16 juni
In die dagen en te dier tijd, spreekt de Heere, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn; en de zonden van Juda, maar zij zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze degenen vergeven, die Ik zal doen overblijven.
Jeremia 50:20
Sommigen vrezen dat, althans ten laatsten dage, hun zonden tot hun schande in het openbaar zullen worden tentoongesteld. Dit zal echter niet het geval zijn met de beminde kinderen Gods. Wij lezen inderdaad dat velen van die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken; en terwijl sommigen ontwaken zullen ten eeuwigen leven, zullen anderen ontwaken tot versmaadheden en een eeuwige afgrijzing, omdat hun zonden zullen worden herdacht en als getuigen van hun rechtvaardige veroordeling tegen hen zullen worden voortgebracht. Maar Gods kinderen zullen blinken als de glans des uitspansels en zullen opstaan tot eer en heerlijkheid en onverderfelijkheid; en niet één van hun zonden zal hun ten laste gelegd worden. Zij zullen staan, bekleed met Christus’ volkomen gerechtigheid, zijnde gewassen in Zijn bloed, en zullen voor de troon van God verschijnen zonder vlek en zonder rimpel.
Wij kunnen nauwelijks onze zonden herinneren. Doch wat zou er van ons worden, indien de herinnering aan een onbegraven zonde ons voor ogen zou worden gesteld in die dag, wanneer de Heere Zijn eigendom erkennen en verschonen zal? Indien er enige zonde van de vrouw des Lams als getuige tegen haar kon worden aangevoerd, hoe zou dan de stem die Johannes in de Openbaring hoorde, hebben kunnen klinken? Een stem van een grote menigte, als de stem van vele wateren, en als de stem van sterke donderslagen, zeggende: „Hallelujah! want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst.” Nu, wat was de inhoud van deze stem? „Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid. En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen” (Openb. 19:7, 8).
Doch veronderstel dat op die bruiloftsdag enige van haar vroegere overtredingen haar konden worden voorgehouden, bijvoorbeeld een geval van ontrouw aan haar beloofde goede trouw: zou dit niet voldoende zijn om het huwelijk niet te doen doorgaan, om het bruiloftsmaal te verderven en de bruid met schande weg te zenden? Neen, niets is in Gods Woord zekerder en gewisser dan de volkomen vergeving der zonden, en dat de bruid op die grote dag aan Christus zal worden voorgesteld zonder enige smet, tot Zijn heerlijkheid en uitnemende blijdschap.
Aan de lezer…
Vreest u, lezer, dat op die grote dag uw zonden tot uw schande zullen worden opgehaald? Ziet u met beving terug op ontrouw en overtreding, die u liever voor altijd begraven wist? Hoor dan wat de Heere zegt: „Israëls ongerechtigheid zal gezocht worden, maar zij zal er niet zijn.” Wat Hij vergeven heeft, wordt niet meer gevonden, al zocht men het met alle macht.
De bruid van het Lam zal niet staan in haar eigen kleed, maar bekleed met Christus’ volkomen gerechtigheid, gewassen in Zijn bloed, zonder vlek en zonder rimpel. Geen aanklager zal de bruiloft kunnen verhinderen of de bruid met schande wegzenden. Bent u een arme zondaar die naar Hem uitziet, rust dan op deze vergeving; zij is zeker en gewis, en zij zal op die dag tot Zijn heerlijkheid en uw blijdschap openbaar worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In die dagen en te dier tijd, spreekt de Heere, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn; en de zonden van Juda, maar zij zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze degenen vergeven, die Ik zal doen overblijven.
Jeremia 50:20
Sommigen vrezen dat hun zonden, in elk geval op de laatste dag, tot hun schande openlijk zullen worden tentoongesteld. Dat zal echter niet het geval zijn met de geliefde kinderen van God. Wij lezen inderdaad dat velen van hen die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken. Sommigen zullen ontwaken tot het eeuwige leven, maar anderen tot versmaadheden en een eeuwige afgrijzing, omdat hun zonden zullen worden herdacht en als getuigen van hun rechtvaardige veroordeling tegen hen zullen worden ingebracht. Maar Gods kinderen zullen blinken als de glans van het uitspansel en zullen opstaan tot eer, heerlijkheid en onvergankelijkheid; en niet één van hun zonden zal hun ten laste gelegd worden. Zij zullen staan, bekleed met de volkomen gerechtigheid van Christus en gewassen in Zijn bloed, en zij zullen voor de troon van God verschijnen zonder vlek en zonder rimpel.
