Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

De wonderen niet opgehouden

En Jezus antwoordde en zeide tot hen: gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet. De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen: de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen: de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden. Matthéus 11:4-6

De vraag is wel gerezen, of Johannes de Doper, door het zenden van deze boodschap naar de Heere Jezus, zijn eigen gemoed wenste te verzekeren, of het gemoed van zijn discipelen. Sommigen waren van mening, dat Johannes de Doper nooit enig wantrouwen kon hebben gekoesterd of Jezus de Messias was. En zodoende hebben zij, om de eer van Johannes te verdedigen, aangenomen, dat het Johannes erom te doen was, het ongeloof van zijn discipelen weg te nemen. Ik beweer niet, dat ik een besliste mening heb in deze zaak: maar ik kan niet inzien, waarom Johannes, de omstandigheden, waarin hij verkeerde in aanmerking genomen, geen wantrouwen werkende kon hebben gehad in zijn boezem. Was hij niet een mens evenals wij? Droeg hij in zijn boezem niet hetzelfde ongelovige hart om, dat wij bezitten? En zou er, zijn omstandigheden in aanmerking nemende, dat hij in de gevangenis was ingesloten, dat de Heere niet verscheen om hem te bevrijden, geen wantrouwen van deze aard in zijn boezem kunnen zijn opgekomen: ”ben ik de voorloper van de Messias, en zal hij dan niet verschijnen om mij uit deze kerker te bevrijden?” Ik zie niet in, dat het afbreuk doet aan de persoon van Johannes, als wij veronderstellen, dat hij dit wantrouwen, deze wankelmoedige gedachten koesterde, in de wetenschap, wat een ongelovig hart wij allen bezitten.

Maar, hetzij het was om het gemoed van Johannes te verzekeren, hetzij de gemoederen van de volgelingen van Johannes, het antwoord van de Heere was: ’’gaat heen, en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet.”

Uit een tekst, welke hiermede kan worden vergeleken: Lukas 7 : 21 blijkt, dat de Heere verscheidene wonderen voor hun ogen verrichtte: ”en in dezelfde ure genas Hij er velen van ziekten en kwalen, en boze geesten: en vele blinden gaf Hij het gezicht.” Op deze wijze kon Hij Zich beroepen op hun eigen gewaarwordingen, en zeggen: ’’gaat heen, en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt.” Twijfelt hij aan Mijn zending? Is er in zijn hart wantrouwen opgeklommen, of Ik wel de Zone Gods ben? Vertel hem, hetgeen gij gezien en gehoord hebt, opdat deze dingen zijn wankelmoedig geloof mogen ondersteunen, opdat ze zijn wankelende voeten mogen schragen. Vertel hem de wonderen, welke u door Mijn handen hebt zien verrichten, ”de blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen: de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen: de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd:” en dan, als een teken dat gepast is voor het wankelmoedige geloof van Johannes de Doper, of van zijn discipelen, voegt Hij eraan toe ”en zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.”

De wonderen onzes Heeren waren niet slechts getuigenissen van Zijn zending van God, niet slechts duidelijke blijken van Zijn almachtige kracht, niet slechts tijdelijke zegeningen voor de voorwerpen dezer wonderen: doch deze bezaten ook een geestelijke strekking: ze waren kenmerkend en zinnebeeldig voor de geestelijke zegeningen, medegedeeld uit dezelfde gezegende handen.

En op deze wijze zal ik vanavond, met Gods zegen, de woorden overdenken. Ik zal niet handelen over de wonderen, waarvan hier gesproken wordt als wonderen, verricht aan het lichaam, maar over wonderen, welke aan de ziel worden verricht. Wonderen, welke aan het lichaam worden gedaan, vinden merendeels niet meer plaats. De Heere van leven en heerlijkheid is nu gezeten aan de rechterhand des Vaders in majesteit en kracht, en heeft opgehouden, zoals eenmaal op aarde, ziekte door een woord of een aanraking weg te nemen: maar Hij wendt die kracht in de ziel der mensen aan, welke Hij eenmaal aanwendde in het lichaam van de mens. Zodat, ofschoon de wonderen veranderd zijn wat betreft de aard ervan, de wonderen nog niet opgehouden zijn wat betreft het bestaan ervan.

Wij aanschouwen inderdaad thans geen natuurlijke wonderen: wij zien geen blinde Bartimeüs het gezicht teruggegeven: wij zien geen dode Lazarus uit het graf te voorschijn komen. Maar overal, waar een genadewerk in de ziel begonnen is en wordt voortgezet, daar worden blinde ogen geopend, daar worden de lammen weer in staat gesteld te wandelen, daar wordt de doven het oor geopend, de melaatsen worden gereinigd, de doden opgewekt, en daar wordt de armen het Evangelie verkondigd. Daarom zal ik, met Gods zegen, in deze geestelijke zin over de tekstwoorden handelen, daarbij achtereenvolgens eerst trachten de persoon te tekenen: en dan het wonder, dat aan die persoon wordt gedaan.

