Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

SIONS LIJDEN EN DE HAAR TOEGEZEGDE BELOFTE

Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw steen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. En uw glasvensteren zal Ik van agaatsteen maken, en uw poorten van robijnsteen, en uw ganse landpalen van aangename steen. Jesaja 54:11, 12, Engelse vertaling

De beloften in het Woord van de waarheid zijn onuitsprekelijk groot en dierbaar. Hoor slechts de eigene getuigenis Gods aangaande dezelve: “Door welke ons de grootste en dierbaarste beloften geschonken zijn.” (2 Petrus 1: 4.) Maar voor wie zijn deze beloften zo groot en zo dierbaar? Voor de kerk Gods. Maar zouden zij van de kerk van God ten allen tijde en in alle omstandigheden wel onuitsprekelijk groot en dierbaar zijn? Geenszins, slechts op bijzondere tijden en onder bijzondere omstandigheden. Met andere woorden: voor zover als Gods kerk zich in die omstandigheden, waarin de beloften haar voegen, geplaatst ziet, voor zover zijn zij haar óf groot óf dierbaar. En wat nu waarheid is betrekkelijk de kerk in het algemeen, is zo ook waarheid ten opzichte van ieder gelovige in het bijzonder. Hoe groot en dierbaar ook de beloften op zichzelf zijn zij zijn evenwel niets, volstrekt niets voor ons, tenzij wij in die omstandigheden gebracht zijn, waarin die beloften te stade komen.

Maar zou er verder niets meer noodzakelijk wezen? Ja, gewis! Ik kan immers in zekere omstandigheden zijn, waarbij deze of geen belofte mij juist zou voegen, en nochtans zo uiterst onmachtig, om er sterkte uit af te leiden of er vertroosting uit te trekken, alsof er geen belofte te vinden ware. En wat is er dan verder noodzakelijk? Bescho uwen wij de toepassing van die belofte aan mijn ziel derhalve de beloften in het algemeen, dan kunnen en mogen wij zeggen, dat zij op zichzelf onuitsprekelijk groot en dierbaar zijn; maar evenwel zijn zij dat in waarheid, voor zover als de gezegende Geest haar met licht, leven en kracht aan het hart toepast.

In de woorden, die voor ons liggen, hebben wij, als het ware, een ganse schakel van hoogst dierbare beloften, en in betrekking tot deze beloften, vinden wij de kerk van God in lijdende omstandigheden geplaatst. De Heere spreekt hier Zijn lijdend Sion aan: “Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw steen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten,” enz.

In de beschouwing dezer woorden, zullen wij, onder Gods zegen,
I. Een weinig pogen te zeggen van de staat, het karakter en de aard van de lijdende kerk van God, gelijk die door de pen des Geestes is afgetekend, om
II. De beloften te overwegen, die haar in deze staat van lijden wo rden toegezegd.

I. De Heere beschrijft de toestand en aard van het lijden van de kerk, als Hij haar zo teer noemt: “verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste.” Elk van deze uitdrukkingen is van hemelse betekenis zwanger, en eist derhalve een afzonderlijk onderzoek.

1. “Gij verdrukte” Verdrukking is een van de merktekenen, waarmede God Zijn volk bestempelt. Wij kunnen haar het bijzonder merk van de schapen noemen. “Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.” (Zef. 3: 12.) Tenzij wij dus, door Gods hand, met dit schapenmerk getekend zijn, hebben wij voor het tegenwoordige niet veel bewijs, van tot de kudde van Jezus te behoren. “Verdrukking!” Maar hoedanig is de verdrukking vandes Heeren volk? Zij worden zeker niet allen op dezelfde wijze verdrukt. De verdrukkingen zijn van onderscheiden soort en verschillen gans zeer in natuur, duurzaamheid en hevigheid; maar beschouwen wij haar, als uit de hand van God komende, dan worden zij allen gezonden, om een zeker einde in de harten van Zijn volk te bevorderen.

a. Sommige verdrukkingen, bij voorbeeld, zijn lichamelijk. Een slechte gezondheid is een van die pijnlijke roeden, waaronder zo menigmaal de Vader Zijn liefdegaven vermomd houd t. Velen, zeer velen van het volk des Heere n lijden onder deze verdrukking. Hetzij een pijnlijk hoofd, een verstijving van leder of zwakke zenuwen, een benauwde borst, een walgende maag, of door een beroerte geraakte ledematen, of pijnigende gewrichten en zo alles, wat het leven verbitteren kan. Hiervan kan ik bij bevinding spreken; want nu meer dan minder ben ik gekweld geweest met koude, hoest en een zwakke borst, en dat meer dan twintig jaren lang; behalve dat ik vele maanden het prediken heb moeten staken, uit twee andere oorzaken. Doch ken ik het moeilijke van de verdrukkingen, ik mag vertrouwen, ook iets van de zegening aan haar verbonden, te weten; want de grootste en klaarste openbaring, die ik immer van de Heere Jezus Christus aan mijn ziel genoot, was, toen ik op het bed van de verdrukking lag uitgestrekt, hetwelk ik in drie weken niet verlaten heb. Derhalve ken ik het verdriet van de verdrukking door pijnlijke bevinding, en haar zaligheden, door genoeglijke bevinding; want menigmaal, ofschoon verre na niet altijd, als het lichaam het meest gekweld wordt, geniet de ziel de grootste gunstbewijzen.

