Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Sions poorten en de gebaande weg van de Koning

Gaat door, gaat door, door de poorten, bereid de weg van het volk: verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volkeren. Jes. 62: 10.

Toen Johannes, de geliefde discipel, op het eiland Patmos om het woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus, begiftigd werd met een heerlijke blik in de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid die voor haar man versierd is, toen voerde hem een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden vol van de laatste zeven plagen, in de geest weg naar een hoge berg, en toonde hem daar dat heerlijke gezicht, de Bruid, de vrouw des Lams (Openb. 21: 2, 9). De beschrijving, welke Johannes van deze heerlijke stad heeft gegeven, is te uitgebreid voor onze tijdruimte en aandacht in deze morgen, maar ik zal slechts een of twee verzen voorlezen, die u een genoegzaam denkbeeld zullen geven van haar schoonheid en heerlijkheid: “En hij voerde mij weg in de geest, op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit de hemel van God. En zij had de heerlijkheid Gods: en haar licht was de allerkostelijkste steen gelijk, namelijk de steen Jaspis, blinkende als kristal.

En had een grote en hoge muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israëls” (Openb. 21: 10-12). Nu kan de vraag wellicht in uw gemoed oprijzen, wat was deze stad welke Johannes dus in een gezicht aanschouwde? Wilde de Heilige Geest daardoor verklaren, dat er op of na de vernietiging van alle dingen, op of na de grote oordeelsdag, van God uit de hemel een letterlijke stad zou neerdalen, gelijk Johannes in een gezicht aanschouwde? Of was zij bestemd tot een blote zinnebeeldige voorstelling? Ik geloof, dat wanneer wij voor enige ogenblikken de beschrijving der stad beschouwen, gelijk ze ons door de pen van Johannes gegeven is, wij zullen zien, dat een letterlijke vervulling van het profetisch gezicht niet bedoeld werd.

Let, vooreerst, op de grootte van de stad: “En de stad lag vierkant en haar lengte was zo groot als haar breedte en hij mat de stad met een rietstok op twaalf duizend stadiën, de lengte, de breedte en de hoogte ervan waren even gelijk”. Twaalf duizend stadiën zijn ongeveer 1500 Engelse mijlen. Hier was dus een stad van 1500 mijlen lengte, 1500 mijlen breedte, en wat nog zonderlinger is, van 1500 mijlen hoogte; want haar hoogte was gelijk aan haar lengte en breedte. Kan zulk een stad op de oppervlakte van de aardbol bestaan? Onze hoogste bergen, zoals de machtige Andes en de ontzettende Himalayabergen, gaan vijf mijlen niet te boven. Maar hier is een stad, een bemuurde stad, die tot in de hemelen reikt, 1500 mijlen! Ziet wederom op de grondstoffen, waarvan de stad gebouwd werd. Het was alles van goud, en geen gewoon goud, plomp en ondoorschijnend, maar klaar en doorschijnend, want zij was “het heldere kristal gelijk”. Vormt u nu een denkbeeld van een stad van 1500 mijlen lang, 1500 mijlen breed en 1500 mijlen hoog, en geheel gebouwd van goud zo klaar als kristal. Zouden al de gouddelvers in de wereld dat edel metaal in genoegzame overvloed kunnen aanbrengen om een stad van zulk een omvang te bouwen?

Wanneer wij op de grondslagen der stad zien, treffen ons dezelfde natuurlijke onmogelijkheden. Zij waren allen van edelgesteenten, jaspis, en saffier, en smaragd, en diamant. Van waar konden edelgesteenten verkregen worden van een omvang, die passend waren om tot fondamenten te dienen van een stad, wier muren 1500 mijlen hoog waren? Want muren en fondamenten moeten evenredig zijn. En merk op de poorten. “De twaalf poortenwaren twaalf parels, een iedere poort was elk uit een parel”. Waar zou een parel te vinden zijn om een poort te vervaardigen van minstens een mijl hoog? want de poorten moeten enigszins in verhouding staan tot de muren. Ik noem deze dingen, niet om de minste twijfel te werpen op de almachtige kracht Gods, om zelfs wonderen als deze te verrichten, maar om u door een vergelijking van omstandigheden aan te tonen, dat de Heilige Geest nooit bedoeld heeft, om Johannes een letterlijke stad te tonen. Maar zij was gelijk andere beelden in de openbaring en de andere profetische gedeelten der Schrift, bestemd als een zinnebeeld om een voorstelling voor het gemoed en een afschildering aan de gemeente te geven van hemelse, en geestelijke zaken. Dus gelijk de “dieren” door Daniël in een gezicht aanschouwd, geen letterlijke, wezenlijke dieren, maar verborgen voorstellingen van de vier koninkrijken waren; en gelijk de “vrouw met scharlaken bekleed”, die Johannes in de openbaring zag, geen wezenlijke vrouw, maar een zinnebeeld van een valse gemeente was, zo was “de heilige stad”, die de geliefde discipel zag, nederdalende uit de hemel van God, niet bestemd om een letterlijke stad af te beelden, maar diende als een geestelijk zinnebeeld.

U dus aangetoond hebbende dat de stad, welke Johannes zag, slechts een geestelijke voorstelling was, wat kunnen wij nu uit zijn beschrijving opmaken dat de geestelijke bedoeling moet zijn van het beeld, dat dus aan zijn beschouwing werd voorgesteld? Wij leren er dunkt mij uit, dat het een voorstelling is van de gemeente Gods in haren triomfeerenden staat. En dit schijnt mij duidelijk uit een uitdrukking die ik reeds heb genoemd, waarin Johannes het onderwerp ons het eerst voorstelt: “Ik Johannes zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid die voor haren man versierd is”. Wat is de gemeente Gods anders dan “een bruid”, de bruid van Christus? En wanneer is zij “een bruid die voor haar man versierd is?” Wanneer zij een volkomen deelgenote zal zijn van Zijn hemelse heerlijkheid. Als de Heere zal verschijnen in Zijn heerlijkheid en al zijn heiligen met Hem, wanneer de doden zullen worden opgeroepen, en de nog levenden zullen worden veranderd in een ogenblik, in een punt des tijd, met de laatste bazuin, wanneer al de uitverkorenen van God, bekleed met hun nieuwe en verheerlijkte lichamen, verenigd met hun gelukzalige en volmaakt geheiligde zielen, zullen ingaan in de heerlijkheid huns Heeren, dan zal geestelijk vervuld worden wat Johannes in een gezicht zag, want deze heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalde van God uit de hemel, met haar zuiver goud, klaar als kristal, met haar parels en edelgesteenten, kan slechts ten flauwste de onsterfelijke heerlijkheden der gemeente in haar triomferende staat voorstellen, aan het heerlijk beeld van haar volzalig Hoofd gelijkvormig gemaakt.

Maar behalve deze heerlijke stad, als door Johannes in een gezicht gezien, en gelijk ik aangetoond heb, de gemeente van Christus in haar triomferende staat voorstellende, stelt het woord der waarheid ons een andere stad voor, een stad van een zeer verschillende hoedanigheid. “Wij hebben,” zegt de profeet, “een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen. Opent de poorten, opdat het rechtvaardig volk inga, dat de gerechtigheden bewaart” (Jes. 26: 1, 2). Van deze stad lezen wij ook: “De Heere is groot en zeer te prijzen, in de hand van onze Gods, op de berg Zijner heiligheid. Schoon van gelegenheid, een vreugde der gehele aarde is de berg Sion, aan de zijde van het noorden, de stad des groten Konings” (Psalm 48: 2, 3). Wanneer wij nu onderzoeken wat van deze stad gezegd is, zullen wij zien dat zij van een verschillenden aard is van die, welke Johannes zag, nederdalende van God uit de hemel, want zij verschilt daarvan in onderscheiden treffende bijzonderheden.

1. Zij is “een sterke stad”, die muren en voorschansen heeft, terwijl die van Johannes een heerlijke was, doch zonder voorschansen.

2. Zij verschilt daarin dat de poorten der hemelse stad nimmer gesloten zijn, want wij lezen: “In haar poorten zullen niet gesloten zijn de gehele dag, want daar zal geen nacht zijn”. Maar de poorten der stad van Jesaja worden gesloten gehouden, of tot welk einde zou anders het bevelwoord dienen: “Opent de poorten?”

