Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Jezus Christus de Zoon van de levende God

Toen zei Hij tot de twaalf: Wilt gijlieden ook niet weggaan? Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere! tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. En wij geloven en bekennen, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Joh. 6: 67-69.

Ten tijde toen onze gezegende Heere op aarde verscheen, was er een algemene en alom verspreide verwachting, dat enig groot Verlosser, bepaald door God gezonden, spoedig zou verschijnen. “De donkere plaatsen der aarde waren vol van de woningen der wreedheid.” Bijna ieder toen bekend land zuchtte destijds onder de ijzeren scepter der onderdrukking en des gewelds, want het Romeinse Rijk, door Daniël onder de gedaante van “het vierde beest” beschreven, hetwelk “verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, wiens tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper, het at, verbrijzelde en vertrad het overige met zijn voeten” (Dan. 7: 19).

Daarom zagen de gemoederen der mensen, vol ontsteltenis en angst, uit naar enig oord der wereld, vanwaar hulp en hoop zou kunnen komen, en keerden vooral hun blikken naar het Oosten, het werelddeel der zon, want in het Westen was alles toenemende duisternis en donkerheid; dit was het hoofdkwartier van het Romeinse Rijk, en daarom toen, zoals nu, de zetel van het beest. Door een zonderlingen samenloop van omstandigheden, scheen ook een zodanige verwachting te heersen onder de Westerse naties zelf, want wij hebben nog bestaande geschriften van Romeinse geschiedschrijvers en dichters, waarin bepaald melding wordt gemaakt van een algemene verwachting, dat op dien tijd enig machtig koning in het Oosten zou opkomen, die een algemene heerschappij zou verkrijgen.

Wij hebben, bijvoorbeeld, een Latijns gedicht, dat nog bestaat, van de Romeinse dichter Virgilius, waarin hij, met de levendigste en schoonste beelden, de gelukzaligheid van de regering van deze Konings afmaalt, en een terugkeer tot de gedroomde Gouden Eeuw van algemeen geluk en vredé beschrijft, wanneer, om zijn gedachten in de taal der Schrift over te brengen: “de wolf met het lam zal verkeren, en de luipaard bij de geitenbok neerliggen; en de leeuw stro zal eten, als de os” (Jes. 11: 6, 7).

Maar zo deze algemene en onbepaalde verwachting van een Verlosser, die in het Oosten zou opkomen, zelfs onder de heidenen heerste, veel meer was dit zo in dien tijd bij Gods oude volk, de joden; want in de heidense wereld was het slechts een flauwe overlevering, door bijgeloof ontsierd en met fabelen vermengd; maar deze begunstigde natie, “aan welke onder haar andere talrijke voorrechten de woorden Gods werden toebetrouwd” (Rom. 3: 2), had het profetische woord dat zeer vast is, dat scheen als een licht in een duistere plaats totdat de dag aanlichtte, en de morgenster opging in hun harten (2 Petr. 1: 19; Lukas 1: 18).

Daar was, bijvoorbeeld, de eerste belofte in Edens hof gegeven, dat “het zaad der vrouw de kop der slang zou vermorzelen”. Daar werd de bezielde verklaring en de vertroostende belofte, door Jakob geuit, “dat de scepter van Juda niet zou wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo kwam, en dezelve zouden de volken gehoorzaam zijn” (Gen. 49: 10). Bileam zelf, schoon bij het loon der ongerechtigheid lief had, sprak in deze zaak bij ingeving, verklarende: “Daar zal een ster voortgaan uit Jakob, en daar zal een scepter uit Israël opkomen, die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren” (Numeri 24: 17). Maar, behalve die verspreide aanduidingen in het profetische woord, verwekte de Heere een wolk van profeten, die van een toekomstige Messias getuigden.

Neemt de bekende plaats van Jesaja, zijn profetieën werden, zoals wij weten, luide in de synagogen gelezen, want onze gezegende Heere las een ervan in die van Nazareth (Luk. 4: 17); en zo volledig was zijn getuigenis van de beloofden Christus, dat zij, die geloof hadden, dat deel van de gewijde Boekrol niet konden ontrollen zonder op bijna elke bladzijde enige verklaring van de toekomstige Messias te zien. Andere profeten volgden in dezelfde toon, en alzo werden, omdat de profetische Boekrol meer en meer was ontrold tot Maleachi, met wie de Oudtestamentische kerkregel eindigde, duidelijker en vollediger aanwijzingen gegeven, dat de “wens aller heidenen komen, en dat de Heere snel tot Zijn tempel zou 1-,omen” (Haggaï 2: 8; Maleachi 3: 1).

Wat kan in duidelijkheid dien laatste, zwellenden toon der profetische bazuin overtreffen, met welke de laatste van de profeten des Ouden Verbonds die geheiligde Boekrol sloot? “Ulieden daarentegen, die Mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en daar zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren” (Mal. 4: 2).

Wij vinden daarom, dat toen onze gezegende Heere in het vlees verscheen, er de zodanigen als Simeon, Anna en anderen waren, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten, (Luk. 2: 38); zodat, voor Hij tot de openbare uitoefening Zijner bediening optrad, toen Johannes, Zijn voorloper in de woestijn predikte, het volk in verwachting was, en alle mensen in hun harten overlegden of Hij de Christus zou zijn of niet. Dus zonden zij priesters en Levieten uit Jeruzalem om Johannes te vragen: “Wie bent gij?” omdat zij enige verwachting hadden, dat hij de beloofde Christus was, (Joh. 1: 19); en aldus omringden de joden, toen Jezus op het feest van de vernieuwing van de tempel in Salomo’s voorhof wandelde, Hem en zeiden tot hem: “Hoe lang houdt gij onze ziel op? Indien gij de Christus bent, zeg het ons vrij uit” (Joh. 10: 24).

Maar behalve deze algemene verwachting van de Messias, die, volgens Gods belofte, in deze tijd zou verschijnen, als zij Zijn wonderwerken zagen, konden zij niet anders dan geloven, dat niemand dan Hij met Gods kracht aangegord, zulke treffende wonderen kon verrichten; als zij de woorden hoorden, die van Zijn genadevolle lippen vloeiden, gevoelden zij dat deze heilige Leraar hen onderwees als machthebbende, en niet als schriftgeleerde; als zij Zijn Goddelijk, heilig en zelfverloochenend leven aanschouwden, moetenzij innerlijk overtuigd zijn geworden, dat er nu een onder hen was verschillende geheel van alle anderen, die zij ooit gehoord, gezien of gekend hadden.

Dus, ofschoon de Schriftgeleerden, Farizeeën en Hogepriesters, en allen, die de ongerechtigheid liefhadden, Hem haatten, verachtten, en eindelijk Hem aan het smadelijk kruishout nagelden, zo was er toch duidelijk een overtuiging, die zich in de gemoederen van velen drong, dat Hij inderdaad de Christus, de Messias was, dien God beloofd had te zenden.

Wij vinden daarom in verschillende plaatsen van de Evangeliën, en voornamelijk in dat van Johannes, aanwijzingen dat velen zelfs van degenen, die hoge ambten bekleedden, overtuigd waren van de Goddelijkheid van Zijn zending; als, bijvoorbeeld in de verklaring: “Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeeën wil beleden zij het niet, opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden” (Joh. 12: 42). Uit deze plaats is niet duidelijk, dat velen, die in Hem geloofden als de beloofden Messias, niet door een Goddelijke kracht werden bewerkt, of een geloof hadden, dat hen door de Heilige Geest was ingegeven, om Hem in hun harten als de Christus Gods te ontvangen. Dit geloof, slechts natuurlijk zijnde, gaf hun dan geen kracht om de verzoeking te weerstaan en de wereld te overwinnen.

Wij lezen daarom, dat zij de eer der mensen meer liefhadden dan de eer van God. Wij zien dit hinken op twee gedachten, dit natuurlijk geloof en deze redelijke overtuiging, door de tegenstand des vleses onderdrukt en overwonnen, op een merkwaardige wijze ten toon gesteld in het voor ons liggende hoofdstuk (Joh. 6). Wij vinden daarin de Heere tot het volk sprekende, dat tot Hem gegaan was en Hem te Kapernaüm opgezocht had, woorden van vermaning met scherp verwijt doormengd. “Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt, en verzadigd bent.