Wij kunnen ons onze zonden nauwelijks herinneren. Maar wat zou er van ons worden als de herinnering aan een onbegraven zonde ons voor ogen gesteld zou worden op die dag, wanneer de Heere Zijn eigendom zal erkennen en sparen? Als er ook maar één zonde van de vrouw van het Lam als getuige tegen haar kon worden aangevoerd, hoe had dan de stem kunnen klinken die Johannes in de Openbaring hoorde? Een stem van een grote menigte, als de stem van vele wateren en als de stem van sterke donderslagen, die zei: „Hallelujah! want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst.” Wat was nu de inhoud van deze stem? „Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de heerlijkheid geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid. En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen” (Openb. 19:7, 8).
Maar stel dat haar op die bruiloftsdag enkele van haar vroegere overtredingen konden worden voorgehouden, bijvoorbeeld een geval van ontrouw aan haar beloofde trouw. Zou dat niet genoeg zijn om het huwelijk niet te laten doorgaan, om het bruiloftsmaal te bederven en de bruid met schande weg te sturen? Nee, niets is in Gods Woord zekerder en vaster dan de volkomen vergeving van de zonden, en dat de bruid op die grote dag zonder enige smet aan Christus zal worden voorgesteld, tot Zijn heerlijkheid en uitnemende blijdschap.
Aan de lezer…
Vreest u dat op die grote dag uw zonden tot uw schande zullen worden opgehaald? Ziet u met beving terug op ontrouw en overtreding, die u liever voor altijd begraven wist? Hoor dan wat de Heere zegt: „Israëls ongerechtigheid zal gezocht worden, maar zij zal er niet zijn.” Wat Hij vergeven heeft, wordt niet meer gevonden, al zocht men er met alle macht naar.
De bruid van het Lam zal niet in haar eigen kleed staan, maar bekleed met de volkomen gerechtigheid van Christus, gewassen in Zijn bloed, zonder vlek en zonder rimpel. Geen aanklager zal de bruiloft kunnen verhinderen of de bruid met schande wegsturen. Bent u een arme zondaar die naar Hem uitziet, rust dan op deze vergeving. Zij is zeker en vast, en zij zal op die dag openbaar worden, tot Zijn heerlijkheid en uw blijdschap.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
In those days, and in that time, saith the LORD, the iniquity of Israel shall be sought for, and there shall be none; and the sins of Judah, and they shall not be found: for I will pardon them whom I reserve.
Jeremiah 50:20
Some have feared lest in the great day their sins should be brought to light, and they put to shame by the exposure of their crimes to open view. But that will not be the case with the dear family of God. We read indeed that “many of them that sleep in the dust of the earth shall awake;” and while some awake “to everlasting life,” others will awake “to shame and everlasting contempt,” because their sins will be remembered and brought against them as evidences of their just condemnation. But the wise, who “shall shine as the brightness of the skies,” will rise to glory and honor and immortality, and not one of their sins will be remembered, charged, or brought against them. They will stand arrayed in Christ’s perfect righteousness and washed in His blood, and will appear before the throne of God without spot or blemish.
We can scarcely bear the recollection of our sins now. But what would become of us if the spirit of one unburied sin could flit before our eyes in the day when the Lord makes up His jewels? If any one sin of the Lamb’s wife could be remembered or brought against her, where would be the voice which John heard in Revelation, as “the voice of a great multitude, as the voice of many waters, and as the voice of mighty thunderings, saying, Alleluia; for the Lord God omnipotent reigns?” Now what was this voice? “Let us be glad and rejoice, and give honor to Him; for the marriage of the Lamb is come, and His wife has made herself ready. And to her was granted that she should be arrayed in fine linen, clean and white—for the fine linen is the righteousness of saints” (Rev. 19:7, 8).