3. Zij verschilt ook in dit opzicht, dat de poorten van Jesaja’s stad niet gelijk bij Johannes, vierkant liggen, met drie poorten aan elke zijde, zodat zij, om zo te spreken, alle aankomende van alle werelddelen toegang verlenen, daardoor te kennen, gevend dat de uitverkorenen van God in hun triomfeerenden staat volkomen en vrij ingaan van het noorden, zuiden, oosten en westen. Noch poorten, noch muren, noch muren der sterke stad gelijken de poorten en muren der heerlijke stad, want in plaats dat daar een muur rondom is, Zijn er “muren en voorschansen”, dat is muur achter muur, en voorschans achter voorschans, gelijk in sommige van onze middeleeuwse steden of vestingen, welke muren en welke poorten allen eerst achtereenvolgens moeten doorgelopen worden eer wij naar de slottoren, de binnenste vesting, het vorstelijk paleis kunnen komen, waar de Koning zetelt en heerst in al Zijn genade en schoonheid, en waar Hij zich aan Zijn onderdanen openbaart, die Hij toelaat in Zijn genadige tegenwoordigheid.

4. Er is ook een ander onderscheid tussen de heerlijke stad, welke Johannes zag in een gezicht, en de sterke stad, waarvan door Jesaja wordt gesproken. De stad welke Johannes zag had engelen aan haar poorten, die hemelse dienaren, die “de uitverkorenen van de vier windstreken van de hemel vergaderen” (Matth. 24: 31) en die de wacht houden en zorgen voor de heilige stad, “opdat er niet in zal komen iets dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt” (Openb. 21: 27). Maar de stad waarvan Jesaja spreekt had wachters, de uitgezondene dienaren Gods, mensen van gelijke bewegingen als wij, in haar poorten staan, die het volk daarin moesten leiden, want zij zijn het, en niet het heirleger der engelen, die gelast worden de “poorten te openen, opdat het rechtvaardige volk inga dat de gerechtigheden bewaart”.

5. Ook wanneer wij het verband van de tekst in overweging nemen, zullen wij een treffend verschil tussen de twee steden zien. De stad welke Johannes zag, wordt beschreven in verband met “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”, met dien gezegenden en heerlijke tijd, wanneer God alle tranen van de ogen zal afwissen, wanneer “de dood niet meer zal zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite meer zijn zal, want de eerste dingen zijn weggegaan” (Openb. 21: 4). Maar de stad welke Jesaja zag is in verband gesteld met “het lied dat gezongen zal worden in de lande Juda”, evenmin zijn de nieuwe hemel en de nieuwe aarde reeds verschenen, want de Heere spreekt: “Gaat heen, Mijn volk, gaat in uw binnenste kamers en sluit uw deuren na u toe en verbergt u als een kleinen ogenblik, totdat de gramschap voorbij ga. Want ziet, de ‘Heere zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid der inwoners der aarde over hen te bezoeken” (Jes. 26: 1, 20, 21). Dus meen ik u aangetoond te hebben, dat deze twee steden in grote mate verschillen.

Wanneer wij nu nauwkeurig op de woorden van de tekst merken, zullen wij daarin een zinspeling op die sterke stad zien, waarvan ik zo-even gesproken heb, want wij lezen daarin: “Gaat door, gaat door, door de poorten”. En wat zijn deze poorten anders dan de ingangspoorten der stad, de “sterke stad”, waarvan in het aangehaalde hoofdstuk van Jesaja gesproken wordt?

Maar de vraag kan nu oprijzen: Wat stelt deze “sterke stad” zinnebeeldig voor? Ik geloof, dat gelijk de stad, welke Johannes in een gezicht zag, een zinnebeeld was van de gemeente in haren triomfeerenden toestand daarboven, zo de “sterke stad” waarvan door Jesaja gesproken wordt, als hebben de muren en voorschansen, de gemeente in haren vernederden, lijdenden toestand hier beneden afbeeldt.

Hier bezitten wij dus op eenmaal de sleutel tot de geestelijke bedoeling van deze steden: dat zij beide de gemeente Gods voorstellen, maar in twee verschillende toestanden, daar de een haar voorstelt in de staat van volmaakte heerlijkheid, de andere in de tegenwoordige genadestaat; de een de triomferende kerk, de andere de strijdende kerk. Het is dan van de gemeente in haren strijdenden, niet haren triomfeerenden toestand, dat de Heere in de tekst spreekt, waar Hij zegt: “Gaat door, gaat door de poorten, bereid de weg van het volk: verhoogt, verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volkeren.”

In het ontvouwen van de geestelijke betekenis van deze woorden, zal ik u, naar dat de Heere mij bekwame:

I. De personen aanwijzen tot wie deze boodschap gericht is.

II. De inhoud der boodschap ontvouwen.

1. Het is blijkbaar, zelfs uit de taal van de tekst, dat er een last Opgedragen is aan zekere personen, en dat zij door de Heere gelast worden een zeker werk te verrichten. Wij zullen daarom wel doen om te onderzoeken, wie de personen zijn die dus belast zijn, want voor dat wij dat punt kunnen vaststellen, zal de boodschap, die hun gegeven werd, met veel duisters bedekt zijn. Het woord van God moet onze enige gids zijn in dit onderzoek, en onder haar helder, schijnend licht zullen wij, indien wij bekwaam gemaakt worden om te zien wat deze heldere lichtstralen openbaren, niet in moeilijkheid gebracht worden om ons te verzekeren wie zij zijn; want ik geloof dat wij weldra zullen zien, dat zij de knechten des Heeren, de dienaars van Jezus Christus zijn. ja, het is aan die hoog beweldadigde mannen Gods, dat deze lastbrief gegeven wordt, en zij zijn het die macht en kracht van Hem hebben om het werk te verrichten dat hier dus voorgesteld wordt.

Er was in de voorspelling van onze gezegende Heere gezegd: “Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk weggevoerd, Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorigen, om bij U te wonen, o Heere God” (Psalm 68: 19). Deze voorspelling herhaalt en verklaart Paulus: “Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven” (Eleze 4: 8). De genadige Heere gelastte Zijn discipelen “maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte” (Luk. 24: 49); en verzekerde hen tevens dat zij zouden gedoopt worden met de Heilige Geest niet lang na deze (Hand. 1: 5). De gave dus, en de belofte van de Heilige Geest, was die welke Hij nam, en welke Hij uitstortte, gelijk Petrus zulks verklaart (Hand. 11: 33). Nu zegt de Apostel, als hij de hoedanigheid van deze geestelijke gaven verklaart, welke de Heere de mensen gaf na Zijn hemelvaart: “En Hij heeft gegeven sommigen tot Apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus” (Efeze 4: 11, 12).

Apostelen en profeten hebben opgehouden. Zij hebben het fundament der gemeente van Christus gelegd, en hun bediening daarmee besloten. Maar evangelisten, herders en leraars blijven nog tot nut voor de gemeente Gods; want het evangelie moet nog gepredikt worden; de heiligen moeten nog volmaakt of bevestigd worden in de waarheid; het werk der bediening moet nog uitgeoefend worden; het lichaam van Christus moet nog gesticht of opgebouwd worden, want het is nog niet volmaakt. Dus moeten er in de gemeente van Christus nog sommigen blijven “Evangelisten”, die eenvoudig het evangelie prediken, zonder een geregelde bediening te hebben; sommigen zijn “herders” die over gemeenten gesteld en in staat zijn om hen te weiden en te besturen; en anderen Leraars” welke de Heere vooral een gave van onderrichting heeft geschonken om de waarheid te ontsluiten en het volk van God daarin te bevestigen.

Dit is hun algemene omschrijving, maar wanneer wij een weinig nauwkeurig in hun hoedanigheid en hun ambt zien, als in het woord der waarheid beschreven, zullen wij hen met verschillende namen bestempeld zien, welke wij wellicht uiterst toepasselijk zullen bevinden op de lastbrief hen in onze tekst opgedragen.

