Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

WAT HEBBEN ZIJ DIE JEZUS LIEFHEBBEN, VAN HEM TE WACHTEN

Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts, Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is; en Ik zal hun schatkameren vervullen. Spreuken 8:20, 21

Het woord “Wijsheid” treffen wij menigvuldig in de Spreuken van Salomo aan. En op onderscheiden plaatsen zien wij die wijsheid voorgesteld, als sprekende tot de mensen. Met andere woorden: Zij spreekt alsof het één persoon was. Bij voorbeeld, in het begin van dit hoofdstuk lezen wij: “Roept de wijsheid niet? En verheft niet de Verstandigheid haar stem? Op de spits der hoge plaatsen, aande weg, ter plaatse waar paden zijn, staat zij; aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan de ingang der deuren, roept zij overluid: “Tot u, o mannen, roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.” Evenzo in het laatste gedeelte van het eerste hoofdstuk: ,De Opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; zij verheft Haar stem op de straten. Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij haar redenen in de stad.” (Spreuk. 1: 20, 21.)

Dit nu is geen dichterlijke of redekunstige persoonsverbeelding van de Wijsheid; ik bedoel, gelijk de redenaars en dichters soms de hoedanigheden als personen sprekende invoeren – dat is, haar voor te stellen als een persoon, en zulk een taal haar in de mond te geven, als alleen een persoon uiten kan. Ook is het niet de tevoren bestaande menselijke ziel van Christus, die hier onder de naam van Wijsheid spreekt. Het dromen van hen, die het vooraf bestaan drijven, is ten enenmale en rechtstreeks tegen de waarheid van Gods Woord; en zo, die in dat bedrog zijn opgetogen, meen veel ten bewijze van hun stelling in dit achtste hoofdstuk van Salomo’s Spreuken te vinden. Ik noem het bedrog, en ook een allergevaarlijkst bedrog, omdat het ook de wortel der verzoeningsleer aanvalt.

Want indien de menselijke ziel van Christus voor de grondlegging der wereld bestond, dan was die menselijke ziel van Christus nooit onder de wet, daar we toch lezen, dat “Hij geworden is uit een vrouw, geworden onder de wet.” Maar wanneer de ziel haar bestaan had, aleer de wet gegeven was, dan konden er geen achtervolgende, noch toegerekende werktuigen der wet op Zijn ziel zijn; en was zij nooit onder de wet, dan had ook Christus nooit de gerechtigheid, door de wet geëist, kunnen uitwerken. Daarom slaat het een dodelijke slag aan Christus’ gerechtigheid en Zijn verzoening. En zo is het met alle andere misslagen en ketterijen.

De satan zoekt geen kleine misslagen in de kerk te voeren, wel nee, zijn doel is, in het geheim een verborgen houw te doen in de grote grondwaarheden der leer. Daarom komt hij met de dwalingen en ketterijen, in zulke vermommingen tevoorschijn, dat men nauwelijks haar strekking herkennen kan, hoewel het wezenlijke doel ervan is, deze of gene grondwaarheid, waarop de ganse verwachting of zaligheid der gemeente berust, de voet te lichten, te ontzenuwen.

Ook denken wij onder de naam “Wijsheid,” hier niet aan God in het afgetrokkene, het stelt niet bloot Jehovah, als zijnde de Alleenwijze God, sprekende voor. Maar waaraan hebben wij dan te denken? Indien zij noch de wijsheid in een dichterlijke persoonsverbeelding, noch Christus tevoren bestaande menselijke ziel, noch Jehovah in het afgetrokken aangemerkt, voorstelt, wat moet zij dan betekenen? Ik geloof, dat zij te kennen geeft het Hoofd van de kerk, sprekende in Zijn verbondsbetrekking; de tweede PERSOON in de heerlijke Drieëenheid, Die ons van God geworden is “WIJSHEID, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing.” En wanneer wij de “Wijsheid,” beschouwen als vertegenwoordigende de Zoom van God, staande in de eeuwige vrederaad als het Hoofd en de Vertegenwoordiger van Zijn kerk en Zijn volk, dan zullen wij ontwaren welk een overeenstemming en schoonheid er is in alles, wat Hij in deze betrekking spreekt. Bij voorbeeld: “De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, vóór Zijn werken, van toen aan.

Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van de aanvang, van de oudheden van de aarde aan, Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fónteinen waren, zwaar van water; toen was ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermaking, te allen tijde voor Zijn aangezicht spelende; spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met van de mensenkinderen.” Hoe gepast en aangenaam stelt dit het Hoofd van de kerk in Zijn bondsbetrekking voor! De Zoon van God, die in de tijd het vlees aannam, Die in de volheid des tijds een waar menselijk lichaam en een volmaakte menselijke ziel aangenomen heeft, gelijk Hij in de eeuwige raad des vredes, als het Verbondshoofd van Zijn volk en Zijn gemeente Zich stelde, en als zodanig in hen verlustigde en een welgevallen had. Het is dan de Zoon van God, Die “ons van Gode wijsheid geworden is.”

Die hier in deze woorden spreekt, en nu gezien hebbende wie de Persoon is, die hier spreekt, mogen wij onze oren te meer openen en luisteren, wat die genadige Persoon spreekt. Wat zegt Hij ? Ik doe wandelen op de weg van de gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts, opdat ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.” Het verbondshoofd van Zijn kerk komt hier voor, als leidende Zijn volk: “Ik doe wandelen,” gelijk de goede Herder, die voor Zijn schapen gaat en stap voor stap leidt. Wij kunnen geen enkelen stap buiten Hem; alleen voor zo ver het Hem behaagt, ons stap voor stap en voet voor voet in de weg des eeuwigen levens te leiden, voor zo ver zullen wij wijsheid, sterkte of kracht hebben, daarop te wandelen.

“Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid.” Deze woorden zijn toepasselijk op Zijn gezegend werk in de ziel, waardoor Hij elk en een iegelijk, die het Hem behaagt levend te maken tot een eeuwig leven, “doet wandelen in de weg van de gerechtigheid.”
Wij willen met Gods zegen zien:

1. Hoe Hij hen leidt.
2. En waarin Hij hen leidt.

I. Laat ons beginnen dáár, waar Zijn werk in de ziel aanvangt, want ook, bij het eerste begin van Zijn werk aan het hart is het in volle nadruk waarheid, dat “Hij wandelen doet op de weg van de gerechtigheid.”
1. En hoe doet Hij in het eerst op de weg van de gerechtigheid wandelen? Door de rechtvaardigheid van Gods heilige wet open te leggen, en zo de ziel bij de wet in te leiden. Hij leidt de ziel in de “weg der gerechtigheid,” welke weg van nauwgezette onfeilbare gerechtigheid in de wet is. Want de wet vordert volmaaktheid; de wet eist een onveranderlijke, een gewisse gehoorzaamheid, “het gebod is zeer wijd,” en neemt kennis van elke gedachte des harten, van ieder woord, dat uit de mond gaat, van elke verrichting des levens. Zolang deze wet niet anders dan in de blote letter gezien wordt, zolang als zij op twee stenen tafelen geschreven staat, werkt zij niets uit.

Wij leven, gelijk de Apostel zegt (“want zonder de wet, zo leefde ik eertijds”), dat is: wij zijn aan de wet nog niet gedood, door haar nog niet schuldig verklaard, nog niet gevonnist, dat ons aan de voeten van God zou doen neervallen, en Zijn barmhartigheid zoeken. Maar de weg waarop Jezus als de “Wijsheid” van Zijn volk, hen leidt, is hen eerst te voeren tot de gerechtigheid van de wet. Hij zegt: “Ik doe wandelen op de weg van de gerechtigheid;” dat is: Hij leidt hen tot de wet door aan hun verbaasde gemoederen te ontdekken haar lengte en breedte, hoogte en diepte, haar heilige eisen, haar eeuwige kracht, haren ontzaglijke vloek, haar verslindende vlammen. Zo leidt Hij hen op deze “weg van de gerechtigheid.” Hij geeft hun haar nauwgezette, gewisse gerechtigheid aan het hart en de consciëntie te verstaan, en toont hun dat zij schuldig zijn, en nochtans onbekwaam, om te doen, hetgeen de wet vordert.

Dit werk van de ziel gaat echter, in alle gevallen, niet tot de zelfde diepte van overtuiging. Het gaat niet altijd met de zelfde verschrikkingen gepaard; ook wordt de ziel, onder de toepassing dezer rechtvaardige wet aan de consciëntie, niet altijd in dezelfde diepte van angst en droefheid gedompeld. Wij kunnen dienaangaande geen geregeld pad aftekenen; wij mogen niet zeggen, dat de overtuigingen zó diep moeten gaan, of dat zij zó lang moeten duren. Maar dit kunnen wij er van zeggen: ze moet zó diep gaan, dat zij ons tot de grond toe vernederen, en zólang moet ze duren, dat het werk van de overtuiging op een volkomen wijze geschied is. Maar hoe diep en hoe lang, moeten wij aan de onfeilbare wijsheid van God overlaten. Deze bevinding moet in elke levend gemaakte ziel gewerkt zijn: “alle mond zij gestopt en de gehele wereld voor God verdoemelijk.” Als de mond niet gestopt is, als de ziel niet verdoemelijk voor God is geworpen; als alle hoop niet is afgesneden, als alle rietstaven niet ontvallen zijn, als alle kleed van eigengerechtigheid niet als vuile vodden weggeworpen is, dan heeft de wet zijn werk nog niet voleindigd. Dan moet ze haar uitgestrektheid uitbreiden, haar wijdheid met dieper wortelen in het hart schieten totdat dat werk volkomen verricht is. Wij kunnen dit met een natuurlijk beeld ophelderen.

Wij moeten allen sterven; het vonnis, dat van Adam begonnen is, moet aan elk en een iegelijk van ons volbracht worden. Maar geschiedt zijn uitvoering aan allen op dezelfde wijze? Sommigen worden afgesneden, door een vurige koorts; anderen kwijnen langzamerhand weg, door een uitterende ziekte; deze sukkelen reeds jaren lang, voor dat het graf hun stof bergt; genen worden afgesneden in weinige dagen tijd. Maar toch, zij allen sterven, zij worden allen naar dezelfde plaats gebracht, een enge doodkist is hun aller huis in het kille graf. Zo is het met de werkingen van de wet op een levendgemaakte consciëntie. Al de vaten van barmhartigheid moeten aan de wet gedood worden, allen moeten daar gebracht worden, dat zij nóch hoop, nóch hulp, nóch vermogens hebben. Maar de juiste manier aan te wijzen, of de eenvormige wijze vast te bepalen, hoe ieder levendgemaakte ziel deze dood te ondergaan heeft, dat kunnen wij niet. Gelijk de Apostel spreekt: “wij hadden in ons zelf het vonnis des doods;” maar wij kunnen niet zeggen, hoe scherp dat vonnis des doods zijn moet, noch hoe lang het stand grijpt.