Werkt niet om de spijze, die vergaat, maar om de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen ulieden geven zal want deze heeft God de Vader verzegeld” (Joh. 6: 26, 27). Maar in plaats van deze woorden in een willig hart te ontvangen, begonnen zij te redetwisten, Hem om een teken te vragen, en tegen Zijn werken dat wonder te stellen, dat in de woestijn plaats had, toen God hun vaders brood van de hemel te eten gaf. Maar toen de Heere hun deze grote en heerlijke waarheid voorhield, dat Hij het brood des levens was; dat het manna, dat hun vaderen in de woestijn aten, slechts een type van het brood was, dat God hun nu gegeven had in de overgave van Zijn eniggeboren Zoon – waren zij beledigd; murmureerden tegen Hem en zeiden: “Is deze niet Jezus, de zoon Jozefs, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt deze dan: Ik ben uit de hemel neergedaald?” (Joh. 6: 42).

Dit waren drie opzettelijke uitdrukkingen, de een na de andere, van ‘s Heeren lippen gevloeid, zoals zij in dit hoofdstuk zijn opgetekend, welke zulk een opstand verwekten en zulk een storm van inwendige tegenstand deden ontstaan, dat niet alleen de vleselijk gezinde menigte murmureerde, maar zelfs velen Zijner discipelen van die tijd “teruggingen en niet meer met Hem wandelden”.

1. De eerste was: “Ik ben dat levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; zo iemand van dat brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het brood dat Ik geven zal is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.” (Joh. 6: 51). Wat was het gevolg van deze verklaring? De joden dan streden onder elkaar, zeggende: “Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven?” (Joh. 6: 52). Naar hun vleselijk begrip, meenden zij dat de Heere bedoelde dat zij letterlijk en feitelijk Zijn vlees eten en Zijn bloed drinken moesten. Omdat zij het onderricht van de Heilige Geest niet gehad hadden om hun gemoederen te verlichten; niet opklimmende boven de grove opvatting van de woorden in hun letterlijke betekenis, konden zij niet zien dat er een eten van het vlees van Christus in de ziel, een drinken van Zijn bloed in de handelingen van het geloof is.

Zij waren daarom twijfelmoedig geworden, door de verklaring des Heeren, dat zij Zijn vlees eten en Zijn bloed drinken moesten; en niet in staat zijnde die getuigenis in hun consciënties te ontvangen, struikelden zij en vielen. Maar wijzigde of verklaarde de Heere zelfs Zijn bevestiging? Integendeel, Hij herhaalde haar alleen met meer kracht, zeggende: “Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelf” (Joh. 6: 53). Wij behoeven ons niet te verwonderen, dat de vleselijk gezinde menigte in opstand tegen zulke verklaringen is gekomen; maar wij vinden dat velen, zelfs van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: “Deze rede is hard, wie kan haar horen?”

2. De Heere echter voegde nog een andere verklaring daarbij, welke, daar zij van Zijn genadevolle lippen vloeide, hen nog meer beledigde: “de Geest is het, die levendig maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven” (Joh. 6: 63).

Zolang zij iets konden doen; zolang enige hoop, of schaduw van hoop, hun werd verleend, dat er iets in het vlees was, waardoor zij het eeuwige leven konden verkrijgen, wilden zij er in toestemmen om Zijn discipelen te zijn. Maar toen Hij hun die laatste hoop afsneed, en hun geen schaduw van toevlucht tot het schepsel, of tot de werken der wet overliet, maar er op aandrong dat het de Geest was, die de ziel voor het eeuwige leven levend maakte, en niet alleen dit, maar levend maakt, leven stort in het gebed en in elk aannemelijk woord en werk, dat het vlees niet nut is tot wat behoudenis of heiligmaking aangaat, en dat de woorden, die Hij sprak, en die woorden alleen, geest en leven waren, werden hun vleselijk gezinde gemoederen tot zulk een felle opstand aangezet, dat zij al hun banden van discipelschap verbraken.

3. Maar de Heere, wel ver van Zijn getuigenis te verzachten of in het minst te wijzigen, gaf hun als het ware een afscheidswoord, hetwelk de vijandschap van hun vleselijk gezind gemoed ten toppunt van de opstand schijnt gevoerd te hebben. “Er zijn sommigen van ulieden, die niet geloven. Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader.” Hier verklaarde onze gezegende Heere, dat tot Hem komen, om van Hem behoudenis te ontvangen, de hoogste gift van Gods genade was; dat geloven en behouden te worden “niet was van degene die wil, noch van degene die loopt, maar des ontfermende Gods,” en dat hij, zoals Hij had beloofd, die tot Hem komt nooit zal hongeren, en die in Hem gelooft nooit dorsten; en dat dit Gods wil was, dat iedereen die de Zoon ziet en in Hem gelooft, het eeuwige leven zou hebben, zo betuigde Hij ook dat niemand tot Hem kon komen om leven en behoudenis te ontvangen, tenzij het een bijzondere gift aan hem door de Vader zelf ware.

Welke was nu de uitwerking van deze plechtige verklaringen van onze gezegende Verlosser op de gemoederen van deze discipelen? Verlating, afwijking: “Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug en wandelden niet meer met Hem”. Maar waarom was dit? Waarom zondigden zij zo tegen hun eigen zielen, en sneden zij zich door deze openlijken afval alle hulp of hoop af? Omdat hun trotse, eigengerechtige, ongelovige, oproerige harten die getuigenis niet konden ontvangen, welke, door allen roem in het vlees af te snijden, hen vernederde voor de oppermacht Gods. De Heere verzachtte echter Zijn verklaringen niet, opdat zij met meer welgevallen zouden ontvangen worden; Hij schikte de strenge, niet te leur stellende waarheden van het evangelie niet naar de bedorven smaak der mensen; ook zocht Hij geen discipelen te verstrikken om Hem te volgen, door hun voor een toekomstig tijdperk de diepe verborgenheden van het evangelie te verbergen of terug te houden.

Maar Hij hield hun zekere levenswaarheden voor, zowel wat zichzelf als wat hen betrof, en zo zij, in de hardnekkigheid huns gemoeds, die waarheden verwierpen, verwierpen zij die tot hun eigen verderf. Daar waren er, die haar wilden ontvangen, als zij die achter zich konden werpen. Daar waren kinderkens, aan wie God de verborgenheden des koninkrijks wilde openbaren, zo Hij al in Zijn nooit falende wijsheid, die voor de wijzen en verstandigen verborg. Maar het zou blijken, dat er in dit tijdsgewricht een wankelen zelfs onder Zijn meest bijzondere discipelen was. Door het horen van zulk een buitengewone taal van ‘s Verlossers lippen, door het zien van zo’n algemeen verlaten van de ene openbare discipel na de andere van Hem, en uit het ongeloof van hun eigen vleselijk gezinde harten, blijkt het dat de gemoederen van Zijn eigen discipelen deerlijk geschokt waren, en dat zij, of sommigen hunner, bijna op het punt stonden Hem ook te verlaten.

Hij dan, die alle harten kent en alle nieren proeft, zag hoe hun gemoederen, als het ware, tussen leven en dood wankelden; hoe beproefd en geoefend zij werden of zij zouden gaan dan of zij zouden blijven, of zijn woorden zouden ontvangen, of verwerpen, die van Zijn lippen gevloeid waren. Daarom dit wankelen onder hen ziende, op een tijd dat zij zeer zwak waren en maar weinig in het geloof geoefend, zei hij tot de twaalf: Wilt gijlieden ook niet weggaan? Gij ziet dat de anderen heengegaan zijn, ginds treden zij in de verte terug: zij hebben Mij verlaten, en willen niet meer met Mij wandelen. Wilt gij hun voorbeeld volgen, en Mij ook verlaten? De Heere wist inderdaad dat zij het niet wilden; want Hij hield hen zelf terug met Zijn machtige hand, maar Hij sprak deze woorden om hun geloof te beproeven, en te zien of zij de toets zouden kunnen doorstaan.