1. “De blinden worden ziende.” Dit geschiedt door het aanwenden van de kracht Gods in hun ziel. Want in welke staat en toestand verkeren wij van nature? Zijn wij niet blind voor onze staat als zondaren voor God? Blind voor de geestelijkheid en de veroordelende kracht der Wet? Blind voor de majesteit, grootheid, heiligheid, en voor de reinheid Gods hierboven? Blind voor de schoonheid en dierbaarheid van IMMANUEL? Blind voor de Persoon en voor de werkingen van God de Heilige Geest? En is de blindheid niet een zaak van belang, die algemeen heersende is? Zijn wij, in een geestelijke zin, niet blind geboren? Groeien wij niet op in die blindheid? En bestaat er enige natuurlijke kracht, welke deze kan wegnemen? Kan enig licht in het verstand, kunnen enige leerstukken, welke verstandelijk worden aangenomen, kan enige godsdienstige belijdenis, kan iets, dat de natuur gedaan heeft of doen moge, die blindheid wegnemen? Deze moge verhevigd worden, en dit is ook het geval, als de duisternis voor licht wordt gehouden, en als het licht voor de duisternis wordt gehouden: maar de blindheid kan door geen enkele menselijke kracht in zichzelf of in anderen worden weggenomen. Het is het bijzondere werk, het grote voorrecht van de eniggeboren Zone Gods, deze blindheid weg te nemen door geestelijke ogenzalf mede te delen. En dit wordt in één ogenblik gedaan.
Weliswaar mogen wij niet in staat zijn het juiste ogenblik na te speuren, dat de leven- verwekkende genade onze ziel bezocht, evenwel zullen wij merendeels, binnen zekere grenzen, de tijd kennen. Maar het geschiedde in een punt des tijds: er was een ogenblik, ofschoon wij niet in staat mogen zijn ons dit te herinneren, waarop er Goddelijk licht in ons duistere hart werd gebracht, en de blinde het licht ontving. Maar hoe weten de blinden, dat zij het gezicht hebben ontvangen? De wijze, waarop de Geest Gods werkt, is voor ons verborgen. Dit is des Heeren eigen getuigenis: ”de wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid: maar gij weet niet, vanwaar hij komt, en waar hij heengaat: alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is.” (Joh. 3:8) ’’Gelijk gij niet weet, welke weg des winds zij, of hoedanig de beenderen zijn in de buik van een zwangere vrouw, alzo weet gij het werk Gods niet, Die het alles maakt.” (Pred. 11:5) Bijgevolg is de manier, waarop de Geest werkt, ons niet bekend. Maar wij beginnen te weten, dat wij zien, doordat er voorwerpen in onze gedachten komen en wij die voorwerpen inwendig waarnemen. Ons natuurlijk oog ziet alles behalve zichzelf. Als een kind begint wat men noemt ’’kennelijk te worden,” dat wil zeggen, als het voorwerpen begint waar te nemen en te kennen, redeneert dit niet, leeft en sterft dit wellicht, zonder ooit het zien als een verrichting te beredeneren.
Maar, als er voorwerpen aan het oog worden getoond, dan is er een waarneming van die voorwerpen en dan is er een gevoel mede verbonden. Aldus is het ook in geestelijk opzicht. Een kind van God kan het hoe en waarom niet verstaan, maar hij weet, dat ”hij blind was, en nu ziet:” dat er in zijn ziel een innerlijke waarneming is: en dat deze innerlijke waarneming gepaard gaat met zekere gevoelens, van welke gevoelens hij in het verleden een vreemdeling was.
a. Bijvoorbeeld: hij ziet, dat er boven een God is, de heilige, onzienlijke, en eeuwige JEHOVAH, Die de verborgen kameren van zijn ziel onderzoekt. Wiens doordringend oog door ieder deksel heendringt en doordringt tot de diepten van het hart, dat voor alle ogen verborgen is, behalve voor dat van een hart- doorzoekend God. Dit is, hetgeen iemand van nature nooit ziet: dit is het bijzondere werk en de bijzondere daad des geloofs: want ’’door het geloof houden wij ons vast, als ziende de Onzienlijke.”
b. Maar voorts. Wanneer de blinden het gezicht ontvangen, dan zien zij de reinheid en de geestelijkheid van het Wezen Gods. Alvorens de blinden het gezicht ontvangen, geloven zij, dat God een zodanig iemand is, als zij zelf zijn: zij hebben geen voorstelling van, geen inwendige kennis aan de oneindige reinheid, heiligheid en geestelijkheid van JEHOVAH. Daarom buigen zij zich nooit voor Hem neder. Er is geen beving des harten vanwege Zijn grote Naam, geen vernedering aan Zijn voetbank van de hoogmoedige gedachten des harten, geen zich innerlijk in zichzelf terugtrekken voor de hoogheid van de Allerhoogste, geen waarnemen van Zijn heerlijkheid, geen overgeven van het hart in onderwerping, geen aanbidding, nóch bewondering van Zijn eeuwige majesteit. Doch waar dan ook een geestelijk oog geschonken is, en de reinheid en heiligheid van JEHOVAH aan het hart geopenbaard zijn, daar zal, zoals wij dit heel de Schrift door zullen vaststellen, zelfvernedering zijn. ”Met het gehoor des oors het ik U gehoord: maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.” (Job 42:5, 6) ”Wee mij: want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is, want mijne ogen hebben de Koning, de HEERE der heirscharen gezien.” (Jes. 6:5) De reinheid, de heiligheid en de geestelijkheid van het Wezen Gods brachten in de gelovigen van de oude dag deze zieleootmoed voor Hem teweeg.

De Heere God, de Almachtige openbaart deze volmaaktheden in de ziel om uit een verbroken verbond uit te drijven: Hij openbaart Zijn reinheid, geestelijkheid en heiligheid om de schuld op de ziel thuis te brengen, haar uit te drijven uit iedere schuilplaats der leugenen en om haar iedere hoop uit de hand te slaan, buiten die hoop, welke Hijzelf plant. Ik kan niet bepalen – wie zou dat ook kunnen? – hoeveel wij zullen kennen van de reinheid Gods, hoezeer ons hart binnenin ons zal worden verbroken door een gevoel van Zijn majesteit, welke gevoelens van inwendige eerbied, schuld, vreze en veroordeling door Zijn heilige Wet zullen worden teweeggebracht. Maar hiervan ben ik zeker, als deze ons niet uit iedere valse schuilplaats slaan, als zij ons niet ontbloten van iedere natuurlijke hoop, als zij niet alle steun van het schepsel van onder onze ziel wegnemen, dan hebben ze nog niet hun werk gedaan. En waartoe spreidt God Zijn verschrikkelijke majesteit ten toon, waarom stelt Hij ons onze verborgen zonden voor ogen, waarom legt Hij deze met kracht op onze consciëntie, en waartoe onderzoekt Hij de uiterste diepten van ons hart: waartoe dient al deze toebereiding anders, dan om ons nabij de Zoon Zijner liefde te brengen, om ons aan de boezem van de Heere van leven en heerlijkheid te trekken, en om Hem dierbaar en kostelijk te doen zijn aan onze ziel?

c. Op de gepaste tijd ontvangt de blinde derhalve het gezicht om de Persoon, het bloed, de gerechtigheid, de heerlijkheid, en de schoonheid van IMMANUEL te zien.