But suppose that any of the past transgressions of the Lamb’s wife could be brought against her on that marriage day, any one instance of unfaithfulness to her plighted troth, would it not be sufficient to prevent the marriage, mar the wedding supper, and drive the bride away for very shame? No, there is no truth in God’s Word more certain than the complete forgiveness of sins, and the presentation of the Church to Christ at the great day faultless before the presence of His glory, with exceeding joy.
To the reader…
Do you fear that on that great day your sins will be brought up to your shame? Do you look back with trembling on unfaithfulness and transgression that you would rather know buried for ever? Then hear what the Lord says: “The iniquity of Israel shall be sought for, and there shall be none.” What He has pardoned is not found any more, though one searched for it with all one’s might.
The bride of the Lamb will not stand in her own garment, but clothed in the perfect righteousness of Christ, washed in His blood, without spot and without wrinkle. No accuser will be able to prevent the wedding or send the bride away in shame. If you are a poor sinner who looks out for Him, rest on this forgiveness. It is sure and steadfast, and on that day it will be made manifest, to His glory and your joy.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En aquellos días y en aquel tiempo, dice Jehová, la maldad de Israel será buscada, y no parecerá; y los pecados de Judá, y no se hallarán: porque perdonaré a los que yo hubiere dejado.
Jeremías 50:20
Algunos han temido que en el gran día sus pecados sean sacados a la luz, y ellos avergonzados al quedar sus faltas expuestas a la vista de todos. Pero no será así con la amada familia de Dios. Leemos, en efecto, que “muchos de los que duermen en el polvo de la tierra serán despertados”; y mientras unos despiertan “para vida eterna”, otros despertarán “para vergüenza y confusión perpetua”, porque sus pecados serán recordados y presentados contra ellos como pruebas de su justa condenación. Pero los entendidos, que “resplandecerán como el resplandor del firmamento”, se levantarán para gloria, honra e inmortalidad, y ni uno solo de sus pecados será recordado, imputado ni presentado contra ellos. Estarán vestidos de la perfecta justicia de Cristo y lavados en Su sangre, y comparecerán ante el trono de Dios sin mancha ni defecto.
Apenas podemos soportar ahora el recuerdo de nuestros pecados. Pero ¿qué sería de nosotros si el espectro de un solo pecado no sepultado pudiera revolotear ante nuestros ojos en el día en que el Señor reúna Sus joyas? Si un solo pecado de la esposa del Cordero pudiera ser recordado o presentado contra ella, ¿dónde quedaría la voz que Juan oyó en el Apocalipsis, “como la voz de una grande compañía, y como el ruido de muchas aguas, y como la voz de grandes truenos, que decía: Aleluya: porque reinó el Señor nuestro Dios Todopoderoso”? Ahora bien, ¿cuál era esta voz? “Gocémonos y alegrémonos y démosle gloria; porque son venidas las bodas del Cordero, y su esposa se ha aparejado. Y le fue dado que se vista de lino fino, limpio y brillante: porque el lino fino son las justificaciones de los santos” (Ap. 19:7, 8).
Pero supongamos que alguna de las transgresiones pasadas de la esposa del Cordero pudiera ser presentada contra ella en aquel día de bodas, un solo caso de infidelidad a la fe que había empeñado: ¿no bastaría para impedir el casamiento, estropear la cena de bodas y hacer huir a la esposa de pura vergüenza? No; no hay verdad en la Palabra de Dios más cierta que el perdón completo de los pecados, y la presentación de la Iglesia a Cristo en el gran día, irreprensible delante de Su gloria, con grande alegría.
Al lector…
¿Teme usted que en aquel gran día sus pecados sean sacados a relucir para su vergüenza? ¿Mira atrás con temblor a infidelidades y transgresiones que preferiría saber sepultadas para siempre? Entonces escuche lo que dice el Señor: “La maldad de Israel será buscada, y no parecerá”. Lo que Él ha perdonado ya no se halla, aunque se buscara con todas las fuerzas.
La esposa del Cordero no estará en su propio vestido, sino vestida de la perfecta justicia de Cristo, lavada en Su sangre, sin mancha ni arruga. Ningún acusador podrá impedir las bodas ni despedir a la esposa avergonzada. Si usted es un pobre pecador que mira hacia Él, descanse en este perdón. Es seguro y firme, y en aquel día será manifestado, para Su gloria y para su gozo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl