Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Verlossing uit de macht der duisternis

Leerrede Over Kol. 1: 12, 13. Dankende den Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht; Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde.

De Godsdienst moet ons of alles of niets zijn. Onverschilligheid is verdervend; verzuim is ondergang. Welk verlies ons mag treffen, het verlies der ziel is alleen onherstelbaar, niet te vergelden. Gij kunt bezittingen verliezen, maar ook kunt gij ze weer herwinnen, althans voor een gedeelte; gij kunt uw gezondheid verliezen, maar na uw krankheid of ongemak kan het ook bij u zijn: ik ben nu sterker dan tevoren; voor verloren vrienden kan God u anderen geven, misschien oprechter en waardiger dan die gij verloren hebt; gij mag uw goede naam verliezen, maar gelijk de zon van achter de wolken, zo kan uw karakter te helderder daarna blinken; gij kunt zelf uw leven verliezen, gelijk de gezaligde martelaars dat der vlammen prijs gaven, en het nochtans vinden, gelijk de Heere zelf verklaard heeft: Die zijn leven vindt zal hetzelve verliezen; en die zijn leven zal verloren hebben om’ Mijnentwil, zal hetzelve vinden.”

Maar wanneer gij uw ziel verliest, wat zal dat verlies goed maken? Hoort wat de Heere zegt: Wat baat het de mens, zo hij de gehele wereld gewon, en zijner ziel schade leed? Of wat zal een mens geven tot lossing zijner ziel?” (Matth. 16: 26.) Gevoelt gij wel, welk ene vreselijke waarheid de woorden: Hemel en hel inhouden? Gevoelde gij ooit, dat het gewinnen van de Hemel alles inhoudt, wat uw ziel voor eeuwig gelukkig kan maken; en dat het verliezen van de Hemel niet alleen het derven der eeuwige gelukzaligheid is, maar tegelijk het neerploffen in een grondeloos, eeuwigdurend, onuitsprekelijk wee? Het gelovig gezicht en drukkend besef der eeuwige dingen, het zwaarwichtig, soms overweldigend gevoel van ene onsterfelijke ziel in zich om te dragen, brengt en houdt levendig die benauwende oefeningen van Gods kinderen, zodat zij vaak de zin en zienlijke dingen dien als kinderspeelgoed en klatergoud beschouwen, dat zij lichter zijn dan de ijdelheid en leeg als de wind; schoon zij de dingen der eeuwigheid alleen voor zekere, duurzame wezenlijkheden beschouwen.

De apostel, vervuld met een besef van deze eeuwige wezenlijkheden, verheft in onze tekst zijn hart in heilige verwondering en aanbidding, en roept de heiligen op, om zich met hem te verenigen in dankzegging tot de God van alle barmhartigheid, voor hetgeen Hij wrocht voor hen, die Zijn groten en heiligen naam vrezen, die Hij, door ene daad van Soevereine, onderscheidende genade, als een brandhout uit het vuur wilde rukken, hun gevend recht op en bekwaamheid tot de eeuwige zaligheid: – Dankende de Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht; Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde.”

Wie zijn het, die de apostel oproept tot dankzegging aan de Vader? Wie zijn het, die gezegd worden bekwaam gemaakt te zijn, om deel te hebben aan deze heerlijke erfenis? – verlost uit de macht der duisternis, en overgezet in het Koninkrijk van Gods geliefde zoon? Het zijn de heilige en gelovige broederen in Christus,” aan wie deze brief geschreven werd; van wiens geloof in Christus Jezus en hun liefde tot al de heiligen bij gehoord had; tot welke het woord der waarheid van het Evangelie gekomen was, en in wie het gezegende vruchten voortbracht.

Ik zal met Gods hulp en zegen, deze woorden trachten te ontvouwen, en aantonen,

I. Welke is de macht der duisternis, en hoe God de Zijn daaruit trekt of verlost.

II. Wat is het Koninkrijk van Gods geliefde zoon, en hoe de Heere ons daarin overzet.

III. Wat wij verstaan door de erve van de heiligen in het licht, en hoe God ons bekwaam maakt daarin deel te hebben.

IV. Hoe een bevindelijk genot van deze Goddelijke zegeningen ons maakt dankende de Vader, die deze wonderen voor ons en deze kenmerken Zijner genade in ons wrocht.

De Heere geve mij zo te spreken, dat Zijn klacht en zalving het woord mag vergezellen met Goddelijke zegen aan uw harten!

I. De Apostel spreekt van de macht der duisternis.” Ik zal eerst, met Gods zegen, verklaren wat “duisternis” is en daarna zoeken te ontvouwen de betekenis der uitdrukking “macht der duisternis.”

1. Door duisternis kunnen wij onderscheiden dingen verstaan, naar de getuigenis der Heilige Schrift en de verschillende meningen daarin opgetekend.

Vooreerst, wordt duisternis dikwijls genomen in de betekenis van onkunde, onwetendheid, en bijzonder die onwetendheid Gods en der Godzaligheid, waarin alle mensen gezonken zijn door de ongerechtigheid van onze eerste ouders. In dien zin geeft het te kennen, die volstrekte, volkomen onkunde van al wat geestelijk, Hemels en Goddelijk is, die zwarte en donkere wolken van nog meer dau middernachtelijke, nog erger dan Egyptische duisternis, welke zo zwaar rust en zich overvloedig verspreidt over de gemoederen der mensen. Aldus spreekt de Profeet: Duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken.” (Jes. 60: 3.)

En wederom: Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.” (Jes. 9: l). Evenzo (Joh. 1: 5.) Het licht schijnt in de duisternis en duisternis heeft hetzelve niet begrepen.” In al deze plaatsen – en wij zouden ze zeer kunnen vermenigvuldigen, – heeft het woord duisternis” de betekenis van die volslagen onwetendheid, welke over des mensen gemoed verspreid ligt, zodat ze kunnen zien noch kennen, verstaan noch gevoelen de kracht van Gods waarheid. Te recht heeft David hun staat beschreven: Zij weten niet, en verstaan niet, zij wandelen steeds in duisternis.” (Ps. 82: 5).

