Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Het goede werk begonnen en voleindigd

Over uw gemeenschap aan het evangelie, van de eerste dag af tot nu toe. Vertrouwende dit zelf, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus. Filip. 1: 5, 6.

Het is nu ruim acht en twintig jaren geleden, dat ik voor de eerste maal in deze predikstoel mijn mond opende om het woord des levens te prediken, en bijna zesentwintig dat ik vast geplaatst werd als de leraar van deze gemeente; want destijds was deze gemeente nog niet gevestigd. In dit tijdsverloop, meer dan een vierde van een eeuw, heb ik grote veranderingen bijgewoond. Zij, die toen als wichtjes in de armen van hun moeders, of als kleine kinderen naar deze plaats kwamen, zijn nu tot mannen en vrouwen, vaders en moeders van huisgezinnen opgewassen, en zijn of bij ons gebleven, of hebben ons om onderscheiden oorzaken verlaten. De jongen zijn mannen, de mannen oud en grijs geworden, terwijl de ouden zijn heen gegaan, sommigen naar een eeuwige gelukzaligheid, sommigen tot eeuwige ellende. Ik zelf ben in uw dienst grijs geworden. Ik heb u het beste gedeelte mijns levens geschonken. Ik heb mijn kracht, beide naar lichaam en ziel, aan u besteed en u vrijwillig van beiden geschonken hetgeen de Heere aan mij goedgunstig verleend heeft.

En ofschoon de tijd met mij gehandeld heeft als met velen van Uw, door mij veel van mijn volharding en ijver beide van het lichaam en het verstand te ontnemen, zou ik nochtans voortgegaan zijn met onder u te arbeiden in woord en in leer, als ik in staat geweest was zulks te doen. Maar mijn gebrekkige gezondheid en de ziekteaanvallen, die ik op verschillende achtereenvolgende voorjaren gehad heb, die, zo niet bijzonder ernstig, gewoonlijk zeer langdurig en verzwakkend zijn geweest, waarschuwen mij dat ik niet kan voortgaan gelijk ik gedaan heb. Ik ben niet in staat om de voortdurende arbeid te dragen welke ik tot hiertoe getorst heb, of mij in het reizen bloot te stellen aan alle veranderingen van het weer in alle jaargetijden, gelijk ik zo vele jaren heb gedaan; en moest ik volharden, dan zou het mij waarschijnlijk in een gezondheidstoestand storten, waarvan geen herstel zijn zou.

Ik heb geen andere reden dan deze, om het mij toevertrouwde op te geven. Toen ik gezond was heb ik steeds elke verzoeking weerstaan, om u om tijdelijke redenen te verlaten, of over te gaan in wat men noemt, een uitgebreider en nuttiger werkkring; maar hetgeen ik niet gewillig zou hebben gedaan, daartoe gevoel ik mij nu door noodzakelijkheid gedrongen, en indien ik slechts beweldadigd word, om in de stap dien ik nu doe, de goede hand Gods op mij te zien in mij te leiden, zowel als Zijn uitgestrekte hand in mij te noodzaken, zal ik hopen om onderwerping aan Zijn heiligen raad en wil te gevoelen, hoe pijnlijk of beproevend ook voor het vlees. En ik hoop dat ook gij, mijn lieve vrienden en broeders, de wil van God en Zijn uitgestrekte hand mag opmerken in mijn verlaten van u, opdat ook gij verzoend mag worden met datgene, dat ongetwijfeld voor u zowel als voor mij een beproeving is.

De apostel gaat in dit hoofdstuk (Filip. 1), na de gewone groet en het gewone gebed om genade en vrede, voort om zijn dankbaarheid jegens God te betuigen voor de onderlinge gemeenschap en vereniging in het evangelie van Jezus Christus, die hij en de Filippische gemeente samen hadden genoten: “Ik dank mijn God, zo dikwijls als ik van Uw gedenk; ten allen tijde in mijn gebed, voor u allen met blijdschap het gebed doende, over uw gemeenschap aan het evangelie, van de eerste dag af tot nu toe” (Filip. 1: 3-5).

Hij gaat dan voort om zijn vertrouwen uit te drukken dat deze gemeenschap van het evangelie en hun delen in deze zegeningen niet zou versterven en teniet gaan, of zelfs door de dood worden opgelost, maar zou worden versterkt tot volmaking: “Vertrouwende dit zelf, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus” (Filip. 1: 6).

In het beproeven om, in zoverre ik het versta, de zin en bedoeling van de gezegenden Geest in de woorden van onze tekst te ontvouwen, zal ik trachten aan te tonen:

1. Ten eerste, wat dit goede werk is, van hetwelk de apostel spreekt.

II. Ten tweede, hoe God het aanvangt, voortzet, en voleindigt, of, gelijk de kanttekening der Engelse vertaling het heeft, voltooit.

III. Ten derde, dat dit voleindigen of voltooien daarvan is, tot op de dag van Jezus Christus.

IV. Ten vierde, de gronden van het vertrouwen door de apostel uitgedrukt, dat Hij, die een goed werk in hen had begonnen, dit gewis in hen zou voleindigen of voltooien.

I. Laat ons dan eerst trachten te onderzoeken, zo de Heere ons bekwaamt, wat een goed werk is, want dat is de grondslag van onze gehele tekst, want zo wij bij de aanvang struikelen, zullen wij ons aan de mogelijkheid blootstellen, om de zin en de bedoeling van de Heilige Geest geheel en al te missen.

1. Zie dan eerst op het woord werk. Het is iets meer dan een gedachte die vergaan kan zelfs in haar ontwikkeling; iets meer dan een woord, dat slechts een wegvliegende ademhaling is. Het is iets wezenlijks, vast en blijvends. Ziet wederom op de uitdrukking goed. Om een werk goed te maken, worden twee zaken vereist: er moet een goede grondstof zijn, en er moet een bekwaam werkman zijn. Hoe goed de werkman ook zij, zo kan hij uit een slechte grondstof geen goed werk vervaardigen.

De bekwaamste schrijnwerker zou niet in staat zijn een mahoniehouten tafel uit een plank van ordinair hout te vervaardigen, noch de grootste meester der kunst om de “bevlekte schoenen” der Gibeonieten (Joz. 9: 5) in de schone schoenen der prinsendochter te herscheppen (Hoogl. 7: l). De slechtheid der grondstof moet al de bekwaamheid van de kunstenaar teleurstellen. Maar er wordt een andere zaak vereist, kennen en bekwaamheid in. de werkman. Gij kunt goede grondstoffen – goud, zilver en edelgesteenten hebben; maar stel ze in handen van een slecht werkman, en zijn gebrek aan zorgvuldigheid, of ongenoegzame bekwaamheid zal de beste grondstof bederven en verknoeien. Maar zo gij zuivere, vaste, goede grondstof, en een vernuftig, bekwaam werkman hebt, dan bezit gij al de noodzakelijke vereisten voor een goed werk.

Past nu deze uitlegging en omschrijving toe, om ons onderwerp op te luisteren. Het goede werk” van onze tekst, is geen uitwendig goed werk, maar een inwendig goed werk, want er wordt over gesproken als het goede werk in ons, want de apostel zegt: “Hij die in u een goed werk begonnen heeft”. Dit goede werk in ons is het werk der genade; en dit is in nadruk een goed werk, want het is goed in zijn aanvang en het is goed in zijn einde, goed in zijn oorsprong en goed in zijn voortgang, goed voor de tijd, en goed voor de eeuwigheid.

Maar teneinde een goed werk te zijn moet het van God goedgekeurd zijn, want Hij is de Rechter, de enige ware, onfeilbare, en machthebbende Beoordelaar van goed en kwaad, en aldus ook van de goedheid of slechtheid van het werk. Het is niet wat gewoonlijk door menselijke goedkeuring aanbevolen of goed geschat wordt of van goed gehalte wat in de aardse weegschaal wordt gewogen. Teneinde als goed werk te worden geschat, moet het onder het oog doorgaan en goedgekeurd worden door het oordeel van de alziende en onfeilbare God.

2. Maar laat ons nu onze grondregels ter beslissing toepassen op het goede werk” van onze tekst. God zelf is, gelijk wij straks zullen zien, de werkmeester. In Hem heeft dus het goede werk, als de werkmeester, een zekere eigenschap van goedheid. Maar hoe is het met betrekking tot de grondstof? Is die eveneens goed? Is zij de werkmeester waardig? een geschikt ‘ voorwerp voor een volkomen reine, alwijze, almachtige hand? Indien God nu moest werken op onze verdorven natuur, de oude mens der zonde, dan zou de onwaarde der grondstof daadwerkelijk het werk verhinderen om een goed werk te zijn.