Petrus dan, even voorbarig zowel in de natuur als in de genade, de eerste in warmte des natuurlijke geestes en ook de eerste in heiligen ijver, spreekt in naam der anderen, en wij mogen wel geloven uit het gezegende antwoord dat hij gaf, dat de Heere zelf bijzonder op dat ogenblik Zijn licht deed schijnen op Petrus’ hart, een bijzonder geloof in zijn boezem verwekte, hem een bijzondere kracht schonk, hem met bijzondere uitdrukking in naam van al de overigen gaf te spreken: “Heere, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. En wij geloven en bekennen, dat Gij bent de Christus, de Zoon des levenden Gods.”

Met het oog op ons onderwerp, zoals het in de woorden van onze tekst aan onze harten wordt voorgesteld, kunnen wij het in twee eenvoudige hoofddelen verdelen:

I. De vraag des Heeren: Wilt gij ook niet weggaan?

II. Het antwoord van Petrus, hetwelk wij verder in drie onderdelen kunnen splitsen: Vooreerst zijn roerende vraag: “Heere tot wie zullen wij gaan?” Ten tweede, zijn eerlijke bekentenis: “Gij hebt de woorden van het eeuwige leven”. En ten derde, zijn gelovige overtuiging: “En wij geloven en bekennen, dat Gij bent de Christus, de Zoon des levenden Gods”.

1. Nu moet gij voor een ogenblik niet denken dat er enige redelijke twijfel was nopens de afval van Petrus en zijn overige broederen; dat er enige mogelijkheid bij de discipelen (ik spreek natuurlijk van de elf) bestond om Hem te verlaten. Daar was, zoals ik denk, dat uit het verband blijkt, een tijdelijk wankelen in hun gemoederen. Maar een boom kan buigen voor de wind, al worden zijn wortelen niet uitgerukt, of al breekt er geen tak van hem. Een schip kan de woede eens storms ondergaan, zonder uit zijn koers gedreven te worden. De boom richt zich weer op zijn plaats op, en schudt de wind af van elk ritselend blad. Het schip blijft in zijn koers, en drijft de golven van zijn dek af. Verzoeking om Christus te verlaten is één zaak; Hem geheel, Hem eindelijk te verlaten, is een andere.

Maar de discipelen zelf kenden nauwelijks de veelvermogende kracht, door welke zij werden staande gehouden, en wisten niet dat zij door het geloof tot de zaligheid bewaard werden (1 Petr. 1: 5). Zij waren alleen bewust van de werkingen van twee duidelijke gewaarwordingen in hun boezem: de neiging om te gaan en de neiging om te blijven; het ongeloof, hetwelk hen tot afval zou hebben gebracht, en het geloof, waardoor zij bewaard werden in het uur van de verzoeking. Daar zij toen leden waren van het geestelijk lichaam van de Heere, het Lam; daar zij in Christus waren uitverkoren voor de grondlegging der wereld; daar het vaste plan Gods om hen te zaligen en te heiligen in de Zoon Zijner liefde even onveranderlijk was als Zijn eigen en eeuwige troon, was er geen onzekerheid in het geval of zij zouden gaan of blijven.

Het was geen zaak van kans, van toeval, van de vrije werking van het schepsel, van de beslissing van hun eigen wil, van het besluit van hun eigen geest, of van enige zodanige omstandigheid. Het was echter toen niet noodzakelijk hen zulks voor te stellen. Maar de Heere richtte zich tot hun toen aanwezige gedachten en gewaarwordingen. Hij zag de strijd in hun harten, en sprak tot hen alsof het een zaak van onzekerheid was, ofschoon zij het niet was, of zij Hem getrouw zouden zijn, dan of zij het voorbeeld wilden volgen van de andere belijdende discipelen en hun trouw en belijdenis vaarwel zeggen.

Maar als wij deze vraag nader beschouwen, dan kunnen wij daarin drie dingen opmerken: vooreerst, hoe de discipelen, en niet de discipelen alleen, (schoon wij hen als een voorbeeld voor alle andere discipelen nemen) er toe gebracht werden in Zijn naam te geloven. Ten tweede, de verzoekingen welke zij in hun hart ondervonden om van Hem te scheiden. En, ten derde, hoe zij door een veelvermogende er& onzichtbare macht werden staande gehouden, dat zij niet konden scheiden, schoon zij als het ware tussen gaan en blijven wankelden.

Wij kunnen Joh. 17 met een verlicht oog niet lezen zonder de zekerheid van hun volharding te zien, en toch stonden zij enig en alleen in en door de alles vermogende kracht Gods. Dus zegt de Heere: “Ik heb Uw naam geopenbaard de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven” (Joh. 17: 6). Echter om te tonen dat zij niet in hun eigen kracht stonden, voegt de Heere er bij: “Toen Ik met ben in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw naam; die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard” (Joh. 17: 12). Dat, ofschoon er een schijnbaar wankelen was, stonden echter de discipelen, bewaard door de almacht Gods, terwijl anderen vielen. Zo zal het zijn met allen, die door dezelfde liefde bemind en dezelfde macht bewaard worden. Wij kunnen inderdaad niet zien boe zij bewaard worden, want de macht, die hen ondersteunt, is onzichtbaar, maar niet minder wezenlijk.

1. Het werk der genade in de ziel is geheel onderscheiden van elke nabootsing daarvan. Hoe ook mensen mogen geleid schijnen te worden op dezelfde wijze om dezelfde leerstellingen te geloven en dezelfde taal te spreken, echter zo wij het onderricht Gods in de ziel van een Zijner kinderen lezen en dan als met Zijn oog enige navolging daarvan in het gemoed konden zien, of enige na-aperij daarvan op de lippen van een ander, hoe nabij het nagebootste bij de wezenlijkheid mocht komen, toch zouden wij een onderscheid tussen hen ontdekken zo groot als dat tussen licht en duisternis. Wiens oog, behalve dat van God, zag het innerlijk verschil tussen die discipelen die stonden, en die welke vielen; tussen Johannes en Judas? Het was nodig dat de onmiddellijke discipelen van onze Heeren beproefd werden, maar het was even nodig dat zij bleven staan.

De Heere zelf had hen op een zeer bijzondere wijze geroepen. Schoon in zichzelf onwetend, arm en ongeleerd, zouden zij een zeer onderscheiden plaats bekleden, een plaats voor hen in Gods verstand bepaald, met oneindige wijsheid aangewezen, en met alles vermogende kracht besloten. Zij zouden apostelen van de Zoon van God, predikers van het Evangelie Zijner genade, en de meesten hunner martelaars voor het geloof moeten zijn. De Heere riep hen daarom op een zeer bijzondere wijze, opdat hun roeping uit genade tot het apostelschap zo duidelijk zou zijn, dat daaraan geen twijfel, hetzij in hun eigen gemoed of in dat van anderen, zou kunnen bestaan. Het is waar, dat wij omtrent de roeping van ieder in de Schrift geen uitvoerige berichten hebben, maar wij hebben een zeer duidelijk verslag van de roeping van velen, als van Simon en Andreas, Jakobus en Johannes, Mattheüs en Filippus, en deze geven ons een leiddraad tot de roeping van de overigen, welke even echt was, ofschoon niet zo bepaaldelijk aangewezen in de Schriften der Waarheid.

En schoon er geen bijzondere melding is gemaakt van hun overtuiging van zonde, behalve in het geval van Petrus, toch, als wij in het algemeen het werk Gods beschouwen op de zielen van Zijn volk, mogen wij zeggen dat niemand een waar discipel van Jezus kan zijn, tenzij de gezegende Geest hem Zijn diepe behoefte aan Hem doet gevoelen. Wij zijn er zeker van dat de discipelen die gevoelden, want hoe konden zij, sommigen hun visnetten, anderen het ontvangen van de tol, en allen hun werelds bedrijf hebben laten varen, vrienden en betrekkingen verlaten, en hun rug gekeerd hebben naar alles wat de natuur liefhad, tenzij enige alvermogende kracht in hun zielen was voortgebracht? En welke macht is zo groot, dat zij ons naar Jezus kan doen vlieden bij een plechtig duchten van het dreigendst gevaar, een blik op de eeuwigheid, en onze eigen ongeschiktheid om er in te komen; bij een gevoel van onze verlorenen, rampzaligen toestand, een kennis van Gods gramschap als het loon der zonde, een bekend worden met de vloek van een veroordelende wet, en een wanhoop verwekkende ontdekking van onze ellende, onze ondergang en onze hopeloze toestand, zo wij in onze zonden leven en sterven?