b. Anderen van des Heeren volk, die van lichamelijke verdrukkingen bevrijd blijven, hebben weer met andere te kampen, bij voorbeeld, met familiekwellingen. Hoe vele rukwinden en hooggaande baren zetten zich niet van deze zijde op! Hoe menigmaal treedt de dood in dit of dat geslacht, en neemt afgod na afgod weg! De jonge spruiten sterven, vóór dat zij tot de bloei komen, of tot de vollen wasdom geraken. Of zo de kinderen opgroeien, ach! het is slechts om nieuw bronnen van angst en kwelling te openen, en het hart door dieper wonden te verscheuren!

c. Nog anderen van des Heeren volk lijden verdrukkingen, in de omstandigheden. Deze is een zeer heersende kwelling onder het volk van God, want Hij heeft de armen dezer wereld uitverkoren, om rijk te zijn in het geloof.

d. Doch laat mij niet langer bij deze lichamelijke verdrukkingen, die de kerk van God met de ganse wereld in het algemeen heeft te verdragen, vertoeven. Wanneer de Heere zegt: “Gij verdrukte,” dan schijnt hij in het bijzonder te bedoelen die geestelijke verdrukkingen, welke het bijzonder deel van Sion zijn. En inderdaad, zouden er enige verdrukkingen te vergelijken zijn met geestelijke kwellingen? Schuld van de consciëntie, angsten van de ziel, vreze des doods, een bekommerd gemoed, foltering des geestes, de verberging van Gods aangezicht, twijfelingen, vrees, zwaarmoedige bekommering, des satans vurige pijlen, Godslasterlijke inwerpingen, ongelovige bedenkingen – ziet daar u iets genoemd, van het mengsel, waarmede Sions beker gevuld is! En waarlijk, wat lichamelijk lijden, wat familiekruis, welke armoede of tijdelijke verliezen en bezwaren zijn met deze te vergelijken? Al het volk des Heeren heeft, elk naar zijn mate, uit deze kelk te drinken; want toen de twee zonen van Zebedéüs, Jacobus en Johannes, Jezus baden, dat zij, de een aan Zijn rechter- en de andere aan Zijn linkerhand mochten zitten, in Zijn heerlijkheid, vroeg Jezus hun: of zij Zijn beker konden drinken en gedoopt worden met de doop, waarmede Hij zoude gedoopt worden? Zij zeiden tot Hem: “Wij kunnen.” En Jezus zeide tot hen: “Den drinkbeker, die Ik drink, zult gij wel drinken en met de doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt worde.” En wat Hij tot hen zeide, sprak Hij tot ons allen; want voor zover alleen, als wij met Hem lijden, zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden.

2. Maar om niet te lang bij dit eerste gedeelte van ons onderwerp te verblijven, willen wij voortgaan tot   een tweede merkteken, waarmee God Zijn gemeente bestempelt: “Gij door onweder voortgedrevene.” De Heere vergelijkt Zijn lijdende kerk bij een schip in zee, dat, van alles ontbloot, door tegenwind uit zijn koers verslagen wordt, gelijk het Paulus in de Adriatische zee ging, en twijfelende, of zij wel ooit de haven zullen bereiken, zoals de Lofzang zegt: “Een half verbrijzeld wrak, door onweer voortgedreven.” Welk een schilderij van een, door storm geteisterde ziel! De zon en sterren bewolkt, het kompas verloren, de kaart onbruikbaar, de loodsman overboord, een ontzaggelijke branding voor zich! Velen, ja een grote menigte van des Heeren volk worden zo door onweer voortgeslingerd. Sommigen door een onweer van twijfelingen en vrees; anderen door de storm van lusten en verdorvenheden; deze door een onweer van opstand en gisting; genen door een storm van schuld en moedeloosheid, en nog anderen door zwaarmoedige voorboden en vreselijke bevattingen. Zo zijn zij van hun koers afgedreven, hun zon en sterren verdonkerd, geen klaar bewijs, noch heldere openbaringen worden er gevonden. Vanboven is er duisternis en beneden een woedende zee; de stuurlieden en loodsen zijn overboord, en geen haven in het gezicht.

‘k Bemin de Heer’, maar ach, maar ach hoe ver
zijn mijn gedachten van Hem afgeweken;
‘t Verraad’lijk hart zwerft wijd af uit zijn streken,
En zoekt wel duizend minnaars heind’ en ver,
Wanneer mijn ziel naar God de Heere brandt;
En ‘k treed de plaats van Zijn woning binnen;
Ach! ‘k vind ook daar een heir dat rooft mijn zinnen,
En mij van Hem verdrijft tot mijn schand’. ,
Zoek ik ‘t genot van Hem in d’ eenzaamheid;
Door mijn ziel geheel naar Hem te wenden;
Ach! ‘k vind ook dáár zo vele grote benden;
Maar liefde nam bij d’ ingang zijn afscheid.
Onnutte zorg, of beuzelingen snood,
Weet zich de weg tot mijn gemoed te banen;
zo dat ‘k verbaasd, met smart en hete tranen,
Het leger zie dat mij van Jezus stoot.
“Genade, o zo groot! komt zachtkens neer,
Ai, zet mij toch gevangen in uw boeien!
Ontferm’ van de ziel! die dorst naar Uw bemoeien,
Uw kracht zij mijner ziele gans beheer!”

3. Maar de Heere voegt er een ander woord bij, dat het geheel schijnt te voltooien, en het merk van een schaap met sterker hand en breder teken op de vacht zet: “Gij ongetrooste,” – dat is, ongetroost door en onbekwaam om van mensen vertroost te worden. Dit beschouw ik als een alles afdoend kenteken van het werk van de genade in de ziel te zijn. Wanneer iemand zo in zijn gemoed neergeworpen is, zó bekommerd in zijn consciëntie en zó belast in zijn geest, dat hem niemand kan vertroosten, dat blijkt de voetstappen van de Geest te zijn. Op deze grond worden geen geveinsden gevonden.

Valse belijders verkrijgen wellicht enige troost; zij stelen wat God niet geeft, en eigenen zich toe, wat God hun niet toepast. Het bijzondere merk van Sion is “ongetroost” te zijn; dat haar wonden te diep zijn voor menselijke balsem, haar ziekte te groot voor de medicijnen van het schepsel. Al de evangelische leerredenen van de ganse wereld, al de evangeliedienaars, neen, al de nodigingen, de beloften en verklaringen van het evangelie zelf, buiten een Goddelijke ontdekking, kunnen haar geen troost verschaffen. Haar vertroosting heeft God Zelf in Zijn handen gehouden, alleen van Zijn lippen kan er van bemoediging tot haar ziel gesproken worden.

Maar mijn bedoeling is niet, dat al het volk des Heeren op even gelijke wijze “verdrukten, door onweder voortgedrevenen, ongetroosten” zijn. Eniger mate moeten zij dat zijn, of zij zijn buiten het bereik van Zijn beloften. Nog minder is mijn bedoeling, dat zij, wanneer zij door deze bevinding gaan, hieruit enig bewijs hun ten goede kunnen trekken, want konden zij dat doen, zij zouden getroost, goedsmoeds zijn; de zon en de sterren zouden hun zichtbaar zijn, hun bestemden koers en have n zouden zij klaar voor ogen hebben. Maar dit is hun bijzonder en ten allen tijde aanwezig merkteken, dat zij geen troost kunnen aannemen, tenzij het God behaagt die tot hun harten te spreken. Daarom snijdt niet uzelf als een arm, verloren en Goddeloos schepsel af, omdat u zo bezwaarlijk vertroosting bekomt, omdat u wordt voortgeslingerd met een zee van twijfelingen en vrees, verzoekingen en verdorvenheden, door de wateren van de begeerlijkheid en de baren van de zonde. Zeg niet tot uzelf: ,Ik ben deze avond hier biddende en kermende heengegaan, dat ik toch enigen troost mocht ontvangen, maar ach, waar vind ik die? Waartoe zou ik nog hopen?’ Dat is een gevolgtrekking van satan, en niet uit God. Zijn merk is: “ongetrooste.” Een merk dat Hij op Zijn schapen en vooral op Zijn lammeren gestempeld heeft.

II. Maar laat ons voortgaan om de gezegenden schakel van Evangelische beloften, die de Heere Van zijn lijdende kerk toezegt, te beschouwen; en waarlijk, zij zijn hoogst dierbaar. Want, zegt Hij, als of Hij haar ?bijzondere opmerkzaamheid wil uitlokken tot het werk, dat Hij voor had te volbrengen: “Zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen.” De Heere schijnt hier te nemen het beeld van een gebouw, of liever van een tempel, want Zijn volk wordt bij een tempel vergeleken: “Weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is vande Heiligen Geest?” En Zijn gezegend werk aan hun zielen vergelijkt Hij met het werk van een bouwmeester of een bouwer, die steen op steen voegt tot Hij de hoofdsteen voortbrengt, met toeroeping: genade, genade zij dezelve!

1. De eerste belofte. die met dit gebouw van genade in betrekking staat, is: “Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen.” Dit schijnt een algemeen beschrijving van het werk Gods in de oprichting van het geestelijk gebouw, vóórdat Hij het meer in bijzonderheden omschrijft. Het andere gedeelte van de tekst komt mij voor een vollediger uitlegging te zijn, van wat gezegd is in de belofte: ,Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen.” Ik Zelf zal u bouwen,” zegt Hij elders. En wederom: “Ik zal u weder bouwen en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israëls!” En al de materialen, hetzij tot het fondament of het gebouw, zullen even duurzaam en schoon wezen. Maar wat hebben wij in het bijzonder door die “stenen” te verstaan, die de HEEBE belooft “gans sierlijk te zullen leggen.” Mij dunkt, dat wij hier aan de gezegende waarheden van het Evangelie hebben te denken. Deze worden door de hand van God in de ziel gelegd. Even gelijk de metselaar een steen neemt en die aan het gebouw legt, en zo de een na de anderen tot het gebouw voegt, waarbij het gebouw zelf ten enenmale gans lijdelijk in de zaak is, zo is ook de ziel in het werk van de genade geheel lijdelijk. God de Heilige Geest neemt dierbare waarheden uit de Heilige Schrift, en legt ze met Zijn eigene hand in het hart. Dit is in waarheid de enige weg, waar langs Sion, verdrukt, door onweder voortgedreven, ongetroost als het is, het Woord van God ontvangen kan. Haar verdrukkingen en slingeringen hebben dat op enige andere wijze onmogelijk gemaakt.

Nog zal iemand in een andere weg naar behoren in de waarheid gelegd worden. Het is mij niet mogelijk tot het Woord van God, als een regelmatige hoop van bouwstoffen te gaan, en daar deze of gene steen uit te kiezen, en deze of gene waarheid in mijn eigene consciëntie te leggen, om zo mijn ziel tot een tempel Gods te stichten. Hij alleen is het, Die begint, voortgaat en voleindigt. “De handen van Zerubbábel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden.” (Zach, 4: 9.) Nu, als het Jehova h de Heilige Geest behaagt, een gezegende waarheid in de ziel te leggen, het zal “een gans sierlijke steen” zijn. Hoe sierlijk en schoon ook ieder Woord van God op zichzelf zij, het wordt alleen als zodanig bevonden, als het door Zijn eigen Goddelijke hand in de ziel ingelegd wordt. Dit brengt haar sierlijkheid aard het licht. Hoe menigmaal lezen wij het Woord van God zonder er de minste schoonheid in te ontdekken. Maar laat dat gedeelte slechts met zoetheid en kracht van de ziel toegepast worden, o, dan wordt er onmiddellijk schoonheid, onuitsprekelijke schoonheid in gezien en bevonden. Het wordt in eens “een gans sierlijke steen.” Een volle en vrije zaligheid; de vergevende liefde van God; het dierbare bloed des Lams; rechtvaardigmaking, door Christus toegerekende gerechtigheid; wijn en melk, zonder geld en zonder prijs; een overvloeiende genade; eeuwige barmhartigheid; een eindeloos heerlijk leven, ziedaar, enige van de dierbare stenen, die God de Heilige Geest, met Zijn Eigen hand in de consciëntie legt.

Maar de woorden: “Ik zal uw steen gans sierlijk leggen,” schijnen ook enigszins te wijzen, zowel naar de steenkalk, waarin de steen gelegd worden, als naar de steen zelf. En wat is deze steenkalk (cement)? Zou deze geen BLOED en LIEFDE zijn? Zien deze gans sierlijke steen er niet luisterrijk en schoon uit? Zijn zij niet goed gelegd als zij daarmede met elkaar verbonden zijn? Ook is die steenkalk niet minder schoon dan de steen; zij moet ook even duurzaam als de steen zijn en met geen mindere luister en helderheid dan deze flikkeren en schijnen. Dus is het gebouw zowel goed als schoon tezamen gevoegd, zowel hecht in sterkte, als het glansrijk in heerlijkheid is.

2. Maar de Heere beschrijft meer in het bijzonder Zijn werk, tot de onderscheiden en kleine delen. Hij spreekt van haar “grondvesten,” haar “glasvensteren,” haar “poorten” en haar “landpalen,” en zegt ons, hoe onderscheiden die allen van gestalte en maaksel zijn. Laat ons met het eerste beginnen. De Heere beschrijft de stof en de ligging van haar grondstenen. “Ik zal u op saffieren grondvesten.” Voordat wij vast in de dingen Gods kunnen staan, moeten wij een goed fondament hebben, iets stevigs en vast voor ons geloof, onze hoop, onze liefde; voor alles, wat wij hebben, om er op te steunen. Wij lezen van een dwaze bouwheer, die zijn huis op een zandgrond bouwde, en ook van een wijzen, die het op een rotssteen vestigde. En wat wij nu behoeven is een stevig fondament, om er ons, als een eeuwig al, op te vertrouwen en op te verlaten. Dit belooft God voor Zijn verdrukt Sion te zullen doen: “Ik zal u op saffieren grondvesten.” Maar wat en hoedanig is een saffier? Hebt u er mogelijk een gezien? Zo niet? Dan zal ik er u in ‘t kort van mededelen, dat het een kostbare steen is, waarvan aan te merken valt zijn bijzondere, zuivere en schone kleur, welke hemels blauw is. Ik wil niet zeggen, dat het zinnebeeld het juiste is, maar toch kon hij, om zijn natuur en kleur, gevoegelijk een bijzondere gave des Hemels verbeelden. “Het geschenk is in de ogen van zijn heer een aangenaam gesteente.” (Spreuk. 17: 8.) Elke getuigenis, die God aan de ziel geeft, elke belofte, die Hij in het hart brengt, iedere openbaring van de barmhartigheid, bezoek van zijn liefde en toepassing van de waarheid kunnen wij, in een geestelijken zin, een saffier noemen, want het is in waarheid een aangename, kostelijke steen, glinsterende met het Hemels blauw. Als God dus een saffier in de ziel legt, verschaft hij de geloof een vast fondament. Als Hij tot Abraham zeide: “Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.” En tot Jozua: “Ik zal u niet begeven, noch Ik zal u niet verlaten.” En tot Jeremia: “vrees niet.” Toen was het, dat Hij een saffier in hun hart legde. Welk een barmhartigheid is het voor u, als uw geloof zulk een saffier tot grondslag heeft, wanneer uw vertrouwen niet alleen op de blote letter van Gods Woord, op de uitwendige waarheid van de Heilige Schrift berust, maar op de getuigenis, die God in uw ziel gelegd heeft. Is daar een openbaring van Christus, de toepassing van een belofte, een bezoek van Zijn barmhartigheid, enig teken van Zijn liefde, enig bewijs van aandeel te hebben aan het dierbaar bloed des Lams?

O, dat is een grondslag, een veilig en vast fondament, om er zich op te verlaten. Als zij daar door de hand van God zijn neergelegd, dan kunnen zij niet dan sterk en stevig zijn; als het saffieren zijn, zij moeten onverdelgbaar wezen. Het is waarheid, deze saffieren kunnen allen onder het stof van vleselijkheid en wereldsgezindheid bedolven liggen; de drek en vuilheid, de modder en het slijk van onze gevallen .natuur moge stroom naar stromen over haar heen gedreven hebben; maar zouden zij daardoor enig beletsel bekomen? Is hun natuur voor verandering, haar waarde voor vermindering, haar kleur voor bezoedeling, haar glans voor verwelking en verdonkering vatbaar? Iemand, wie ik zeer goed ken, ja zelfs in mijn maagschap is, verloor op zekere tijd een diamanten ring, in een aardbeienbed van een tuin die een geheel jaar zoek bleef. De herfst bedekte hem met bladen en de winter met sneeuw; de regen viel op hem en de aarde spreidde zich over hem uit; hij werd door de dauw nat gemaakt en door de vorst aan de aarde verbonden. Maar verhinderde daardoor zijn luister? Geenszins, al was hij in het vuilste riool van Londen gevallen, zijn schoonheid en waarde zou er niet door verminderd zijn.

Toen mijn vriendin haar diamanten ring terugvond, bleek hij even helder als altijd te zijn. Zo ook, wanneer de Heilige Geest een saffier in uw ziel vestigde, kan al het stof en slijk van het vleselijk gemoed, neen, al het vuil van de zonden, _ dat toch veel erger is dan dat van het vuilste riool in Londen, – er vrij over heen rollen, maar hij is echter niet te verdelgen. Het is waar, zij kunnen hem onzichtbaar maken, zijn vestiging verdonkeren en een korte tijd zijn aanzien benevelen; maar de aanraking van de hand des polijsters herstelt al zijn schoonheid en luister. De genade in de ziel heeft evenmin gemeenschap met de zonden, als een diamant met een mesthoop. De openbaringen van Christus aan de ziel en de toepassing van Gods waarheid aan het hart zijn Gods saffieren, in hun natuur onverdelgbaar, in haar schoonheid onverderfelijk. Zie wel toe, mijn vrienden, of u zulk een saffier in uw ziel hebt! Dat is het fondament. Bezit u dat. dan kunt ge er gerust op voortbouwen. Maar wacht u voor enig namaaksel. Er zijn een menigte Joden, die valse diamanten voor echte, en blauw glas voor saffieren uitventen. Onderzoek uw Hemelse getuigenis nauwkeurig, en zie of het een echte, een wezenlijke saffier is, juist van gewicht, zuiver van kleur, helder van verve en onverderfelijk van natuur, zonder breuk of scheur, en vooral, of zij door de hand van God is daargesteld : “Ik zal u op saffieren grondvesten.”

3. De Heere zegt verder: “En uw glasvensteren zal Ik van agaatsteen maken.” Waartoe dienen die glasvensters? Voornamelijk, om er licht en lucht door te ontvangen, en ons een gezicht te verschaffen van hetgeen zich buiten vertoont. Ik ben in het natuurlijke een groot beminnaar van een fraai uitzicht, en door de vensters van mijn woning heb ik ook een alleraangenaamst uitzicht waarnaar ik dikwijls met vermaak en bewondering mijn ogen wend. Onze huizen zouden armoedige, duistere verblijven zijn, als er geen

2 Hoewel het kristal meer overeenkomst met het glas heeft dan de agaat, omdat het doorzichtige steen is, terwijl de agaat een half doorzichtige, en vooral wanneer de natuur daarin speelt, een veelkleurige geen vensters in waren, of wanneer die altijd door de luiken waren toegesloten. Zij zouden veleer naar gevangenissen dan woningen gelijken. Zo schijnen de glasvensters waarvan in de tekst gesproken wordt, geestelijke uitzichten te betekenen. Want heeft de tempel geen glasvensters voor licht en lucht? Worden nooit de luiken weggenomen, om aan Sion haar uitzicht te geven? Ja, gewis! O gezegend gezicht, stralen des Hemels, aanschouwingen van Jezus, gezichten op de Drie-enige God, blikken in de eeuwige vreugde en gelukzaligheid over hef graf!

Maar de glasvensters zijn van “agaatsteen.” In die dagen werd er geen glas tot de venster gebruikt, ofschoon het tot vele andere einden reeds toen bekend was; immers werd het nog onlangs in Ninevé, als ook in de grafsteden van Egypte gevonden; maar haar gebruik tot de vensters dagtekent van veel later datum. Maar waarom zijn zij van agaat? Ofschoon in allen zo klaar niet als het glas, is het een half doorzichtige steen, dat is, doorschijnend genoeg, om een grote hoeveelheid licht door te laten. Wanneer de zon door een venster van agaat schijnt, mag zij een gedeelte van haar glans verliezen, echter zal haar licht niet zo veel verdonkeren. De Zon der gerechtigheid schijnt op Sion, in haren benedenstaat, niet in al haar luister. Zolang wij in het vlees zijn, worden haar stralen veel door de vensters van agaatsteen gebroken. Ook haar uitzichten zijn niet zuiver, helder en klaar. Gelijk de Apostel spreekt: “ Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede.” Wij kunnen hier niet die klare aanschouwingen hebben, welke de Heiligen in de Hemelse heerlijkheid genieten, waar zij Jezus zien van aangezicht tot aangezicht. Soms echter genieten wij, naar ik hoop, door het geloof een gezicht van God, van Christus, van de Hemelse heerlijkheid; doch deze beschouwingen zijn maar half-doorschijnend, gestreept en verdonkerd, als door een venster van agaatsteen, niet zo helder en klaar als door het zuivere glas.