Ik betwist de macht Gods niet; maar de slechtheid der grondstof moet, gelijk ik heb aangetoond, de deugdelijkheid van het werk verminderen. God daarom, die de werkmeester is, want het moet of Hij zijn of wij, en indien wij, dan kon het werk niet goed zijn door de gebreken van de werkmeester – God, zeg ik, neemt de natuur van de oude Adam niet om te bewerken; maar Hij schept zelf, door Zijn Geest en genade, een nieuw hart en een nieuwe geest in ons; want gelijk “hetgeen uit het vlees geboren, is, vlees is,” zo is datgene “hetwelk uit de Geest geboren is, geest” (Joh. 111: 6).

“Doet aan de nieuwe mens,” zegt de apostel, die naar God,” dat is naar het beeld Gods (gelijk verklaard wordt Kol. 3: 10), geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid” (Efeze IV -. 24). Het is dan aan dit nieuwe hart, deze nieuwe geest, deze nieuwe mens der genade dat God arbeidt. De grondstof is dus goed, goed in zich zelf door een goddelijke schepping, en daarom rein en heilig, want zij is uit onvergankelijk zaad geboren en zondigt niet. Dit is het getuigenis van Johannes: “Een ieder die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren”.

Deze nieuwe natuur is uit God geboren” en “zondigt” daarom niet”. Het is niet onze oude natuur opgefrist, vernieuwd en gedwongen, maar een nieuwe natuur, een nieuw schepsel, of scheppingswerk, gelijk de apostel getuigt: indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel” – letterlijk, een nieuwe “schepping” (2 Kor. 5: 17). in zoverre dan de deugdelijkheid der grondstof. Nu aangaande de deugdelijkheid van de Werkmeester. Deze is niemand minder dan God zelf. “Hij die een goed werk begonnen heeft!’ Wie is deze machtige Hij, dan de Heere zelf? ik ben de Heere en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent; opdat men wete, van de opgang der zon en van de ondergang, dat er buiten Mij niets is. Ik ben de Heere en niemand meer.” (Jes. 45: 5, 6). Zie dan op de macht en de bekwaamheid van de Werkmeester. Alle macht komt God toe. Zijn naam is de Almachtige.

Hij is de Alvermogendheid zelf; en daarom kan niemand de bekwaamheid van de Werkmeester, om goed werk te vervaardigen, betwijfelen. En gelijk Hij alle macht in zichzelf heeft als de Alvermogende God, alzo bezit Hij ook alle wijsheid; want Hij is de alleen wijze God” (1 Tim. 1: 17). Als ik dus zulk een uitdrukking mag bezige, dan is Hij, zowel vernuftig als bekwaam, om goed werk te vervaardigen uit de diepten zijner oneindige wijsheid, zowel als uit de onbeperkte omvang van Zijn Alvermogende macht. Wie kan dan ontkennen dat dit een goed werk moet zijn? Als de eerste schepping, voordat de zonde dezelve verdorven had “goed”, ja zelfs “zeer goed” was, en alzo door God zelf verklaard was (Gen. 1: 25, 31); moet dan de nieuwe schepping niet goed, ja zelfs zeer goed zijn, als door dezelfde wijze, heilige en machtige hand gewrocht?

Maar nu kom ik meer tot bijzonderheden. Gij, wier zielen zijn levend gemaakt tot God, wenst te weten wat dit goede werk is in zijn wortel en zijn takken, in zijn verschillende punten en uitnemendheden, in zijn verschil van en meerderheid boven slecht werk, en hoedanig als het werk van de goede Werkmeester kan onderkend worden van al het slechte werk van slechte werklieden; gij wenst enige bewijzen in uw eigen boezem te vinden, of gij deelgenoten bent van dit goede werk. Ik moet u daarom een weinig in bijzonderheden tonen wat dit goede werk is, opdat gij uw ervaring mag vergelijken en enig vertroostend, bemoedigend getuigenis opzamelen, dat het in u gewrocht is.

3. Laat ons dan van het beginsel aanvangen, en er van het eerste af aan de hand van de Almachtige Werkmeester in naspeuren, want God zelf wordt in onze tekst gezegd het aan te vangen. Het is daarom alles van Zijn vrijmachtige genade, de vrucht van eeuwige keuze, van verkiezende liefde. Niemand kan ooit een goed werk aan zijn eigen hart aanvangen. Het zou, het kon geen goed werk zijn als het schepsel het begon. God zelf begint het daarom door Zijn vrijmachtige genade en almachtige kracht, opdat het goed zij van het begin, zuiver van het fondament af aan.

Maar wij kennen het beter aan zijn uitwerkselen dan uit zijn oorzaken. Wij kunnen het werk beter zien door er op te zien terwijl God het werkt, dan de wijze verstaan waarop Hij het te voorschijn brengt. Het is met het werk der genade gelijk het dikwijls met een schoon stuk werk is, bijvoorbeeld een porseleinen vaas of een marmeren beeld; wij kunnen de gevolgen van des werkmeesters bekwaamheid beter zien, dan wij de behandeling kunnen verstaan, die hij er aan wijdt om te vervaardigen wat wij bewonderen.

De Heere zelf zegt ons: “De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet van waar hij komt, en waar hij heengaat; alzo is een ieder, die uit de Geest geboren is” (Joh. 3: 8). En alzo spreekt Salomo: “Gelijk gij niet weet welke de weg des winds (des Geestes) zij, of hoedanig de beenderen zijn in de schoot van een zwangere vrouw, alzo weet gij het werk Gods niet, die het alles maakt” (Pred. 2: 5). Laat ons dan liever op de uitwerkselen zien dan op de oorzaak, en laat ons dezelve in behoorlijke orde beschouwen.

a. De eerste aanvang van dit goede werk is de bekering. Onze Heere zelf zei, toen Hij het evangelie predikte: “Het Koninkrijk Gods is nabij: bekeert u, en gelooft het evangelie”. Hij gelastte ook Zijn discipelen, te prediken “bekering en vergeving der zonden in Zijn naam onder alle volken, beginnende te Jeruzalem” (Luk. 24: 47). Overeenkomstig dan aan dit bevel was Petrus’ antwoord, toen diegenen die “verslagen werden in het hart” hem en de anderen apostelen vraagden, wat zij moesten doen, bekeert u, en een ieder van u worde gedoopt in de naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden” (Hand. 2: 38). En wederom: “Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren” (Hand. 3: 19).

De prediking der bekering lag als het eerste werk aan de grondslag van hun bediening zowel als aan die van hun gezegende Heere. En alzo betuigt ook Paulus “beide de joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus” (Hand. 20: 21). Er is, weliswaar, de valse, bedrieglijke, gehuichelde bekering van een Saul, een Achab, een Judas; maar alle ware, alle echte, alle zaligmakende bekering is het werk Gods; want het is “Hij die in ons werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen;” en daar Jezus “verhoogd is om te geven bekering”, zo vangt daarmee het werk der genade aan.

Maar wat wordt er door bekering bedoeld? Door “bekering” versta ik een overtuiging van onze zonden, als gepleegd tegen een heilig en rechtvaardig God, ontspruitende uit een verandering van het hart, vergezeld met een kennis van onze verloren, verdorven toestand, met het gewicht der eeuwige werkelijkheden op het geweten gelegd, en het indringen der veroordeling door een verbroken wet. Overtuiging, zuivere, echte overtuiging van zonde, moet altijd aan de wortel der levende godzaligheid liggen; want “die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn;” en Christus “is niet gekomen om te roepen rechtvaardigen maar zondaars tot bekering”. Een kennis dus van onze verloren, verdorven toestand moet altijd de aanvang van het werk der genade aan het hart zijn; en hoe dieper de bekering gaat, hoe helderder en meer openbaar zal het werk zijn.

b. Maar waar waarachtige bekering aanwezig is, en deze uit een verandering van het hart ontspruit, want de echte bekering geeft dit zowel te kennen als dat zij het in zich sluit, daar zal ook belijdenis van zonden zijn; want er bestaat geen echte bekering tenzij er een hartgrondige belijdenis zij. Deze twee gaan onafscheidelijk gepaard. Alhoewel het in David niet het eerste werk was, zo zien wij dit punt echter goed opgeluisterd, waar hij van zijn zonden overtuigd was. Een tijd lang koesterde hij zijn zonde in zijn boezem; maar toen Nathan tot hem kwam met het “gij bent die man”, en de overtuiging zijn hart beukte, beleed hij onmiddellijk: “ik heb tegen de Heere gezondigd”.