Ik ben altijd begeriger te weten, tot welke plek de ziel gebracht is, om dan de weg te kennen, langs welke zij opgekomen is. Het grote voorwerp van de beschouwing is niet zozeer de zaak zelf, als wel haar uitwerking; niet zo zeer de boom, als wel de vrucht, die de boom voortbrengt. Zien wij een ziel tot een niet vernederd, verootmoedigd in het stof des doods, al haar hoop en sterkte afgesneden, en niets bezittende en niets zijnde dan een massa zonden en schulden; wanneer dat wezenlijk en bevindelijk gevoeld wordt, zullen wij dan dat werk in twijfel trekken, enkel en alleen, omdat het pad niet gegaan is naar onze bepaalde regel en overleg, en zo niet met die bijzondere weg overeenkomt, waar langs het God behaagde sommigen van ons te leiden. Jezus doet Zijn volk “wandelen op de weg der gerechtigheid,” door hen eerst, door des Geestes onderwijzing, tot een kennis van de geestelijkheid en de eisen van Zijn heilige nauwgezette en veroordelende wet te leiden.

2. Maar deze gerechtigheid zal nooit door het schepsel uitgewerkt worden. Niets minder dan een volmaakte, onverbreekbare gehoorzaamheid kan aan haar eisen voldoen. En daarom leidt ook de WIJSHEID in de weg der gerechtigheid, door de ziel te brengen tot de bevindelijke kennis van Hem, Die de gehoorzaamheid aan de wet vervuld heeft en Die een volmaakte gerechtigheid heeft aangebracht. En gelijk Hij, en Hij alleen, de ziel stap voor stap kan leiden tot de lengte, en de breedte, en de diepte, en de hoogte van de wet, zo kan Hij, en ook Hij alleen, de ziel voeren tot de lengte, en de breedte, en de diepte, en de hoogte van Zijn eigen heerlijke gerechtigheid. Want Hij zegt: “Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid.” En hoe doet Hij dat? Hoe leidt Hij zo de ziel? Door een verborgen licht in de ziel te werpen, opdat zij zou zien, wat het Woord van God ontdekt heeft, en door een verborgen kracht in het hart uit te storten. waardoor het geloof in staat gesteld wordt, om datgene wat God bekend gemaakt heeft, aan te nemen, vast te houden en daarop te vertrouwen.

Het lezen van Gods Woord zal ons eeuwig nutteloos zijn, tenzij dat Woord levend en lichtend aan onze zielen gemaakt wordt. Daarom brengt het ons nie ts geen voordeel aan, zo wij uitwendig in Gods Woord lezen: “Dit zal Zijn Naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: de HEERE, onze Gerechtigheid.” Maar wanneer het Jehova h de Heilige Geest behaagt, – Wiens verbondsbediening en werk het is de dingen uit Jezus te nemen, en die aan het hart te openbaren, – een verborgen en gezegend licht uit te storten op deze Schriftplaats, die van Jezus spreekt als die grote Vervuller van de wet, als hebbende een heerlijke gerechtigheid teweeg gebracht, en voleindigd het werk, dat de Vader Hem te doen gegeven had; wanneer het Hem behaagt een gezegend en verborgen licht over deze Schrift te verspreiden en mag het geloof op dit ogenblik opstaan en krachtig in het hart worden, om aan te nemen, te geloven, te omhelzen, vast te houden en te pleiten op datgene, wat Hij zo in de letter van het Woord ontdekt heeft. Dan leidt Hij, door Zijn eigen overredende kracht, de ziel op de weg van de gerechtigheid.

En o, hoe wonderlijk is het, dat God zulk een weg heeft geopend waarin Zijn volk gerechtvaardigd wordt, door de toegerekende gerechtigheid van een Ander! Het zal in eeuwigheid een wonder blijven; het zal het onderwerp van de Hosanna’s van de gezaligden, door de talloze eeuwen zijn. Al hun eindig verstand zal zich uitputten, met deze verborgenheid van de wijsheid, van de liefde en van de kracht te bescho uwen. Ja zelfs de Engelen, die zo veel voortreffelijker in wijsheid zijn dan de mensen, worden voorgesteld, als “begerig zijnde, deze dingen in te zien”. Vandaar dan ook dat, toen de Verbondsark gemaakt was, en de genadestoel boven de tafelen was, die daarin waren gesteld, toen werden de serafims gemaakt, als neerziende op deze gouden Genadezetel. Dit stelde voor hoe “de hoogte, de breedte, de lengte en de diepte van deze verborgenheden zelf de vermogens van de Engelen te boven gingen.”

Maar hij doet de ziel “wandelen op de weg der gerechtigheid.” Het is niet een bloot “gaan rondom Sion, haar torens tellende,” het zegt niet zoveel, als wanneer ik rondom een paleis wandel en de eenstemmige schikking van het gebouw bewonder. Nee, maar het zegt, daarheen geleid te worden; dat persoonlijk te ondervinden, daar een onschatbaar omgang mee te hebben, daarvan de aangenaamheid te smaken. Dit is het, wat de ziel lieflijk verzadigt, en ook niets minder dan dit kan haar voldoen. Voor en aleer zij die een verzoek aan de Koning hebben, in Zijn tegenwoordigheid worden toegelaten, zijn er voorkamers en velen zalen door te gaan, zodat hij, die tot het inwendige van het paleis gebracht wordt, stap voor stap en kamer voor kamer tot in de tegenwoordigheid des Konings geleid is.

