Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De drievoudige omverwerping van het eigen ik

Ik zal dien kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet meer zijn, totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft, en Dien Ik dat geven zal.” Ezechiël 21: 27.

Doordat wij ons bepalen tot de geestelijke en bevindelijke betekenis van onze tekst, zal het niet ondienstig zijn, enige ogenblikken op de letterlijke betekenis te letten, én op de omstandigheden, waaronder de Heere deze woorden, door de dienst van Zijn profeet Ezechiël gesproken heeft.

Deze woorden hebben betrekking op de koning Zedekia, die toen de scepter over Juda zwaaide. Hij was door Nebukadnézar tot die staat verheven. Babels koning had hem aangesteld en bij “zijn aanstelling een plechtige eed in de Naam des Heeren afgevorderd, dat hij hem als zijn opperheer en soeverein getrouw zou blijven. (2 Kron. 36: 13)

Maar hij verbrak die eed, werd trouweloos, en stond tegen zijn meester, de vorst van Babel op, en schonk zijn trouw aan de koning van Egypte. Het was om de verbreking van die plechtige eed, in de Naam des Heeren gezworen, dat de Heere rechtvaardig op hem toornig werd. Jehovah zegt daarom in ons teksthoofdstuk, Vers, 25, 26: “En gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israël, wiens dag komen zal ten tijde der uiterste ongerechtigheid; alzo zegt de Heere, HEERE: doe dien hoed weg en hef die kroon af!”

De Heere houdt hem hier voor ogen en verwijt hem zijn trouweloze meineed. Hij noemt hem een “onheilig, goddeloos vorst,” omdat hij zich niet aan het plechtige verbond, dat in zijn naam besloten was, hield. Dit kunnen wij uit Ezechiël 17: 18, 19 zien; daar is het: “Want hij heeft de eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijne hand gegeven had; dewijl hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen. Daarom, alzo zegt de Heere, HEERE: zo waarachtig als Ik leef, zo Ik Mijnen eed, dien hij veracht heeft, en Mijn verbond dat hij gebroken heeft; datzelve niet op zijn hoofd geve!”

Maar de Heere wilde niet alleen deze “onheilige, goddeloze vorst,” van de troon stoten; maar hij had besloten de troon zelf om te keren; niet alleen deze meinedige koning van zijn staat te beroven, maar ook het koninkrijk van Juda omver te werpen, door een ganse omkering, zelfs van haar grondvesten.

En wanneer Hij daarom in vs. 25, 26 gezegd had: “dat die hoed weggegaan en de kroon afgenomen zou worden” dan gaat Hij verder in onze tekst: “Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet meer zijn,” – dat is: het zal geen koninkrijk meer wezen, niet meer in zijn voormalige staat blijven bestaan – “totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft,” – dat is: de Koning van Sion, Jezus, de Heere van leven en heerlijkheid – “en Dien zal Ik het geven,” met andere woorden: er zal geen koning meer in Juda zijn – het koninkrijk zelf zal niet meer als nu bestaan; er zal geen wereldlijke alleenheersing worden gekend, “totdat Hij kome, die daartoe recht heeft,” en Hij zal op zijn troon zitten, niet letterlijk in Jeruzalem, maar geestelijkerwijze in Sion, dat koninkrijk, wat is “rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door den Heiligen Geest,” en Ik, met Mijn hand, “Ik zal het Hem geven.”

Wij hebben zo kort mogelijk de letterlijke betekenis van onze tekst nagegaan, en komen nu tot haar geestelijke en bevindelijke betekenis, waarin wij tussen deze twee zaken, wel enige overeenkomst zullen aantreffen. Was dit zo niet, dan misten wij alle grond voor de geestelijke en bevindelijke uitleg; dan bestond zij in de verbeelding en daarom onzeker; het zou op een valse grond en een onveilig fundament steunen. Laat ons daarom, voordat wij verder gaan, zien, welke gelijkheid er tussen de letterlijke en geestelijke verklaring bestaat.

Het volk van Israël was een door God uitverkoren natie en als zodanig een afschaduwing van de uitverkorenen Gods, die Hij voor de grondlegging der wereld tot de zaligheid gesteld heeft. Maar dit volk verliet zijn getrouwheid, en rebelleerde tegen de inzettingen en bevelen Gods, die Hij door de dienst van Mozes, Zijn knecht, hun gegeven had. Zij zeiden: “Zet een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben.” En in die eis zegt de Heere: “dat zij Hem hadden verworpen, dat Hij geen Koning over hen zou zijn.” Door hun verlangen om een aardse koning aan hun hoofd te hebben, waren zij in gedurige opstand met en trouweloos afgevallen van “de KONING der koningen en de HEERE der Heeren!” Echter droeg de Heere hen in Zijn lankmoedigheid tot een zekere tijd, tot de tijd van Zedekia’s regering, toen Hij het koninkrijk, door henzelf opgericht, omkeerde, verwoestte en in puinhopen stortte.

Vinden wij ook hier geen treffende overeenkomst tussen het letterlijk en geestelijk Israël, als natie van God verkozen, opdat de Heere hen zou regeren? Zo is het geestelijk Israël van eeuwigheid in Christus uitverkoren, opdat Hij hun Vorst en Gebieder zou zijn. Maar zoals Israël de Heere verliet, door een andere koning over zich aan te stellen, zo is het uitverkoren Gods geslacht, van God afgevallen in en door de val Adam, onderdanen geworden van Satan, zonde en het eigen ik, en in een staat van opstand en trouweloosheid aan God geraakt. Dus is er gelijkheid tussen het uitwendige koninkrijk van Israël, en de heerschappij van de zonden en het eigen ik, in de harten van de uitverkorenen, vóórdat zij door vrijmachtige genade geroepen worden.

Wij lezen daarom in de woorden van onze tekst: “Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet meer zijn.” Dat betekent: “Ik zal dat koninkrijk van zonde en het eigen ik in puinhopen storten, Ik zal het verderven en van zijn grondvesten afrukken; en op de puinhopen van dat koninkrijk, zal ik een ander bouwen, – totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft, en Dien Ik dat geven zal.”