En hij deelt ons in Psalm 32 mee, hoe het met hem ging, totdat hij bekwaam was om zijn zonden te belijden. “Toen ik zweeg werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen de gehele dag. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogte. Mijn zonden maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de Heere;” – en wat volgde er toen? “Gij vergaaft de ongerechtigheid van mijn zonden.” Dus gaan bekering, schuldbelijdenis, en schuldvergeving gepaard, en volgen elkaar op. Waar bekering is daar is belijdenis; waar belijdenis bestaat daar is schuldvergeving; volgens die genadige belofte: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid” (1 Joh. 1: 9).

c. Als een noodwendig en onmisbaar gevolg van de ware bekering en hartgrondige schuldbelijdenis, zal er een verlaten van dezelve zijn. Zonder dit kan er geen geopenbaarde barmhartigheid bestaan, maar alles moet verrotting en dood zijn: “Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen” (Spreuk. 28: 13). Hoe krachtig is het getuigenis der Heilige Schrift hier tegen allen die hun zonden niet laten: indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt onder zijn tong, hij dat spaart en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt; zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal in het binnenste van hem zijn” (Job 20: 12-14). Zwaar mag de strijd zijn om boezemzonden over te geven en geliefkoosde lusten te kruisigen; maar toorn en schrik, schuld, vrees en ontzetting zullen elke ontdekten zondaar achtervolgen totdat hij alle bekende zonden verlaat, en zijn geziene en beleden onreinheid en dwaasheid vaarwel zegt.

d. Een vierde kenmerk van dit goede werk – want teneinde heldere beschouwingen te geven, moeten wij enigermate afscheiden wat werkelijk een is – een vierde kenmerk van dit goede werk is de inplanting der vrees Gods, welke daarom “het beginsel der wijsheid” wordt genoemd (Ps. 3: 10), en inderdaad een uitgelezen zegen des nieuwe verbonds is: “En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken” (Jer. 32: 40). Nu is het bezit van deze genade der goddelijke vrees, als “een fontein des levens, om te vlieden de strikken des doods,” welke geestelijke overtuigingen zeer onderscheiden zijn van natuurlijke overtuigingen, zoals geestelijke bekering van vleselijke bekering, en geestelijke schuldbelijdenis van blote mondbelijdenis. Deze fontein des levens werpt haar stralen op de inwendige genaden des Geestes, en brengt ze in levende werkzaamheid; en alzo geeft de vrees Gods, de ziel bevochtigende, echte bekering, ware schuldbelijdenis, en als een fontein des levens, een vlieden van de strikken des doods.

e. Hieraan verbonden is, om tot een ander punt over te gaan, een Geest der genade en der gebeden, welke God beloofd heeft over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem te zullen uitstorten (Zach. 12: 10). Dit is niet slechts een van de duidelijkste maar een van de allergezegendste kenmerken van het woord der genade in het hart; want het is door dit uitstorten van de geest der genade en der gebeden over ons, dat wij in staat gesteld worden, om ons hart voor God uit te storten, Zijn aangezicht te zoeken, Zijn heiligen naam aan te roepen, onze zonden te belijden, en barmhartigheid af te smeken. Wie kan de worstelingen beschrijven, die er in een levend gemaakte ziel plaats vinden – de zuchten, het roepen, de tranen, de noodkreten, de klaagliederen, de beden, die altijd een echt werk der genade vergezellen?

Gelijk ik de vrees Gods heb voorgesteld als een bijzonder bewijs, dat het werk der genade van alle nabootsingen onderscheidt, zo mag ik daarnevens de Geest van het gebed in het hart der gelovigen plaatsen. Wij vinden in de Schrift voorbeelden van diepgaande natuurlijke overtuigingen. Saul viel in zijn eigen zwaard; Achitofel ging naar huis en verhing zich; en Judas pleegde op dezelfde wijze zelfmoord. Er was in hen overtuiging van zonden, maar geen bekering ten leven; geen goddelijke droefheid, geen waar berouw; geen schuldbelijdenis voor God, en geen Geest der gebeden in hun boezem om de openbaring van genade. De wanhoop greep haar ellendige prooi aan, en onder haar stierven zij en gingen naar hun plaats.

Maar welke diepte van overtuiging, bekering, of schuldbelijdenis er in het hart van een kind Gods is, de Geest der genade en der gebeden vergezelt die altijd; en door de hulp van deze gezegenden Geest, die zijn zwakheden te hulp komt, in en met hem voorspraak doende met onuitsprekelijke verzuchtingen, stort hij zijn hart voor God uit; en zo dringen zijn gebeden, door de Geest Gods opgesteld zijnde, tot in de oren van de Heere Zebaoth.

f. Een ander gedeelte van dit goede werk is het geloof in de Heere Jezus Christus. Want geloof en bekering werden door de Heere en Zijn apostelen altijd samen gepredikt als aan elkaar verbonden. Alzo lezen wij dat onze Heere toen Hij Zijn bediening aanving Jn Galilea kwam, predikende het evangelie van het Koninkrijk Gods en zeggende: de tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u en gelooft in het evangelie” (Mark. 1: 14, 15). Paulus’ prediking bestond, gelijk ik tevoren zei, in deze twee hoofdpunten: “bekering tot God en geloof in de Heere Jezus Christus”.

Het geloof in de Heere Jezus is inderdaad zulk een uitnemend kenmerk en wezenstrek van een goed werk, dat zelfs de goedheid en de echtheid van het werk daarop schijnen te berusten; want als het “zonder geloof onmogelijk is Gode te behagen” (Hebr. 11: 6), als wij door het geloof gerechtvaardigd worden” (Rom. 5: l), als wij uit genade door het geloof zalig worden (Efeze 11: 8), als wij kinderen Gods worden door het geloof in Jezus Christus (Gal. 3: 26), als wij door het geloof staan, wandelen en strijden; als wij door het geloof in de Zoon van God leven; en in het geloof zullen moeten sterven, opdat wij het einde van onze geloofs verkrijgen mogen, namelijk de zaligheid van onze zielen, welk een gewichtig, welk een onmisbaar gedeelte van het goede werk moet dan het geloof zijn!

Want wat is alle overtuiging, en verlaten van de zonde, schuldbelijdenis, zoeken van des Heeren aangezicht en uitstorten van het hart voor Hem, zo er geen geloof in de Zoon van God is? Zonder geloof in Zijn Persoon en werk, in Zijn bloed en gerechtigheid, moeten wij eeuwig omkomen. Hoe beslissend is de Schrift hieromtrent: “Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden”. “Die de Zoon van God heeft, heeft het leven, en die de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.” Zonder geloof dus in de Zoon van God is er, en kan er geen zaligheid zijn.

Maar zijn wij bekwaam om dit geloof in ons eigen hart op te wekken? Neen, wij kunnen diepgaande en krachtige overtuigingen van zonde ondervinden; de eeuwige werkelijkheden kunnen met groot gewicht en kracht op ons gemoed liggen; wij kunnen onszelf in een verloren en wanhopende toestand zien en gevoelen; onder de last der schuld mogen wij onze zonden belijden voor het aangezicht van Hem tegen wie wij zo ontzettend overtreden hebben; wij mogen onszelf haten en van onszelf walgen in ons eigen oog, uit oorzaak van onze ongerechtigheden; maar wat is dat alles als wij het geloof in de Zoon van God missen? Waar is er verademing te vinden dan door het geloof in Zijn naam; en waar is er enige belofte van zaligheid behalve voor hen die geloven? Maar wat wij voor onszelf niet kunnen doen, dat kan God voor ons doen. Hij is de gever van deze allerkostbaarste genade; want het wordt verklaard Zijn uitdrukkelijke gave te zijn. uit genade bent gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u; het is Gods gave.”

