De bezitting en de beroving van de sterk gewapende
Wanneer een sterk gewapende zijn hof* bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede: Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijne gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijnen roof uit. Lucas 11:21, 22
God schiep de mens naar Zijn eigen beeld, naar Zijn eigen gelijkenis. En toen Hij zo het laatste werk van Zijn scheppende hand beschouwde, zei Hij ervan, dat het ’’zeer goed” was. Maar hoe lang behield de mens zijn oorspronkelijke onschuld en reinheid? Sommigen hebben gezegd, dat, voordat de zon, die over het scheppen van Adam was opgegaan, in het westen was ondergegaan, de val van de mens was geschied. Doch of dit al of niet zo was (want de Schriften hebben ons niet medegedeeld, hoe lang Adam in zijn oorspronkelijke onschuld stond), één ding is zeker: ’’daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood: en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.” (Rom. 5:12) God gaf aan Adam de vesting te bewaren, welke Hij aan zijn handen had toevertrouwd: maar een vrouw opende de poort, en liet de meedogenloze verwoester van het menselijk geslacht binnen. Het is op hem, dat de Heere zinspeelt in de tekst: ’’wanneer een sterk gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.”
De ”hof ’ is het menselijk hart: de ’’sterk gewapende” is satan, die bezit heeft genomen van de vesting. Twee hoofdpunten komen er in mijn gedachten, als verbonden met, en voortvloeiende uit de tekst:
1. De bezitting van de sterk gewapende: ’’wanneer een sterk gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.”
2. De beroving van de sterk gewapende door Hem, Die sterker is dan hij, met alle gezegende vruchten en gevolgen ervan: ’’Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijnen roof uit.”
I. Wanneer ik om me heen kijk, dan sta ik soms verbaasd over de macht, welke satan uitoefent over het menselijk geslacht. De Schrift noemt hem ”de overste van de macht der lucht” (Efeze 2 : 2): en ”de god dezer wereld” (Eng.Vert. 2 Cor. 4 : 4): hetgeen te kennen geeft, dat hij met koninklijk gezag over de mens regeert, en voor de wereld als haar god is. Naar welke zijde ik ook mijn oog wend, zie ik blijken van de macht van satan. De heiden is verblind door zijn afgoden: de fanatieke Mohammedaan, de bijgelovige papist: en om dichter bij huis te komen, de in het stof kruipende arminiaan, de eigengerechtige farizeeër, de beschouwelijke calvinist, en de dode antinomiaan, wat zie ik in hen duidelijk al de kenmerken en blijken van satans macht! En wanneer ik nog wat dichterbij kijk, op de Kerk van de levende God, dan merk ik op, wat een macht de satan hierover heeft: ik zie hem tweedracht en verdeeldheid zaaien onder het volk van God: ik zie hem strikken leggen in iedere richting om hun voet te verstrikken: ik zie hem werkende op de boezemzonden van hun hart, en velen ternederwerpen.
Zodat, hetzij ik de wereld beschouw, hetzij ik de Kerk beschouw, ik aan iedere zijde de kenmerkende sporen van deze verwoestende overwinnaar waarneem: zijn gang is gemarkeerd door bloed en verderf: hij is zo machtig te verdelgen, als de Heere van leven en heerlijkheid machtig is om te behouden. Ook wanneer ik mijn eigen hart onderzoek, en opmerk, hoe de vesting wordt aangevallen: wanneer ik de strikken en verzoekingen zie, welke me voortdurend omringen: wanneer ik een terugblik werp op het pad, dat ik heb betreden, het pad beschouw, dat ik thans betreed, en vooruitblik op het pad, dat voor me ligt, dan merk ik op, hoe de satan voordeel kan trekken uit al de zwakheden en verdorvenheden van mijn gevallen hart, en inderdaad een ’’sterke” kan zijn in al zijn gangen en bewegingen, en nimmer zo sterk, als wanneer hij zijn macht het minst openbaart.
De Heere, sprekende van de satan, als die het menselijk hart in zijn macht heeft, en in zijn bezit houdt, beschrijft hem dan ook als de ”sterke”, En wie is zo sterk als hij? De mens is voor hem als een worm: niemand dan God de Almachtige is een partij en meer dan een partij voor hem. Doch in de tekst wordt van hem gesproken, dat hij ”gewapend” is. Niet alleen is hij sterk in zichzelf, maar hij heeft ook een wapenrusting van een ondoordringbare aard: en het is uit kracht van deze wapenrusting, dat hij het hart in bezit houdt. Maar wat zijn de afzonderlijke stukken ervan? Laten wij de inventaris van satan eens beschouwen. Laten wij de wapenzaal van de duivel eens doorwandelen. Ik geloof, dat wij er evenveel stukken wapentuig in zullen zien, als de Tower[1] van London ooit heeft bevat.
1. Onkunde is één der voornaamste stukken van deze wapenrusting. Want wat zijn we van nature anders dan onbekend met God, onbekend met ons eigen ik, onbekend met de waarheid, onbekend met de zaligheid, onbekend met al hetgeen tot onze vrede dient? Satan verdiept deze onkunde, zoals het Woord van God beschrijft, door het oog te verblinden, en het hart te verharden: ”In welken de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.” (2 Cor. 4:4)
Satan verblindt de ogen, en koestert de duisternis en de diepgewortelde onkunde van het menselijke hart. En door deze onbekendheid met God, met Zijn heilige Wet, met Zijn reine Wezen, met Zijn geduchte volmaaktheden, met Zijn eeuwige toorn en gramschap, houdt de vorst der duisternis, met zijn verderfelijke vleugelen op het hart broedende, de vesting in zijn bezit.
2. Het ongeloof is ook een stuk van satans wapenrusting: en hierdoor houdt hij de hof op krachtige wijze in zijn bezit. Ongeloof is juist het wezen van onze gevallen natuur: het ongeloof trekt ieder deel en gedeelte van Gods Woord in twijfel: het ongeloof biedt een ondoordringbare belemmering tegen de ingang der waarheid: het ongeloof is het schild, dat, zo genade het niet verhoedt, iedere pijl van overtuiging zal uitblussen.
3. Onboetvaardigheid is een ander stuk van dit ondoordringbare harnas van satan. De volkomen onbekwaamheid van de mens, om enige zondesmart te gevoelen: de verstoktheid van zijn geest, welke noch de Evangelie-beloften kunnen vertederen, nóch dreigingen schrik kunnen aanjagen: de hardigheid des harten, waardoor hij pal staat tegen alles in Gods Woord, dat de strekking heeft te vertederen en te overwinnen, is waarlijk één van de sterkste en krachtigste stukken van deze helse wapenrusting. Door deze verharding heerst en regeert satan: hierdoor keert hij ieder wapen af: en hij stelt deze tegen iedere dreiging, gericht tegen de goddelozen.
4. Vijandschap tegen God en tegen de godzaligheid, die uitgang van het vleselijke gemoed, dat wezen van ’s mensen gevallen natuur, die walgelijke stank, welke voortdurend opwasemt uit zijn verdorven hart tegen de Goddelijke zaken, vijandschap tegen God en Zijn wegen, vijandschap tegen Christus en Zijn Persoon, vijandschap tegen de waarheid in al haar delen, vijandschap tegen hetgeen vernedert, verbreekt, en verootmoedigt, is ook een deel van satans wapenrusting, waardoor hij de vesting in bezit houdt.
5. Gevoel van eigenwaarde en zelfingenomenheid is nog stuk van deze wapenrusting. De mens heeft zulke verheven gedachten van zichzelf, koestert zich in zulk een ijdelheid en zelfverheffing, is zo onwillig om zichzelf te zien, zoals God hem heeft beschreven, dat hij op krachtige wijze het getuigenis Gods zal loochenen tegen zijn staat en toestand als een gevallen schepsel.
6. Trots: juist het wezen van satan, juist het element, waarin hij leeft, datgene, dat de oorzaak was van zijn val, en tot zijn heersende drift geworden is: ook door dit stuk der wapenrusting houdt satan bezit van de vesting van het menselijk hart. Hij is het, die voortdurend ijdele begrippen van ’s mensen belangrijkheid inprent, die hem doet opzwellen en hem opblaast met een aanmatigende dunk van zijn kracht, wijsheid en gerechtigheid. Door op deze trots te werken, die in ’s mensen boezem huist, leert hij hem dat vernederende Evangelie, hetwelk het Woord van God verkondigt, te verafschuwen.