Met deze overeenstemming tussen de letterlijke en geestelijke betekenis wens ik, onder Gods zegen, met de geestelijke en bevindelijke betekenis van onze tekst verder te gaan. Ik zal u, met Gods hulp, pogen aan te tonen, hoe het van toepassing zij op het werk van genade in de harten van Gods volk.

Zonder een stijve verdeling te maken, vinden wij, met een blik in de tekst, er deze twee grote hoofdwaarheden in:

1. Het werk van omkering, wat tot driemaal herhaald wordt; en dan:

2. Wat er in de ziel plaats grijpt, wanneer het werk van omkering voltooid is.

“Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet meer zijn.” Dat is de eerste tak van het werk van de Geest.

–  “Totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft, en Dien Ik dat geven zal.” Dat is een andere tak van de onderwijzing van de Geest in de ziel, opdat Christus bevindelijk en geestelijk gekend zou worden.

I. Het werk van omkering, wat tot driemaal herhaald wordt.

Het eerste dat onze aandacht tot zich trekt is, dat de Heere tot driemaal het woord omkeren bezigt. Met die drievoudige herhaling van dit woord, wordt ongetwijfeld het onomstotelijke en het zekere van Gods besluit te kennen gegeven. Zo was het met het gezicht, dat Petrus zag zoals wij Hand. 10: 16 lezen: “en dit geschiedde tot driemaal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel,” om de zekerheid van het gezicht aan te tonen, als ook de wil en het voornemen Gods. Zo zal misschien ook met deze herhaling de zekerheid en vastheid van Gods voornemen met des te groter gezag worden te kennen gegeven, want het drukt Zijn onverzettelijk voornemen hierover uit.

Maar, de zaak een weinig meer opheffende, en met de onderwijzingen van God de Heilige Geest in de harten van Zijn volk vergelijkende, dan zullen wij het waarheid bevinden, dat de herhaling niet alleen te kennen geeft de zekerheid van Gods voornemen in het omverwerpen van het eigen ik. Maar er zijn drie verschillende gelegenheden – drie heldere, volstrekt noodzakelijke en rechtstreekse omkeringen, en een in puinhopen storten van het eigen ik, opdat Christus op het gruis en puin van het eigen ik zou verhoogd worden.

Het is wél opmerkenswaardig dat er ook drie verschillende omkeringen van het koninkrijk van Juda hebben plaats gehad; dat er een driema al herhaalde wegvoering in ballingschap, zowel als een drievoudige herstelling aangetekend staat:

–  de eerste was de omverwerping van Jójakim,

–  de tweede van Jójachin,

–  en de derde van de koning Zedekia, die de Heere hier door Zijn profeet Ezechiël aankondigt.

Maar wat is dan de eerste omkering, die er in het hart plaats grijpt, wanneer God de Heilige Geest het werk van genade daar aanvangt? Waar vindt Hij ons? Hij vindt ons, zoals de Apostel zegt: “Vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in ons is, door de verharding van onze harten.” Hij vindt ons “dood door de misdaden en de zonde,” “van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.” Hij vindt ons onder de heerschappij der zonde, hetzij dan onder welke vorm of gedaante. En zal het Koninkrijk van God in de ziel opgebouwd worden, dan moet de regering en de heerschappij der zonden omvergeworpen worden.

Evenals in het gezicht, dat Nebukadnézar zag, dat er namelijk, uit de berg een steen zonder handen afgehouwen werd, die dat beeld aan zijn voeten sloeg, en het vermaalde, niet alleen de voeten van ijzer en leem, maar ook al de andere samengestelde delen van het beeld, het goud, het zilver en het koper, en op dat gruis zich ontwikkelde; zo wordt ook het Koninkrijk van God gegrondvest op de puinhopen van het schepsel. Vandaar is er evenmin samenstemming van het eigen ik en Christus, als er tussen Hem en Belial bestaat. Christus sloot nooit een bondgenootschap met het schepsel, of Hij zou Zijn werk en heerlijkheid met het eigen ik delen.

Hij vestigt Zijn gezegend Koninkrijk van vrede en gerechtigheid op de puinhopen van het onvermogen van de mens. Al de sterkte, de wijsheid en gerechtigheid van het schepsel, zal worden, zoals wij bij Daniël van het beeld lezen: “gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers”, voordat Gods Koninkrijk heilrijk geopenbaard en bevindelijk kenbaar gemaakt wordt in het hart.

1. De eerst in het oog lopende gedaante van het eigen ik is, onheiligheid en goddeloosheid. Dat is: velen van de uitverkorenen Gods leven, voordat zij door de Heilige Geest geroepen worden, in openbare gruwelen, dronkenschap, zweren, hoererij en de onbeschaamdste uitoefening van alom bekende zonden.

Maar wanneer de Geest van God in het hart begint te werken, dan keert Hij dat onheilig schepsel om; dat is: Hij zendt zulke zwaarwichtige overtuigingen in het geweten, schiet van Zijn Goddelijke boog zulke felle pijlen in de ziel, dat het onheilig eigen ik wordt overwonnen en omvergeworpen. Met recht twijfelen wij aan een werk der genade in die mens, in wiens geweten de pijlen van overtuiging worden gemist, waardoor de zenuwen en de levenskrachten van het onheilig beginsel verbroken worden.

Als iemand, in het bezit van de leer van genade, in enige bekende zonden leeft, zonder pijniging van het geweten en foltering van de Geest voor God, geloof niet, dat de Heilige Geest Zijn gerechtshof in zijn binnenste heeft opgericht. Als de goddeloosheid van die mens hem nimmer schuldig verklaarde te zijn, – dat beginsel niet veroordeeld en gekluisterd werd, – wij behoeven niet te denken, dat Gods Geest zich als “den Geest des oordeels, en de Geest der uitbranding” in die mens geopenbaard heeft.

