Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De zuchtende gevangene, zijn verlossing en zijn besluit

Leerrede over Romeinen 5: 24 -26.

Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God door Jezus Christus onzen Heere. Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.”

Welk een barmhartigheid is er voor de Kerk van God, dat de Apostel Paulus door de Heilige Geest gedreven werd, om zijn eigen bevinding op te tekenen! En dat niet slechts door hier en daar iets weg te nemen, maar met zulk een volkomen juistheid en uitgebreidheid, zoals wij zien kunnen in het zevende Hoofdstuk aan de Romeinen. Welk een troost en kracht heeft dat niet aan duizenden van Gods lijdende en bedroefde kinderen toegebracht! Welk een heerlijk licht heeft dat verspreid over hun pad, dat er vaak zo radeloos en moeilijk uitzag! Welk een borstwering van vertroosting was dat door alle eeuwen heen, voor het beproefde en aangevochten volk van God, en zal het ongetwijfeld zijn en blijven tot aan de voleinding der eeuwen.

De voorgelezen verzen kunnen wij, als de korte gevolgtrekking van de in dit hoofdstuk beschreven bevinding aanmerken, waarin zich drie belangrijke punten voor ons ter beschouwing opdoen, die wij achtereenvolgens wensen te behandelen.

1. De uitroep, die de zonde en schuld uit Paulus boezem perst: “Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”

2. De verlossing die hij verwierf: “Ik dank God, door Jezus Christus onzen Heere.”

3. Het besluit, waartoe hij in zijn consciëntie kwam: “Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met mijn vlees de wet der zonde.”

I. De uitroep, die de zonde en schuld uit Paulus boezem perst: “Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Paulus is hier zo scherp en ondubbelzinnig in de aanwijzing van zijn bevinding, dat velen van hen, voor wie deze woordendwaasheid, ja dweperij zijn, getracht hebben deze woorden te loochenen, althans om te keren. Sommigen hebben getracht te bewijzen, dat Paulus hier zichzelf niet bedoelde, hoewel hij bij herhaling het voornaamwoordje “ik” bezigt.

Anderen hebben gewild, dat Paulus hier spreken zou, van de strijd, die er tussende natuur en het geweten bestond, voor dat de Heere hem door Zijn genade riep; en evenwel spreekt hij over het geheel in de tegenwoordige tijd, waarom het wel een tegenwoordig zijnde strijd moet geweest zijn, die hij beschrijft. Nog anderen hebben gemeend dat het een strijd was onder de wet, voordat hij een Evangelische verlossing ontvangen had. Maar hoor hemzelf, hij zegt: “Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” niet: wie heeft mij verlost. “Ik vind deze wet” – niet: ik vond; wat ten duidelijkste bewijst, dat hij, terwijl hij deze brief schreef, deze strijd in zich gevoelde.

De rechte bron, waaruit al die verdraaiingen van de woorden van Apostel voortvloeien, is dunkt mij niets anders dan een jammerlijke ontkenning van het werk der genade in de ziel. Zichzelf bewust van een zodanige bevinding niet te bezitten, en dat, als deze dingen waarheid zijn, zij dan geheel verkeerd zijn, gebruiken zij alle middelen om dezelve om te keren.

Maar wat deed de Apostel zo gevoelig, zo medelijdend roepen: “Ik ellendig mens?”

Er waren drie dingen, die deze uitroep uit zijn boezem persten.
1. Een kennis van de geestelijkheid en de uitgebreidheid van Gods Wet. Dit betuigt hij zelf in het 9de en 10de vers: “Zonder de wet, zo leefde ik eertijds, maar als het gebod gekomen is zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven. En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij tendood bevonden.” De ontdekking van de uitgebreidheid en geestelijkheid van Gods wet vervloekte en veroordeelde hem. En zijn verdoemenis waardigheid daardoor ziende en gewaarwordende, dwong schuld die ellendige uitroep uit zijn boezem. Vóórdat hij op een geestelijke en bevindelijke wijze aan de veroordeling van de wet in zijn consciëntie kennis had “leefde hij.”

Dat is: hij was voldaan met zijn eigen gerechtigheid, plichtsbetrachting en verrichtingen. Hij zag niet dat God naar waarheid in zijn binnenste ziet. Hij was onbekend met de reinheid en heiligheid Gods. Hij gevoelde het niet, dat de wet alle overtredingen veroordeelt, zowel, die met gedachten, als die met woorden en werken begaan worden. De met beeldwerk opgesierde kamers van zijn hart, met ál de afzichtelijke gedrochten die er in verscholen waren had hij nog nooit waargenomen. Het deksel lag nog op zijn hart; er was nog geen licht in zijn ziel gedaald; er was geen leven aan zijn consciëntie meegedeeld, en de Geest van God had Zijn krachtdadig werkende overtuigingen nog niet aangevangen. Hem ontbrak daarom dit inwendig werk in zijn ziel. “hij leefde”, omdat hij nooit gestorven was.