Maar gelijk Daniël open vensters tegen Jeruzalem had, opdat hij door het geloof mocht aanscho uwen datgene, wat hij met zijn ogen niet zien kon, zo hebben wij ons naar het Hemels Jeruzalem te wenden, opdat wij daar Hem door het geloof mogen aanschouwen, die buiten dat onzichtbaar is. Hoe armoedig, hoe dof, ja hoe rampzalig zou het zijn in een huis zonder vensters te wonen! Geen gezicht van God, geen aanschouwing van Jezus, noch een straal van Zijn Hemelse heerlijkheid te genieten! In een gevangenis of donker hol te zijn opgesloten, waar ieder venster door luiken is toegesloten, en slechts zo vele luchtgaten gevonden worden, als tot het ademhalen volstrekt noodzakelijk zin, dat is waarlijk allerrampzaligst. En toch, er zijn velen onder des Heeren levendgemaakte kinderen, die hier zulk een leven hebben door te worstelen; en dit is het, dat hen “verdrukten, door onweder voortgedrevenen, ongetroosten” doet zijn. Maar aan de zulken belooft de Heere: “Ik zal uw glasvensteren van agaatsteen maken.” Zij zullen uitzichten hebben. Het moge in het eerst schemerende door de traliën zijn, de vensters van agaatsteen zijn tot het uitzicht gereed; want “het licht is voor den rechtvaardigen gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.”

4. Maar de Heere spreekt ook van Sions “poorten.” Deze poorten dienen tot in de tempel te gaan, die Hij sticht tot Zijn Eigen woning. Poorten? Ook dezen moeten van kostbare bouwstoffen zijn, evenals de fondamentsteen. Uw poorten van robijnsteen.”Niet dit ik de Schriftuurlijke zinnebeelden al te bedekt zoeken wil – en wij moeten ons vooral wachten om niet het vreemde in onze uitleggingen van Gods woord te beminnen – twijfel ik nochtans niet, of de Geest Gods zal deze edelgesteenten met een bijzonder doel geschreven hebben. De robijn is van een rode kleur. En waarom zou de Heere gewild hebben, dat Sions poorten van deze bijzondere kleur zouden zijn. Kunnen wij niet, zonder het beeld al te geheimzinnig te verwringen, het er voor houden, dat hier een verborgene zinspeling is van het bloed des Lams? Maar waartoe dienen de poorten? Voornamelijk tot twee einden: voor de in- en uitgang. Kwamen wij deze avond hier niet door de opening van de deur in deze kerk? En de deur, die ons een ingang verleende, daardoor wordt ons ook een uitgang gewezen. Sion heeft ook haar poorten, om daardoor uit en in te gaan. Zij heeft haar poorten, om tot God te naderen, om in de tegenwoordigheid des Allerhoogsten te treden, de deur van de hoop in het dal van Achor. En Hij, die de deur geopend heeft, of liever, Die haar niet alleen geopend, maar ook gemaakt heeft, is Zelf de DEUR. “Ik ben de deur,” zeide Jezus; en door Zijn vaneen gereten vlees is de deur geopend, gelijk de Apostel bij Hebreeën 10: 19, 20 zegt: “Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees.” Door Zijn bloedende wonden, door Zijn doorstoken zijde, door Zijn doornagelde voeten en handen is er nu een toegang tot God.

“Een deur van hoop voor alle zonden.
In Jezus diep doorboorde wonden.”

Weet u een anderen toegang tot God, dan door het geslachte Lam? “Door Hem hebben wij de toegang, beide door een Geest tot de Vader.” Daar is geen anderen, want “Hij is, de Weg, de Waarheid en het Leven, en niemand komt tot de Vader dan door Hem.” Is dit niet een geopende Weg? Vindt de ziel, die door deze Deur in- en uitgaat, geen weide en, binnengaande, de onmiddellijke tegenwoordigheid Gods? Kent u, mijn vrienden, een toegang tot God, een biddend hart, een gevoel van aanneming des gebeds, een geopende deur en kracht om daar door in te gaan? Wat opende haar? Verdiensten? Spreek van verdienste, en alle mensen, tot één toe, waren verloren! Geen verdiensten, noch groot, noch klein – alleen het bloed des Lams heeft de weg geopend, waarlangs arme verlorene zondaren tot God kunnen naderen. Dit zijn Sions poorten, haar poorten van robijnsteen, bloedkleurig van verf, voorstellende en afschaduwende het verzoenend bloed des Lams.