Vele arme twijfelende en vreesachtige zielen hebben hun voeten, als het ware, maar even over de drempel gezet, en misschien zien zij anderen voor zich in de tegenwoordigheid des Konings ingeleid. En wanneer de kamerling de deuren opent zien zij een straaltje van het schitterende vertrek en mogelijk een flauw voorbijsnellend gezicht van de Koning, maar … de deur wordt weer gesloten, en hun beurt is nog niet gekomen. Evenwel, hoe flauw ook het gezicht geweest is, zij hebben toch zóveel van “de Koning en Zijn schoonheid gezien,” dat het hun harten ingewonnen heeft, en zij hijgende zijn naar de tijd, wanneer zij tot Hem zullen toegelaten worden.

Wij lezen, dat de Heere “een deur van hoop in het dal van Achor, opende. ” Zo hebben Zijn lieve kinderen, voordat zij in het rijke genot dezer dingen geleid worden, om de Koning van nabij te bescho uwen en Zijn beminnelijkheid te bewonderen, hun beurt af te wachten, de tijd te verbeiden. Zij worden stap voor stap geleid, voor en aleer zij voor Zijn voeten kunnen neervallen, die met hun tranen kunnen natmaken, met de haren van hun hoofd afdrogen en Hem noemen, als hun ALLES in allen.

Eindelijk: wanneer de Heere door Zijn Geest in de ziel werkt, dan plant Hij haar zuiverheid en Goddelijke oprechtheid in. Als er geen ware en Goddelijke oprechtheid in het hart is, diens mensen Godsdienst is tot in de wortel ondeugend en niets waard. Maar deze zijn niet in de uitwerksels van onze natuur, want “het hart des mensen is bedrieglijk, meer dan enig ding, ja dodelijk.” Jezus doet Zijn volk “op den weg der gerechtigheid wandelen,” door deze geest van oprechtheid, de geest van onnozelheid en Goddelijke oprechtheid in hen te planten. Hij maakt hen dus niet alleen uitwendig rechtvaardig, door de toerekening van Zijn heerlijke gerechtigheid, maar Hij maakt ze inwendig ook rechtvaardig, door hen een rechtvaardige natuur mee te delen, “Des konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.” Hier hebben wij die dubbele gerechtigheid.

Het “kleed van gouden borduursel,” is de uitwendige mantel van de gerechtigheid, die Jezus op aarde gewrocht en op Golgótha voleindigd heeft. Én zij is “verheerlijkt inwendig,” uit kracht van de inplanting van een grondbeginsel van de oprechtheid, zuiverheid, Goddelijke vrees; en die “heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal.” Hij doet de ziel “wandelen op de weg der gerechtigheid,” door haar oprecht en onverdeeld te maken voor Hem, voor zichzelf, voor de kerk en voor de wereld. Hij maakt ons oprecht in onze gebeden, oprecht in de onderzoekingen van Zijn Woord, oprecht in onze omgang met Zijn gekochten, oprecht in de woorden, die wij spreken, oprecht in de daden die wij dagelijks te verrichten hebben, oprecht in al de onderscheiden betrekkingen van het leven, oprecht voor Hem, Hem beschouwende als Dien, “Die de harten onderzoekt en de nieren beproeft.” Op deze onderscheiden wijzen, doet de Wijsheid – (dat is de Zoon van God; “ Die ons van Gode wijsheid geworden is,” het Verbondshoofd van Zijn kerk en Zijn volk) ons “wandelen op den weg der gerechtigheid.”

“Ik doe wandelen op de weg van de gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts.”
Die, welke ik tot hiertoe u melde, zijn niet de enige lessen welke Jezus te onderwijzen heeft. Daar zijn er die menen, dat al de onderwijzingen des Geestes, vertroostende leringen zijn. Maar dit is een misvatting. “Welgelukzalig is de man, wien Gij tuchtigt, en leert uit Uw wet.” Van dit tuchtigend, bestraffend en kastijdend werk schijnt de Heere te spreken, in deze woorden: “Ik doe wandelen .in het midden van de paden des rechts.” Waar Hij ook het werk van de genade in de ziel aanvangt, daar vestigt Hij een hof des gerichts op. Zijn stedehouder is de vreze Gods, wone nde in een tere consciëntie. Deze vreze Gods, zo ingeplant zijnde, wordt “een fontein des levens, om af te wijken van de strikken des doods.” En door de kracht van deze vreze des Heeren in een tedere consciëntie, doet Jezus ons wandelen, “in het midden van de paden des rechts.”

Maar er kunnen zijn, die zeggen: “Hoe is het, dat hij spreekt van “de weg der gerechtigheid,” in het enkelvoud; maar van de paden des rechts,” in het meervoud? Is er dan slechts één weg van gerechtigheid, en zijn er vele paden des rechts? Het is zo, er is maar één weg van gerechtigheid, (de andere waarvan ik hier voor gewaagde, zijn, óf toebereidende tot- óf uitvloeiende ván die weg). Dat is dus de weg, waardoor Hij zondaren rechtvaardigt door de toerekening van Zijn heerlijke gerechtigheid. Maar er zijn een menigte “paden des rechts. ” Dat is: er zijn onderscheidene en verschillende bedelingen van de gezegende Geest aan de ziel, waardoor Hij Zich van tijd tot tijd openbaart en handelt, “als een Geest des oordeels en een Geest der uitbranding. ” Op verschillende wijze leidt Hij de ziel tot de kennis van zichzelf, en Hij gebruikt onderscheiden middelen tot het kastijden en straffen van Gods kinderen, voor hun hoogmoed en hun ongerechtigheid. Deze wegen en paden zijn veelvoudig, hoewel zij allen zich in één weg verenigen.