1. Zij worden soms “dienstknechten van God” of “dienstknechten van Jezus Christus” genoemd. De apostel beschrijft zichzelf dus: “Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel” (Rom. 1: l). Zo aan Titus schrijvende, zegt hij: “Paulus, een dienstknecht Gods en een apostel van Jezus Christus” (Titus 1: 1 ). Op gelijke wijze verbindt hij in een andere zendbrief zijn zoon Timotheüs met zichzelf: “Paulus en Timotheüs, dienstknechten van Jezus Christus” (Filip. 1: l). Ook wilde hij deze zijn zending niet licht geacht hebben: “Alzo houd ons een ieder mens,” ~ zegt hij, “als dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods” (1 Kor. 4: l). Aldus is een evangeliedienaar een dienstknecht van Christus. Hij is geen dienaar der mensen, want zulks is uitdrukkelijk verboden. “Gij bent duur gekocht, wordt geen dienstknechten der mensen” (1 Kor. 7: 23). Hij is een dienstknecht van de levende god. En schoon een dienstknecht voor allen, is hij echter geen dienstknecht van allen, of inderdaad van niemand, want bij is des Heeren dienstknecht, en daarom gebonden, niet om de geboden der mensen, maar die van zijn hemelse Meester te gehoorzamen; wat hij doet en lijdt, doet en lijdt bij voor Zijn eer en Zijn heerlijkheid, en niet voor die van zichzelf, of voor iemand anders.

Het zou goed zijn als de gemeenten zulks bedachten. Al te velen behandelen de dienaar alsof hij hun dienstknecht ware, en sommigen bijna als ware bij hun slaaf, hem rondzendende en hem terechtwijzende, alsof hij slechts het werktuig van hun wil en van hun luimen was. Hij is dus, ik herhaal zulks, geen dienstknecht van de gemeente, maar voor de gemeente, want zijn bedieningen zijn geestelijke bedieningen en ondernomen op last van en in gehoorzaamheid aan een Meester, die hem tot de arbeid geroepen heeft, die hem daarin staande houdt en hem van wijsheid en bekwaamheid daartoe voorziet, en dus, ofschoon bij gewillig in de dienst van God arbeidt, is zulks met een oog op zijn hemelse Meester en tot nut van Zijn volk, en niet in slaafse gehoorzaamheid aan de voorschriften van mensen.

2. Maar er wordt ook van de leraars van Christus gesproken als van rentmeesters, en vooral als “uitdelers der verborgenheden Gods” (1 Kor. 4: l). Aan hen is de zorg en bewaring der verborgenheden van het evangelie toevertrouwd. De rentmeester is de voornaamste beambte in het huisgezin. Aan zijn zorg wordt het bestuur van het eigendom zijns meesters toevertrouwd; hij heeft een algemeen overzicht over het gehele huis; hij draagt de sleutels van de etenskast, spijskamer, schenktafel en klerenkast; ontvangt de huur en geeft acht op de toestand der boerderijen. Zo heeft, in geestelijken zin, de dienstknecht Gods een overzicht over de gemeente van Christus, want de Heilige Geest heeft hem tot een opzichter gesteld om de gemeente Gods te weiden. Dit doet hij dienstvaardig, door uit de schatkamer zijns hemelse Meesters nieuwe en oude dingen voor te stellen, en als “van God toegestaan zijnde dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden” (1 Thess. 11: 4), en als hebbende “dat goede pand dat hem toebetrouwd is” (2 Tim. 1: 14), is zijn ambt om het huisgezin zorgvuldig te bewaken, ijverig te beschermen, en, nadat de omstandigheden zulks dient, tot voeding en kleding van het huisgezin en ook om de diepe verborgenheden der hemelse waarheid voor te stellen.

3. Zij worden ook arbeiders genoemd. Zo noemde onze Heere hen: “de oogst is groot, maar de arbeiders zijn weinigen” (Matth. 9: 37). Zo spreekt de apostel van zichzelf en zijn mededienaren: “Wij zijn samen medearbeiders Gods;” en hij beveelt de Corinthiërs zich te onderwerpen aan een ieder die behulpzaam was en onder hen arbeidde”. En waarlijk, terecht mogen de getrouwe dienstknechten Gods “arbeiders” genoemd worden, want geen arbeid is aan de hun gelijk, met betrekking tot moeilijkheden en angsten, en geloofd zij God, in beloning en winst. Zij arbeiden in woord en leer tot heil van Gods volk; zij spitten de stugge grond om en ploegen en zaaien, in hoop dat de Heere hun arbeid mag bekronen met gewenste voorspoed, in hen een overvloedige oogst te schenken van zielen, die verlost en geheiligd zijn als de vrucht van hun bediening.

4. Maar in onze tekst worden de dienaars van Christus aangesproken als met een bijzondere zending belast, welke wij eenvoudig die van leidslieden mogen noemen, Want wij kunnen niet betwijfelen dat het tot Zijn dienstknechten is, dat de Heere hier spreekt, gelijk Hij in andere plaatsen der heilige schrift doet, gelijk, bijvoorbeeld, waar Hij hen gelast: versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast” (Jes. 35: 3); en wederom: troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen” (Jes. 40: l). En dit blijkt vooral duidelijk in het geval van onze tekst, want wij lezen in een voorafgaand vers: “0 Jeruzalem, Ik heb wachters op uw muren besteld, die gedurig al de dag en al de nacht niet zullen zwijgen” (Jes. 62: 6). Wachters zijn blijkbaar dienaren, want zij waken voor de zielen van Gods volk (Hebr. 13: 17). Zij worden dan in de tekst voorgesteld als Gods volk voorgaande, hen de weg opleidende, hen het pad aanwijzende, waarop zij zullen wandelen, al de beletselen wegruimende, die op het pad liggen, en de poorten de een na de andere opendoende, opdat de heiligen des Allerhoogste achtereenvolgens door elke poort mogen gaan, en zo de hemelstad binnentredende, daar rust en vrede vinden.

II. Maar dit voert ons tot ons tweede punt, hetwelk is de boodschap die hun gegeven is, de in hun handen gestelden lastbrief en de arbeid, welke zij met Gods hulp en zegen te verrichten hebben. Ik zal daarom over deze verschillende gedeelten van hun hemelse lastbrief afzonderlijk handelen en gedeelte voor gedeelte ontvouwen wat het te verrichten heeft in de naam en door de Geest des Heeren.

1. Hun eerste werk is om te gaan door de poort; en dit wordt op een zeer roerende wijze voorgesteld. De Heere verdubbelt het bevel. Hij zegt niet enkel “Gaat door de poort,” maar “Gaat door, gaat door;” alsof Hij deze goddelijke last meer warm en nadrukkelijk op hun geweten wil drukken; alsof Hij hen meer dringende en bijzondere onderrichtingen wil geven, en meer krachtig de plechtige plicht en het voorrecht op hen wil leggen van door de poorten te gaan, opdat het volk mag volgen, terwijl zij leiden en met hen in die gezegende stad ingaan. De dienstknecht moet dan zelf eerst door elke poort dringen, en terwijl hij er door gaat, werpt hij die, om zo te spreken, open, opdat Gods volk hem mag volgen, terwijl hij voor hen uitgaat, en zij alzo wandelen in het pad waarin hij leidt en dat hij aanwijst.

a. Wat is nu de eerste poort welke hij en zij door moeten gaan? Ik heb u tevoren aangetoond dat de muren en poorten van deze sterke stad beneden niet gelijk zijn aan de muur en de poort van de heerlijke stad boven, want derzelver muur is vierkant en haar poortenzijn open dag en nacht, zodat er vrije toegang geschonken is voor de verheerlijkte heiligen om daar binnen te komen. Maar deze stad is naar een verschillend bestek gebouwd. De muren zijn even middelpuntig, dat is, cirkel binnen cirkel, muur achter muur en poort achter poort, zodat elke poort in opvolging moet worden doorgegaan, eer men een andere kan bereiken.

Welke is dan de eerste poort die een dienstknecht Gods te ontsluiten heeft? De enge poort, die waarvan de Heere zelf verklaart: “eng is de poort,” – die nauwe poort die tot het eeuwige leven leidt, de poort der wedergeboorte. Er bestaat daaraan geen overklimmen van de muur, noch onder dezelve door te kruipen, of er door heen te komen, behalve door de poort. Die van elders inklimt is een dief en een moordenaar; die onder doorkruipt zal verworpen worden, als op een verboden wijze in de stad te sluipen, Jn de duisternis doorgravende” (Job 24: 16); en de muur is te sterk, te dik, te hecht voor iemand om door te breken. Er is dus slechts een weg in de stad, welke is de enge en nauwe weg der wedergeboorte, een zo enge poort, dat niemand daar kan doorgaan met zijn klederen op zijn rug en met de zonden in de armen geklemd. De zonde moet in haar praktijk en haar macht buiten de muren worden afgelegd, met elke afgod, hoe bemind en aan de borst ook gekoesterd; zijn eigen gerechtigheid moet ook afgerukt worden, en hij moet er, zo te zeggen, naakt in gaan, want er is in dit nauwe portaal geen plaats voor zonde, noch zelfzucht.