’’Maar wij zien Jezus.” Zag uw oog Hem ooit? Onderzoek uw consciëntie: zag uw oog ooit Jezus? Ik bedoel niet uw natuurlijke, uw lichamelijke ogen: doch het oog des geloofs, het zielsoog. Ik zal u zeggen, wat u hebt gevoeld, toen u ooit Jezus hebt gezien. Uw hart werd week gemaakt en vertederd, uw genegenheden werden hemelwaarts getrokken, uw ziel werd doordrongen van lof- en dankzegging, uw consciëntie werd besprengd met het verzoenende bloed, uw gedachten werden boven alle aardse dingen verheven om te rusten in en zich te richten op de boezem van de gezegende IMMANUEL.

Gelooft u dus, dat u Jezus gezien hebt door het oog des geloofs? Dan hebt u de volmaakte schoonheid, de volkomen reine beminnelijkheid aanschouwd. Dan hebt u het beeld gezien van de onzienlijk God: u hebt alle volmaaktheden en het heerlijke Wezen van de Godheid zien uitblinken in Hem, Die aan het kruis van Calvarië genageld werd. Ik ben ervan overtuigd, dat een gezicht als dit het meest verstokte hart moet vertederen, en tranen te voorschijn moet brengen uit de meest steenharde ogen. Zulk een gezicht op de schoonheid en heerlijkheid van de eniggeboren Zone Gods moet de warmste, heiligste stroom van tedere liefde ontsteken. Het moge niet van lange duur zijn geweest. Deze gevoelens zijn vaak van zeer voorbijgaande aard. De wereld, de zonde, de verzoeking, en het ongeloof zijn spoedig werkzaam: het ongeloof valt spoedig alles aan: de tijdelijke en zinnelijke zaken trekken spoedig terzijde af: maar onderwijl het duurde, waren de gevoelens, welke werden teweeggebracht in een meerdere of mindere mate van zodanige aard. Welnu, als u ooit Jezus hebt aanschouwd door het oog des geloofs, en als u ooit een tedere liefdesuitgang tot Hem hebt gehad, dan zult u Hem in heerlijkheid aanschouwen. Doch u zult Hem nooit in heerlijkheid aanschouwen, als u Hem niet in genade hebt aanschouwd: u zult Hem nooit oog in oog aanschouwen in een openbaar gezicht der eeuwige gelukzaligheid, tenzij u Hem nu op de aarde hebt aanschouwd, door het geloof der uitverkorenen Gods in uw hart. Maar wij moeten niet te lang bij dit stuk blijven stilstaan: wij moeten overgaan tot de overdenking van de andere tekstgedeelten.

2. “De kreupelen wandelen.” Onder het woord ’’kreupelen” moeten wij hier niet iemand verstaan, zoals algemeen onder het woord verstaan wordt, dat wil zeggen iemand, die tot op zekere hoogte het gebruik van zijn ledematen heeft, want als dit het geval zou zijn, dan zou dit niet toepasselijk zijn. Vaak wandelen de kreupelen, alhoewel op gebrekkige wijze. Het woord ’’kreupele” betekent meer een lamme: iemand, die niet in staat is zijn ledematen te bewegen, hoe zwak dan ook, om enige lichaamsbeweging, welke dan ook, te verrichten.

Welnu, geeft dit niet de staat en toestand aan van Adams gevallen nakroost? En van de uitverkorenen, als voortkomende uit de lendenen van deze zondige voorouder?

Heeft de val van Adam niet elk vermogen van onze ziel verlamd: onze ogen verblind: onze armen verdord: onze benen onbruikbaar gemaakt, ons hart verdord: ons geheugen, verstand, en onze gedachten aangetast? Kortom, heeft de val van Adam niet ieder vermogen in onze ziel zodanig verlamd, dat deze in alle opzichten dood is voor God?

Welnu, wanneer de Geest een werk der genade in het hart begint, dan wordt Gods volk er gevoelig voor gemaakt, dat zij verlamd zijn. Niet slechts kreupel, want dat zou kunnen betekenen, dat zij wat zouden kunnen voortstrompelen, dat zij een kruk of een sterke staf zouden kunnen grijpen, en dat zij door dat middel erin zouden slagen, de rechte en smalle weg te bewandelen: maar dat zij meer dan kreupel zijn, dat zij meer dan het gebruik van één hunner ledematen hebben verloren, dat zij verlamd, lam, en bedlegerig zijn, onbekwaam een been of een vinger op te heffen. En dit is, hetgeen velen van Gods volk oefent en beproeft. Wij kennen de val in de beschouwing beter dan in de praktikale oefening. Wij kennen de val beter met ons hoofd, dan dat wij deze kennen met het hart. Wij zeggen, dat de mens dood is in de zonde, dat zijn vermogens totaal verlamd zijn, dat hij volslagen hulpeloos is in Goddelijke zaken. Dit is onze belijdenis. Doch als wij dit moeten inleven, dan zijn wij verontrust, twijfelmoedig, bekommerd, vaak bedroefd, omdat onze belijdenis zo waar is. Wij geloven met ons verstand volkomen, dat wij in alle opzichten verlamd zijn, maar als wij beginnen te voelen, hoe onbekwaam wij zijn om ons voort te bewegen, en hoe door en door wij zijn, hetgeen wij zeggen te zijn: als het licht in ons verstand afdaalt in ons hart, om daar leven te verwekken, wat neemt dat de gedachten gevangen.