“U is het geschonken niet alleen te geloven, maar ook te lijden om Zijnentwil1e” Jezus wordt “de overste Leidsman”, dat is, de aanvanger zowel als de voleindiger van het geloof genaamd. Alle geloof is daarom Gods uitdrukkelijke gave, door Zijn eigen goddelijke kracht in het hart gewerkt, en daar door Zijn eigen hemelse hand gehuisvest. Maar hoedanig wordt dit geloof geschonken? Door enige geestelijke en genadige ontdekking van de Zoon van God aan de ziel; door enige openbaring van de Persoon en het werk van Jezus als gepast voor onze verloren, hulpeloze toestand. Wanneer ik over een openbaring van Christus spreek, gelijk ik dikwijls doe, dan ijver ik niet voor enige verschijning. Dromen, stemmen, verschijnselen in de lucht, gezichten en klanken, kruisen in de lucht, en verschijnselen aan de legerstede, moet ik’ aan anderen overlaten. Ik geloof dat zij voor het merendeel het deel zijn van dwepers en geestdrijvers, want wij hebben die ook in de zichtbare kerk Gods, zowel Farizeeën en huichelaars, Arminianen en Antinomianen.

Ik wil niet ontkennen dat de Heere in sommige bijzondere gevallen door dezelve kan gewerkt hebben, gelijk in de gevallen van Augustinus en Kolonel Gardiner. Maar de algemeenheid van Gods volk en de gewone wijze der goddelijke bearbeiding nemende, dan is de openbaring van Christus aan de ziel een genadige inwendige ontdekking door de kracht des Geestes, Hem aan de ogen van het geloof openbarende. Er wordt niets door de lichamelijke zintuigen gezien of gehoord; en nochtans wordt Zijn heerlijke Persoon evenzeer gezien, en Zijn stem evenzeer gehoord, alsof oog en oor Zijn heerlijkheid aanschouwde en naar Zijn woorden luisterde. Het is geheel en al genade, geheel hemels en goddelijk, en daarom hebben de natuur, de zintuigen en de rede hier geen plaats in.

Het is een goddelijk in het hart voeren van de macht en de tegenwoordigheid, genade en heerlijkheid, liefde en bloed van Christus op een wijze, die gevoeld maar nimmer omschreven kan worden. Onder deze geestelijke bearbeidingen en invloeden – want het is het werk des Geestes om van de dingen van Christus te nemen en ze aan de ziel te openbaren; het is Zijn verbondsambt om van Jezus te getuigen – onder deze heilige invloeden, goddelijke zalvingen, en genadige bearbeidingen, wordt Christus aan het hart bekend gemaakt en aanschouwd, volgens Zijn eigen woord: “Wend u naar Mij toe (Zie op Mij, Engelse overzetting) en wordt behouden, alle gij einden der aarde”. Hij wordt daarom aanschouwd, geloofd, aangegrepen, en in het hart gebracht, alwaar Hij een allerhartelijkste en gezegendste ontvangst ondervindt; want Hij neemt Zijn zetel op de troon der genegenheden, en zwaait Zijn vredescepter over elke beweging der ziel.

g. Waar nu dit geloof in de Heere Jezus Christus is, daar zal ook als zijn metgezel, en als een deel van het goede werk zijn, wat de Schrift noemt een goede hoop door genade; en gewis, zo het een goede hoop door genade zal zijn, dan moet het een deel van het goede werk uitmaken. De Schrift spreekt er van als “een anker der ziel, vast en stevig, dat binnen het voorhangsel ingaat”. Zo het dus ingaat binnen het voorhangsel waar Christus nu is, stevig en vast Zijn heerlijke Persoon aangrijpende, gelijk het anker zich vastklemt in het zand of het gruis waarin het uitgeworpen is, moet ik geloof hebben voordat ik hoop kan bezitten.

Het geloof is haar vaste grond (Hebr. 11: 1) en de hoop verwacht slechts wat het geloof omhelst. Hier zien wij dus de noodzakelijkheid van het geloof tot de meedeling en onderhouding van een goede hoop. Hoe kan ik op de Heere hopen als ik niets van de Heere weet? Hoe kan mijn hoop in hetgeen achter het voorhangsel is, een anker van mijn ziel zijn, beide vast en zeker, om Jezus aan te grijpen, tenzij ik door het geloofsoog iets van de Persoon en het werk, de genade en heerlijkheid, het bloed en de gerechtigheid, de lieflijkheid en gepastheid van de verrezen Zoon van God aanschouwd heb?

En hoe zal mijn anker in een storm in staat zijn, om het vaartuig van mijn ziel vast te houden temidden van de verzoekingen, die het met schipbreuk bedreigen, tenzij het zich kan vastklemmen door hetgeen zij geproefd, getast en gevoeld heeft van het Woord des Levens, van hetgeen ik ontvangen heb van God door het geloof, en wat door de Heilige Geest in mij huisvest door de werking van het geloof in de Persoon en het werk van Gods dierbare Zoon?

h. Daarmee vergezeld gaande, en een gedeelte van dit goede werk is liefde. “Want die lief heeft is uit God geboren en kent God.” Wanneer Christus ooit door een goddelijke kracht aan het hart wordt geopenbaard, en de hoop als de medegenoot van het geloof ontspringt, dan zal de liefde beide vergezellen, want deze drie omstrengelen elkaar in liefelijke eenheid en wandelen in de allergezegendste overeenstemming. “En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de meeste van deze is de liefde.” De liefde moet dus altijd een uitnemend deel van het goede werk zijn; want waar geen liefde bestaat, daar is geen genade, geen hemelse geboorte, geen kennen van God de Vader of van Zijn Zoon Jezus Christus, geen bewijs dat wij uit de dood in het leven zijn overgegaan, omdat er geen liefde tot de broederen bestaat; want merk op, dat ik door liefde niet slechts liefde tot de Heere Jezus Christus bedoel, maar ook tot hen die Van Christus zijn.

Waar dan liefde bestaat tot Hem die geboren heeft, daar zal ook liefde zijn tot hen die uit Hem geboren zijn. Liefde tot het Hoofd zal liefde tot de leden verwekken; liefde tot de bruidegom zal gewis liefde tot de bruid vergewissen; en zo wij de Heere liefhebben zullen wij diegenen beminnen die de Heere kennen en de Heere liefhebben. Gij vindt daarom dat onze genadige Heere in de gelijkenis van de schapen en de bokken, als het onderscheidend kenmerk van zaligmakende genade, de liefde voorstelt zoals die niet aan Hemzelf in Zijn persoon bewezen was, maar aan de leden van Zijn geestelijk lichaam, alsof zij Zichzelf waren. “Voor zoveel gij zulks aan de minste van deze Mijn broederen gedaan hebt, hebt gij het aan Mij gedaan.” Dan klinkt van dezelfde lippen de uitnodiging: “komt, gij gezegende mijns Vaders, beërft het koninkrijk dat voor u bereid is van voor de grondlegging der wereld”.

i. Maar ik heb mijn beschrijving van het goede werk nog niet uitgeput. Behalve deze hoofdkenmerken welke ik reeds heb voorgesteld, zal er gehoorzaamheid zijn, die somwijlen genoemd wordt “de gehoorzaamheid van het evangelie”, waarvan soms wordt gesproken als de gehoorzaamheid van het geloof, of gehoorzaamheid der waarheid. En is dit niet een allergewichtigst kenmerk? Welke godsdienst die dien naam waardig is kan een mens bezitten als hij geen praktische gehoorzaamheid heeft ten gevolge gehad? Welk bewijs is er van een goed werk zo iemands leven, gedrag en wandel eveneens is als tevoren? Nu is de eerste daad der gehoorzaamheid om uit de wereld te komen: “Gaat uit het midden van hen, scheidt u af, en raakt het onreine niet aan”. Het is de eerste daad der gehoorzaamheid, en de eerste waaraan een belofte verbonden is. Abraham heeft zulks bewezen. Hij ging uit naar een land hetwelk hij niet kende.

De eerste onderscheidende wezenstrek was zijn roeping, was zijn gehoorzaamheid aan dezelve. En die roeping scheidde hem voor altijd van zijn eigen maagschap en van zijns vaders huis. Wederom is dit uitgaan uit de wereld verbonden met een zich aansluiten met, en een vastklemmen aan het volk Gods. Waarom verlaten wij de wereld? Omdat het een plaats en een volk is, waarmee wij niet langer vereniging of gemeenschap gevoelen. Wij gevoelen de waarheid en de kracht der woorden van de profeet: “Maakt u op, en gaat heen; want dit land zal de rustplaats niet zijn”. En waarom? “Omdat het verontreinigd is” (Micha 2: 10). Door de inplanting van een nieuw hart en een nieuwe geest, worden wij van de dingen des tijd en der zinnen gescheiden als onreine dingen, en van het gezelschap en de gemeenschap van degenen, die er zich aan toewijden, als onreine lieden. En zulks niet uit Farizeïsche hoogmoed, of een inbeelding van uitnemender heiligheid, maar uit de vrees Gods en een teer geweten. Met dit uitgaan en zich afzonderen van de wereld is er, alsof het instinctmatig en bijna ogenblikkelijk was, een uitgang der liefde en genegenheid tot de Gods familie.