Bunyan geeft in zijn onsterfelijk werk “Overvloedige genade”, waarvan ik wel eens gezegd heb dat het verdient in gulden letteren te worden geschreven, ons een treffend bericht van een soort van gezicht, hetwelk hij had, toen zijn ziel door diepe smart een ging. Hij spreekt van het zien der zonnige zijde van een hogen berg, waarop de heiligen Gods bezig waren “zich te verfrissen met de aangename stralen der zon”, terwijl hij “huiverde en ineenkromp van de koude, gekweld door vorst, sneeuw en donkere wolken”. Maar toen hij wat scherper zag, ontdekte hij dat er een muur rond deze berg was, waar bij doorheen moest gaan, eer hij zich met deze gezegende burgers van de warme bergzijde zou kunnen koesteren. Zo ging hij biddende en zorgvuldig deze muur rond en weer rond om een toegang te vinden, maar ziet er geen. Eindelijk merkt hij een zeer nauwe spleet, gelijk een kleinen toegang, in de muur, welke hij poogt door te gaan, maar hij bevindt die zo allernauwst, dat alle pogingen vergeefs waren om er door een te dringen.

Maar eindelijk met grote moeite kreeg bij er eerst zijn hoofd door, en daarna “door een zijdelings streven”, om zijn eigen krachtige uitdrukking te bezige, kreeg hij er zijn schouders in, en daarna zijn gehele lichaam, totdat hij ten laatste de warme zijde des bergs bereikte, waar hij verkwikt werd met het licht en de hitte der zon. Uit dit gezicht nu, en de buitengewone engte der poort, maakte bij deze gevolgtrekking, dat niemand het leven kon ingaan dan hij, bij wien het ernst geworden was, en tenzij hij de boze wereld achter zich laat, want dat hier slechts plaatsruimte was voor lichaam en ziel, maar niet voor het lichaam en de ziet en de zonde”. Zij is inderdaad een zeer enge en nauwe poort, welke niemand zien kan dan zij die geestelijke ogen bezitten, niemand voelen kan, dan zij welke geestelijke handen hebben, en niemand doorgaan, dan diegenen welke geestelijke voeten bezitten. Deze buitenste muur scheidt de stad af van de wereld, van de zonde, van dwaling en van boosheid. Deze allen moeten dus achtergelaten worden, of wij kunnen de eerste poort, de poort der wedergeboorte niet doorgaan, terwijl zonder dat noch zien noch ingaan zijn zal in het koninkrijk der hemelen.

b. Wat is de tweede poort? want onze tekst zegt: “Gaat door, gaat door, door de poorten”. Wel, de poort van het geloof. Lazen wij niet dat “God de heidenen de deur van het geloof geopend had? (Hand. 14: 27). En wanneer was zulks? Toen de apostelen hen het woord des levens verkondigden en God door Zijn Geest en genade hun harten opende, gelijk Hij het hart van Lydia opende, om die te ontvangen. Zo spreekt de apostel van zijn prediking te Efeze: want mij is een grote en krachtige deur geopend, en daar zijn vele tegenstanders (1 Kor. 16: 9); en wederom, toen hij te Troas kwam om Christus’ evangelie te prediken, zegt hij: “Een deur werd mij van de Heere geopend”. Deze deur of poort dan, is de volgende waarvoor wij komen, wanneer wij de enge poort der wedergeboorte zijn doorgegaan.

Ik mag er ook bijvoegen dat wij slechts door de eerste poort kunnen komen door een licht, dat door de tweede heen schijnt, want terwijl wij zelfs aan de ingang worstelende zijn, schijnt er een straal van hemels licht, van de Koning die in het midden der stad op Zijn troon zetelt, in welks middelpunt zijn paleis is, door elke poort heen, terwijl zij achtereenvolgens geopend worden. Ziet nu juist de uitwerking van deze straal van hemels licht. Hier is de ziel met veel bekommering, veel streven en oefening, als het ware zelfs aan de ingang der stad blijvende steken, half, maar niet geheel door de eerste poort, de poort der wedergeboorte, welke is de poort des levens. Ziet het kind der genade bestreden door ongeloof, gevoelende hoe eng en nauw de poort is, welke hij worstelt door te komen, twijfelende en vrezende, nochtans begerende te geloven in de naam des enig geborene Zoons Gods, en om het einde van het geloof te verkrijgen, de zaligheid zijner ziel. Voor hem staat een poort, de poort van het geloof, maar hij kan er niet doorkomen, want zij schijnt voor zijn gezicht gesloten te zijn. Zo is hij half door de eerste poort en de tweede is nog gesloten. Maar hoort nu de lastbrief aan de dienstknechten des Heeren gegeven: “Gaat door, gaat door, door de poorten”.

Hij zelf moet er dus eerst zijn doorgegaan, voor hem moet de deur van het geloof geopend geweest zijn. Hij moet zelfs een gelovige geweest zijn in de eniggeboren Zoon van God, en als een gelovige gaat hij door de poort. Nu als in diezelfde poort staande, welke hij met zijn hand opendoet, heft hij de Zoon van God op als het voorwerp van het geloof, het evangelie predikende met de Heilige Geest uit de hemel neer gezonden, en de Heere de Geest zegent het getuigenis met zalving en kracht aan het hart van deze worstelende in de enge en nauwe poort. Het geloof wordt in de ziel opgericht, de deur daarvan wordt in het hart geopend, hij ontvangt het getuigenis, het evangelie komt niet slechts in woorden maar ook in kracht, de liefde komt tot zijn hulp, want “het geloof is door de liefde werkzaam”, en door haar zachte snoeren getrokken, gaat hij de poort door, door 4e geloven in de eniggeboren Zoon van God, en Hem in zijn hart te ontvangen als “de weg, de waarheid en het leven”.

c. Nu volgt er een andere poort die ontsloten moet worden, en deze is de poort der hoop. Hiervan lezen wij in de profetie van Hosea, waar de belofte alzo zegt: “En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor tot een deur der hoop” (Hos. 2: 14). Deze deur der hoop is dezelfde als die welke de apostel noemt “een goede hoop door genade” (2 Thess. 2: 16), en welke bij verklaart te zijn “een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste des voorhangsels” (Hebr. VI -. 19). Maar gij zult zeggen -“Hebt gij u heden niet vergist? Hoe komt het dat gij de hoop achter het geloof stelt? Waarom plaatst gij er de hoop niet voor? Is dit niet de wijze waarop de Heere met Zijn volk handelt, hun eerst een weinig hoop te schenken en dan, nadat de hoop in hun harten verwekt is, Zijn dierbare Zoon te openbaren, en dus een levend geloof in hen mee te delen?” Neen, ik geloof dat ik mij niet vergist heb. Ik houd er niet van vergissingen te begaan in ernstige zaken van deze aard. Ik zou niet in staat zijn door de poorten in te gaan, om ze voor het volk te openen, als ik niet vrij goed wist, hoe de poorten achter elkaar volgen. Ik zou ten beste slechts een blinde leidsman of een slapende wachter zijn.

Maar omdat gij mij een vraag gedaan hebt, vergun mij u een andere te doen. Hoe kunnen wij hopen op hetgeen wij niet geloven? Het geloof is “een vaste grond der dingen die men hoopt, dat is hun grondslag, gelijk het woord te kennen geeft; maar wat staat vast het fondament of het bovengebouw? Zegt de apostel niet: “de hoop nu die gezien wordt is geen hoop, want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?” (Rom. 8: 24). Maar het geloof geeft ogen, want het is “het bewijs der dingen die men niet ziet”. Dus is het geloof het bewijs en de hoop de verwachting. Maar hoe kunnen wij een zaak verwachten, waarvan wij geen bewijs hebben dat zij bestaat? Hoe kunt gij op de goedertierenheid Gods hopen, tenzij gij in die goedertierenheid gelooft? Hoe kunt gij hopen op verlossing door de Zoon van God, indien gij nimmer geloofd hebt in de Zoon van God, door wie de verlossing komt? Of hoe kunt gij een anker der ziel binnen het voorhangsel hebben dat vast en zeker is, tenzij gij eerst door het geloof Hem hebt omhelsd, die door het voorhangsel is heen gegaan, als de grote Hogepriester over het huis Gods? De apostel zegt ons in de brief aan de Romeinen dat “de bevinding hoop werkt” (Rom. 5: 4).