2. Maar anderen van Gods uitverkorenen zijn, wanneer de Heere hen bij de hand neemt, niet zo opvallend onheilig en openbaar goddeloos, en evenwel leven zij onder de heerschappij van de zonden, in een andere gedaante – mensen, die uitwendig schoon, maar inwendig afzichtelijk zijn; mensen, die men niet kan rangschikken onder dat goddeloze rot, maar toch buiten God en Christus in de wereld zijn; die met een uitwendig goed gedrag, “vervreemd zijn van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten”, die voor de regering en heerschappij van het eigen ik zich neerbuigen; die geen vreze Gods voor hun ogen, geen geestelijk besef van Zijn hartdoorzoekende tegenwoordigheid hebben, noch Hem in Zijn dienens- en beminnenswaardigheid verlangen te kennen en te geloven.

Voor dezen nu, is de omkering van hun onheilig wezen even noodzakelijk in zijn zedelijke gedaante, als voor de uitwendig goddeloze en onheilige. Zolang God buiten het hart gesloten is, is het, met betrekking tot de eeuwige zaligheid – men versta mij wel – met betrekking tot de eeuwige zaligheid, van weinig belang, of een mens zedeloos of zedig leeft. Er is in die mens geen geestelijk leven, geen Goddelijk werk; er is niets in hem, dat naar een nieuwe geboorte, waardoor hij met God in gemeenschap kan komen, gelijkt. Het eigen ik heerst en regeert in hem, met al de krachten der zedigheid. Het moet daarom van de troon geworpen, omgekeerd, en gruis en puin voor God worden.

En vraagt u naar het instrument – de sterke en krachtige handspaak, die de Heilige Geest gebruikt, om het eigen ik, hetzij zedig of zedeloos, omver te werpen? Het is het geestelijk maken van Gods wet in het geweten, de ontdekking van Gods heiligheid in de ziel, de openbaarmaking van Zijn onkreukbare gerechtigheid, en een besef van zijn vlekkeloze reinheid in het hart. De uitwendige letter van de wet kan het eigen ik, hetzij het zedig of zedeloos van God vervreemd is, niet omverwerpen, maar de geestelijkheid van Gods wet, het krachtig worden van het gebod, het plechtige bekend worden met de toorn Gods tegen alle zonde en ongerechtigheid – dit is het krachtige houweel in de hand van de Geest, om het onheilig eigen ik, onder alle gedaanten, omver te werpen en in puinhopen voor God te storten; – dat wil zeggen: het blijft bestaan, maar in verwoesting.

Het woord ‘omkeren’ schijnt toepasselijk te zijn op een gebouw, dat, hetzij door de bliksem of door de geweldige schok van een aardbeving is omvergeworpen. Het is omgekeerd, niet verplaatst, er is geen steen van weggenomen, maar het gebouw ligt in puinhopen. Evenzo is het in het geestelijke: het onheilig grondbestaan van die mens is van de hoogte geworpen, van zijn standplaats neergestoten. Het gebouw is geen volkomen gebouw meer als te voren; al zijn delen zijn verwoest. De tempel met al zijn vertrekken, altaren en offerplaatsen, zoals hij door de Satan geveegd en versierd werd, is vernield; maar evenwel zijn al zijne stenen nog aanwezig. Het verschil van het voorgaande gebouw en haar tegenwoordige toestand bestaat hier in: nu is het een puinhoop – een hoop verwarde stenen, dat te voren een volkomen gebouw was.

Hier nu is de ziel, die omgekeerd voor God staat: een wrak; een puinhoop voor “de ogen van Hem met Wien hij te doen heeft.” Maar zou een mens, tot deze staat gebracht, nu niets meer doen? Ja, mijn vrienden! Hij begint opnieuw te bouwen, en hij zal een tempel trachten op te richten, waarvan hij gelooft dat God behagen en goedkeuren zal, en die hem enigszins in Jehovah’s gunst zal aanbevelen. Elke overtuigde ziel, die zijn goddeloosheden, als een zware last op het geweten drukken, en die in puinhopen voor God gevallen is, zal onmiddellijk zijn best doen, om, was het mogelijk, het zwaard van overtuiging te verstompen, Jehovah’s gunst te herwinnen, en de “toekomenden toorn te ontvlieden.”

Over het algemeen slaat men, – naar ik geloof – naar de mate van licht in zijn oordeel, verschillende wegen in.
Stellen wij ons iemand voor, die verstoken van de zuivere verkondiging van Gods Woord, nooit van de gerechtigheid en zaligheid, door de verzoening van Gods Zoon, hoorde, – zijn onmiddellijke toevlucht is tot de wet der werken, opdat hij door een stipte gehoorzaamheid aan haar bevelen, een gerechtigheid zou daarstellen, die Gode behagen en vergenoegen zal.

Maar als iemands oordeel enigermate opgeklaard is; als hij, bijvoorbeeld, onder een getrouwe prediking verkeerd heeft, en hem het bloed van Christus, als de enige verzoening van zonden, en de gerechtigheid van Christus, als de enige dekmantel voor God is voorgehouden, schijnt hij enigszins van de wet der werken af te zien, omdat hij de vaste overtuiging in zich heeft: “Ik kan niet gerechtvaardigd worden door de werken der wet, en daarom zal een vluchten daarheen ijdel en te vergeefs zijn.” Hij slaat daarom een andere weg in, en zoekt, wat men noemt, een heiligheid op te richten.

Toen ik van zonde overtuigd, en “schuldig voor God” werd, was ook mijn verstand te veel verlicht, dan dit ik mij tot het Mozaïsche verbond zou wenden. Ik bezat oordeel genoeg, dat geen wettische gerechtigheid mij aangenaam bij God kon maken. Veel liever nam ik mijn toevlucht tot het Evangelie, wat ik in de wet zocht te veranderen, om daardoor heilig te worden. Niet tot Mozes om gerechtigheid, maar tot het Evangelie om heiligheid; niet de geboden van het Oude Testament te houden, maar de bevelen van het Nieuwe te gehoorzamen; om, door geestelijke gezindheid, bidden en Bijbellezing, mij met de kenmerken van het Nieuw Testamentisch Christendom te versieren.