Verlamd in het gebed, zodat wij niet in staat zijn het hart uit te gieten: verlamd in het lezen, zodat wij nauwelijks enig gedeelte van de Schrift verstaan of bevatten kunnen: verlamd in het horen, spreken, denken, en in het handelen. Dit alles is verdord, verwelkt, verdoofd, onbekwaam om iets te doen. Als er aldus een gevoel van onze hulpeloosheid op onze consciëntie ligt, wat is dat bijzonder pijnlijk. Maar de belofte luidt, en soms heeft een zoete vervulling hiervan plaats, dat ”de kreupelen wandelen”. Hoe? In hun eigen kracht? Neen: niet in hun eigen kracht. In de kracht des Heeren. Wij lezen ”en in Zijn Naam zullen zij wandelen:” dat wil zeggen in de kracht des Heeren. ’’Mijn kracht,” zo sprak Christus tot Paulus, ’’wordt in zwakheid volbracht:” ”Uit Mij,” zegt de Heere tot Zijn Kerk, ’’wordt uw kracht gevonden.”

Soms stelt de Heere dus de ziel in staat in Zijn wegen te wandelen. De toestand van verlamming is gedurende enige tijd weggenomen. Het gebed is zoet: het Woord van God is dierbaar: het hart is verruimd: de ziel wordt in staat gesteld blijmoedig de wegen Gods te gaan, (”ik zal de weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben”): de godsdienst en Goddelijke zaken zijn niet langer tot een last: het hart en de consciëntie, het geheugen en de gevoelens zijn niet langer verlamd: maar er wordt een zoete levenverwekkende kracht in de ziel gegoten, het krachtige sap, dat uit de stam vloeit, dringt door tot en bereikt de geringste twijg aan de takken.

En als de krachtige sappen tot iedere tak doordringen, en als het hartebloed van het Hoofd doordringt tot elk lid van het lichaam, is er kracht om blijmoedig in de inzettingen des Heeren te wandelen, om in een zoete gemeenschap te wandelen met de drieënige God: om in het licht, leven, in de vrijheid, en in de genieting der Evangelie-middelen, en in de schijnsels van het vriendelijk aangezicht Gods te wandelen. Als dit geschiedt, als wij ons bed verlaten, waarop wij wellicht maandenlang in een bedlegerige toestand hebben gelegen: als de ledematen op bovennatuurlijke wijze gesterkt worden, en wij blijmoedig voortgaan: als de Heere Zelf Zijn eeuwige armen onder ons legt: dan is er, als bij de kreupele aan de deur des tempels genaamd de Schone, toen zijn enkelen vast werden, een opspringen, een danken en een loven van de Heere. Hebt u dit niet gevoeld? U bent niet altijd kreupel en lam, als u een kind van God zijt. Dit moge, laten wij zeggen negen van de tien keer uw bevinding zijn: maar is er de tiende keer niet een zeker aangenaam gevoel in uw hart, enig leven aan uw ziel, een zekere zoete verruiming, enige hemelse liefde, zekere geestelijke gevoelens?

Dit is te wandelen: en waar dit dan ook in het hart wordt gevoeld, daar wordt het wonder vervuld, dat ”de kreupele wandelt.”

3. Maar wij gaan over tot een ander geval – een geval, dat hopelozer is, dan enig geval, waarover wij reeds hebben gehandeld. Wij hebben de blinden beschouwd, en wat schijnt hun toestand toch jammerlijk te zijn! Wij hebben de kreupelen beschouwd, en wat schijnt hun toestand hopeloos te zijn! Maar wat denkt u van iemand, die niet slechts blind, niets slechts lam, maar die tevens melaats is?

”Van het hoofd tot de voetzool toe, vol wonden, striemen, en etterbuilen”? De melaatsheid was een natuurlijke kwaal, maar deze was ook zinnebeeldig voor iets, dat in het geestelijke vlak lag. De melaatsheid van het lichaam was een beeld, dat kenmerkend was voor de melaatsheid van de ziel. Als u bedenkt, dat er in het Oude Testament geen middelen konden worden aangewend om de melaatsheid te genezen. God behield Zich de genezing voor met eigen hand. Werd evenwel de melaatse genezen, dan moesten er bepaalde ceremoniën worden verricht, zoals wij deze aantreffen in het veertiende hoofdstuk van Leviticus. De melaatsheid was echter een zinnebeeldige kwaal, een zinnebeeld voor de diepgewortelde zielekwaal.

Welnu, ik geloof met getuigenis van mijn consciëntie, dat ieder kind van God zich vroeg of laat een melaatse zal voelen. Zijn bovenlip zal bewimpeld zijn, hij zal alleen wonen en hij zal uitroepen ’’onrein, onrein.” Hij zal zich vroeg of laat een melaatse ellendige voelen. Hij zal de pijnlijke wonden der zonde niet slechts in uitwendige zin doch ook inwendig gevoelen. Het ’’levende vlees” en ieder schijnsel in zijn ziel, zal overeenstemmen met de verschijnselen der melaatsheid in het lichaam.

De Heere van leven en heerlijkheid toonde, toen Hij op aarde verbleef, Zijn almachtige kracht in het reinigen van de melaatsen. Wij lezen van verscheidene voorbeelden. Wij lezen van iemand, die kwam en Hem aanbad, zeggende: ’’Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.” En wij lezen van het reinigen door Hem van tien melaatsen op éénmaal, ofschoon er slechts één weerom keerde om Hem te danken, en hij was een Samaritaan. Welnu, dit was een zinnebeeld voor de reinigende kracht van de Heere van leven en heerlijkheid in de ziel. Ben ik een geestelijke melaatse? Ik kan mezelf niet meer van mijn melaatsheid genezen, dan de melaatse dit kon in natuurlijk opzicht. Was de melaatsheid een kwaal, welke zich bleef uitbreiden, verdiepen, en die steeds erger werd, totdat ze, tenzij God deze genas, haar slachtoffer tot een vroegtijdige dood voerde? Zo is het ook in geestelijk opzicht. Als ik leef met en sterf aan de melaatsheid der zonde, niet gereinigd, dan kan ik niet komen, waar God is.