Nu, niet alleen geven de poorten een uitgang, maar ook een toegang. Niet alleen gaan gebeden, smekingen, verzoeken, roepingen, kermingen, zuchten en tranen aannemelijk door de poorten van robijnsteen, om zo in de oren van de Heere Zebaôth te worden gesproken, maar ook beloften, tekenen ten goede, getuigenissen en bezoekingen komen daardoor neer. En gelijk ieder gebed, zal het een goed gebed zijn, door de poorten van robijnsteen, (door het bloed des Lams,) gesproken moet worden, zo ook ieder antwoord, zal het een gebedsverhoring kunnen genoemd worden, komt door dat zelfde gewijde kanaal tot ons neer. Heeft het u niet soms met verwondering vervuld, dat God uw gebeden beantwoordde? En wat was de reden van die verwondering? Was zij niet deze? ‘Mijn gebeden zijn zo bezoedeld; mijn gedachten daar onder zo verstrooid; mijn gemoed zo vleselijk; mijn lusten zo sterk; mijn verdorvenheden zo machtig; mijn afwijkingen zo menigvuldig; dat, wanneer ik deze dingen zie, dan verwonder ik mij dat God naar mijn gebeden kan horen.’ En beziet u de zaak van deze kant, dan hebt ge u ook wel te verwonderen. God hoort niet naar uw gebeden omdat er iets goeds in u is! Hoe zou dat ook? Wie en wat zijt u voor Zijn heilig aangezicht? Een massa vuilheid en dwaasheid. Daar is niets anders in u. Waarom hoort God naar uw gebeden en beantwoordt die? Alleen door de poorten van robijnsteen. Het gebed kan opklimmen door Jezus, en de verhoring neerdalen door Jezus. Door Jezus komen de zuchtingen in de oren van de Heere van de Heirscharen, en door dezelfde opent poort des bloeds, druipt barmhartigheid de antwoorden in de ziel. Onze arme eigengerechtige harten kunnen dit zo moeilijk bevatten, en wij meen een goede gestalte, een goede daad, of een goed hart te moeten hebben, om onze gebeden Gode aangenaam te maken. Verban deze gedachten! Dit is niets dan het gebroed van de eigengerechtigheid. De poorten van robijn steen, – daardoor zijn onze gebeden aangenaam, daardoor daalt elke verhoring neer. Indien u iets anders opricht, of een poort van menselijke verdiensten maakt, ofschoon niet wijder dan de ingang van een muizenhol, dan werpen wij smaad en verachting op de genade en het bloed des Lams.

5. Eindelijk spreekt de Heere van Sions landpalen. Hij zegt ons: en haar ganse landpalen van aangename stenen,” te zullen maken. Daar zal niets gemeens rondom haar zijn. Een bouwmeester besteedt niet die opmerkzaamheid aan de mindere en de buitengebouwen, als aan het gebouw zelf. zo het gebouw van de kostelijke steen is, dan kunnen deze van een mindere soort wezen. Maar zo is ‘t niet met God. Sions Goddelijke Bouwmeester. haar voorhoven zijn, om daar in te gaan met lof. Geen achtergebouwen, geen schuren of stallen, keukens of washuizen zijn voor het gezicht verborgen, of door beplanting verborgen, opdat zij niet het heerlijke gebouw zouden schenden. Sions landpalen, binnenplaatsen of buitengebouwen zijn allen van dezelfde stoffen, als het gebouw zelf vervaardigd. “En al uw landpalen van aangename stenen.” Dat is, zo vermakelijk voor de oge n, als een edelgesteente, dat is door zijn luister en schoonheid. De muren rondom haar, de binnenplaatsen tussen die muren, de toegangen tot haar, haar wandelplaatsen en grenzen, alle wanden en scheidsmuren, waardoor ze omheind en afgescheiden is van een goddeloze wereld, zijn gemaakt van steen, aangenaam voor het gezicht en kostelijk in waarde. zo zijn al de handelingen van Gods Voorzienigheid, die dikwerf de buitenste schors van zijn inwendige barmhartigheid vormen, van aangename stenen. Ten noorden en ten zuiden, ten oosten en ten westen – Sions ganse landpalen zijn van kostbare bouwstoffen. De dagelijkse voorvallen van dit leven, de omstandigheden onder ons geslacht, in onze beroepen, bezigheden, hetzij voor- of tegenspoed, de banden van huiselijke zaken, met al haar onderscheiden omstandigheden, die meer naar de landpalen en buitenplaatsen, dan naar het inwendige heilige van de genadige bevinding gelijken – zij allen zijn van Goddelijke stoffen en maaksel. Beschouwd door en in het geloof, ieder voorval en omstandigheid des levens, hoe smartend en bedroevend die ogenschijnlijk zijn, als een aangename steen; want Sions ganse landpalen zijn van aangename stenen.