Dit is waarlijk de ergste wettischheid. Want het is het Evangelie in de wet te veranderen, hoewel het een groot onderscheid schijnt te zijn bij het gaan tot de wet van Mozes, om door haar werken gezaligd te worden. Daarom hij, wiens oordeel enigermate verlicht is, zal misschien, dadelijk bij zijn overtuiging zichzelf heilig en geestelijk gezind pogen te maken. Hij wil de uitgangen van zijn hart op God vestigen; alles wat met Gods Woord, door Christus geopenbaard, in strijd is verzaken, en zich zelf zo tot een Christen vormen, om dan door die Christelijkheid bij God aangenomen te worden. Zo heeft hij dan de reis aanvaard, om heilig en geestelijk gezind te worden, God te dienen, Zijn bevelen te gehoorzamen, Zijn Woord te onderzoeken, met Zijn volk te verkeren, de wereld te verlaten, en met al de krachten en vermogens van zijn ziel een waar Christen te worden.

En zo zijn wij tot een tweede omkering genaderd, te weten: van deze eigengerechtigheid – van dit vermeende rechtvaardig en heilig eigen ik – hetzij in zijn nauwe wettische, of meer evangelische verfijnde gedaante, wat evenzo noodzakelijk is, als de eerste boven beschreven omverwerping. Het voorwerp van deze tweede omkering is dus opnieuw het eigen ik, – verheven in tegenoverstelling van Christus. En daarom, hetzij het onheiligheid, eigengerechtigheid of vermeende heiligheid zij, – alles wat uit het eigen ik is moet omvergeworpen worden. Welke gedaante, vorm of gestalte het zich zal aanmatigen, het moet omgekeerd worden, opdat Christus daar geheel en alleen op verhoogd zou worden. Een tweede omkering is daarom noodzakelijk; een omverwerping van het eigengerechtigd of ‘heilig’ eigen ik.

En welk instrument gebruik de Heere in de omkering van deze tweede tempel, die gebouwd is op de puinhopen van de eerste, maar niet “de plaats Zijner ruste,” omdat het des mensen handenwerk is? Een geestelijke ontdekking, van de diepe onreinheid van ons hart voor Hem. De goddeloosheid werd door de toepassing van de wet aan het geweten omgekeerd, maar deze valse heiligheid, deze bespottelijke geestelijkheid, wordt omgekeerd door de ontdekking van de diep bezoedelde toestand van ons vleselijk gemoed. Dit is min of meer de opening van “de sluizen des groten afgronds,” en de krachtige openbaring van de waarheid van deze Woorden: “arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja dodelijk is het.”

Als wij dan heilig pogen te zijn, dan wellen de zonden uit de diepte van ons vleselijk gemoed op, en keren ons eigen op te richten gebouw om. Dan blijkt elke gedachte met zonde bevlekt, ieder woord door de verdorvenheden bezoedeld, elke daad met het kwaad vergiftigd te zijn. Hierdoor vallen wij, met afschuw en walging van onszelf, voor God neer en worden gewaar, dat onze mond geen woord en onze hand geen daad kan voortbrengen, of het is met zonde bevlekt, en met de inwendige bedorvenheden besmet. Hierom klagen wij onszelf als veroordeelden en doodschuldigen voor God aan.

Dit is de toestand van hem, die niet allee n zijn onheilig – maar ook zijn eigengerechtigd en ‘heilig’ eigen ik voor God in puinhopen gestort ziet. En dan eerst wordt de leer van genade, door de Heilige Geest geopenbaard, liefelijk en gepast. In zichzelf geen heiligheid bespeurende, wordt er gepeinsd over de evangelische heiligmaking. Niets in zichzelf bevindende, dat Gode aangenaam kan zijn, wordt het Bloed der verzoening, ons een gepaste en aangename waarheid. En van alle gerechtigheid in zichzelf verstoken zijnde, blijkt de heerlijke gerechtigheid van Christus in Gods Woord ons een waarheid toe, die zo juist voor onze behoeften berekend is.

Dan brengt de Heilige Geest de leer der verkiezing met enige kracht aan het hart en enige zoetheid aan het geweten te huis. Hij toont in een flauwe mate aan de ziel het Bloed der verzoening. En sprengt Hij dat op het geweten, dan geniet de ziel bij bevinding een proef van Zijn barmhartigheid en genade. En brengt Hij de gerechtigheid van Christus nabij de ziel, zodat zij met het geloofsoog mag aanschouwen, dan berust zij daarin, vergenoegt zich daarmee, en het eigen ik wordt volkomen afgedankt.

Een 3e omverwerping

Maar hiermee is het eigen ik niet tevreden, het wendt zich naar een andere koers. Och, mijn vrienden! Dat afgetakelde en vernield wrak kan niet rusten, en vat weer iets anders bij de hand, en dat is: de kostelijke inwendige onderwijzingen van God te versmaden, en de leer van genade met de hand der natuur aan te vatten, zonder op de toepassing van deze Hemelse waarheden van tijd tot tijd door God Zelf geopenbaard, te wachten.

En wordt er in zo te doen enige zoetheid gesmaakt, dan schijnt het al spoedig in een rechte weg te komen. Maar de trotsheid en verwaandheid kleeft ons zo fijn en ongemerkt aan, dat wij het nauwelijks weten, dat wij op dit bedrieglijk pad verkeren, totdat wij op het einde van die weg een steilte bevinden. En wat bracht ons daar? Onze hoogmoed en eergierigheid, die niet voldaan zijn met niets te wezen, met plaats te nemen, waar God ons stelt, en in die houding te blijven, waar Hij zijn intrek in ons nam. Wij kunnen het niet nalaten, naar iets buiten Gods bijzondere onderwijzingen in de ziel om te zien wij willen altijd onze gestalte verhogen boven de maat, die God ons geschonken heeft, om, was het doenlijk, een el tot onze dwergachtige lengte toe te doen.