Wij wisten nimmer tevoren dat God een familie had. Wij mochten lieden zien of gekend hebben, die zich rondom ons bewogen van een bijzondere aard, een zonderling soort van lieden, zoals er geen anderen zijn, die wij eerden of verachtten naar de wijze waarin wij opgevoed werden, en de natuurlijke geneigdheid van ons gemoed naar godsdienstigheid of ongeloof. Maar betreffende enige inwendige bevatting van de genade Gods in hen, of enige liefde of genegenheid tot de zin en de beeltenis van Christus in hen zichtbaar, konden wij, dat geestelijk verstand of gevoel zelf niet bezittende, niets van Christus in ons eigen hart kennende, van hetgeen wij in hen zagen niets zien, erkennen, of enige vereniging daarmee gevoelen. Maar dezelfde gezegende Geest die ons doopt in een kennis en bevinding van Christus, doopt ons in liefde en genegenheid jegens allen in wie wij de zin van Christus zien; en dit gaat noodwendig gepaard met een aankleven aan hen. Zie hoe het met Saulus van Tarsen was. Hij kwam aan de poort van Damascus als een brullende leeuw of bloeddorstige wolf, om Christus’ kleine kudde te vernielen.

Hij werd terneder geslagen door het uitnemend grote licht dat boven de helderheid der zon uitblonk, en gearresteerd door de woorden van de vervolgden Heere, die in het diepst zijner ziel doordrongen. De overtuiging grijpt zijn hart aan; drie dagen en drie nachten eet, noch drinkt, noch slaapt hij, zo doordrongen was hij door de pijlen des Almachtigen. Aan het einde van dien komt Ananias tot hem met een boodschap van de Heere; schuldvergeving en vrede bereikt zijn hart. Hij staat op en wordt gedoopt. En wat volgt er nu? “En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren” – dezelfde discipelen voor wie hij kwam om hen gebonden naar Jeruzalem te slepen. En wat verder? “En hij predikte terstond Christus in de synagoge, dat Hij de Zoon van God is” (Hand. 9: 18-20).

Dus verlaat hij op eenmaal al zijn bloeddorstige metgezellen, geeft alles over wat hij vroeger dierbaar schatte, sluit zich aan bij de verachte, gehate Gods familie onder welke hij blijft in leven en in sterven in de hechtste vereniging, en de warmste, tederste genegenheid. Zo vertrouwen wij dat het met ons geweest is. Gelijk de bruid hebben wij ons eigen volk en ons vaders huis verlaten en vergeten; want Jezus is onze Heere dien wij wensen te aanbidden, en Hem alleen (Psalm 45: 11, 12). Dus, waar een goed werk aanwezig is, zal het duidelijk als zodanig geopenbaard worden door een volkomen en algemene afzondering van de wereld, en zich aansluiten aan, en wandelen in liefde en eensgezindheid met de dierbare Gods familie, hen als de uitnemende der aarde schattende, ons lot met hen delende, als hebbende hetzelfde geloof, dezelfde hoop, dezelfde Heere, dezelfde God en Vader van allen die daar is boven allen, en door allen, en in allen (Efeze 4: 4-6).

Zodanig is het bij mij het geval geweest. Ik dacht er nimmer aan, mijn lot met de heiligen Gods te delen, totdat ik door een Goddelijke kracht bewerkt werd. Ik wist zelfs niet dat er zulk een bijzonder volk bestond; want ik werd opgevoed in volslagen onkunde aangaande geestelijken godsdienst, of dat de Heere heiligen op aarde heeft. Ik had andere beschouwingen, andere vooruitzichten, andere verwachtingen, en zou, zonder Gods wederhoudende genade, zeer wel bevredigd geweest zijn met een deel in dit leven, met ternauwernood één gedachte aan de eeuwigheid. Ik werd niet door noodzakelijkheid gedwongen om de wereld te verlaten, of mijn aardse vooruitzichten door wangedrag op te geven, alsof ik er willens of onwillens uitgestoten werd; maar ik werd, gelijk ik hoop, door goddelijke invloed geleid om er uit te komen, om mijn lot te delen met de arme, verachte heiligen Gods, toen ik er, tot mijn groot voordeel kon ingebleven zijn. En mag ik er niet bijvoegen dat, zonder dat die alles vermogende invloed mij uit de wereld riep, en mijn hart en genegenheden op de Heere en Zijn volk vestigde, gij nimmer mijn stem in deze plaats zoudt gehoord hebben?

Maar dezelfde kracht, die ons uit de wereld voert en ons met de lieve Gods familie verenigt, leidt ook tot alle andere geestelijke en praktische gehoorzaamheid. Als de liefde van Christus ons dringt, worden wij geleid tot de bijwoning der inzettingen van Zijn huis; tot het godzalig, oprecht, en waardig leven voor God en mensen, de kerk en de wereld; om overeenkomstig onze middelen bij te dragen in de tijdelijke behoeften der Gods familie, om te wijken van alles dat onbetamelijk is in woord en daad naar het Evangelie; en te leven of te streven, om te leven ter ere en tot de heerlijkheid Gods.

II. Maar laat ons nu overgaan tot de beschouwing van ons tweede punt, hoe dit goede werk wordt begonnen, voortgezet en voleindigd.

1. Ik zal hierover niet zeer lang uitweiden, ten minste niet over het eerste gedeelte van het goede werk; want dat hebben wij reeds gezien, en ik heb genoegzaam aangetoond, dat niets minder dan vrijmachtige genade het kon beginnen. Wij behoeven inderdaad op dit punt niet verder te gaan dan tot de getuigenis van ons eigen geweten, hetwelk luid in onze boezem behoort te spreken als het daar een stem heeft. Als iemand onder mijn gehoor wilde beweren dat hij het werk der genade aan zijn eigen hart was begonnen, dat hij tot God bekeerd was door de oefening van zijn eigen vrije wil, en geloof en bekering in zichzelf opgewekt had, zou ik onmiddellijk gevoelen en verklaren dat zo iemand, zelfs van de aanvang, van het werk der genade ten enenmale onkundig was; want ik ben zeker dat het algemene gevoel en de belijdenis van al de onderwerpen van wederbarende genade is, dat God, en niemand anders dan God dat werk in hun hart aanving.

Daarom hebt gij, behalve het getuigenis der Schrift, dat op dit punt zo duidelijk en beslissend is, ook het getuigenis van uw eigen geweten; en in de mond van deze twee getuigen is deze waarheid vastgesteld. Waren uw gedachten niet op iets anders gevestigd dan op de Heere, zocht gij niet iets anders dan Zijn barmhartigheid, toen het Hem behaagde op een vrijmachtige wijze met goddelijke kracht aan uw hart te arbeiden? Alzo is één beweging van uw hand, één ademhaling van Uw lippen, in staat om al de spinnenwebben van de vrije wil weg te vagen.

2. Maar dezelfde God die begon zet ook voort. Alhoewel niet uitgedrukt, wordt dit in onze tekst te kennen gegeven; want als God begint en voleindigt kan het midden niet worden weggelaten. Maar als dat midden voor ons te verrichten was overgelaten, zou het noch met het begin noch met het einde, fundament noch uiterste hoeksteen samen stemmen, die beiden in genade gelegd zijn (Zach. 4: 7-9); evenmin zou het geheel een “goed werk kunnen genoemd worden als het op de helft door slechte handen en slechte bouwstoffen bedorven was.