Dit is de staat door de Profeet beschreven, aldus door Johannes opgetekend: Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja wederom gezegd heeft: Bij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.” (Joh. 12: 399 40). In deze toestand verkeren van nature alle mensen, en duizenden leven en sterven in dezelve, in onkennis van de enige waarachtige god, en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft; en derhalve verstoken van het eeuwige leven.

Ten tweede heeft “duisternis” in de Schrift de betekenis van zonde. Alzo spreekt de Apostel: Hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze.” (Ef. 5: 11). Wij weten, dat de duisternis ze zonde begunstigt; dat, wanneer de zon onder is en de nacht het aardrijk bedekt het de tijd is voor de zondaar om uit te gaan tot het bedrijf zijner goddeloze daden. Even gelijk de nachtuil, wanneer de zon haren loop voleindigd heeft en de schaduwen van de nacht daar zijn, van haren schuilhoek uitgaat op haren prooi, zo treedt de Goddeloze zondaar uit in het middernachtelijk duister, om in de schaduwen van het donker die daden te bedrijven, welke de zon niet mag aanschouwen. Er is ene natuurlijke consciëntie in de mens. Er is algemeen onder het volk een goedkeuren van wat zedelijk recht is, en een afkeuren van wat zedelijk verkeerd ‘ en kwaad is; en naar deze aangeboren beginselen van recht en verkeerd, goed en kwaad, zijn er wetten, die, en dat terecht en met wijsheid, de kwade daden straffen. Om derhalve deze zware straffen van menselijke gerechtigheid te vermijden – want zij ontzien niets anders – gaat de dief, de moordenaar, de rover uit om zijn daden in het duister te plegen.

Ten derde gebruikt de Heilige Geest dit woord nog tot andere bedoelingen. Wij lezen van de geweldhebbers der duisternis van deze wereld. 1) (Ef. 6: 12). En de Heere zei tot degenen, die Hem kwamen gevangen nemen: Dit is uw uur en de macht der duisternis.” (Luk. 22: 53). De satan is in vellen nadruk “de vorst der duisternis. “Want gelijk God een licht is”, (1 Joh. 1: 5) en “een ontoegankelijk licht bewoont”; zo ook de vijand van God en mensen de geweldhebber der duisternis, en uitgeworpen van zijn tegenwoordige geweldenaars heerschappij, als de overste van de macht der lucht, zal hij opgesloten worden in de zwartheid van eeuwige duisternis. De duisternis der onwetendheid en zonde, in welke de mensen wandelen, begunstigt zeer zijn diepe ontwerpen. De blindheid der mensen doet hem zijn strikken ongemerkt uitspannen, en de verzotte liefde tot de zonde begraaft de arme blinden in dezelve. Eens was hij een engel des lichts, een reine en heerlijke seraf, blinkende in de hoven van de hemel gelijk de morgenster aan de oosterse luchthemel, schitterende in schoonheid en heerlijkheid; maar hoogmoed en, ongehoorzaamheid wierp hem terneer en maakte hem een vuile, loze duivel, thans met banden onder de duisternis bewaard tot het oordeel des groten dags. (Jes. 14: 12; Judas 6).

Nog is er ene andere betekenis van het woord duisternis, namelijk eeuwige ellende; gelijk Judas spreekt: “Dewelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt” In de duisternis zelf is natuurlijk iets ellendigs. Wanneer gij in een donkere nacht in welke geen ster aan het uitspansel tintelde en de maan haar vriendelijk licht inhield, op de weg ronddwaalde, en bij al het heimwee naar uw huis, eiken voetstap u duidelijk maakte, dat gij geheel uw weg verloren had, al kwelde u niet zozeer het onweder, vermoeienis of honger, dan nog zou het gevoel van duisternis op zich zelf genoeg zijn, om u ellendig te gevoelen. Gelijk licht in zich bevat het wezen van blijdschap en gelukzaligheid, zo is het innerlijke der duisternis zelf ellende en rampzaligheid. In ene onderaardse mijn slechts een uur te verkeren is onaangenaam voor ons gevoel; daar altijd te wezen zou voor ons op zich zelf ellendig zijn. Maar voor eeuwig opgesloten te zijn in de donkerheid des duisternis, 0, welk hart bevat, welke tong spreekt uit het gewicht van dat wee? De grondeloze rampzaligheid van geworpen te worden in de buitenste duisternis, waar geen straal van barmhartigheid en genade immer gezien wordt, maar de brandende vlammen en verterende bliksemen van Gods eeuwige en onverzoenlijke wraak voor eeuwig op des zondaars hoofd zullen wezen; voor eeuwig buiten de Hemel gesloten te wezen, met al zijn zaligheid, en gepijnigd te worden in de hel met al haar verschrikkingen en al haar wanhoop – nee! geen tong kan de vreselijkheid van zulk een vonnis uitspreken.

2. Maar de apostel spreekt van .de macht der duisternis.” Niet alleen van de duisternis, zo even beschreven, maar van de macht der duisternis worden wij verlost. Om u dit meer duidelijk te maken, zal ik de zo even gemelde vier zaken nog eens nagaan, en de macht der duisternis van haar afzonderlijk aantonen.

Vooreerst, onkunde, en welk ene macht heeft zij! Dat kennis macht is, wordt als ene grondstellige spreuk aangenomen, maar men heeft vaak voorbijgezien, dat onkunde ook macht is. Wat toch kunt gij met een onwetend mens beginnen? Gij hebt een moeilijk en fijn stuk werk te maken, maar helaas! gij treft een onkundig werkman, wat kunt gij met hem beginnen? Zijn onkunde zal uw kennis daarin bezoedelen, hoe bekwaam gij ook wezen mag. Welk ene macht is er in zijn onkunde, indien hij niet kan begrijpen wat en hoe het werk moet gedaan worden! Is zij niet sterker dan al uw kennis? Of neemt ene andere zaak, die van enen volslagen onkundige van alle werk – hoe onaangenaam, hoe geheel onmogelijk is het iets met hem uit te richten! Zijn onkunde is een slagboom, welke gij niet kunt neerwerpen noch daardoor dringen.

Waarlijk, er is zowel eenmacht der onwetendheid als ene macht der kennis. Men spreekt soms van de opgeblazenheid der kennis. En voorzeker, er is een hoogmoed der kennis; maar ook niet ene hovaardigheid der onkunde? Zijn niet sommige mensen zo hoogmoedig op hun onwetendheid, als anderen op hun kennis? Sommigen menen, dat de arme niet trots kan wezen; maar ik heb hen alleszins zo hoogmoedig leren kennen als de rijken; neen, ik heb onkundigen opgeblazener gezien op hun onkunde, dan geleerden op hun wetenschap. De macht der onkennis in de dingen Gods nu is verbazend. Met een mens, die gewillig is om onderwezen te worden, kunt gij nog iets doen; hem, die begerig is te leren, kunt gij onderricht geven; gij kunt kennis meedelen aan iemand van een kinderlijken, leerzame geest: – maar een mens, die met de sterkste eigenwaan en zelf behagen, als in de banden der onkunde opgesloten is, en die niet wil luisteren, heeft ene vesting in zijn onkunde, die volmaakt krijgskundig, beproefd is, als van geen kennis te doordringen. Ik heb soms gezucht en gelachen over de verregaande dwaasheid van hen, in wiens gezelschap ik geraakte – zuchtende om hun dwaasheid en lachende om hun verwaandheid.

En hoe bijzonder vertoont zich de macht der onkunde in het gemoed des mensen met betrekking tot de Godsdienst, en welke kracht en invloed heeft zij! Wat vooroordeel, wat ledigheid, hardnekkigheid, ongeloof, eigengerechtigheid en Goddeloze beslistheid om nimmer enige overtuiging af te leggen of het oor te lenen aan enig onderricht! Ik heb in deze stad reeds meer dan twintig jaren het Evangelie gepredikt, en de weg der zaligheid naar Gods onfeilbaar Woord aangewezen; mijn leerredenen en geschriften zijn heinde en ver over dit land verspreid, en hoe weinigen nochtans, vergelijkenderwijs gesproken, ontvingen de waarheid in liefde en de liefde der waarheid, zoals zij ons zalig doet zijn! Inderdaad, zo groot is de macht der duisternis over de gemoederen der mensen, dat niets dan de kracht Gods hen daarvan kan verlossen. Niemand verloste ooit zichzelf; noch ook ooit zal iemand een ander uit die macht trekken. God alleen verlost de kinderen des Koninkrijks, naar van de apostel verklaring in onze tekst, uit dezelve, door Zijn almachtige kracht.

Ten tweede heb ik aangemerkt, dat duisternis zonde betekent. De macht der duisternis is dus zowel de macht der zonde als der onkunde; en deze macht is onpeilbaar en onbeschrijfelijk. De grote kracht der zonde bestaat hierin, dat zij een listige en verborgen invloed is, elke draad en hoek v n Is mensen gemoed doordringende en vervullende, en handelende op ene wijze, die moet worden gevoeld om te worden gekend. Zij is gelijk ene rivier, diep en snel vloeiende, maar toch zo zacht en zonder gedruis, dat gij schier niet geloven kunt, dat het een krachtige stroom is. Beproeft het; daalt er in. Zo lang gij u met de vloed laat afglijden, zult gij zijn kracht niet bemerken; maar wendt u om, en poogt hem tegen te zwemmen of tegen te roeien, dan zult gij weldra de kracht van de stroom gewaar worden, die u straks zo rustig scheen. alzo is het met de kracht der zonde.

Zo lang een mens met de stroom der zonde afdrijft, is hij onbewust van de kracht, die zij over hem uitoefent. Hij geeft zich der zonde over, en is daarom in onkennis van haar sterkte, schoon zij hem langs zo meer doet naderen aan en eindelijk storten in de afgrond van eeuwig wee. Laat hem zich tegen haar stellen. Of dat een dam geworpen worde in de rivier, welke gaande weg zachter schijnt af te stromen. Maar o, hoe begint de rivier te rijzen! Hoe verbolgen en bruisende worden haar wateren! Zij treedt buiten haar oevers, ja de dam zal voor baar geweld spoedig moeten zwichten 1 Alzo met de kracht der zonde. Als gij de zonde dient en haar gehoorzaamt, zal zij weinig kracht schijnen te bezitten; maar wanneer gij haar weerstand biedt, dan zult gij haar verborgen kracht gewaar worden, zodat gij ten enenmale door haar zult weggevoerd worden, tenzij Gods kracht het verhoede!

Maar ik merkte ten derde aan, dat de satan door duisternis getekend wordt, omdat hij de vorst der duisternis is. En alzo is de macht der duisternis de kracht, welke de satan over des mensen gemoed uitoefent. De satan heeft toegang tot elke schuilhoek van des mensen hart. Hij is een geest van verbazende wijsheid en kennis; en bovenal de macht van engelen verstand, welke hij, schoon gevallen, overhield, heeft hij ene bevinding achter zich van bijna zes duizend jaren, en is door en door bekend geworden met al de neigingen van ons gemoed, en met wat ik misschien wel mag noemen: de zwakste zijde des mensen. Hij weet nauwkeurig waar zijn belegering te stellen, – waar zijn strikken en netten uit te spreiden. Hij weet de weg en het middel om het gemoed te verduisteren, zijn begeerlijkheden en driften op te wekken, de innerlijke kracht der zonde te versterken, en zo te werken op de hoogmoed, bet oordeel, de vijandschap, het ongeloof, wantrouwen en de eigengerechtigheid, zo diep in des mensen hart liggende, om ze alle krachtig te maken, opdat zij voor niets dan zijn verborgen werkingen en invloeden zouden vatbaar zijn. Hij wordt daarom gezegd te wezen “de geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid.”

Ten vierde, is er nog de macht der hel, de bezoekingen van moedeloosheid en wanhoop, de zwaarmoedige twijfelingen en vrees dat menig ontwaakte ziel in ene bevatting, van de toekomende toorn doet zinken, onder een gevoelig besef van de schuld op het geweten. Nu, deze vier zaken, maken in vereniging de macht der duisternis” uit. Wie kan ons uit deze macht verlossen? – Niets minder dan ene almachtige hand – niets dan de onoverwinnelijke genade Gods.

3. En nu vragen wij, hoe de Heere ons uit de macht der duisternis trekt of verlost? – Ik zal het u aantonen. Hij doet het door een werk der genade aan ons hart. Ja, Hij kan gezegd worden ons in zekere zin te verlossen op het ogenblik, dat deze genade haar Goddelijke en gezegende werkingen aanvangt. Er is ene aanvankelijke trekking – ene beginnende verlossing; in eens niet volkomen, geheel; maar bij aanvang. Ik zal u duidelijk maken, wat ik hier mee bedoel, door het voorbeeld van Jozef in de kerker. Jozef was in de gevangenis, en zijn persoon kwam in de ijzers. Hoe zal hij er uit verlost worden, tenzij door een weg, die wonderlijk is? – Maar toen de overste van de schenker en en de overste der bakkers door Gods Voorzienigheid in dezelfde gevangenis gebracht werden, bereidde God daarin een plan tot Jozefs verlossing; en bijzonder, als Hij Farao een droom deed dromen, die niemand der wijzen kon uitleggen. Jozef was nog in de gevangenis; maar toen de bode des koning hem kwam roepen, om voor Farao de droom te verklaren, dat was het kennelijk begin van zijn uitredding.

Doch Jozef moest eerst de baard geschoren worden; want de Egyptenaars droegen de baard niet gelijk de kinderen Israëls; bij mocht zo niet in des konings tegenwoordigheid verschijnen. Daarenboven was hij in het gewaad der gevangenen, zijn haar was gelijk zijn kleed, ja geheel zijn persoon was bevuild met het slijk en vuil deskerkers. Hij moest dus gewassen, geschoren en welvoeglijk gekleed zijn, alvorens hij tot de koning ingebracht werd. Ook was zijn uitgaan uit de gevangenis geen volkomen verlossing voor hem; want hij kon derwaarts teruggezonden worden. Maar toen hij de koning zijn droom had bekend gemaakt, en Farao zijn ring van de hand namen dien aan Jozefs vinger deed, hem fijn linnen deed aantrekken, en ene gouden keten aan zijn hals deed, en hem deed rijden op de tweede wagen, dien hij had, en hem als heerser over het gehele land van Egypte aanstelde – toen was Jozefs verlossing bevestigd. Gij ziet dus in de zaak van Jozef, dat er ene aanvankelijke voor ene volkomen verlossing ging.

Alzo in de genade. De eerste straal van Goddelijk licht, leven en Goddelijke onderwijzing, die er uit de volheid van de Zoon van god in de ziel komt, is ene beginnende uittrekking. Nochtans is het een trekken uit de macht der duisternis. De duisternis der onwetendheid kan de ziel niet meer gevangen houden; er is licht gekomen, om haar macht te verbreken, weg te nemen.

Neemt het in het natuurlijke. De aarde is in duisternis gehuld, en hoe kan die duisternis verdreven worden? Veronderstel, dat alle wijzen samen werden geroepen, om middelen uit te vinden tot de wegneming dier duisternis. Zij mochten onderscheiden plannen tot verlichting ontwerpen, zoals lampen, gas en elektrisch licht, of ene nagebootste zon in de lucht hangen met palen en koorden omhoog verheven; maar helaas! al hun uitvindingen zouden eindigen in teleurstelling.

De macht der duisternis zou al hun ontwerpen overheersen. Want al werd ene plaats, ene straat of ene stad verlicht; toch zouden al hun waskaarsen en verlichtingen te weinig zijn, om het gehele aardrijk te verlichten. Maar zodra, temidden van hun plannen en werken van lampen, pijpen, lichten en wat dies meer zij, de zon haar eerste lichtstralen door de morgenlucht kwam werpen, en deze stralen teruggekaatst werden over onze aarde, dan zou de macht der duisternis beginnen vernietigd te worden; de kracht van de nacht, welke de aarde in donkerheid hulde, zou verbroken zijn; en zelfs voor dat de zon opging voor ons oog, zouden de schaduwen der donkerheid verdwijnen, alsof zij verschrikt werden en vloden bij de nadering van haar machtigen en heerlijke en onweerstaanbare overwinnaar.

Alzo in de dingen Gods de gewichtige zaken der zaligheid. Het eerste dagen van de genade in de ziel – het eerste inbreken van Goddelijk licht, vernietigt de macht der duisternis. Zij vertoont u de majesteit, gerechtigheid, heiligheid en sterkte Godes; zij overtuigt u van uw verloren en bedorven staat; zij ontdekt het vreselijk kwaad der zonde; zij legt u neer aan de voetbank van Gods genade; zij maakt u smekende en begerende naar de openbaring van vergeving en zaligheid aan uw ziel. En dit niet alleen, maar ook wordt daardoor zowel de hoogmoed als de macht der onwetendheid verbroken; zij maakt u leerzaam en kinderlijk, en door ontdekking van uw blindheid en dwaasheid, doet het u wijsheid van God vragen, en bij de voortgang leiding en onderricht. Nu ziet gij welk een vooringenomen ej blinde ijveraar gij was, en met al uw kennis en belijdenis had gij niet het minste zaligmakend licht in uw hart. Gij keert u af van de dwaling en wendt u tot de waarheid, gelijk ene plant naar het licht. Is dit alles geen verlossing uit de macht der duisternis?

Alzo met de macht der zonde. Wanneer een mens de last der zonde begint te gevoelen, roepende en zuchtende onder haar schuld, diep geoefend aangaande de staat van ellende en veroordeling, in welke zijn ongerechtigheden hem brachten, en te vrezen, dat zijn vreselijke overtredingen als een molensteen om zijn hals zullen wezen, om hem ‘n de diepten der hel te doen neerploffen, – dan begint hij getrokken te worden uit de macht der zonde. Hij breekt zijn oude gewoonten af, verlaat zijn oud gezelschap; de welige takken worden afgesnoeid en hij wordt verlost van de kracht dier kwade praktijken, in welke hij tot hiertoe zorgeloos en onnadenkende voortleefde, zonder schuld voor het tegenwoordige of vrees voor het toekomende. Is hij al nog niet verlost van de schuld en veroordeling der zonde in zijn consciëntie, hij is toch ontheven van haar uitwendige oefening en bedrijf En omdat de Heere voortzet en voleindigt het werk dat Hij begon, alzo wordt hij te Zijner tijd door de toepassing van het bloed der verzoening verlost van haar schuld, en door de uitstorting van de liefde Gods in Zijn hart van haar heerschappij en kracht gered.

Hij wordt alzo mee verlost van de macht van de satan. De sterk gewapende bewaarde zijn paleis, maar over hem is Een gekomen, die sterker is dan hij en heeft hem overwonnen. De leeuw uit Juda’s stam verlost van de macht des honds. (Pa. 22: 20) De hoogstijgende arend duldt de nadering van de gier niet. Jezus Christus drijft de vorst der duisternis terug en zegt: eenmaal was deze een slaaf van u, maar nu niet meer, hij is Mijn eigendom en Mijn bezitting; ik heb hem door Mijn bloed verlost, hij zal een eeuwig zegeteken Van mijn overwinning zijn over zonde, dood en hel. Maak u van hier, satan 1 Raak hem niet aan: hij is Mij een uitverkoren vat, gij hebt geen macht meer over hem. – Alzo geschiedde het met Jozua, de Hogepriester, welke Zacharia zag staan voor de Engel des Heeren, en de satan staande aan zijn rechterhand om hem te weerstaan. “En de Heere zei tot de satan: de Heere schelde u, gij satan! ja de Heere schelde u, die Jeruzalem verkiest: is deze niet een vuurband uit het vuur gerukt?” (Zach 3:1, 2.) Wat kan de satan zeggen of doen in de tegenwoordigheid van dat hard, groot en sterk zwaard, waarmee de Heer gezegd heeft te zullen bezoeken de Leviathan, de lang wemelende slang? – en Hij zal de draak die in de zee is, doden. (Jes. 27:1)

En dan is er eindelijk de macht des duisternis, als “de eeuwige donkerheid des duisternis,” ene macht, welke nooit zal ophouden de kinderen der verdoemenis te overheersen, maar die nimmer haren mond zal sluiten over een enige, die God kennen, vrezen en liefhebben. Het is zo, de graven zullen hun aardse tabernakels vasthouden, opdat zij tot hun stof zouden terugkeren; maar Jezus, de opstanding en het leven zelf, heeft dood en hel voor hen overwonnen, en zij zullen allen voor de troon Zijner heerlijkheid gesteld worden, met zegepalmen in hun handen, en allen, niet één uitgezonderd, zullen zingen het lied van Mozes en van het Lam, en juichende uitroepen; Halleluja, overwinning, zege door het Bloed der verzoening.

II. Doch wij gaan voort met aan te wijzen, wat het is overgezet te zijn in het Koninkrijk van Gods geliefde zoon. God de Vader heeft Zijn Zoon een Koninkrijk gegeven; en dit Koninkrijk verordende Hij Hem voor de grondlegging der wereld. Niets kan toch duidelijker ontdekt worden in de Heilige Schrift, dan deze twee zaken:

1. Dat Christus een Koninkrijk heeft;

2. Dat Zijn volk daar deelgenoten van zijn.

Hoe duidelijk spreekt de Heere bij Luk. 22: 29: “Ik verordineer u het Koninkrijk gelijk Mijn Vader Mij dat verordineerd heeft.” Dit is het Koninkrijk waarvan in Matth. 25 gesproken wordt, als n.l. de Koning eenmaal zal zeggen tot dengenen, die aan Zijn rechterhand staan. “Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft het Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.” Dit Koninkrijk ontving Christus uit Zijns Vaders handen, toen Hij tot Hem zei: “Eis van Mij, en Ik zal de Heidenen geven tot Uw erfdeel, en het einden der aarde tot Uw bezitting.” (Ps. 2: 8.) In deze gift gaf God Hem een volk, in welke Hij eeuwig verheerlijkt zou worden. Christus ontving Zijn volk uit ‘s Vaders handen, en werd alzo hun Hoofd en Koning. En dit wordt in de Schriftuur genoemd: “Het Koninkrijk van Gods geliefde zoon.” Dat is het Koninkrijk van hetwelk Daniël gezegd heeft, dat het zonde opgericht en bevestigd worden op de puinhopen van alle andere rijken: “Hetwelk niet zal vernietigd worden, maar eeuwig bestaan.”

Daarom heet het van dien Koning: “Uw troon, o God! ij van eeuwigheid tot eeuwigheid.” (Ps. 45: 7) en Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan” (Dan. 7: 14.) – Dit Koninkrijk is tegenwoordig en toekomende: het Koninkrijk van genade hier en het Koninkrijk van heerlijkheid hiernamaals. Ook zal niemand in die heerlijkheid delen, tenzij hij hier de genade deelachtig werd. Dit Koninkrijk moet derhalve een inwendig Koninkrijk zijn, gelijk de Heere tot de Joden zei: “Het Koninkrijk Gods is binnen u;” en het wordt van Paulus beschreven, in woorden welke deszelfs inwendige zegen uitdrukken: “Het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank; maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap in de Heilige Geest.” (Rom. 14: 17).