Hier nu vinden wij de derde gedaante van het eigen ik, welke zo wel, als de twee voorgaande, moet omvergeworpen worden, en dat is het verwaande eigen ik. Zo heeft dan het eigen ik drie verschillende gedaanten:
(1) onheilig,
(2) onheiligheid en
(3) verwaand.

Zijn onheiligheid openbaarde zich in de onwetendheid van de leer der genade.
Zijn eigengerechtigheid vertoonde zich in onkunde aan de geestelijke kennis van die leer.
En het eigen ik van verwaandheid maakte zich kenbaar door ongemerkt en in het geheim vleselijk op die leer te vertrouwen, waarvan wij enigermate de zoetheid en de kracht ondervonden hebben.
Het eigen ik van de mens moet in al deze drie verschillende gedaanten worden omgekeerd, opdat hij voor God een hoop puin en gruis zou zijn, waar niet een steen op de andere gevonden wordt. De voorgaande evenredigheid en schoonheid van het gebouw gaat verloren; de trotse zuilen, die het ondersteunden, bezwijken, en dak en muren zijn verbrijzeld en vermorzeld in niets dan puin, zoals de Heere zegt: Want Hij zal een richtsnoer der woestheid over hen trekken en een richtlood der ijdelheid.” Jesaja 34:11.

II. Wat er in de ziel plaats grijpt, wanneer het werk van omkering voltooid is.

Maar wij begeven ons tot het tweede gedeelte van onze tekst wat de oprichting van het Koninkrijk van God op de puinhopen van het eigen ik behelst. “Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja zij zal niet meer zijn, totdat Hij kome, Die daartoe recht heeft, en Dien Ik dat geven zal.” Er staat dus Één te komen, “Die daartoe recht heeft.” Er is een Koning, Die recht heeft, én op de troon, én op de trouw van Zijn onderdanen; recht op alles wat zij zijn en op alles wat zij hebben.

Maar waardoor heeft Hij het recht verkregen?

(1)  Het is vooreerst Zijn recht; door een oorspronkelijk geschenk en gift: de Vader

heeft al de uitverkorenen aan de Zoon gegeven. “Ziet hier ben Ik ” zegt Jezus, en de kinderen, die de Heere Mij gegeven heeft.” “Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen,” Daarom, voor zover als wij de Zijnen zijn, heeft Jezus recht op ons, en heeft Hij recht op onze personen, dan heeft Hij, door hetzelfde oorspronkelijke geschenk des Vaders, ook recht op onze harten en genegenheden.

(2)  Maar Hij heeft een tweede recht op Zijn uitverkorenen, en dat is, door koping en verlossing. Hij heeft hen door Zijn bloed verlost. Hij heeft Zijn leven voor hen afgelegd, en hen daardoor gekocht en verlost, waardoor Zijn recht op hen bevestigd is. Hij heeft aan het kruis de volle prijs voor hen betaald.

Dit dubbel recht oefent Hij telkens uit, als Hij een plechtige eis op ieder van Zijn verlosten legt. Deze eis doet Hij, wanneer de Heilige Geest een vat der barmhartigheid aangrijpt, dagvaart en aan Jezus voeten brengt, opdat Hij als Heere en Koning in hun genegenheden zou gekroond worden. Want Hij heeft recht op het hart en de genegenheden van Zijn volk. Denk aan Zijn woorden: “Ik zal Mijn eer aan geen ander geven;” Hij wil niet, dat Zijn eigendom in andere handen is. Hij vergenoegt Zich niet met enkel een recht op de persone n van Zijn dierbaar volk te hebben, Hij wil hun hart, hun genegenheid hebben en daarover als Vorst heersen en regeren, geen mededinger toelaten, duldt ook het eigen ik niet als medewerker, hoe mooi het zich ook voordoet. Alleen en geheel wil Hij Koning zijn.

Maar, vraagt wellicht iemand, hoedanig is de gesteldheid van ziel, voor dat Jezus zich met kracht, zoetheid en dierbaarheid als Koning openbaart? Wat en waar is zij? Een puinhoop. Als het eigen ik niet vernederd, en al wat uit en van de mens is in puinhopen gestort is, kan de ziel nooit veel van Christus weten. Wie hijgt naar een bezoek van de zaligheid die de Heere van leven en heerlijkheid aan het hart openbaart, wie vraagt naar een komen van Hem in de kracht Zijner opstanding, in de heerlijkheid van Zijn gerechtigheid en in de dierbaarheid van Zijn tegenwoordigheid, wie zal geestelijker wijze verlangen, zuchten, kermen, roepen, pleiten en smeken om de openbaring van Christus aan zijn ziel, als hij geen haveloos wrak voor God en het eigen ik omgekeerd en een verwoeste puinhoop geworden is? Ja zo geruïneerd, dat mensenkracht tekort schiet om één steen op zijn plaats te herstellen of het afgebrokene te herbouwen?

“Tot dat Hij kome, Die daartoe recht heeft.” Daar wordt dus van een komen van Jezus gesproken – een komen tot het hart van Zijn volk. Hij komt niet enkel tot hun hoofd en verstand, niet enkel tot hun gemoed, zodat zij van en over Hem zouden kunnen spreken, met hun lippen; maar er is een plechtig komen van Jezus, met kracht, heerlijkheid, genade en majesteit tot de ziel en het geweten van Zijn uitverkorenen, waardoor Hij zijn Koninkrijk grondvest, voor Zich een tempel toebereidt, en Zijn troon van barmhartigheid en genade op de puinhopen van het eigen ik bouwt.

Hij voegt de stenen van dit ingevallen huis niet op elkaar, ook laat Hij niet toe, dat het onheilig eigen ik zijn handen uitsteekt en de zuilen van de voorgaande tempel opnieuw op haar plaats stelt, of dat het heilig eigen ik zijn verwoest gebouw herstelt, of dat het verwaand eigen ik voor bouwmeester zou doorgaan. Maar Hij komt Zelf tot de ziel, om Zijn gezegend Koninkrijk van “gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest op te richten.”