Maar wij gevoelen ons inwendig overtuigd, dat wij niet meer kracht hebben om het goede werk voort te zetten dan wij kracht hadden om het te beginnen; en dat, zo het in onze handen overgelaten was, het gelijk Jeruzalem vanouds, woest zou liggen, zodat het zwijn uit het woud het zou uitwroeten en het wild des velds het afweiden (Neh. 2: 17; Psalm 80: 14). Maar dit is de onuitsprekelijke genade voor degenen die een oordeel bezitten in deze goddelijke werkelijkheden, dat Hij die het begonnen heeft het voortzet; want Hij heeft gezegd: “Ik zal u niet begeven noch verlaten;” en David kon met zalig vertrouwen spreken: “De Heere zal het voor mij voleinden” (Psalm 138: 8).

a. Maar hoedanig zet de Heere dit goede werk voort? Hoofdzakelijk met en door Zijn woord, en vooral door wat de Schrift noemt “het woord Zijner genade”, hetwelk ik thans meer volledig hoop te ontvouwen. Het is dan hoofdzakelijk door het woord Zijner genade dat God het begonnen werk voortzet. Hij heeft daarom als een afdeling van dit woord der genade, het gepredikte Evangelie bestemd als een middel tot opbouwing van Zijn volk in hun allerheiligst geloof. Dit wordt duidelijk in Efeze IV blootgelegd, waar de apostel ons onderricht aangaande de aard en de strekking van deze geestelijke gave welke de Heere aan de kinderen der mensen schonk toen Hij naar de hemel voer.

“Hij heeft sommigen gegeven tot apostelen en sommigen tot profeten; en sommigen tot evangelisten; en sommigen tot herders en leraars; tot volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus.” Hier zien wij het doel van de instelling van een evangeliebediening; hetzij zij predikanten, apostelen, of profeten, of evangelisten, of herders en leraars zijn, het is tot volmaking der heiligen – dat is, om hen stevig in de waarheid te funderen; om het algemene werk der bediening van het roepen, vertroosten, onderrichten en bestraffen voort te zetten; en om het lichaam van Christus te stichten of op te bouwen, zowel door het toebrengen van nieuwe levende stenen aan de geestelijke tempel als om de persoonlijke heiligen op te bouwen in geloof en liefde.

Door “het woord der genade” kunnen wij ook het woord verstaan als in de afzondering gelezen en bepeinsd en aan het hart toegepast. Want wij worden geboden om de Schrift te onderzoeken (Joh. 5: 39); en aan te houden in het lezen, en in het bedenken (1 Tim. 4: 13, 15). Wij lezen ook, “alle Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust” (2 Tim. 3: 16, 17). Dus is het door het woord Zijner genade als gelezen en overdacht, en leven en geest gemaakt in het verborgen, of aan de ziel toegepast in het openbaar onder de bediening van het evangelie, dat God het begonnen genadewerk voortzet.

b. Maar opdat wij het Woord Zijner genade geestelijk mogen verstaan, en zaligmakend geloven, en alzo bevinden dat “al wat tevoren geschreven is, tot onze lering is geschreven; opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop zouden hebben” (Rom. 15: 4), is het voor het merendeel door een pad der verdrukking dat God het goede werk voortzet. Zijn eigen getuigenis is, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk Gods; en omdat dit koninkrijk binnen in ons (Luk. 17: 21), en een geestelijk koninkrijk is, als zijnde “gerechtigheid en vrede, en blijdschap in de Heilige Geest” (Rom. 14: 17), moet elk deel van dit koninkrijk door verdrukking worden ingebracht.

Dus, alhoewel God het woord der waarheid gebruikt om het begonnen werk voort te zetten, zo is het echter het woord der waarheid als aan ons verstand geopenbaard en aan ons hart toegepast in een toestand van verdrukking. Opdat het koninkrijk der hemelen het onze mag zijn, moeten wij “arm van geest zijn”, want zij zijn er de kinderen en erfgenamen van (Matth. 5: 3). Op hen ziet God neer en bij hen woont Hij (Jes. 57: 15; 66: 2). Maar het is door vele verdrukkingen dat zij zo worden. Door verdrukkingen dan van lichaam of ziel; door zware en pijnlijke beproevingen; door droevige berovingen; door heftige verzoekingen; door aanvallen van zonde en satan, door ontdekkingen van onze eigen verdorven natuur, om ons diep in het stof te vernederen, en, in één woord, door de onderscheiden paden der verdrukking, waarin de Heere Zijn volk leidt, zet Hij het begonnen werk genadig en echter geheimzinnig voort.

Het moet noodwendig zo zijn. Het volk des Heeren is een arm en verdrukt volk, en elk lid moet gelijkvormig gemaakt worden aan het lijdend beeld van een lijdend Hoofd. Maar hoeveel en velerlei zijn de bronnen des lijdens en de paden der verdrukking. Wij dragen een lichaam der zonde en des doods met ons om, als onze grootste kwelling en smartelijkste overlast. Onze arme, zwakke lichamen, uit het stof der aarde geschapen, om er spoedig in weer te keren, zijn blootgesteld aan de aanvallen van alle soorten van ziekten en krankheden; wij leven in een wereld die Christus en Zijn volk haat; de vijand, de gezworen tegenstander tegen God en de mens, is altijd op de wacht, altijd zoekende om door verraad te verstrikken of door geweld aan te vallen. Behoeven wij ons dan te verwonderen over het aantal en de verscheidenheid der verdrukkingen en droefheden, die Gods volk te beurt vallen en door welke Hij het begonnen werk voortzet?

Zonder deze verdrukkingen en beproevingen, en de bestrijdingen des gemoeds welke zij teweeg brengen, zouden wij denken dat wij enige kracht van onszelf hadden om het goede werk voort te zetten; maar deze verdrukkingen slaan al zulke wapenen uit onze handen, en wij zijn verblijd om aan zulke punten en Schriftuurplaatsen te komen als deze: “Ik zal werken en wie zal het keren?” (Jes. 43: 7); “Stilzitten zal hun sterkte zijn (Jes. 30: 7); “Doch nu” Heere! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij bent onze pottenbakker, en wij allen zijn Van Uw handen werk” (Jes. 64: 8). Hier dan ontmoet ons het woord in het pad der verdrukking en wordt liefelijk en dierbaar gemaakt voor beproefde en verdrukte zielen, en zet dus werktuigelijk het werk voort.

Hoe liefelijk, bijvoorbeeld, is de belofte wanneer de ziel door druk gebracht wordt in een toestand, om de hulp te behoeven welke zij geeft, en de ondersteuning welke zij verschaft; hoe passend zijn de vertroostingen van het evangelie voor een tijd van druk; hoe gepast de uitredding in een tijd van dienstbaarheid; hoe gezegend de vrijheid die door het Evangelie verkondigd wordt als men in gevangenschap gevoerd is; en hoe genadig het licht voor de ziel die in donkerheid wandelt. Dus zien wij dat, ofschoon het woord van Gods genade licht en leven, genade en kracht, vrijheid en liefde meebrengt, die dan alleen zodanig is, als het tot de kracht Gods gemaakt wordt in tijden van beproeving en verdrukking.

3. Maar dit werk moet niet slechts voortgezet worden, het moet worden voleindigd. Ook zal deszelfs schoonheid, zegenrijkheid en volmaaktheid niet ten volle en duidelijk gekend worden voordat het voltooid is. Dit voleindigen is een vereiste tot de goedheid van het werk; want het is in de genade, gelijk als in de natuur. Voordat het werk voltooid is kunnen wij niet zien wat in enig groot of edel gebouw, bijvoorbeeld een koninklijk paleis, de tekening van de architect is. In deszelfs ruwe, lompe, onvoltooide toestand kan de schoonheid der bouworde, de verhouding van elk gedeelte, en de pracht van het geheel niet worden gezien. Maar voltooid zijnde, staat het in al haar schoonheid en pracht, als een gepast verblijf voor een vorst. Hetzelfde is waar van elk ander kunstwerk, zoals een tekening, een standbeeld, een graveersel. Voordat het voleindigd is kan deszelfs schoonheid niet gezien worden.

Wij kunnen daarom over de schoonheid van dit goede werk, het werk der genade, niet oordelen terwijl wij het in haren tegenwoordige onvolmaakte toestand aanschouwen. Het wordt voortgezet, doch is niet voleindigd. Maar het moet voleindigd worden, moet volmaakt worden, gelijk zulks was niet de herbouwden tempel, na de terugkering van de ballingschap, van welke de grondslag door de handen van Zerubbabel gelegd werd. Wij lezen dat de Heere “ijverde over Jeruzalem en over Zion met een groten ijver”. Daarom zei Hij: “Ik ben tot Jeruzalem weergekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt de Heere der heirscharen” (Zach. 1: 14-16).