2. In dit Koninkrijk nu worden de uitverkorenen overgezet: dat is overgedragen, verplaatst, gelijk dat woord in de grondtekst betekent – een mens uit de oenen staat brengende en hem in oenen anderen stellende. Trouwens, de almachtige daad van Gods genade, dit werk Zijner soevereine liefde en kracht, kan niet plaats hebben zonder in zijn hart daarvan bevinding te hebben. Door een Goddelijk werk aan het geweten overgezet te worden uit de staat van duisternis tot een staat van licht, – uit een staat van verdoemenis tot een staat van rechtvaardiging – van schuld tot vergeving – van ellende tot gelukzaligheid, – van de heerschappij der zonde tot de heerschappij der rechtvaardigheid, – ik zeg, hieraan deel te hebben, zonder daarvan gevoel te hebben, zonder in zijn ziel te ondervinden, het wanneer, het waar en het hoe daarvan, dat is onmogelijk.

In het Koninkrijk van Gods geliefde zoon te zijn overgezet, is gebracht te zijn uit die duisternis dood, schuld, ellende en veroordeling, welke gevoeglijk voortvloeit uit een besef van de vloek der wet, en door ene almachtige daad van Zijn zegevierende en onoverwinnelijke genade verplaatst te zijn in het Koninkrijk Gods, opdat Hij en Hij alleen zonde heersen en regeren in het hart. Schoon het ene daad van kracht is, nochtans is het geen daad v n geweld. God zet ons in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde niet over in spijt en met afkeer van onszelf, of tegen onze neigingen en begeerten van onze harten. “Uw volk,” zegt Hij tot Christus “zal zeer gewillig zijn op de dag Van uw heirkracht.” (Ps. 110: 7). Hij toont ons eerst door Zijn Geest en genade de ellendigheid der zonde aan, en maakt ons verlangende naar vergeving en vrede naar verzoening en aanneming. Hij wijst ons op de rampzaligheid van enen staat van vervreemding van Hem, de Fontein van alle gelukzaligheid en heiligheid, en maakt ons verlangende naar de uitstorting van Zijn liefde opdat wij daardoor tot Hem gebrachte bekwaamd zouden worden, om Hem vurig lief te hebben met een rein hart. Hij geeft ons te zien wat gebonden slaven wij van zonde en satan waren, en doet ons hijgen naar de heilige vrijheid, waarmee Hij Zijn volk vrij maakt. Hij ontdekt onal wat schuld en ellende wij over onszelf gebracht hebben, door onze eigen overtredingen zowel als door die van onze eerste ouders.

Hij werkt in ons bekering van onze zonden, zelfverfoeiing vanwege dezelve, een vlieden en afwenden van haar en toegang tot het bloed en gehoorzaamheid van de Heere Jezus Christus, om in Hem verberging te vinden van elke storm. Wanneer hij dan, als antwoord op gebed en smeking, aan de ziel openbaart de Persoon en het werk, de genade en de liefde van de Heere Jezus Christus, en levend geloof geeft in Zijn gezegende Majesteit, zo gaat de ziel uit kracht van het geloof uit van de dood tot het leven, uit de verdoemenis tot rechtvaardiging, uit de slavernij, tot de vrijheid en zo wordt hij eenvoudig en bevindelijk overgezet in het Koninkrijk van Gods geliefde zoon opdat Hij heerst en regeert in het hart als zijn enige God en Koning – deszelfs rechtmatige Soeverein en gekroonde Heere.

Niemand dan God de Heilige Geest, kan zo door Zijn almachtige kracht de armen zondaar in al zijn schuld en snoodheid, bederf en bezoedeling, in al zijn veroordeling, ellende en rampzaligheid nemen, en door de toepassing van het woord Zijner genade met kracht aan zijn ziel, door het bevestigen van een liefelijke belofte aan zijn hart, door ontdekking van Christus in Zijn bloed en gerechtigheid en de uitstorting Zijner liefde, hem bevindelijk en gevoelig overzetten in dat Koninkrijk van Jezus Christus, welke is rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest. En dit heeft God gedaan, en doet Hij, en zal Hij doen aan allen, die in waarheid de Zijnen zijn. Geen sterkte van het schepsel, geen vlezen arm kan hier iets baten. Barmhartigheid en genade doen het geheel; liefde en kracht verenigd reiken als het ware haar armen van de Hemel, om de zondaar op te heffen, uit de macht der duisternis, en dragen hem in het Koninkrijk van licht en leven en vrijheid, waar Jezus alles is in allen.

III. Wij moeten nu aantonen, wat het is deel te hebben in de erve der heiligen in het licht. Eerst zeggen wij iets ter aanwijzing van hen, die genoemd worden: “heiligen in het licht.”

Ik oordeel deze heiligen dezelfde te zijn als welke door Paulus genoemd worden (Hebr. 12: 23): “de geesten der volmaakt rechtvaardigen; – die heerlijke geesten voor de troon, die in geloof, hoop en liefde door Jezus afgezonderd, hun aardsen tabernakel hebben afgelegd, en verlost zijn uit alle ellenden, droefheden, zonden en zwakheden van de stand van deze, tegenwoordige levens; en die nu, met hun eeuwige zielen gereinigd van alle vlek en rimpel der ongerechtigheid, in de gewesten der zaligheid het Lam aanschouwen van aangezicht tot aangezicht. Deze zijn het, welke door Hem geleid worden tot de fontein des leven de waters; die op hun gouden harpen de lof en prijs van Immanuël bezingen; die altijd zich verkwikken aan de stromen, welke verblijden de stad Gods, en in een onophoudelijke middag van eindeloze gelukzaligheid als bedekt zijn met een gans zeer uitnemend gewicht in het licht,” van heerlijkheid.

Deze zijn de “heiligen welke in de tekst gesproken wordt, wiens erfenis God zelf is; want de heiligen zijn erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus. Gelijk God de Levieten geen erfdeel gaf onder hun broederen, omdat Ilij zelf hun erfenis was (Deut. 10: 9), alzo is God de erfenis van de heiligen in het licht. Zijn liefde, Zijn tegenwoordigheid, Zijn heerlijkheid, een aanschouwen van Hem in de Persoon van de heerlijke Immanuël, en de heilige zaligheden en verrukkelijke vermakelijkheden, die in hun onsterfelijke geesten vloeien uit hun vereniging met de Vader en de Zoon, hen volmakende in gelukzaligheid en heiligheid – dit is de erve van de heiligen in het licht, in de gewesten daar boven. 0, welk een verschil bij het deel der eeuwig verlorenen! Beschouwt de erfenis, die de zonde geeft, vergeleken met de erfenis der heiligen. – De bezoldiging der zonde is de dood.”