Daarom, hetzij in een meerdere ofmindere mate, de geestelijkheid en de uitgebreidheid van de wet, moeten in de consciëntie van alle levendgemaakte zondaars gevoeld worden. Hoelang hij daaronder moet verkeren, of hoe hoog de moeilijkheden ten opzichte hiervan stijgen moeten, heeft God ons niet beschreven en wij kunnen het niet doen. Maar niemand wordt behouden, tenzij hij hier de uitwerkingen van de wet in zijn consciëntie ondervonden heeft. En dat is schuld; “want door de wet is de kennis der zonde”. Als ik nooit de schuld van de zonden in mijn consciëntie gewaar werd, als ik van geen innerlijke droefheid hierover weet, als ik, door verregaande overtuigingen, geen verbrijzeling des harten ken, wat weet ik dan, ja, wat zou ik dan begeren te weten van een bloedende Immanuel? Wat is Zijn vergevende liefde, wat Zijn verzoenend bloed; wat zijn oneindige barmhartigheid, wat zijn alles overtreffende genade, voor ongewonde, ongekwetste zondaars?
Daarom, naarmate de schuld in de consciëntie werkt, zullen wij eerst verlangen naar, en dan kennen, prijzen en genieten de verborgenheid van het bloed der verzoening en stervende liefde.

2. Maar er was een tweede oorzaak, die deze ellendige uitroep uit de ziel van de Apostel voortbracht, en dat was, het weer levend worden van de zonden. Niet alleen gevoelde hij schuld, ten opzichte van de verleden zonden, maar hij werd de verlevendiging en opwelling van de zonden voor het tegenwoordige, door treurige bevinding gewaar. Vóórdat de wet met kracht in zijn consciëntie kwam, lagen de zonden in hem in een werkeloze staat. Zij waren als een adder in de winter: de zonden warenwel met hun dodelijk venijn aanwezig, maar zij waren werkeloos. Een mens dood in de zonden of dood in een belijdenis, wordt zacht en onmerkbaar met de stroom van zonden voortgevoerd.

Zoals een zwaar geladen schip met de voet wordt weggedreven, zo drijft hij ook zorgeloos en gerust met de stroom daarhenen, zodat hij nauwelijks zijn snelle vooruitgang bemerkt. Terwijl wij dus dood in de zonden waren, dreef ons het innerlijke tij van de natuurlijke verdorvenheden tot alle kwaad, zodat de verborgen werkingen van de zonden niet openbaar werden. Toen waren wij geheel onder de kracht en heerschappij van de zonden.

Maar toen de wet de zonden verlevendigde, toen ontwaakten ook de zonden uit haar trage en lome toestand. De ratelslang stond op enbegon in het gemoed te sissen, en op die wijze zijn de kermingen en zuchten over de werking van de zonden, in het tegenwoordige, misschien veel heviger, dan met betrekking tot de schuld over de reeds begane ongerechtigheden.

Wat is onze zwaarste last? Ik heb mijn beproevingen en u hebt uw beproevingen, tenminste als u tot de “huisgenoten Gods” behoort. Wij allen hebben onze bijzondere beproevingen, hetzij in het lichaam, of in de omstandigheden, of in de familie, of in het gemoed. Ieder van ons heeft zijn onderscheiden beproevingen door te staan. Maar weet u een beproeving in vergelijking te stellen met die treurige bevinding van de inwonende zonden? Is het niet onze dagelijkse bevinding – het is althans meer of minder de mijne – dat wij zuchtend, klagend en kermend voor de Heere horen te zijn, vanwege de werkingen van de zonden in ons vleselijk gemoed?

Is het geen hartverbrijzelende last, dat die boze zonden zo naar het meesterschap streven – dat zulke vuile lusten steeds onze genegenheid zoeken in te nemen- dat zulke slechte begeerten niet ophouden naar de zegepraalover ons te staan – dat die verdoemelijke hoogmoed en ongelovigheid en andere verregaande verdorvenheden steeds zoals een vulkaan, de volle teugel in onze boezem wensen te vieren, en onze zielen te verwoesten?

Ik weet het bij zielsbevinding, dat, wanneer de zonden in haar verpestende kracht en uitwerking in een tedere consciëntie gevoeld worden, dan wil het hoofd wel buigen naar beneden, de ziel belasten, en het gemoed benauwd maken. Maar min of meer zal toch de dagelijkse bevinding zijn, om met een neergebogen en beschaamd aangezicht, kermend en wenend voor de Heere te komen, omdat er zulk een heirleger van verdorvenheden in ons werken en de overhand zoeken te behalen.

Maar vanwaar dit gevoel? Het is de vreze Gods in een tedere consciëntie. Ik heb mensen gehoord, die menen boven de wereld, het vlees en de satan te leven. De zonden zijn hun niet tot last zijn; hun verdorvenheden veroorzaken hun geen pijn; hun hoogmoed, verwaandheid, hebzucht, of ongebondenheid – ja, al de werkingen van hun bedorven natuur persen nooit een traan uit hun ogen, noch dringen een snik uit hun harten.

Waarom? Omdat hun consciëntie niet vertederd is, en zij de vreze Gods missen. Naarmate de diepte van de Goddelijke vrees en de tederheid van de consciëntie voor God, zullen de zonden inwendig bemerkt, betreurd en er over gezucht worden.

3. En zo was er dan een derde oorzaak, die de Apostel zo erbarmelijk deed uitroepen: “Ik ellendig mens!” Dat was de inwendige strijd. Hij beschrijft de strijd in deze woorden: “Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat dat doe ik”. Welk een afschildering van hetgeen er in het binnenste van een wedergeboren zond aar omgaat dat hij in zich twee verschillendegrondbeginsels, twee onderscheidene naturen heeft. Een heilige, hemelse, geestelijke, dat naar de Heere hijgt, zijn element in de dingen Gods vindt. En evenwel, is in dezelfde boezem, een grondbeginsel dat geheel bedorven, door en door verpestend is, gedurig tegen het in hem heilig grondbeginsel strijdt, altijd belust tot het kwaad, en in rechtstreekse tegenstand met iedere leiding van Gods Geest in de ziel staat; een grondbeginsel, dat nergens meer naar jaagt, dan, ten koste van alles entot elke prijs, haar vuile begeerten voldaan te krijgen.

