hun voorraad. De Heere zal zulken dikwijls slaan in hun tederste punt, in hun geliefkoosd geld, gaten in hun geldbuidels makende door zware en onverwachte verliezen en strijdige besturingen (Haggaï 1: 6). Anderen treft Hij in hun huisgezinnen, die tedere plaats. O! Hij kan hun in een vijand verkeren, gelijk God Jerobeam verwekte om de vijand van Salomo te zijn, door wrede en bittere vijanden uit verschillende streken tegen hen op te wekken. ja, zelfs kan Hij de harten van zijn eigen volk tegen hen keren, dat het smartelijkste van alles is, zodat zij, in plaats van hen vast en stevig in hun armen te houden, ze bijna uit hun schoot schudden, alsof zij bedriegers en huichelaars waren. In deze en in vele andere wegen, waar ik nu niet kan indringen, strijdt de Heere tegen Zijn weerspannig volk.

Zo zij nu enige zuivere onderwijzingen, enige ware genadige gevoelens hebben, zal dit één zulks bewijzen, of zij onder Gods bezoekende hand vallen, of dat zij meer en meer tegen Hem weerspannig zijn. Waar het volk van de Heere weerspannig is en Zijn Heilige Geest smart aandoet en wier vijand Hij wordt, daar worden zij vroeger of later in berouw aan Zijn voeten gebracht. Zij horen de roede en wie ze besteld heeft; zij belijden hun zonden, zij verzaken ze en vinden barmhartigheid (Micha 6: 9; Spreuk. 28: 13). Dit ontsluit een weg voor de Heere om weer te keren, gelijk Hij zegt: “Ik zal terugkeren, en Mij hunner ontfermen” (Jer. 12: 15), hetwelk ons tot ons vierde en laatste pont brengt – des Heeren genadige vergelding aan Zijn volk.

IV. Dit is niet juist in de tekst vervat, maar kan uit het voorafgaande vers opgemaakt worden, waarin de Heere zegt: Jij zijn immers Mijn volk, kinderen die niet liegen zullen?” Alzo is Hij hun geworden tot een Heiland. En indien “hun tot een Heiland”, dan een volkomen Heiland, welke Hij niet zijn zou, zo Hij hun wezenlijke of voortdurende vijand ware.

Maar ziet op twee punten, die hen zo bijzonder en gezegend schijnen te kenmerken als onderscheiden van alle andere volkeren.

1. Vooreerst, hoort de Heere zelf zeggen: “Zij zijn immers Mijn volk?” “Niettegenstaande alles, zij mogen zijn wat zij willen in de ogen van anderen, en zelfs trots al hun opstand, en Mijn verkeren in een vijand tegen hen, nochtans, toch zijn zij Mijn volk.” Dat is besluitend. Dat beslist het punt. Het is gelijk de besluitende woorden eens vaders nadat gij hem al de gebreken van een zijner kinderen verteld hebt. “Hij is mijn kind.” Dat besluit alles. “Het bedroeft en smart mij” voegt hij er bij, “wat gij mij vertelt; maar ik ben nochtans zijn vader, en kan, en zal hem niet verstoten”.

2. Maar merk ook op hetgeen ik de zaligende slotrede mag noemen, welke hun aard beschrijft, en hoe de Heere Zijn genade in het hart opmerkt en goedkeurt. Ofschoon zij weerspannig waren en Zijn Heilige Geest smarten aandeden, waren zij nochtans kinderen die niet zouden liegen. Merk hoe de Heere Zijn hand legt op dat beginsel, hetwelk Hij zelf in hun boezem ingeschapen had, het beginsel van niet te liegen, het heilig uitbotsel van oprechtheid en waarheid. “Alzo is Hij hun geworden tot een Heiland.” Dus, ofschoon zij hadden gerebelleerd en Zijn Heilige Geest smarten aangedaan, en Hij hen in een vijand verkeerd was, en tegen hen had gestreden, zo waren er nochtans bij Hem ontfermingen van het hart; want, Hij dacht aan de dagen vanouds, aan Mozes en Zijn volk, zeggende: “waar is Hij, die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders zijner kudde?

Waar is Hij die de Heilige Geest in het midden van hen stelde?” De Heilige Geest in hen was oorzaak dat zij niet liegen zouden. Dus, als deelgenoten van zijn Heilige Geest, stelt de Heere zichzelf voor als in ontferming op hen neerziende; op Zijn eigen tijd en wijze zich verwaardigende om weer te keren, naderende in Zijn besprenkelde klederen van Bozra te hunner hulp, en als zodanig “versierd in Zijn gewaad, voorttrekkende in Zijn grote kracht”. In plaats dan van te komen om te verderven, komt Hij om te verlossen. Toen zij op Zijn met bloed geverfd gewaad zagen en straks verwachtten in de wijnpers Zijns toorns vertreden te worden, kwam Hij met woorden van genade in Zijn mond en verlossing in Zijn handen. “Ik ben het die in gerechtigheid spreek, die machtig ben te verlossen.” Als sprekende in gerechtigheid, zijn al zijn woorden waarheid – gegrondvest in gerechtigheid, en gerechtigheid openbarende; en als machtig zijnde om te verlossen, verlost Hij hen van al hun verwoestingen, om zich een “eeuwige naam” te maken, opdat hemel en aarde met Zijn heerlijkheid vervuld worde.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.