Onze tekst zegt, dat Hij Zijn volk doet wandelen “in het midden van de paden des rechts.” Niet ter zijden, of op de zomen daarvan, maar in het midden van die paden, en derhalve wordt hier geen kromme wandelingen voorgesteld. Hij doet hen wandelen “in het midden” dezer paden; te kennen gevende: dat Hij hen van tijd tot tijd in dit, en dan weer in dat pad leidt.

(1). Deze “paden des rechts” zijn daar, wanneer hij met Zijn heilig oog het hart onderzoekt, en de verborgene werkingen daarvan aan het licht brengt. De natuur brengt gedurig iets van de bodem van een bedrieglijk hart op, dat in rechtstreekse tegenspraak is met het Woord en het werk van God. En die huichelachtige en bedrieglijke natuur bemantelt en vermomt gedurig datgene, wat zij in het geheim te voorschijn brengt. Bij voorbeeld: zij openbaart zich in trotsheid, en noemt dat geloof; zij doet zich voor in een ijdel vertrouwen, en bestempelt dat als een goede hoop door genade; zij zoekt, onder verscheiden voorwendsels de luiheid, de zorgeloosheid en de inwilliging van het vlees te bedekken, en spreekt dan luide van de hulpeloosheid en het onvermogen van het schepsel. En zo weet de listige natuur gedurig sommige van haar diepe verdorvenheden te bemantelen en onder valse benamingen te bedekken, zoals een potscherf bedekt is met het schuim van het zilver.

 

Maar wanneer God Zijn volk “in het midden van de paden des rechts leidt, dan ontdekt en openbaart Hij de onderscheiden bedriegerijen van de natuur en noemt de dingen bij hun rechte namen. Hoe zijn sommigen onzer verstrikt geweest in verwaandheid, en wisten bij tijden niet dat het verwaandheid was! Hoe zijn wij gegaan boven onze bevinding, en zijn de onderwijzingen Gods in onze zielen vooruit gelopen! Dit is trotsheid, verwaandheid. Hetzij dan op welke grond wij staan, indien God Zelf er ons niet met Zijn hand op neerzette, dan is het verwaandheid. Velen van Gods volk zijn in deze strikken verward. Zij zijn, op het voorbeeld van anderen, ter zijde afgetrokken. Zij vertonen zich niet in hun wezenlijk karakter; bijzonder wanneer zij tot een gemeente behoren, waarin vele verwaandheid heerst; bijzonder wanneer zij opgaan onder een prediker, die niets dan verwaandheid, met elk woord dat hij spreekt, voortbrengt. “Kwade samensprekingen bederven goede zeden,” en zo gaan zij met rasse scheden tot het bedrog van de vermetelheid, dikwijls hun weg aanmerkende, als wandelden zij in het geloof.

Maar wanneer God Zijn volk, door Zijn verborgen bestraffingen, in de consciëntie en door de innerlijke tuchtiging van Zijn Geest in het hart, “in het midden van de paden des rechts” doet wandelen, dan beteugelt en brengt Hij deze verwaandheid aan het licht. Verwaandheid is de zonde van Calvinisten; eigengerechtigheid de zonde van de Antinomianen, en gelijk wij onze schichten afwerpen tegen Antinomiaanse eigengerechtigheid, zo mogen zij terecht hun pijlen tegen die, bij name aan ons behorende zonde van de vermetelheid, afschieten. Maar de Geest van God zal nimmer deze geest van de verwaandheid voeden noch over het hoofd zien. Hoe treffend heeft God die gestraft ! Toen Uza de Ark van God aanraakte, werd hij om zijn vermetelheid op de plaats geslagen, en stierf. Toen de lieden van Beth-Semes in de Ark des Heeren zagen, werden er meer dan vijftig duizend mannen, om hun onbeschaamde vermetelheid, door Jehovah afgesneden. God heeft hen, die aan deze zonde schuldig waren, met de allerzwaarste proeven Zijn gramschap treffend bezocht. Dat ook een kind van God daarin verstrikt kan zijn, blijkt duidelijk uit deze woorden van David: “Houd uw knecht ook terug van trotsheden.”

Maar wanneer God Zijn volk “in het midden van de paden des rechts” doet wandelen, dan ontdekt Hij deze verwaandheid, en straft ze “met de roede Zijns monds.” Hij tuchtigt de ziel zeer scherp, omdat zij zich in het gevaarlijk pad begeven heeft. En van alle geestelijke zonden – dat is, zonden, die in de geest bedreven worden – is er geen, die zo diep in de consciëntie eens wedergeborenen insnijdt, dan deze. En wel, omdat hij zegt: “als ik mij op dit punt bedrieg, kan het dan met mij in alles geen bedrog zijn.” Als hij hier de voet op valse grond gesteld had, waarom zal niet elke tred verkeerd geweest zijn? En wanneer hij daarom gestraft en getuchtigd wordt over de verwaandheid en trotsheid, waar hij onverhoeds in gekomen is, dan schijnt dat een mistroostende kleur over elk gedeelte van zijn bevinding te verspreiden; over het begin, midden en einde. Wanneer God dus Zijn volk “in het midden van de paden des rechts” doet wandelen, dan zijn zij geoordeeld. Gelijk de Apostel Paulus spreekt: “want indien wij ons zelf oordelen, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heere getuchtigd opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.”