Door deze en andere stukken der wapenrusting houdt de ’’sterk gewapende” bezit van de vesting. Hij is gewapend op iedere plaats: hij bewaakt iedere uitgang: waar hij dan ook ziet, dat vermoedelijk een bres zal ontstaan, daar voert hij zijn wapenrusting aan, om het veilige bezit te handhaven. De ’’sterk gewapende” bewaart zijn hof in duizenden en miljoenen van het menselijk geslacht: en in deze staat dalen duizenden en miljoenen af in de binnenka- meren des doods. Daar regeert hij in al zijn duivelse glorie: daar zegeviert hij op triomfantelijke wijze over miljoenen, die in het verderf zijn gestort: daar koelt hij zijn wraak door zich te voeden met het bloed en het gebeente van ontelbare tienduizendtallen van slachtoffers: en daar lest hij zijn helse dorst: daar stilt hij zijn vijandschap tegen God, door in één hap gehele volkeren te verslinden, en miljoenen en miljoenen te vertreden in de afgrond der eeuwige ellende. Maar er is één hoofdtrek, welke de Heere beschrijft als duidelijk kenmerkende, dat satan zijn hof bewaart: ”al wat hij heeft is in vrede.” Doch welke vrede? Een valse vrede, een ellendige vrede, een vrede, welke het voorspel is van de eeuwige ellende. Dit is het hoofdkenmerk, dat de Heere heeft gekozen als omschrijvende en onderscheidende het bezit, dat satan houdt van de vesting van het menselijk hart: ”al wat hij heeft is in vrede.” Geen geestesbekommering, geen zielsoefening, geen benauwdheid der consciëntie, geen twijfel, nóch vreze, geen verschrikking, noch ontsteltenis, geen woelen in het bed te middernacht, geen overtuiging van zonde, geen schuldgevoelens, geen vrees voor de toekomende toorn. Maar bij hen is het alles kalm en gerust, een bloemrijke weide, en voort gaan zij, nederwaarts dansende tot in de binnenkameren des doods.
De Heere legt dus Zijn vinger bij dit kenmerk, in het bijzonder erop wijzende, dat ”al wat hij heeft in vrede is.” Maar, wat is al wat hij heeft? Het menselijke hart, de mensenziel, welke hij zo vast in zijn greep houdt, door alle overtuigingen te beletten, door alle licht buiten te sluiten, door de onbevattelijkheid van ’s mensen aangeboren duisternis te verdiepen, door de oren te stoppen tegen alle krijgsrumoer, door de ogen te sluiten voor de bliksemen van de toorn Gods, en door het hart te bemoedigen met ijdele hoop en ijdel vertrouwen.
Door deze listen en wapenen houdt satan zijn prooi vast: en aldus is deze bedrieglijke vrede, deze misleidende kalmte, het zekerste bewijs, dat hij zijn prooi nog vast in zijn bezit houdt. Maar zal hij altijd heersen? Zal hij op deze wijze altijd zijn helse eetlust met slachtoffers stillen? Niet in des Heeren eigen huisgezin, degenen, die Hij door bloed heeft verlost. Neen: er zullen twee of drie beziën in de top der opperste twijg zijn: er zullen er enkelen zijn, wie de Heere heeft verlost uit de kaken van de verderver; en deze omvatten Zijn ganse door bloed gekochte huisgezin, de schapen Zijner weide, de kudde Zijner hand, wie de Vader Hem gegeven heeft, en voor wie Hij Zijn dierbaar leven heeft afgelegd.
II. En dit voert me tot het tweede gedeelte van ons onderwerp, hetwelk is aan te tonen de beroving van de sterk gewapende. ’’Maar, als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijne gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijnen roof uit.” Ik behoef nauwelijks op te merken, dat ”die sterker dan hij,” is de Heere van leven en heerlijkheid, de Vredevorst, Gods evengelijke, eeuwig bestaande Zoon. Doch in welke zin is Hij sterker dan satan? Niemand kan eraan twijfelen, dat God sterker is dan de duivel. Maar in welke zin is Hij sterker dan deze? En hoe overwint Hij hem? Is het door de sterk gewapende in de ganse majesteit der Godheid te overvallen, Zijn bliksemende wraak tentoonspreidende, en hem tot in de hel te vernietigen? Aldus overwon Hij hem niet. Hij overwon hem in zwakheid: Hij kwetste hem aan het kruis: Hij vernietigde hem door te sterven. En aldus vermorzelde, o wondervolle verborgenheid van genade en liefde, ”het zaad der vrouw,” de kop van de slang, alhoewel de slang werd toegelaten Zijn verzenen te vermorzelen. Maar, hoewel Hij satan overwon door het werk der verlossing aan het kruis, hoewel Hij daar triomfeerde over de overheden en machten, en hen algeheel beroofd hebbende, ten hemel gevaren is, hen gevangen nemende, geketend aan de wielen van Zijn strijdwagen, is het evenwel niet op dat deel van het werk des Heeren, dat de tekst geestelijkerwijs zinspeelt. Het is op het werk der genade in het hart, de inkomst van de Heere des levens in de ziel: want wij lezen: ”als een daarover komt, die sterker is dan hij”. Heeft satan zich niet op vastberaden wijze verschanst in het menselijk hart? Is niet dat zijn hof, waardoor hij rondzwerft, en in het beschouwen waarvan hij, als Nebukadnézar oudtijds, duivels vermaak schept? Wie zal dan deze ’’sterkgewapende” in zijn eigen verblijf, waar hij vertoeft, en waar hij zich op zulk een vastberaden wijze verschanst heeft, zijn hof, welke hij met duivels vermaak doorzwerft, overwinnen?
Die ’’sterker is dan hij”, komt over hem bij de wedergeboorte: wanneer licht en leven in het hart schijnen: wanneer met het werk der genade een aanvang is gemaakt door een almachtige en onoverwinnelijke kracht, dan komt hij daarover als in een ogenblik. Licht en leven vlammen plotseling in de ziel op, de voorbode en voorloper van de Zone Gods, de heraut Zijner verschijning. En als er licht en leven in de ziel komen, doet dit satan sidderen en beven. Niets anders kan de ’’sterk gewapende” beroven. Uw geloften en beloften: uw besluiten en pogingen om uzelf te verbeteren: uw omslaan van een nieuw blad: uw vaarwel zeggen van deze en die zonde: dit alles zijn niet anders dan stoppelen, en is niet anders dan hout, dat vergaan is, tegen deze leviathan. Hij lacht om al deze pogingen hem te beroven. Hij behoudt een vaste greep, totdat ”een die sterker is dan hij”, als een bliksemstraal over hem komt, hem overwint, en hem in een ogenblik bindt. Hij wordt gebonden, als licht en leven de consciëntie binnenkomen uit de volheid van het Verbondshoofd.
Het is op deze wijze, dat Jezus hem overwint: en niet alleen dat, maar Hij ’’neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde.” Hij neemt die verschillende stukken der wapenrusting weg, waardoor de ’’sterk gewapende” zijn hof bewaart met zulk een onwrikbare zekerheid. Hij neemt deze één voor één weg, zodat de ziel er niet langer op vertrouwen kan. Hij neemt bij voorbeeld weg:
1. De onkunde: dat stuk der wapenrusting, hetwelk satan eenmaal gebruikte, om de vesting te versterken tegen alle invallen. Wanneer er licht in de consciëntie schijnt, dan wordt die onkunde, die grove onwetendheid, weggenomen door het licht van het onderwijs des Heeren. Wij zien een heilig God, in het licht der Goddelijke openbaring. In het licht van het onderwijs des Geestes, zien wij de uitgebreidheid en de geestelijkheid van de heilige Wet Gods. In het licht van de schijnsels des Geestes zien wij de afgrond der ellende, waarheen wij voortgaan. Wij zien de diepte van de val: door Zijn levendmakende werkingen in de consciëntie, gevoelen wij de verdorvenheden van ons hart, en wij ontvlieden de toekomende toorn. En aldus, door de schijnsels van hemels onderwijs, door het licht, dat uit Zijn volheid voortvloeit in het duistere hart van een zondaar, smelt dit stuk der wapenrusting, de onkunde, weg als sneeuw voor de zomerzon.