En moet er nu niet dan een gewaarwording van ellende en rampzaligheid in het binnenste van de mens zijn, deze beide legers gedurig in zich strijdende te hebben? Dat, “wanneer hij het goede wil doen, het kwade hem bijligt”, wanneer hij wil zijn heilig, Hemelsgezind, teder van hart, liefderijk, en Gods eer zoekende, zoete gemeenschap genietende met de Drie-enige Jehova; – dat er dan een boos, zinnelijk en aards hart gedurig in hem werkt, dat elke gedachte, bevlekt met zijn vergiftig bederf, dat elke goede begeerte tegenwerkt, en hem van de Hemel waarheen hij zocht op te klimmen, tot een hel van vleselijkheid en vuilheid trekt?

Gewisselijk, iedere ziel, waar een heilig en hemels gezind grondbeginsel in gewerkt is, – en dat is gebeurt in de harten van allen, die door God zijn levend gemaakt – elke ziel, die God kent, vreest, liefheeft en zich in Hem verlustigt, en nochtans in zich datgene bevindt, wat in lijnrechte tegenstand met de wil van Christus is, en begeerte heeft naar datgene, wat hij anderszins haat met een volkomen haat – moet er in het binnenste van die mens geen smart en droefheid zijn, zulk een gedurige en onophoudelijke strijd te gevoelen? Deze nu, waar de Apostel onder zuchtte, zijn de bevindelijke gewaarwordingen van al de wedergeborenen.

Daarom, geloofd zij de naam des Allerhoogsten dat Hij het Paulus heeft ingegeven, zijn bevinding te schetsen en na te laten, tot vertroosting en versterking van ons! Wat zouden wij anders gedacht hebben? Ongetwijfeld zouden wij aldus geredeneerd hebben: “Hier vinden wij een Apostel die volkomen heilig, altijd Hemelsgezind was, die niets dan het beeld van Christus in zich heeft, steeds tot de verheerlijking des Heeren leefde, enonophoudelijke gemeenschap met Hem oefende!”

Wij zouden hem voor een volmaakte heilige hebben aangezien, als hij ons niet verklaard had, wat hij was. En als wij hem dan als een heilig mens hadden aangestaard, zouden wij onze moedeloze ogen in ons eigen binnenste keren, zulk een verbazende tegenovergesteldheid bemerken, dat wij aan de mogelijkheid van onze zaligheid zouden wanhopen. Maar ziende de strijd, waarmee de Apostel in zijn ziel te kampen had, en enigermate”dezelfden strijd hebbende”, dan kan het de ziel bemoedigen, opbeuren en tot het geloof leiden, dat dit het pad is, waarop de heiligen moeten wandelen, hoe ruw, hoe hobbelig, en hoe verward het er ook mag uitzien.

U kunt u zich dus wel voor verzekerd houden, dat, tenzij u gedrongen wordt uit de diepte te roepen: “Ik ellendig mens !” u dood bent in de zonden, of levenloos in een belijdenis. Wanneer inwendige schuld, ellendigheid en verdoemeniswaardigheid die uitroep nimmer uit uw binnenste dwong; ik bezweer het u, daar is geen leven noch kracht van God in uw zielen.

Als u daarentegen bij aanvang en steeds bij voortgang die uitroep in uw binnenste ontwaart, door de dwang die schuld en zonde veroorzaakte, dan is het een helder bewijs, dat dezelfde Heere, die Paulus onderwees ook uw Leermeester geworden is. Zeg mij, wat is in het verborgen uw bevinding voor de Heere? Ik spreek nu niet van uw zondagse Godsdienst, die kan gelijk een zondagskleed worden aan- en uitgetrokken. Maar wat is uw bijzondere bevinding? Wat zegt uw binnenkamer? Wat de hoek van uw haard? Wat zegt uw hart in de plechtige ogenblikken, als het rondom u stil en rustig is? Drong dan schuld, schaamte en droefheid ook die ellendige uitroep: “Ik ellendig mens!” uit uw hart?

Het is iets groots om tot het gevoel gebracht te zijn, dat wij ellend ig goddeloos zijn. Er is hoop voor dezulken. Er is hulp voor de zodanigen. Er is een getuigenis, dat de Heilige Geest in zulk een consciëntie werkt, dat Jehovah Zelf deze zielen in behandeling genomen heeft.

Maar u zult het reeds hebben bemerkt, dat de Apostel het niet bij die uitroep, die enkele zucht liet blijven. Ziet op de lijder in een gasthuis. Neig uw oor slechts naar het leger, waarop de woedende koorts de lijder martelt. Stelt hij zich tevreden met de koorts die in zijn leden brandt, en het angstigeal heen en weer keren van zijn gefolterd lichaam? Neen. Begeert hij niet, dat er iets voor hem in hem gedaan wordt? Zo ook in het geestelijke. Het enkel bij de uitroep: “Ik ellendig mens!” te laten blijven, lijkt meer op de bevinding van een huichelaar, dan op de gewaarwording van een wedergeboren ziel. Wij hebben behoefte daaruit verlost te worden, wij zullen begeren, dat de Heere Zich openbaart; dat Hij zijn genade aan ons bekend make; dat Hij een getuigenis van Zijn welbehagen uitstortte; en dat de Heere ons, door Zijn uitgestrekte arm en Zijn ontblote rechterhand, uit die ellende verlosse en bevrijdde. Wanneer daarom, Jehova de Heilige Geest deze erbarmelijke uitroep: “Ik ellendig mens!” in onze zielen ingeplant heeft, dan zal er als een noodzakelijk gevolg bijkomen: “Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”