Hoort het gekerm. der verdoemden in de hel; merkt op de wanhoop, die altijd aan hun gefolterde geesten knaagt; ziet hen zich wentelen en keren in vuur en zwavel, onder het ontzaglijk gezicht van een vertoornde Rechter, ziende op beledigde gerechtigheid, bliksemschichtren op hen neerwerpende, terwijl een zeevuur van beneden haar golf vlammen over hen heen spreidt, en de hel haar ijzeren slagbomen voor eeuwig gesloten houdt, zodat alle uiteindelijke hoop ten enenmale afgesneden is. Welk een verschil is er tussen dit eeuwig besef van ellende en wee, dit vreselijk vonnis der verworpenen in de hel, bij het gelukkig lot der heiligen in het licht, op hun gouden harpen, zonder enige wanklank van zonde of droefheid, de prijs en lof van God en van het Lam zingende en vermeldende.

En gij, mijn vrienden! moet een van die beiden wezen gij bent een zondaar of een heilige; en, beslissend eindlot! gij zult of de lof Gods in de eeuwige zaligheid vermelden, of tot in alle eeuwigheid in een onuitsprekelijk wee huilen en tandenknarsen.

Maar wij lezen van een bekwaam maken om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht. Wanneer de Koning u uitnodigt, om ‘s morgens bij zijn opstaan hem te ontmoeten, of met hem in zijn paleis te eten, zoudt gij u geen behoorlijk kleed zoeken aan te schaffen, om bekwaam aan zijner majesteits tafel aan te zitten? Zoudt u als landman, fabrikant of koopman in uw werkklederen heengaan, beladen met het vuil en stof van uw dagelijkse bediening? Voorzeker niet; maar gij zoudt u bekwaam of geschikt maken, om zijn tegenwoordigheid en gezelschap te delen. Alzo is het met hen, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams. Er is ene bekwaammaking voor de erfenis; wij willen onderzoeken waarin dat bestaat.

Gij moet in de eerste plaats gewassen zijn. Gelijk de hogepriester niet in de tabernakel mocht ingaan, tenzij hij zich eerst van het hoofd tot de voeten in het koperen wasvat gewassen had, alzo kan geen ziel in het hof van de hemel ingaan zonder gewassen te zijn. Alzo spreekt de apostel: .Dit was gij sommigen, maar gij bent afgewassen.” (1 Kor. 6: 11) Gij moet gewassen zijn in het bloed des Lams: al uw zonden en ongerechtigheden moeten afgewassen zijn in die fontein, welke er tegen de zonde en alle onreinheid geopend is in de doorboorde zijde des Zaligmakers, of gij zult nimmer deel erlangen in de erve der heiligen in het licht. Het bloed van Jezus moet toegepast zijn aan uw consciëntie; vergevende genade moet aan uw ziel verzegeld zijn; Christus moet van uw ziel ontdekt zijn als hebbende u van al uw zonden gewassen in zijn dierbaar bloed, of het zal u onmogelijk zijn mee in te stemmen in dien heerlijke lofzang: “Hem. die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.” (Openb. 1: 5.)

Vervolgens moet gij gerechtvaardigd zijn. “Dien Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd.” Wij lezen van enen, die tot de bruiloft kwam, zonder bekleed te zijn met een bruiloftskleed, en wij horen het vreselijk vonnis van de koning over hem uitspreken: Bind hem handen en voeten, en neemt hem weg, en werpt hem in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening der ogen en knarsing der tanden.” Zo ontzaglijk was het lot van dien vermetele, die zonder bruiloftskleed – een type van Christus gerechtigheid – zich aan de bruiloftstafel zette; daarentegen lezen’ wij van de vrouw des Lams, dat zij bekleed was met rein en blinkend fiijn lijnwaad,” welke verklaard wordt te zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen.” (Openb. 19: 8.) Gelijk van de hogepriester Jozua de vuile klederen werden weggenomen, alzo kunt gij niet bekwaam gemaakt heten voor de erfenis, tenzij uw vuile klederen van u weggenomen zijn, en gelijk bij met wisselklederen versierd bent. (Zach. 3: 4.) Het was de begeerte van Paulus om aldus bekleed te zijn: En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door “het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof.” (Filip. 3:9.)

Een derde vereiste is geheiligd te zijn. Al deze drie noodzakelijke voorwaarden noemt Paulus in een vers: En dit was gij sommigen, maar gij bent afgewassen, maar gij bent u. heiligd, maar gij bent gerechtvaardigd in de naam van de Heere Jezus, en door de Geest van onze Gods.” (1 Kor. 6: II.) Geheiligd te zijn, is deelgenoot dier heiligmaking te ‘ wezen, “zonder welke niemand de Heere zien zal;” te zijn gemaakt een nieuw schepsel; aandoende de nieuwe mens, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid;” in één woord, der Goddelijke natuur deelachtig te wezen,” en alzo de heiligheid Gods in en aan de ziel hebbende medegedeeld. Zonder deze heiligmaking kan niemand de Hemelpoort ingaan.

Trouwens, wat zou de Hemel u wezen tenzij gij voor dezelve was bekwaam gemaakt? Gesteld, gij kon door het bloed der verzoening gewassen, door toegerekende gerechtigheid onschuldig zijn, en gij zoudt, (ofschoon het onmogelijk is) in de Hemel opgenomen worden zonder een nieuw hart, een nieuwe geest, zonder een inwendig beginsel van heiligheid door de Geest Gods in uw ziel gewrocht te hebhen; helaas! de Hemel zou voor u geen Hemel zijn; gij zoudt van daar willen; de tegenwoordigheid van een heilig God zou u afschrikken; de zalige Hemelkoren der heiligen tot lof en prijs van het Lam, zouden u zo vreemd zijn, dat gij zoudt zeggen: Zend mij naar de bel, want ik heb geen hart voor de genieting van de hemel; in de hel kan ik vloeken en lasteren, haten en huilen; en omdat lieven en loven mij onmogelijk is, zo is de hel de enige gepaste plaats voor mij.