Maar welke bevinding? Een bevinding van de goedertierenheid en genade Gods, welke alleen door het geloof kan verwekt worden. Hij zegt ons ook dat wij gerechtvaardigd zijnde door het geloof”, “roemen in de hoop der heerlijkheid Gods” (Rom. 5: 1, 2). Maar deze rechtvaardiging moet alle roemen in hoop voorafgaan, want waar hebben wij in te roemen behalve wat omhelsd wordt door een levend geloof? Dus zien wij dat wij de poort van het geloof hebben door te gaan, zodat wij geloven in de naam des eniggeboren Zoons van God, eer wij de poort der hoop kunnen doorgaan, om daar zeker binnen het voorhangsel te ankeren.

Deze poort heeft de dienaar Gods ook open te zetten door de belofte van het evangelie voor te stellen, en vooral door de bevinding van Gods volk te beschrijven en te verklaren, want gelijk “de bevinding hoop werkt”, werkt zij hoop uit in hun harten, wanneer zij hun ervaring dus horen beschrijven. Terwijl hij zo de poort der hoop in zijn hand houdt, die, om zo te spreken, op haar hengsels open en toegaat, dringt er een stroom van hemels licht door op hun ziel, en onderwijl er “een goede hoop op genade” in hun harten verrijst, gaan zij er door, steeds voortjagende naar het paleis van de koning.

Ofschoon ik nu zeg dat het geloof voor de hoop gaat, wil ik daarmee niet beweren dat de verzekering van het geloof haar voorafgaat.

Op deze wijze daarom kunnen wij het bezwaar verzoenen, dat zich mogelijk aan uw gemoed voordeed, toen ik de poort van het geloof voor de poort der hoop stelde, want wij bezitten dikwijls een goede hoop door genade, voor dat de Geest de volheid van Gods liefde aan de ziel verzegelt.

d. Maar dit leidt ons naar een andere poort, die nog geopend moet worden, en zij is een zalige, want zij verleent de toegang zelfs tot het paleis van de koning. Deze poort is de poort der liefde. Ofschoon wij nu in de Schrift geen uitdrukkelijke melding gemaakt vinden van een deur der liefde, gelijk van een deur van het geloof en der hoop, nochtans lezen wij: “een deur was geopend in de hemel” (Openb. 4: l); en als er een deur in de hemel geopend is, wat moet er dan door die geopende deur anders stromen, dan liefde van Hem, die in de vesting van de hemel zetelt, en die heerlijke hoogten van Zijn liefde in het hart neer zendt? Is Jezus niet binnen het voorhangsel doorgegaan als onze heerlijke Voorloper? Is dat voorhangsel niet steeds geopend? Want hebben niet de kinderen Gods die door de poort van het geloof binnenkomen “vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heelt door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees?” (Hebr. 10: 19, 20).

Worden wij niet tevens gelast te bedenken de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn?” (Kol. 3: 2). En is dit alles niet een waarborg voor mij om te zeggen dat er een poort der liefde is als die, welke ik reeds genoemd heb? Hoe kan de liefde neerdalen tenzij er een geopende deur is? Hoe kan de liefde opklimmen tenzij door een geopende deur? De gemartelde Stefanus riep uit: ziet, ik zie de hemelen geopend”. Stroomde toen de liefde niet op en neerwaarts? Toen “de Liefste zijn hand van het gat der deur aftrok”, was dit toen niet de hand der liefde? Zij moet dit geweest zijn door haar uitwerkselen, want het deed de bruid uitroepen: “Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem, indien gij mijn Liefste vindt, wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde” (Hoogl. 5: 4, 8).

Wij zijn de poorten doorgegaan. Er is er geen achter de laatste; want “God is liefde, en die in de liefde blijft, die blijft in God, en God in hem” (1 Joh. 4: 16). Beziet dan nu die poorten en ziet hoeveel gij er bent doorgegaan, of dat gij er reeds door één gegaan bent. Ziet naar de eerste poort, de enge en nauwe poort, die tot het eeuwige leven leidt. Bent gij die doorgegaan? Welke worstelingen, moeilijkheden en hinderpalen ondervond gij; welke zuchten, roepingen, gebeden, angstkreten, tranen rezen er uit uw ziel op, terwijl het scheen dat gij in dien nauwe doorgang zoudt stikken; toen gij, gelijk de Schrift spreekt, “tot de geboorte was gekomen, en er geen kracht was om te baren;” die gevaarvolle tijd, wanneer de dood schijnt over moeder en dochter te zweven. Vervulde de Heere toen Zijn belofte in uw hart: “Zou ik de baarmoeder openbreken en niet genereren?” (Jes. 66: 9).

Bent gij de volgende poort doorgegaan, de poort van het geloof? Werd de Heere Jezus Christus ooit aan uw ziel geopenbaard of aan uw hart vertoond, zodat gij naar waarheid kunt zeggen dat gij gelooft in de naam des eniggeboren Zoons van God, door enige genadige ontdekking van Zijn Persoon en werk aa n uw geloofsoog, waardoor gij Jijne heerlijkheid aanschouwt, als des enig geborene des Vaders, vol van genade en waarheid?”

Bent gij ooit de poort der hoop doorgegaan? Heeft des Heeren Geest ooit een zalige belofte in uw ziel doen neerdalen, enige waarheid levend aan uw hart toegepast; of ontsloot Hij, terwijl de dienaar Gods voorging en de Heere door hem “naar uw hart sprak”, ooit de deur der hoop in uw ziel, waardoor gij een zalige overreding in uw ziel gevoeldet van uw aandeel in de liefde en het bloed des Lams?

Bent gij immer de poort der liefde doorgegaan, zodat gij de Heere Jezus Christus in de armen van het geloof en der genegenheid omhelsde, en in staat was in alle oprechtheid van het hart te zeggen: “Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb?” Deze poorten nu moeten doorgegaan worden voor dat gij in de tegenwoordigheid des groten Konings kunt komen, want Hij woont in het middelpunt der stad, gelijk wij lezen: “Schoon van gelegenheid, een vreugde der gehele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het Noorden; de stad des groten Konings. God is in haar paleizen, Hij is er bekend voor een hoog vertrek” (Ps. 48: 2, 3). Daar is Zijn residentie; daar zetelt Hij op Zijn genadetroon, gelijk David in Zijn koninklijk paleis van Sion zetelde, Zijn vredevolle scepter over de harten der gelovigen zwaaiende. Maar deze poorten moeten eerst doorgegaan worden: “Gaat door, – gaat door, door de poorten”. “Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk – Gods gerechtvaardigd volk – daarin ga, – niet buiten staan blijft, – hetwelk de getrouwigheden bewaart, – de waarheid die door God dierbaar aan hun harten gemaakt is” (Jes. 26: 2). Want bedenkt dat deze poorten niet alleen toegang verlenen, maar ook uitsluiten; niet slechts toegankelijk is tot Zijn heerlijke Majesteit, om Zijn heiligen naam te loven en te beminnen, maar ook om alle indringers buiten te sluiten. Dus hebt gij, voordat gij tot de tegenwoordigheid van de koning kunt komen, teneinde Zijn schoonheid te bezien, Zijn heerlijkheid te beschouwen en Zijn liefde te genieten, ze alle, de een na de andere, door te gaan.

2. Maar dit is niet het enige werk dat de dienstknechten Gods gelast zijn te verrichten. De boodschap tot hen luidt verder: bereidt de weg van het volk.