Maar voor wie zijn al deze barmhartigheden? Voor hen die ze verdienen? Voor de naarstigen? Voor de vlijtigen? Daar lezen wij niet van. Het luidt: “Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste.” Wel, zouden al deze barmhartigheden voor de zodanigen zijn? Dat zijn de enigen, die ze zo schatten, of God er voor verheerlijken. Geef ze de Farizeeër, en hij zal u zeggen, dat hij ze reeds door eigen oefening verkregen en door zijn verdienstelijke gehoorzaamheid bekomen heeft. En doordat God Zijn eer en heerlijkheid aan geen anderen geven wil, en de Farizese godsdienst een zodanige is, die men met eigen handen stichten kan, daarom geeft ze de Heere aan de “verdrukten, door onweder voortgedreven, de ongetroosten.” Met andere woorden, wanneer Hij Sion tot een puinhoop gesteld heeft, neemt Hij voor Zichzelf de onderscheidende eer van haar met Zijn handen op te bouwen, en elke steen op zijn plaats te leggen met Zijn almachtige vingers. Maar dit is op verre na niet in de smaak van de Farizeeër, Die wil zelf de troffel behandelen. Zijn vingers willen zelf het paslood en het meetsnoer stellen. Als hij slechts een weinig in de mortier van menselijke verdiensten mag roeren, een medehelper van God in het bouwen zijn, en dan op het gebouw schrijven, “dit is gedeeltelijk door God en gedeeltelijk door mijzelf gesticht,” dan zou hij voldaan zijn.

O, wat zou hij zich vermaken, om zijn naam, verenigd met Gods naam, te zien prijken! Evenals u in de stadskerk, even beneden het orgel, de twintig namen van de onderscheiden kerkmeesters, die in de kerkelijke bediening waren, toen zij werd verbeterd en verfraaid, ziet staan. Kon de Farizeeër zijn naam maar nevens die van God, als gezamenlijke bouwers, zien staan, o, dat zou zijn verbeelding, en hoogmoed kittelen! Maar ofschoon het hem zou vermaken, zou het toch God niet vermaken, en het zou niet de lust mijner ziel, noch die van u, voor zover u van God geleerd zijt, wezen, Onttroon het eigen ik van zijn keizerlijke zetel, en verban het, gelijk het verdient, tot ballingschap en donkerheid ; maar laat God verhoogd en in Zijn Goddelijke heerlijkheid voorgesteld worden. Dit is iedere ziel, die door God geleerd werd, aangenaam. Zij verkiest voor zich geen greintje verdiensten. Want – ik heb het menigmaal gezegd – wat verdient hij anders, dan de hel? Een eeuwige verdoemenis, dat is het wat de mens verdient, niets meer, niets minder. En zo lang als hij alleen de hel verdient kan hij, noch zal hij, noch moet hij, de Hemel verdienen. De reden dus, waarom de HEERE, om zo eens te spreken, zo veel moeite doet, om Sion neer te stoten en haar tot een puinhoop te maken, is, opdat Hij voor Zichzelf alleen alle eer en heerlijkheid zou hebben, van haar op te bouwen tot een tempel voor Zichzelf, waarin Hij hier wil wonen door Zijn genade, en hiernamaals in heerlijkheid.

En o, Hij verdient dit zo. Het is van de ziel aangenaam, dat het zo zal zijn, en zo wij geleerd hebben – en buiten die Goddelijke onderwijzing kunnen wij het waarlijk niet stellen – ik zeg, als wij onze eigen hulpeloosheid en hopeloosheid tot alle geestelijk goed hebben kennen geleerd, dan zullen wij Hem allen lof toekennen. Dat is de aangenaamste gewaarwording op aarde. Het is een zalige voorsmaak des Hemels: God voor Zijn barmhartigheid te loven, Hem te danken voor Zijn genade, en Hem te zegenen voor een gevoel van Zijn liefde. Het is een druppel van de Hemel; en hij, die hem hier niet deelachtig wordt, zal hem hiernamaals eeuwig moeten derven. Geen Farizeeër heeft die immer genoten. Geen Farizeeër zal die zolang hij een Farizeeër blijft, immer genieten. Hij moet een puinhoop voor God worden, voor en aleer God zijn handen zal uitstrekken, om hem tot een tempel te stichten. Hij moet een “verdrukte, door onweder voort gedrevene, ongetrooste”zijn, voor dat de HEERE “de steen gans sierlijk legt en hem op saffieren grondvest; ”voordat hij “de glasvensteren van agaatsteen, en de poorten van robijnsteen, en de ganse landpalen van aangename steen maakt.” En indien God dit niet voor hem doet, ach, waar en wat is dan zijn hoop en verwachting; waarop steunt zijn vertrouwen, en wat zal zijn einde zijn? AMEN.

Zijn Biografie, Preken en Bijbels Dagboek

Donatie

Welkom op deze website. Hier vindt u de Bijbelse dagboeken "Korenaren uit de volle oogst" "Door Baca's Vallei" en "365 Dagen Met Philpot" van J.C. Philpot.

J.C. Philpot

Philpot werd geboren in Ripple in het Engelse graafschap Kent, iets ten noorden van Dover. Hij studeerde in Londen en in Oxford en werd op 26-jarige leeftijd in Stadhampton bevestigd tot predikant van de Kerk van Engeland.

Na een lange 'worsteling' onttrok Philpot zich in 1835 aan de staatskerk. Hij schrijft daarover in één van zijn preken: Ik verlaat de Kerk van Engeland omdat ik in haar nauwelijks een merkteken van de ware kerk bespeuren kan. Hij sloot zich aan de baptistengemeenten, die later de Gospel Standard Strict Baptists zouden worden genoemd. Philpot was een van de eerste redacteuren van het kerkblad The Gospel Standard.

In 1838 werd Philpot predikant van de Strict Baptist-gemeenten Stamford en Oakham. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in de Londense buitenwijk Croydon. Hij stierf eind 1869. Joseph Charles Philpot ligt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Queens Road in Croydon.