Hier zien wij duidelijk wat het was, dat die heilige Apostel zo bijzonder pijnigde. Het was namelijk het lichaam des doods, dat hij met zich omdroeg – die bewegelijke klompe bederfs – die Behémoth (Job 40), die zijn zwaarwichtige lendenen in zijn ziel, en al wat goed en gunstig in zijn hart was neertrapte. Men zegt, dat het zinnebeeld ontleend is aan de gewoonte van de Romeinen, die tot straf een dood lichaam aan een levend bonden. En o, wat moet dat een afgrijselijk gevoel zijn geweest, dat koude, dode lichaam steeds aan het warme vlees gehecht te hebben. Bij dag en bij het ontwaken in de nacht het afschuwelijk lijk aan zich gebonden te gevoelen, en als omhelsd in zijn armen! Welke een verschrikkelijke en walgelijke gewaarwording moet die straf niet zijn.

Laat ons dit nu eens in het geestelijke beschouwen. Uw nieuwe mens heeft warme genegenheden tot God. Uit dit nieuwe beginsel ontstaan heilige hartstochten. Daaruit vloeien hijgende begeerten, daarin bevinden zich tedere zuchten eneen sterk verlangen naar de Zoon van God in Zijn schoonheid. En dan is daar een vleselijk, stijf, zinnelijk, dood enaards hart aan vastgeketend, wat ten allen tijde de zielomringt met zijn koude kleverige omhelzingen, waardoor zij haar dodelijke traagheid aan de ziel meedeelt! Zullen wij bidden – begeren wij het hart in warme begeerten uit te storten – de koude poot van dit lichaam der zonde en des doods verscheurt die opgerezen begeerten! Zullen wij het geloof oefenenen in haar zoete en uitgaande daden ons tot een gekruiste Christus wenden – begeren wij uit het diepste van ons hart ernstig Zijn aangezicht te zoeken; de koude klamme omhelzing van het lichaam der zonde en des doods verstijft dat alles, verhindert steeds elke goede beweging des geestes, en belemmert en boeit iedere begeerte van de Hemelse natuur.

De inwendige strijd nu, die door de radeloosheid en scherpe oefening werd voortgebracht, dwong hem als het ware tot de uitroep: “Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”Waarheen zal ik mijn ogen ter verlossing wenden? Van welke zijde zal zij komen? Zal ik mijn oog op de wet vestigen? – Och neen! die vloekt en verdoemt mij, omdat ik een lichaam der zonde en des doods met mij omdraag. Kan ik mijn oog op vrienden slaan? – Ja, zij kunnen medelijden en deernis met mij hebben, maar ach! zij kunnen mij van dat lichaamder zonde en des doods niet bevrijden. Het is te vast aan mij geketend, dan dat zij het zouden kunnen bewegen. Zal ik mij tot de dienaars van de waarheid keren?

Ik mag hen horenen hun woorden toestemmen; maar er is tot de losmaking van dit lichaam der zonde en des doods meer nodig. – Zal ik mij dan tot de Heilige Schrift begeven? De inhoud hiervan meldt verlossing, maar, maar, ik heb behoefte aan de toepassing van die verlossing aan mijn ziel! – Ach “wie zal mij dan verlossen?” Waar is het toevluchtsoord waar ik mij heen kan wenden? Moet ik voor- of moet ik achterwaarts gaan? Vanwaar kan er hulp en redding opdagen?”

Welk een verlegenheid! Welk een radeloosheid van een geoefende ziel! – Zie hier, en zie daar ziel! Het is te vergeefs, wendt u zich ter rechter- of ter linkerzijde, het is te vergeefs! Daar is geen hulp noch verlossing te wachten. En nochtans, daar is van een zijde nog verlossing te vinden. En wanneer de Apostel nu hier gebracht was – toen hij op die plek neerzonk, enangstvallig zijn ogen her- en derwaarts keerde, om te zien, van waar de verlossing kwam – toen zegende God zijn ziel met een gezicht van – Zijn dierbare Zoon. God de Heilige Geest, werkte dat levend geloof in zijn ziel, waardoor hij Jezus zag, en waardoor er een mededeling van het bloed en de liefde van het Lam aan zijn consciëntie plaatsvond. En zo kom ik tot het tweede punt van onze overdenking.

II. “Ik dank God, door Jezus Christus onzen Heere.”

Laat ons zien, waarvoor hij de Heere dankte. Denkt u, dat ik Paulus’ mening te kort zou doen, wanneer ik zeg, dat hij grote reden had God voor zijn strijd te danken? Ik wil dit niet verstaan hebben, dat dit de enigste dankstof voor hem geweestzij. Integendeel stem ik het bereidwillig en blijmoedig toe, dat hij God voor zijn overwinning dankte. Maar zou hij ook geen reden gehad hebben God voor de voorafgaande strijd te danken? Is voorafgaande strijd geen onderwerp va n lof en dank? Had hij in die strijd geen lessen geleerd, welker kennis hij in een andere weg te vergeefs had gezocht? U gevoelde schuld. Was dat schuldgevoel geen barmhartigheid? U hebt veroordeling gevoeld.