De mens moet door een almachtige en werkzame kracht uit zijn toestand van slaap en dood gewekt worden. Het is geen enkel aanduwen, geen zacht trekken aan zijn kleed of mouw, dat hem uit zijn zonden kan trekken. Hij moet uit haar gerukt worden, zoals men iemand uit zijn bed rukt, als het huis in brand staat, of uit het water trekt, als hij voor de laatste maal ‘naar de diepte zinkt. Denken wij nooit, dat het werk der genade op het hart een lichte of oppervlakkige zaak is. Zo wij de macht Gods behoeven om ons staande te houden als wij geroepen zijn, dan voorzeker behoeven wij de macht Gods ook om ons te roepen, die Paulus deed bidden, dat de heiligen van Efeze mochten kennen “welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt” (Efeze 1: 19, 20). Inderdaad daar is een krachtige werking van de genade op van een zondaar hart nodig, om hem uit zijn ellende te verlossen.

Wij bevinden daarom altijd, dat het werk der genade op het hart met een geestelijk gezicht en gevoel van onze rampzalige toestand voor God begint. Maar dit zal alleen niet genoeg zijn, om ons tot trouwe discipelen van Jezus te maken. Het is een voorbereiding, een hoogst noodzakelijke voorbereiding voor een gezicht van de Koning iii Zijn schoonheid, maar het is niet hetzelfde in de Zoon van God het eeuwige leven te zien en in Hem te geloven. Wij behoeven iets meer dan overtuiging van zonde en gevoel van onze verlorenen en rampzaligen toestand. Wij moeten door het geloof een gezicht hebben van de gezegende Heere, meer of minder door de Heilige Geest aan onze zielen geopenbaard, Wiens roeping het is de dingen van Christus te nemen en die te openbaren aan liet hart, zodat dit Diens geschiktheid, genade, heerlijkheid, werk, bloed en gehoorzaamheid ziet, en zo deze goddelijke en gezegende werkelijkheid door het oog van het geloof te zien, dat wij voor onszelf weten en gevoelen, dat zij juist voor ons geval en onze toestand passen; dat dit de eigen zaken zijn, die wij behoeven om ons van de toekomende toorn te bevrijden; en dat wij, voor zoverre wij daarin aandeel hebben, uit de stroom des verderfs gered worden.

Waar ook dit gelovig gezicht van Christus aan de zieI wordt gegeven, schept en onderhoudt het een geloof, dat door liefde werkt. Dus, waar ook een gezicht van Jezus door het oog van het geloof is, waar Hij zich openbaart en enigermate dierbaar aan de ziel maakt, is de liefde de gewisse vrucht daarvan; want wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft lief gehad, en, wanneer wij aanvangen de Heere te beminnen, geeft de liefde ons een snoer, dat vereniging en gemeenschap met Hem samen bindt. Als Hij dan Zijn liefelijk gelaat ontsluiert, en meer en meer van Zijn schoonheid en zaligheid te aanschouwen geeft, schenkt het hem een vaste plaats in de warmste en tederste genegenheid van het hart, en dan komt Hij en maakt woning in de ziel en regeert daar als haar rechtmatige Heere.

Dit is een flauwe geestelijke schets, daar de tijd ons niet toelaat langer bij dit punt te verwijlen, van de wijze, waarop de Heere merendeels trouwe discipelen maakt. Laat mij in uw geheugen de volgende zaken als onvermijdelijk noodzakelijk voor het ware discipelschap terugroepen: vooreerst een geestelijk gevoel van onze verlorenen, rampzaligen toestand; dan een kennis van Christus door een genadige ontdekking van Zijn geschiktheid, schoonheid en zaligheid; ten derde een geloof in Hem, dat door de liefde werkt en het hart reinigt, de wereld overwint, en van dood en hel verlost.

2. En echter niet dit alles is er een verzoeking, en wel niet gering noch zeldzaam, om van dit discipelschap te scheiden en de gezegende Heere te verlaten; want zei Jezus niet tot de twaalf: “Wilt gijlieden ook niet weggaan?” Zo er geen wankelen in hun gemoederen, geen sterke en machtige verzoeking om te scheiden in hun harten geweest was, zou de vraag veel van haar beduidendheid verloren hebben. Zo is het ook bij ons, want schoon de Heere ons aan Zijn voeten gebracht, ons een mate van geloof en hoop in en op Zijn naam gegeven heeft, toch ontstaan er verzoekingen, die een wankelen in het gemoed veroorzaken, hetwelk, zonder de oppermachtige genade Gods, niet alleen in een tijdelijk verlaten, maar in volledige en eindelijke afval zou uitlopen.

a. Bij voorbeeld, daar is de macht van het ongeloof. Gij weet een weinig wat het geloof in zijn verschillende werken, zien en vertrouwen is, zo God inderdaad die dierbare genade van Zijn Geest aan u heeft verleend; maar als gij enigszins begint te leren wat geloof is, begint gij ook een tot dusverre ongekend beginsel te ontdekken, dat diep in het vleselijk gemoed verborgen ligt, hetwelk daartegen schijnt te worstelen.

Deze tot dusverre ongeziene vijand is het ongeloof van uw vleselijk gezind hart, hetwelk het geloof iedere keer weerstaat, zodat gij soms gelijk bent aan de beide schalen van een weegschaal, soms in deze schaal gelegd behoudt het geloof de overhand, maar op andere tijden doet het ongeloof op een deerlijke wijze de andere schaal overslaan. Nu en dan neemt het een nog geweldiger en meer onderdrukkende vorm aan; want dan komt het onder de gedaante van ontrouw. Is dit niet genoeg om een Christen van het pad af te brengen, en hem te verlokken om van de Heere Jezus te scheiden?

b. Maar wederom, als het de Heere eerst behaagd heeft de ziel nabij Hem te brengen, overwint hij, zolang Zijn kracht en tegenwoordigheid gevoeld worden, de kracht der zonde. Maar de zonde wordt nooit wezenlijk gedood; zij wordt overwonnen, maar nooit geheel vernietigd; gekruist, maar nooit geeft zij de laatste ademtocht. Na enige tijd begint de zonde weer te herleven, haar vorig gebied zoekende terug te bekomen; en als zij weer aan het werk gaat en haar oude heerschappij poogt te herwinnen, stelt zij elke poging in het werk om de ziel van Jezus af te trekken. Jezus is een doodvijand van de zonde. Hij kwam in de wereld om de werken des duivels te vernietigen, de zonde door de offerande van zich zelf te verdrijven, en door de kracht van Zijn dood zo onze ouden mens te kruisigen, opdat het lichaam der zonde mocht worden teniet gedaan, opdat wij voortaan niet meer de zonde dienen zouden (Rom. 6: 6).

Maar de zonde wordt niet gemakkelijk overmeesterd: zij ligt diep in de menselijke borst verborgen, waar zij haar leven onderhoudt, en uit welke zij telkens met vernieuwde kracht te voorschijn treedt. Zij bezit duizend levens, en sterft inderdaad nooit, dan nadat lichaam en ziel gescheiden zijn. Dus, even onnaspeurlijk als onvermoeid, rust noch slaap kennende, zoekt de zonde steeds de ziel in haar oude slavernij te trekken; en zo zij enige goede uitslag heeft, komt van daar inwendige afval des Geestes en een trapsgewijze scheiden van het hart en de genegenheid van de Heere.

c. Maar daar is nog een andere vijand, de satan. De satan gebruikt steeds de zonde als zijn krachtig wapen om de gedachten en begeerten te verstrikken, en alzo het hart te bedriegen, de geest te verblinden, het geweten te verharden, het verstand te verduisteren, en de genegenheid van Jezus af te trekken. Het is onmogelijk de verschillende middelen te beschrijven, welke de satan bezigt om de ziel van de Heere af te trekken. De verwarring welke hij in het gemoed brengt, de netten, die hij uitspreidt, de hinderlagen, die hij stelt op ons pad, de vurige aanvallen, die hij op de ziel doet, zijn allen verschillende middelen, waarvan hij zich bedient om de ziel van Jezus af te trekken, haar door de zonde van Hem af te leiden en door schrik haar van Hem weg te jagen.

d. Dan komt de wereld met haar verschrikkelijkheid of verlokking, haar zorgen of vermaken, allen verschillende vormen en gedaanten aannemende, naar de karakters met welke zij te doen heeft, maar het doel van al haar middelen en werkingen is om de ziel in haar verderfelijke strikken te lokken, en haar van de Heere af te trekken.