Maar dit is geen werk, dat als het eens verricht is, geen herhaling zou behoeven. Wij moeten niet veronderstellen, dat er, na de eerste drievoudige omverwerping van het eigen ik, en de oprichting van Christus in Zijn schoonheid en heerlijkheid in het hart, geen houweel, spade noch hamer meer nodig zou zijn; – dat er dan niets meer ter omkering is overgebleven. Wij weten het immers bij bevinding, dat deze puinhopen van het eigen ik geen hoop dode stenen zijn.

Het eigen ik is en blijft een levend grondbeginsel; niet een verslagen en begraven opstandeling, maar een levend tegenstrever van de Heere van leven en heerlijkheid. Het kan niet nalaten, tegen Gods oppermachtig gezag en Zijn soevereine heerschappij te rebelleren. Daarom getuige ieder van ons, die het werk van genade in zich ontvangen heeft: “ons hart is zo eigenlievend, dat wij dag aan dag, al weder en weder, een vernieuwde omkering van nodig hebben.”

– Niet zelden steekt het goddeloos en onheilig eigen ik zijn handen uit, om de stenen, die door de toepassing van Gods wet zijn neergeworpen weer tot een gebouw te vormen, om er die beelden in te plaatsen, waar God met afschuw op neer ziet. Wie van ons – schaamte bedekke onze aangezichten! – heeft in het geheim niet aan de loop van zijn boze gedachten toegegeven? Wie bedacht, op enige wijze, geen plannen tot zonde? Wie voedde deze vuile klomp des verderft niet? Wie voelde inwendig geen lust tot de zonde? En als Gods genade niet krachtig in ons geweten werkte, wie van ons zou niet geheel verward zijn geraakt in die strikken en vallen, waardoor wij onszelf en de gemeente, waartoe wij behoren, zouden onteren?

–  Maar ook het eigengerechtigd ik zoekt steeds de afgebroken tempel weer op te richten. Wij pogen zo vaak onszelf geestelijk en heilig voor God te maken, ons te vormen in een godsdienstige gedaante, om Hem aangenaam te zijn en ons ten zegen te gedijen. Waarbij wij denken dat wij Hem nu welgevallig zijn, omdat wij, zo opgetooid voor Zijn barmhartigheid aannemelijk zijn. Zodra dus onze eigengerechtige harten deze valse heiligheid, deze belachelijke geestelijkheid zoeken op te richten, dan keert de Heere ook nu, zowel als te voren, dat werk om.

–  En elk die iets van zijn eigen hart en de werkingen van zijn gevallen natuur weet, is het niet onbekend, dat het verwaande eigen ik steeds zijn handen aan de ark des verbonds slaat, zichzelf in Gods tegenwoordigheid zoekt in te dringen, zonder dat de Heere ons door zijn Geest daartoe roept; vasthoudt aan de dingen, die niet liefelijk noch krachtdadig door God zijn geopenbaard, op de leer vertrouwende en op de waarheid steunende, hoewel hij, op dat ogenblik, de kracht en zoetigheid er niet bevindelijk van gevoelde. Door die vermetelheid pogen wij steeds op te bouwen, wat God door Zijn genade heeft neergeworpen.

Maar het eigen ik mag dan wel, onder welke vorm ook, zijn afgoden tegenover de Heere in leven en heerlijkheid oprichten, Jehovah zal steeds Zijn plechtige aankondiging: “Ik zal het omkeren” uitvoeren. Werkt het onheilig eigen ik? De Heere keert het om door scherpe overtuiging door de voor ons gespannen strikken te verbreken, door ons het kwade, waaraan wij toegeven zouden, open te leggen, of onze steunsels ons te ontnemen. Zo werpt hij het onheilig eigen ik om.

Zo ook, wanneer het bespottenswaardig ‘heilig’ eigen ik zijn heiligheid en eigengerechtigheid tegenover Christus heiligheid en gerechtigheid zoekt te stellen, dan geeft de Heere een heldere ontdekking van onze gevallen natuur, een besef van onze bezoedelde toestand voor Hem, een diep gevoel van de vreselijke staat der verdorvenheden van ons hart voor Hem de Heilige, wat dit onreine, heilig ik omver werpt, en onszelf verfoeien doet “in stof en as.”

Tenslotte, als het verwaande eigen ik uit zijn verborgen holen kruipt, ons terzijde aftrekt, en ons van een bevindelijke waarheid zoekt weg te voeren dan geeft de Heere een verborgen pranging van het geweten, een innerlijke benauwing van de ziel, een pijnlijke overtuiging, dat wij op verboden grond getreden zijn, een vrees en beven voor Gods hartdoorzoekende tegenwoordigheid, zodat er met al de vermetelheid, die er in ons vleselijk gemoed huisvest, geen kermend gebed tot Hem op gaat, opdat Hij ons voor deze boze verdorvenheden van ons harten beware, tot Zijn eer en ons heil.

En met de voortdurende omkering van het eigen ik in zijn verschillende vormen, bouwt Jehovah de Christus op de puinhopen van het eigen ik op.

(1) Ziet iemand al zijn wereldse plannen verijdeld? Wordt bij het ongenoegzame van het ondermaanse voor zijn hart gewaar? Bevindt hij, dat hij “niet doen kan hetgeen hij wil,” en dat al zijn voornemens, ontwerpen en de uitvindingen hem bij de hand afbreken? Hiervan overtuigd, als een schuldig zondaar voor God neervallend, en zichzelf verfoeiend vanwege de werkingen van zijn boos hart, schenkt de Heere hem soms een bevredigend gevoel, enkele tekens van de vergevende liefde en enkele druppels van het bloed der verzoening. Dit trekt zijn genegenheden tot Christus, en Deze wordt hem uitnemend dierbaar.