Was dat gezicht der vervloeking geen barmhartigheid? U bent gereinigd geworden van een geesteloze belijdenis. Was dat geen ontferming? Het kaf van uw eigengerechtigheid en vals geloof is weggevaagd door de sterke noordenwind des Geestes. Was dat geen genade? Uw ziel was zo laag neergebogen, dat niemand dan God haar kon opbeuren. Was dat geen barmhartigheid? Gewisselijk, dat is het. Wat ook de ziel toebereidt voor barmhartigheid, het moet barmhartigheid zijn. Wat ook de ziel geschikt maakt voor het ontvangen van Jezus, het moet barmhartigheid zijn, watook het stof en het kaf van het eigen ik kan wegwannen, het moet genade zijn, want het bereidt de ziel voor op een gezegende Immanuël.

Alsdan hebben wij grote reden, om God te danken voor ieder gevoel van schuld, dat wij hadden door te staan, voor elke verzoeking, die ons in verwarring bracht, voor iedere traan van boetvaardigheid, die ons langs de wangen rolde, voor iedere snik van droefheid, die zich uit onze boezem ontlastte. Wij hebben goede reden, om voor ieder gevoel van schuld, ellendigheid, en rampzaligheid, Zijn naam te loven, want onze uitnemendste barmhartigheden ontspringen hieruit, en de rijkste weldaden zijn alleen in zoverre zegeningen, als deze pijnlijke oefeningen de ziel voor haar genietingen hebben toebereid.

Maar het lijdt geen twijfel, of de voorname bedoeling van de Apostel was, dat hij God dankte voor de gift van Zijn lieve Zoon. “Ik dank God, door Jezus Christus onzen Heere.” Wanneer u mij met uw toegenegen aandacht, in de ontvouwing van Paulus’ uitroep, gevolgd bent, dan zult u weten, dat drie belangrijke oorzaken deze te weeg brachten. Te weten: vooreerst, de veroordeling van Gods wet – ten tweede, het weer levend worden van de zonden – en ten derde, de innerlijke strijd tussen de natuur en de genade. En wanneer hij God door Jezus Christus dankt, dan heeft hij het oog op een drieledige verlossing van ieder van deze bezwaren, die samen gegeven waren in de Persoon, het werk en de tussenkomst van Gods eniggeboren Zoon.

1. Zie maar eens op de schuld van die zonden. Hoe zullen wij van de schuld van zonden, de vloek, de heilige verdoeming en de donderende wraak van de wet verlost worden? Langs geen andere weg, dan door het bloed van het Lam, dat dierbare bloed,wat “reinigt van alle zonden;” die alleen verzoenende, die wonderdadige offerande, die de Zone Gods op het kruis van Golgotha opofferde. Er is geen andere weg om vergeving te verkrijgen. Nergens elders wordt rust gevonden, er is op generlei wijze anders bevrediging met God te genieten. In geen andere weg worden de donders van de wet gestild, haar vloek weggenomen en haar veroordeling uitgewist. Het van vrede sprekend bloed van Immanuël in de consciëntie is voor de ziel die de pijniging van de vloek der wet kent en haar veroordelingen heeft ondervonden, het enige geneesmiddel.

2. Evenzo is het met betrekking tot het weer levend worden van de zonden. Wat leert ons het bij vernieuwing ontwaken van de zonden anders, dan hetgeen Paulus zegt, Rom.3: 20: “waar de zonde meerder geworden is, is de genade veel meer overvloedig geweest.” Hoe zal ik bekend worden met het overvloedige van de genade – met de lengte – diepte en hoogte van de grenzeloze en weergaloze genade? Zal ik ze niet bekennendoor de pijnlijke en persoonlijke bevinding van de grootheid van de zonden?

Daarom, naarmate ik dagelijks geleid word tot de kennis van de diepte van onzen afval; naar dat ik de werking van de zonde in mijn vleselijk gemoed gewaar werd, en bevend hoe ze mij als het ware overvloeit, naar die mate kan ik het overvloedige van de genade kennen en haar kennis waarderen. Het is dus genade om de werking van de zonde in onze harten te kennen. En mogen er zijn die dat diep vernederend leerstuk ontkennen, die diepe verdorvenheid loochenen; bij mij het staat vast, dat, zullen wij genade waarderen, en Jezus hoogschatten – dat is, Hem beminnen als “die de banier draagt boven tienduizenden, als de gans begeerlijke;” – dan moeten wij door persoonlijke en moeilijke bevinding bekend zijn, met de uitgebreidheid van de zonden en het diepe bederf van ons vleselijk gemoed. Hoe groter zondaar, hoe groter heilige. Hoe dieper de val is, des te hoger de herstelling. Hoe pijnlijker het gevoel van schuld voor de consciëntie is, zo veel te heerlijker en dierbaarder zal de balsem wezen van het bloed van Immanuël. Zo dan, verstoken te zijn van de kennis der verdorvenheden En de pijnlijke werkingen ervan, is ook onbekend te zijn met de vergeving, de vrede, of het overvloedige van de soevereine genade.

3. Zo is het ook met betrekking tot de inwendige strijd. De Apostel Paulus zag, “dat er geen verdoemenis is, voor degenen, die in Christus Jezus waren;” dat, hoewel zij werden beproefd en verzocht, hoewel zij werden geplaagd en geoefend, hoewel er een onophoudelijke strijd in hun binnenste gaande was, nochtans zouden zij er niet door veroordeeld worden, want zij hadden aandeel in het bloed en de liefde van het Lam.

III. En zo kom ik ten derde tot het plechtige besluit waar de Apostel toekwam.

Ik heb boven reeds aangemerkt, dat hij twee dingen in zijn ziel bevond. Hij had bevondende vloek van de wet en de zegeningen van het Evangelie; de uitgebreidheid van de zonden en de nog overvloediger genade; de kennis van zichzelf en de kennis van Christus. De kennis nu van deze twee zaken bracht hem tot dit plechtige besluit in zijn consciëntie: “Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de Wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.”

Zou de bedoeling van de Apostel hiervan zijn, dat hij de zonden vergoelijkte? Zou hij met zo te spreken menen, dat hij nu maar gerust kon neerzitten? Dat hij een verdorven natuur had, die de zonden beminde, en dat die daarom soms haar zin moesten hebben en dat hij een Goddelijke, heilige en heiligheid beminnende natuur had, en dat hij daarom die soms ook wel enigermate moest inwilligen? Dat hij zich nu getroost, bevestigd (zo als het genoemd wordt) en gerust kon neerzitten, zich niet behoefde te verontrusten over de werkingen van de zonden in de oude mens, en maar stil de werking van de Geest in de nieuwe mens had af te wachten?

Ik kan niet denken, dat deze woorden de uitdrukking van vergenoegdheid zijn. Liever zou ik dit er door verstaan: dat hij het diep in zijn ziel gevoelde, dat hij ten aanzien van de strijd, die hij in dit leven te verduren had, geen verandering te wachten had; dat hij de hoop niet behoefde te koesteren van hier ooit van die kamp ontdaan te worden; dat zo lang hij hier beneden leefde, in hem een lichaam des doods zou blijven bestaan – de wet der zonde werkende in zijn leden, en gedurig strijd voerende tegen de wet des gemoeds.

Maar het was geen neerzitten op zijn droesem, het was geen louter berusten op de leer van de oude en nieuwe mens, het was geen wegwerpen van de wapentuigen van de geestelijke strijd. Integendeel, het was dit plechtige besluit, waartoe hij in zijn consciëntie geprest werd: – “Ik gevoel in mij te hebben twee tegenelkaar strijdende grondbeginsels.” Het was hem toen helder geworden, er scheen licht in zijn ziel, en daarom kon het niet anders, of hij zou met zijn vlees de wet der zonde dienen, hoewel zijn gemoed de wet van God zo u gehoorzamen. Laat ons deze twee punten enigszins nader beschouwen.

1. Door het gemoed hebben wij hier de nieuwe natuur te verstaan – dat heilig grondbeginsel, wat God de Heilige Geest in het hart van de mens inplant. Hiermee dienen wij de wet van God. Deze nieuwe mens is heilig, hemels, rein en geestelijk, schept zijn vermaak in God, hijgt en zoekt naar gemeenschap met Jezus. Deze nieuwe mens verdraagt gewillig smaad en hoon, onderwerpt zich aan onvriendelijke bejegeningen, steekt zijn mond in het stof en is Christus beeld enigermate gelijkvormig. Dus wil de Apostel hiermee zeggen: “Ik – Ik Paulus, – Ik, die voor een Christen, voor een gelovige in Jezus word aangezien – ik, “met mijn gemoed,” met mijn nieuwe natuur, met dat heilig, Hemels grondbeginsel, wat door God in mijn binnenste gewrocht werd, daarmee dien ik de wet Gods. Het Woord van God erken ik mijn regel en leidsman te zijn. Ik begeer Zijn wil te weten en die te doen. Ik zoek Hem in alles te gehoorzamen. Ik streef er naar om Hem te behagen, te eerbiedigen en te verheerlijken. Zijn wil is mijn wil, Zijn bevelen Zijn mijn bevelen;- en waartoe Hij mij ook roept, ik zal het met blijdschap volbrengen,”

Zodanig is de geest en de neiging van het gemoed vaneen begenadigde mens – loven, bidden, geestelijke gezindheid, liefde tot Gods volk, begeerte om in de vreze Gods te wandelen; zie daar het wezen, het element van de nieuwe mens. Met dit gemoed, of de nieuwe mens, dient een gelovige de wet van God. In die nieuwe mens wonen al de gewaarwordingen van een heilige eerbied en een Goddelijke vrees. Al de handelingen van geloof, hoop en liefde; alle boetvaardigheid. en nederigheid, zelfverloochening en zelfverfoeiing.al de begeerten om God te kennen, te behagen enHem Zelf te genieten, in één woord – alles wat geestelijk en genadig is, woont in de nieuwe mens. En zo gevoelen wij tijden (doen wij het niet?) dat de Hemelse dingen ons element, de geestelijke dingen ons hoogste blijdschap, het bloed van het Lams onze hoogste begeerte en het Woord van God de enigste regel van ons leven zijn. Zo “dienen wij met ons gemoed de wet Gods.”

2. Maar zolang wij in dit lichaam leven, hebben wij in ons nog een ander grondbeginsel, hier geheel van onderscheiden, wat de Apostel hier “vlees” noemt, dat is: onze gevallen en bedorven natuur – ons verbasterd hart, dat altijd was en tot het einde een poel van ongerechtigheden blijven zal, een mesthoop, een beenderhuis vol verdorvenheden en ongeneeslijke ongemakken en zweren.

Nu, “met ons vlees,” met deze bedorven natuur, “dienen wij de wet der zonde;” niet met vreugd – dat is een andere zaak. De Apostel zegt niet, dat hij de zonden dient, maar hij “dient de wet der zonde.” Het mag onze aandacht niet ontgaan, dat dit twee verschillende zaken zijn. De zonden, of de wet der zonde, te dienen, is geheel onderscheiden. Het inwendige grondbeginsel is geheel iets anders, dan de uitwendige daden. De begeerlijkheid van onze harten tot het kwade, en het metterdaad uitoefenen van die begeerlijkheden, zijn twee onderscheidene dingen. Het is een groot onderscheid de zonden in ons hart werkende te hebben, en de zonden in ons lichaam te bedrijven. De Apostel zegt daarom hiermee niet, dat hij de zonden dient. Indien wij dienstknechten der zonde zijn, dan zijn wij kinderen des toorns. “De zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”

Maar, hoewel wij de zonde niet dienen, toch zijn wij toch onder de kracht van de wet der zonde. De wet der zonde is dat inwendige grondbeginsel der zonde in ons binnenste – de geest der zonde, om mij zo eens uit te drukken – dat listige, doordringende grondbeginsel, dat onophoudelijk bezig is, om zijn aloude heerschappij te herwinnen. Elke ongelovige gedachte, Godslasterlijke verbeelding, vuil denkbeeld, ontuchtige begeerte, begeerlijke wens, opwelling van hoogmoed, beweging van inwendige geveinsdheid, uitgang van wereldsgezindheid, heimelijke verhoging van zichzelf (en wie kent door pijnlijke bevinding deze inwendige werkingen niet?) – deze allen zijn gedeelten van “de wet der zonde.” Deze wet werkt in zijn vleselijk gemoed; steekt zich op een listige wijze in elke hoek. Het is een wet voor ons vlees, die ons, zoals een wet door haar gezag vermag, tot gehoorzamen dwingt. Een wet, die op dezelfde moeilijke op te lossen wijze in ons vleselijk gemoed werkt, als de Heilige Geest in de nieuwe mens de genade werkt. En deze wet zullen wij blijven dienen tot onze dood.

Maar is dusdanige dienstbaarheid ook een vermaak? Verheugt zich de slaaf over zijn boeien? Zou het ruim van het slavenschip de lust van een arme Afrikaan zijn, die, losgescheurd van het land van zijn geboorte, dwars over de Atlantische Oceaan gevoerd wordt? Hunkert hij niet naar licht en vrijheid?

Zo ook in het geestelijke. Meen niet, dat het dienen van de wet der zonde voor de Apostel een lust, vergenoeging en blijdschap was. Of denkt u, dat zijn bedoeling met de onderscheiding van deze twee grondbeginselen geweest zou zijn: “Ik gevoel mij heden met God in de kerk, en morgen met de duivel in een bordeel even gelukkig?” Of zou hij willen zeggen: “Ik kan in het ene ogenblik zowel onder een geestelijke luchtstreek leven, als ik het in een volgende, in een huis der zonden kan uithouden?” O, nee! zulk een geest is er niet te ontdekken. Wanneer hij zegt, dat hij de wet der zonden dient, dan spreekt hij van zichzelf, als van iemand, die tegen zijn wil en wens verstrikt is; gelijk de arme neger van huis en haard losgescheurd, door de satan gevangen genomen, en in het benedenste gedeelte van het slavenschip is vastgeketend. Dat hij een onwillig opgeslotene, een zuchtende gevangene is, die graag vrij wenst te zijn, en evenwel de listige geest van de inwendige bedorvenheden en zonden in zich bevindt, die nergens meer naar tracht, dan naar het meesterschap.

Daarom kunt u uzelf wel voor verzekerd houden, dat wanneer u de zonde zonder berouw en smart dient, u de geest van Christus niet in u hebt. U bent dan nog “een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid”. Indien de opvolging van uw verborgen lusten u geen smart veroorzaakt; indien de werking van uw boze natuur nooit een traan uit uw oog deed wellen of een zucht uit uw binnenste, dan kunt u er van verzekerd zijn, dat u niet bent waar Paulus was.

Dienstbaarheid is een smartende keten. De ijzeren boeien van slavernij worden dikwijls diep in de ziel gevoeld; en hoe zullen wij ons verblijden, voordat wij van dit smartelijk juk ontdaan zijn? Wanneer de Apostel daarom dit plechtig besluit maakt: “Ik zelf dien met mijn gemoed de wet Gods, maar met mijn vlees de wet der zonde”; dan meent hij in het minst niet de ongebondenheid aan te moedigen. Hij is het met ons niet eens, als wij in de zonden leven, onze lusten opvolgen en ons nochtans voor kinderen Gods uitgeven. Lees maar eens het 6de hoofdstuk van deze brief, en u zult opmerken, hoe sterk hij zich verzet tegen het: onder de kracht der zonden te zijn.

Maar hij wil er dit mee zeggen: Zolang hij op aarde was had hij een lichaam der zonde en des doods met zich om te dragen; zo lang dit vlees zijn woonstede was, zou hij de pijnlijke werkingen van de verdorvenheden gewaar worden. En hieraan onderwerpt hij zich, ziende metblijdschap uit naar die blijde dag, wanneer dat diep onreineen verpeste lichaam in het stof zou neerzinken, de ziel zou worden gevoerd in die onuitsprekelijke gelukzaligheid, die er bereid is voor al de huisgenoten Gods.

Nu wilde ik in alle oprechtheid vragen; en mocht God het genadig toepassen aan uw consciëntie’s! wat weten u en ik van deze bevinding? Waarom vinden wij ze in de Bijbel? Waartoe heeft God ze laten beschrijven? Is het niet dat het ons ter beproeving en tot toetssteen zou zijn?

Laat ons daarom met toepassing op ons zelf, het oog op Paulus’ bevinding slaan, en God-Almachtig bekwame u én mij, om onbedrieglijk te zien, of wij kennis aan Paulus’ bevinding hebben.
1. Wat weet u om een arm, ellendig, schuldig en rampzalig zondaar te zijn? Dit is de eerste les, die in Christus’ school geleerd wordt. Deze kunt u niet overslaan. Het zou evenongerijmd zijn het lezen te leren, zonder met het a-b-c begonnen te zijn, als te denken, dat u Christus zou leren kennen, zonder met schuld en verdoemenis bekend gemaakt te zijn.

Daarom, wat weet u van die stap? “Ik ellendig mens! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Zegt u, dat u dit verstaat? Welgelukzalig bent u, als God de Heilige Geest slechts deze bevinding in uw ziel gewerkt heeft! Het zal u tot betere dingen voeren. Het zal in luisterrijker dingeneindigen. Wij moeten in Christus school ook met de laagste leerklas beginnen, en dan van stap tot stap, van regel tot regel worden verder geleid, om die lessen te leren, die de Geest van God aan al de uitverkorenen onderwijst.

2. Maar misschien bent u een stap verder gegaan. “Ik dank God, door Jezus Christus onzen Heere?” Hebt u een zoete getuigenis, een dierbare verlossing, een genadige vereniging met Jezus, een teken van het Goddelijk welbehagen geproefd en gesmaakt? Of was Zijn naam u nooit dierbaar en Zijn geur als een uitgestorte olie? Of was de Zoon van God u zonder gedaante en heerlijkheid? Was er, als u Hem aanzag voor u in Hem geen begeerlijkheid noch schoonheid? Riep uw hart nooit naar het gevoel van het albetalend zoenbloed? Voelde u geen enig verlangen van de ziel naar de ontdekking van Zijn barmhartigheid? Als u door ondervinding iets van deze dingen weet, dan kunt u enigermate met Paulus nazeggen: “Ik dank God Jezus Christus onzen Heere” Er is een deur van ontkominggeopend. Er is een weg van toevluchten veiligheid uit ellendigheid, schuld en verdoemenis. Er is een weg: de Heere van leven en heerlijkheid – de Middelaar Gods en der mensen – de grote Hogepriester over het huis Gods. Hij kan volkomen zalig maken; de eeuwig levende Voorbidder; de Vriend, “die meer aankleeft dan een broeder.”

Wat? Geen geloof in Hem, geen begeerte naar Hem? Gewisselijk! Als God de Heilige Geest uw onderwijzer is, dan zal dit uit de diepte van uw ziel opwellen.

3. Dan bent u tot dit besluit gekomen: “Zo dan, ik dien wel met mijn gemoed de wet Gods, maar met mijn vlees de wet der zonde.” – “Ik begeer Zijn wil te weten en te doen, mij te onderwerpen aan Zijn rechtvaardige bedelingen, in het licht van Zijn aangezicht te wandelen en te leven onder het schijnsel van Zijn welbehagen. En nochtans gevoel en bevind ik in, bij, en te midden van dat alles, een tegenovergestelde natuur in mij: een vuil hart vol ongeloof, hoogmoed, geveinsdheid, verwaandheid en begeerlijkheid, een wellustig oog, dat mijn genegenheden gedurig gevangen neemt, mijn ziel verstrikt en mijn hart en consciëntie afzichtelijke en wrede wonden toebrengt.”

En toch, die last moet u dragen, de zware vracht meeslepen, en voorwaarts zien op de dag uwer verlossing. Nee, God laat deze pijnlijke oefening niet te vergeefs, maar ten goede van Zijn volk toe. Waar bleef anders uw nederigheid, de verfoeiing van u zelf, de verslagenheid van hart, de verbreking van uw geest, waar uw vreze Gods? Waar zou uw beschaamdheid van aangezicht en verfoeiing van de ziel voor een heilige God zijn, als u niet de pijnigende getuigenis met u omdroeg, dat u de voornaamste der zondaren en de minste aller heiligen bent? U zou wellicht op iedereen de stenen werpen, die u uit de kleine heuvel van uw heiligheid kon bijeen rapen.

Daarom men mag zeggen wat men wil, de verwaande en geesteloze belijders mogen hun vurige pijlen van verachting en smaad er tegen inschieten, wij hebben grote reden om God te danken voor de kennis van onze verdorvenheden. Wij hebben reden om Zijn naam te loven, omdat Hij ons door het aantonen van onze toestand vernedert. En laat onze ziel juichen om Zijn genade, omdat Hij dat licht in onze zielen en dat leven in onze consciëntie gestort heeft, waarbij de zonden enigermate aan het licht gebracht, en hierover getreurd, gehaat, verfoeid en vermeden worden. Zo zullen wij met Hiskia voor God “al zoetjes, al zoetjes, al onze jaren voorttreden, vanwege de bitterheid van onze ziel”, en noch door wanhoop aan de kant worden weggedreven, noch door hoogmoed meegesleept worden. Zo te wandelen is veilig en zeker.

Laat ons daarom tot dit besluit komen: “Met mijn gemoed dien ik de wet Gods – dat is mijn element, mijn lust; met het vlees evenwel, heb ik pijnlijk de wet der zonde te dienen -is mij een ellende, mijn rampzaligheid. De wet van God te dienen is mijn blijdschap – de wet der zonde te dienen is mijn smart! De wet van God in mijn ziel te dienen is mijn Hemel – de wet der zonde in mijn leden te dienen, is een bitter overblijfsel van de hel.”

Maar dit alles is noodzakelijk om de ziel waakzaam en nederig te maken, en te leren het overvloedige van de genade boven de grote uitgebreidheid van de zonde. Om ons laag te houden in onze eigen schatting, en ons plat op de grond neer te leggen aan de voet des kruizes, begerende en vast voor zich nemende: “niets anders te weten, dan Jezus Christus en dien gekruisigd.”

AMEN.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.