Hij neemt het ongeloof weg, dat andere stuk der wapenrusting, hetwelk de satan voortdurend opnam tegen iedere dreigende aanval. Toen hij een zondaar voor het eerst bevende zag onder overtuiging: toen hij bevreesd was, dat zijn prooi aan zijn greep zou ontsnappen: toen hij enige bewegingen zag, welke, naar zijn scherp en doordringend oog, leken op de eerste werkingen der genade in de ziel, wat versterkte hij toen dit zwakke deel van de vesting! Wat hief hij meteen het schild van ongeloof omhoog tegen de aanval, die dreigde! Hebben wij dit op bevindelijke wijze niet aldus ondervonden? Toen u in verleden tijden onder de waarheid zat, viel het woord toen ooit met kracht in de consciëntie? Toen u de bevinding las van rechtvaardigen, drong dit dan ooit door tot uw hart? Als we dreigingen hoorden, deden deze ons ooit opschrikken? Als wij beloften hoorden, vertederden deze ons ooit? Neen. Er zou een voorbijgaande opwelling geweest kunnen zijn: er zou enige opwinding van vleselijk gevoelen geweest kunnen zijn: er zou iets geweest kunnen zijn van het bevreesd zijn van Felix, wat van het berouw van Herodes, iets van het in zak en as gaan van Achab, doch geen waar geloof. Satan stopte de bressen weldra op, het wapen van ongeloof werd spoedig tegen de dreigende aanval gekeerd: en de ziel verzonk weer in alle gedachteloosheid en vleselijkheid, welke ze tevoren bezat. Doch, als met het werk der genade waarlijk een aanvang is gemaakt, dan deelt de Heere geloof aan de ziel mede. Het Woord van God valt dan met overtuigende kracht in het hart: een pijl uit Gods pijlkoker wordt in de consciëntie geschoten: en de ziel wordt ertoe gebracht op Gods Woord te beven: de veroordeling des Almachtigen te duchten, en te geloven, hetgeen God heeft verklaard in Zijn onfeilbaar Woord der waarheid. En aldus wordt het wapen van het ongeloof weggenomen door de mededeling van een levend beginsel des geloofs. Het wordt aan stukken gebroken door de mededeling van dat geloof, dat opkomt onder de werkingen van de gezegende Geest in de ziel.
3. Maar er was ook hardigheid, verstoktheid, onboetvaardigheid, het ’’stenen hart”, waarvan de Schrift spreekt. Dit was een ander deel van de wapenrusting van satan, waardoor hij zijn hof bewaarde. Zag hij, dat er enige overtuigingen begonnen op te komen? Zag hij enige tranen langs de wangen glijden? Ving zijn oor een zucht of snik op, welke uit het hart opwelde? Meteen begon hij te werken op de verstoktheid en onboetvaardigheid van het hart: en heel spoedig was iedere traan opgedroogd, iedere overtuiging gesust, iedere opwellende zucht onderdrukt: en de wereld, en de tijdelijke en zinnelijke dingen namen wederom volledig bezit van de gedachten. Doch niet aldus, wanneer de Heere Zijn hand aan het werk legde: niet aldus, wanneer de Geest Gods Zijn almachtig werk met kracht in de ziel begon voort te zetten. Toen werd de belofte vervuld: ”Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een viesen hart geven.” Verstoktheid, onboetvaardigheid, en hardigheid, die ijsbergen, welke het menselijk hart doen bevriezen, zoals de ijsbergen de pool omringen, smelten weg onder de stralen van de Zonne der gerechtigheid. De onboetvaardigheid bezwijkt, wanneer de bekering wordt geschonken door Hem, Die verhoogd is deze gift te schenken. De hardnekkigheid bezwijkt voor de aanraking van de hand des Verlossers: en die vreselijke verstoktheid en hardigheid, welke eenmaal iedere smeking uit de mond der mensen weerstond, bezweek onmiddellijk onder de roepstem des Heeren, toen Hij met Zijn eigen mond sprak, en Zijn eigen Woord in de consciëntie bracht.
4. De vijandschap, dat geduchte stuk van de wapenrusting satans: haat tegen God en Zijn Christus, tegen Zijn Persoon, Zijn bloed, en Zijn Waarheid, haat tegen Zijn volk, de ademtocht van de natuur eens zondaars, juist de aard en het wezen van het bestaan van satan, wordt ook weggenomen. Dit wordt weggenomen door de inplanting van het beginsel der liefde. Aldus wordt het hart ertoe gebracht God lief te hebben, door de liefde Gods, welke is uitgestort in het hart: Jezus lief te hebben door enige zoete openbaringen Zijner goedertierenheid en genade: het volk van God lief te hebben, omdat zij Christus toebehoren en Zijn beeld dragen: en de Waarheid lief te hebben, omdat deze hen vrijmaakt.
5. Hij neemt ook de trots weg, dat sterke stuk der wapenrusting, die maliënkoker, die borstplaat, welke eenmaal het hart omgaf met zulk een stevige bescherming. Dit wordt weggenomen, wanneer de Heere een zondaar toont hetgeen hij is, wanneer Hij hem zijn lage afkomst openbaart, wanneer Hij voor hem de verdorvenheden van zijn hart bloot legt: wanneer Hij hem doet afdalen in de diepten van de val. Maar bovenal, wanneer hij hem een ontdekking schenkt van Zichzelf in Zijn verzoenend bloed, in de diepte Zijner vernedering, in Zijn smartelijk lijden, in Zijn stervende liefde, en van de diepten, waarin Hij afdaalde om hem op te richten, dan wordt de hoogmoed op afdoende wijze weggenomen, door die diepe ootmoed en zelfverfoeiing, welke de Heere aldus op genadige wijze mededeelt.
6. Zelfvertrouwen, dat stuk wapentuig, dat, zijn hart en lendenen omgordende, de satan eenmaal gebruikte om hem verblind en misleid voort te leiden, hem op snelle wijze voortjagende langs de weg naar de hel, wordt eveneens weggenomen, doordat de Heere hem toont welk een arm, verzocht, beproefd schepsel hij is: hoe onbekwaam staande te blijven tegen satans strikken: hoe onbekwaam zijn eigen ziel te verlossen: hoe zwak, hoe onbekwaam om staande te blijven, tenzij gesteund door de almachtige kracht, tenzij ondersteund door een almachtige hand. Aldus neemt de Heere die wapenrusting, waarop de sterke vertrouwde, door Zijn genadewerkingen in het hart van de zondaar weg; en maakt door Zijn gezegende onderwijzingen en getuigenissen Zijn volk gewillig op de dag Zijner heirkracht. Hij neemt die beletselen weg, welke zich opstellen tegen Zijn inkomst, Hij komt en neemt bezit van het hart, en formeert aldus Zichzelf in de ziel de hoop der eeuwige heerlijkheid.
O,welk een gezegende overwinning is dit! Niet zoals de overwinning van satan door kracht, maar door de liefde! Christus regeert niet door de duisternis, maar door het licht: Hij heerst niet door vijandschap, maar door liefde: Hij leidt niet door ongeloof, maar door geloof: Hij bestuurt ieder zielsvermogen, als de Vredevorst, de Heere van leven en heerlijkheid: Hij neemt aldus bezit van het hart: en komt en neemt Zelf plaats op de troon in de vesting, welke de satan eenmaal in Zijn bezit hield, ieder zielsvermogen besturend en regerend, om Hem, als de Koning der koningen en Heere der Heeren goedsmoeds gehoorzaamheid te bewijzen. Doch wij lezen ook: ”en deelt zijnen roof uit” Naar mijn mening, ligt hierin iets, dat bijzonder en veelzeggend is. Naar het uit deze woorden toeschijnt, liet Christus satan wat, en nam het andere voor Zichzelf. Het is aldus. Terwijl wij in dit tranendal verkeren, terwijl wij worstelen met een lichaam der zonde en des doods, zullen wij onderworpen zijn aan de verstoring van satan, wij zullen blootgesteld zijn aan zijn strikken en verraderlijkheid. Maar de Heere deelt de roof uit. Wat neemt Hij dan als Zijn deel? Hij heeft aanspraak op alles, maar Hij wijst heel wat af: het is niet waard, dat Hij dit bezit: Hij wil Zijn heilige vingeren niet bezoedelen, met dit aan te raken: en daarom laat Hij aan satan, hetgeen Hijzelf niet wil nemen als de vruchten van Zijn met bloed bevlekte overwinning.