(2). Zo is, ten tweede, de geveinsdheid een zonde, waaraan Gods volk veel schuldig staat. Niet, dat zij huichelaars zijn; daar is een hemelsbreed onderscheid tussen een huichelaar, en door huichelarij te zijn aangevallen. In een bedrieglijk hart moet noodzakelijk ook huichelarij huisvesten; maar een huichelaar is iemand, in wie de zonde heerst en regeert. Daarom zijn Gods kinderen geen huichelaars; maar zij zijn menigmaal diep in die zonde verstrikt. Hebt u nooit uw aangezicht veranderd? Hebt u nimmer een heilig gelaat vertoond? Zijn er, door de geveinsdheid uws harten, nimmer, om terwille van anderen, uitdrukkingen uit uw mond gegaan, waarvan u op dat oge nblik niets in uw harten gevoelde? Hebt u nooit reden tot zuchten en treuren gehad, omdat u in het gezelschap van christelijke vrienden zo huichelachtig gesproken hebt? Zij dan niet met overleg; de geveinsdheid kwam uit uw mond, hetzij u wilde of niet. Maar wanneer God Zijn volk “in het midden van de paden des rechts” doet wandelen, dan straft Hij deze snode geest in hen. Hij straft deze huichelarij, treft hen diep en kastijdt hen streng daarvoor.

(3). En Zo is het ook, wanneer de ziel is afgeweken, wanneer zij door enige vuile afgod is verstrikt geworden, zoals de Apostel zegt: “vervallen van de genade.” Dat is, niet vervallen van zijn standplaats in de genade, maar van de ogenblikkelijke heerschappij en kracht van de genade; “hebbende boelen om hoerenloon gehuurd,” gelijk Efraïm. Wanneer de Heere Zijn woorden van gramschap en verontwaardiging tegen hen, die zo ver van Hem zijn afgeweken, ontdekt, dan geselt, straft en kastijdt Hij de ziel. Zo leidt Hij dan “in het midden van de paden des rechts,” door een ho f van rechtspleging in het hart op te richten en de ziel voor die rechtbank te verklagen. Niet met wraak, zoals de doodschuldige gestraft wordt, “maar gelijk een ouder het ?kind, dat de hele dag in luiheid en speelzucht de tijd verkwist heeft, ‘s avonds terecht brengt, het bestraft over zijn gedrag, en het misschien gestreng kastijdt. Ach, denk niet hoog van uw Godsdienst, wanneer u “deze paden des rechts” niet kent! Hoewel het zeer scherpe tuchtigingen zijn, zijn zij nochtans zeer voordelig.

II. “Ik doe wandelen op de weg van de gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts: opdat ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.” Hier zien wij dus waarom Jezus, “doet wandelen in de weg van de gerechtigheid,” waarom Hij leidt “in het midden van de paden des rechts.” Het is: opdat Hij hen, die Hem liefhebben, zou doen “beërven dat bestendig is.” De meeste mensen jagen naar schaduwen. Een benevelde, ingebeelde Godsdienst is alles, wat de meeste belijders bezitten. En niets dan de inwendige onderwijzing van Goot de Heilige Geest in de ziel, kan immer die schaduwen verbannen, en iets “bestendigs” in de plaats geven.

(1) Maar wat is bestendig? Het is iets stevigs, iets gewichtigs, iets wezenlijks, iets krachtigs, iets eeuwigs. Het is iets, dat niet met de tijd verdwijnt en wegvliegt, gelijk het kaf vande dorsvloer en de rook uit de oven. Het is iets, dat niet enkel en alleen in de gezichten van het verstand dobbert. Het is het krachtige, gevoelvolle, levende, bedauwende en gezegende Koninkrijk van God, met gezag in de ziel opgericht. Maar hoe kan het zijn, dat God Zijn volk doet ,beërven dat bestendig is,” door ze te doen “wandelen op de weg van de gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts?” Weinige voorbeelden zullen ons dit duidelijk maken. Wanneer Hij hen eerst op de weg van gerechtigheid doet wandelen in het openen van Zijn heilige wet, dan drijft Hij alle schaduwen weg. Wij hadden opeengestapeld en tezamen vergaderd met grote arbeid, kaf en hooi en stro en stoppelen.

Wij zijn dan die man gelijk geweest waarvan in de Heilige Schrift gezegd wordt dat “hij droomde en zie, hij at, maar, ontwaakt zijnde was zijn buik ledig.” Zo droomden wij ons leven lang, ons gedurig voedende met schaduwen, met een naam van te leven, met een vormelijke Godsdienst, met een bloot uitwendige vertoning van Godzaligheid, tevreden met weinige instellingen en leringen, meende, dat deze ons beschutten zouden in de dag van de wrake Gods. Al deze waren schaduwen, van geen meerder baat, om onze zielen van de toekomende toorn te bevrijden, dan de schaduwen van een berg in de morgenzon dat kunnen doen. Maar toen de Heere ons begon te leiden “op de weg der gerechtigheid” verdwenen deze schaduwen. Toen was er enigszins behoefte aan de verkrijging van de gunst van God; er was iets nodig, waardoor de ziel die alles doordringende ogen, die haar door en door beproefden, ontkomen kon. En de ziel begon uit te zien naar iets “bestendigs,” had behoefte aan iets wezenlijks, moest in zich een stem van de Heere Zelf horen, een getuigenis van Zijn eeuwige gunst en een openbaring van Zijn liefde hebben. Daar was behoefte aan iets bestendigs.

De ziel begon te “hongeren en te dorsten naar de gerechtigheid,” te hijgen en te verlangen naar de openbaring van Jezus’ liefde, en met alles, minder dan het werk en de getuigenis des Heiligen Geestes, was de ziel onvoldaan, niet tevreden, ja het vermoeide haar. Wanneer “de mond gestopt, en de ziel verdoemelijk voor God gesteld wordt, dan heeft zij behoefte aan vergeving, vrede, barmhartigheid, bloed en liefde. Met niets minder kan zij het doen, en daar naar hijgt en verlangt zij met onuitsprekelijke zuchtingen. En wanneer Jezus Zijn volk “op de weg der gerechtigheid” doet wandelen, door hun Zijn heerlijke gerechtigheid bekend te maken, dan beginnen zij iets bestendigs te erven, waarnaar zij zo verlangende waren. Onder de wet is er geen bestendigheid ; zij is slechts van de ziel een voorbereiding, om het bestendige te ontvangen. Ze ledigt de ziel, opdat zij vervuld zou worden; ze kleedt de ziel uit, opdat zij gekleed zou worden. De ziel wordt door haar gewond opdat zij genezen zou worden; de ziel wordt door haar vernederd, om veel heerlijker verheven te worden. Maar wanneer Hij de ziel “op de weg van de gerechtigheid” doet wandelen – die wondervolle weg, waardoor de ziel door Zijn toegerekende gerechtigheid gerechtvaardigd wordt – dan is dat, opdat de ziel zou “beërven dat bestendig is.” Dat is: reeds hier op aarde aanvaardt zij die bestendige erfenis, door daarvan te genieten een voorsmaak, daarvan te hebben het begin, de eerstelingen, de vroegrijpe vruchten.

(2) Verder: als Hij de ziel doet wandelen “in het midden van de paden des rechts,” – als Hij door de diepdringende bestraffingen en tuchtigingen van Zijn Geest de blote ingebeelde dromerijen, waarin wij zo dikwijls verstikt waren, aan het licht brengt, dan maakt Hij de ziel verlange nd naar Goddelijke onderwij zing. Wanneer Hij, bij voorbeeld, door het inwendig licht, dat Hij uw ziel meedeelde, uw trotsheid, die u onder de naam van geloof schuil hield, aantoonde, toen ontstak Hij in uw ziel een ernstig zuchten en roepen naar de mededeling van Goddelijk geloof aan uw hart. Door die valse munt u ontnomen werd u arm, maar daardoor werd uw hart toebereid voor de onvervalste schat. Zodat, als Hij u leidt “in het midden van de paden des rechts” in het wegnemen van de verwaandheid, doet Hij u “beërven dat bestendig is,” door in uw hart op te wekken de verzuchtingen en roepingen naar het geloof, en het daarna mee te delen en het krachtig in uw ziel te storten. Want “het geloof is een vaste grond van de dingen, die men hoopt,” en daarom, hij, die geloof erft, beërft iets bestendigs, iets wezenlijks.

(3) Verder, toen Hij de geveinsdheid van uw vleselijk gemoed aan het licht bracht en u met schaamte en verwarring des aangezichts bedekte, omdat u zo verleid en verstrikt waart inde vertoning van een huichelachtig gelaat, huichelachtige gedachten en veinzende woorden, toen trok Hij een mismoedige kleur over al uw Godsdienst; maar toen Hij dat deed, ontstak Hij in uw ziel een zuchten, begeerten, hijging en verlangen naar Goddelijke oprechtheid en zuiverheid, Goddelijk ontzag, een vrezen voor misleid te worden, een begeren om oprecht te zijn. En dan, wanneer Hij in uw ziel die geest van oprechtheid, geheelheid en Goddelijke vrees ingegeven had, deed Hij u “beërven dat bestendig is.” Daar is iets bestendigs in de oprechtheid; daar is iets, dat kracht heeft, dat wezenlijkheid, leven, en van een zwaar gewicht is, als de Heere oprechtheid in u geeft.

(4) Eindelijk is het zo ook, wanneer u van Hem was afgeweken, verward met de afgoden, en uw hart in het verborgen van uw God afgezworven was. Maar toen uw afgoden u ontnomen en uw afwijkingen aan u ontdekt werden, waardoor uw ziel zuchtende en roepende gemaakt werd en het Hem behaagde, het licht van Zijn aangezicht weer over u te verheffen, dan deed Hij u “beërven dat bestendig is,” naar de openbaring van Hem, Wie uw ziel beminde.

O, welk een droom- en schaduwbeeld is een blote uitwendige belijdenis van de Godsdienst! En welk een begoochelend bedrog is er in al het vermaak dat de zonde aanbrengt! Hoe naakt en ontbloot, gewond, walgelijk en schuldig laat het de ziel voor God! Wij hebben zo dikwijls ons vermaak in de zonden voorgesteld, maar wat hebben wij gevonden? Alsem en gal; hoe vleiend ook de taal mocht zijn. Haar vrucht is dodelijk venijn!” Al haar schoonschijnende vermakelijkheden verdwijnen als rook, en laten niets dan schuld en schaamte achter.

Maar wanneer God ook onze zielen in de zoete gemeenschap met Hem zelf leidde, als Hij onze genegenheden in Hem als het enigste Middenpunt deed eindigen, als Hij onze zielen deed smelten aan Zijn voeten, hoe en wanneer Hij ons beweldadigde met de mededeling van Zijn eeuwig welbehagen en onderscheidende liefde, dan was daar een bestendigheid, iets gewichtigs in. Dat was iets krachtigs, dat was een voorsmaak en de eerstelingen van een nimmer eindigende eeuwigheid. Als Hij dus “Zijn liefhebbers doet beërven dat bestendig is,” dan geeft Hij hun een bestendige Godsdienst, iets wezenlijks, iets, dat in de ziel druipt uit die hooggezegende God Zélf, iets dat uit Hem en uit de volheid van Zijn vriendelijk en beminnelijk hart komt, om hen verheugd en verblijd te maken. En ik geloof, dat geen levende ziel, met enige mindere dingen dan die bestendigheid voldaan zal zijn.

Ach, welk een vreze heeft een gelovige van slechts “de naam te hebben, dat hij leeft;” om door huichelarij bemanteld te zijn! Hoe bevreesd is hij van door de bedriegerij van satan misleid te worden, en zo onder de toorn van God te sterven! Hij heeft behoefte aan iets Hemels, iets bovennatuurlijks, iets dat door God Zelf in het hart gewrocht is. Hij mag zwak zijn en vol twijfelingen, laat hem vol vreze en bezet zijn met beving, met zijn eigen vuile verdorvenheden vervuld wezen, en daarom treuren; niettegenstaande moet hij iets “ bestendigs” hebben, hij moet iets vasts en wezenlijks hebben, iets, dat van God en alleen van God komt. Op de blote waarhe id of de mening van mensen, kan hij zich niet gerust stellen; dat alles zijn schaduwen voor hem; hij heeft behoefte aan iets, dat de ziel tot de liefde van God kan optrekken, en haar vervullen met die “vrede die de kennis te boven gaat.”

Deze is bestendig. En de duivel ziet er zo veel kwaad voor hem niet in, dat het hoofd daarmede vervuld is, zo hij die wezenlijkheden maar uit het hart kan houden. Hij bekreunt er zich weinig om, welke uw geloofsbelijdenis is, of waar u ter kerk gaat, of wat de denkbeelden in uw hoofd zijn; het is tegen dat bestendige – het Koninkrijk van God – met liefde en kracht in de ziel heersende – dát is het, wat de satan rechtstreeks aanvalt.

“Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.” Deze schatkamers zijn de schatkamers van het hart. Wij lezen, dat “de goede mens brengt voort goede dingen uit de goeden schat des harten en de boze mens brengt boze dingen voort uit de boze n schat des harten.” Wanneer dan de Heere belooft, dat Hij “hun schatkameren vervullen” zal, dan bedoelt Hij daarmede hun hart. Dat is: Hij zal hun hart met Zijn eigen gezegende volheid vervullen. Hoe vervult Hij die? Met de zoete openbaring van Hemzelf. Dat vervult het hart en ook niets anders kan het vervullen. Alle dingen, behalve Jezus, en Die van de ziel ontdekt en geopenbaard zijn, laten een pijnlijke ledigheid. Alle verwachtingen, en gewaarwordingen, en begeerten en hijging en verlangen, ja al het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid – die allen kunnen een pijnlijke en knellende holligheid niet vervullen.

Een begeerte naar spijs is geen voedsel; de dorst ia nog geen verfrissende drank, en het blote hongeren en dorsten naar de gerechtigheid – ofschoon het leven te kennen geeft en een aangenaam bewijs is, dat God in uw ziel werkt, – dat is nog geen dadelijk eten van Jezus als het Brood, dat uit de Hemel neergedaald is. Niet minder, dan Jezus in het hart, de Hoop der heerlijkheid kan immer een levende ziel verzaden. Doch wanneer Hij Zijn liefde uitstort, wanneer Hij Zich vervaardigt Zijn genadige tegenwoordigheid mee te delen, wanneer Hij Zijn verzoenend bloed toepast, dan is het hart vervuld. Het behoeft niets meer, het is voldaan – rijkelijk, overvloedig voldaan. Het heeft alles wat het kan genieten, en alles wat het behoeft te genieten. En genoot zij dat altijd, zij zou een Hemel hier beneden hebben.

“Ik doe wandelen op de weg van de gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts, opdat Ik Mijn Liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.” U ziet, mijn vrienden! wie het zijn, die God deze zegen geeft, Het zijn dezen, die Jezus liefhebben. En wie hebben Hem lief? Zij, die hun behoefte aan Hem gevoeld hebben, en in wier harten het geloof gewrocht is, om in Zijn Naam te geloven. “U dan, die gelooft, is Hij dierbaar.” Dit geloof, dat door de liefde werkende is, plant Hij hen in, als Hij doet wandelen op de weg der gerechtigheid, door hen een schemering te geven van Zijn beminnelijk Persoon en heerlijke gerechtigheid. Dit is het begin van Gods Koningrijk in de ziel, de eerste ontdekking van de Schat, verborgen in de akker des Woords. En deze schat, verrijkt het hart, door het te verarmen en schrijft aan alle andere dingen armoede toe. Dan is de ziel gewillig gemaakt te volgen, waar Hij henen leidt, zelfs in de paden des rechts, opdat de schatkamers zouden vervuld worden. Wat zijn weinige muntstukken? Ach! zij zijn zo spoedig verteerd en uitgegeven.

Maar toch, zij leren ons, wat goud is, en maken het hart begerig naar meer. Zelfs de Paden des rechts worden, zo niet welkom, dan ten minste draagzaam, als er schatten in gevonden worden. Op vele tijden zouden wij verheugd en met blijdschap vervuld wezen, als onze schatkamers vervuld waren, maar wij zoeken die vervulling niet in Gods weg. Hij zegt: – en kunnen Zijn woorden veranderd worden – dat wij door Hem op de weg der gerechtigheid moeten geleid worden. Hijzelf moet ons doen wandelen in het midden van de paden des rechts, en dan zal Hij ons bij tijden doen “beërven dat bestendig is,” en wij zullen gewaar worden, welk een bestendigheid er in Zijn liefde is. Hij zal onze harten vervullen met de schatten van de wijsheid en van de kennis, van de liefde en van kracht, welke naar des Vaders welbehagen in Hem wonen, opdat wij, uit Zijn volheid, genade voor genade zouden ontvangen. AMEN.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.