Om dus bekwaam te zijn voor de Hemelse erfenis, moet gij een Hemels hart en een prijzenden, een aanbiddende en lievende geest hebben; gij moet u verlustigen in de Heere als zóó heilig en evenwel zóó genadig, zóó rein en nochtans zóó beminnelijk, zóó heerlijk en luisterrijk en toch zóó neerbuigende goed en medelijdend. Deze bekwaamheid nu voor de heiligheid, gelukzaligheid en bezigheid van de hemel wordt in de wedergeboorte meegedeeld, in welke de nieuwe mens der genade schoon zwak, nochtans volkomen is. Ziet op de moordenaar aan het kruis: welk een voorbeeld is hij, hoe de Geest van God in een ogenblik voor de Hemel kan bekwaam maken! Hier was een vuile misdadiger, wiens leven was doorgebracht in roverij en moord, eindelijk gegrepen om de rechtvaardige straf zijner misdaden te boeten; en als ons (Mark. 15: 32) gemeld wordt, dat zij, die met Hem gekruisigd waren, Hem smaadden, dan hebben wij reden geloven, dat hij eerst met zijn mede-kruiseling de Verlosser zal gelasterd hebben. Maar vrijmachtige genade – en niets dan soevereine, vrijmachtige genade kon dit doen! – raakte zijn hart aan, deed hem zien en gevoelen wie hij was als verloren zondaar, opende zijn ogen om de Zoon van god voor Hem te zien lijden, gaf geloof in zijn ziel om in Zijn naam te geloven, en wrocht in hem een geest van het gebed, dat de Heere van de hemel en der aarde zijner mocht gedenken; als Hij in Zijn Koninkrijk zou gekomen zijn misschien de grootste geloofsdaad, welke ons de Schriftuur meedeelt, schier gelijk, zo niet boven het geloof van Abraham, toen hij zijn Izak op het altaar legde.

De stervende Verlosser hoorde en beantwoordde zijn geroep en zei tot hem:” leden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.” Geest en leven vergezelden het woord, en maakten hem op eens voor de erfenis bekwaam, en aleer de avondschaduwen de aarde duister maakt, was zijn gelukkige geest in het paradijs overgegaan, waar hij nu de prijs Godes en des Lams bezingt. Menig arm kind van God is schier tot zijn laatste uur op aarde zonder ene ontdekking van vergevende liefde en de toepassing van het verzoenend bloed geweest; maar de Heere liet hem niet sterven zonder dat de Heilige Geest zaligheid in zijn ziel openbaarde, en zijn hart stemde tot de eeuwige koren van de heerlijke geesten voor de troon.

IV. Dit leidt ons tot mijn laatste punt, hetwelk een kort woord zal wezen over het danken des Vaders voor al deze geschonken zegeningen der genade, voor al de gezegende ontdekkingen Zijner goedertierenheid en liefde. Hebt gij enige hoop, enig inwendige getuigenis, dat de Heere door Zijn Geest deze wonderen van barmhartigheid en genade in uw hart wrocht? Vond mijn beschrijving van het werk der genade weerklank in uw hart, waardoor gij mocht geloven, dat ook gij getrokken bent uit de macht der duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde: – en vindt gij, ook bij gemis van die bekwaamheid voor de Hemel welke uw ziel wel begeerde, dat de Heere u evenwel dat geloof, die hoop en liefde gaf, dat gij de heiligheid van de hemel zoudt kunnen genieten, ware het des Heeren welbehagen u daar te brengen?

O! wat lof en dank bent gij schuldig aan God en de Vader van onze Heere Jezus Christus, voor Zijn onuitsprekelijke barmhartigheid in de uitstrekking Zijner handen om u te behouden! Hoe treurig zou onze zaak geweest zijn voor deze tijd, en hoe veel meer treurig en beklaaglijk onze eeuwige staat, zo God ons niet getrokken had uit de macht der duisternis! Wij zouden onder de macht der duisternis geleefd hebben totdat wij gezonken waren in de eeuwige donkerheid der duisternis. Wij zouden onze duisterheid liefhebben, en omhelzen, ja daarop trots zijn en wij zouden gelijk duizenden gevallen zijn als zelfmisleide en ellendige slachtoffers van onwetendheid, hoogmoed en eigengerechtigheid van onze gevallen natuur. Maar God had besloten in onze verduisterde zielen in te breken, en bij de inbraak van haar, vlood de duisternis. Wan. neer Hij verschijnt, vliedt de satan; en met Hem komt licht en leven in de ziel. Zóó behaagde het de Heere ons te trekken uit de macht der duisternis en ons over te zetten in het Koninkrijk van Zijn geliefde zoon. En zullen wij dan niet danken, prijzen,. loven en aanbidden Zijn gezegende Majesteit, voor deze daden Zijner genade, deze ontdekkingen Zijner barmhartigheid, goedheid en liefde?

Maar ik mag niet besluiten zonder een woord van waarschuwing te spreken tot hen, die nog zijn onder de macht der duisternis. Schoon ik overtuigd ben, dat zij zelf hun zielen niet kunnen verlossen, nochtans kan de Heere, door een woord van mijn lippen hun gemoederen overtuigen. Dat de Heere mij als een middel mocht gebruiken, om hen bekend te maken met hun staat en toestand van nature; en ach! ik bid van Hem, dat het Hem alzo belieft, – dat Zijn oneindige barmhartigheid zulk een gezicht en roepen in hun ziel wekt, hetwelk ter Zijner tijd en wijze zal leiden tot de gezegende verlossing en overbrenging in het Koninkrijk van Zijn lieven Zoon; en dan zullen zij zich met ons verenigen in de toebrenging van prijs en eer kracht en heerlijkheid Gode en het Lam, tot in eeuwigheid.

AMEN.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.