1. Hij neemt het verstand, dat tevoren in de duisternis was gehuld: en dat satan van tijd tot tijd op afdoende wijze verduisterde. De Heere, Zijn deel nemend van de roof, eist het verlichte verstand op: overeenkomstig die woorden: ’’namelijk verlichte ogen uws verstands” (Efeze 1:18). Hij werpt een heilig licht op het verstand, waardoor de waarheid gekend wordt de waarheid te zijn, en de dwaling gekend wordt dwaling te zijn. Hij verlicht het verstand, om te verstaan, dat Hij zowel God als Mens is: en dat niet alleen, maar de heerlijke Godmens. Hij verlicht het verstand om iedere gezegende waarheid, zoals die in Gods Woord staat, te verstaan. Hij verlicht het verstand om te onderscheiden wat het volk van God is, en wat niet. Hij verlicht het verstand om de misleidingen, verzoekingen, en de listen van satan op te merken. En aldus is een deel van de roof, welke Hij voor Zichzelf neemt, het verlichte verstand van een levendgemaakte ziel.
2. Hij neemt ook het Zijn eigen woorden zijn: ’’Mijn zoon, geef Mij uw hart.” (Spr. 23 : 26) Hier woonde eertijds de satan: dit was de vesting, waar hij woonde, heerste, en regeerde: dit was zijn hoofdkwartier, waarvan hij volkomen en algeheel bezit verkreeg en bewaarde. Maar toen Hij, Die sterker is dan satan, hem overwon, en hem van zijn wapenrusting beroofde, nam Hij voor Zichzelf, als deel uitmakende van Zijn eigen aandeel van de roof, dat hart, hetwelk Hem toebehoorde, dat Hem wordt overgegeven, waarin Hij werkt, waarin Hij, ”de Hoop der heerlijkheid”, regeert, en op een verborgen wijze woont.
3. Maar Hij neemt eveneens de consciëntie, opdat deze een altijd levend getuige voor Hem zou zijn: opdat deze teder moge zijn in Zijn vreze: opdat deze de schuld der begane zonde moge gevoelen: opdat deze moge worden besprengd met het verzoenende bloed: opdat deze met Zijn eigen stem moge spreken, en haar eigen getuigenis moge geven tegen de verraderlijke pijlen en wapenen van satan. Hij neemt niet alleen bezit, maar houdt ook bezit van de consciëntie: want, ofschoon deze verontreinigd moge worden met zonde, valt deze nimmer terug in handen van satan: wordt deze nooit dood als tevoren: wordt deze nooit als met een heet brandijzer toegeschroeid: wordt deze nimmer omgekocht of tot zwijgen gebracht: ze vertelt geen leugens: maar is een eerlijk getuige voor de Heere tegen de dwaling, boosheid, de werkingen der zonde, satans misleidingen, strikken en verzoekingen.
4. Ook neemt Hij bezit van de Eenmaal verkeerden zij onder de macht van satan: eenmaal vloden zij de wereld in: eenmaal bogen zij zich neder voor de drekgoden, eenmaal hieuwen zij voor zichzelf ’’bakken uit, gebroken bakken, die geen water houden.” Maar, als de Heere Zichzelf met kracht openbaart: als Hij Zijn genade ontdekt: als Hij Zijn liefde uitstort in het hart, dan wint Hij de genegenheden, en neemt ze als Zijn eigendom: en wanneer Hij deze genomen heeft, dan houdt Hij op krachtige wijze bezit hiervan.
5. Doch bovenal neemt Hij de ziel. Daarvoor was het, dat Hij Zijn bloed stortte: daarvoor was het, dat Hij stierf: dat is hetgeen Hij verloste, en welke Hij tot de eeuwige heerlijkheid brengen zal. Zodat Jezus, het ganse deel van de mens, dat waarde heeft: het verstand, het hart, de consciëntie, de genegenheden en de ziel van de mens: al hetgeen kostelijk is: al hetgeen waardevol is te worden verlost door het bloed, als Zijn deel van de roof heeft, hetwelk Hij met vaste hand omvat, en eeuwiglijk als het Zijne opeist.
Maar wat laat Hij voor satan? Hij zal zijn deel hebben, zoals het is. Doch ik moet vooropstellen, dat het met zekere beperkingen is. Er is een beperking, zowel wat de tijd, als wat de macht aangaat. Het was maar voor een tijd, dat Job zo zwaar werd geplaagd: het was maar voor een tijd, dat Petrus op zulk een harde wijze werd gezift.
De macht van satan werd beperkt, toen de Heere tot hem sprak aangaande Job: ’’verschoon zijn leven:” en toen Jezus tot Petrus sprak: ”Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.”
1. Jezus neemt voor Zichzelf de ziel: maar staat satan vaak toe op het lichaam te werken. Was het niet zo in Jobs geval? De satan ’’sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.” Achttien jaar lang deed satan het lichaam van de vrouw, die een geest der krankheid had, samengebogen zijn (Lukas 13:10- 17). Werkt satan ook niet vaak op onze zenuwen? Verzoekt hij niet vaak door middel van onze zinnen? Werkt hij niet vaak door middel van het oog, het oor, de tong, en onze andere lichaamsdelen? Doch worde het altijd onthouden, dat satan dit alleen kan doen voor zover als, en alleen dan, wanneer toegelaten. Hij is uitgeworpen, en kan er niet weder inkomen. ”Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen de hoogmoed uwer golven.”
2. Tot op zekere hoogte laat Hij hem de verbeelding en fantasie. Wat kan de satan op onze verbeelding werken! Wat een ellende en ontsteltenis kan hij soms teweegbrengen door dat gekrenkte geestvermogen! Wat een ingebeelde vrees! Wat een goddeloze taferelen! Wat een genietingen, waarin wij ons verlustigen! Wat een zonde-bespiegelingen kan deze helse wederpartijder van onze ziel, ons door middel van onze verbeelding voor de geest brengen! Wie, het zij tot zijn schande gesproken, heeft zich in de verbeelding niet verlustigd in die zonden, welke hij op andere ogenblikken met een volkomen haat heeft verafschuwd? Wie, hoewel bewaard door de kracht Gods van in de daadwerkelijke zonde te vallen, heeft niet zijn verbeelding de vrije teugel gegeven? Het is, omdat het satan is toegelaten op onze verbeelding te werken.
3. Hij laat hem onze lusten en verdorvenheden’, de oude mens der zonde en des doods, welke wij in ons binnenste omdragen: onze dagelijkse schande, zo niet ons ieder uur treuren. Het wordt satan toegelaten hierop te werken: soms onze begeerlijkheden opwekkende, soms op ons humeur werkende, soms onze trots opblazende, soms onze opstand prikkelende, soms werkende op onze gemelijkheid, en soms onze hebzucht het gouden beeld voorstellende, om er zich voor neder te werpen. Het is juist zijn eten en drinken op deze wijze op de begeerlijkheden en verdorvenheden van onze gevallen en verdorven natuur te werken. Maar ’’stof zal de spijze der slang zijn”. Laat het hem alles hebben: laat hem zijn helse muil ermede vullen: laat hem zich voeden aan de zonden van Gods volk: laat hem hun begeerlijkheden opwekken, de Heere heeft het hem toegelaten. Doch het is een genade-weldaad, dat, hoewel de Heere in het verdelen van de buit, deze vraatzuchtige hond een deel laat, Hij hem nauwlettend bewaakt: hij is aan zijn kennel gebonden: hij moet binnen lijnbereik blijven. Hij moge brullen, hij moge woeden, hij moge bedriegen, hij moge verstrikken. Doch daar is zijn grens. Hij kan niet verdelgen. In de verdeling van de buit moge hij zich, zo het hem wordt toegelaten, verzadigen met al dit stof: dit is de kluif van de hond: maar eenmaal zal hij ervoor moeten betalen: eenmaal zal hij in de hel voor eeuwig in ellende en kwelling moeten huilen: en de verzwaring van zijn ellende zal zijn, om ziel en lichaam van de verlosten uit zijn greep verlost te zien.