Daar zijn dus gedurige verzoekingen in alle richtingen werkende, en het gemoed met verschillende graden van kracht aanvallende, maar allen één doel beogende, – het hart van de Heere al te trekken, bet in duisternis, slavernij en dood te voeren, en ware het mogelijk, de band vaneen te rukken, die de ziel aan Hem verbindt. Maar dit kan nooit geschieden. Gods plannen kunnen nooit verijdeld worden. De zonde kan zich nooit sterker betonen dan Christus; satan kan nooit de ziel uit de handen van Hem scheuren, die in staat is tot het uiterste toe te redden. Welke verzoeking daarom tot afval, wat wankelen er in de geest mag zijn, wat duisternis, twijfel of onzekerheid de ziel aanvallen mogen, Gods plannen zijn vast, en kunnen nooit verijdeld worden. Dus worden Gods heilige door Zijn eigen bepaald en vast besluit bewaard, dat voor eeuwig in de hemelen aangetekend staat, en dit besluit is, dat zij nooit zullen omkomen, en dat niemand hen ooit uit Zijn hand rukken zal.

II. Maar nu zullen wij tot ons tweede deel overgaan, en de blik slaan op Petrus’ antwoord op de vraag des Heeren. De Heere zei tot Zijn discipelen: “Wilt gijlieden ook niet weggaan?” alsof Hij hen vriendelijk en toegenegen wilde vermanen, met al de roerende kracht Zijner eigen tedere stem tot hen spreken en hen vragen met die lippen, waarvan de genade afvloeide, of zij, zijn discipelen, die zo lang met Hem gewandeld hadden, die hen zo lief had gelijk zij Hem, het voorbeeld wilden volgen van de afvallige menigte? Nu lokte deze tedere vermaning van onze gezegende Heeren uit Petrus’ boezem dat gedenkwaardige antwoord, dat voor menige heilige Gods zo dierbaar is geworden. Hij beantwoordde ‘s Heeren vraag als door een tegenvraag: “Heere, tot wie zullen wij heengaan?” De Heere had gezegd: “Wilt gijlieden ook niet weggaan?”

Petrus vraagt Hem wederkerig: “Kunt Gij ons zeggen tot wie wij zullen gaan? Gij schijnt de keuze in onze hand te stellen, en het ons over te laten of wij willen gaan of blijven; maar kunt Gij ons zeggen tot wie wij zullen gaan als wij U verlaten? Kunt Gij ons een anderen Zaligmaker van onze zielen, een anderen Zoon van God, een anderen Verlosser van dood en hel aanwijzen? Tot wie zullen wij dan om leven en behoud gaan?”

1. Maar laat ons eerst Petrus’ roerende vraag onderzoeken, en daaruit opzamelen waarheen of tot wie hij en zijn medediscipelen zouden zijn gegaan, als de Heere hen had laten vertrekken; en echter konden en wilden zij niet gaan, omdat zij in hun harten de geheimen maar dringende invloed van Zijn genade gevoelden, die hen in het uur der beproeving staande hield. Maar, terwijl ik Petrus’ vraag onderzoek, zal ik enigszins uitweiden, zodat ik zowel onszelf als de discipelen omvat, voor zoverre wij aan dezelfde verzoekingen zijn blootgesteld, echter nog staande gehouden worden door de overvloeiende genade en kracht.

a. Zullen wij dan tot de wereld gaan? Hebben wij er niet genoeg van gehad? Waren wij niet in haar vóórdat het de Heere behaagde er ons uit te roepen door Zijn genade? Maar was daar enig waarlijk geluk, enige wezenlijke voldoening, tevredenheid, rust, vrede of kalmte? Wel mogen wij antwoorden: Neen. Was het toen wel iets anders dan één voortdurend toneel vanafmattende zorg, ijdel genoegen of leeg vermaak, welks einde, zoals wij toen reeds enigermate wisten, de dood zou zijn? Toen wij er in waren was er geen waar geluk voor ons; zal het nu er zijn, nu wij er uit zijn, en echter, ondanks elke vermaning van ons gewetens, tot haar terug willen gaan?

Neemt haar ten beste of ten ergste: vindt gij enige troost in het werelds gezelschap, enig geluk in de vleselijk gezinde samenleving? Bevallen haar grondstellingen, gewoonten,. vermaken, ijdelheden? Trekt gij er, in uw ergste toestand, enig nut of geluk uit? Neen. Moet gij dan niet tegelijk antwoorden: “Wat ik ook doe, wat er van mij wordt, ik kan in de wereld niet teruggaan, omdat ik er geen troost van had toen ik er in was, en er nu weer in te gaan, zou slechts mijn ellende verdubbelen en mijn eeuwig verderf verzekeren.

b. Maar zullen wij tot de zonde gaan? o mag die gedachte vergaan! Wat! zonde, die de oorzaak van zulk een schuld op uw geweten in verleden tijden was; zonde, die zulk een hel in uw ziel bracht! zonde, die een dierbare Verlosser kruisigde! Tot de zonde terug te gaan, te zwelgen in de lage lusten des vleses, de ongerechtigheid in te drinken, alle onreinheid met gretigheid te werken, en gezondheid, kracht en het leven zelf in die dingen te verspillen, aan welker einde wij weten dat gewis verderf ons wacht. O! hoe zouden wij voor een enkel ogenblik de gedachte durven koesteren, dat wij een heilige Jezus, een hemelse Verlosser, het liefelijk gezelschap van Gods heiligen, en alles wat wij in onze harten, in hun gezelschap hebben genoten en ondervonden, zowel als in geheiligde gemeenschap met de Heere zelf, verlaten zullen, om ons in de zonde te wentelen, en dus een gewisse hel in ons geweten te brengen, de dood in onze zielen te voeren, en het vreselijk einde van onze belijdenis te ondervinden: gebannen te worden van ‘s Heeren aangezicht en voor eeuwig geworpen in de uiterste duisternis! o Heere, wat wij ook doen, waar wij ook gaan, wij kunnen nooit tot de zonde terugkeren.

c. Zullen wij tot de Wet teruggaan? De enkele gedachte daaraan jaagt de schrik in ons gemoed. Hebben wij niet genoeg gezien van de zwartheid en donkerheid van die brandende berg? Hebben wij niet genoeg gevoeld van haar vloek en veroordeling en van de wraak des Heeren in een vurige wet? Wij beven op de gedachte van tot de wet terug te keren, als wij door het Evangelie zijn verlost, en ons weer onder het juk van Mozes te stellen, als wij op ons het juk van Hem genomen hebben, die zacht en nederig is van hart, en onder hetwelk wij alleen en altijd ware rust of vrede gevonden hebben.

d. Zullen wij tot onszelf gaan? Zullen wij de begeerde rust in onszelf vinden? Wat! rust in het hardnekkig ik; rust in het vleselijk ik; rust in het oproerig ik; rust in het eigengerechtig ik? Wel, Heere! ons eigen ik was en is altijd onze ergste vijand, onze grootste ellende geweest; in ons eigen ik rust te zoeken is het te zoeken in dat, wat ons steeds heeft teleurgesteld, en dat wij weten dat elke verwachting van rust of vrede zal teleurstellen, want wij hebben lang bevonden, dat het van niets anders vol is dan van bedrog, huichelarij en eigengerechtigheid; een gevaarlijke vriend, en een bedrieglijke vijand.

e. Zullen wij tot vrienden gaan? Wij mogen ben en de Heere beminnen, maar hoeveel gevallen, toestanden, tijden en gelegenheden zijn er niet, wanneer de beste vrienden ons geen nut kunnen doen! Zij mogen ons raad geven in moeilijkheden, beklagen en met ons lijden in de smart, maar daar beginnen en eindigen zij. Ja, zij kunnen ons als Jobs vrienden blijken te zijn, en ons eerder grieven en wonden dan troosten en verlossen. Behalve dat, moeten wij, zoals Pascal zegt, “alleen sterven”; in dat plechtige uur kunnen zij niet voor ons sterven, al wilden zij – en al omringen zij ons sterfbed en delen met ons in de doodstrijd, toch kunnen zij ons die vrede en troost niet toespreken, die onze zielen behoeven wanneer wij door het dal des doods gaan.

f. Kunnen wij tot vijanden gaan? Hebben zij ons niet reeds genoeg gewond, vervolgd, belasterd, verdrukt, en zouden zij ons niet onder de voet vertrapt hebben, als zij gekund hadden? Wat zouden zij dan voor ons anders doen dan zich verblijden over onze rampen, of juichen in onze afval.