Het volk waarvan hier gesproken wordt is Gods volk; het volk waarvoor Jezus stierf; het volk wiens namen geschreven zijn in het boek des levens; het volk dat de Heere zich geformeerd heeft, opdat het Zijn lof vermelden zou. Maar dit volk wordt voorgesteld in een toestand, waarin het geestelijk bestuur behoeft, als zijnde uit zichzelf onbekwaam om de weg naar de stad te vinden. Zij zijn dus gelijk aan de schapen waarvan gesproken wordt door de profeet als “dolende op alle bergen, en op allen hogen heuvel,” ja zelfs als “verstrooid op de gehele aardbodem, en er is niemand die er naar vraagt, en niemand die ze zoekt”. Om dit volk nu, als “verstrooid ten dag der wolk en der donkerheid” (Ezech. 34: 6, 12), worden Gods dienstknechten gelast de weg te bereiden, de weg die naar de sterke stad leidt; want voordat deze weg hen is aangewezen, en hen ordentelijk voor ogen is gesteld, weten zij, door de duisternis van hun gemoed, de verwarring hunner gedachten en de harde dienstbaarheid waarin zij geoefend worden, nauwelijks waar hun voeten te zetten, of in welke richting de weg ligt.

Er is een zinspeling in de woorden: “bereidt de weg,” op een gewoonte in Oosterse landen, waar er niet, zoals in ons beschaafd land, bestrate, welbekende wegen in alle richtingen zijn. Wanneer koningen en vorsten daar reizen, vooral als zij aan het hoofd van een leger optrekken, moeten de wegen voor hen gebaand worden. De diepe rivieren moeten met bruggen belegd worden, het dichte bos doorgehakt, de bossen gelijk gemaakt, de kuilen en moerassen opgevuld worden, en een duidelijke, schone, brede weg gemaakt, opdat zij op hun weg niet verhinderd worden door deze natuurlijke hinderpalen. Dit beeld dus bezigende, beveelt de Heilige Geest Gods dienaren, om te “bereiden de weg van het volk”.

Maar hoe oefenen Gods dienaren werkelijk dit ambt uit? Hoe bereidde Johannes de doper de weg van het volk, toen hij voor Christus uit ging als Zijn voorloper? Hij predikte hun bekering. Zo bereiden Gods dienaren de weg, door het volk hun verloren toestand van nature voor te houden. Zij prediken de wet in haar geestelijkheid en vloek; zij stellen hen de toorn Gods voor, over elke zondaar, die in de wereld komt, onder de vloek der oorspronkelijke overtreding. Zij zeggen hen, dat zij zich zullen bekeren van hun zonden en geloven in de Heere Jezus Christus tot zaligheid, gelijk de apostel in zijn tijd predikte: “Bekering tot God en geloof in de Heere Jezus Christus” (Hand. 20: 21). Zij betuigen het volk dat er een genadewerk aan hun hart moet plaats hebben, dat er een machtige omwenteling in hun ziel moet plaats grijpen, door de kracht Gods in hen uitgewerkt; dat Christus aan hen moet worden geopenbaard en in hen gevormd de hoop der heerlijkheid, voordat zij kunnen behouden worden. Zo bereiden zij, door het volk hun verwoesting en ellende in de natuurstaat voor te stellen, en de vloek en de geestelijkheid van de wet van God te tonen, hun weg, want terwijl het woord met kracht op hun geweten komt, luisteren zij er naar, en ontvlieden de toekomende toorn.

Dit is als een afbakenen van de weg voor de ogen van het volk; een grensscheiding maken, hetwelk het eerste werk is dat verricht wordt bij het maken van een weg. Zij banen de weg ook door de hinderpalen en moeilijkheden te vereffenen, die in het pad liggen. Zij zeggen hun, dat er verlossing is voor allen die zich bekeren van hun zonden en geloven in de naam des eniggeboren Zoons Gods. Zij verkondigen hun dat God liefde is in de Persoon en het werk van Zijn dierbare Zoon. Zij betuigen hun, dat de zonde van allen die geloven, uitgedelgd is door de bloedstorting des Zoons Gods; dat er een gerechtigheid aangebracht is voor allen die tot Hem komen door een levend geloof; dat de Heilige Geest geschonken wordt aan hen die Jezus toebehoren, om ze in alle waarheid te leiden en te besturen. Zij stellen hen de liefde Gods voor in de zending van Zijn dierbare Zoon, het oneindige mededogen van Zijn liefdevol hart, en de weg welke Hij beraamde in de diepte Zijner eeuwige wijsheid tot het behoud van zondaars, zonder opoffering of krenking van enige Zijner heilige deugden.

Maar zij bereiden vooral de weg, door Christus te prediken als “de Weg”, de enige weg tot God. En dus, door soms de wet in hun oren te donderen, soms door het evangelie te prediken, soms door de verlorenen, verdorven toestand des mensen te ontvouwen en soms door voor hun ogen het bloed en de gehoorzaamheid des Zoons Gods te plaatsen, bereiden zij de weg van het volk, en gaan werktuigelijk en dienstvaardig voor, en leiden hen op dezelve. Zo overbruggen zij de diepe rivieren, dempen de poelen en moerassen, houwen de dichte bossen af, waarin het volk zou verdwalen, banen een pad dwars door het woud, waardoor de zwakken en wankelenden van des Heeren huisgezin nauwelijks konden heen worstelen, en zo maken zij, als goede werklieden die niet beschaamd behoeven te zijn, de weg effen voor het aangezicht van allen, die gewillig zijn gemaakt op de dag van ‘s Heeren heirkracht.

3. Maar zij hebben een ander werk te verrichten, en dit wordt hun uitdrukkelijk opgedragen door een verdubbeling van het bevel: “Verhoogt, verhoogt een baan”. Wanneer zij de weg bereid hebben door de rivieren te overbruggen, de bossen om te houwen, de moerassen te dempen en de struiken te verbranden, moetenzij dus het houweel en de spade gebruiken, en werken om “de baan te verhogen”, opdat deze heerlijke baan in het oog lopend voor de ogen van het volk mag staan, dat zij hun voeten daarop mogen zetten, daarop mogen wandelen, beveiligd van watervloeden, de aanvallen van wilde dieren en andere vijanden, als zijnde op stevige hoge grond, vanwaar zij niet gemakkelijk verdreven kunnen worden. In enige der dorpen van de graafschappen Oxford en Berk, en mogelijk in andere landstreken, die mij minder bekend zijn, zien wij dikwijls straatwegen van grote stenen opgericht, waarover de mensen in de winter reizen, wanneer de weiden onder water staan.

Zo is er in geestelijken zin “een baan”, een straatweg, die opgeworpen moet worden, om het volk van God te beschermen tegen de onderscheiden overstromingen die hen vaak met verwoesting bedreigen. Zodanige zijn de stromen der Almachtige wraak, welke op zekere dag als waterfonteinen uit de ontsloten hemelpoorten zullen neerstromen, de stromen der zonde die over het schuldig geweten heen stromen; de stromen der verzoeking uit de muil van de draak, die hen vaak dreigen te begraven in verderfenis en rampzaligheid. Nu behoeft het volk van de Heere “een baan”, waarop zij veilig kunnen reizen, verheven boven al die verwoestende vloeden; en deze worden de dienstknechten van God middelijkerwijs geroepen te verhogen.

Maar hoe verhogen zij deze baan? Gij zult opmerken dat zij een verheven baan moet zijn, opdat het volk daarop staan en wandelen kan boven de verwoestende vloeden. Zij moet dus niet gebouwd worden van modder, of aarde, of klei, welke de stroom zou kunnen wegspoelen. Het moet goed stevig werk zijn – stevige stenen, die goed op hun plaats gelegd zijn. Wanneer dan de dienaren Gods de dierbare, heerlijke waarheid voorstellen van een Drie-enig God – Vader, Zoon en Heilige Geest – in een ondeelbaar Wezen, en dit duidelijk en bevattelijk voor het volk blootleggen, als de slotsom en het wezen van alle goddelijke openbaring, als het enige voorwerp van al hun geestelijke aanbidding, het leven van al hun ware godsdienst, de hechte grondslag van al hun geloof, de vervulling van al hun hoop, en het eindelijke genot van al hun liefde, dan maken zij een stevige en goede aanvang in het verhogen van de baan.