Want ditzelfde lichaam, waarop satan heeft gewerkt, zal, ofschoon in het stof gelegd, die verandering ondergaan, waardoor de sterfelijkheid zal worden verslonden door het leven, en de verwelkelijkheid onverwelkelijkheid zal aandoen, en het zal als een verheerlijkt lichaam worden opgewekt. En dan, verlost uit de macht van satan, gewassen van alle begeerlijkheid en verdorvenheid, van alle inwendige verdorvenheid, en van de zwakheid en zondigheid onzer gevallen natuur, dit alles in het graf gelaten, waarin ons gebeente tot het stof zal wederkeren, zullen ze voor eeuwig veilig zijn voor de macht en de greep van satan. Wanneer de Heere aldus de lichamen Zijner heiligen opwekt, op de dag Zijner openbaring, dan zal er in hen nóch vlek, nóch rimpel, of iets dergelijks zijn: ze zullen blinken voor de troon van de Heere HEERE in schoonheid, majesteit, en heerlijkheid. En dan zal Eén, Die sterker is dan hij Zijn recht volkomen opeisen, satan in de hel vastketenen met die ketenen, die hij nimmer kan verbreken, en dan zal Hij eeuwig verheerlijkt worden in hen, die geloven. Welnu, hoe verschillend hun staat ook in de voorzienigheid moge zijn, hoe de één ook van de ander onderscheiden moge zijn in de uiterlijke omstandigheden, er zijn evenwel maar twee klassen in deze vergadering, diegenen, in wie de sterkgewapende zijn hof bewaart, en diegenen, in wie de sterkgewapende beroofd is.
Doch men moge vragen: ”hoe zullen wij deze kennen”? Hier is het kenmerk, dat de Heere Zelf heeft geschonken: ”al wat hij heeft is in vrede.” Is het alles vrede bij u? Alles rust? Alles kalmte? Geen overtuigingen? Geen twijfels? Geen vrezen? Geen bekommernissen? Geen twijfelmoedigheden? Geen droefenissen? Geen smarten? Geen roepen? Geen jammerklachten? Geen bewenen? Dit is een noodlottig kenmerk: want de Heere heeft met Zijn eigen onfeilbare mond verklaard: ’’wanneer een sterk gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.” Doch wellicht moge dit de taal van sommigen hier zijn: ”al uw woorden gaan langs me heen. Ik word niet bezwaard door iets, dat u moogt zeggen.” Wat is dit anders dan een duidelijke aanwijzing, dat de sterk gewapende uw hart bewaart? Deze redeneringen, die u door de geest gaan; deze gedachten, welke in uw boezem omgaan, zijn juist de stukken der wapenrusting, die de sterk gewapende nu aanvoert om uw consciëntie tegen de aanval te wapenen. En daarom, juist uw gedachten, welke ik kan lezen, en juist de argumenten, waarvan u, naar ik versta, gebruik maakt (ik weet goed welke dat zijn), zijn er een zeer duidelijk bewijs van, dat ”de sterk gewapende zijn hof bewaart”, want ”al wat hij heeft is in vrede.” Maar er zijn ook dezulken, in wie een machtige ommekeer heeft plaatsgehad. Die ’’sterker is dan hij” heeft satan overwonnen.
En wat is het gevolg geweest? Hij heeft hem overwonnen. Hij heeft hem beroofd, hetgeen zij nimmer zelf zouden hebben kunnen doen: en Hij heeft de wapenrusting genomen, waarop hij vertrouwde. Uw onkunde, uw ongeloof, onboetvaardigheid, vijandschap, hoogmoed, vleselijkheid, wereldsgezindheid, verstoktheid, al deze stukken der wapenrusting zijn één voor één weggenomen. De Heere heeft u verootmoedigd, u aan Zijn voeten vernederd, een zuchten en roepen in uw hart gelegd, en van tijd tot tijd uw hart vertederd en doen smelten, door de zoete stralen Zijner stervende liefde. En wat treft u nochtans een overvloedig kwaad in uw hart aan! Zoveel zonde, zoveel hoogmoed, zoveel ontrouw, zoveel zelfzucht, zoveel zinnelijkheid werkende in u! Maar bedenk, de Heere deelt de roof uit: en het is, omdat de Heere de roof uitdeelt, dat wij bij ogenblikken dit boze hart voelen werken, dit ongeloof bij ogenblikken voelen oprijzen, deze ontrouw bij ogenblikken voelen opklimmen, en dat al de begeerlijkheden van onze verdorven natuur zich openbaren. Op deze werkt de satan: anderen laat hij in vrede. Niet aldus bij degenen van u, die kinderen Gods zijn: hij kwelt u, hij bedroeft u, hij verzoekt u, hij zoekt u voortdurend te verstrikken. Maar de Heere zal nimmer toelaten, dat die helse wederpartijder van uw zielevrede ooit weer bezit van u krijgt. Jezus bewaart daarom steeds het verstand, dat nog immer standvastig is in de Waarheid Gods.
Hij bewaart steeds uw hart: er zijn tijden en ogenblikken, wanneer u dit waarlijk aan Hem schenkt. Hij bewaart altijd de consciëntie: Hij zal niet toelaten, dat deze tot zwijgen wordt gebracht, of dat deze tot verharding komt: deze getuigt immer in uw boezem voor de Heere, en tegen de satan, Hij bewaart altijd uw genegenheden: hoewel ze tot uw schaamte en droefheid telkens voorbijgaan, vernieuwt Jezus evenwel de liefdesuitgangen van uw hart. En Hij bewaart de ziel. Hij houdt deze in Zijn hand. Laat satan dan het lichaam hebben: laat hem daarop werken: laat hem op uw zenuwen werken, uw begeerlijkheden ontsteken, uw verdorvenheden opwekken, alle hartstochten van uw gevallen natuur opwekken. Zelfs hier heeft hij zijn beperking. Zelfs hier is hij onder beteugeling en kan hij niet verder gaan, dan zijn keten.
Wanneer uw lichaam in het graf afdaalt, dan zal u hieruit een verheerlijkt lichaam worden opgewekt, zonder smet, vlek of rimpel, een gepaste woonplaats voor de verloste en verheerlijkte ziel. Welnu, welke blijk bezit u, aan welke kant van de streep u staat? Verkeert u onder de macht van satan, of onder de kracht des Heeren: een onderdaan van de god dezer wereld, of een onderdaan van de enige ware God: iemand, die satan toebehoort, of iemand, die Jezus toebehoort? Ik heb u, voor zover de Heere me in staat heeft gesteld, uit de Schrift en uit de bevinding aangetoond, de verschillende onderscheidmakende blijken van elk. De toepassing ervan moet ik overlaten aan God de Heilige Geest, Die in Zijn volk werkt ”het willen en het werken naar Zijn welbehagen.” Amen.
Preached at Zoar Chapel, London, on August 9, 1848
“When a strong man armed keeps his palace, his goods are in peace; but when a stronger than he shall come upon him, and overcome him, he takes from him all his armor wherein he trusted, and divides his spoils.” — Luke 11:21-22
God created man in his own image, after his own likeness. And thus when he looked upon the last work of his creating hand, he said of it, it was “very good.” But how long did man retain his primitive innocence and purity? Some have said, that before the sun which dawned upon Adam’s creation had sunk in the west, the fall of man was completed. But whether so or not (for the Scriptures have not informed us how long Adam stood in his primitive innocency), one thing is certain, “By one man sin entered into the world, and death by sin, and so death passed upon all men, for all have sinned.” (Rom. 5:12.) God gave to Adam to keep the citadel which he had committed to his hands; but a woman opened the wicket gate, and let in the fell destroyer of the human race. It is to him that the Lord alludes in the text, “When a strong man armed keeps his palace, his goods are in peace.” The “palace” is the human heart; the “strong man armed” is Satan who has taken possession of the citadel.
Two features strike my mind as connected with, and flowing out of the text.
I. The possession of the strong man armed, “When a strong man armed keeps his palace, his goods are in peace.”
II. The dispossession of the strong man armed by him who is stronger than he, with all its blessed fruits and consequences—“But when a stronger than he shall come upon him, and overcome him, he takes from him all his armor wherein he trusted, and divides his spoils.”
I. The POSSESSION of the strong man armed, “When a strong man armed keeps his palace, his goods are in peace.” When I look around I sometimes stand amazed at the power that Satan exercises over the human race. The Scripture calls him “the prince of the power of the air” (Eph. 2:2); and “the god of this world” (2 Cor. 4:4)—implying that he reigns over man with royal authority, and is to the world as its god. On whatever side I cast my eyes I see evidences of the power of Satan. The heathen besotted with their idols; the fanatic Mohammedan, the superstitious Papist; and to come nearer home, the groveling Arminian, the self-righteous pharisee, the notional Calvinist, and the dead antinomian—how plainly do I see in them all the marks and evidences of Satan’s power! And when I look closer still, at the church of the living God, I see what power Satan has over it; I see him sowing discord and division among the people of God; I see him laying snares in every direction to entrap their feet; I see him working upon the besetting sins of their hearts, and throwing many down. So that whether I look at the world, or whether I look at the church, I see on every hand the marked traces of this devastating conqueror; his course is tracked by blood and ruin; he is as mighty to destroy, as the Lord of life and glory is mighty to save.
When too I look into my own heart, and see how the citadel is attacked; when I see the snares and temptations that continually beset me; when I look back upon the path I have trodden, see the path I now tread, and look forward to the path before me, I see how Satan can take advantage of all the infirmities and corruptions of my fallen heart, and be indeed a “strong man” in all his ways and movements, and never so strong as when he least discovers his power.
The Lord, then, speaking of Satan holding and keeping possession of the human heart, describes him as the “strong man.” And who so strong as he? Man is as a worm before him; none but the almighty God is a match, and more than a match for him.
But it is said of him in the text, that he is “armed.” Not only is he strong in himself, but he has also armor of an impenetrable nature; and it is by virtue of this armor that he keeps possession of the heart.
But what are its separate pieces? Let us look at Satan’s inventory. Let us take a walk round the devil’s armory. I believe we shall see as many pieces of armor in it as ever were stored in the Tower of London.
1. Ignorance is a main piece of this armor. For what are we by nature but altogether ignorant of God, ignorant of ourselves, ignorant of truth, ignorant of salvation, ignorant of everything which it is for our peace to know? This ignorance Satan deepens, as the word of God describes, by blinding the eyes and hardening the heart—“In whom the god of this world has blinded the minds of those who believe not, lest the light of the glorious gospel of Christ, who is the image of God, should shine unto them.” (2 Cor. 4:4.) Satan blinds the eyes, and fosters the darkness and deep seated ignorance of the human heart. And by this ignorance of God, of his holy law, of his pure character, of his dread perfections, of his eternal wrath and vengeance, does the prince of darkness, brooding with baleful wings over the heart, keep possession of the citadel.
2. Unbelief is another piece of Satan’s armor; and by this he keeps strong possession of the palace. Unbelief is the very essence of our fallen nature; unbelief doubts every part and portion of God’s word; unbelief presents an impenetrable barrier against the entrance of truth; unbelief is the shield which, if grace does not prevent it, will quench every arrow of conviction.
3. Impenitency is another piece of this Satanic armor. The thorough inability of man to feel any sorrow for sin; the obduracy of his mind, which neither the promises of the gospel can soften, nor threatenings terrify; the hardness of heart whereby he stands firm against everything in God’s word which has a tendency to melt and overcome, is indeed one of the strongest and stoutest pieces of this infernal armory. By this obduracy does Satan rule and reign—by this he turns aside every weapon; and this he opposes to every threatening directed against the ungodly.
4. Enmity against God and godliness, that breath of the carnal mind, that essence of man’s fallen nature, that noisome savor which steams perpetually from his corrupt heart against divine things—enmity to God and his ways, enmity to Christ and his person, enmity to the truth in all its branches, enmity to that which humbles, breaks down, and lays low—this is another part of Satan’s armor whereby he keeps possession of the citadel.
5. Self-esteem and self-complacency, is another piece of this armor. Man has such lofty thoughts of himself, indulges in such vanity and self-exaltation, is so unwilling to see himself as God has described him, that he will stoutly deny God’s testimony against his state and condition as a fallen creature.
6. Pride—the very essence of Satan, the very element in which he lives, that which caused his downfall, and has become his ruling passion—by this piece of armor does Satan also keep possession of the citadel of the human heart. It is he who continually instils vain notions of man’s importance, who swells and puffs him up with arrogant opinions of his strength, wisdom, and righteousness. By acting upon this pride that dwells in man’s bosom, he teaches him to abhor that humbling gospel which the word of God sets forth.
By these and other pieces of armor, does “the strong man armed” keep possession of the citadel. He is armed at every point; he watches every outlet; wherever he sees a breach likely to be made, there he brings up his armor to maintain safe possession. The “strong man armed” keeps his palace in thousands and millions of the human race; and in this state thousands and millions descend into the chambers of death. There he reigns in all his infernal glory; there he rides triumphant over ruined millions; there he gluts his vengeance by feeding upon the blood and bones of countless myriads of victims; and there he appeases his hellish thirst, his enmity against God, by devouring whole nations at one morsel, and trampling down millions upon millions in the gulf of eternal woe.
But there is one feature which the Lord describes as distinctly marking the possession that Satan keeps of his palace—“His goods are in peace.” But what peace? False peace, miserable peace, a peace that is a prelude to eternal misery. This is the feature which the Lord has selected as characterizing and distinguishing the possession that Satan retains of the citadel of the human heart—“his goods are in peace.” No trouble of mind, no exercise of soul, no distress of conscience, no doubt nor fear, no terror nor alarm, no rolling upon the midnight bed, no conviction of sin, no sensations of guilt, no apprehensions of the wrath to come. But all with them is smooth and easy, a flowery meadow; and on they go, dancing down to the very chambers of death.
The Lord then puts his finger upon this mark, specially pointing out, that “his goods are in peace.” But what are his goods? The human heart, man’s soul, which he retains so firmly in his grasp, by barring out all convictions, by shutting out all light, by deepening the density of man’s native darkness, by stopping the ear against all sound of war, by closing the eye against the lightning flashes of God’s vengeance, and by buoying up the heart with empty hopes and vain confidence.
By these arts and arms does Satan maintain his prey; and thus this delusive peace, this deceitful calm, is the surest evidence of his still keeping firm possession.
But is he ever to reign? Is he ever thus to glut his hellish appetite with victims? Not in the Lord’s own family, those whom he has redeemed by blood. No; there shall be a few berries upon the top of the uppermost bough; there shall be a few whom the Lord has rescued from the jaws of the destroyer; and these comprehend all his blood-bought family, the sheep of his pasture, the flock of his hand, whom the Father gave to him, and for whom he laid down his precious life.
II. And this leads me to the second branch of our subject, which is to show the DISPOSSESSION of the strong man armed. “But when a stronger than he shall come upon him and overcome him, he takes from him all his armor wherein he trusted, and divides his spoils.” I need scarcely remark, that the “stronger than he” is the Lord of life and glory, the Prince of Peace, God’s co-equal, co-eternal Son. But in what sense is he stronger than Satan? None can doubt that God is stronger than the devil. But in what sense is he stronger than he? And how does he conquer him? Is it by coming upon “the strong man armed” in all the majesty of Godhead, displaying the lightning of his vengeance, and withering him into hell? He did not overcome him so. He conquered him in weakness; he bruised him upon the cross; he destroyed him by dying. And thus the “seed of the woman”—wonderful mystery of grace and love!—bruised the serpent’s head, though the serpent was allowed to bruise his heel.
But though he conquered Satan by the work of redemption upon the cross, though he there triumphed over principalities and powers, and having completely despoiled them, ascended to heaven leading them captive, chained to his chariot wheels, yet it is not to that part of the Lord’s work that the text spiritually alludes. It is to the work of grace upon the heart—the incoming of the Lord of life into the soul; for we read, “when a stronger than he shall come upon him.” Is not Satan firmly entrenched in the human heart? Is not that his palace about which he roams, and in looking at which, like Nebuchadnezzar of old, he takes infernal pleasure? Who then shall conquer this “strong man” in his very abode where he dwells, and where he has entrenched himself so firmly—his palace, up and down which he roams with infernal delight?