Hij gaf toen deze belofte: “De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn e handen zullen het ook voleinden”. Noch de jaloersheid, noch de ontfermingen des Heeren wilden hem toelaten de tempel in puin te laten liggen, of dat Zijn knecht Zerubbabel niet zou voleindigen wat hij begonnen had. Hij verklaarde daarom: niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de Heere der heirscharen. Wie bent gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal de hoofdsteen voortbrengen, met toeroepingen: Genade, genade zij dezelve!” (Zach. 4: 6, 7). Zo zal het zijn met de tempel der genade. Hij die het goede werk begonnen heeft, zal het gewis voleindigen.

III. Maar wanneer? Op de dag van Christus, ons derde punt: “Vertrouwende dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus” (Filip. 1: 6). Het is “tot op” of tot aan “de dag van Jezus Christus” dat dit werk voleindigd zal worden.

1. Door de dag van Christus versta ik drie dingen.

a. Ik versta er ten eerste door: de dag waarop Christus aan de ziel is geopenbaard. Wij vinden dikwijls van een bijzondere dag in de profeten vermeld, welke soms “de dag des Heeren” en soms korter “die dag” wordt genoemd. Nu is algemeen gesproken “de dag des Heeren” of “die dag” verbonden met een grote verlossing, enige openbaring van des Heeren macht, of enige ontdekking van Zijn zaligheid; gelijk waar wij lezen: “En te dien zelfden dag zult gij zeggen: Ik dank U, Heere! dat Gij toornig op mij geweest zijt; maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij. Zie God is mijn heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen: want de Heere Heere is mijn sterkte en mijn psalm, en Hij is mij tot heil geworden” (Jes. 12: 1, 2).

Wanneer nu Christus door de kracht Gods aan de ziel is geopenbaard, is het in een bijzondere zin “de dag des Heeren” of “de dag van Jezus Christus”, want het is een dag der dagen, een dag welke Hij voor zichzelf gemaakt heeft – een dag waarin Hij op bijzondere wijze Zijn genade groot maakt, Zijn schoonheid ontdekt, en Zijn heerlijkheid vertoont. Wij mogen daarom zeggen dat het in een zekere zin de voleinding van het goede werk is; want het is een voltooiing van, en antwoord op het gebed, de tranen, smekingen, behoeften, wensen en begeerten van de levendgemaakte ziel, waarin het goede werk is aangevangen. Christus aan het hart geopenbaard te hebben met een duidelijke getuigenis van aandeel in Zijn bloed en gerechtigheid, is voor het gevoel der ziel een vervulling der allervurigste begeerten. En dus is er in dien zin een voleindiging van het werk, een tenuitvoerbrenging en verrichten daarvan, tot op deze dag van Christus.

b. Maar er is een andere zin van het woord, welke ik geloof dat wij goed kunnen bijbrengen. Christus moet ons alles in allen worden gemaakt; en dit wordt, gewoonlijk sprekende, niet gedaan in de eerste dagen van onze belijdenis. Wij moeten daadwerkelijk ontbloot worden van al onze eigen wijsheid, kracht en gerechtigheid, opdat Christus bevindelijk en gevoelig ons alles in allen mag zijn; opdat wij niemand behalve Christus en niets dan Christus mogen hebben, zodat alles wat wij zijn en hebben in Christus en door Christus en Hem alleen zijn mogen.

Maar o welk een ontkleding behoeven wij, om de vodden van eigengerechtigheid af te rukken, die ons zo nauw aankleven; welk een zware arbeid om ons te ontbloten van al onze eigen kracht, en ons te ontledigen van onze eigen wijsheid. Welke achtervolgende ontdekkingen van onze ellendige en jammerlijke onbekwaamheid wordt er vereist, om ons te vernederen tot die plaats van gevoelde hulpeloosheid en algehele verderving, waarin Christus ons alles in allen wordt. Wanneer nu Christus alzo ons alles in allen gemaakt is, na wellicht menig langdurig tijdstip van worsteling met een lichaam der zonde en des doods, met een last van schuld en schande, veroordeling en zelfverwijt; na wellicht jaren lang bestreden te zijn met heftige verzoekingen en vele smartelijke verdrukkingen, – wanneer wij zo ophouden met iets te zijn en iets te hebben, en door enige helderder en klaarder ontdekkingen van Zijn heerlijke persoon en werk, Christus ons alles in allen wordt, dan is dit een voortzetten en voleindigen van het goede werk tot op de dag van Christus.

Want het is een goed werk ons tot Christus te brengen; en Christus alles voor ons te maken wat onze zielen kunnen verlangen is het goede werk volbrengen, en zo mogelijk, het nog beter maken, door er Gods eigen kroon op te zetten en de hoofdsteen van Zijn liefde en goedertierenheid voort te brengen, met toeroepingen: “Genade, genade zij denzelven”. En gewis moet dit waarlijk en nadrukkelijk “de dag van Jezus Christus” zijn, wanneer Hij zo boven alles verhoogd is: “En de hoogheid des mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de Heere alleen zal in dien dag verheven zijn” (Jes. 11: 17).

c. Maar er is een derde zin, een die vooral de bedoeling van de Heilige Geest in de tekst schijnt te zijn – de dag van Christus’ verschijning, wanneer Hij andermaal zal wederkomen zonder zonde tot zaligheid. Van deze wederkomst van de Heere Jezus Christus in de heerlijkheid des Vaders wordt in het Nieuwe Testament veel gesproken, en maakte een belangrijk gedeelte der prediking van al de apostelen uit. Van deze wederkomst wordt dikwijls gesproken als “,de dag van Christus”: Zo schrijft Paulus aan de Corinthiërs: “Verwachtende de openbaring van onze Heere Jezus Christus, welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heere Jezus Christus” (1 Kor. 1: 7, 8). Zo spreekt de apostel op een andere plaats van “oprecht te zijn, en zonder aanstoot te geven, tot de dag van Christus,” en van zijn hoop “tot een roem tegen de dag van Christus, dat hij niet tevergeefs had gelopen, noch tevergeefs gearbeid” (Filip. 1: 10; 11: 16).

Nu zal het goede werk in de harten der heiligen Gods nooit in zijn volkomenheid en heerlijkheid uitblinken tot op deze dag van Christus, want als al de voorhangsels en deksels der sterfelijkheid afgevallen zijn, zal het werk Gods in al zijn schoonheid voortblinken. Wanneer een standbeeld, voor enig buitengewoon persoon opgericht, moet worden onthuld, en voor de openbare beschouwing blootgesteld, dan wordt het dicht besloten gehouden tot op de bepaalde dag, en dan, wanneer al de toebereidselen voor die gelegenheid voltooid zijn, wordt het plotseling onthuld, en in een ogenblik in al zijn schoonheid tentoongespreid. Niemand kon deszelfs bevalligheid zien voordat het omkleedsel was weggenomen; maar nu kunnen allen de uitstekende verhoudingen en de getrouwheid van de houding en gelijkenis bewonderen.

Wat het standbeeld was toen het overdekt was, zulks is het nu met de heiligen van God. God werkt door Zijn Geest en genade in hun zielen een heerlijk en echter een verborgen en onzichtbaar werk, maar nu omwonden met een lichaam der zonde en des doods. Maar welk een heerlijkheid zal aanschouwd worden op dien dag wanneer Christus zal geopenbaard worden; wanneer Hij zal komen met al zijn heiligen; wanneer de lichamen der rustende heiligen uit het stof zullen worden opgewekt en met hun zielen herenigd worden, volmaakt geheiligd zijnde, en die levend overgebleven zijn in een punt des tijd veranderd worden, zonder de dood door te gaan – in dien dag van Christus de heiligen Gods omringende.

Welke verheerlijkte zielen, gereinigd van elke smet en vlek der zonde, en welke hemelse, geestelijke, en onsterfelijke lichamen zal elkeen met al zijn krachten verenigen om de God van hun heil te loven. Dit zal inderdaad “de dag van Christus” zijn, wanneer Hij het koninkrijk voor Zichzelf zal aannemen en heerlijk voor Zijn ouden zal heersen; wanneer Zijn volk naar de oude belofte, zo rein en zo talrijk zal uitblinken als de dauw in de morgen; wanneer de gemeente zal voortkomen als de bruid voor haren man toebereid, en in alle eeuwigheid zal heersen met Hem.