De melaatse moet worden gereinigd, gereinigd niet alleen door het storten van het verzoenende bloed aan het kruis, hetgeen de feitelijke reiniging van hem is van het vuil en de schuld voor God, doch hij moet ook worden gereinigd door de toepassing van dat verzoenende bloed aan zijn ziel, doordat zijn hart wordt besprengd vanwege een kwaad geweten, en aldus een getuigenis genieten van de eeuwige gunste Gods. Welnu, als iemand in zijn ziel ervan overtuigd wordt, dat hij een melaatse is, tot wien kan hij anders heengaan ter reiniging, dan tot de Heere van leven en heerlijkheid? Wij mogen wel duizend geneesmiddelen proberen: zij zullen alle ongenoegzaam blijken te zijn: maar ”het bloed van Jezus Christus, dat reinigt van alle zonde,” is nooit gebleken, neen, in niet één enkel geval, ongenoegzaam te zijn. Geloven sommigen van u soms niet, dat uw wonde zo ongeneeslijk is: dat uw hart zo hard is, dat het lijkt door niets te kunnen worden vertederd: dat de kwaal der zonde in u zo hopeloos is, dat het u bij ogenblikken volmaakt onmogelijk toeschijnt, dat u iets anders kunt zijn dan een zondaar?

Welnu, hoe dieper wij wegzinken in een geestelijke kennis van onze melaatsheid voor God, des te meer zoeken wij dat bloed, dat is als een balsem, en dat reinigt van alle zonde: des te meer blijven wij trouw aan dat bloed; des te meer hoogschatten wij het, en te zijner tijd zullen we het des te meer waarderen. Wat anders kan de smet wegnemen van zulk een doorgewinterde zondaar? Wat anders kan zulk een ziel rein stellen voor de ogen van de oneindige Reinheid? Wat anders kan een zondaar uit de diepten van de val rukken, en hem witter doen zijn dan een engel des lichts voor de troon van de Allerhoogste? Het bloed van het Lam Gods, geopenbaard in het hart, toegepast aan de ziel, en gesprengd op de consciëntie, neemt de zwaarste zondesmet weg. Wat dan ook onze zonde is geweest (uitgezonderd de onvergeeflijke zonde, welke niet kan worden begaan door een kind van God), hoe diep geworteld onze ongerechtigheid ook zit: al ware deze ook van het afschuwelijkste karakter, van de allerlaagste soort, het bloed van Jezus, toegepast aan onze ziel, zal dit alles wegnemen, en de consciëntie reinigen van de schuld, het vuil, en van de dode werken om de levende God te dienen.

4. ”De doven horen.” Wie zijn de doven? Zijn het geestelijk en zinnebeeldig niet degenen, die in de staat van nature geen oren hebben om de stem Gods te horen en te leven? Ja: van nature zijn wij allen doof: doof voor waarschuwingen, voor veroordelingen, voor dreigingen: wij zijn doof voor geboden, voor beloften; zoals de dove adder, die zijn oren toestopt, en niet wil horen naar de stem van de belezer, laat hij zich nooit op een verstandige wijze gezeggen. Wie kan de doofheid van de mens van nature voor iedere waarschuwing, ieder dreigement, en voor ieder deel van Gods Woord beschrijven? Het is waarlijk een ontzaglijke kant van de val. Maar als God de Heilige Geest een genadewerk in het hart begint, dan besnijdt Hij het oor. Dan opent Hij het aldus om onderwijs te ontvangen. Hij schenkt een nieuw vermogen aan de ziel, waardoor de Waarheid Gods wordt ontvangen als uit de mond Gods. Is dit niet het geval geweest met sommigen uwer? Toen u in tijden, welke achter u liggen, de Wet hoorde, rolden de dreigingen ervan over uw hoofd, zoals de donder, zonder dat deze enige indruk maakten: toen u hoorde van de liefde, het bloed en het lijden van Jezus was er geen verbreking, geen vertedering, geen vernedering van uw ziel.

Was u niet doof, volslagen doof? Lag er één enkel gevoelen naar God in uw ziel? Eén enkel gevoel van tederheid? Een verbreking des geestes? Niets van dit alles. Maar als God de Heilige Geest op een genadige wijze deze doofheid voor al de Waarheid Gods wegneemt, dan begint de dove te horen. Dit is één van de eerste levenskenmerken in de ziel. Zij horen de dreigingen van de Wet Gods, en iedere dreiging weergalmt als een donderslag in hun hart. Zij horen en zij geloven, hetgeen zij horen, dat Hij de goddelozen zal oordelen: dat er een dag bepaald is om de wereld te oordelen: en dat degenen, die leven en sterven in hun zonden zullen worden verzwolgen in een verschrikkelijke golf van ellende. Als God de Heilige Geest hun oren opent, dan horen zij de stem van de Zone Gods: want Hij zegt ’’Mijne schapen horen Mijne stem:” en voorts: ”de ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.” Zij horen het ’’suizen van een zachte stilte.” fluisterende in hun ziel. Zij horen het zwakste teken van Zijn barmhartigheid en genade. Zij horen, wat Hij zegt in Zijn geboden, en zij gehoorzamen. Zij horen, wat Hij zegt in Zijn beloften en zij hopen. Zij horen, wat Hij zegt in Zijn nodigingen en zij geloven. Zij horen de stem des HEEREN, die ”de woestijn doet beven: de HEERE doet de woestijn Kades beven. De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden: maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk: Ere!”