The “stronger than he” comes upon him at regeneration; when light and life shine into the heart; when the work of grace is begun by an almighty and invincible power; then he comes upon him as in a moment. Light and life suddenly flash into the soul—the harbinger and forerunner of the Son of God, the herald of his appearing. And when light and life come into the soul, it makes Satan quail and tremble. Nothing else can dispossess the “strong man.” Your vows and promises; your resolutions and attempts to make yourselves better; your turning over a new leaf; your renouncing this and that sin; these are but stubble and rotten wood against this leviathan. He laughs at all these attempts to dispossess him. He retains a firm hold until “a stronger than he” comes like a flash of lightning upon him, and overcomes him and binds him in a moment. He is bound, when light and life comes into the conscience out of the fullness of the covenant head.
It is thus that Jesus overcomes him; and not only so, but he “takes from him all his armor wherein he trusted.” He takes away those several pieces of armor whereby the “strong man armed” kept his palace in such firm security. He takes them away one by one, so that the soul can no longer trust in them. For instance, he removes,
1. Ignorance—that piece of armor which Satan once employed to fortify the citadel against all irruptions. When light shines into the conscience, that ignorance, that dense ignorance, is removed by the light of the Lord’s teaching. We see a holy God, in the light of divine manifestation. In the light of the Spirit’s teaching, we see the breadth and spirituality of God’s holy law. In the light of the Spirit’s in-shinings, we see the gulf of misery to which we are passing. We see the depth of the fall; by his quickening operations upon the conscience we feel the corruptions of our heart, and we flee from the wrath to come. And thus by the in-shinings of heavenly teaching—by the light that flows out of his fullness into the dark heart of a sinner, this piece of armor, ignorance, melts away like snow before the summer’s sun.
2. He removes unbelief, that other piece of armor which Satan was continually raising against every threatened assault. When he saw a sinner first trembling under conviction; when he was afraid the prey was about to elude his grasp; when he saw some movements which, to his keen and subtle eye, seemed like the first workings of grace upon the soul, how he strengthened this weak portion of the fortress! how immediately he held up the shield of unbelief against the threatened assault! Have we not experimentally found it so? When in times past, you sat under the truth, did the word ever fall with power into the conscience? When you read the experience of good men, did it ever sink into your heart? When we heard threatenings, did they ever alarm? When we heard promises, did they ever melt? No. There might have been some transitory movement; there might have been some excitement of fleshly feeling; there might have been some of Felix’s trembling, some of Herod’s repentance, some of Ahab’s sackcloth and ashes; but no real faith. Satan soon stopped up the crannies; the armor of unbelief was soon brought forth against the threatened assault; and the soul sank down again into all the thoughtlessness and carnality which possessed it before.
But when the work of grace is really begun, the Lord communicates faith to the soul. The word of God then falls with convincing power into the heart; an arrow from God’s quiver is shot into the conscience and the soul is brought to tremble at God’s word, to dread the Almighty frown, and to believe what God has declared in his unerring word of truth. And thus by the communication of a living principle of faith, the armor of unbelief is taken away. It is broken to pieces by the communication of that faith which springs up under the operations of the blessed Spirit upon the soul.
3. But there was hardness, also—obduracy, impenitency, the “heart of stone” which the Scriptures speak of. This was another part of Satan’s armor, whereby he kept his palace. Did he see any convictions beginning to arise? Did he watch any tears steal down the cheek? Did his ear catch any sigh or sob springing up out of the heart? Immediately he began to let up on the obduracy and impenitency of the heart; and very soon every tear was dried, every conviction appeased, every rising sigh quenched; and the world, and the things of time and sense, once more regained full possession of the thoughts.
But not so when the Lord set his hand to the work; not so when the Spirit of God began to carry on his almighty work with power in the soul. Then the promise was fulfilled, “I will take away the heart of stone, and give you a heart of flesh.” Obduracy, impenitence, and hardness—those icebergs that freeze up the human heart, as the icy mountains surround the pole—are dissolved under the beams of the Sun of Righteousness. Impenitence gives way when repentance is given by him who is exalted to bestow this gift. Stubbornness yields before the touch of the Redeemer’s hand; and that dreadful obduracy and hardness which once resisted every appeal from the lips of man, gave way immediately under an appeal from the Lord, when he spoke with his own lips, and dropped his own word into the conscience.
4. Enmity—that formidable piece of Satan’s armor; hatred to God and his Christ, to his Person, his blood, and his truth, hatred to his people—the breath of a sinner’s nature—the very element and essence of Satan’s being, is also taken away. It is removed by the implantation of the principle of love. Thus the heart is brought to love God by the love of God being shed abroad in the heart; to love Jesus, by some sweet manifestations of his mercy and grace; to love the people of God, because they belong to Christ, and bear his image; and to love the truth, because it makes them free.
5. He removes also pride, that stout piece of armor, that coat of mail, that breastplate, which once surrounded the heart with so firm a guard. This is taken away when the Lord shows a sinner what he is, when he reveals to him his base original; when he opens up to him the corruptions of his heart; when he takes him down into the depths of the fall. But, above all, when he gives him a discovery of himself in his atoning blood, in the depth of his humiliation, in his agonizing sufferings, in his dying love, and the depths to which he sank to raise him up—pride is then effectually taken away by that deep humility and self-loathing which the Lord thus graciously communicates.
6. Self-confidence—that piece of chain-armor which, girding his heart and loins, Satan once employed to lead him blinded and deluded on, fast hurrying him down the road to hell, is also removed, by the Lord showing him what a poor, tempted, tried creature he is; how unable to stand against Satan’s snares; how unable to deliver his own soul; how weak, how unable to stand, except upheld by almighty power, except supported by an omnipotent hand.
Thus the Lord, by his gracious operations upon the sinner’s heart, takes away that armor to which the strong man trusted; and, by his blessed teachings and testimonies, makes his people willing in the day of his power. He removes those obstacles which opposed themselves to his entrance, comes and takes possession of the heart, and thus forms himself in the soul, the hope of eternal glory. O what a blessed conquest is this!—not like the conquest of Satan, by violence, but by love! Christ reigns, not by darkness, but by light; he rules, not by enmity, but by love; he sways, not by unbelief, but by faith; he governs every faculty of the soul, as the Prince of Peace, the Lord of life and glory. He thus takes possession of the heart; and comes and enthrones himself in the citadel which Satan once kept possession of, guiding and governing every faculty of the soul to render cheerful obedience to him, as King of kings and Lord of lords.
But we also read, that “he divides his spoils.” There is something, to my mind, very singular and expressive in this. It would seem from these words, that Christ left Satan some, and took the other to himself. It is so. While we are in this valley of tears, while struggling with a body of sin and death, we shall still be subject to Satan’s interference, we shall still lie exposed to his snares and treachery. But the Lord divides the spoil. What then does he take as his portion? He has a right to all, but some he rejects; it is not worth his having; he will not soil his holy fingers by touching it; and therefore leaves to Satan what he will not take himself as the fruits of his own blood-stained victory.
1. He takes the understanding, which before was involved in darkness; and which Satan from time to time effectually blinded. The Lord, in taking his share of the spoils, claims the enlightened understanding; according to those words, “the eyes of your understanding being enlightened.” (Eph. 1:16.) He casts a holy light into the mind whereby truth is known to be truth, and error known to be error. He enlightens the understanding to see that he is God as well as man; and not only so, but the glorious God-Man. He enlightens the mind to see each blessed truth as it stands in God’s word. He enlightens the understanding to see which are the people of God, and which are not. He enlightens the understanding to see Satan’s delusions, temptations, and deceits. And thus a part of the spoils which he takes to himself is the enlightened understanding of a quickened soul.
2. He takes also the heart. His own language is, “My son, give me your heart.” (Prov. 23:26.) Here Satan formerly dwelt; this was the citadel, where he lived, and ruled, and reigned; this is his headquarters, where he obtained and maintained full and complete possession. But when he who is stronger than Satan overcame him and deprived him of his armor, he took to himself, as part of his own portion of the spoil, that heart which belongs to him, which is given up to him, in which he works, in which he rules and mysteriously dwells, “the hope of glory.”