IV. Ik ga nu over tot mijn vierde hoofdpunt, het vertrouwen van de apostel dat God dit alles doen zal.

1. Zijn vertrouwen steunde op twee gronden: 1e algemene; 2e. bijzondere.

a. Het rustte ten eerste op de algemene grond van Gods getrouwheid – dat Hij getrouw aan Zijn woord en Zijn eed zou zijn, die door een eeuwig verbond was opgericht en betekend. Dit verbond is “in alle dingen wel verordineerd en zeker”, en bevat een bijzondere belofte die daarin aan de Zoon Zijner liefde gedaan wordt: “Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal ik niet veranderen. Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo ik aan David lieg! Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en Zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon” (Psalm 89: 35-37).

Overeenkomstig de strekking van deze belofte in het eeuwig verbond, kan niemand der uitverkorenen ooit omkomen, of anders zou het zaad van de geestelijken David niet in eeuwigheid zijn. Maar behoeven wij enig ander getuigenis dan des Heeren eigen verklaring? “Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij; en Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken” (Joh. 10: 27, 28). Maar ik behoef niet langer stil te staan op een punt dat zo vast en helder is.

b. Ik zal daarom overgaan tot de bijzondere grond van vertrouwen in het geval van de gemeente te Filippi, als een deel uitmakende van onze tekst: “Ik dank mijn God, zo dikwijls als ik van Uw gedenk, altijd in mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende, over uw gemeenschap aan het evangelie van de eerste dag af tot nu toe.” Dus zien wij dat het hun gemeenschap met hem aan het evangelie was, die hem een zeker vertrouwen te hun behoeve gaf, dat Hij, die een goed werk begon, dat ook voleindigen zou tot op de dag van Jezus Christus. Maar laat mij met enkele woorden verklaren wat door “de gemeenschap aan het evangelie” bedoeld wordt.

Het bedoelt een onderling delen in de zegeningen, in de genade en in de kracht van het evangelie, hun harten samen snoerende in vereniging en gemeenschap van de Heilige Geest. Hij had vereniging en gemeenschap met hen gevoeld; zij hadden vereniging en gemeenschap met hem genoten; en dit was de grond van zijn vertrouwen, dat Hij die een goed werk in hen begonnen had, hetwelk hij wist dat het geval was door zijn uitgangen tot hen, dit ook zou voleindigen tot op de dag van Christus, wanneer zij en hij samen zouden verheerlijkt worden.

Mag ik nu niet enigermate deze zaak zeggen van diegenen van Uw in de kerk en gemeente, in wie er enig echt bewijs aanwezig is dat het goede werk is aangevangen? Hebben wij niet enige onderlinge gemeenschap van het evangelie gesmaakt? Is dit niet de grond, de zuivere grond van onze liefde en vereniging met elkaar geweest? Hebben wij binnen deze muren niet iets van de kracht van het evangelie gesmaakt en gekend? Heeft het van mijn lippen niet somwijlen uw harten bereikt, en is het dan niet de kracht Gods tot uw zaligheid gemaakt? Als ik binnen deze muren aan mijn eigen ziel de kracht van het evangelie heb gevoeld, gelijk ik hoop, en gij de kracht van het evangelie aan uw eigen ziel hebt gevoeld gedurende mijn bediening, dan heeft dat ons gemeenschap gegeven, dat heeft ons in het evangelie verbonden, en ons deelgenoten gemaakt van de zegeningen van het evangelie, de vertroostingen van het evangelie, de hoop van het evangelie, en de vruchten van het evangelie.

Wij kunnen elkaar uit verschillende beweegredenen achten of beminnen, en voor sommigen kan ik geweest zijn als een lied der minnen, als een die schoon van stem is, of die wel speelt” (Ezech. 33: 32) – op het speeltuig der prediking. Maar dit alles zijn aardse banden, genoegens die onder het gebruik omkomen. Het is niets anders dan de gemeenschap van het evangelie die harten aan harten snoert en het volk aan de leraar en de leraar aan het volk verbindt. Nu hebt gij en ik vele jaren ik spreek tot degenen die de Heere wensen te vrezen en mijn hoorders geweest zijn, hetzij in de kerk of buiten dezelve, want ik beperk mijn achting en mijn liefde niet binnen de banden der kerkelijke gemeenschap, gij en ik hebben vele jaren lang enige gemeenschap aan het evangelie gehad. Welke beweegoorzaak, welke drang heeft velen van Uw van ver afstanden door allerlei weer hier gebracht, anders dan om het evangelie met enige kracht en geur voor uw harten te horen? En als gij gekomen bent en iets gehoord hebt dat leven en vrijheid, liefde en ontferming aan uw ziel aanbracht, dan is zulks geweest door de kracht van het evangelie, en niets dan de kracht van het evangelie.

Het waren niet mijn welsprekendheid, mijn bekwaamheden, noch gaven, noch iets van dien aard, want daarvan bezit ik slechts weinig; en indien ik ze bezat zouden zij in deze zaak van gemeenschap aan het evangelie, zonder waarde zijn. Maar het is de eenvoudige kracht van het evangelie geweest, die uit mijn hart en door mijn mond in uw ziel is ingegaan. Dat is de grondslag en het enige fundament, van al onze gemeenschap, van al onze vereniging, liefde en achting. Deze gemeenschap aan het evangelie moet onderling zijn, zelfs uit de mening van het woord. Zo was het met Paulus en de Filippensen; want in de Engelse kanttekening van het 7e vers staat te lezen: “Gij hebt mij in uw hart,” zowel als in de tekst: omdat ik in mijn hart houd”.

Nu was het deze onderlinge gemeenschap aan het evangelie, die hem het vaste vertrouwen deed koesteren dat Hij die het goede werk begonnen had, dat voleinden zou. Mag ik niet hetzelfde gevoelen en zeggen? Zo gij slechts koude, dode, onverschillige hoorders was, hoe zou ik dan met enig vertrouwen kunnen denken en spreken, dat Hij die een goed werk begonnen had het ook zou voleindigen? Maar in zoverre ik u, of enige van Uw ken, als bezittende enige ervaring van het werk Gods aan uw ziel, of enige hoop dat Hij zaligmakend en genadig onder mijn bediening aan uw hart heeft gewerkt, gevoel ik het vaste vertrouwen, dat Hij die het goede werk begonnen heeft dat zal voleindigen tot op de dag van Christus, en dat onafhankelijk van mij of van iemand anders. Het vereist mijn tegenwoordigheid niet, ofschoon gij die mag waarderen; het zal door mijn afwezigheid niet in gebreke blijven, ofschoon gij dat gemis mag gevoelen.

Het berust op de getrouwheid Gods gelijk ik heb blootgelegd. Hetzij ik dan tegenwoordig of afwezig ben, zal het uw zaligheid of het voleindigen van het goede werk niet beletten. Het kan voor een tijd uw gevoelens aandoen. Ik zou inderdaad een arm leraar zijn die niet gemist kon worden; en het zou waarlijk niet zeer voor mijn hoedanigheid getuigen zo in als buiten de predikstoel, als wij scheidden zonder aandoening en zonder smartgevoel. Maar wat het voortzetten en voleindigen van het werk der genade betreft, bedenk dat. – Ik begon dat werk niet aan uw ziel; en ik zal dat werk der genade aan uw ziel niet voleindigen. Als ik zulks deed zou het geen goed werk zijn. Als ik u de bouwstof geschonken had, dan moest zij slecht zijn, als mijn gave en niet Gods geschenk. Als de bouwstof goed was, en ik de werkmeester dan zou ik de bouwstof door mijn knoeierige handen bederven.

Maar als het, gelijk ik heb aangetoond bij de aanvang, een goed werk is uit de aard der grondstof en de bekwaamheid van de werkmeester, dan berust de voltooiing van het werk in zijn schoonheid en volkomenheid, niet op mij of op enig mens, maar op de getrouwheid, de wijsheid, de bekwaamheid en de macht van Hem die het begon. In deze geest dus, naar ik vertrouw enigermate de geest van de apostel, beveel ik u Hem aan, die het goede werk begon, in het liefelijke vertrouwen dat Hij het zal voortzetten; en o dat het dag aan dag en uur aan uur in mijn hart en het uw mag worden voortgezet totdat het voleindigd is, opdat als de grote en heerlijke dag van Christus komt, gij en ik voor de groten witten troon mogen staan, in witte klederen gekleed, en de ..palmtakken der overwinning in de handen, en onze verenigde stemmen mogen opheffen, om Hem die op de troon zit en het Lam eer en lof en heerlijkheid en macht toe te zingen tot in eeuwigheid.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.