Wanneer zij de Godheid en het eeuwig Zoonschap van onze gezegende Heere voorstellen, in vereniging met Zijn vlekkeloze mensheid, dus aan het volk Zijn heerlijke persoon voorstellende als Immanuël, God met ons, en deze goddelijke waarheid voor hun ogen blootleggende, is zulks de baan verhogen en het fundament breed en goed maken, want zij is “het fundament der apostelen en profeten”, en van elke bouwmeester in Sion, want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, namelijk Jezus Christus” (1 Kor. 111: 1 l; Efeze 11: 20). Wanneer zij het “eeuwig verbond, dat in alles wel verordineerd en zeker is,” voorstellen en het voor de ogen van het volk opheffen als “de rol des boeks”, waarin al de vaste besluiten Gods geschreven zijn, benevens de veiligheid der heiligen en de zekerheid van elke plaats hebbende gebeurtenis, welke God bepaald heeft tot hun bestwil en Zijn heerlijkheid, aantonende, dan verhogen zij de baan ook, door op de rechte plaats de stevige stenen te leggen, waarvan elkeen in de anderen past en dus onbeweeglijk zijn tegenover al de waterstromen, die er tegen aan mogen beuken. Wanneer zij het schulduitdelgend bloed van het Lam Gods voorstellen als reinigende van alle zonden, Zijn volmaakte gehoorzaamheid als een volkomen gerechtigheidgewaad, Zijn stervende liefde als een allergezegendste hartsterking voor een bezwijkenden geest, Zijn verdienstelijk lijden en sterven als een rantsoen van de vloek der wet, de macht der duisternis, het koninkrijk van de satan, de heerschappij van het graf en de pijnigingen der hel, dan verhogen zij eveneens een gebaande weg, die stevig en goed is – de baan, de baan van de koning, waarop het koninklijk zaad veilig reist boven de vloeden van vernielenden toorn.

Wanneer zij ook de beloften voorstellen, welke allen Ja en amen zijn in Christus Jezus tot heerlijkheid Gods door ons” (2 Kor. 1: 20), zoals: “Al wat de Vader Mij gegeven heeft zal tot Mij komen; en die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen” (joh. 6: 37); “alle dingen moeten medewerken ten goede dengenen die God liefhebben;” “die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden”. – Ik behoef, noch kan ze allen doorlopen; maar terwijl zij belofte op belofte aanbrengen, en ze de een op de andere dicht bijeen neerleggen, of ze hoog en stevig optrekken, welk een goede en stevige weg maken zij, welk een hechte baan verhogen zij. Zo ook, wanneer zij de vermaningen, de uitnodigingen en de vertroostende toespraken voorstellen, waarvan Gods Woord zo vol is, zoals: komt tot Mij allen gij die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven;” of: wend u naar Mij toe en wordt behouden, alle gij einden der aarde;” en ze dooreen vlechten met de sterkste verzekeringen van de getrouwheid des Heeren aan elk woord, dat Hij ooit gesproken heeft, dan ook verhogen zij de baan van de koning en maken die breed en goed. Wanneer zij ook de voorschriften van Gods Woord zowel als de beloften voorstellen, en strijden voor en aandringen op levende godsvrucht in hart, mond en leven; wanneer zij de ordinantiën van Gods huis in haar voegzame orde voorstellen, en ze breedvoerig en duidelijk blootleggen door aan te wijzen wien zij alleen toebehoren, en als zij de gehele baan van haren aanvang tot haar einde goed bepleisteren met het warme cement van levende christelijke ervaring, dan ook verhogen zij de baan van de koning met een bekwame, stevige en vlijtige hand.

Ziet eens welk een baan het is; hoe verhoogd boven de wintervloeden, de brullende leeuwen, de huilende wolven en de jankende jakhalzen, want: daar zal geen leeuw zijn, noch verscheurend gedierte zal daarop komen, noch daar gevonden worden” (Jes. 35: 9). O welk een veilige en zalige weg! Welke heerlijke leerstukken, dierbare beloften, hemelse uitnodigingen, wijze besturingen, heilige voorschriften, genadige ordinantiën, en het geheel opgebouwd en aaneengehecht met een levende bevinding! Wel mag de Heere tot Zijn dienaren zeggen en het woord verdubbelen, om het hen dieper op het hart te drukken: verhoogt, verhoogt de baan”.

Maar laat zowel spreker als hoorder dit bedenken, dat de gebaande weg van de koning een “heilige weg” is, want dit is Gods getuigenis aangaande dezelve: “En daar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal daar niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn: die deze weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen” (Jes. 35: 8).

4. Maar de dienstknechten des Heeren hebben hun taak nog niet volbracht, noch hun last volkomen volvoerd. Zij hebben nog een ander werk onder handen. Wanneer zij de poorten zijn doorgegaan, de weg van het volk bereid en de baan verhoogd hebben, dan hebben .zij nog de stenen weg te ruimen. Dit is inderdaad halsbrekend werk, want de stenen, welke zij weg te ruimen hebben, zijn dikwijls zeer zwaar en diep in de modder en het slijk gezonken. Dit werk vereist daarom bijzonder, dat zij dikwijls op hun knieën zinken en in de modder zwoegen gelijk een sjouwer of baggerboer, opdat zij de stenen mogen wegruimen, die zij anders niet in staat zouden zijn te bewegen.

Maar welke zijn die stenen? Niet de stenen welke zij gelegd hebben om een baan te verhogen; want altijd bezig te zijn met oprichten en afbreken, hun eigen werk in stukken te halen en de gebaande weg van de koning een verwarden hoop te maken, gelijk een opgebroken straat, zou slechts een ellendige bezigheid zijn, ofschoon velen die zich arbeiders noemen dit, gelijk de straatmakers, hun gehele leven door doen. Neen, dit is het werk niet, waartoe des Heeren dienstknechten hier ter verrichting geroepen worden; want zij zijn arbeiders die niet beschaamd behoeven te zijn, noch over hun bekwaamheid, noch over hun Meester of Zijn lastbrief. Maar de stenen die zij “weg te ruimen” hebben, zijn de struikelblokken der zonde, van de satan en des ongeloofs, die op de gebaande weg van de koning worden geworpen, nadat bij verhoogd is, zodat zij de baan belemmeren of de kinderen Gods daarop doen struikelen.

Dat dit de bedoeling van de last is, blijkt uit dergelijke onderrichtingen, welke de Heere elders heeft gegeven: verhoogt de baan, verhoogt de baan, bereidt de weg: neemt de aanstoot uit de weg Mijns volks” (Jes. 57: 14). De dienstknechten Gods hebben dus die stenen weg te ruimen welke de weg belemmeren, en over welke Gods volk zou kunnen struikelen of tot een dodelijk stilstaan komen, bij het zien dat de weg zo versperd is, dat er geen doorgang overblijft. Dit is dikwijls het letterlijke geval op bergpaden, waarop vaak zeer stevig bevestigde rotsen en vooruitstekende steenbrokken neerstorten, die ze onbegaanbaar maken totdat zij uit de weg geruimd zijn. Laat ons een blik vestigen op enige dier stenen, welke de weg van Gods volk versperren, en welke de dienstknechten Gods middelijkerwijs hebben weg te ruimen.

a. Enige van het volk van de Heere vrezen dat hun zonden te groot zijn, dan dat zij zouden kunnen vergeven worden. Hier vinden zij dan een steen op de gebaande weg van de koning, welke zij niet kunnen verwijderen, noch om kunnen draaien, want hij is te diep ingezonken en te zwaar voor hen om te tillen, en te hoog voor hen om over te klimmen, zodat zij dikwijls tot een dodelijk stilstaan komen, bevreesd om terug te keren en echter niet in staat om voorwaarts te gaan. Dan moet de dienstknecht Gods komen en de steen wegruimen. Dit doet hij door hen te tonen dat “het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden”, en dat er geen zonde is die een kind van God ooit bedreven heeft, behalve de onvergeeflijke zonde, welke hij niet kan bedrijven, welke hem niet vrijwillig vergeven is om Christus’ wil. Terwijl hij dan het bloed des kruises verheft, is het alsof Hij tot hun zonden zei: “Wie bent gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld” (Zach. 4: 7). Dus ruimt hij de steen weg, voert hem uit de diepte uit, en werpt hem, om zo te spreken, in de diepte der zee, zodat, wanneer deze zonden gezocht worden, zij niet meer zullen worden gevonden (Micha 7: 19).