Deze stem van majesteit en genade klinkt tot in iedere hoek van het hart, en dringt met een almachtige kracht door, ofschoon slil en zacht, tot in de meest verborgen schuilhoeken van de consciëntie. Hebt u in het beluisteren van het Woord soms geen zaken gehoord, welke uw hart geheel in stukken hebben gebroken? Hebt u soms niet bevonden, dat uw zonden ontdekt werden, en dat scherpe overtuigingen werden teweeggebracht? Hebt u soms niet ondervonden, dat uw blijken werden opgeklaard, uw hoop verlevendigd werd, uw genegenheden werden uitgehaald, en dat uw weg verklaard werd, en dat uw ziel op een gezegende wijze werd vertroost en gesterkt? Als dit zo is, dan is er een wonder in uw hart gewerkt. De Zone Gods, zittende aan de rechterhand des Vaders, heeft op geestelijke wijze door Goddelijke kracht evenzeer uw oren geopend, als Hij in de dagen Zijns vieses, ooit op natuurlijke wijze de oren van de doven heeft geopend. O, welk een genade is het een horend oor en een gelovig hart te bezitten! Ons niet tegen de majesteit des Allerhoogsten te stellen: niet tegen Hem aan te lopen met dikke hoog verheven schilden: maar verbroken en verootmoedigd te zijn: de Zoon te kussen, opdat Hij niet toorne, de zoom van Zijn mantel aan te raken, en Hem te horen spreken, of verlangen Hem te horen spreken met een zachte fluistering tot het hart: ’’vrees niet: gij zijt Mijn.”

5. “De doden worden opgewekt.” De doden zijn degenen, die van nature dood liggen in de zonde. Deze doden worden opgewekt, als het leven Gods hun ziel bezoekt. Zij worden opgewekt tot het geloof in Jezus: opgewekt op Zijn Naam te hopen: opgewekt tot een gevoel Zijner stervende liefde tot hun ziel: opgewekt uit twijfel en vrees: opgewekt uit de diepten van de moedeloosheid, tot Hem op te zien en te worden behouden. Wat een genade is het, dat de Heere van leven en heerlijkheid nog steeds dezelfde kracht in het hart van Zijn volk aanwendt, welke Hij eenmaal aanwendde in hun lichaam, en dat Hij hen opwekt uit hun doodstaat en uit hun dodigheid!

Voelen wij ons niet vaak zo dodig, alsof wij niet een korrel van de genade Gods bezaten? Zo dodig, dat het nauwelijks mogelijk lijkt wederom een gevoel van geestelijk leven te bezitten? Zo dodig, dat wij bijna vrezen, of de kracht Gods wel ooit in ons hart werd gevoeld? Welnu, de Heere verwekt leven en gevoel in onze ziel, door dezelfde kracht aan te wenden, welke Lazarus uit het graf riep. En iedere verheffing van het hart tot Hem: ieder hijgend verlangen Hem te kennen, en de kracht van Zijn opstanding: iedere uitgang van tedere genegenheid: elk zuchten, roepen, en kermen, ja ieder gevoel, hoe kort ook van duur, hoe voorbijgaand ook van aard, naar God, is een bewijs, dat de Heere van leven en heerlijkheid nog steeds Zijn kracht in het hart van Zijn volk aanwendt. Welnu, juist naarmate wij onze staat van nature kennen, en ten diepste gevoelen, zullen wij deze geestelijke wonderen beleven en hoogschatten.

Wie schatten de Heere in de dagen Zijns vieses hoog? En wie verlangden, dat Hij wonderen deed zien? Waren het niet de personen, welke Hij de volgelingen van Johannes deed zien? De blinden, de kreupelen, de melaatsen, de doven, en de doden? En hoe meer deze gevallen waren verouderd, en hoe ongeneeslijker deze waren, des te meer werd de kracht en de heerlijkheid van Jezus openbaar door hen uit deze verloren staat uit te voeren, en hun gezondheid en genezing te schenken. Is het ook in geestelijke opzicht niet zo? Wanneer ik van nature niet totaal blind ben: wanneer ik van nature niet algeheel kreupel ben: wanneer ik niet door en door melaats ben: wanneer ik niet volkomen doof ben: wanneer ik niet in alle opzichten dood ben: dan kan ik de kracht des Heeren in het wegnemen van deze kwalen niet kennen, en niet hoogschatten, zoals, wanneer ik deze kwalen ken. Maar, wanneer ik op een grondige wijze gevoelig ben voor mijn staat van verlorenheid en verdorvenheid, en wanneer ik weet, dat ik van nature een samenknoping ben van kwalen, dat ik met iedere kwaal bezet ben, dat ik niet alleen blind ben, maar ook kreupel, en niet alleen kreupel, maar ook een melaatse, en niet alleen een melaatse, maar ook doof, en niet alleen doof, maar dat ik van nature ook dood ben: dan leer ik een onschatbare waarde hechten aan iedere ademtocht, ieder onderwijzing des Heiligen Geestes, iedere blijk van de gunste Gods, en aan ieder getuigenis, dat ik één van de Zijnen ben.

6. Maar de Heere voegt er nog een woord aan toe, dat een zoet licht werpt op het geheel: “de armen wordt het Evangelie verkondigd.” Waarom zou de Heere dit onder Zijn wonderen vermelden? Lag hierin een aanwending van Zijn wonderdadige kracht? Lag hierin iets, dat overeenstemt, iets dat overeenkomst vertoont met het doen zien van de blinden, de kreupelen te doen wandelen, de melaatsen te reinigen, de doven te doen horen, en de doden op te wekken? De tijdsomstandigheden in aanmerking, genomen was dit inderdaad het geval. In die dagen werden de armen, zoals dat al te zeer het geval is in onze dagen, over het algemeen veracht. Wij zien, wat de geest van de farizeeën was, in hetgeen zij zeiden tot de blinde: ”gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij wierpen hem uit.” De armen werden meer als onbeschaaf- den beschouwd, dan als mensen.