Ziet dan, waar wij ook heen willen, waar wij ook de blik heen wenden, wat uitzicht is er voor ons, Heere! als wij van U weggaan?

Nu is het door deze “mensenzelen en koorden der liefde”, door dat geheiligd trekken en die werkingen der genade op het hart, dat iemand, die Hij geleerd heeft door Zijn Geest en geroepen door Zijn macht, nog wachtende op de Heere wordt gehouden, tot Hem opziet en verlangt, al mag Hij op die tijd geen machtige openbaringen van Zijn stervende liefde of enige merkbare ontdekking van zijn persoonlijk aandeel in Zijn bloed en rechtvaardigheid hebben.

2. Maar laat ons nu overgaan tot die eerlijke belijdenis van Petrus’ geloof, waarin zo veel begrepen is: Gij hebt de woorden van het eeuwige leven.

a. Het eeuwige leven is soms een zeer strelend onderwerp voor een gelovige ziel. Het uitzicht van een zalige eeuwigheid in Gods tegenwoordigheid, waar de tranen van ieders gelaat worden afgewist, is, zodra het geloof is opgewekt, om het voor onszelf te geloven, een gezegende troost voor het gelovige hart. Als wij nagaan hoe kort en onzeker dit leven is; als wij ons met zijn zorgen belast en door zijn angst overstelpt gevoelen, en, boven alles, met een ellendig lichaam, van zonde en dood bezwaard zijn, is dit dan niet genoeg om ons te doen zuchten en te zeggen: Wat is er toch in het leven dat waardig is om er voor te leven? Maar op te zien uit deze enge, ellendige, wegstervende wereld naar die eeuwige woningen in het Vaderlijke Huis, waar Jezus heengegaan is om plaats voor Zijn volk te bereiden, schijnt de matte pelgrim te troosten, als hij door dit tranendal met zonde en verdriet beladen, heentrekt, in de zoete hoop van ten laatste dat hemelse strand te bereiken.

b. Deze overtuiging nu dat het eeuwige leven alleen in Christus Jezus is, is diep in het gemoed van eik kind Gods gegrift. Wij lezen daarom: “want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, alzo heeft Hij ook de Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelf (Joh. 5: 26). Dit leven, hetwelk de Vader de Zoon gaf, is Zijn Middelaarsleven, dat Hij, daar Hij het in Zichzelf had, het eeuwige leven zou kunnen geven, aan zo velen als in Zijn naam geloven. Maar omdat Hij dus Jezus dit leven gaf, opdat Hij het uit Zijn eigen volheid aan al de leden van Zijn eigen geestelijk lichaam zou kunnen meedelen, gaf God Hem woorden, gelijk Hij spreekt in Zijn Hogepriesterlijk gebed: “Want de woorden die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen” (Joh. 17: 8). Deze woorden zijn “de woorden van het eeuwige leven”, welke Hij nu tot het hart van Zijn volk spreekt, gelijk Hij toen tot Zijn ware discipelen deed, en daar deze woorden met kracht van Zijn lippen in hun ziel komen, brengen zij geestelijk en eeuwig leven met zich.

Daarom is er verklaard: “Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het woord der waarheid” (Jak. 1: 18); en wederom: “Gij, die wedergeboren bent niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende woord van God” (1 Petr. 1: 23). Maar niet alleen brengen deze woorden geestelijk leven in het hart bij de eerste meedeling van Zijn genade, maar gedurende zijn gehele pelgrimstocht hier beneden zijn de woorden, die Jezus spreekt, “geest en leven” voor de heilige Gods. Nu, wat gij behoeft, zo gij waarlijk van God onderwezen bent, is die woorden van eeuwig leven te hebben, welke Jezus in Zichzelf heeft en die van Zijn lippen in uw hart gevloeid zijn. Hij alleen kan die woorden tot uw ziel spreken, die het eeuwige leven geven en onderhouden; want, houdt altijd in gedachten, dit eeuwige Leven is het geestelijke leven. De hemel is geen eeuwigheid van zaligheid, buiten heiligheid, buiten een geestelijk genot van God in de woningen daarboven van eeuwige reinheid.

Want geestelijk en eeuwig leven zijn een en hetzelfde. Door eeuwig leven te geven, geeft God daarom geestelijk leven; door geestelijk leven te geven, geeft Hij eeuwig leven. Maar dit geestelijk en eeuwig leven wordt gegeven als een vrije gift van God door middel van die woorden, welke de Zoon van God van Zijn Vader heeft ontvangen, opdat Hij die zou kunnen geven uit Zijn eigen volheid aan al Zijn gelovig volk, en dat door de toepassing van die woorden het eeuwige leven zou kunnen vloeien in hun ziel van Hem als hun levend Hoofd. Voelt gij nu niet soms uw diepe en dringende behoefte aan enig woord, dat met kracht tot uw hart zal gesproken worden? Gij zwoegt wellicht onder een zware last van schuld, gij voelt de veroordeling der zonde en de vloek der Wet; gij wilt dat vergeving in uw ziel door een goddelijke macht gebracht werd. Gij weet dat niemand dan de Heere uw zonden kan vergeven, maar gij wenst dat Hij tot uw hart een woord spreekt, zoals Hij tot de geraakte sprak: “Zoon, uw zonden zijn u vergeven”. Maar voor dit of dergelijk woord van ‘s Heeren lippen in uw hart komt, hebt gij geen duidelijke getuigenis, dat uw zonden vergeven zijn, zodat gij u in een volledige behoudenis kunt verheugen.

Of u mag met twijfel en vrees vervuld zijn, niet alleen omtrent uw aandeel in het bloed en de rechtvaardigheid des Heeren, maar ook ten opzichte van het einde en de uitgang van enige tegenwoordige zware beproeving. Of gij hebt vele verzoekingen, die uw gemoed bestoken, of zwarigheden over uw pad gespreid, zowel aangaande de Voorzienigheid als de genade, die veel angst en beving in uw ziel wekken. In deze en verschillende andere omstandigheden behoeft gij een woord van de Heere. Als Hij dan maar tot u het woord: “Vrees niet” gelieft te zeggen, dan neemt dat woord uw vrees weg, verlost uw terneergeslagen gemoed van die beving, en verdrijft die donkere wolken van verzoeking, welke daarop dreigen los te barsten.

Of u hebt enige tijd onder grote donkerheid des geestes verkeerd, zodat gij bijna al uw bevindingen verloren hebt, en nog gevoelt gij u onbekwaam om in uw ziel enig genot van ‘s Heeren kracht of tegenwoordigheid te brengen. Gij hebt behoefte uit deze zware slavernij, die vleselijke gezindheid en dien dood verlost te worden, maar gij kunt het zelf niet doen. Nu heeft de Heere woorden, die door Hem bewaard worden, van geestelijk en eeuwig leven, en terwijl deze woorden gesproken worden door Zijn lippen tot uw ziel, doen zij het werk Gods in u herleven, verlossen u uit uw donkerheid en slavernij, hernieuwen het leven Gods in u, en doen u weer met een verruimd hart het pad Zijner geboden betreden.