b. Een andere steen, waarover vele beproefde zielen gestruikeld hebben, is een vrees dat zij tegen de Heilige Geest gezondigd hebben. De dienstknecht Gods heeft dan ook deze steen weg te ruimen, door hen uit de Schriften aan te tonen welke de beeltenissen zijn van degenen, die deze onvergeeflijke zonde hebben bedreven en wat hun kentekens zijn, daarmee duidelijk bewijzende, dat een kind van God daaraan nooit schuldig kan zijn; want als hij dit ware, zo zou hij, in plaats van bestreden en gekweld te worden met de vrees daarvoor, overgegeven zijn aan een verhard gemoed, verharding van het hart, of volslagen wanhoop.

c. Een andere steen welke de arbeider, die in woord en leer arbeidt, weg te ruimen heeft, is de beschuldigende vrees van iemand die van de Heere afgeweken is, hetzij inwendig of uitwendig, en die beeft bij de veronderstelling dat zijn afwijking een bewijs is, dat er geen genade in zijn hart aanwezig is. Dit is een bron van vele jammerlijke vrezen, want zo iemand denkt, dat als hij een kind van God geweest ware, hij niet zo herhaaldelijk had kunnen afwijken, zo ver van de Heere afdwalen en in zulk een dorre en onvruchtbare toestand komen. Dit is een diepe en zware steen waarover hij struikelt, want hij bevindt dat hij dien niet uit de weg kan ruimen noch overstappen. Hier heeft dan de dienstknecht Gods hem ter hulp te komen, en hem de gevallen van Petrus, David en anderen aan te wijzen, en hen aan te tonen, hoe zij afgeweken waren en nochtans vergeving hadden bekomen. Hij doet ook in zijn oren de uitnodigingen en beloften klinken: “Keert weer, gij afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen;” (Jer. 3: 22). “Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn is van hen afgekeerd” (Hos. 14: 4). Terwijl de Heere het woord, door Zijn dienaren gesproken, aan hun harten zegent, gevoelen arme afkerigen dat de steen, die zo lang in de weg stond, weggeruimd is, en zij gaan getroost voort.

d. Een andere steen, welke de dienstknechten Gods “weg te ruimen” hebben, of ik mag het wel steenhopen noemen, die over bijna elk gedeelte van de weg verstrooid liggen, zijn de twijfelingen en vrezen, waarmee de huisgenoten Gods voor het merendeel zo diepgaand en aanhoudend geoefend worden. De dienaar Gods komt en ruimt deze stenen weg, door hen uit het woord der waarheid, zoals uit de Psalmen, de Klaagliederen, de ervaring van Job, enz. aan te tonen, dat al Gods volk aan deze twijfelingen en vrezen zijn blootgesteld; dat een boos en ongelovig hart altijd poogt hen ter zijde af te leiden; dat de satan ze dikwijls veroorzaakt door zijn inblazingen en vurige pijlen; maar dat geen van die huiveringwekkende ingevingen ooit zal triomferen, dat de Heere die “de aanvang is en het einde ook”, de voleinder van onze geloofs zal zijn, en dat het ten laatste de overwinning zal behalen over al hun ongeloof.

Tijd en gelegenheid veroorloven mij niet, verder in te dringen in dit gedeelte van het werk der bediening; ik zal er dus enkel bijvoegen dat de dienaar des Heeren, in het behandelen van de ervaring van Gods volk, hun verzoekingen heeft te ontvouwen, hun aanvechtingen te beschrijven, in hun verschillende en ingewikkelde gevallen indringen, en dus middelijkerwijs de stenen weg te ruimen, welke in hun pad liggen, en waarover zij vaak zo gruwelijk struikelen.

5. En dan heeft hij, als de laatste last die hem gegeven is, de banier omhoog te steken tot de volkeren. Daar ik onlangs over dit onderwerp gepredikt heb in u de banier” te tonen, welke de Heere geeft dengenen die Hem vrezen l), zo zal ik daar niet lang bij verwijlen, daar het slechts een herhaling zou zijn van hetgeen ik daar heb voorgesteld uit het woord der waarheid. Ik zal dus bloot opmerken dat deze banier, welke de dienstknecht Gods te verhogen heeft, de banier is van het evangelie, de heerlijke evangelievlag, welke hij in de hand moet houden en omhoog moet steken, opdat zij een gids voor het volk zij, om hen het pad aan te wijzen, waarin zij zullen wandelen. Deze banier wordt bij de eerste aanvang van de weg omhoog gestoken, om aan te tonen waar het pad aanvangt, en zij wappert over de gehele baan tot aan het uiterste einde van de weg, om aan te tonen waar het pad uitloopt; want Jezus is de weg, de gehele weg, en elk gedeelte van de weg; en zulks als Profeet, Priester en Koning. Als Profeet vangt Hij het werk aan en voltooit het door Zijn eigen Almachtige kracht, als Priester, besprengt Hij het gehele pad met bloed; als Koning zwaait Hij Zijn scepter over de gehelen weg, want dezelve is geheel en al de gebaande weg van de koning, waarover Hij alleen Heere en Alregeerder is.

Terwijl de dienaar des Heeren het vaandel der evangeliewaarheid omhoog steekt, de banier der waarheid en der liefde verhoogt, toont bij aan het volk Gods, tot wiens nut zij ontrold wordt, dat dit de weg is waarop zij te wandelen hebben, want als zij hem vooruit zien gaan met deze heerlijke banier in Zijn hand, kunnen zij ook met enig vertrouwen Hem volgen, en wijl zij dus pas voor pas houden in hun gesloten gelederen, zijn zij “schrikkelijk als de slagorde met banieren” (Hoogl. 6: 4); want zij vrezen geen vijand, en kunnen al hun tegenpartijders op de vlucht drijven, wanneer zij de heerlijke vlag der zaligheid over hun hoofden zien en voelen wapperen. Ook wanneer zij terzijde afwijken en van het pad afdwalen, geeft het, terwijl de dienaar des Heeren de banier voor hun ogen opsteekt, hun een verenigingspunt om hun voeten nog eens op de baan van de koning te brengen; want daar, en daar alleen wappert het vaandel van de koning, en daar, en daar alleen gevoelen zij zich veilig onder haar brede plooien.

Dus ziet gij wat de arbeid van de dienaar en welke de lastbrief is, hem van zijn hemelse Meester gegeven. Ik zal niet zeggen, mijn vrienden! hoe ik zulks verricht, want ik ben verzekerd dat ik dit zeer zwak en onvolmaakt doe, ofschoon ik die uit het Woord van God beschrijf, gelijk ik die als met een zonnestraal geschreven zie in de bladen der heilige waarheid, en gelijk die aan mijn geweten is toebetrouwd. Maar ik moet belijden dat ik duidelijker zie wat een dienaar verrichten moet, dan dat ik zulks verricht. Alles wat ik zeggen kan is, dat het mijn verlangen is, getrouw te worden bevonden in elk gedeelte van het predikambt, ofschoon ik gedrongen word te belijden dat in dit, gelijk in al het andere dat geestelijk en hemels is, “het willen wel bij mij is, maar het goede te volbrengen vind ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil dat doe ik” (Rom. 7: 18, 19). Maar ik geloof dat ik u en mijzelf mag afvragen, wat weten wij van deze hemelse verborgenheden, van die poorten, door welke wij achtereenvolgens heen gaan in de sterke stad van deze weg, die bereid is voor het volk van deze baan, welke dus middelijkerwijs wordt verhoogd van die stenen welke dus werktuigelijk worden weggeruimd, en van die verhoogde banier?

Ziet gij niet dat het volk Gods hier beschreven wordt? Dat de sterke stad welke zij ingaan onze strijdende toestand op aarde is, en dat wij allen burgers van deze benedenstad moeten worden, voordat wij burgers zullen zijn van de stad daarboven? Ziet gij niet dat wij de poorten moeten doorgaan, teneinde door het oog van het geloof de Koning hier te zien in Zijn paleis, voor wij het recht en het voorrecht bezitten de poorten van parels van het Hemelse Jeruzalem binnen te gaan, welke de Heerlijkheid Gods eeuwig verlicht, en waarvan het Lam eeuwig de kaars is? Ik begeer deze plechtige zaken voor u neer te leggen in de vrees des Heeren, die alleen Zijn Woord kan zegenen en met kracht op het hart toepassen, en in deze hoop en dit vertrouwen laat ik het in Zijn handen, opdat Hij het met Zijn eigen zalving en geur verzegelt, op uw geweten.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.