De rijken, de edelen, de ontwikkelden – dezen werden bewonderd: maar de armen werden beschouwd als behorende tot de grote hoop, wie iedere benauwer mocht trappen. Doch, toen de Heere van leven en heerlijkheid op aarde verscheen, kwam Hij als een arme. God had bepaald de hovaardij van de menselijke grootheid aan de kaak te stellen: daartoe zond Hij Zijn eniggeboren Zoon in de wereld: om geboren te worden in een stal, met een voerbak als wieg: de Zoon te zijn van arme ouders, en om met Zijn handen te werken voor Zijn dagelijks brood. Daarom zei men: ”is deze niet de zoon des timmermans?” ”Hoe weet deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?” Zelfs de afkomst van Jezus, ofschoon Hij een afstammeling was van David zelf, werd verduisterd door de nederige staat, waarin Hij werd geboren. Toen Hij op de wereld kwam, waren de arme mensen Zijn gezelschap. Hij verkoos arme vissers tot Zijn discipelen, en Hij ging merendeels met de armen om. Bijgevolg was het een wonder, dat deze arme mensen oprechtelijk het Evangelie werd gepredikt. En daar het zo in strijd was met iedere toen bekende gewoonte, stond het op gelijke voet, als een bewijs van Zijn hemelse zending, evenals het opwekken van de doden, het doen zien van de blinden, het doen horen van de doven, het doen wandelen van de kreupelen, en het reinigen van de melaatsen door Hem.

Maar er is een diepere betekenis dan deze: er is een geestelijke verklaring aan deze woorden verbonden. De ’’armen”, in geestelijke zin verstaan, zijn ”de armen van geest,” de gebrokenen van hart, de verslagenen van geest, de nederigen, de bekommerden, de ontledigden, en de geoefenden, die in zichzelf niets geestelijk goeds hebben of zijn.

Welnu, aan dezulken wordt het Evangelie gepredikt. Het is juist hun armoede, die hen het Evangelie doet ontvangen, en die het Evangelie dierbaar doet zijn voor hen. Zoals de blinden licht nodig hadden, en licht verkregen: zoals de kreupelen kracht nodig hadden om te wandelen, en kracht ontvingen om te wandelen: zoals de melaatsen reiniging behoefden, en reiniging verkregen: zoals de doven het gehoor nodig hadden en dat verkregen: zoals de doden moesten worden opgewekt, en werden opgewekt: zo bereidde de geestelijke armoede van de armen van geest hen toe en deed dit hen het Evangelie ontvangen. En wat is het Evangelie? Is het Evangelie niet een verkondiging van loutere genade, van overvloeiende genade? Verklaart dit niet de goedertierenheid Gods in het zenden van Zijn eniggeboren Zoon om Zijn bloed te storten en te sterven, en om door Zijn gehoorzaamheid, bloed, en verdienste, behoudenis aan te brengen zonder geld en zonder prijs? Is niet dit het Evangelie? Niet belemmerd door voorwaarden, nóch verminkt door iets, dat het schepsel verrichten moet: maar dat vrijelijk voortstroomt, zoals de wind in het luchtruim?

De armen, tot wie het Evangelie wordt gepredikt, waarderen het: het is gepast voor hen: het is zoet en dierbaar, als het hart vernederd is. Maar als ik me verhef in godsdienstige hovaardij, als ik rust op mijn eigengerechtigheid, als ik niet ontbloot ben van alles in het schepsel, wat is het Evangelie dan voor mij? Ik heb geen hart om het te ontvangen: er is geen plaats in mijn ziel voor een Evangelie zonder geld en zonder prijs. Maar als ik wegzink in de diepte van de schepselsarmoede, als ik niets ben en heb, dan een massa zonde en schuld, dan krijgt het gezegende Evangelie, dat mijn zonden vergeeft, mijn naakte ziel bedekt, de liefde Gods uitstort, me opleidt tot alle goed, en dat me voert tot de verheuging in een drieënige God, waarde. Als zulk een zuiver, zulk een gezegend Evangelie in mijn hart en consciëntie komt, heeft mijn voorgaande armoede van geest me hiervoor niet toebereid? Heeft mijn voorgaande uiterste armoede en nooddruft hiervoor niet een weg gebaand, heeft dit het Evangelie niet gepast doen zijn voor mij, en als dit komt, doet dit het Evangelie dan niet dierbaar zijn voor mij? Wij moeten dus wegzinken in de geestelijke armoede, tot op die pijnlijke plaats om de dierbaarheid te gevoelen,, en om de zoetigheid en de zaligheid van het Evangelie der genade Gods in zich op te nemen.

Vaak kennen wij de beschouwing van het Evangelie, alvorens wij het Evangelie bevindelijk kennen. Vaak nemen wij de leerstukken der genade verstandelijk aan, alvorens wij de genade der leerstukken in onze ziel ontvangen.

Daartoe hebben wij nodig vernederd, verootmoedigd, geoefend, en ontbloot te worden van elk steunsel, opdat het Evangelie voor ons het Evangelie moge zijn: meer dan een klank, meer dan een naam, meer dan een beschouwing, meer dan een leerstuk, meer dan een stelsel, meer dan een geloofsbelijdenis, opdat het een gewaarwording, een genieting, een zegening, en een behoudenis voor de ziel moge zijn. Als God de Heilige Geest het Evangelie ’’zonder geld en zonder prijs”, predikt aan de armen van geest, aan degenen, die vernederd, ontbloot, en geoefend zijn, dan is dit waarlijk een Evangelie van blijde boodschap voor het verbroken hart van de zondaar.