En al spreekt Hij deze woorden op deze bijzondere en bepaalde wijze niet, toch is er van tijd tot tijd een aanwending daarvan met meer of minder kracht op de harten van Zijn volk, waardoor Hij het leven Gods in hun borst onderhoudt. Wie anders kan nu tot u deze woorden, die niet alleen geestelijk, maar eeuwig leven geven en onderhouden, spreken dan Jezus? Gij moet daarom immer gevoelen en zeggen: “Heere, als ik u verlaat, verlaat ik het eeuwige leven. Ik verzeker mijzelf de eeuwige dood. Ik laat alle beloften, waarheden, uitnodigingen, verklaringen, lessen en waarschuwingen varen, die van Uw genaderijke lippen gevloeid zijn. Als ik u verlaat, verlaat ik alles wat Gij mij voor tijd en eeuwigheid te geven hebt; want kunt Gij mij een groter zegen geven dan het leven hier en hiernamaals? Hoe kan ik u dan verlaten? Waar kan ik heengaan? Tot de wereld? Tot de zonde? Tot de wet? Tot het vlees? Tot mijn eigen kracht, wijsheid of gerechtigheid? Verlaat ik U, dan zie ik van het leven af, ik kies de dood, en verval tot wanhoop. Gij hebt de woorden van het eeuwige leven, en zelfs op een sterfbed, zo niet van tevoren, kunt Gij dat woord tot mijn ziel spreken, dat elke vrees kan doen vlieden en mij veilig aan Uw borst voeren.”

Dus ziet gij hoe de trouwe discipel, temidden van al zijn wankeling, zwarigheden, twijfelingen en vrees, nog aan ‘s Heeren lippen hangt, omdat hij weet dat Jezus de woorden van het eeuwige leven heeft, welke Hij, zo het Zijn oppermachtige wil is, in één ogenblik tot zijn verslagen en wanhopend hart kan spreken.

3. Maar nu komt Petrus’ gelovige overtuiging, welke zich boven allen twijfel en vrees schijnt te verheffen, gelijk een vrijgelatene duif in de zuiveren dampkring van het geloof schijnt te stijgen. En wij geloven en bekennen dat Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Ik zei dat ik geloofde dat de discipelen wankelden. Zij waren gelijk wij, mensen van gelijke bewegingen. Het ongeloof was in hun harten zoals in het onze; de satan mocht hen verlokken zoals hij ons verlokt, en zij hadden hun zwarigheden in het geloven in Jezus, zoals gij en ik dagelijks ondervinden. Maar zij werden voor het vallen behoed door een machtige maar onzichtbare hand, want zij werden “in de kracht Gods bewaard, door het geloof tot de zaligheid”. Een ongezien koord bond hen aan de hoornen van het altaar; en het was deze geheime kracht Gods op hun hart, deze hemelse invloed op hun ziel, welke hen in het geloof hield, toen de valse discipelen daarvan scheiden. Maar deze geheime kracht en goddelijke invloed openbaarden zich vooral, om de werkingen van een levend geloof in hun zielen op te wekken.

Wij geloven en bekennen. Dat is, zij geloofden en bekenden wat anderen noch geloofden noch bekenden. De anderen wisten niets van de werkingen van de hemelse genade, welke een levend geloof in hun hart voortbrachten. Zij luisterden, zagen, beleden naar het uiterlijke zoals de discipelen geloofden; maar zij wisten niets van die geheime en geheiligde onderwijzingen van boven, welke dat levend geloof in het hart van de discipelen had gewrocht, dat hen vooreerst aan de voeten van Jezus bracht, en naderhand hen in het uur der verzoeking staande hield.

Maar laat ons nu wat nauwkeuriger nagaan wat zij geloofden, en niet alleen geloofden, maar “bekenden”. Vooreerst dan, geloofden zij dat Jezus was de Christus, dat is: de Gezalfde, de Messias, naar Wie de heiligen in Jeruzalem uitzagen. God had beloofd, dat Hij een Gezalfde zou zenden. Het was een gebruik van goddelijke instelling om de hogepriesters, en daarna de koningen en profeten te zalven. Daarom duidde de Messias, de Christus, naar hun gelovig begrip, een gezalfden priester, een gezalfden koning, en een gezalfden profeet aan. Deze zalving was een voorafschaduwing van de zalving van de Heilige Geest, welke aan onze gezegenden Verlosser boven mate werd gegeven, en Hem het recht gaf Priester, Koning en Profeet van Gods Kerk te zijn.

a. Laat ons dan eerst op Hem als op een gezalfden Priester zien. Als de Christus, was Hij de Hogepriester over het huis Gods, die offeranden moesten offeren, en wel niet minder dan van zichzelf; die Zijn bloed moest storten tot een verzoening voor de zonden, en, die voor altijd vernietigende, lage, schuldige overtreders met de Heere hun God moest verzoenen. Dus gelovende, dat Hij de Christus was, geloofden de discipelen dat Hij de grote Hogepriester over liet huis Gods was, die door offerande de zonden zou wegnemen. Maar waarom geloofden de discipelen en bekenden zij, dat Jezus de Christus was, en, als zodanig, de gezalfde Priester, van wie Aäron maar een flauwe en zwakke afbeelding was?

Omdat God het hun getoond, hun enige openbaring daarvan meegedeeld en een levend geloof in hun harten gegeven had, waardoor Hij werd ontvangen en gevreesd als de Messias, die komen zou. Dit was het grote keerpunt – was Jezus de Christus of niet? Was Hij de Christus, dan was Hij de Silo, “de wens aller Heidenen,” “de boodschapper des Verbonds,” “de Spruit, die het sieraad zou dragen, en zou zitten en heersen op Zijn troon en Priester zou zijn op Zijn troon” (Zach. 6: 12, 13). Was Hij de Christus niet, wie was Hij dan? Ik wil het niet zeggen, want het geloof laat geen keus toe en wil het woord niet uiten.

b. Beschouwt Hem weer zoals de discipelen Hem door het oog van het geloof beschouwden, als hun en uw gezalfden Koning. Wie heerst in uw genegenheid? Wie houdt de teugels des bestuurs? Wie dient gij? Wiens wet is uw wet, wiens woord uw woord, en wiens wil uw wil? “Jezus,” zegt gij; “Hij is mijn Koning; ik heb mij aan Hem onderworpen; Hij heeft de teugels des bestuurs in Zijn handen genomen; ik heb Zijn scepter aangeraakt; Hij is mijn Heere, en ik aanbid alleen Hem. Andere Heeren behalve Hij hebben over mij geheerst; maar door Hem vermeld ik Zijn naam.” Door Hem zó te ontvangen en zó u aan Hem te onderwerpen, ontvangt gij hem als uw gezalfden Koning.

c. Wie is uw profeet; uw leermeester? Wie uw onderwijzer in de Goddelijke Waarheden? Aan wiens voeten ontvangt gij lessen, die u ten volle de weg der behoudenis aanwijzen? “Jezus,” zegt gij weer: “Als Maria, zou ik immer aan Zijn voeten willen zitten en Zijn woord horen. God heeft Hem tot wijsheid voor mijn ziel zowel als tot rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing gesteld, en als zodanig zou ik altijd op Hem willen zien en van Hem leren.” Dan is Hij uw gezalfde Profeet. Dus door het geloof op Hem ziende als zichzelf ten offer stellende voor de zonde, gelooft gij in Hem als uw gezalfden Priester. Door u aan Zijn rechtvaardig bestuur als uw Heere en God te onderwerpen, gelooft gij in Hem als uw gezalfden Koning. En door te zitten aan Zijn voeten om Zijn woorden in uw hart te ontvangen, ontvangt gij Hem als uw gezalfden Profeet. En dus gelooft gij in Hem als de Christus de Messias, de enige gezalfde Gods om dit alles voor Gods Kerk te zijn.