3. But he takes also the conscience—that it may be an ever living witness for himself; that it may be tender in his fear; that it may feel the guilt of committed sin; that it may be sprinkled with atoning blood; that it may speak with his own voice, and bear its testimony against the insidious arts and arms of Satan. He not only takes but keeps possession of the conscience; for though it may be defiled with sin, it never relapses into the hands of Satan; never becomes dead as before; is never seared as with a hot iron; is never bribed or silenced; it tells no lies; but is an honest witness for the Lord against error, against evil, against the workings of sin, against Satan’s delusions, snares, and temptations.
4. He takes possession too of the affections. They were once under Satan’s power; they once flowed out unto the world; they once bowed down before the ash-heap gods; they once hewed out to themselves “cisterns, broken cisterns, that held no water.” But when the Lord manifests himself with power; when he discovers his grace; when he sheds abroad his love in the heart, he wins the affections, and takes them as his own; and when he has taken, he keeps firm possession of them.
5. But, above all, he takes the soul. It was for that he bled; it was for that he died; it is that which he redeemed, and which he will take to eternal glory.
So that, all the valuable part of man—man’s understanding, man’s heart, man’s conscience, man’s affections, and man’s soul; all that is precious; all that is valuable, being redeemed by blood, Jesus has as his division of the spoil, which he grasps with a fine hand, and claims as eternally his own.
But what does he leave to Satan? He shall have his share, such as it is. But I must premise it is with certain limits. There is a limit both as to time and power. It was but for a time that Job was so severely plagued; it was but for a season that Peter was so roughly sifted. Satan’s power was limited when the Lord said to him concerning Job, “Save his life;” and when Jesus said to Peter, “I have prayed for you that your faith fail not.”
1. Jesus takes to himself the soul; but often allows Satan to work upon the body. Was it not so in Job’s case? Satan “smote Job with sore boils from the sole of his foot to the crown of his head.” For eighteen years Satan bowed together the body of the woman who had a spirit of infirmity. (Luke 13:11-16.) Does not Satan also often act upon our nerves? Does he not often tempt by means of our senses? Does he not often work through the medium of the eye, the ear, the tongue, and the other members of our body? But be it ever borne in mind, that Satan can only do this as far as, and only when permitted. He is cast out, and cannot come in again. “Thus far shall you come and no further, and here shall your proud waves be stayed.”
2. He leaves him, to a certain extent, the imagination and fancy. How Satan can work upon our imagination! What trouble and alarm he can sometimes bring through that disordered faculty of the soul! What imaginary frights! what wicked scenes! what reveling enjoyments! what speculative sins can this infernal adversary of our soul bring before us by the medium of our imagination! Who, to his shame be it spoken, has not reveled in fancy in those sins which he has loathed at other times with thorough hatred? Who, though kept by the power of God from falling into actual evil, has not let his fancy run riot into imagery? It is because Satan is allowed to act upon our imagination.
3. He leaves him our lusts and corruptions—the old man of sin and death which we carry within us; our daily shame, if not our hourly mourning. Satan is allowed to work upon these, sometimes stirring up our lusts, sometimes working upon our temper, sometimes inflating our pride, sometimes exciting our rebellion, sometimes acting upon our peevishness, and sometimes presenting the golden idol for our covetousness to prostrate itself before. It is his very food and drink to work in this way upon the lusts and corruptions of our fallen and depraved nature.
But “dust shall be the serpent’s food.” Let him have it all; let him fill his infernal stomach with it; let him feed upon the sins of God people; let him stir up their lusts—the Lord has allowed him. But it is a mercy that although in dividing the spoil, the Lord allows this greedy dog a share, he keeps a strict watch over him; he is chained to his kennel; he must keep within tether. He may roar, he may rage; he may deceive, he may ensnare. But there is his limit. He cannot destroy. In the division of the spoils, he may, if allowed, glut himself with all this dust—it is the dog’s bone; but he will have one day to pay for it; he will have one day to howl in hell forever in misery and torment; and the aggravation of his misery will be, to see rescued from his grasp the soul and bodies of the redeemed. For the very body that Satan has worked upon, though laid in the dust, shall pass through that change whereby mortality will be swallowed up of life, and corruption put on incorruption, and be raised up a glorious body.
And then, rescued from Satan’s power, washed from all lust and corruption, all inward depravity, and the weakness and wickedness of our fallen nature, all left in the grave, in which our bones will turn to dust, they will be forever safe from Satan’s power and grasp. Thus when the Lord raises up the bodies of his saints, in the day of his appearing, there will be in them neither spot, nor blemish, nor any such thing; they will shine before the throne of the Lord God in beauty, majesty, and glory. And then the stronger than the strong man will fully assert his right, chain Satan down to hell with those chains he never can break, and be eternally glorified in those who believe.
Now in this congregation, however diversified their states may be in providence, however one may differ from another in outward circumstances, yet there are really but two classes—those in whom the strong man keeps his palace, and those in whom the strong man has been dispossessed. ‘But how are we to know them?’ it may be asked. Here is the mark that the Lord himself has given—“his goods are in peace.” Is it all peace with you? all ease? all quiet? no convictions? no doubts? no fears? no anxieties? no perplexities? no griefs? no sorrows? no cries? no lamentations? no bewailings? This is a fatal mark; for the Lord, by his own unerring lips, has declared, “When the strong man armed keeps his palace, his good are in peace.”
But perhaps this may be the language of some here—‘All your words pass me by. I am not going to be burdened by anything you may say.’ What is this but a clear indication that the strong man armed is keeping your heart? These arguments that pass through your mind, these thoughts that are revolving in your bosom, are the very pieces of armor that the strong man is now bringing forth to arm your conscience against the attack. And therefore, your very thoughts, which I can read, and the very arguments which I see you are making use of (I well know what they are) are a proof most clear, that “the strong man armed keeps his palace,” for “his goods are in peace.”
But there are those also, who have had a mighty revolution take place in them. The “stronger than he” has come upon Satan. And what has been the consequence? He has overcome him. He has dispossessed him, which they never could have effected themselves; and he has taken away the armor wherein he trusted. Your ignorance, your unbelief, your impenitence, your enmity, your pride, your carnality, your worldly-mindedness, your obduracy—all these pieces of armor have been taken away one by one. The Lord has humbled you, laid you low at his feet, put a sigh and a cry into your heart, and from time to time melted and dissolved your heart by the sweet beams of his dying love.
And yet what abounding evil you find in your heart! so much sin working in you, so much pride, so much infidelity, so much self-seeking, so much sensuality! But remember, the Lord divides the spoil, and it is because the Lord divides the spoil, that we feel this evil heart at times working, this unbelief at times rising, this infidelity at times mounting upwards, and all the lusts of our depraved nature manifesting themselves. Upon these Satan works; others he leaves in peace. Not so with those of you who are God’s children—he harasses you, he distresses you, he tempts you, he is continually seeking to ensnare you! But the Lord will never let that infernal adversary of your soul’s peace ever regain possession of you! Jesus therefore still keeps the understanding; that is still firm in God’s truth. He still keeps your heart; there are times and seasons when you really give it to him. He still keeps the conscience; he will not let it be silenced or seared; it still testifies in your bosom for the Lord, and against Satan. He still keeps your affections; though to your shame and sorrow, they are often stolen away, yet Jesus renews the tender breathings of your heart. And he keeps the soul; he holds it in his hand.
Then let Satan have the body; let him work upon that; let him act upon your nerves, inflame your lusts, stir up your corruptions, excite all the passions of your fallen nature. Even here he has his limit. Even here he is under restraint, and cannot go beyond his chain. When your body drops into the grave, you will be raised out of it a glorified body, without one spot, speck, or blemish in it—a fit habitation for the ransomed and glorified soul.
Now what evidence have you on which side of the line you stand? Are you under Satan’s power, or under the Lord’s power; a subject of the god of this world, or a subject of the only true God; one that belongs to Satan, or one that belongs to Jesus? I have shown you, as far as the Lord has enabled me, from Scripture and from experience, the different distinguishing marks of each. I must leave the application of it to God the Spirit, who works in his people “to will and to do of his own good pleasure.”