7. En dan besluit de Heere Zijn boodschap aan Johannes, door het uitspreken van een zegen over een bepaalde persoon: ”en zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.”

Wat is de betekenis van het woord ’’geërgerd”? Het geeft te kennen gestruikeld. Dit is de betekenis van het woord in het Nieuwe Testament. Welnu, er liggen vele zaken in Jezus, waarover wij van nature struikelen. Bent u niet gestruikeld over Zijn Godheid? Werd niet uw verstand uitermate geschokt, en heeft dienaangaande niet iedere vorm van ongelovig wantrouwen uw gemoed bekropen? Dit was te struikelen. Doen de geboden van de Heere van leven en heerlijkheid niet de meeste mensen struikelen? Zijn deze hen niet te machtig, om ze te niet te doen, en een struikelblok op hun weg, waar zij niet overheen kunnen? Is Jezus in het algemeen niet een struikelblok voor de mensenkinderen? Toen God de Steen in Zion gelegd heeft, was dit niet tot twee doeleinden: om voor Zijn volk tot een fundament te zijn, en om voor Zijn vijanden tot een steen des aanstoots en een struikelblok te zijn? Dus allen, behalve Gods volk, worden aan Jezus geërgerd. Zij stoten zich aan dat struikelblok. Zijn geboden zijn te streng. Zijn juk is te zwaar. Zijn kruis drukt te veel. Zijn dierbaar Evangelie is het vleselijke gemoed onaangenaam: daarom worden alle natuurlijke mensen eraan geërgerd, en stoten zij zich hieraan. Zij beminnen het reine Evangelie niet.

Het onvoorwaardelijke Evangelie wordt niet op genoegzame wijze verlaagd tot hun vleselijk gemoed. Maar het volk des Heeren wordt door Goddelijk onderwijs door deze moeilijkheden heengebracht. Bij ogenblikken mogen zij geërgerd worden, en wel op een pijnlijke wijze, aan de oneindige Godheid van Jezus. Zij mogen eraan geërgerd worden te weten, hoe Zijn bloed van de zonde kan reinigen: wel duizend moeilijkheden mogen hun geest verwarren, maar zij zullen niet zodanig struikelen, dat ze vallen. Zij mogen wankelen en waggelen, maar zij zullen niet zodanig struikelen, dat ze algeheel vallen.

Welnu, beschouw de zegening, welke de Heere heeft uitgesproken: ’’zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.” Welk is het gevoelen van uw hart jegens Jezus? Wat is de ernstige begeerte uwer ziel? Dat Hij zou komen en woning zou maken in uw hart? Dat Hij uw ziel zou bezoeken met het licht Zijns aanschijns? Dat Hij Zijn bloed zou sprengen op uw consciëntie? Dat Hij erg nabij zou zijn, Zichzelf erg dierbaar en erg kostelijk zou doen zijn? Acht u een woord van Zijn lippen wel duizend werelden waard? Een toelaching van Zijn gunst meer waard dan duizenden van goud en zilver? Dan bent u gezegend. U stoot zich niet aan de schemerende bergen van dwaling. U struikelt niet over de volmaaktheden van de Zone Gods. U ergert zich niet aan een soeverein Evangelie, een onvoorwaardelijke zaligheid. Neen, de Heere heeft uw vooroordelen genadiglijk tenietgedaan. Hij heeft uw vijandschap overwonnen, en Hij heeft u ertoe gebracht het Evangelie als een kindeke te ontvangen. ”Ja,” maar zo zullen sommigen zeggen, ”dit alles geloof ik, maar dan betwijfel en vrees ik, of de Heere Zijn werk wel in mij heeft aangevangen, of ik er wel één van Zijn huisgezin ben. Ik kan me niet in de kracht van de Waarheid verheugen, zoals ik dat zou wensen.” Maar, zegt niet de Heere: ’’zalig is hij, die aan Mijn niet zal geërgerd worden”? U bent niet geërgerd aan Jezus, en Hij is u niet tot een struikelblok.

Neen: het is juist uw klacht, dat u zich niet in Hem kunt verheugen, dat u Hem niet als dierbaar kunt gevoelen, dat u Hem niet kunt liefhebben, dat u geen vermaak in Hem kunt vinden, dat u geen zoete toelachingen van Zijn gunst kunt verkrijgen, dat u geen gezegende openbaring van Zijn liefde in uw hart kunt ontvangen. Welnu, als u geërgerd zou zijn aan een zuiver Evangelie: als u zich van de wegen der wijsheid zou afkeren: als u de voorkeur zou geven aan het koesteren van een zekere walgelijke begeerlijkheid, boven de gehoorzaamheid aan de Heere van leven en heerlijkheid: als u zou strijden tegen de soevereine genade, en tegen de Persoon, het werk, en het bloed des Lams, dan zou u onder de vloek verkeren. Maar als er in uw hart, ondanks twijfel en vrees, ondanks wantrouwen en bekommernis, een vurige begeerte moge liggen, om de Heere des Levens te kennen, en om uw ziel volkomen uit te storten in Zijn boezem: als dit gevoel in uw binnenste overheerst, dat niemand dan Christus, Die in uw hart geopenbaard is, u goed kan doen, en dat u liever een dierbare Jezus in uw ziel zou willen hebben, dan duizenden van goud en zilver, dan bent u gezegend, want u wordt niet geërgerd aan Christus. U moge in uzelf aan vele dingen geërgerd worden, maar Hij is voor u, bij ogenblikken, Die de banier draagt boven tienduizend, en Die gans begeerlijk is. En hij, die niet aan Hem wordt geërgerd, maar in staat wordt gesteld Hem aan te nemen als de Christus Gods, op Hem te betrouwen, in Hem te geloven, en bij ogenblikken te gevoelen, dat Hij dierbaar is – hij valt onder ”de zegen des HEEREN, die rijk maakt: en Hij voegt er geen smart bij.” Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.