Maar Petrus, voor zichzelf en zijn medediscipelen sprekende, voegde er bij: En wij bekennen. Hier is verzekering – zekerheid -ontwijfelbare overtuiging. Te geloven is niet genoeg; wij moeten zeker zijn. Maar hoe kunnen wij zeker zijn? Als wij iets gezien hebben met onze ogen; als wij iets met onze handen getast hebben, en als wij ergens gewandeld hebben met onze voeten, zijn wij er zeker van. Zo is het ook in geestelijke dingen. Heb ik de persoon van Jezus met een gelovig oog gezien, Zijn woorden met een gelovig oor gehoord, de zoom Zijns kleeds met een gelovige hand aangeraakt, in Jezus gewandeld met gelovige voet, dan geloof ik niet alleen, maar ben verzekerd dat Hij de Christus is. Nu had Petrus die gelovige verzekering, en die hebben alle heiligen Gods in hun mate. Dat wil niet zeggen dat gij altijd zeker bent van uw aandeel in Hem, en nooit twijfelt noch vreest; dat gij geen verzoeking tot ontrouw, geen scheiding in de gedachten, geen wankelen in het gemoed, geen afnemen in uw gevoel hebt.

Maar zijn er geen tijden en gelegenheden geweest dat gij geloofde en zeker was dat Jezus de Christus is? Gij hebt zulk een openbaring van Zijn persoon, ontdekking van Zijn genade, openbaring van Zijn liefde, of van Zijn lijden, door een levend geloof ontvangen, dat gij verzekerd bent dat Hij de Christus is. Nu, dit hield Petrus staande en zal ook u staande houden. Niets anders zal dit doen. Zonde, satan, de wereld, de lusten des vleses, de lust der ogen, en de hoogmoed des levens, met de verschillende verzoekingen over uw pad verspreid, zullen gewis ieder aftrekken, die geen Petrus’ geloof heeft in zijn hart, door Petrus’ God bewerkt, om te geloven en zeker te zijn dat Jezus de Christus is.

d. Maar wij geloven en zijn van iets anders zeker. Wij geloven en zijn zeker dat Jezus, die voor de apostel Petrus stond en met hem sprak, “de Zoon van God was” – de Zoon des Vaders in waarheid en liefde; “Gods eengeboren Zoon” die uit ‘s Vaders schoot was gekomen, waarin Hij immer was geweest, om te bloeden en te sterven voor arme verloren en rampzalige mensen. Maar Hem als zodanig beschouwende, zagen Petrus en de discipelen Hem “als het afschijnsel van ‘s Vaders heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid,” hetwelk Hij alleen in Zijn goddelijke natuur kon zijn, want alleen daarin zijn Hij en de Vader “een”.

Ik wens mij hier niet te begeven op het terrein van de geloofstwist, ofschoon daardoor dikwijls de dwaling tentoongesteld en de waarheid bevestigd wordt. Maar ik zou alleen ieder onbevooroordeeld mens willen vragen, wat Petrus anders kon bedoelen met de woorden: “de Zoon des levenden Gods” dan dat Jezus Gods ware, werkelijke en eigen Zoon was? Vlees en bloed had hem dat niet geopenbaard, maar wel de Vader zelf, dat Jezus de Christus was, de Zoon van de levende God (Matth. 16: 17); en wat dus aan zijn hart was geopenbaard, beleed hij met zijn tong. Wat wist hij of wat verlangde hij te weten aangaande dat Hij Gods Zoon was anders dan bij naam, beroep, karakter, of verbond? Zijn geloof zweefde boven alle zulke verdorvenheden, waardoor dwalende mensen hebben getracht een verborgenheid te vernietigen, die hun nooit door Gods kracht werd geopenbaard, en het omhelsde in liefde en genegenheid de eenvoudige, maar verheven waarheid, dat Jezus was de eengeboren Zoon, die de Vader gaf, “opdat een ieder, die in Hem geloofde niet zou verloren gaan, maar het eeuwige leven hebben” (Joh. 3: 16).

Nu, wat ook de mensen mogen denken of zeggen, dit is het grote keerpunt – of wij geloven of niet, dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods. Johannes verklaart dat de zodanigen uit God geboren zijn, de wereld overwonnen en het getuigenis in zichzelf hebben (1 Joh. 5: 1, 4, 10). Hij betuigt ook dat bij, die de Zoon heeft, het leven heeft, en dat hij, die de Zoon Gods niet heeft, het leven niet heeft; en verklaart verder, dat wie dit geloof bezit en bekent dat Jezus Gods Zoon is, God in hem woont en hij in God. Hoe noodzakelijk is het dan voor ons in deze dagen van dwaling, waarin mensen overal het ware en wezenlijke Zoonschap van onze aanbiddelijke Heere trachten te verbergen, weg te redeneren of te ontkennen, duidelijk voor onszelf te weten wat en in wie wij geloven, zo om bij de leer van Christus te blijven, en dus beiden de Vader en de Zoon te hebben. Wij zullen dan kunnen zeggen: En wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij de Waarachtige kennen, en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven. (1 Joh. 5: 20).

Kunt gij dan zeggen dat gij gelooft en bekent, dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods? Hoe zult gij dit geloven en bekennen? Omdat de Bijbel dit zegt? Hoe weet gij dat de Bijbel waarachtig is? Omdat ik het zeg? Hoe weet gij dat ik geen bedrieger ben? Gij moet het dan voor uzelf weten door de onderrichting van de Heilige Geest in uw hart; en gij kunt het alleen op dezelfde wijze weten zoals Petrus het wist. Zei de Heere niet tot hem: “Zalig bent gij, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader die in de hemelen is?” (Matth. 16: 17). De mensen mogen de openbaring verachten en aan de rede de voorkeur geven. De een wordt door allen bezeten; de andere is slechts aan weinigen gegeven. De wijzen en verstandigen, die alles weten, hechten zich aan de rede; de kinderkens, die niets weten, houden zich aan de openbaring. En alzo worden des Heeren woorden vervuld: “Ik dank U Vader! Heere van de hemel en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard” (Matth. 40: 25).

Zo gij dan Petrus’ geloof hebt, omdat gij een mate van Petrus’ openbaring genoten hebt, zo zult gij staande gehouden worden als hij. Kunt gij niet zeggen, uit het diepst van Uw ziel: “Heere, temidden van al mijn wankelen, vrezen, twijfelen, beproeving, smart, last en verdriet, als ik mijn ogen overal heen wend doe ik mijn geest de plechtige vraag: Tot wie zal ik heengaan? en het antwoord is steeds: Alles is donkerheid, schuld, wraak en wanhoop, behalve in Jezus.” Is dat de overtuiging van uw gemoed? Is dat in uw hart gewrocht als een gevoel, waarvan gij duidelijk gevoelt dat het nu in uw boezem is? Zover dus is Petrus’ geloof en gevoel het uw. Maar kunt gij een stap verder gaan met Petrus? Want Petrus’ geloof begon te rijzen, zodra zijn ziel door Gods kracht begon verwarmd te worden. Weet gij dat Jezus de woorden van het eeuwige leven heeft?

Heeft Hij ooit een woord met kracht tot uw hart gesproken? Zijn een geestelijk gevoel en genegenheid, zoals een goede hoop door genade, bekering ten leven, liefde tot de Heere en Zijn volk, ooit aan uw ziel geopenbaard geworden door enig woord met kracht in uw geweten gedaald, zodat gij voor uzelf weet, dat Hij de woorden van het eeuwige leven heeft, en Hij die tot u heeft gesproken? En doet u dit niet uitzien en verlangen naar enig nieuw woord, dat weer gesproken zal worden als een vernieuwd onderpand, dat gij inderdaad in Hem met een eeuwigdurende zaligheid gezaligd bent? Kunt gij dan niet voortaan te verklaren door Zijn eigen getuigenis in uw geweten en naar hetgeen gij hebt gezien en gevoeld van Zijn gelukzaligheid, schoonheid, genade en heerlijkheid, dat gij gelooft en bekent dat Hij de Christus is, de Zoon van de levende Gods? Zo ja, dan zult gij, aangaande het geloof, nooit schipbreuk lijden; gij zult nooit van de Heere weggaan. Gij kunt vele verzoekingen hebben om dit te doen; maar gij zult Hem nooit verlaten, even zo min als Hij u; want Hij is bekwaam u voor vallen te bewaren en u vlekkeloos te stellen voor het aangezicht Zijner heerlijkheid met onuitsprekelijke vreugde.

Amen.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.