(2)  Wederom: wanneer hem zijn vleselijke heiligheid en eigengerechtigheid ontnomen worden, zal hij bij tijden de heerlijke zielsverkwikkende gerechtigheid en heiligmaking van Christus aanvatten, en zich verblijden, dat het eigen ik zo vernederd, en Christus daarop zo verheven is geworden. Niet minder is het, wanneer die vervloekte verwaandheid van het hart beteugeld wordt, en wij ons daarom bij God aanklagen en verfoeien, dan bedauwt Jehovah soms de ziel met een besef van Zijn barmhartigheden omdat Hij ons, om die gedurige opstand tegen Hem, niet heeft afgesneden, maar nog onze geest vertedert en aan de voet van het kruis brengt, om de zoete openbaring van Christus ’ tegenwoordigheid te verlangen, de toepassing van Zijn verzoenend bloed en de verheuging in Hem en in Hem alleen te ondervinden. Maar zolang het eigen ik zich onder een van deze gedaanten tegenover Christus stelt, wordt er geen verschijning van Christus, geen vernederend besef van Gods barmhartigheid, geen vallen aan de voet van het kruis, geen welbehaaglijke dauw van de Geest in het hart gevonden. Maar wanneer de ziel verbroken en omgekeerd is, dan alleen wordt Christus, elk naar de mate zijns geloofs en de diepte der openbaring, dierbaar en bij voortduring onmisbaar.

(3)  Daarenboven, hetzij wat plan wij ook ondernemen, om het hoogmoedig eigen ik te verhogen, de Heere keert alles om, wat zich tegen het Koninkrijk en de heerschappij van Christus in het harte verheft.
O, daar worden zoveel aardse plannen beraamd. En wat is de wezenlijke bedoeling daarvan? Het is, om enigszins het juk van afhankelijkheid aan Gods leidingen en besturingen af te schudden; of geneugten en gemak voor het vlees te bezorgen; of om uit een pijnlijke, zelfverloochenende en moeilijke weg te geraken. Wat plan het ook zijn moge, als het in strijd is met Gods voornemen en de verhoging van Christus in onze harten – het zal omgekeerd worden. De Heere zal het vernietigen, de Heere zal het voor onze ogen verwoesten, en ter eniger tijd zal hij het ons aantonen, waarom Hij zo gedaan heeft. En wel, omdat zo dat plan zou zijn gelukt, dat voornemen van het hart zou zijn geslaagd, dan zou de heerlijkheid van Christus in ons verdonkerd, en wij niet tot die omstandigheden gebracht zijn, waarin Christus voor ons gepast en beminnelijk is.

 

En als wij voor onze voet een pad in het godsdienstige willen afbakenen; hetzij wijs in de letter van Gods Woord te worden, om op de leer der genade te steunen, zonder haar kracht te gevoelen; op de goede denkbeelden van leraars te vertrouwen; op de bevinding van anderen te bouwen; op nietige rietstaven te leunen, of op enig ander fundament, dan Christus in het hart, “de hoop der heerlijkheid” te rusten – wat het ook zijn moge, het zal omver geworpen worden. “Ik zal het omkeren,” zegt de HEERE, en het zal omgekeerd, omgekeerd zijn, als het met Gods voornemen niet overeenstemt – als het met de openbaring van Christus in het hart niet bestaanbaar is. Alles – hetzij het wereldse, hetzij in het godsdienstige; van wat soort, of onder welke gedaante het zich openbaart – alles wat met Gods raadsbesluit en met de vestiging van Christus Koninkrijk in het hart in tegenstand is, zal vroeger of later voor onze ogen in puinhopen vallen, “opdat de wijze zich niet beroeme in zijne sterkheid,” maar dat elk wie “zich beroemt, in de HEERE zou roemen;” opdat Christus alles in allen voor ons en in ons zou zijn. Zo wordt ons eigen ik alle roem en alle rust ontnomen, en onze gehele zaligheid, en alles wat wij in het geestelijke zijn en hebben, wordt toegeschreven aan Hem, als de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde.

“Tot dat Hij kome, Die daartoe recht heeft.” Als wij de Zijnen zijn, dan heeft Hij recht op onze harten. Is het genoeg voor een man slechts zijn vrouw te bezitten? Het is haar hart en haar genegenheid, die hij verlangt. Wat is de vrouw zonder haar liefde? Zo is het de Heere Jezus niet slechts om de personen van Zijn volk te doen; Hij eist hun harten en genegenheden.

Daarin wil hij Zich vestigen, daarin Zijn recht betonen. Daarom is het, dat elke afgod vroeger of later moet vernederd worden, omdat zij de genegenheden van de ziel van Christus afhouden. Alles wat tegenover God omhelsd wordt, moet weggenomen worden, opdat de Heere Christus alleen zou gediend worden. Alles, wat op de getrouwheid van de ziel aanspraak maakt, moet omgekeerd worden, opdat “Hij kome, Die daartoe recht heeft.”

“Dien Ik dat geven zal.” Dat is: Ik zal Hem in het volle bezit daarvan stellen; want “Hij moet als Koning heersen, tot dat al Zijn vijanden gezet zijn tot een voetbank Zijner voeten.” “Hij zal zitten en heersen op Zijn troon, en de raad des vredes zal tussen Die beiden wezen.”

“Dien Ik dat geven zal.” Het is niet een zaak, die aan het schepsel staat, of zo u kunnen gebeuren, maar zij berust op het eeuwige voornemen Gods. “Dien Ik dat geven zal.” Hij zal de harten en de genegenheden van Zijn volk hebben, en die zal Hij alleen en onverdeeld hebben. Hij zal het geheel voor Zichzelf, en als opperste Vorst en Gebieder beheren.

En hier openbaart zich nu de geweldige en hete strijd. Het eigen ik zegt: “Ik wil er een deel van hebben. Het eigen ik wil bewonderd, geëerd, verheven en geprezen worden. Het wil hebben wat het begeert, het zoekt altijd zijn troon tegenover de Heere Jezus te plaatsen. Maar de Heere zegt: “nee, Ik wil en zal het als Vorst beheersen.” Wat zich tegen Hem stelt, het zal vernederd en verpletterd worden, gelijk Dagon voor de Ark des Heeren viel.

Het eigen ik mag zich vermommen of vertonen zo het wil, de Koning der koningen zal het in gruis vermorzelen, “gelijk men een pottenbakkersvat vermorzelt.” Daarom, bouw het eigen ik maar op; de Heere zal het afbreken. Verhef maar beeld bij beeld; de Heere zal ze neerwerpen; houw maar gebroken bakken uit; de Heere zal ze wel verbrijzelen.

Wanneer wij hoge gedachten van onze kennis vormen, zij zal tot dwaasheid worden. Als wij ons vertrouwen stellen op onze sterkte, zij zal in zwakheid verkeren.
Als wij hoog bij onze bevinding opzien, zij zullen ons ontvallen en de Goddelijkheid en geestelijkheid hiervan zullen wij zeer betwijfelen.

Als wij enigszins op de vermogens van het schepsel vertrouwen, het zal omvergeworpen worden, zodat wij onze zwakheid voor God gewaar worden en gevoelen, dat wij geen vinger kunnen verroeren om ons uit de dodelijke put, waarin wij gezonken zijn, te verlossen.

Zo leert de Heere al Zijn volk, dat Christus alles in allen is. Dit leren zij niet door bespiegeling, of uit enkel de leer, noch uit de mond van anderen maar door pijnlijke zielsbevinding. En elke ziel, die zucht en verlangt naar de openbaring van Christus, en Hem tot Koning over zijn hart begeert, zal, hoe en wanneer dan ook, bekend zijn met de omverwerping van het eigen ik, met een geheel ter neerwerpen van deze afgod, en met een volmaakte verbrijzeling van dit geliefde beeld; waarin “de begeerte des rechtvaardigen wordt toegestaan;” Christus in hem en over hem als Koning regeert, en al de genegenheden van het vernieuwd hart ontvangt.

“Tot dat Hij kome, Die daartoe recht heeft.” Of is het Zijn recht niet? Heeft Hij het niet bevestigd? Heeft Hij, door onze harten aan Hem te onderwerpen, ze niet overwonnen? Mijn vrienden! Kent u geen kleine en als wegsnellende ogenblikken, waarin onze zielsbegeerte was, dat Christus kome in ons hart en onze Heere en God zij? Wanneer wij Hem al de uitgangen van ons hart bereidvaardig toestonden; dat alle opstand van gedachten gevangen geleid was, onder de gehoorzaamheid van het kruis van Christus; dat elk plan wat niet Gods eer en ons heil ten doel had, werd weggedaan? Weet u in uw bevinding van geen tijden, dat wij onze zielen voor God bloot legden, en zeiden: “dat Christus mij dierbaar zij, dat Hij met kracht tot mijn hart kwame. Laat Hem als Heere en Koning Zijn troon oprichten, en ik een niet voor Hem zijn!”

Wij spraken deze gebeden in eenvoud en oprechtheid, wij verlangden naar hun vervulling. Maar ach! – welk een strijd! Wat worsteling als God deze smeekgebeden beantwoordt. Wat raakt ons vleselijk gemoed in opstand, als onze plannen worden verijdeld! Wat knorrigheid, onvriendelijkheid en ongeduld wanneer het eigen ik onttroond wordt!

Hoe stormt het in de ziel, als de Heere onze gebeden verhoort, en ons van al ons vals vertrouwen uitkleedt, wanneer Hij ons de vermolmde rietstaven ontneemt, en onze gebroken bakken in stukken slaat! Welk een toorn, als de Heere doet hetgeen wij van Hem vragen! Welk een opstand tegen Hem, als Hij zo vriendelijk geweest is, onze opgeofferde gebeden te verhoren! En welk een woede en beraadslaging tegen elke onderwijzing, die wij met vele verlangens van Hem gebeden hebben! En waarom? Wij willen niet van onszelf ontdaan worden.

Maar Hij wordt hierdoor niet ontsteld; het schepsel mag zeggen, wat het wil, “Ik zal het omkeren.” Hij zal Zijn eigen weg bewandelen, “Ik zal het omkeren.” Hoewel het eigen ik anders denkt. Het zal tot puin en gruis, ja verpletterd worden, “Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.” Maar Ik zal het omkeren, niet vernietigen. Ik zal het niet verdelgen, maar verpletteren, en er een veel beter voor in de plaats stellen. Het eigen ik, opstandeling die het is, arbeidt onophoudelijk aan die afgodstempel; maar dat Baäls gesticht zal ik omkeren en in puinhopen storten, opdat Ik Mijn heerlijkheid en Mijn zaligheid openbare, en u ten Heere en God zij.”

O! Welk een dankensstof hebben wij, voor de veelvuldige gunstbewijzen, die de Heere in deze verborgen weg aan ons bewijst. Hoe betaamt het ons voor zijn altaar neer te buigen, en voor Zijn voetbank neer te knielen!
Als God onze helderste uitzichten omkeerde, zullen wij dan zeggen, dat het een wrede hand was, die ze voor ons wegnam? Als Hij onze wereldse plannen omverwierp, betaamt het ons dan te zeggen, dat het een onvriendelijke daad was? Wanneer Hij onze valse gerechtigheid in een hoop prullen heeft veranderd, opdat Christus alles in allen zou zijn, hebben wij dat voor een wrede daad te houden?

Is het een ontaarde vader, die zijn kind het vergif ontneemt, en goed voedsel in de plaats geeft? Is het een wrede moeder, die haar kleinen van de steilte, waarop zij huppelen, afleidt? “Nee! o nee”, zult u zeggen, “de liefde openbaart zich daarin, dat zij het kind aan het verderf ontrukt!” Zo is het een liefderijke handeling, als de Heere onze voornemens verijdelt en omverwerpt; hierdoor brengt Hij ons tot niets, opdat Christus ons alles in allen zij; opdat onze harten het Hem zouden nazeggen: “Hij heeft er recht op, laat Hij het ook uitoefenen.”

O HEERE! Vervul al Uw beloften in onze zielen, en maakt ons gewillig niets te zijn, opdat op de nie tigheid van het eigen ik de heerlijkheid, de schoonheid en dierbaarheid van Christus bevindelijk gegrondvest moge worden. AMEN

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.